terug  begin  verder

7.5 Werkwoord

7.5.1 Definitie - omschrijving

Aan het begin van het tweeëntwintigste hoofdstuk van zijn grammatica heeft Moonen ‘Werkwoorden94 gedefinieerd als:

zulke Veranderlyke woorden, die eenigh werk van Doen, Lyden of Weezen beteekenen met de omstandigheden van den Tegenwoordigen, den Voorgaenden en den Toekoomenden Tyt
(1706: 138)

Nadat Moonen in deze omschrijving heeft gewezen op de vervoeging als morfologische eigenschap waarmee werkwoorden gekenmerkt zijn, heeft hij ze verdeeld in drie semantische categorieën, waarbij hij aan het slot melding gemaakt heeft van het accidens tijd.

De definitie die Sewel in de Nederduytsche spraakkonst van deze woordsoort heeft gegeven, is louter semantisch:95

Een Werkwoord is een Spraakdeel, betékenende te zyn, doen, óf lyden
(1708: 125)

De informatie die Moonen en Sewel in hun definitie van deze woordsoort hebben geboden, verschilt duidelijk van wat Ten Kate over het werkwoord heeft geschreven. Deze heeft bij de behandeling van de ‘Algemeene Deelen eener Reden’ aangegeven dat we met behulp van tien ‘Partes Orationis’ in staat zijn al onze gedachten onder woorden te brengen. Het wezenlijke bestanddeel van elke taaluiting is het zelfstandig naamwoord (zie 7.3.1). Wordt hierdoor de ‘eigene zelfstandigheid der dingen’ uitgedrukt, de andere woordsoorten verstrekken informatie over de ‘Toevalligheid’ ervan, die bestaat ‘of in de beweging, of in de hoedanigheid, of in beiden te gelijk’ (1723, I: 322). De ‘beweging’ waarvan sprake is, wordt volgens Ten Kate uitgedrukt door de ‘Werk-woorden (Verba)’. Hij was de mening toegedaan dat we met evenveel recht van ‘Tijd-woorden’ zouden mogen spreken, ‘want door de Beweging word de Tijd, en die door dezen onderkent’.96 Daarnaast was het volgens hem mogelijk in plaats van ‘Verba's’ [sic!] de term ‘Bevestig-woorden’ te gebruiken, ‘overmits alle Gezeg <elke uitspraak> zonder eenige Bevestiging of Verbum zijnde, zonder slot en gebrekkig <onvoltooid> is; de Ontkenning moet men in dezen gevalle mede

[p. 273]

voor een bevestiging van het Niet rekenen’.97 Niettemin heeft Ten Kate de genoemde alternatieven gelaten voor wat ze zijn, en de gebruikelijke technische term werkwoorden gehanteerd.

7.5.2 Eigenschappen

Nadat Moonen in het tweeëntwintigste kapittel van de Nederduitsche spraekkunst een omschrijving had gegeven van het werkwoord, heeft hij ten aanzien van deze woordsoort achtereenvolgens vijf accidentia besproken: ‘Wyze’, ‘Tyt’, ‘Tytvoeging’, ‘Persoon’, ‘Getal’.

In het hoofdstuk uit de Nederduytsche spraakkonst dat over het werkwoord handelt, heeft Sewel - overigens minder overzichtelijk dan Moonen - gewezen op vier eigenschappen van het werkwoord. Door de op pagina 129 genoemde accidentia ‘Wyze’ en ‘Tyd’ worden werkwoorden ‘veranderd óf verschikt, welke Verschikking in 't Latyn CONJUGATIO genoemd wordt’ (1708: 129-130). Dat Sewel verder ‘persoon’ en ‘getal’ heeft beschouwd als eigenschappen die toebehoren aan het werkwoord, blijkt impliciet uit de door hem gepresenteerde paradigma's. Expliciet heeft hij daarvan gesproken op onder meer bladzijde 154.

Ten Kate heeft op pagina 328 en 329 van het eerste deel van de Aenleiding vijf eigenschappen genoemd waaraan werkwoorden onderworpen zijn. Behoudens één uitzondering - te weten ‘Aert’ - heeft hij zich in de hoofdtekst niet bediend van de daarvoor in gebruik zijnde Nederlandse termen; wel heeft hij in margine de Latijnse benamingen voor de accidentia vermeld: ‘Genus Verborum’, ‘Numerus’, ‘Persona’, ‘Tempus’, ‘Modus’.

accidens Moonen Sewel Ten Kate
modus Wyze Wyze Modus
tempus Tyt Tyt Tempus
conjugatio Tytvoeging (Verschikking)  
persona Persoon persoon Persona
numerus Getal getal Numerus
genus     Genus/Aert

In de bovenstaande tabel is bij Sewel het accidens verschikking tussen ronde haken geplaatst, omdat deze eigenschap afhankelijk is van de accidentia ‘Wyze’ en ‘Tyt’. Dit zou de reden geweest kunnen zijn voor Ten Kate om het accidens conjugatio weg te laten.

Voordat in de komende paragrafen zal worden ingegaan op de zojuist genoemde vijf eigenschappen van het werkwoord, bespreek ik eerst het accidens hoedanigheid. Na de bespreking van de accidentia zal aan het eind van dit hoofdstuk aandacht worden geschonken aan wederkerende werkwoorden en aan frequentatieven.

7.5.3 Hoedanigheid

Dibbets heeft in zijn overzichtswerk over de woordsoorten van de Nederlandse triviumgrammatici (Dibbets 1995) de bespreking van de eigenschappen van het werkwoord geopend met de eigenschap qualitas, een term die Van Heule heeft vertaald met het woord ‘Hoedanicheyt’. Dit accidens heeft geleid tot twee indelingen van de werkwoorden. Eerst

[p. 274]

is Dibbets ingegaan op het onderscheid tussen persoonlijke en onpersoonlijke werkwoorden, vervolgens heeft hij een beschrijving en een analyse gegeven van de gegevens die in de door hem onderzochte grammatica's worden verstrekt over zelfstandige werkwoorden enerzijds en hulpwerkwoorden anderzijds (zie Dibbets 1995: 236-240). Wordt de term qualitas in de taalkundige geschriften van Moonen, Sewel en Ten Kate niet expliciet genoemd, de tweedelingen waarvan zojuist melding is gemaakt, ontbreken daarin echter niet.

7.5.3.1 Persoonlijk - onpersoonlijk

Moonen heeft opgemerkt dat het gebruikelijk is werkwoorden te verdelen in ‘Persoonlyke en Onpersoonlyke’ werkwoorden (1706: 138). Deze beide groepen heeft hij als volgt omschreven:

Een Persoonlyk Werkwoort is, waer voor altyt de Voornaemwoorden Ik, Gy, Hy, of Zy of Het in het Eenvouwige, en Wy, Gy, Zy in het Meervouwige Getal gevoegt worden; als, Ik Hoore, Gy Hoort, Hy Hoort, Zy Hoort, Het Hoort, Wy Hooren, Gy Hoort, Zy Hooren.
Een Onpersoonlyk Werkwoort is, dat niet als in den derden Persoone gevonden, en door voorzetting der woordekens Men en Het of 't gekent wordt; als, Men Zegt, Het Schynt, 't Vriest.
(1706: 138)

Zo op het eerste oog lijkt het verschil tussen beide soorten werkwoorden te worden bepaald door de voornaamwoorden waarmee ze verbonden kunnen worden. Bij nadere beschouwing blijkt dat niet het geval te zijn, want blijkens de gegeven voorbeelden komt het pronomen het zowel voor in combinatie met een persoonlijk als met een onpersoonlijk werkwoord. Uit de bovenstaande aanhaling blijkt dat Moonen zeggen tot de onpersoonlijke werkwoorden heeft gerekend. Dat werkwoord voldoet evenwel niet aan de eis dat het ‘niet als in den derden Persoone gevonden’ wordt. Het kan namelijk ook gecombineerd worden met één van de bij de persoonlijke werkwoorden opgesomde pronomina, zoals bijvoorbeeld ik zeg, wy zeggen. In het geval van Men zegt had Moonen daarom zegt niet moeten bestempelen als een onpersoonlijk werkwoord, maar in plaats daarvan dienen te spreken van een onpersoonlijke constructie of van onpersoonlijk gebruik van zeggen (vgl. Van der Horst 1985: 36).

In het dertigste kapittel van zijn spraakkunst is Moonen uitgebreid op de impersonalia teruggekomen (1706: 231-234). De omschrijving die hij daar van deze werkwoorden heeft gegeven, bevat niet alleen een syntactisch maar ook een semantisch element:

Het Onpersoonlyk Werkwoort wordt gemeenlyk beschreeven, als een Werkwoort, dat een Bedryf of Lyden met den Tyt uitdrukkende, echter de gewoonlyke Persoonen, Ik, Gy, Hy, Zy, voor zich niet gedoogt, maer in hunne plaetse de Voorledekens98 Het en Men, en alleen in het Eenvouwige Getal, ontfangt.
(1706: 231)

Het zal geen toeval zijn dat Moonen in het bovenstaande citaat ik, gy, hy en zy heeft aangeduid met ‘Persoonen’ en niet met de term ‘Voornaemwoorden’. Door die woordkeus konden werkwoorden die werden voorafgegaan door het, een woord dat volgens pagina 138 van de Nederduitsche Spraekkunst zowel in combinatie met een persoonlijk als met een onpersoonlijk werkwoord kon voorkomen, uitsluitend onpersoonlijke werkwoorden zijn. Evenwel heeft Moonen in de vier daaropvolgende alinea's trachten aan te tonen dat onpersoonlijke werkwoorden strikt genomen niet bestaan, omdat

[p. 275]
de vervulling eener uitlaetinge, en de uitlegging der Voorledekens goet kan maeken, dat ieder van die Werkwoorden, die men Onpersoonlyk noemt, een Persoonlyk Werkwoort is
(1706: 231)

Een van de twee manieren om de bewering te staven dat er ten onrechte wordt gesproken van onpersoonlijke werkwoorden is ‘de vervulling eener uitlaetinge’. In de lijst met technische termen die voorin zijn spraakkunst is opgenomen, heeft Moonen ‘Uitlaeting’ weergegeven met het oorspronkelijk Griekse woord ‘Ellipsis’ (1706: ** 8r). Daaronder verstond hij volgens Schaars (1988: 361) niet zozeer onvolledige zinnen als wel ‘de samentrekking en weglating van (delen van) zinsdelen’. In de visie van Moonen kon een zinsnede als Het berout vervolledigd of ‘vervuld’ worden door er ‘werk, bedryf, woort, verhael’ tussen te plaatsen. Deze onzijdige zelfstandige naamwoorden treden dan op als subject of nemen - om in Moonens woorden te spreken - ‘de gedaente van Persoonen om <vanwege> hunne werkingen’ aan (1706: 232). Ook uitdrukkingen die verwijzingen naar weersgesteldheden - het vriest, het regent, het dondert - kunnen gecompleteerd worden door er een substantivum aan toe te voegen, te weten weder. Volgens Moonen vormt een zin als het vriest namelijk het antwoord op de vragen ‘wat maekt het weder?’, ‘wat doet het weder?’ of ‘wat weder is het?’.

Dat onpersoonlijke werkwoorden eigenlijk persoonlijke werkwoorden zijn, kan blijkens het bovenstaande citaat ook aangetoond worden door middel van de ‘uitlegging der Voorledekens’. Dit heeft Moonen toegelicht aan de hand van de zin ‘Men zegt’, waarin het werkwoord zegt voldoet aan de beide voorwaarden die door hem zijn gesteld aan onpersoonlijke werkwoorden: het staat in de derde persoon enkelvoud én het wordt voorafgegaan door één van de ‘Voorledekens’ Men, Het, 't (1706: 138, 231-232). Nu dient het ‘Voorledeken’ men in Men zegt volgens Moonen opgevat - in zijn terminologie: ‘uitgelegd’ - te worden als ‘Alle man’. En hoewel zegt in zowel Men zegt als Alle man zegt eigenlijk een persoonlijk werkwoord is, heeft Moonen het in het eerste geval, omdat het ‘de Onpersoonlyke Betekenis’ aanneemt, conform de traditie een onpersoonlijk werkwoord genoemd (1706: 231-233).

Nadat Sewel ten aanzien van de werkwoorden onderscheid gemaakt had tussen activa, passiva en neutra, heeft hij op pagina 126 van zijn spraakkunst deze woorden verdeeld in twee groepen, waarvan de ene groep ‘Persoonlyk’ en de andere ‘Onpersoonlyk’ genoemd wordt. Een werkwoord als Hooren bijvoorbeeld is persoonlijk omdat ‘men kan zeggen Ik Hoor, Gy Hoort, Hy Hoort, Wy Hooren’. Daarentegen behoren betamen, donderen, regenen, verdrieten, vriezen volgens Sewel tot de onpersoonlijke werkwoorden, ‘want men mag niet zeggen, Ik Betaam, Ik Donder, Ik Regen, Ik Verdriet, Ik Vries; maar Het betaamt niet, óf 't Betaamt my; Het dondert, Het regende; Het verdriet my, 't Verdroot hem; Het vroor fel’ (1708: 126).99 Uit het bovenstaande komt naar voren dat een persoonlijk werkwoord syntactisch verbonden kan worden met een wat Sewel ‘Aanwyzend’ voornaamwoord genoemd heeft, terwijl een onpersoonlijk werkwoord alleen gecombineerd mag worden met Het of 't.100

Dit heeft Sewel ook geschreven in de laatste paragraaf van het hoofdstuk over het werkwoord, dat geheel gewijd is aan onpersoonlijke werkwoorden. Een morfologische eigen-

[p. 276]

schap van deze subcategorie is dat ze ‘alleenlyk in den derden persoon verschikt <vervoegt>’ worden. In een syntactisch verband worden ze gekenmerkt ‘door de voorzetting van het Ledeken Het’ (1708: 175), waarbij onder ‘Ledeken’ niet ‘lidwoord’ maar ‘klein woord’ dient te worden verstaan (zie 7.2.1).

Sewel heeft verder opgemerkt dat sommige onpersoonlijke werkwoorden ‘Bedryvende’ en andere ‘Lydende’ zijn. Het criterium waarop dit onderscheid is gebaseerd, heeft hij niet vermeld (vgl. Van der Wal 1982: 63). Bij de eerste groep heeft Sewel behalve de werkwoorden die uitdrukking geven aan een bepaalde weersgesteldheid, ‘Behooren’, ‘Schynen’ en ‘Blyken’ als voorbeelden genoemd. Onder de onpersoonlijke werkwoorden die ‘Lydende’ zijn, vallen onder meer ‘Berouwen’, ‘Walgen’, ‘Spyten’, ‘Verdrieten’, ‘Jammeren’ en ‘Lusten’. Naar de betekenis voldoen deze zes werkwoorden aan de definitie van de lijdende werkwoorden die Sewel eerder al in zijn grammatica gegeven had: ze duiden ‘eene aandoening óf lyding van iets’ uit. Maar wat de vorm betreft wijken de zojuist genoemde voorbeelden af van de op pagina 126 van de Nederduytsche spraakkonst geboden lijdende werkwoorden, die bestaan uit een combinatie van een voltooid deelwoord en het werkwoord worden/werden. Het antwoord op de vraag of er tevens impersonalia bestaan die behoren tot de ‘Geenerleye’ of ‘Onzydige’ werkwoorden, wordt in Sewels grammatica niet gegeven.

Sewels hoofdstuk over het werkwoord wordt besloten met de mededeling dat tal van persoonlijke werkwoorden gebruikt kunnen worden als onpersoonlijke. De negen voorbeelden die dienen om dat te verduidelijken wijzen uit dat dit zijns inziens het geval is wanneer persoonlijke werkwoorden als zeggen, horen, geloven kunnen worden voorafgegaan door Men of Het (wordt): ‘Men Zegt’, ‘Men Hoort’, ‘Het wordt gezegd’, ‘Het wordt geloofd’ (Sewel 1708: 175).

Ten Kate heeft aan de impersonalia weinig aandacht besteed. Bij het behandelen van de conjugaties van de werkwoorden heeft hij door middel van de hoofdletters A, N en I slechts aangegeven of een werkwoord een ‘Activum’, een ‘Neutrum’ of een ‘Verbum Impersonale’ was (1723, I: 547).

 

In een aantekening bij vers 144 van het eerste boek van Vondels vertaalde Herscheppinge - ‘De lucht verbrant van hitte, en 't water vriest tot ys.’ - heeft Huydecoper uitgebreid gesproken over onpersoonlijke werkwoorden of ‘Onpersoonelyken’ (1730: 13), waarbij hij overigens voornamelijk aandacht heeft geschonken aan impersonalia die weersgesteldheden aanduiden, zoals vriezen, donderen, bliksemen, regenen.

In de Nederlandse spraakkunst van Sewel had Huydecoper gelezen dat vóór een onpersoonlijk werkwoord uitsluitend het woord het geplaatst kon worden, een uitspraak waarmee hij het geheel oneens was:

want datmen in goed Duitsch kan zeggen, en gezeid heeft, IK Donder, GY Bliksemt, HY Regent, kanmen met veel voorbeelden bevestigd vinden door den Hr. D. van Hoogstraten, in het Berecht geplaatst voor den Tweeden Druk zyner Aanmerkingen over de Geslachten101
(1730: 13)

Huydecoper heeft ook bezwaar aangetekend tegen de informatie die Moonen in zijn grammatica had geboden over de onpersoonlijke werkwoorden die een weersgesteldheid uit-

[p. 277]

drukken. In zijn ogen had Moonen evenals Sewel ‘den aard deezer Werkwoorden niet begreepen’ (1730: 13). Hierboven hebben we gezien dat Moonen ‘het vriest’ beschouwde als een elliptische vorm van ‘het weder vriest’ aangezien de eerste zin het antwoord vormt op de vragen ‘wat doet het weder?’, ‘wat maekt het weder?’ of ‘wat weder is het?’. Naar de mening van Huydecoper was daarbij niet alleen sprake van ‘een verkeerd Voorstel’ maar eveneens van een ondeugdelijke argumentatie. Wie evenals Moonen door middel van vragen en antwoorden iets tracht te bewijzen, dient volgens Huydecoper acht te geven op twee zaken:

de eerste, dat de Vraagen zo ingesteld moeten worden, datze onwederspreekelyk eene goede, klaare en gebruikelyke taal zyn. de tweede is; dat de Antwoorden letterlyk moeten sluiten op de Vraagen; anders is het in 't wild geschermd.
(1730: 13-14)

Van de drie vragen die Moonen gesteld heeft om aan te tonen dat in een zin als ‘het vriest’ het woord weder is weggevallen, voldoen de eerste twee volgens Huydecoper niet aan de eerste voorwaarde:

Wat Maakt, wat Doet het weder? [...] wie heeft immer zulk Duitsch gesproken?
(1730: 14)

Alleen de vraag ‘wat weder is het?’ heeft van Huydecoper het predikaat ‘goed Duitsch’ gekregen. Het door Moonen daarop gegeven antwoord - ‘het weder vriest’ - maakt dat niet aan de tweede eis wordt voldaan, want

Het naaste antwoord, op deeze vraag passende, is, 't Is Nat, droog, koud, warm, goed of Slecht weder. Deeze zyn de hoedaanigheden van het Weder, en worden veroorzaakt door Regen, Wind, Vorst, en diergelyken. als men nu op de vraag, Wat weder is het? antwoordt, gelyk doorgaands in zulke omstandigheden geschiedt, Het Vriest, Het regent: zo is in dit antwoord zekerlyk eene uitlaating, die aangevuld moet worden, niet gelyk Moonen wil, Het [weder] vriest, Het [weder] regent: maar op deeze wyze, ['t Is Koud weder, want] het vriest; ['t Is Nat weder, want] het regent. En dit is onwederspreekelyk: want Vriezen en Regenen zyn geen Uitwerkingen van het Weder; maar, integendeel, de Oorzaaken van het Weder: dat is, het Weder maakt de Vorst of den Regen niet; maar Vorst of Regen maaken het Weder, t.w. Koud of Nat
(1730: 14)

Nadat Huydecoper Moonens bewijsvoering had weerlegd - ‘niet, om hem tegen te spreeken, maar om de Taalkennis te bevorderen’ (1730: 14) -, heeft hij zijn eigen denkbeelden over deze werkwoorden geventileerd. Wat daarbij opvalt, is dat de overeenkomsten tussen beide taalkundigen groter blijken te zijn dan men op grond van het voorgaande zou verwachten. Zo is Huydecoper het niet alleen met Moonen eens dat ‘deeze Werkwoorden oneigelyk genoemd worden Onpersoonelyken’, maar vindt hij eveneens dat in een ‘beknopte spreekwyze’ als het vriest ‘een Zelfstandig Naamwoord moet verstaan worden’ (1730: 15). Huydecoper is er dus evenals Moonen van overtuigd dat een uitdrukking als het vriest elliptisch is. Feitelijk verschillen de twee taalgeleerden alleen van mening over de keuze van het in te vullen substantief. Het onzijdig zelfstandig naamwoord weder, dat Moonen volgens Huydecoper zonder enige twijfel was ingegeven door ‘het uitgedrukte Het, staande aan 't hoofd der Werkwoorden’, kon daarvoor niet in aanmerking komen. Dit zou namelijk betekenen dat ook andere ‘beknopte spreekwyzen’ als ‘Het smart, berouwt, lust my’ door middel van een onzijdig zelfstandig naamwoord vervolledigd zouden kunnen worden. Maar Huydecoper was van mening dat het geen zin had te zoeken naar een substantivum dat op al die ‘zogenoemde Onpersoonelyke Werkwoorden’ van toepassing zou zijn, want

Het Naamwoord, datwe hier zoeken ligt verhoolen in het Werkwoord zelf, De Donder in Het dondert; De Vorst in Het vriest; De Regen in Het regent
(1730: 15)
[p. 278]

Deze oplossing heeft Huydecoper niet geheel tot tevredenheid kunnen stemmen. Daarom achtte hij het noodzakelijk de constructie aan een nader onderzoek te onderwerpen. In de daaropvolgende ‘nader verklaaring’ heeft hij zijn lezers ervan proberen te overtuigen dat een zin als Het dondert in essentie gelijk is aan Daar is donder. In grote lijnen ziet Huydecopers betoog er als volgt uit: het zelfstandig naamwoord Donder verwijst naar hetzelfde verschijnsel als de werkwoordsvorm Dondert, alleen drukt het werkwoord ‘het zyn of werken’ ervan duidelijker uit. Vandaar dat Dondert hetzelfde betekent als de Donder is. Aangezien de werkwoordsvorm dondert op zichzelf geen correcte zin is, schreven de auteurs die Huydecoper als Ouden heeft bestempeld, Het dondert, waarbij Het niets anders is dan ‘het tegenwoordige Daar’. Om de woorden de donder is ‘in eene verstaanelyke wyze’ weer te geven, moeten wij in het Nederlands zeggen daar is donder.102 Hieruit kan geconcludeerd worden dat het dondert gelijkstaat met daar is donder.

Huydecoper was zich ervan bewust dat velen verbaasd zouden zijn door de uitspraak dat Het in feite hetzelfde is als Daar. Met grote stelligheid heeft hij echter beweerd dat er ‘niets zekerer’ is dan dit, daarbij verwijzend naar de aantekening bij vers 1032 van het tiende boek van Vondels Herscheppinge - ‘En 't lydt geen uur, of uit dit versch vergooten bloet’. Op de aangewezen plaats heeft Huydecoper twee ‘onbetwistbaare bewyzen’ geleverd voor de stelling dat het de betekenis heeft van daar, ‘waarvoormen 'er zegt als 'er een ander woord voorgaat’ (1730: 473). Ten eerste bestaat er geen enkel betekenisverschil tussen uitdrukkingen als Het leedt zeven jaaren en - ‘geschoeid op een nieuwer leest’ - Daar verliepen zeven jaaren. De andere grond waarop Huydecoper zijn bewering heeft gevest, is het taalgebruik van de Ouden ‘in de welken Het nu altyd wordt uitgedrukt door Daar’ (1730: 473). De overgang van het naar daar heeft zich volgens hem in de loop van de zeventiende eeuw voltrokken: ‘In de verleeden eeuw was dit [t.w. het, RdB] noch in maatig gebruik, en byzonderlyk eigen aan den Hr. Hooft’ (1730: 473-474). Op pagina 16 van de Proeve had Huydecoper nog een ander argument aangevoerd om aan te tonen dat het wanneer het aan impersonalia voorafgaat, dezelfde betekenis heeft als daar:

de Latynsche Onpersoonelyke Werkwoorden, in een' Lydenden zin voorkomende,103 als Pugnatur, Statur, Vivitur, [worden] nu altyd vertaald [...], Daar wordt gevochten, gestaan, geleefd: maar onze Voorvaders zeiden hiervoor, Het wordt gevochten, enz.104
(1730: 16)

Huydecoper heeft in de Proeve niet alleen impersonalia besproken die een weersgesteldheid aanduiden, maar ook de aandacht gevestigd op andere onpersoonlijke werkwoorden. Overigens heeft hij die niet altijd expliciet als zodanig aangemerkt.

Vers 66 van het tweede boek van Vondels Herscheppinge - ‘Terstont beroude godt dien eet, nu niet te schennen.’ - bood Huydecoper de gelegenheid ten aanzien van het werkwoord berouwen op te merken:

Men zegt niet in goed Duitsch, hy beroude dien eed, maar hem berouwde105 die eed106
(1730: 102)
[p. 279]

Met andere woorden: het was in zijn ogen niet correct een onpersoonlijk werkwoord te behandelen alsof het een persoonlijk is. Dit vormde voor Huydecoper ook de reden om zinnen als Ik behaag dat te doen; ik heb dat behaagen te doen als ‘misselyke en onnatuurelyke uitdrukking[en]’ (1730: 102) van de hand te wijzen. Deze ‘misslag’ had Vondel in de Herscheppinge meer dan eens begaan. Hierop heeft Huydecoper onder andere gewezen in een aantekening bij vers 327 van het vierde boek van die vertaling, waar de zeventiende-eeuwse dichter had geschreven ‘De voerman van 't gespan des lichts verdroot dees straf’ in plaats van Den voerman (1730: 224; vgl. 1730: 102). En op pagina 533 en 534 van de Proeve heeft Huydecoper opgemerkt dat Vondel het werkwoord lusten wanneer het betrekking heeft ‘op spyze en drank’ - evenals andere onpersoonlijke werkwoorden - heeft behandeld als een persoonlijk werkwoord. Wordt lusten echter gebruikt in de betekenis ‘believen’ of ‘behagen’, dan treffen we het volgens Huydecoper in de Herscheppinge uitsluitend ‘Onpersoonelyk’ aan. Hij is van mening dat lusten in geen enkele betekenis opgevat mag worden als een persoonlijk werkwoord:

De gemeene man zegt wel, van eeten of drinken, Ik lust dat wel; of, Ik lust dat niet. doch dit strydt met de beschaafdheid der zeden doorgaands, met die der taale altyd.
(1730: 534)

Waarom Huydecoper het persoonlijk gebruik van onpersoonlijke werkwoorden heeft afgekeurd, lezen we verderop in de Proeve. Uit het volgende citaat - naar aanleiding van het werkwoord walgen - blijkt dat die verklaring semantisch van aard is:

Alswe evenwel achtgeeven op de betekenis des woords, en de natuur der zaake, die wy Walgen en Walging noemen [...] zo is 't onwederspreekelyk, datwe daarby verstaan iets dat de mensch lydt, geenszins iets dat hy doet. en alleen daaruit volgt, datmen beter zegt, MY walgt, dan IK Walg: gelyk MY smert, bedroeft, berouwt, verdriet, enz. ook MY verheugt, verblydt, lust, belieft, behaagt, en zo in anderen, die eene aandoening betekenen, en eenige verandering in onze gesteldheid van ziele of lighaam te weeg brengen.
(1730: 560)

7.5.3.2 Zelfstandige werkwoorden - hulpwerkwoorden

Aan het begin van het drieëntwintigste hoofdstuk van zijn grammatica heeft Moonen het volgende geschreven:

De Werkwoorden kunnen in hunne Tytvoegingen niet geboogen noch verandert worden ten aenzien der Wyzen en Tyden en Persoonen, dan door hulp van eenige andere Werkwoorden, die om deeze oirzaek Helpwoorden genoemt worden
(1706: 142)

Voor de vervoeging van werkwoorden die elders in de Nederduitsche spraekkunst zijn aangeduid met de term ‘Hooftwoorden’ (1706: 183; vgl. 1706: 140, 157), zijn de zogenaamde ‘Helpwoorden’107 onmisbaar. Deze categorie wordt door vier werkwoorden gevormd: ‘Hebben, Zullen, Worden en Zyn’. Bij elk ervan heeft Moonen aangegeven wanneer, dat wil zeggen in welke tijd en wijze, het gebezigd dient te worden. Nadat hij de vervoegingen ervan gepresenteerd had, heeft Moonen de aandacht gevestigd op andere ‘Helpwoorden’, die ‘veelszins by de Werkwoorden gebruikt worden’. Het betreft ‘Kunnen, Moogen, Willen, Moeten, Durven, Laeten, Helpen, Doen’ (1706: 157), werkwoorden die met uitzondering van helpen traditioneel benoemd worden als hulpwerkwoorden van

[p. 280]

modaliteit dan wel causaliteit (Van den Toorn 1982: 187-191). Hoe de genoemde ‘helpwoorden’ vervoegd moeten worden, kan worden opgemaakt uit de paradigma's die Moonen op de bladzijden 158 tot en met 163 van zijn spraakkunst heeft geboden.

Evenals Moonen heeft Sewel opgemerkt dat er voor het ‘veranderen’ of vervoegen van werkwoorden ‘zekere Hulpwoorden’ noodzakelijk zijn (1708: 130), waarna hij heeft laten zien hoe de vervoeging luidt voor achtereenvolgens het ‘gebreklyk Helpwoord Zullen’, het ‘Helpwoord Hebben’, het - en die benaming kan de hedendaagse lezer gemakkelijk op het verkeerde been zetten - ‘Zelfstandig Werkwoord Zyn óf Weezen108 en het ‘Hulpwoord Worden óf Werden’ (1708: 130-142). Na de paradigma's van deze werkwoorden heeft ook Sewel erop gewezen dat er behalve de reeds genoemde nog andere ‘Hulpwoorden’ bestaan. Daarvan heeft hij slechts drie voorbeelden vermeld: ‘Konnen, Moeten, Moogen’ (1708: 142), vijf minder dan Moonen had gedaan.

De achtste paragraaf van het hoofdstuk ‘Regelmaet en rangschikking der Nederduitsche verba’ heeft Ten Kate gewijd aan de vervoeging van de ‘Onregelmatige Verba’, die in twee groepen uiteenvallen. Aan de ene kant zijn er werkwoorden die ‘door de Oudheid verloopen <ontspoord, afgeweken van de regelmaat> zijn’, aan de andere kant bestaan er werkwoorden ‘die tot Hulpwoorden van andere Verba gebruikt worden’. Representanten van deze laatste klasse zijn hébben, komen, konnen / kunnen, moeten, mogen, zyn / wezen, zullen (1723, I: 571-574). Elders in de Aenleiding heeft Ten Kate ook worden109 en - in bepaalde gevallen - staen en laten bestempeld als ‘Hulpwoorden’.110

 

In het derde boek van Vondels Herscheppinge komt zal binnen vier regels twee maal voor. Dat heeft Huydecoper aanleiding gegeven tot het stilistische advies dat

alle deeze Hulpwoorden, als Hebben, Zullen, Worden, Zyn, Mogen, Konnen, enz. veel beter eens uitgedrukt, dan meermaalen herhaald worden.
(1730: 209)

De afkorting ‘enz.’ in dit citaat wijst uit dat aan Huydecoper behalve de reeds genoemde zes meer hulpwerkwoorden bekend waren.

Dat ‘Hulpwoorden’ het mogelijk maken werkwoorden in verschillende tijden te zetten, blijkt uit het feit dat Huydecoper spreekt van ‘de Hulpwoorden des Verleeden Tyds, Heb, Had, Is of Was’ (1730: 557).

 

Worden

Behalve op de bovenstaande pagina's heeft Huydecoper in de Proeve op geen enkele plaats werkwoorden expliciet aangeduid als ‘Hulpwoorden’. Dit betekent overigens niet dat hij er met betrekking tot deze subcategorie verder het zwijgen toe heeft gedaan. Zo greep hij vers 865 van het eerste boek van Vondels Herscheppinge - ‘Verkeert te werden. toen godt Pan haer me wou sleepen’ - aan om zijn standpunt ten aanzien van de vervoeging van het werkwoord worden uiteen te zetten:111

[p. 281]
worden is de onbepaalende wyze, fieri: maar werden is de derde persoon in 't meervoudige van den onvolmaakten verleden tyd, fiebant.
(1730: 80)

waarna Huydecoper erop gewezen heeft dat Vondel het onderscheid tussen de tegenwoordige tijd word en de verleden tijd werd ‘naauwkeurig in acht’ genomen heeft.112 Met een groot aantal voorbeelden heeft Huydecoper vervolgens aangetoond dat ‘de alleroudsten’ Vondel hierin waren voorgegaan en dat ook de ‘Nieuwen’ met het verschil tussen beide werkwoordsvormen vertrouwd waren. Voor de ‘Aanvoegende wyze’ van het werkwoord worden heeft Vondel zich bediend van de vorm wiert, waarvan Huydecoper uit de Herscheppinge twee bewijsplaatsen heeft aangehaald.

Aan het slot van de onderhavige aantekening heeft Huydecoper ten aanzien van de vervoeging van het werkwoord worden de praktijk van Vondel vergeleken met de theorie van Moonen en Sewel. Daarbij was het hem opgevallen dat laatstgenoemde grammaticus zowel in de verleden tijd van de aantonende als in die van de aanvoegende wijs een en dezelfde werkwoordsvorm voorschreef: wierd. Sewel vond het in dat geval namelijk ‘onnoodig’ door middel van afwijkende vormen het verschil in modus tot uitdrukking te brengen,

want tót betékeninge van de Aanvoegende wyze heeft men niet anders te doen, dan het woordtje Wierd te verplaatsen, als, Ik wierd daartoe verzócht; En Eer ik daartoe verzócht wierd. Waaruyt dan zonneklaar blykt, dat men zich van zulk een arm behulp, als Werd voor het Praeteritum Imperfectum Indicativi, en Wierd alleen voor het Imperfectum Subjunctivi, [...] niet behoeft te bedienen.
(1708: 158)

Sewel wilde het onderscheid tussen de aantonende en de aanvoegende wijs van de verleden tijd dus tot uitdrukking laten komen door de woordvolgorde; in een wat wij noemen hoofdzin duidde wierd een aantonende wijs aan, was er sprake van een ‘bijzin’ dan drukte wierd een aanvoegende wijs uit. Huydecoper kon zich in Sewels argumentatie niet vinden en wilde evenals Moonen twee verschillende werkwoordsvormen gebruiken in de ‘Onvolm. Tyd’ om de aantonende van de aanvoegende wijs te onderscheiden.113

Ten aanzien van de tegenwoordige tijd enkelvoud van de aantonende wijs zaten Moonen en Sewel wel op één lijn. Beiden hebben in hun respectieve grammatica's gekozen voor de vorm worde, waaruit volgt dat zij zich in dezen niet hebben laten leiden door het taalgebruik van Vondel. Deze bezigde namelijk niet de werkwoordsvorm worde maar werde. Huydecoper schreef daarover:

het welk veele anderen naarvolgen; en wy mede goedkeuren114
(1730: 82)

In het volgende schema zijn alle vormen van het werkwoord worden opgenomen die Huydecoper op de pagina's 80-82 van de Proeve ter sprake heeft gebracht; het betreft zowel werkwoordsvormen uit het taalgebruik van Vondel als uit de grammatica's van Moonen en Sewel. De vormen uit de derde en vierde kolom die tussen vierkante haken staan, komen niet voor in de Proeve maar zijn door mij aangevuld met behulp van gegevens uit de

[p. 282]

genoemde spraakkunsten. De werkwoordsvorm uit kolom vijf die in Huydecopers aantekening niet voorkomt, heb ik op grond van analogie geconstrueerd; zij is eveneens tussen vierkante haken geplaatst.

vorm Vondel Moonen Sewel Huydecoper
infinitief worden [worden] [worden/werden] worden
t.t. ind.ev. word [worde] word/werd word
t.t. ind.mv.   [worden] [worden] worden
v.t. ind.ev. werd [werde] wierd werd
v.t. ind.mv. werden [werden] [wierden] werden
t.t. con.ev. werde worde worde werde
t.t. con.mv.   [worden] [worden] [werden]
v.t. con.ev. wiert wierde wierd [wierde] wierd
v.t. con.mv.   [wierden] [wierden] [wierden]

Doen

Hoewel Huydecoper het werkwoord doen op pagina 209 van de Proeve niet genoemd heeft als voorbeeld van een ‘Hulpwoord’, zal hier toch worden ingegaan op wat hij over dit werkwoord heeft gezegd. Moonen (1706: 157) heeft het namelijk wel expliciet tot de ‘Helpwoorden’ gerekend en daarom is het aannemelijk dat doen één van de werkwoorden was die Huydecoper in gedachten had, toen hij aan het eind van de hierboven vermelde reeks hulpwerkwoorden ‘enz.’ schreef.

Naar aanleiding van de zinsnede ‘Het vliegen leert vergeeten’ uit vers 928 van het vierde boek van Vondels Herscheppinge heeft Huydecoper opgemerkt dat Vondel er ‘beter’ aan had gedaan te schrijven ‘Doet vergeeten: gelykmen spreekt’ (1730: 236-237). Michels (1934: 546) heeft bij dit vers van Vondel in een noot aangetekend dat het werkwoord leeren bij Vondel zich tot een causatief hulpwerkwoord ontwikkelt.

Deze paragraaf wordt besloten met een overzicht dat per grammaticus aangeeft welke werkwoorden door hen expliciet met de term ‘Hulpwoord’ of ‘Helpwoord’ zijn aangeduid.

Moonen Sewel Ten Kate Huydecoper
hebben hebben hebben hebben
zullen zullen zullen zullen
worden worden/werden worden worden
zyn zyn/weezen zyn/wezen zyn
kunnen konnen konnen/kunnen konnen
moogen moogen mogen mogen
willen      
moeten moeten moeten  
durven      
laeten   laten  
helpen      
doen      
    komen  
    staen  

7.5.4 Geslacht

Moonen heeft in zijn definitie van de werkwoorden aangegeven dat ze uitdrukking geven aan ‘eenigh werk van Doen, Lyden of Weezen’ (1706: 138). Op basis van deze betekenissen

[p. 283]

heeft hij de werkwoorden verderop in zijn grammatica onderverdeeld in drie zogenaamde werkwoordelijke geslachten; deze heeft hij louter semantisch gedefinieerd:

Bedryvende Werkwoorden zyn, die eenigh bedryf uitdrukken, dat tot een voorwerp overgaet; als Bidden, Hooren, Leezen, Pryzen.
Lydende Werkwoorden zyn, die eene Lyding, van buiten iemant aenkomende, betekenen; als Gebeeden Worden, Gehoort Worden, Geleezen Worden, Gepreezen Worden.
Onzydige Werkwoorden zyn, die, in den werker met de daet blyvende, en niet overgaende, iet tenvollen betekenen; als Zyn, Worden, Staen, Bloeien, Leeven, Sterven.115
(1706: 163-164)

De ‘Bedryvende Werkwoorden’ gaven volgens Moonen uitdrukking aan een handeling die iemand verricht ten opzichte van een voorwerp, waarbij we vermoedelijk niet aan een ‘ding’ moeten denken maar aan de meer taalkundige betekenis ‘object’. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Van Heule heeft Moonen niet expliciet vermeld dat ‘Bedryvende Werkwoorden’ kunnen ‘overgaen’ tot personen (vgl. Dibbets 1995: 240). Door het gebruik van het woord ‘overgaen’ - een vertaling van het Latijnse transire - heeft Moonen het begrip transitiviteit in zijn omschrijving verwerkt. Daarbij dient te worden aangetekend dat transitiviteit niet als syntactisch begrip werd gehanteerd maar beschouwd werd als een aspect van de betekenis van het werkwoord (vgl. Van der Wal 1982: 78; Dibbets 1995: 240-241). Waren bedrijvende werkwoorden voor Moonen transitief, de ‘Onzydige’ daarentegen waren intransitief (Van der Wal 1982: 63). In zinnen met een onzijdig werkwoord valt namelijk geen object aan te wijzen.

In zijn definitie heeft Moonen de ‘Lydende’ werkwoorden louter op semantische gronden afgebakend ten opzichte van de ‘Bedryvende’ en de ‘Onzydige’ werkwoorden. Maar uit de daaropvolgende voorbeelden blijkt dat ze ook formeel verschillen van de andere twee geslachten van het werkwoord: alleen bij de ‘Lydende’ werkwoorden treffen we namelijk - naast een verbaal complement in de vorm van een voltooid deelwoord - een ‘Helpwoort’ aan, hetzij een vorm van ‘Worden’, hetzij van ‘Zyn’.116 Door middel van een hulpwerkwoord probeerde Moonen evenals een groot aantal grammatici vóór hem het morfologische verschil dat er in het Latijn bestond tussen actieve en passieve vormen (vergelijk: amo ‘ik bemin’ versus amor ‘ik word bemind’) ook in het Nederlands weer te geven (vgl. Van der Wal 1982: 58; Dibbets 1995: 241).

Sewel heeft werkwoorden gedefinieerd als een woordsoort die ‘te zyn, doen, óf lyden’ betekenen. Deze betekenissen hebben ten grondslag gelegen aan de driedeling ‘Bedryvende, Lydende en Geenerleye’ werkwoorden, waarvan hij in drie voetnoten de respectieve Latijnse termen heeft vermeld: ‘Activa, Passiva, Neutra’ (1708: 125). Zijn omschrijvingen van deze categorieën luiden als volgt:

De Bedryvende betékenen het doen van iets, als Onderwyzen, Hooren, Leezen, Slaan, Verachten.
De Lydende betékenen eene aandoening óf lyding van iets, als Onderweezen worden, Gehoord worden, Geleezen worden, Geslagen worden, Veracht worden.
De Geenerleye óf Onzydige Werkwoorden betékenen eygentlyk nóch doen nóch lyden, als Blinken, Flikkeren, Klimmen, Daalen, Stinken, Vaaren, Staan, Woonen, Blyven, Vertrekken, Komen, Durven.
(1708: 126)
[p. 284]

Vergelijken we Sewels omschrijving van de ‘Bedryvende’ werkwoorden met die van Moonen, dan zien we dat beiden hebben aangegeven dat dergelijke werkwoorden een handeling uitdrukken (‘eenigh bedryf’ respectievelijk ‘het doen van iets’) en dat beiden refereren aan het begrip transitiviteit (‘tot een voorwerp overgaet’ respectievelijk ‘het doen van iets’ = ‘iets doen’). De wijze waarop Sewel de ‘Lydende’ werkwoorden heeft gedefinieerd, wijkt niet wezenlijk af van die van Moonen. Het verschil tussen de twee grammatici is daarin gelegen dat Sewel niet is ingegaan op de oorsprong van de ‘aandoening óf lyding van iets’, terwijl Moonen dat wèl gedaan heeft (‘van buiten iemant aenkoomende’). De ‘Geenerleye óf Onzydige Werkwoorden’ heeft Sewel in tegenstelling tot Moonen negatief semantisch gedefinieerd: ze behoren niet tot de ‘Bedryvende’ werkwoorden omdat ze geen ‘doen’ betekenen, en niet tot de ‘Lydende’ omdat ze geen uitdrukking geven aan een ‘lyden’ (vgl. Dibbets 1995: 241).

Ten Kate heeft op bladzijde 328 van het eerste deel van zijn Aenleiding opgemerkt dat de werkwoorden ten aanzien van het accidens ‘Aert der Werk-woorden’ of ‘Genus Verborum’ in drie soorten kunnen worden verdeeld. Bepalend daarbij is of de beweging die door het werkwoord wordt aangeduid, ‘Bedrijvende, of Lijdende, of Bestaende’ is. Zes pagina's eerder had Ten Kate genus als eigenschap van werkwoorden ook al aan de orde gesteld:

Werk-woorden zijn, of Bedrijvende (Activa) als Slaen, of Lijdende (Passiva) als Geslagen worden, of Onzijdige of Bestaende (Neutra) als Blyven.
(1723, I: 322)

Wanneer in een mededeling het aspect beweging of rust - dat blijkens Ten Kates definitie van de werkwoorden door werkwoorden tot uitdrukking wordt gebracht (zie 7.5.1) - afwezig is, bedient men zich van ‘'t zogenaemde Zelfstandige of Bestaende Werk-woord Zyn of Wezen’ (1723, I: 322), voor welke term we in de marge het Latijnse equivalent ‘Verbum Substantivum’ vermeld vinden. Het is niet duidelijk of Ten Kate dit werkwoord onder de ‘Onzijdige’ werkwoorden heeft geteld of niet.

Op pagina 538 van het eerste deel van de Aenleiding heeft Ten Kate met betrekking tot het gebruik van hulpwerkwoorden de werkwoorden in vier categorieën ondergebracht. Naast de bekende trits ‘Activa’, ‘Passiva’ en ‘Neutra’ treffen we daar als nieuwe soort de ‘Communia’ aan. Deze werkwoorden hebben hun naam ontleend aan het feit dat zij tegelijkertijd ‘Neutra & Activa’ zijn.117 Als voorbeeld van deze categorie wordt het werkwoord zyn genoemd.118

Terloops heeft Ten Kate een beschouwing gegeven over de zogenaamde ‘Lijdenden staet’, een term die in de marge wordt vertaald met ‘Passivum’. Een formeel kenmerk ervan is het gebruik van wat wij noemen de hulpwerkwoorden van het passief:

De Hulpwoorden WORDEN en ZYN, op dezelfde wijze als het Hulpwoord Hebben gebruikt zijnde, maken [...] bij ons het Passivum uit.
(1723, I: 531)

Ten Kate heeft vervolgens gewezen op ‘een teder Onderscheid’ tussen worden aan de ene en zyn (wezen) aan de andere kant:

Het Hulpwoord ZYN (of WEZEN) is, enkel staende, van breeder uitstrekking ten aenzien van de tijd en Personen; terwijl WORDEN dient om de Lijding zelf uit te drukken, en die enger en als op een vast punt des tijds bepaelt
(1723, I: 531)
[p. 285]

Zo refereren passieve zinnen waarin een vorm van worden voorkomt - ‘HY WORD BEMINT’ - naar de mening van Ten Kate doorgaans slechts aan situaties of gebeurtenissen die zich afspelen in de tegenwoordige tijd. Wordt de rol van hulpwerkwoord echter vervuld door een vorm van zyn (of wezen) - ‘HY IS BEMINT’ - dan hebben deze zinnen volgens Ten Kate niet alleen betrekking ‘op het Tegenwoordige, maer ook eenigsints op het Voorledene’ (1723, I: 532).119 Dat is in beide betekenissen benoemd wordt als een hulpwerkwoord, strookt niet met de thans geldende opvattingen uit de traditionele grammatica. Wanneer de voorbeeldzin betrekking heeft ‘op het Tegenwoordige’, noemen wij de vorm is namelijk niet zoals Ten Kate een ‘Hulpwoord’ maar een koppelwerkwoord.

Ook ten aanzien van ‘Personen’ heeft Ten Kate een verschil bemerkt tussen worden en zyn (wezen). In de bovenstaande voorbeeldzinnen impliceert het gebruik van worden volgens hem dat er sprake is van ‘eenen of weinigen die hem beminnen’, terwijl de keuze voor zyn (wezen) veronderstelt dat er ‘vele Personen [zijn], die hem beminnen’ (1723, I: 532).

De (Nederlandse) benamingen die de drie besproken grammatici aan de werkwoordelijke geslachten hebben toegekend, zijn hieronder weergegeven:

geslacht Moonen Sewel Ten Kate
1. activa Bedryvende Bedryvende Bedrijvende
2. passiva Lydende Lydende Lijdende
3. neutra Onzydige Geenerleye / Onzijdige /
    Onzydige Bestaende
4. communia     Communia

Dit schema laat zien dat Moonen, Sewel en Ten Kate het eens waren over de termen waarmee de Latijnse woorden activa en passiva in het Nederlands vertaald dienden te worden. Hoewel Huydecoper bekend was met de benaming ‘Bedryvend’ - hij heeft haar in de Proeve één keer gebezigd en wel op bladzijde 596 - heeft hij er de voorkeur aan gegeven de termen activa en passiva in het Nederlands door middel van het begrippenpaar ‘Werkend’ - ‘Lydend’ uit te drukken.120 Als we de opvattingen uit de Proeve over dit onderscheid plaatsen naast de mededelingen die Moonen, Sewel en Ten Kate hierover in hun respectieve grammaticale geschriften hebben gedaan, dan valt op dat de laatste drie taalkundigen het hebben over ‘bedrijvende’ en ‘lijdende’ werkwoorden, terwijl Huydecoper daarentegen spreekt van werkwoorden ‘in een' Bedryvenden zin’ (1730: 596), ‘in een' Werkenden zin’ (1730: 471, 626), van werkwoorden die ‘Activè’ (1730: 249, 596) gebruikt zijn enerzijds en van werkwoorden ‘in een' Lydenden zin’ (1730: 16, 626), ‘in een Lydende betekenis’ (1730: 471) anderzijds.

De onderstaande passage uit de Proeve leert ons dat de passieve betekenis van een werkwoord volgens Huydecoper wordt uitgedrukt door het voltooid deelwoord van dat werkwoord en (een vorm van) het hulpwerkwoord worden:

[p. 286]
Zinken, in een' Werkenden zin: dat zelden voorkomt. Op de zelfde wyze zegt Huygens, in een Lydende betekenis, Gezonken worden
(1730: 471)

Daarbij dient aangetekend te worden dat Huydecoper deze combinatie van voltooid deelwoord en hulpwerkwoord als één geheel heeft opgevat.121

Dat passieve werkwoorden aan dat formele criterium herkend kunnen worden, wordt ook geïmpliceerd door Huydecopers opmerking dat Latijnse onpersoonlijke werkwoorden die in een lijdende betekenis voorkomen, zoals pugnatur, statur, vivitur, vertaald moeten worden door ‘daar wordt gevochten, gestaan, geleefd’ (1730: 16).122

Binnen de werkwoorden heeft Huydecoper ten aanzien van het accidens geslacht naast de activa en de passiva ook neutra onderscheiden. Van deze drie werkwoordelijke geslachten heeft Huydecoper in de Proeve aan het onzijdige geslacht de minste aandacht geschonken. Over dit genus heeft hij voor het eerst expliciet gesproken in een aantekening bij de verzen 14 en 15 van het achtste boek van Vondels Herscheppinge - ‘De maen vernieut zeswerf haer horens hoogh gesteegen, Geduurende 't beleg, noch bleef de stadt belegen’:

By welke gelegenheid wy hier ook aanmerken, dat onze Onzydige Werkwoorden, met het Voorvoegsel Be, te gelyk eene Werkende betekenis aanneemen, dat is, van Neutra veranderen in Activa. zo komt van Lagchen, iemand belagchen; van Loopen, iets beloopen; van Weenen, beweenen; van Slaapen, beslaapen; enz. op dien zelfden voet komt van Leggen (jacêre) Beleggen, Belag, Belegen; als een Stad, een Slot beleggen
(1730: 370-371)

Hoewel Huydecoper het niet met zoveel woorden gezegd heeft, blijkt uit drie van de vijf gegeven voorbeelden- ‘iemand belagchen’, ‘iets beloopen’ en ‘een Stad, een Slot beleggen’ - dat activa transitief gebruikt worden.

Daarnaast heeft Huydecoper in een zes pagina's tellende aantekening bij de verzen 431-432 van het twaalfde boek van Vondels Herscheppinge - ‘[...] Helops ley Ter neder van een' steek door hooft en beide d'ooren’ - met een groot aantal voorbeelden gewezen op het tweeërlei gebruik van leggen. Wanneer de betekenis van dat werkwoord gelijk is aan die van het Latijnse ponere (het hedendaagse leggen), luiden de stamtijden ervan: leggen - leide - geleid. Tot welk werkwoordelijk geslacht het behoort, heeft hij niet expliciet aangegeven, dit in tegenstelling met het werkwoord dat volgens de reeks leggen [= liggen] - lag - gelegen wordt vervoegd:

Het Onzydige Leggen, in 't Latyn Jacêre, is eigelyk LIGGEN
(1730: 506)

In de tweede druk van zijn Nederduytsche spraakkonst - in de eerste druk ervan ontbreekt de navolgende informatie - heeft Sewel klimmen, lopen en zitten tot de ‘Onzydige’ werkwoorden gerekend ‘omdat zy niet in Lydende veranderd konnen worden’ (1712: 241). Hieruit kunnen we afleiden dat het volgens hem wel mogelijk was ‘Bedryvende’ werkwoorden om te zetten in ‘Lydende’ (vgl. Van der Wal 1982: 63). Dit niet-semantische criterium vinden we in bedekte bewoordingen ook terug bij Huydecoper. In zijn Proeve heeft hij over het gebruik van het werkwoord verwelken in een lofdicht van G. Eggericx opgemerkt:

daar Verwelken voorkomt in een' Bedryvenden zin of Activè. zo dit goed is, kanmen ook zeggen, verwelkt worden
(1730: 596)

Maar in actieve zin heeft Huydecoper dit werkwoord tot dan toe ‘by geen Schryvers van meerder gezag’ aangetroffen. Op grond van het taalgebruik heeft hij het bedrijvende verwelken - en dus ook het lijdende verwelkt worden - van de hand gewezen (1730: 596).

[p. 287]

Als het werkwoord verwelken bij gezaghebbende schrijvers noch in een ‘Bedryvenden’ noch in een ‘Lydenden’ zin voorkomt, dan kan daaruit alleen de gevolgtrekking worden gemaakt dat zij verwelken hebben behandeld als een ‘onzydig’ werkwoord.

Ook elders in de Proeve heeft Huydecoper erop gewezen dat bepaalde ‘Onzydige’ werkwoorden - overigens zonder deze uitdrukkelijk als zodanig aan te merken - door dichters van naam in een afwijkende betekenis gebezigd worden:

Hoogvliet gebruikt het [t.w. snorren, RdB] Activè
(1730: 249)

De zinsnede ‘ofze hen in Plutoos poel wil zinken’ uit vers 982 van het tiende boek van Vondels Herscheppinge bood Huydecoper de gelegenheid tot de opmerking (zie ook hierboven):

merk hier aan, Zinken, in een' Werkenden zin: dat zelden voorkomt.123 Op de zelfde wyze zegt Huygens, in een Lydende betekenis, Gezonken worden
(1730: 471)

Dat ook het werkwoord ryzen ‘in een' Werkenden zin’ gebezigd werd, heeft Huydecoper aangetoond met een dichtregel uit een toneelstuk van Meyndert Voskuyl. En hoewel het in gesproken taal niet ongewoon was zakken eveneens op die wijze te gebruiken, heeft Huydecoper bij geen enkele schrijver daarvan een voorbeeld kunnen vinden.124 Taalkundig gezien - ‘voor zo verre de eigenschap der Taale aangaat’ - moest het gebruik van zinken, ryzen en zakken in actieve zin volgens Huydecoper worden verworpen. Zo vond hij een zin als ‘ieder zakte zijn vensters’ onjuist. Aan de persoonsvorm zou ‘in goed Duitsch’ een vorm van doen moeten voorafgaan: ‘ieder deed zijn vensters zakken’ (1730: 471-472). Dichters hielden daar niet altijd de hand aan, maar dat zag Huydecoper in bepaalde gevallen door de vingers:

De Poëzy echter schynt niet afkeerig te weezen van ook de bovengemelde voorbeelden [t.w. zinken, ryzen, zakken in actieve zin, RdB] naar te volgen. doch men moet weeten, dat buitengewoone Spreekwyzen altyd van eene buitengewoonen aardigheid <bevalligheid> behooren verzeld te zyn. die dit weet te treffen, mag veel doen, dat anderen niet vrystaat.125
(1730: 472)

Wil men bij onzijdige werkwoorden aangeven dat er iemand (iets) is die (wat) de door het werkwoord uitgedrukte handeling verricht, dan is het gebruik van het causatieve hulpwerkwoord doen in niet-dichterlijke taal door Huydecoper verplicht gesteld. Bij actieve werkwoorden als ‘knagen’, ‘halen’ en ‘verpligten’ moet daarentegen een vorm van het werkwoord doen in zowel proza als poëzie juist achterwege blijven. Anders worden ‘vaarzen en taal, ontzenuwd en lam’ (1730: 472).

Nadat Van Lelyveld in de tweede druk van de Proeve gesteld had dat er in het Nederlands ‘vele onzydige werkwoorden [zijn], welke, in een werkenden zin, gebezigd worden’ - hij noemt als voorbeelden ‘schrikken, ontglyden, wyken, verdwynen, vluchten, vlieden, zwichten, duiken’ - heeft hij de suggestie aan de hand gedaan over de werkwoorden een verhandeling te schrijven. Met dat doel voor ogen heeft Hinlópen in dezelfde noot zijn visie omtrent de werkwoorden uit de doeken gedaan. Aan de hand van een groot aantal voorbeelden heeft hij de juistheid van de onderstaande bewering proberen aan te tonen:

[p. 288]
In den grond dan hebben onze werkwoorden geene onderscheidene vorm gehad. De beteekenisse was volstrekt, en zoo wel op lydende als werkende zinnen toetepassen.
(1788: 57)

Aangezien het werkwoord in het Nederlands een afzonderlijke ‘lijdlyke vorm’ ontbeert, moet het passief op een andere wijze tot uitdrukking worden gebracht. Daartoe bedient men zich van ‘de hulpwoorden ik worde, ik ben’. Dit heeft onder meer tot gevolg gehad dat het Nederlands ‘eenerlei deelwoord in het werkende en lijdlyke heeft; ik heb bemind, ik word, ik ben bemind’, aldus Hinlópen (1788: 60).

7.5.5 Persoon

Moonen heeft over het verbale accidens persona het volgende opgemerkt:

In de Werkwoorden zyn Drie Persoonen aen te merken; die naer het Tweeërlei Getal geschikt worden; en deeze zyn Ik, Gy, Hy, Het, Wy, Gy, Zy.
(1706: 142)

Vervolgens heeft hij de drie personen afzonderlijk omschreven, waarbij hij steeds voor zowel het enkelvoud als het meervoud voorbeelden heeft gegeven:

De Eerste Persoon, die van zich zelven spreekt, is in het Eenvouwige Getal, Ik Hoore, in het Meervouwige, Wy Hooren.
De Tweede Persoon is, tot wien in het Eenvouwige of Meervouwige Getal gesprooken wordt, en dus wordt uitgedrukt door Gy Hoort, Gy Leest.
De Derde Persoon, van wien, als van eenen afweezenden door Hy of Zy of Het, naer onderscheit der sexe, in het Eenvouwige, en ook door Zy in het Meervouwige Getal gesprooken wordt, is Hy of Zy of Het Hoort, Zy Hooren.
(1706: 142)

In tegenstelling tot Moonen heeft Sewel aan het accidens persona in het hoofdstuk over het werkwoord niet afzonderlijk aandacht besteed. Wel heeft Sewel bij de vervoeging van deze woordsoort en passant opgemerkt

dat de woorden in den Tegenwoordigen Tyd der Aantoonende Wyze doorgaans in den tweeden en derden persoon van 't Eenvoudig, en alleen in den tweeden persoon van 't Meervoudig getal, eene T aanneemen, als Ik Woon, Gy Woont, Hy Woont. Wy Woonen, Gylieden Woont, Zy Woonen.
(1708: 154)

Uit de voorbeelden blijkt dat de drie personen die Sewel ten aanzien van het werkwoord heeft onderscheiden, ieder syntactisch verbonden kunnen worden met een enkelvoudig werkwoord of met een meervoudig werkwoord.

In het eerste deel van zijn Aenleiding heeft Ten Kate ‘Personen’ - in de marge weergegeven met het Latijnse ‘Personae 1. 2. 3.’ - genoemd als één van de vijf factoren die bepalend zijn voor de vervoeging van werkwoorden. Daarover heeft hij het volgende meegedeeld:

Ik en Wy, de Werkers die spreken; Gy en Gylieden, zijn 't aen wien men spreekt: Zy, Hy, Men, en Het, en verder alle Nomina zijn 't van wien of van welken men spreekt.
(1723, I: 328)

Hoewel Ten Kate het niet met zoveel woorden gezegd heeft, spreekt het vanzelf dat ‘de Werkers die spreken’ de eerste, degenen ‘aen wien men spreekt’ de tweede en degenen ‘van wien of [de zaken] van welken men spreekt’ de derde persoon vormen. Vergelijken we deze tekst van Ten Kate met de gegevens die Moonen en Sewel over het accidens persona hebben verstrekt, dan valt op dat Ten Kate bij de derde persoon ook naamwoorden heeft genoemd.

 

Evenals Moonen, Sewel en Ten Kate heeft Huydecoper aan de werkwoorden het accidens persona toegekend. Verspreid in de Proeve zien we dat hij ten aanzien van die woordsoort

[p. 289]

drie personen heeft onderscheiden, die zowel op het enkelvoud als op het meervoud betrekking hebben. Geen enkele persoon heeft hij nader omschreven.

Op grond van de door Huydecoper geciteerde versregels en uit de door hemzelf verzonnen voorbeelden, kan voor elk van de drie personen worden vastgesteld welke voornaamwoorden syntactisch verbonden dienen te worden met het werkwoord. Bij de eerste persoon enkelvoud126 is dat ik of ick, voor het meervoud127 ontbreken voorbeelden. In de tweede persoon is er zowel in het enkelvoud128 als in het meervoud129 een grote verscheidenheid aan vormen: je, gy en het verouderde du respectievelijk gy, gy luiden, gylieden, gyl. Kenmerkend voor de derde persoon enkelvoud130 zijn de voornaamwoorden hy, zy. Huydecoper heeft geen voorbeelden geleverd die aantonen welke voornaamwoorden daarvoor in het meervoud131 in gebruik zijn.

Op het verbale accidens persona zal bij de vervoeging van het werkwoord worden teruggekomen.

7.5.6 Getal

In het tweeëntwintigste kapittel van zijn spraakkunst heeft Moonen opgemerkt dat de drie ‘Persoonen’ die hij ten aanzien van het werkwoord had onderscheiden, ‘naer het Tweeërlei Getal geschikt worden’ (zie 7.5.5). De slotalinea van dat hoofdstuk heeft hij geheel gewijd aan het verbale accidens numerus:

de Werkwoorden [hebben] twee Getallen [...]; het Eenvouwige, dat van eenen Persoone door Ik, Gy, Hy of Zy of Het spreekt; het Meervouwige dat van meer Persoonen door Wy, Gy, Zy gewaegt.
(1706: 142)

Dit onderscheid is door middel van de aanduidingen ‘Eenv.’ - ‘Meerv.’ en ‘E.’ - ‘M.’ terug te vinden in de voorbeelden die Moonen gegeven heeft van de vervoeging van het werkwoord.

Bij de bespreking van het werkwoord heeft Sewel de eigenschap getal niet afzonderlijk aan de orde gesteld, al heeft hij binnen de geboden paradigma's wel verschil gemaakt tussen ‘Eenv.’ en ‘Meerv.’ en op pagina 155 gesproken over ‘'t Eenvoudig en Meervoudig getal’.

Ten Kate heeft erop gewezen dat er vijf factoren een rol spelen bij de vervoeging van werkwoorden. Het accidens Numerus, dat blijkens een marginale aantekening zowel ‘Singul: & Plur:’ kan zijn, wordt daarbij als tweede genoemd. Door middel van de ‘Singular. en Plural:’ wordt aangegeven ‘of de Werking door een of door meer Personen of zaken geschied’ (1723, I: 328). De constatering dat ‘bij sommigen [d.w.z. sommige talen, RdB] ook nog eene Dualis (of tweevoud) in gebruik is’ (1723, I: 328) heb ik noch bij Moonen noch bij Sewel aangetroffen.

 

In de Proeve heeft Huydecoper net zo min als de laatste twee taalkundigen gewag gemaakt van de dualis, een getal dat in het Nederlands niet voorkomt. Volgens hem kunnen

[p. 290]

werkwoorden ten aanzien van het accidens getal voorkomen in ‘het Eenvoudige getal’ (1730: 207),132 en in ‘het meervoudig getal’ (1730: 207, 213).133

7.5.7 Vervoeging (conjugatio)

Schaars (1988: 295-296) heeft laten zien dat het begrip vervoeging in zeventiende-eeuwse grammaticale geschriften twee betekenissen kon hebben. Enerzijds werd vervoeging gebruikt in de zin van ‘flexie’, dat wil zeggen de vormveranderingen die teweeggebracht worden door de accidentia modus, tempus, persona en numerus, anderzijds betekende vervoeging ‘conjugatio’, waarmee de indeling van werkwoorden naar klassen werd bedoeld. In deze paragraaf staat de laatste betekenis van vervoeging centraal; aan de flexie van werkwoorden zal aandacht worden besteed in 7.5.10.

Op pagina 140 van zijn Nederduitsche spraekkunst heeft Moonen voor het Nederlands twee zogenaamde ‘Tytvoegingen’134 onderscheiden. Van de eerste ‘tytvoeging’ heeft hij de volgende definitie (en voorbeelden) gegeven:

De Gelykvloeiende of Geregelde Tytvoeging is, waer in de Werkwoorden hunne Wortel- of Stamletters door alle de Afgeleidde Tyden behouden; als Min, Hoor, Ik Minne, Hoore, Ik Minde, Hoorde, Ik Hebbe Gemint, Gehoort, Ik Zal Minnen, Hooren.
De Ongelykvloeiende of Ongeregelde Tytvoeging is, waer in de Werkwoorden hunne Wortel- of Stamletters in de Afgeleidde Tyden eens of meer veranderen.
(1706: 140-141)

Om vast te kunnen stellen of een werkwoord tot de ‘gelykvloeiende’ of de ‘ongelykvloeiende’ gerekend dient te worden, is de stamvocaal voor Moonen maatgevend geweest, terwijl de uitgang van werkwoorden daarbij geen rol speelt. Als we - naar het voorbeeld van Dibbets (1995: 248) - de stamvocaal van de drie ‘Afgeleidde Tyden’: presens, imperfectum en perfectum,135 aanduiden met achtereenvolgens de letters a, b en c, dan kunnen we voor de vervoeging van ‘gelykvloeiende’ werkwoorden de volgende ‘formule’ opstellen: a=b=c. Bij ‘ongelykvloeiende’ werkwoorden kan de verandering van de stamvocaal zich volgens Moonen op diverse manieren voltrekken:

eerst naemelyk door verandering der Stamklinkeren in den Verleedenen Onvolmaekten of Tweeden Tyt [...]
Naderhant geschiedt dit door verandering der Stamklinkeren in den Tweeden en Derden Tyt op eenerlei wyze [...]
Ten derden geschiedt de verandering, wanneer de Stamklinker in de drie eerste Tyden verscheiden zyn [...]
Eindelyk geschiedt dit, wanneer het Werkwoort in den Tweeden Tyt ongeregelde uitgangen heeft, eene of meer, door verandering zoo der Medeklinkeren, als Klinkeren in het Wortelwoort
(1706: 141)
[p. 291]

Op basis van de wisseling van de stamvocaal kunnen de eerste drie klassen als volgt in formulevorm worden weergeven: 1. a=c≠b (‘Ik Leeze, Ik Las, [Ik Hebbe Geleezen]’); 2. a≠b=c (‘Ik Pryze, Ik Prees, Ik Hebbe Gepreezen’); 3. a≠b≠c (‘Ik Breeke, Ik Brak, Ik Hebbe Gebrooken’). Opvallend aan de vierde klasse die Moonen binnen de ‘ongelykvloeiende’ werkwoorden heeft onderscheiden, is dat niet alleen de stamvocaal maar ook de medeklinkers van de werkwoordsstam in de verleden tijd kunnen veranderen, zoals blijkt uit de voorbeelden: ‘Zoek, Ik Zoeke, Ik Zocht, Ik Moet [...] Ik Most, Ik Magh, Ik Moght, Ik Kan, Ik Kon of Kost, Begin, Ik Beginne, Ik Begon of Begost, Werd, Ik Worde, Ik Word, Schuil, Ik Schuile, Ik Schuilde of School, Vry, Ik Vrye, Ik Vryde of Vree’ (1706: 142).

Nadat Moonen in het zesentwintigste kapittel van zijn grammatica had laten zien hoe de ‘ongelykvloeiende’ werkwoorden ‘Breeken’ en ‘Koomen’ vervoegd moesten worden, gaat hij in op de vorming van het imperfectum en het perfectum. Over de onvoltooid verleden tijd van de ‘gelykvloeiende’ werkwoorden heeft hij opgemerkt dat deze wordt gevormd door achter de stam van een werkwoord in de drie personen van het enkelvoud de ‘Merkletteren DE’ en in die van het meervoud ‘DEN’ te plaatsen (1706: 205-206).136 Bij de ‘ongelykvloeiende’ werkwoorden daarentegen wordt het imperfectum verkregen door het ‘veranderen der Klinkletteren, die het kenteken des Wortelwoorts zyn, in andere Klinkletters’ (1706: 206).

Met betrekking tot het imperfectum van ‘ongelykvloeiende’ werkwoorden heeft Moonen drie regels opgesteld. In de eerste plaats heeft hij vermeld dat de ‘Onvolmaekte Verleeden Tyt’ wordt gevormd door de stamvocalen van de wortelwoorden te veranderen. Deze verandering kan op diverse wijzen geschieden. Moonen heeft aan de hand van talrijke voorbeelden de volgende patronen weten te onderscheiden:

a i hang - hing
a ie val - viel
ae ie raed - ried
ae oe graef - groef
e o geld - gold
ee a treed - trad
ee oe weeg - woeg
i a bid - bad
i o klim - klom
ie oo bied - bood
oo ie loop - liep
y ee lyd - leed
ui oo schuif - schoof

Daarnaast bestaan er werkwoorden waarvan de onvoltooid verleden tijd wordt gevormd ‘door de verandering der Medeklinkeren, terwyl de Klinkletters, die de Merkletters des Wortelwoorts zyn’ slechts ten dele behouden blijven. Als voorbeelden van deze tweede regel heeft Moonen koop en zoek genoemd, waarvan de verleden tijden koft of kocht respectievelijk zocht worden afgeleid. In de derde plaats heeft Moonen erop gewezen dat de onvoltooid verleden tijd van sommige werkwoorden wordt verkregen door zowel de ‘Merkklinkletters’ als medeklinkers te veranderen (denk - dacht, weet - wist), ofwel door de

[p. 292]

stamvocalen te wijzigen en aan het wortelwoord een of meer medeklinkers toe te voegen, zoals blijkt uit ga - ging, sla - sloeg, pleeg - plaght (1706: 210).

De verleden deelwoorden van ‘gelykvloeiende’ en ‘ongelykvloeiende’ werkwoorden onderscheiden zich volgens Moonen op tweeërlei wijze:

Ook vinden wy in den Volmaekten Ganschverleedenen Tyt der Aentoonende Wyze, en alle, die 'er hunnen oirsprong van trekken, een Deelwoort des Verleedenen Tyts, dat van het Deelwoort des zelven Tyts in de Gelykvloeiende Tytvoeginge verschilt, eensdeels in de veranderinge der Wortelklinkletteren, en andersdeels in den uitgang.
(1706: 206)

Bij de bespreking van de deelwoorden in het eenendertigste hoofdstuk van zijn spraakkunst heeft Moonen hetzelfde beweerd, zij het dat hij op die plaats nader is ingegaan op het verschil in uitgang:

Die tot de Regelmatige of Gelykvloeiende Tyvoeging behooren, en zonder veranderinge der Merkklinkeren geboogen worden, eindigen, uitgezondert eenige weinige, alle in T. Die in het tegendeel van de Onregelmatige of Ongelykvloeiende Tytvoeginge zyn, en in hunne buiginge der Merkklinkletters veranderen gaen, als uit de voorheen gegeevene Voorbeelden blykt, eenige weinige ook uitgezondert, in EN uit.
(1706: 239)

Op de pagina's 217 tot en met 228 heeft Moonen een alfabetisch geordende lijst gepresenteerd van 175 werkwoorden die tot de ‘Ongelykvloeiende Tytvoeginge’ behoren, een lijst waarvoor Moonen volgens Dibbets (1995c: 131) zonder enige twijfel inspiratie heeft opgedaan bij de Duitse grammaticus Schottelius.

Op bladzijde 159 van zijn grammatica heeft Sewel opgemerkt dat het voor het juist vervoegen van werkwoorden noodzakelijk is de ‘Wortel-tyden’ of ‘Tempora Radicalia’ te kennen. Hiertoe heeft hij de tegenwoordige tijd, de onvoltooid verleden tijd en - hoewel het geen ‘tijd’ is - het deelwoord van de verleden tijd gerekend.137 Op basis van deze drie vormen heeft Sewel de werkwoorden in acht groepen weten te verdelen. De omschrijving van elke groep wordt afgesloten met een alfabetisch geordende lijst van werkwoorden die op de beschreven wijze vervoegd dienen te worden.

De regelmaatigste wyze om den Onvolmaakten Verleeden Tyd te betékenen, geschiedt, gelyk reeds gezegd is, door de sillabe de achter den Tegenwoordigen Tyd te voegen138
(1708: 159)

De volgende twee door Sewel onderscheiden veranderingen behoren evenals de bovenstaande klasse tot de werkwoorden die Moonen heeft bestempeld als ‘gelykvloeiende’.

De vólgende Verandering is, als men te, by den Tegenwoordigen Tyd voegt [...] De derde Verandering is van Werkwoorden, die in den Tegenwoordigen Tyd eyndigen in d óf t, en welker Onvolmaakte Verleeden Tyd gemaakt word door het verdubbelen dier letteren, dus dde, óf tte, óf door ede, achter den Tegenwoordigen Tyd te voegen
(1708: 162)

Gold bij de hierbovengenoemde klassen de uitgang van het werkwoord als indelingscriterium, bij de resterende vijf groepen bepaalt de verandering van stamvocaal in de verleden tijd en in het deelwoord tot welke groep een werkwoord behoort:

De Vierde Verandering is van Werkwoorden welker y van den Tegenwoordigen Tyd veranderd wordt in ee, om den Onvolmaakten Verleeden Tyd te vórmen; en als men dan Ge daarvoor, en en
[p. 293]
daar achter stelt, zo wordt het Deelwoord van den Verleeden Tyd daaruyt gemaakt [...] De Vyfde Verandering is als uy van den Tegenwoordigen Tyd in oo veranderd wordt in den Onvolmaakten Verleeden Tyd [...] De Zesde Verandering is als de Werkwoorden, om den Onvolmaakten Verleeden Tyd uyt te drukken, in in on veranderen [...] De Zevende Verandering is als men ie in oo verwisselt
(1708: 165-168)

Het is opmerkelijk dat Sewel alleen bij de ‘Vierde Verandering’ heeft aangegeven dat het voltooid deelwoord wordt gevormd door ‘Ge’ aan de verleden-tijdsvorm te laten voorafgaan en er ‘en’ op te doen volgen. Hij heeft het niet nodig gevonden deze regel bij de vijfde, zesde en zevende klasse te herhalen. De gebruikers van de Nederduytsche spraakkonst dienden deze regel zelf op te maken uit de lijsten met werkwoorden die Sewel bij elk van die ‘veranderingen’ had geboden.

Een gemeenschappelijk kenmerk van de zeven tot nu toe besproken klassen is dat de stamvocaal van het deelwoord telkens gelijk is aan die van de verleden-tijdsvorm.139 Dat is niet het geval bij de laatste klasse:

De Achtste Verandering is, als ee veranderd wordt in a; zynde het Lydend Deelwoord onregelmaatig
(1708: 169)

Vervolgens heeft Sewel zich gekeerd tegen grammatici die in navolging van het Latijn de werkwoorden in vier klassen hebben willen onderbrengen:

Uyt deeze acht Veranderingen en haare verscheydene uytzonderingen blykt het, dat het zeer ongerymd is, het Nederduytsch aan Vier Conjugatien, volgens het Latyn, te bepaalen140
(1708: 170)

Sewel lijkt zich hier te hebben gekeerd tegen Van Heule, die in zijn grammatica's uit 1625 en 1633 ten aanzien van de werkwoorden vier soorten vervoegingen had onderscheiden, hoewel Van Heules taalkundige geschriften aan Sewel - volgens eigen zeggen - tot dan toe niet bekend waren.141 Daarom zullen we er volgens Dibbets (1995c: 126-127) van uit moeten gaan dat Sewel het oog heeft gehad op Richardsons Anglo Belgica.

De door Sewel onderscheiden veranderingen of ‘conjugaties’ zijn in de volgende tabel weergegeven:

1 - -de adem - ademde a=b=c
2 - -te buk - bukte a=b=c
3 - -dde/-ede antwoord - antwoordde/antwoordede a=b=c
  - -tte/-ede acht - achtte/achtede a=b=c
4 y ee byt - beet a≠b=c
5 uy oo buyg - boog a≠b=c
6 in on bind - bond a≠b=c
7 ie oo bedrieg - bedroog a≠b=c
8 ee a - o breek - brak - gebroken a≠b≠c
  ee a - ee eet - at - gegeeten a=c≠b

Het is Sewel niet gelukt alle werkwoorden in één van deze acht groepen onder te brengen. Op de bladzijden 172 tot en met 174 van zijn spraakkunst heeft hij om die reden de ‘Tempora Radicalia’ en de infinitivus opgesomd van een 63 werkwoorden tellende, alfabetisch gerangschikte restgroep.

[p. 294]

Ten Kate had reeds in zijn anoniem verschenen Gemeenschap tussen de Gottische spraeke en de Nederduytsche uit 1710 geconstateerd dat de vervoeging van werkwoorden in het Gotisch en in het Nederlands verliep volgens identieke patronen. Op grond daarvan is hij erin geslaagd de werkwoorden onder te brengen in zogenaamde ‘rangen’ of klassen.142 Deze opvattingen heeft Ten Kate nader uitgewerkt in zijn tweedelige Aenleiding, die dertien jaar later - in 1723 - verscheen.

Ten Kate is ervan uitgegaan - en heeft ontdekt - dat niet alleen de werkwoorden met niet-veranderende stamvocaal en externe flexie maar ook de meeste van de werkwoorden waarvan de stamvocaal aan verandering onderhevig is, regelmatig mogen worden genoemd, met andere woorden volgens vaste regels worden vervoegd (De Bonth & Dibbets 1995: 119). Weliswaar spreekt Ten Kate net als Moonen en Sewel van ‘ongelijkvloeijende’ werkwoorden, maar anders dan voor hen stond deze benaming voor Ten Kate niet gelijk aan onregelmatig:

't Is al vrij vele jaren geleden, dat ik mijnen aendacht liet gaen over den aerd en de veelheid onzer Ongelijkvloeyende Verba, die bij de Hoofdtijden van Wortelvocael veranderen (als BREKEN, BRAK, GEBROKEN, enz: tot omtrent 200 stuks), welken ik zag dat de Letterkundigen <grammatici> doorgaends Ongeregelden noemden: bij de eerste opmerking scheen 't mij al toe, dat ze dwaelden in zulk een vonnis; en na verdere overweging bevond ik het nog klaerder; ontdekkende met minne moeite, dat niet alleen de Gelijkvloeyende Verba, welke bij alle verbuiging dezelfde Vocael behouden (als DEELEN, DEELDE, GEDEELT, enz:) en die alleen bij de Schrijvers voor Regelmatig getelt wierden, maer dat ook zelf de veroordeelde Ongelijkvloeyenden eene volmaekte Regelmatige rooij, na ijders rang en aerd, volgens 't Gebruik en zonder eenige verplooying van eigen goeddunken, onderworpen waeren; zulks dat het overige getal der ware Ongeregelden zeer klein en gering bleef.143
(1723, I: *2r)

Zijn indeling van de werkwoorden kunnen we op basis van dit citaat als volgt voorstellen:144



illustratie

Ten Kate heeft ontdekt dat ‘de Geregeltheid dezer Ongelijkvloeyenden’ vele eeuwen geleden reeds bestond. De regelmaat die de Nederlandse ongelijkvloeiende werkwoorden vertonen, heeft hij tijdens zijn onderzoek namelijk ook aangetroffen in ‘Oude en Verwante Talen’ als het ‘Moeso-Gotthisch’, het ‘Frank-THeutsch’, het ‘Angel-Saxisch’, het ‘Hoog-Duitsch’ en het ‘Yslandsch’ (1723, I: **2r). Aan het begin van het hoofdstuk dat handelt over de ‘Regelmaet en rangschikking der Nederduitsche verba’, heeft Ten Kate dan ook kritiek geleverd op de grammatica's van Moonen en Verwer, omdat in deze geschriften

[p. 295]

‘alle onze ONGELYKVLOEYENDE VERBA, naemlijk die genen, welker Praeterita Imperfecta, en welker Praeter: Participii of Partic: Passiva van Wortel-Vocael verwisselen’ als onregelmatig zijn bestempeld (1723, I: 543).

Om vast te kunnen stellen of een bepaald werkwoord behoort tot de klasse van de ‘ongelykvloeyende’ of tot die van de ‘gelykvloeyende’ werkwoorden, dient men volgens Ten Kate enerzijds acht te geven op ‘de Onveranderlijkheid en de Veranderlijkheid der Wortelvocalen, op welken in Infinitivo de Accent valt’ en anderzijds op ‘de toevallige Terminatien agter 't Zakelijke deel, die zig in 't Conjugeren onderscheidentlijk vertoonen’ (1723, I: 547). Op grond van deze twee punten heeft Ten Kate binnen de Nederlandse werkwoorden zes verschillende patronen van een regelmatige vervoeging onderscheiden.

Als eerste heeft Ten Kate ‘de GELYKVLOEYENDE VERBA’ aan de orde gesteld, werkwoorden ‘die in alle hare Vervoegingen geene Verwisseling van Wortelklinker onderworpen zijn’.145 Dat heeft hij niet gedaan omdat zijn voorgangers die ‘als de eenige Regelmatigen’ hebben bestempeld, maar omdat de werkwoorden die tot deze eerste ‘Rang (of Classis)’ behoren, de overige groepen tezamen in aantal ruimschoots overtreffen (1723, I: 548).

De onvoltooid verleden tijd van de ‘gelykvloeiende’ werkwoorden wordt volgens Ten Kate gevormd door de uitgang -te te plaatsen achter de stam wanneer die eindigt op ‘F, K, P, S, T, en CH’; het betreft hier dus de medeklinkers die deel uitmaken van de bekende ezelsbruggetjes 't kofschip en 't fokschaap. Gaat de infinitivus na ‘'t agterafwerpen van EN’ daarentegen uit op een van de medeklinkers ‘B, D, G, L, M, N, R, V, W, Y, Z’, dan moet het suffix -de aan de infinitivus zonder -en worden toegevoegd. Het voltooid deelwoord van werkwoorden uit de eerste klasse krijgt doorgaans een ‘T agter de laetste Letter van 't Zakelijke deel: en GE voor het Zakelijke deel’ (1723, I: 548).

Volgens Ten Kate valt het merendeel van de ‘ongelykvloeiende’ verba onder ‘den Tweeden Rang’. Kenmerkend voor deze categorie werkwoorden is dat zij ‘in 't Praeterit: Imperf: en in 't Praeter: Particip: thans in de Uitspraek een en dezelfde Vocael in hare Verwisseling aennemen’ (1723, I: 552). Binnen deze tweede ‘Rang’ heeft Ten Kate zes regelmatige veranderingen van de stamvocaal waargenomen. Voor deze veranderingen geldt de formule b=c≠a:

  infinitivus imperfectum voorbeeld
1. y zagte langklinker ee/e blyven - bleef
2. ui / uy zagte lange oo/o sluiten - sloot
3. ie zagte lange oo/o schieten - schoot
4. zagte langkl. e zagte lange oo/o bewegen - bewoog
5. korte i zagte korte o vinden - vond
6. korte scherpe e zagte korte o bersten - borst

In de derde ‘Rang’ heeft Ten Kate de ‘ongelykvloeyende’ werkwoorden ondergebracht ‘welken alleenlijk in Imperfect: van Wortelvocael verwisselen, blijvende bij 't Praeter: Part: den Klinker van den Infinit: behouden; hoewel ze daer ook, op gelijken voet als bij de vorige CL:, den uitgang EN agteraen hebben’ (1723, I: 560). Binnen deze klasse heeft Ten Kate de volgende verdeling gemaakt (a=c≠b):

[p. 296]

  infinitivus imperfectum voorbeeld
1. zagte langkl. e a eten - at
2. langkl a (voor d, p, t, z, s) a braden - bried
3. langkl a (voor g, r, v, y) oe dragen - droeg
4. korte a (voor k, l, s) ie vallen - viel
5. korte a (voor n) i hangen - hing
    o hangen - hong
6a. korte o ie worden - wierd
6b. lange oo ie loopen - liep
6c. oe ie roepen - riep

De ‘ongelykvloeyende’ werkwoorden die Ten Kate onder de vierde klasse heeft gerangschikt, ‘verruilen den Accent-Klinker, zo wel bij 't Imperf: als bij 't Prae t: Particip:, dog bij elk op eene bijzondere wijze’ (1723, I: 564). Ten aanzien van deze ‘Rang’ heeft Ten Kate vier subcategorieën onderscheiden:

  infinitivus imperfectum participium
1. zagte lange e a zagte lange o
2. korte i a zagte lange e
3. scherpe korte e ie / korte zagte o korte zagte o
4. langkl. ee oe / zagte langklinkend o zagte lange o

Deze regels heeft Ten Kate geïllustreerd aan de hand van onder meer de volgende voorbeelden:

  infinitivus imperfectum participium formule
1. bevelen beval bevolen a≠b≠c
2. bidden bad gebeden a≠b≠c
3. helpen hielp / holp geholpen a≠b≠c of
4. scheeren / scheren schoer / schoor geschoren a≠b=c

Het aantal ‘ongelykvloeyende’ werkwoorden dat tot ‘den Vijfden Rang’ behoort, is klein. Anders dan bij de tweede tot en met de vierde rang is bij deze groep werkwoorden niet alleen de stamvocaal aan verandering onderhevig: ‘Beide Klinker en agterste Medeklinker van 't Zakelijke Worteldeel veranderen in OCHT, zowel in Imperf: als bij 't Praeter: Part:. Daerenboven, die de NG of NK onder de Accent-silb hebben, gebruiken OCHT en ACHT, van beids’ (1723, I: 567). De totale klasse bestaat uit de volgende vijf werkwoorden:

infinitivus imperfectum participium
brengen brocht / bracht gebrocht / gebracht
denken docht / dacht gedocht / gedacht
dunken docht / dacht gedocht / gedacht
koopen kocht gekocht
zoeken zocht gezocht

en de daarvan afgeleide samengestelde werkwoorden.

De ‘Zesde Rang’ heeft Ten Kate ‘een mengsel’ van twee verschillende klassen genoemd: ‘hebbende allen in Praeter Partic: nog de gedaente van de ONGELYKVLOEYENDE VERBA, naemlijk den Uitgang EN; terwijl het Praeter: Imperf: thans den trant volgt van de I. CL.; als uitgaende met DE of TE; hoewel bij eenigen van dezen hunne oude Ongelijkvloeyende gedaente nog niet gantschelijk vergeten is’ (1723, I: 568). Van de vijftien werkwoorden die Ten Kate na deze regel heeft laten volgen, geef ik twee voorbeelden:

[p. 297]

infinitivus imperfectum participium
lacchen lachte (oul: loech) gelacchen
brouwen brouwde (oul: brieuw) gebrouwen

Ten Kate heeft nagenoeg alle Nederlandse werkwoorden weten onder te brengen bij één van de zes door hem onderscheiden ‘Rangen’, die alle regelmatig worden vervoegd. Er is slechts een gering aantal werkwoorden dat hij heeft moeten behandelen bij de ‘Onregelmatige Verba’. En hij was van mening dat dit aantal nog verder teruggebracht zou kunnen worden ‘als men dezelven aenzag in hare oude Gedaente’ (1723, I: 569). De onregelmatige werkwoorden zijn door Ten Kate in twee groepen verdeeld, namelijk werkwoorden ‘die door de Oudheid verloopen zijn’ en werkwoorden die als ‘Hulpwoorden’ bij andere werkwoorden gebruikt worden. Tot de zogenaamde ‘Verloopenen’ behoren deugen, doen, durven, heffen, weten, werken, willen, zien, van de ‘Hulpwoorden’ maken deel uit hebben, komen, konnen / kunnen, moeten, mogen, zyn / wezen, zullen (1723, I: 569-574).

 

Naar de mening van Huydecoper was aan de vervoeging van werkwoorden in de taalkundige geschriften die tot dan toe verschenen waren, onvoldoende aandacht geschonken:

daar is geen deel van onze taalkunde, dat tot noch toe min bescheidelyk <met kennis van zaken> behandeld is, dan dit van de Tydvoegingen der werkwoorden. waarom wy in deeze onze Aanmerkingen dikwils ons werk maaken van dit op te helderen, en de misslagen, door 't gebruik ingevoerd, te weeren. zonder nochtans iets te bepaalen, dan uit grondregelen der taale, en het gebruik der ouden: en alswe die beide, gelyk hier, voor ons hebben, dan dunkt my dat 'er niet de minste twyffeling behoorde over te blyven.
(1730: 124)

Naar hun ‘Tydvoeging’ of conjugatie heeft Huydecoper de werkwoorden onderverdeeld in ‘gelykvloeiende’ en ‘ongelykvloeiende’ werkwoorden.146 Deze termen, die Huydecoper in de Proeve enige malen heeft gebezigd,147 zijn we hierboven ook bij Moonen, Sewel en Ten Kate tegengekomen. Aan de laatste heeft Huydecoper de benaming ‘Eerste Classe’ ter aanduiding van de ‘gelykvloeiende’ werkwoorden ontleend (1730: 168).

Over de werkwoorden die van zelfstandige naamwoorden zijn afgeleid, heeft Huydecoper opgemerkt dat

alle deeze Verba [...] gelykvloeiende of regelmaatig zyn: 't welk een vaste regel is, dien de Hr. Moonen in zyn Spraakk. kap. 27. mede stelt. en telt de Hr. Ten Kate alle zulke Verba onder die van de Eerste Classe.148
(1730: 63)

Dit citaat toont aan dat voor Huydecoper in elk geval de werkwoorden die volgens de ‘gelykvloeiende Tydvoeging’ werden vervoegd, ‘regelmaatig’ waren. Hieraan zouden we de conclusie kunnen verbinden dat hij - in navolging van Moonen en Sewel maar in afwijking van Ten Kate - de ‘ongelykvloeiende’ werkwoorden als ‘onregelmaatig’ heeft beschouwd. Bij gebrek aan gegevens kan daarover echter niets met zekerheid worden gezegd.

 

Lachen

Naar aanleiding van het werkwoord lachen heeft Huydecoper vermeld dat de hoofdvormen hiervan volgens Ten Kate tegenwoordig lacchen - lachte - gelacchen zijn:

[p. 298]
En dus is dit woord, volgens dien Schryver, van de VI. Classe, waartoe hy de zodanigen brengt, die in den Onvolm. Verl. tyd nu regelmaatig gebruikt worden, maar onregelmaatig in het deelwoord.
(1730: 166)

Het imperfectum van lachen - lachte - zal Huydecoper ‘regelmaatig’ genoemd hebben omdat het - evenals de verleden tijd van andere ‘gelykvloeiende’ werkwoorden - wordt afgeleid van de stam van het werkwoord door toevoeging van de uitgang -te. Daarentegen is het deelwoord ‘onregelmaatig’ gevormd omdat het niet - zoals bij de ‘gelykvloeiende’ werkwoorden - eindigt op -t, maar op -en. Met een groot aantal voorbeelden uit de taal van Oude en Nieuwe schrijvers heeft Huydecoper aangetoond dat naast lachte en gelachen ook de vormen loegh en gelacht in gebruik waren geweest. Het is hem om het even welke verleden-tijdsvorm of welk voltooid deelwoord iemand gebruikt, ‘want wy gelooven dat het beide goed is’ (1730: 166). Toch heeft Huydecoper zijn lezers in de vervoeging niet geheel vrij gelaten: de keus voor één van de twee imperfectumvormen had namelijk invloed op de vorm van het voltooid deelwoord:

Als de Verleeden tyd is loeg, zo is het Deelwoord Gelacchen.
(1730: 167)

Voor dit imperfectum loeg is later de ‘regelmaatige’ - dat wil zeggen: volgens het bekende patroon - vorm lachte in gebruik gekomen, waarvan Huydecoper in zijn bronnenmateriaal diverse voorbeelden had aangetroffen. De verleden tijd loegh eiste een ander deelwoord:

Van lachte komt nu weder, opdat dit woord geheel behoore tot de Gelykvloeienden, of die van de Eerste Classe, het Deelwoord Gelacht, waarvan ik verwonderd ben dat de Hr. Ten Kate geen gewag maakt.
(1730: 167)

De stamtijden van het werkwoord lachen luiden volgens Huydecoper dus lachen - loeg - gelacchen of lachen - lachte - gelacht. Met andere woorden, het bestaan van de zesde, door Ten Kate onderscheiden werkwoordsklasse, wordt door Huydecoper ontkend, vermoedelijk omdat zij in strijd was met de door hem zo begeerde regelmaat in de taal. Dat blijkt ook uit de aantekening bij vers 639 van het vierde boek van Vondels Herscheppinge - ‘Nu instorte, Atamas, gemaelt tot gruis en stof’ - waar Huydecoper zich heeft afgevraagd waarom Ten Kate verschil heeft gemaakt tussen de vervoeging van maelen in de betekenis ‘fijnmaken’ (maelen, maelde, gemaelen) en die van maelen in de zin van ‘schilderen’ (maelen, moel, gemaalen):

volgens de Aantek. van dien zelfden Heer [t.w. Ten Kate], zeggen de Hoogduitschen, in alle betekenissen van dit woord, Mahlen, Muhl, Gemahlen; waarom wy, deezen voet volgende, zouden moeten zeggen, Maalen, Moel, Gemaalen. dewyl nu Moel by ons veranderd is in Maalde; behoorde Gemaalen vangelyke veranderd te zyn in Gemaald. want om Gemaalen te behouden is geene reden in de werreld, dan alleen een gebruik, dat niet algemeen is; daar integendeel, volgens de eigenschap der taale, by het imperf. Maalde behoort het deelwoord Gemaald, en de regelmaatigheid altyd voor de onregelmaatigheid te verkiezen is.
(1730: 231)

Huydecoper heeft dus twee zeer nauw met elkaar verweven redenen genoemd waarom er geen werkwoorden zouden voorkomen met een wat wij noemen zwakke verleden tijd en een sterk deelwoord: het voldoet niet aan het taaleigen van het Nederlands en het is strijdig met een bekend patroon. Van Lelyveld heeft in de tweede druk van de Proeve zijn verbazing uitgesproken over het zojuist geciteerde fragment. Het is volgens hem namelijk bekend dat er in het Nederlands verschillende wat wij noemen sterke werkwoorden bestaan waarvan het imperfectum in de loop der jaren ‘gelijkvloeijend’ is geworden, terwijl het participium de uitgang -en heeft behouden (1784: 42). Het is in de ogen van Van Lelyveld verkeerd om - zoals Huydecoper wilde - de ‘regelmaatigheid’ te laten prevaleren boven ‘het gebruik’:

Onzes bedunkens zoude men zeer kwalijk doen, met die woorden, tegen het gebruik aan, te willen veranderen in geweefd, gebraad, gebakt, gelacht, en zoo ook gemaald.
(1784: 42)
[p. 299]

Zwijmen

De verleden-tijdsvorm zwymde, die Vondel had geschreven in vers 239 van het veertiende boek van zijn Herscheppinge, gaf Huydecoper de mogelijkheid zijn standpunt omtrent de conjugatie van zwymen uiteen te zetten:

Van dit Imperf. Zweem, komt, volgens den regel, het Deelwoord Gezweemen [...]. maar van Zwymde, gelyk Vondel zegt, komt Gezwymd149
(1730: 543)

Huydecoper heeft erop gewezen dat Ten Kate op pagina 554 van het eerste deel van zijn Aenleiding wèl melding heeft gemaakt van twee verschillende vervoegingen van het werkwoord bezwymen - bezwymen, bezwymde, bezwymd en bezwymen, bezweem, bezweemen - maar daarentegen voor het werkwoord zonder het voorvoegsel be- als stamtijden slechts de reeks zwymen, zweem, gezweemen heeft opgegeven. Voor Huydecoper was het niet aanvaardbaar dat er verschil in vervoeging bestond tussen zwymen en het daarvan afgeleide bezwymen:

Wy, die ons nergens aan een onregelmaatig Gebruik vasthouden, konnen deeze onderscheiding niet goedkeuren, en oordeelen daarom, dat, in Bezwymen zowel als in Zwymen, de merkletter des Verleeden tyds is de dubbele EE; eene eigenschap van alle Werkwoorden die in den Tegenwoordigen tyd hebben de dubbele IJ
(1730: 543)

Van deze regel zijn uitgezonderd de werkwoorden die zijn afgeleid van een zelfstandig of een bijvoeglijk naamwoord. Zoals hierboven al is vermeld, dienen deze geteld te worden onder de ‘gelijkvloeiende’. Dit blijkt uit krygen - krygde - gekrygd, vryden - vrydde - gevryd, verblyden - verblydde - verblyd en benyden - benydde - benyd (1730: 543).

 

Jagen

De verleden-tijdsvorm joegh in vers 647 van het vijfde boek van Vondels Herscheppinge heeft Huydecoper aangegrepen om in te gaan op de vervoeging van het werkwoord jagen. Nadat hij had vastgesteld dat de grammatici die hij heeft geraadpleegd - Moonen, Sewel en Ten Kate - met betrekking tot het imperfectum van jagen niet geheel met elkaar overeenstemden, heeft hij met voorbeelden naar zijn mening op overtuigende wijze aannemelijk gemaakt ‘dat joeg nieuw, en jaagde oud is’ (1730: 258) of, zoals hij het op de volgende bladzijde heeft geformuleerd, ‘dat dit [t.w. joeg, RdB] het nieuwe en verbasterde, maar Jaagde het oude en wettige is’ (1730: 259). Aan deze bevindingen heeft Huydecoper de volgende conclusie verbonden:

Ik oordeel dan, dewyl de regelen der taale hier volkomen overeenstemmen met het gebruik der Ouden, dat Jaagde alleen goed is, en Joeg (dat onregelmaatig is) dierhalve volkomen behoorde uitgebannen te worden.
(1730: 259-260)

In dit citaat keren twee normen terug die voor Huydecoper ook een rol hebben gespeeld bij het bepalen van de stamtijden van malen. Ten eerste ‘de regelen der taale’ - vergelijk ‘de eigenschap der taale’ - en ten tweede ‘regelmaat’ - vergelijk ‘de regelmaatigheid [is] altyd voor de onregelmaatigheid te verkiezen’. Huydecoper keert zich dus tegen het taalgebruik (de usus) en gaat derhalve niet descriptief maar normatief-selectief te werk. Bij de vervoeging van werkwoorden heeft Huydecoper zich ook laten leiden door de geschriften van de Ouden. Zo luiden de stamtijden van het werkwoord heffen volgens hem heffen - hief - geheven, omdat de Ouden dat werkwoord in nagenoeg alle gevallen op dusdanige wijze conjugeerden. Dit heeft Huydecoper teruggevonden bij Vondel:

men zegt, gelyk Vondel welk waarneemt, Heffen, hief, geheven: niet, hefte, geheft: gelyk wy nu somtyds by onze Nieuwe Dichters vinden.
(1730: 531)
[p. 300]

Op bladzijde 264 van de Proeve heeft Huydecoper opgemerkt dat de vervoeging van het werkwoord vragen identiek is aan die van het jagen. Dit had tot gevolg dat hij alleen vraagde als imperfectum erkende en vroeg, een vorm die Vondel volgens hem ‘nergens’ had gebezigd, als verleden-tijdsvorm van de hand wees:

de Ouden zeiden ook [t.w. evenals Vondel, RdB] altyd vraagde, gevraagd; ja ook de meeste laater Schryvers. alleen by eenige weinigen vind ik 't verbasterde vroeg
(1730: 264)

waarna hij enkele ‘Bewyzen’ voor zijn bewering heeft geleverd uit de geschriften van ‘de Ouden’ en ‘eenige nieuwe Schryvers, die ook vraegde behouden hebben’ (1730: 265). Het deelwoord van vragen is volgens Huydecoper gevraagd, terwijl dat van jagen luidt gejaagd. Van de participia gevragen en gejagen heeft hij naar eigen zeggen geen voorbeeld kunnen vinden (1730: 266).

Vergelijkbaar is de opmerking die Huydecoper heeft gemaakt over de vervoeging van het werkwoord waaien:

Gewayen hebben noch ouden noch nieuwen gezeid, zo weinig als Gejagen of Gevragen. Woey is verbasterd en nieuw, gelyk Joeg en Vroeg; Waeide alleen by de Ouden bekend.
(1730: 517)

Schenden

Bijna vier bladzijden heeft Huydecoper ervoor uitgetrokken om aan de hand van voorbeelden aan te tonen dat het werkwoord schenden de stamtijden schenden - schendde - geschend heeft, en dat schenden - schond - geschonden als ‘tydvoeging’ verworpen dient te worden, ook al kan de laatste wijze van conjugeren worden bestempeld als ‘de gewoone manier van spreeken’. Maar de gesproken taal kon volgens hem niet tot norm worden verheven omdat deze zich - zoals we hebben gezien - niets gelegen liet liggen aan taalregels.

Ondanks de overstelpende hoeveelheid voorbeelden uit geschriften van gezaghebbende auteurs heeft Huydecoper niet iedereen kunnen overtuigen van de ‘gelijkvloeiendheid’ van het werkwoord schenden. Uitgerekend Frans van Lelyveld, een van de bezorgers van de tweede druk van de Proeve, was de mening toegedaan dat ‘het ongelijkvloeijend gebruik’ van schenden de voorkeur verdiende. Dat Huydecoper een andere vervoeging voorstaat dan Van Lelyveld, komt doordat de twee taalkundigen bij het bepalen van de stamtijden van werkwoorden op verschillende wijzen te werk zijn gegaan. Van Lelyveld heeft er in een voetnoot op gewezen dat Huydecoper ‘voornamelijk onze taal uit voorbeelden der geachtste schryvers heeft beoefend’, terwijl híj is uitgegaan van de ‘Analogie onzer tale, gelijkze ons door Ten Kate geleerd wordt’ (1782: 182). Door deze analogie is Van Lelyveld er ten eerste van overtuigd geraakt dat de oudste Nederlandse werkwoorden ‘ongelijkvloeijend’ waren, en ten tweede ‘dat uit derzelver praeterita of imperfecta naamwoorden voorkomen, waarvan wederom werkwoorden, die altijds gelijkvloeijend zijn’ (1782: 182). Komen naast elkaar een ‘gelijkvloeijende’ en een ‘ongelijkvloeijende’ vervoeging van een werkwoord voor, dan dient er één van de twee naar de mening van Van Lelyveld als ‘een verloop’ aangemerkt te worden. En aangezien het hem aannemelijker voorkomt dat ongelijkvloeiende werkwoorden overgaan tot de klasse van de gelijkvloeiende werkwoorden dan omgekeerd, heeft hij het ongelijkvloeiend gebruik van schenden (schenden, schond, geschonden) geprefereerd. Toch is Van Lelyveld in de laatste alinea van zijn voetnoot met een verwijzing naar Horatius enigszins aan het gebruik - en daarmee aan Huydecoper - tegemoet gekomen:

Intussen moet men erkennen, dat in sommige woorden het verloop zoo oud en algemeen kan zijn geworden, dat het oude en echte ongelijkvloeijend geheel in onbruik geraakt is; in welk geval niemand te raden is, zich tegen het gebruik te verzetten, quem penes arbitrium est & jus & norma loquendi.
(1782: 182-183)
[p. 301]

Vryen

Hoewel Ten Kate in zijn Aenleiding zowel vryen - vree - gevreden als vryen - vrydde - gevryd heeft vermeld als correcte vervoegingen van dat werkwoord, heeft Huydecoper tegen de eerste manier van conjugeren bezwaar aangetekend. Bij een niet nader aangeduide groep ‘later schryvers’ en in het woordenboek van Plantijn uit 1573, heeft hij uitsluitend de stamtijden vryen - vrydde - gevryd gevonden. Dit bleek echter niet de enige reden te zijn geweest waarom Huydecoper slechts de wat wij noemen zwakke vervoeging goedkeurde:

ook schuilt 'er eenige wangeluid in het imperf, ik Vreê, of Vreed; dat aan keurige ooren, niet geheel zonder reden, vry aanstootelyk mag schynen.
(1730: 215)

Van Lelyveld was van oordeel dat men ten aanzien van de conjugatie van werkwoorden geen staat kon maken op de welluidendheid van de verleden tijd of het deelwoord. Daarentegen bezaten voorbeelden uit het taalgebruik van achtbare schrijvers voor hem wel bewijskracht. In een voetnoot bij de tweede druk van de Proeve heeft hij daarover het volgende meegedeeld:

In diergelyke gevallen kan men zich niet wel beroepen op het oor. In verscheiden streken van ons Vaderland vindt het oor geen wangeluid in het Imperf. ik vreê of vrede, en het Praeteritum, gevreên. als zijnde daar zeer gebruiklijk. Dan, of het door gezag van goede Schryveren kan gewettigd worden, kunnen wy, by gebrek van genoegzame voorbeelden, niet bepalen
(1784: 6)

Anders dan Huydecoper heeft Van Lelyveld met betrekking tot de vervoeging onderscheid gemaakt tussen vryen (amare) en vryen (liberare). In de tweede betekenis is vryen volgens hem ‘zekerlijk gelijkvloeijend’, omdat het werkwoord is afgeleid van vry ‘liber’. Van Lelyveld achtte het waarschijnlijk dat deze conjugatie ertoe geleid heeft ‘dat ook het oorspronglijk woord Vryen, amare, door verloop gelijkvloeijend gebezigd is; zelfs by de Ouden, die vele woorden, welke oorspronglijk ongelijkvloeijend zijn, gelijkvloeijend gebezigd hebben’ (1784: 6).150

 

Kennen-kunnen

Links en rechts in de Proeve heeft Huydecoper gesteld dat woorden die op elkaar lijken, vaak verward worden.151 Zo heeft hij naar aanleiding van vers 187 van het vierde boek van Vondels Herscheppinge - ‘Toen zy den sluier zagh en kende dootsch en stom’ - opgemerkt:

Kennen en Konnen gelyken veel naar elkanderen: en 't kan dierhalve kwaalyk missen, ofze moeten ook van eenigen verward en vermengd zyn.
(1730: 219)

Vervolgens heeft Huydecoper aan de hand van voorbeelden uit voornamelijk zeventiende-eeuwse teksten laten zien dat kon voor kende ‘meermalen’ aangetroffen wordt. Ook kan voor ken/kent en ken voor kan heeft hij in zijn bronnenmateriaal gevonden.152 Bij de informatie die Van Lelyveld in een voetnoot bij de tweede druk van de Proeve heeft geboden, zal

[p. 302]

een in onzekerheid verkerende taalgebruiker meer gebaat zijn geweest. Nadat Van Lelyveld te kennen had gegeven dat de Ouden het onderscheid tussen kennen en kunnen ‘altijd’ in acht hebben genomen, heeft hij opgemerkt dat ‘tegenwoordig alle naaukeurige Schryvers deze twee woorden, zoo in spelling, als in verbuiging: Kennen, kende, gekend, noscere: Kunnen, kon, gekonnen, posse:’ onderscheiden (1784: 16).

 

Klooven-klieven-kluiven

Vers 175 van het zevende boek van Vondels Herscheppinge - ‘En hunn' gekloven hoef, treên moedigh op hem aen’ - heeft Huydecoper aanleiding gegeven stil te staan bij de stamtijden van klooven, klieven en kluiven, drie werkwoorden die weliswaar sterk op elkaar lijken, maar volgens hem ‘niets met elkander gemeen [hebben], buiten de betekenis der twee eersten, die de zelfde is’ (1730: 341). Het is Huydecoper gebleken dat er ten aanzien van de vervoeging van deze drie werkwoorden geen overeenstemming bestond in het gebruik en dat de grammatici Sewel en Ten Kate in dezen volgens hem gedeeltelijk onjuiste gegevens hebben verstrekt. Over de conjugatie van de werkwoorden klooven, klieven, kluiven hoefde volgens Huydecoper echter volstrekt geen verwarring of onzekerheid te bestaan:

men schryve dan, Klooven, Kloofde, gekloofd: Klieven, Kliefde, gekliefd: Kluiven, Kloof, geklooven. Merk op de bovenstaande voorbeelden; en gy zult zien dat de meesten zo schryven: let op de dagelyksche taal; en gy zult hooren dat de meesten zo spreeken
(1730: 344)

In dit citaat heeft Huydecoper de door hem voorgestane vervoegingen van klooven, klieven en kluiven kracht willen bijzetten door te duiden op het gebruik in zowel geschreven als gesproken taal.153 Vervolgens heeft hij deze aantekening naar een hoger niveau getild door op basis van een vergelijking met overeenkomstige Nederlandse werkwoorden meer algemene regels te formuleren:

vergelyk alle drie deeze woorden met anderen van dien zelfden klank; en 't zal blyken, dat zy alle drie op de bovengemelde wyze moeten onderscheiden worden. die in OOVEN uitgaan, zyn van de I. Cl. als Rooven, roofde, geroofd; en zo zyn ook Stooven, Belooven, Dooven, en KLOOVEN. die in IEVEN, zyn van de I. Cl. als Grieven, griefde, gegriefd; een [sic] zo ook Gerieven, Lieven, met de daarvan afkomende Verlieven, Believen, enz. en KLIEVEN. die in UIVEN, zyn van de II. Cl. als Snuiven, snoof, gesnooven; en zo mede Stuiven, Schuiven en KLUIVEN. zodatmen het aangeweezen onderscheid tusschen deeze drie werkwoorden niet kan verwerpen, zonder de verwarring, in eene blinde drift, te liefkoozen.
(1730: 344)

De afkortingen ‘I. Cl.’ en ‘II. Cl.’, die Huydecoper heeft gebezigd om verschillende wijzen van vervoeging aan te duiden, zijn ontleend aan Ten Kate. Hoewel Huydecoper het grosso modo eens is met de door Ten Kate opgestelde indeling in werkwoordsklassen, blijkt hij op details een andere opvatting te hebben dan zijn voorganger. Zo heeft Huydecoper werkwoorden die uitgaan op -ieven, tot de eerste, ‘gelijkvloeiende’ ‘Classis’ gerekend - klieven, kliefde, gekliefd - en niet, zoals Ten Kate had gedaan, tot de tweede: klieven, kloof, gekloven (Ten Kate 1723, I: 270-271, 557; vgl. 1723, I: 552). Huydecoper heeft het werkwoord klieven, dat vanouds een sterk werkwoord is, in een (etymologisch onjuist) gareel gebracht, door er de regel van de analogie op los te laten, die van klieven een zwak werkwoord maakt.

 

Leggen-liggen

Huydecoper heeft zes pagina's van de Proeve gewijd aan het verschil in betekenis en vervoeging tussen leggen en liggen. Daar was ook op gewezen in de andere drie door mij

[p. 303]

onderzochte grammaticale geschriften. Moonen heeft in de lijst met stamtijden van ‘Ongelykvloeiende’ werkwoorden op bladzijde 221 van zijn spraakkunst zowel gewaagd van leggen (leggen - leide - gelegt) als van liggen (liggen - lag - gelegen). Sewel heeft in de lijst van werkwoorde