terug  begin  verder

7.9 Voorzetsel

7.9.1 Definitie - omschrijving

Nadat Moonen in het twee- en drieëndertigste kapittel van zijn Nederduitsche spraekkunst de ‘Onveranderlyke’ categorieën bijwoorden en voegwoorden besproken had, is hij overgestapt op de ‘Voorzetsels’.60 Deze woordsoort wordt in de eerste alinea van het vierendertigste hoofdstuk als volgt gedefinieerd:

De Voorzetsels zyn Onbuigzaeme Woorden, die, voor of ook somtyts achter Naemwoorden gestelt, die [t.w. Naemwoorden, RdB] in hunne Naemvallen beheerschen, en eene Oirzaek, Plaets, Tyt, Samenvoeging of Ontbeering betekenen.
(1706: 253)

Een morfologische eigenschap die voorzetsels gemeen hebben met enkele andere woordsoorten, is dat ze niet verbogen worden. Het belangrijkste verschil tussen ‘Onveranderlyke’ en ‘Veranderlyke’ woorden lijkt voor Moonen niet zozeer te liggen in de af- en aanwezigheid van de accidentia geslacht en/of naamval, maar in die van getal. Op pagina 305 van zijn spraakkunst noemt hij voorzetsels namelijk ‘Woorden, die met andere geen Getal onderworpen zyn’. Preposities worden volgens Moonen ‘voor of ook somtyts achter Naemwoorden’ geplaatst. Een andere syntactische eigenschap van preposities die Moonen in zijn omschrijving heeft vermeld, is dat ze de naamwoorden waarbij ze geplaatst worden,

[p. 346]

‘in hunne Naemvallen beheerschen’. Daaraan heeft hij een apart hoofdstuk gewijd, het tweeënveertigste. Op grond van de vijf betekenissen die het voorzetsel volgens Moonens definitie kan hebben (accidens significatio of soort; zie Schaars 1988: 342), heeft hij ten aanzien van deze woordsoort eenzelfde aantal groepen onderscheiden: ‘Tydelyke’, ‘Oirzaeklyke’, ‘Ontbeerende’, ‘Samenvoegende’ en ‘Plaetselyke’ voorzetsels. De laatste categorie heeft Moonen nog onderverdeeld in preposities ‘die In, Tot, Door, en Van eene Plaetse zyn’ (1706: 253). Dezelfde vierdeling zijn we in de Nederduitsche spraekkunst ook tegengekomen bij de ‘Bywoorden der Plaetse’ (zie 7.8.2).

De omschrijving die Sewel van de preposities heeft gegeven, komt in hoofdlijnen overeen met die van Moonen:

Een Voorzetsel61 is een onbuygelyk Spraakdeel, dat voor andere woorden gezét wordt, om de plaats, oorzaak, óf tyd te betékenen
(1708: 184)

Had Moonen de woordsoort waar een prepositie vóór geplaatst kan worden, tamelijk nauwkeurig aangegeven (‘Naemwoorden’), Sewel heeft zich in algemene bewoordingen uitgelaten: ‘andere woorden’. Uit voorbeelden die te vinden zijn in het hoofdstuk ‘Van de WOORDSCHIKKINGE’, blijkt dat daaronder niet alleen naamwoorden, maar ook voornaamwoorden verstaan moeten worden.62 Sewel heeft in zijn definitie niet vermeld dat sommige voorzetsels ook àchter woorden geplaatst kunnen worden, maar op de volgende pagina heeft hij dat wel aan de orde gesteld: ‘Af wordt zo wel achter als voor gesteld, als Af komen, en Kom af, daar af’ (1708: 185). Aan de syntactische eigenschap van preposities om woorden ‘in hunne Naemvallen [te] beheerschen’ (Moonen 1706: 253) is Sewel - in tegenstelling tot Moonen - in het hoofdstuk over de voorzetsels voorbijgegaan. Dit kenmerk heeft hij wel besproken bij het grammaticaonderdeel syntaxis.63

Van de vijf betekeniscategorieën die Moonen ten aanzien van de voorzetsels onderscheiden had - Oirzaek, Plaets, Tyt, Samenvoeging, Ontbeering -, vinden we in Sewels grammatica slechts terug: plaats, oorzaak, tyd (1708: 184). Evenals Moonen heeft Sewel erop gewezen dat preposities onverbogen blijven.

De informatie die Ten Kate in zijn Aenleiding geboden heeft over de preposities, verschilt hemelsbreed met die van de hierboven besproken grammatici. Bij monde van ‘L.’ heeft hij over deze woordsoort het volgende opgemerkt:

De Praepositiones (ofte Voorzetsels) zijn een zeker slag van plaetselijke Adverbia, die ook dikwijls hunnen opzigt hebben op het Einde, het Middel, de Oorzaek, en Plaets der bewerkte zaken, als wanneer ze ook bij de Nomina of bij de Pronomina geschikt worden, en van die eene verbuiging' van Casus begeeren (als, Onder den duim, Binnen's Huis, Met Hem, enz:), terwijle de andere Adverbia gemeenlijk op geene verandering van Casus zien.
(1723, I: 323)

Het is opmerkenswaard dat Ten Kate de voorzetsels beschouwd heeft als een onderklasse van de bijwoorden. Waar hij dit op heeft gebaseerd, is onduidelijk. Het citaat roept nogal wat vragen op en de interpretatie ervan is daarom verre van eenvoudig. Wat verstaat Ten Kate bijvoorbeeld onder de ‘plaetselijke Adverbia’ waarvan hij de voorzetsels als een onderklasse beschouwt? Verwijst hij daarmee misschien naar de bijwoorden die de ‘Plaets der Beweginge of Daedelijkheid’ van werkwoorden aanduiden (Ten Kate 1723, I: 322)? Als dat laatste inderdaad het geval is, dan ligt het niet voor de hand het woord ‘Adverbia’

[p. 347]

op te vatten als antecedent van de bijzin ‘die ook... bewerkte zaken’. Immers ‘plaetselijke Adverbia’ zouden dan niet alleen betrekking hebben op de ‘Plaets der bewerkte zaken’, maar ook op ‘het Einde, het Middel, de Oorzaek’ ervan. Een consequentie van dit alles is dat het stuk ‘die ook... bewerkte zaken’ dus bij ‘Praepositiones’ of ‘Voorzetsels’ moet horen. Maar daarmee blijft het zojuist geopperde bezwaar van kracht: als voorzetsels betrekking hebben op ‘het Einde, het Middel, de Oorzaek, en Plaets der bewerkte zaken’, waarom heeft Ten Kate ze dan ingedeeld bij de ‘plaetselijke Adverbia’? Er zijn twee conclusies mogelijk. In de eerste plaats kan Ten Kate zich onnauwkeurig hebben uitgedrukt, in de tweede plaats zou ‘Plaetselijke’ hier geïnterpreteerd moeten worden als ‘vast gepositioneerde’ of iets dergelijks.

Een tweede moeilijkheid bij de interpretatie van het bovenstaande citaat wordt veroorzaakt door als wanneer.64 Moeten deze woorden opgevat worden als ‘wanneer’ of als ‘omdat alsdan’? Gelet op het zinsverband lijkt van deze door het WNT65 opgegeven betekenissen de laatste het meest in aanmerking te komen. Maar hoe moet het tweede ‘ook’ uit het bovenstaande citaat dan geïnterpreteerd worden? In het kader van een vergelijking tussen preposities en adverbia is dit woord niet op zijn plaats, aangezien Ten Kate een bladzijde eerder aangegeven heeft dat bijwoorden geen bepalingen vormen bij naamwoorden of voornaamwoorden, maar bij werkwoorden.66

Over de volgende punten laat de gegeven aanhaling in elk geval géén twijfel bestaan:

voorzetsels zijn een soort bijwoorden;
voorzetsels worden geplaatst bij naamwoorden of voornaamwoorden;
voorzetsels veroorzaken verbuiging.

Op bladzijde 324 van het eerste deel van de Aenleiding heeft Ten Kate vermeld dat voorzetsels morfologisch beschouwd ‘Onverbuiglijk’ zijn. Deze eigenschap hebben zij gemeenschappelijk met bijwoorden, voegwoorden en tussenwerpsels.

 

Huydecoper heeft op pagina 412 van de Proeve drie ‘Kunstwoorden der Grammatica, of Letterkunst’ genoemd die eindigen op het suffix -sel. Eén van die technische termen is Voorzetsel, waarvan hij op bladzijde 391 het Latijnse equivalent ‘Praepositio’ vermeldt. De uitgang -sel geeft het ‘einde’, dat wil zeggen het oogmerk, van een bepaald zelfstandig naamwoord aan, ‘en wel zulk een einde, waartoe zy alleen dienen, en niet eenmaal, maar geduurig, of van tyd tot tyd, gebezigd worden’ (1730: 412). Als gevolg daarvan worden ‘Voorzetsels’ door Huydecoper omschreven als:

Ledekens [...], alleen gebruikelyk om voor [...] andere woorden gezet [...] te worden: en tot dat einde dikwils gebruikt worden.
(1730: 412)

Deze omschrijving is beduidend minder uitvoerig dan die van Moonen, Sewel of Ten Kate. Noch over de morfologische noch over de semantische kenmerken van de voorzetsels worden we in de aanhaling ingelicht. Huydecoper heeft alleen gewezen op de syntactische eigenschap van deze klasse om aan andere woorden vooraf te gaan. Uit welke categorie die ‘andere woorden’ afkomstig zijn, heeft hij onvermeld gelaten. Vreemd in Huydecopers omschrijving zijn de slotwoorden ‘tot dat einde dikwils gebruikt’. Ze vallen alleen te

[p. 348]

begrijpen in het licht van de opmerking die Huydecoper even tevoren heeft gemaakt. Hij meende namelijk dat er ‘zo geen volkomen, ten minste eenige overeenkomst’ in betekenis bestond tussen het suffix -sel en de werkwoordsuitgang -elen. Doordat het laatstgenoemde suffix ‘een geduurige herhaaling’ van het betreffende woord te kennen geeft, moet die betekenis ook toegekend worden aan woorden die uitgaan op -sel.

 

In het voorgaande is de indruk gewekt dat in taalkundige geschriften uit het begin van de achttiende eeuw onder de term voorzetsels nagenoeg hetzelfde verstaan werd als tegenwoordig. Dit is slechts ten dele waar. Over het algemeen rekenden grammatici uit de gemelde periode namelijk ook de woorddelen die bij ons bekend staan als prefixen, tot de preposities. Deze opvatting dateert al uit de klassieke oudheid: Thrax zag het voorzetsel als ‘een onveranderlijk woord [...] dat vóór andere woorden kan worden geplaatst in een syntactische verbinding of als deel van een samenstelling of afleiding’. Hij werd hierin nagevolgd door Priscianus, die overigens vond dat men in het laatste geval ten onrechte van een prepositie sprak (Dibbets 1995: 306). Uitgaande van hun gebruiksmogelijkheden heeft Donatus de praepositiones in drie groepen verdeeld. In de derde kolom van het volgende, aan Dibbets (1995: 306) ontleende schema staan de woordsoorten die volgens huidige maatstaven corresponderen met de door Donatus onderscheiden categorieën:

  gebruiksmogelijkheid hedendaagse categorie
  1. alleen verbonden (voorvoegsels)
praepositiones 2. alleen los (voorzetsels)
  3. soms verbonden, soms los (bijwoorden/voorzetsels)

Op pagina 254 van zijn spraakkunst heeft Moonen opgemerkt dat grammatici doorgaans onderscheid maken tussen voorzetsels die ‘Los en Scheidbaer’ genoemd worden en voorzetsels die met de termen ‘Vast of Onscheidbaer’ aangeduid worden.67 De eerste groep ontleent haar naam aan het feit dat ‘zy, of zommige uit hun getal, in de Samenzettinge voor Naem- of Werkwoorden gestelt om een nieu Naem- of Werkwoort te maeken, gescheiden kunnen worden en op zich zelfs bestaen’ (1706: 254).68 De tweede groep wordt ‘Vast’ of ‘Onscheidbaer’ genoemd, ‘om dat zy eigentlyk geene Voorzetsels zyn, noch byzondere Woorden of Gedeelten der rede, maer eerste leden van Woorden’ (1706: 254).69 De negen leden waaruit deze laatste groep bestaat - ‘Be, Ge, Her, Er, On, Ont, Ant, Ver, Wan’ (1706: 254) -, kunnen volgens Moonen nooit als zelfstandige eenheid voorkomen.70 Eén van de redenen zal zijn dat ze ‘ten meesten deele niet ter werelt <helemaal niets>’ betekenen (1706: 255).

[p. 349]

Op het eerste oog lijkt Donatus' driedeling door Moonen gereduceerd te zijn tot de tweedeling ‘Los/Vast’ of ‘Scheidbaer/Onscheidbaer’. Maar de zinsnede ‘of zommige uit hun getal’ bij de categorie ‘losse’ of ‘scheidbaere’ voorzetsels toont aan dat niet alle preposities hieruit een woorddeel van een zelfstandig naamwoord of een werkwoord kunnen zijn. Deze bevindingen laten zich zo weergeven:



illustratie

Sewel heeft de laatste alinea van het hoofdstuk over de voorzetsels geopend met de zin: ‘Eenige Voorzetsels zyn onscheydelyk, wordende nooit alleen, maar voor Naamwoorden en Werkwoorden gezét, en daar aan gehecht’. Uit het woord ‘Eenige’ volgt dat er ook ‘scheydelyke’ preposities zijn, hoewel Sewel dat niet met zoveel woorden gezegd heeft. De volgende voorzetsels zijn door hem ‘onscheydelyk’ genoemd: ‘Ant, Aal, Be, Ge, Er, Her, On, Ont, Toe, Ver, Wan’ (1708: 185). Van deze elf leden tellende groep komen er twee niet voor in de spraakkunst van Moonen, te weten: aal (als in aaloud) en toe. Op basis van de gegevens die Sewel verstrekt heeft in het hoofdstuk over de voorzetsels, kunnen we niet anders dan tot deze tweedeling besluiten:71



illustratie

Ten Kate zegt op bladzijde 406 van het eerste deel van zijn Aenleiding dat er in het Nederlands samengestelde woorden bestaan waarvan het eerste deel gevormd wordt door een ‘Praepositie’. Hij veronderstelt het bekend dat de ‘Voorzetsels’ onderverdeeld kunnen worden in twee groepen: de ‘Onafscheidelijke’ en de ‘Afscheidelijke Voorzetsels’ (1723, I: 536). Tot de eerste groep - de zogenaamde (praepositiones) ‘Inseparabiles’ (1723, I: 407) - behoren volgens Ten Kate de voorzetsels be-, ge-, ver-, ont- (1723, I: 407) en on-, her- (1723, II: 52; 1723, I: 535). Bij de ‘voorzetsels’ be-, ge-, her-, ver- en ont- heeft Ten Kate opgemerkt dat ze ‘opzig zelf buiten gebruik zijn’ (1723, I: 535), wat ook voor on- zal gelden. Deze voorzetsels zijn ‘Altoos-Onafscheidelijk’, dit in tegenstelling tot onder-, over-, vol-72 en mis-,73 die getypeerd worden als ‘Toevallig-Onafscheidelijk’ (1723, I: 408). In welk geval de laatste vier voorzetsels ‘onafscheidelijk’ en in welk geval ze ‘afscheidelijk’ zijn, heeft Ten Kate duidelijk geformuleerd:

Wanneer ze in een nadrukkelijke Tegenstelling komen, als ONDER in tegenst: van BOVEN; IN tegen UIT; OVER tegen NIET OVER; enz. zo blijven ze Separabiles; dog niet in Tegenstelling komende, worden ze door Overdragt als Onafscheidelijk en volgen dan ook den trant en eigenschap van de Onafscheidelijken.
(1723,I: 407)

Werkwoorden die samengesteld zijn uit een ‘Afscheidelijk’ voorzetsel en een werkwoord, onderscheiden zich volgens Ten Kate op drie punten van werkwoorden waarvan het eerste

[p. 350]

deel door een ‘Onafscheidelijke’ prepositie gevormd wordt. Zo blijkt het ‘Accént’ bij de de eerste groep op het voorzetsel te liggen (óverleggen, in het Latijn ‘transponere’), bij de tweede op het werkwoord (overléggen, in het Latijn ‘mente ponderare’).74 Ook ten aanzien van de zogeheten ‘Infinitivus Obliquus’ - de onbepaalde wijs met te - bestaat er verschil tussen beide groepen werkwoorden. Bij werkwoorden die bestaan uit een werkwoord en een (‘Altoos-’ of ‘Toevallig-’)‘Onafscheidelijk’ voorzetsel, zal te nooit tussen de samenstellende delen geplaatst kunnen worden: te overleggen, ‘mente ponderare’. Dat is wel mogelijk bij verba met een praepositio separabilis als eerste lid: over te leggen, ‘transponere’ (Ten Kate 1723, I: 408; vgl. 1723, I: 534). Een derde verschil tussen werkwoorden met een scheidbaar en werkwoorden met een niet-scheidbaar voorzetsel is dat werkwoorden die beginnen met een van de (‘Altoos-’ of ‘Toevallig-’)‘Onafscheidelijke’ voorzetsels, in het verleden deelwoord ge- achterwege laten: verkregen, overlégt, terwijl deze werkwoordsvorm bij verba met een praepositio separabilis tussen de samenstellende delen wèl ge verschijnt: óvergelegt (Ten Kate 1723, I: 407-408).

Evenals Moonen heeft Ten Kate ten aanzien van de voorzetsels een driedeling gemaakt. Maar in tegenstelling tot de eerste heeft Ten Kate niet de scheidbare maar de onscheidbare voorzetsels in twee categorieën onderverdeeld. Dat levert het volgende beeld op:



illustratie

De onderstaande tabel bestaat uit woord(del)en die door Moonen, Sewel en Ten Kate expliciet zijn aangemerkt als onscheidbare voorzetsels:

Moonen 1706 Sewel 1708 Ten Kate 1723
  Aal  
Ant Ant  
Be Be Be-
Er Er  
Ge Ge Ge-
Her Her Her-
    In-
    Mis-
On On On-
    Onder-
Ont Ont Ont-
    Over-
  Toe  
Ver Ver Ver-
    Vol-
Wan Wan  

[p. 351]

7.9.2 Eigenschappen

Voordat ik in de onderstaande paragraaf enkele eigenschappen van het voorzetsel bespreek, geef ik eerst een lijst met woorden die in de onderzochte taalkundige geschriften van Moonen, Sewel, Ten Kate en Huydecoper als afzonderlijk woord - dus niet als voorvoegsel - worden opgesomd:

Moonen 1706 Sewel 1708 Ten Kate 1723 Huydecoper 1730
achter achter agter  
aen aan aen aan
(af) af af  
behalve behalve   behalve
beneden beneden beneden  
benevens / beneffens      
binnen binnen binnen  
boven boven boven boven
    boven op  
buiten buyten buiten buiten
by by by/bij by
  dicht by    
door door door/deur door
    door heen  
halve      
in in in in
langs      
    mede mêe
met met met met
  na toe    
na naa na/nae na/naa
    nabij  
naer naar   naar
    naest  
nevens / neffens      
om om om om
omtrent ontrent omtrent  
onder onder onder onder
op op op op
    open open
over over over over
rontom rondom rontom  
sedert sederd    
sint sint    
  te    
tegen(s) tegen tegen  
    tegen aen  

[p. 352]

  tegen-over    
  ten    
  ter    
(toe)     toe
tot tót tot  
tusschen tusschen tussen  
uit   uit uit
van van   van
  van wege van wegen  
volgens vólgens    
voor voor voor/veur voor
voorby voorby    
    weg  
  wegens    
zonder zonder   zonder

Het leeuwendeel van de woorden uit dit overzicht wordt ook tegenwoordig als voorzetsel beschouwd.75 Daarentegen worden af, mee en toe - ook in Sewels combinatie na toe - nu gerekend tot de bijwoorden. Op de vraag tot welke woordsoort behalve behoort, bestaat nog altijd geen eensluidend antwoord: sommigen zien dit woord als een voorzetsel, anderen als een voegwoord.76 Bij Moonen (1706: 309) staat halve bekend als voorzetsel, vandaag de dag wordt het gerangschikt onder de achtervoegsels (ANS 1984: 381). Sewel is de enige van de onderzochte grammatici die ten en ter heeft aangemerkt als voorzetsels.77 Mogelijk is hij hiertoe geïnspireerd door Moonen. Nadat deze in het tweeënveertigste kapittel van zijn spraakkunst de ‘Beheersching’ van de voorzetsels aan de orde gesteld had, achtte hij het nodig de volgende opmerking te maken:

In de plaetse der Voorzetselen Aen, By, Naer, Op, Tot, alle den vierden Naemval in de drie Geslachten beheerschende, worden in het Manlyke en Onzydige Geslachte en in beide Getallen Ten, gelyk in het Vroulyke Ter, met Zelfstandige Naemwoorden van den derden of zesten Naemval, want die is by de Nederduitschen, als by de Grieken, de zelve, gestelt.
(1706: 316)

Uit het gegeven citaat blijkt dat het geslacht van het zelfstandig naamwoord bepaalt of voor het betreffende naamwoord ten danwel ter gebruikt moet worden. Dat de derde of zesde naamval van het substantivum veroorzaakt wordt door ten of ter, wordt door Moonen niet met zoveel woorden beweerd. Enkele bladzijden tevoren had hij gezegd dat ‘Ten en Ter voor Tot den en Tot het en Tot de in de rede’ voorkomen (1706: 313). Op grond daarvan kunnen we opmaken dat ten en ter wat hun betekenis betreft overeenstemmen met de genoemde drie combinaties van voorzetsel en lidwoord. Mijns inziens mogen we uit die zinsnede niet concluderen dat Moonen ten en ter heeft doorzien als enclitische vormen.78

Zoals gebruikelijk is Sewel in zijn Nederduytsche spraakkonst korter van stof dan zijn voorganger:

Wyders staat aan te merken, dat Te en Ten by Onzydige óf Manlyke, en Ter by Vrouwelyke Naamwoorden gevoegd worden
(1708: 198)

Vier van de vijf voorbeelden die Sewel gegeven heeft van het voorzetsel te met een zelfstandig naamwoord, zijn ook te vinden in Moonens Nederduitsche spraekkunst, die wellicht als

[p. 353]

bron gediend heeft. De opmerking dat te voorbehouden is aan mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden, kan Sewel in elk geval nïet aan dat boek ontleend hebben. Moonen had namelijk geschreven dat te dikwijls in plaats van ten en ter gebruikt wordt (1706: 317).

Volgens Ten Kate zijn ten en ter ontstaan door samensmelting van het voorzetsel tot en een vorm van het bepaald lidwoord:

in steê van den Articul: Definit: zet men Ten in Masc: & Neutr: en Ter in Foem: voor de inkorting van Tot den, en Tot der.
(1723, I: 340)

Wat Huydecoper op pagina 455 van de Proeve over ten geschreven heeft, stemt in hoge mate overeen met de informatie die Moonen ruim twee decennia eerder geboden had:

Ten is zo veel als tot den, of tot eenen; gebruikelyk voor Zelfst. woorden van het Manl. en Onz. geslachte; doch meer voor zaaken, dan voor persoonen. schoon het inderdaad beide even goed is.
(1730: 455)

Door de woorden ‘is zo veel als’ heeft Huydecoper naar mijn mening nïet willen aangeven dat ten ontbonden kan worden in tot den / tot eenen, maar dat ten nagenoeg dezelfde betekenis had als tot den / tot eenen. Over het gebruik van ten vóór een zelfstandig naamwoord dat een mannelijk persoon aanduidt, zoals in ‘ten Bruigom uitgekoren’ en ‘ten Raedt der stadt verheven’, heeft Huydecoper het volgende opgemerkt:

voor 't welke men nu doorgaands zegt tot: doch ons dunkt, dat ten, daar alzo keurelyk luidt; en vry beter aan de betekenis voldoet.
(1730: 455)

De vrouwelijke tegenhanger bezit minder gebruiksmogelijkheden: in Vondels Herscheppinge komt ‘ter, dat het Vrouwl. is, noit voor den naam van een' Persoon’ (1730: 455).79

In een eerdere aantekening heeft Huydecoper er zijn verbazing over uitgesproken dat Moonen in een van zijn gedichten ‘ten wederzyde’ heeft geschreven in plaats van het correcte ‘ter wederzyde’:

daar tusschen Ten en Ter, het zelfde onderscheid is, als tusschen Des of Den, en Der
(1730: 273)

Het verschil tussen des / den aan de ene kant en der aan de andere kant is gelegen in het geslacht: des en den zijn de tweede respectievelijk derde naamval enkelvoud mannelijk en onzijdig van het bepaald lidwoord de, terwijl der daarvan de tweede en derde naamval enkelvoud vrouwelijk is (zie de paradigmata in 7.2.5). Hierin onderscheidt zich dus ook ten van ter, wat Huydecoper op bladzijde 455 van de Proeve expliciet heeft verwoord. Ogenschijnlijk is ter harte in strijd met de regel dat ter slechts voor vrouwelijke zelfstandige naamwoorden geplaatst wordt. Het woord hart is immers onzijdig. Uit een aantekening die Huydecoper gemaakt heeft ten behoeve van een heruitgave van de Proeve, blijkt hij zich hiervan bewust geweest te zijn:

Men zegt ter harte: is dan ook hart vrouwelijk? Ik antwoorde, by de ouden, van wien wy ter harte hebben overgenomen, is het doorgaands onzydig, doch ook dikwils, dewijl 't een woord is dat dikwils voorkomt, vrouwelijk.
(1784: 158)

De vergelijking met des / den / der en de opmerking dat ten zoiets is als tot den80 / tot eenen wijzen erop dat ten alleen voorkomt bij enkelvoudige zelfstandige naamwoorden. De voorbeelden die Huydecoper van het gebruik van ten gegeven heeft bij vers 129 van het tiende boek - ‘Ten godtstolk, zette zich hier neder. hier vergaeren’ -, leggen daarvan

[p. 354]

getuigenis af. Hierin verschilt hij van Moonen die - zoals we hierboven al hebben gezien - gesteld had dat ten zowel voor enkelvoudige als voor meervoudige mannelijke en onzijdige zelfstandige naamwoorden geplaatst kon worden.

 

In zijn definitie van de voorzetsels heeft Moonen erop gewezen dat ze geplaatst worden ‘voor of ook somtyts achter Naemwoorden’ die ze beheersen (accidens ordo (Schaars 1988: 342)). In het vierendertigste hoofdstuk wordt van de - volgens Moonen exhaustieve - lijst van 32 voorzetsels (‘Alle worden zy in dit getal begreepen’ [1706: 253])81 alleen aen als ‘Nazetsel’ aangemerkt.82 Maar in kapittel 42 blijkt dat ook ‘Door, In, Langs, Over, Tegen, Uit, Voorby83 soms ‘den Naemval, dien zy anders voorgaende beheerschen’ volgen, zoals ‘het gansche jaer Door’ (1706: 308). ‘Halve’ (1706: 309) - blijkens bladzijde 254 een ‘Onscheidbaer woordeken’! - en ‘Hene’, dat alleen als eerste deel van samengestelde werkwoorden voorkomt (1706: 313), lijken altijd de zelfstandige naamwoorden die ze beheersen, te volgen. Op bladzijde 254 van de Nederduitsche spraekkunst heeft Moonen nog twee andere woorden genoemd die achter naamwoorden gezet worden: toe en af. Het eerste ‘Nazetsel’ kan in drie gevallen gebruikt worden. Ten eerste samen met het voorzetsel tot - ‘Tot deezen tyt toe’ (1706: 254)84 -, ten tweede in combinatie met Ten en Ter - ‘Ten wortel Toe uitgerukt’ (1706: 313) - en ten slotte, evenals ‘Af’ en ‘Mede’ (1706: 311), na de woorden ‘Waer, Hier, Daer, en het verkorte 'Er’ (1706: 312).85 Het ‘Nazetsel’ Af kan daarnaast ook bij het voorzetsel van voorkomen: ‘Van die uure af’ (1706: 254).

Uit het woord andere in de zinsnede ‘Toe en Af, die, gelyk de andere Voorzetsels, in de Samenzettinge van zommige Werkwoorden worden gebruikt’ (1706: 254) kan worden opgemaakt dat toe en af voor Moonen eveneens voorzetsels zijn.86 Dat Moonen niet goed wist tot welke woordsoort hij af en toe moest rekenen, blijkt op de bladzijden 311-312 van de Nederduitsche spraekkunst, waar hij schreef: ‘Af, Mede, Toe, wel geene Voorzetselen, maer in de plaetse der Voorzetselen, Van, Met, Tot’. Het feit dat toe en af nooit vóór naamwoorden verschijnen en daarom moeilijk voorzetsels genoemd kunnen worden, heeft er vermoedelijk toe bijgedragen dat ze ontbreken in de uitputtende opsomming van voorzetsels op pagina 253.

Donatus heeft er in zijn Ars Major op gewezen dat preposities gepaard gaan met naamvallen (Dibbets 1995: 306). Ook Moonen heeft in zijn definitie van deze woordsoort opgemerkt dat voorzetsels de naamwoorden waar ze voor - of soms achter - geplaatst worden ‘in hunne Naemvallen beheerschen’. In deze eigenschap, die hij heeft uitgewerkt in het tweeënveertigste hoofdstuk van zijn spraakkunst, lijkt voor Moonen het onderscheid tus-

[p. 355]

sen voorzetsel en bijwoord te liggen.87 De zogeheten ‘Beheersching der Voorzetselen’ kan drieërlei zijn:

eenige beheerschen den Neemer of zesden Naemval; andere den Aenklaeger; en zommige weder beide Naemvallen.
(1706: 305)

De daaropvolgende voorbeelden laten zien dat de overgrote meerderheid ‘den Aenklaeger’ of vierde naamval regeert. Vier voorzetsels beheersen ‘den Neemer’ of zesde naamval (met, van, uit, zonder), terwijl in en voor naargelang de betekenis een naamwoord in de vierde of zesde naamval bij zich hebben.88 Een vreemde eend in de bijt is halve. Niet zozeer omdat dit woord volgt op het substantivum dat het regeert, als wel omdat dat zelfstandig naamwoord ‘in het Tweede Geval des Eenvouwigen Getals’ staat (ouderdoms halve, lofs halve). En dat is een casus die ‘geenen Voorzetselen eigen is’ (1706: 309).

Aan het gegeven dat voorzetsels naamvallen regeren, heeft Sewel niet veel aandacht geschonken. Het enige wat hij erover heeft meegedeeld, is: ‘De Voorzetsels neemen gemeenlyk eenen Accusativus óf Ablativus by zich’, waarna zestien voorbeelden volgen (1708: 197). Welke preposities een vierde naamval, welke een zesde en welke eventueel beide naamvallen regeren, heeft Sewel niet expliciet vermeld.

Zoals we hierboven gezien hebben, heeft Ten Kate er in zijn definitie van de voorzetsels op gewezen dat preposities ‘eene verbuiging' van Casus begeeren’ van de naamwoorden of voornaamwoorden waar ze bij geplaatst worden (1723, I: 323). Binnen de bespreking ‘Van de Verbuigsaemheid der Naemwoorden’ blijkt uit de gegeven voorbeelden dat voorzetsels de ablativus, de accusativus - de grootste groep - of beide regeren. Ten Kate heeft gesignaleerd dat het ‘eertijds’ gangbaar was bij de voorzetsels ‘Binnen89 en Buiten90 en Buiten’ een genitivus te plaatsen (‘als toebehoorende’). Vandaar dat er nog gesproken wordt van ‘Binnen en Buiten 's Huis’ (Ten Kate 1723, I: 326).

 

Op pagina 512 van de Proeve heeft Huydecoper duidelijk gemaakt dat voor hem behalve ik absoluut niet door de beugel kon: het is ‘volkomen strydig met alle de gronden der Letterkunst, konnende noit een Praepositio, of Voorzetsel, geschikt worden met een' Casus Nominativus, of Eersten Naamval, in Duitsch zo weinig als in Latyn’. De vraag rijst nu welke naamval(len) preposities dan wèl regeren. Uit het feit dat Huydecoper ten aanzien van behalve met instemming verwijst naar Moonens spraakkunst, waarin dat woord bij de voorzetsels ingedeeld wordt die een accusativus vereisen, mogen we afleiden dat preposities voor Huydecoper in ieder geval de vierde naamval beheersen.

Een van de indelingscriteria die Moonen gehanteerd heeft ten aanzien van de voorzetsels, is het accidens figura. De meeste preposities zijn ‘Enkel’, enkele zijn ‘Samengezet’ (1706: 253). Moonens voorbeelden wijzen uit dat het onderscheid niet gestoeld is op het aantal lettergrepen: omtrent, nevens, sedert maken namelijk ook deel uit van de ‘Enkele’ voorzetsels (1706: 253-254). Tot de ‘Samengezette’ voorzetsels behoren zeven woorden: rontom, voorby, behalve, benevens, boven, binnen, buiten. Bij de laatste vijf bestaat het eer-

[p. 356]

ste deel van de ‘Samenzetting’ volgens Moonen uit het ‘Onscheidbaere woordeken’ be-. Dat is duidelijk te zien bij behalve en benevens, maar minder goed bij de drie andere. Volgens Moonen zijn de voorzetsels boven, binnen, buiten ‘als uit het onscheidbaere Be en het Hoogduitsche Oben, en In en Uit samengesmolten’ (1706: 254).

Ten Kate heeft de ‘Afscheidelijke Voorzetsels’ (1723, I: 536) onderverdeeld in voorzetsels die ‘tweesilbig’ (‘tweelettergrepig’) zijn, en ‘Enkelsilbige, die ook allermeest te pas komen’ (1723, I: 537). Deze indeling is in tegenstelling tot die van Moonen wèl gebaseerd op het aantal lettergrepen waaruit een voorzetsel bestaat. Een ander verschil met Moonens verdeling is dat Ten Kates onderscheid alleen betrekking heeft op de ‘Separabiles’, terwijl Moonens classificatie voor alle voorzetsels geldt.

7.9.3 Afzonderlijke voorzetsels

In verspreide aantekeningen van de Proeve is Huydecoper ingegaan op het gebruik en/of de betekenis van wat hij voorzetsels noemt; zij worden hieronder in alfabetische volgorde besproken. Het zal opvallen dat de omvang van deze bespreking van voorzetsel tot voorzetsel verschilt. Soms heeft Huydecoper uitgebreid stilgestaan bij de gebruiksmogelijkheden van een voorzetsel, dan weer komen we op basis van gegevens uit de Proeve slechts te weten dat een bepaald woord tot de woordsoort ‘voorzetsels’ gerekend moet worden. In voetnoten is steeds aangegeven waar relevante informatie over de betreffende voorzetsels kan worden gevonden in de grammaticale geschriften van Moonen, Sewel en Ten Kate.

1. aan91

Al op grond van de aantekening die Huydecoper op bladzijde 19 heeft gemaakt bij vers 168 van het eerste boek van Vondels Herscheppinge - ‘En aen zyn' eigen haert niet veiligh van den gast’ -, kunnen we gevoeglijk aannemen dat aan voor hem een ‘Voorzetsel’ is.92 Expliciet heeft Huydecoper daarvan pas blijk gegeven op bladzijde 392: ‘het Voortzetsel [sic] Aen’. Op deze en op de volgende pagina van de Proeve heeft hij voorbeelden gegeven van voorzetsels die zodanig geplaatst zijn ‘dat 'er in de gansche redeneering geen woord te vinden is, waarmede het vereenigd en te saamen gevoegd kan worden’. Uit de voorbeelden (waarin, daarvan) blijkt dat Huydecoper hier het oog had op wat wij tegenwoordig voornaamwoordelijke bijwoorden noemen. Voor hem bestonden dergelijke woorden uit een combinatie van een ‘Voornaamwoord’ en een ‘Voorzetsel’ (vgl. 1730: 469). Vandaar dat ik de ‘voornaamwoordelijke bijwoorden’ behandeld heb bij de pronomina (zie 7.4.8.12 e.v.).

Verderop in de Proeve wordt aan nogmaals ter sprake gebracht:

Dit Voorzetsel komt overeen met het Latynsche Ad, Naar, Tot, of Aan: doch wordt, aan het hoofd van een Werkwoord, zelden Aan, doorgaands Toe verduitscht.
(1730: 546)

Als voorbeelden van de zeldzame gevallen waarbij het Latijnse ad in het Nederlands niet door het gebruikelijke toe wordt weergegeven, heeft Huydecoper ‘aan-schouwen, aan-spreeken, aan-bidden’ genoemd. Het zijn equivalenten van de Latijnse werkwoorden ‘Ad-spicere, Ad-loqui, Ad-orare: dat is eigelyk, zien Naar, en spreeken, bidden Tot iemand’.

[p. 357]

Het zal uit deze voorbeelden duidelijk geworden zijn dat ‘Voorzetsel’ in de gegeven aanhaling niet de huidige betekenis heeft, maar moet worden opgevat als ‘voorvoegsel’.93

Analoog aan werkwoorden als aanschouwen hebben de belangrijkste Nederlandse dichters het gebruik van aan uitgebreid tot:

alle Werkwoorden, aanduidende een werk, dat geschiedt, met de Oogen op iemand gevestigd. want het zyn de Oogen, met de welken men Aanschouwt, Aanziet; waarvan ook dit voorzetsel volstandig gebleeven is in Aangezigt en Aanschyn: want tot dat gedeelte wendtmen zyn oogen, alsmen iemand Aanschouwt.
(1730: 546)

Om die reden is een werkwoord dat begint met het ‘Voorzetsel’ aan te verkiezen boven de variant waarbij toe ‘aan het hoofd’ staat (1730: 546). Met name in het werk van Vondel heeft Huydecoper talrijke voorbeelden gevonden van aan als prefix.94

Huydecopers kritiek op regel 974 van het veertiende boek van Vondels Herscheppinge - ‘O goon, aenschoutge om hoogh alle onze elenden aen’ - bestaat hierin dat in dit vers ‘zekerlyk eens aen overvloedig’ is (1730: 561).95 Toch is het dubbel uitdrukken van een ‘Voorzetsel’ - in de tweede druk spreekt Huydecoper, onder verwijzing naar Reizius' Belga Graecissans, van ‘Pleonasmus’ (1788: 293)96 - niet te allen tijde af te keuren; het kan als stijlmiddel aangewend worden om een zaak ‘krachtiger’ uit te drukken:

Wanneer het Voorzetsel van een' byzonderen nadruk is, wordt het zeer wel tweemaalen uitgedrukt, te weeten, eens voor het Naamwoord, en eens aan het hoofd van 't Werkwoord
(1730: 562)

De op deze wijze door Huydecoper verbeterde versie van vers 760 van het zesde boek van Vondels Herscheppinge - ‘Aen 't lichaem Aen-hechten’ - laat zien dat volgens onze huidige opvattingen ‘Voorzetsel’ hier op twee verschillende manieren benoemd zou moeten worden: de eerste keer als ‘voorzetsel’, de tweede maal als ‘voorvoegsel’.97 Of, om in Ten Kates termen te spreken, eerst als ‘Scheidelijk’ en vervolgens als ‘Toevallig-Onafscheidelijk’ voorzetsel.

 

2. behalve98

In de eerste gedrukte spraakkunst van het Nederlands, de Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst (1584: 66), wordt behalven tot de voorzetsels (‘Voorzettinghen’) gerekend. Tot in het begin van de achttiende eeuw bestaat over de status van dit woord tussen de taalkundigen geen verschil van mening. Sewel (1708: 183) is de eerste die in zijn spraakkunst behalve niet alleen beschouwd heeft als een voorzetsel, maar het woord ook ingedeeld heeft bij de (‘Uytzonderende’) ‘Tzamenvoegselen’ (Komen 1994: 201).

Huydecoper vond het ‘zeer kwaalyk’ dat Vondel in vers 707 van het twaalfde boek van de Herscheppinge behalve ik had geschreven. Dit kon bij hem geen genade vinden omdat

[p. 358]

het volgens hem in het Nederlands niet mogelijk is dat een voorzetsel gevolgd wordt door een woord in de eerste naamval. Het uitgangspunt vormde voor Huydecoper dus de taalwet en niet het gebruik. Interessant is het dat hij naar aanleiding van het onderhavige vers een parallel heeft getrokken met het Latijn:

in 't Latyn zegtmen altyd praeter Me, noit praeter Ego: ook in het Duitsch altyd buiten My, en boven My; noit buiten Ik, of boven Ik: enz. om wat reden dan behalve Ik, en niet behalve My? Om kort te gaan; wy houden dit laatste alleen voor goed; het andere, behalve ik, volkomen strydig met alle de gronden der Letterkunst, konnende noit een Praepositio, of Voorzetsel, geschikt worden met een' Casus Nominativus, of Eersten Naamval, in Duitsch zo weinig als in Latyn.
(1730: 512)

Om zijn bewering te staven heeft Huydecoper uit het werk van geachte schrijvers (‘de geleerde J. van Broekhuizen’, ‘de Taalkundige J. Vollenhove’ en ‘de Rederykers van Loo 1539’, als vertegenwoordigers van de ‘Ouden’) drie voorbeelden gegeven van behalve(n) met een andere dan de eerste naamval: ‘Behalven U’, ‘behalve MY’, ‘behalven MY’. Tot slot heeft Huydecoper zich nog beroepen op Moonen, die in zijn spraakkunst behalve gerekend heeft tot de voorzetsels ‘die den Vierden Naamval beheerschen’ (1730: 512).99

In een voetnoot bij de tweede druk van de Proeve heeft Nicolaas Hinlópen met voorbeelden uit de Ouden aangetekend dat het voorzetsel zonder met een eerste naamval voorkomt en dat behalve in de Statenvertaling zowel de eerste als de vierde naamval regeert. Aan het eind van deze noot blijkt Hinlópen in tegenstelling tot Huydecoper het gebruik van behalve met een eerste naamval niet af te keuren. Dat behalve vrijwel uitsluitend een vierde naamval bij zich heeft, is volgens Hinlópen toe te schrijven aan de invloed van enkele ‘taalkundigen <grammatici, mensen die hun taal goed beheersen>’ die omstreeks het midden van de zestiende eeuw leefden:

Behalven wordt ook voor uitgenomen gebruikt, en misschien heeft het gebruik van behalven, met een eersten naamval, de taalkundigen van Kiliaans tijd daartoe gebragt, om behalven te myden, en uitgenomen, ingevalle daar geen vierde naamval kon vallen, te gebruiken100
(1788: 162)

3. boven101

De verzen 71-72 van het zevende boek van Vondels Herscheppinge bevatten onder meer de volgende tekst:

en kan hy andren meer // Beminnen boven my?

De betekenis van ‘het Voorzetsel boven’ in het bovenstaande citaat is volgens Huydecoper afhankelijk van het woord waarmee meer in de zin verbonden wordt. Als meer bij anderen behoort ‘dan is 't volgende boven zo veel als behalve’ (1730: 337). Vondels tekst moet dan geïnterpreteerd worden als:

kan hy, behalve my, meer anderen beminnen?102
(1730: 337)

Daarnaast kan meer ook beschouwd worden als een bepaling bij beminnen. In dat geval ‘schynt boven zo veel te zyn als dan’:

en kan hy anderen beminnen meer dan my?
(1730: 337)

De constructie waarbij een comparativus gevolgd werd door boven, was ‘voorheenen’ niet ongebruikelijk, wat Huydecoper illustreert met één voorbeeld uit een manuscript uit 1476.103 Desondanks blijkt hij er de voorkeur aan te geven boven vooraf te laten gaan door

[p. 359]

een stellende trap: ‘nu zegtmen beter Zoet boven honig’ in plaats van zoeter boven honig (1730: 337).104

Zie ook het eerste citaat in 2. behalve

 

4. buiten105

Zie de eerste aanhaling in 2. behalve

 

5. door106

Zie 1. aan.

 

6. in107

Naar aanleiding van vers 902 van het tiende boek van Vondels Herscheppinge - ‘En gy waert d'eenige, waermede ik wensch te trouwen’ - heeft Huydecoper aandacht geschonken aan woorden die tegenwoordig voornaamwoordelijke bijwoorden genoemd worden. Tot voorbeeld van ‘Voorzetsels’ die het tweede lid daarvan vormen, strekken onder andere in, meê, om (1730: 469). Op pagina 604 van de Proeve spreekt Huydecoper eveneens van ‘het voorzetsel In’.

Zie ook 1. aan en 16. toe.

 

7. mede108

Moonen heeft erop gewezen dat na de woorden ‘Waer, Hier, Daer, en het verkorte 'Er’ niet de voorzetsels van, met, tot, maar ‘Af, Mede, Toe’ gevoegd worden, waarbij hij opgemerkt heeft dat de laatste drie ‘wel geene Voorzetselen’ zijn (1706: 311-312).

Anders dan Moonen heeft Huydecoper mede wel als een voorzetsel opgevat: ‘de Voorzetsels om, meê, in’ (1730: 469; zie ook 6. in).

 

8. met109

Uit de onderstaande passage blijkt dat Huydecoper met als een voorzetsel beschouwde:110

na een Praepositio, of Voorzetsel, mag het Demonstrativum worden verzweegen, als 'er het Relativum aanstonds op volgt. zo zegtmen, ik lach met die my haat, d.i. met hem, of, met den geenen, die my haat.111
(1730: 391)

9. na / naar112

Over het gebruik van de voorzetsels na en naar bestond in het zeventiende-eeuwse taalgebruik geen uniformiteit. Ook de grammatici verschilden op dit punt onderling van mening (zie Dibbets 1991a: 58-59). In de Nederduitsche spraekkunst heeft Moonen (1706: 253)

[p. 360]

na bij de ‘Tydelyke’ en naer bij de ‘Oirzaeklyke’ voorzetsels ingedeeld.113 Afgezien van een definitie bevat het hoofdstuk ‘Van de VOORZETSELEN’ uit Sewels Nederduytsche spraakkonst weinig meer dan een opsomming van woorden die van deze woordsoort deel uitmaken. In tegenstelling tot Moonen heeft Sewel ten aanzien van de preposities geen betekeniscategorieën onderscheiden. Wel heeft hij aan het slot van het grammaticaonderdeel spelling door middel van voorbeeldzinnen onder andere het verschil in gebruik tussen naa, naar, na (toe) proberen duidelijk te maken.114 Om aan te geven dat iets in de tijd volgt op een bepaalde periode of gebeurtenis, schrijft Sewel naa voor: ‘Naa verloop van jaaren’. Het voorzetsel Naar betekent ‘volgens, overeenkomstig’: ‘naar myn oordeel’, terwijl na (toe) een zekere richting uitdrukt: ‘na de stad toe’ (1708: 33).115 Dat het onderscheid tussen na - naa - naar geschoeid is op de leest van de Latijnse trits ad - post - secundum, lijkt mij niet onaannemelijk.

 

Op bladzijde 10 van de Proeve heeft Huydecoper naar aanleiding van vers 104 van het eerste boek van de Herscheppinge - ‘Dewyl een ieder dier na d'aerde ziet in 't slyk’ - opgemerkt dat Vondel in die regel niet ‘na’ maar ‘naer’ had moeten schrijven: ‘zulks eischt de taal, en Vondel zelf, die hier zich zelven moet verbeteren’.116 In het treurspel Lucifer had de zeventiende-eeuwse dichter namelijk ‘Naer hunne voeten zien’ gebezigd (1730: 10).117 Bij het doorlezen van de drukproeven zal Huydecoper beseft hebben dat uit deze woorden voor lang niet iedereen duidelijk zal zijn geworden waarin na van naer verschilt, want in de ‘Byvoegsels en verbeteringen’ heeft hij het onderscheid tussen beide voorzetsels opnieuw aan de orde gesteld, waarbij hij het Latijn te hulp geroepen heeft: ‘Naar, is in 't Latyn Ad118 en Secundum: Na, of zo anderen willen, Naa,119 is Post en Propè’ (1730: 619). Dit onderscheid, aldus De Jager (1835: 63), ‘schijnt het eerst ingevoerd door Huydecoper, die wel meer voor zulke onderscheidingen was’.120

Van Lelyveld heeft zich niet onvoorwaardelijk op het gezag van Huydecoper verlaten, maar zelf een onderzoek ingesteld naar het onderscheid tussen na en naar. De bevindingen daarvan heeft hij in een noot gepubliceerd in de tweede druk van de Proeve:

By alle de ouden vinden wy naar en na, door elkander gebezigd, hebbende alleen de welluidendheid of hun dialect daarin gevolgd.121 [...]. De overzetters van den Staten Bybel gebruiken Na
[p. 361]
voor post, en veelal Nae voor ad en secundum, doch nergens Naer [...]. Vondel schijnt de eerste geweest te zijn, die het boven opgegeven onderscheid tussen Na en Naar, doorgaands, in acht genomen heeft; 't welk tegenwoordig by onze naauwkeurigste Schryvers gevolgd wordt.
(1782: 29)

Vreemd genoeg lijken na en naar voor Hinlópen twee varianten van één voorzetsel te zijn. Dit kan althans worden afgeleid uit de woorden: ‘Men verwarre hier niet mede een ander gebruik, daar 't zelfde voorzetsel wel herhaald wordt, maar tot onderscheidene woorden gebracht moet worden’ en de daaropvolgende voorbeeldzin ‘En volgt Naer Ostie Lucijn, de Raetsvrouw, Na’ (1788: 291). Voor Hinlópen vormen na en naer ‘'t zelfde voorzetsel’; naer en na hebben in de voorbeeldzin betrekking op twee verschillende woorden: naer op Ostie en na - als deel van het werkwoord navolgen - op Lucijn.

 

10. om122

zie 6. in.

 

11. onder123

In een aanmerking over de zogenaamde ‘Rust’ in zesvoetige verzen (1730: 610-618) heeft Huydecoper geschreven dat deze rust weggenomen kan worden door ‘de Voorzetsels Onder, Zonder, Over, enz.’ (1730: 612).

 

12. op124

Op bladzijde 450 van de Proeve heeft Huydecoper op uitdrukkelijk aangemerkt als een prepositie: ‘het Voorzetsel Op’, dat volgens hem het eerste deel is van het werkwoord offeren. Zie ook 1. aan.

 

13. open

Zie 6. in.

Bij vers 559 van het veertiende boek van de vertaalde Herscheppinge - ‘Den boezem openkrabt: zy gaet zich noch versteeken’ - heeft Huydecoper aangetekend dat Vondel ‘open, gevoegd voor een werkwoord, dikwils verkort tot op’ (1730: 549). Hinlópen heeft hiervan in het oeuvre van Vondel nog andere voorbeelden opgespoord (1788: 258-259).125

 

14. over126

zie 11. onder.

 

15. te

Zie 7.9.2.

 

16. toe

Zie 7.9.2 en 6. in.

 

17. tot

Zie 7.9.2.

 

18. uit127

[p. 362]

In de Proeve heeft Huydecoper op diverse plaatsen uit als een voorzetsel bestempeld.128

Op bladzijde 113 van de Proeve lezen we: ‘Vondel gebruikt dit voorzetzel uit veelmaalen absolute, om den oorsprong of herkomst van iets te kennen te geeven’, waaraan Huydecoper in de ‘Byvoegsels en verbeteringen’ toegevoegd heeft dat ‘de Latynen’ op deze wijze ‘het Voorzetsel ab’ gebruiken (1730: 622). Wat heeft Huydecoper bedoeld met ‘absolute’? Uit de gegeven voorbeelden - ‘uit dat geweste’, ‘uit Kolchos landen’, ‘uit goddelyken stam’, ‘uit 's hemels trans’, ‘uit Meonie’ (1730: 113-114) - zouden we kunnen besluiten dat hij met de term ‘absoluut’ heeft willen aangeven dat uit geen deel uitmaakt van een samengesteld werkwoord.

Vergelijk 1. aan en 6. in.

 

19. van129

Zowel op pagina 19 (‘het Voorzetsel [...] Van’) als pagina 181 (‘de voorzetsels uit en van’) van de Proeve wordt van expliciet bij de preposities geteld.

Over dit voorzetsel heeft Huydecoper op bladzijde 169 van de Proeve terloops opgemerkt, ‘dat in de tegenwoordige taal, van niet anders dan een' Ablativus schynt te beheerschen’.

 

20. voor130

Huydecoper heeft voor op bladzijde 19 met de technische term ‘Voorzetsel’ benoemd.

 

21. zonder131

zie 11. onder.

7.9.4 Tot besluit

Aan het begin van de achttiende eeuw verstond men onder de term ‘voorzetsel’ niet precies hetzelfde als tegenwoordig. De grammatici rekenden er niet alleen de woorden toe die wij nog steeds aanduiden met ‘voorzetsels’, ook ‘voorvoegsels’ begrepen zij daaronder. Deze opvatting, die al uit de klassieke oudheid dateert, komen we ook bij Huydecoper tegen.

Op diverse plaatsen in de Proeve is Huydecoper ingegaan op het gebruik van voorzetsels, in beide hierboven genoemde betekenissen. De meeste van deze aantekeningen hebben geen betrekking op wat in de grammatica's uit die tijd werd behandeld bij de bespreking van de voorzetsels. Een enkele maal blijkt dit wel het geval te zijn. Zo is het volgens Huydecoper volkomen in strijd met de regels van de grammatica dat voorzetsels werden gevolgd door een woord in de eerste naamval, wat hij naar aanleiding van de door Vondel gebruikte woordcombinatie behalve ik heeft verwoord. Het onderscheid tussen de voorzetsels na en naar was een onderwerp waar Huydecoper aandacht voor heeft gevraagd omdat de overeenkomst in klank en vorm ervoor zorgde dat veel taalgebruikers bij het gebruik van deze voorzetsels fouten maakten.

60De technische term voorzetsel is in deze schrijfwijze voor het eerst gebruikt door Peeter Heyns in zijn Cort onderwijs, van de acht deelen der Fransoischer talen (1605), aldus Dibbets (1995: 305). Hij suggereert op dezelfde pagina dat het woord voorzetsel in de achttiende eeuw gangbaar is geworden, doordat Moonen zich er in zijn spraakkunst van bediend had.
61Het Latijnse equivalent heeft Sewel in een voetnoot vermeld: ‘Praepositio’ (1708: 184).
62Vgl. Sewel 1708: 197: ‘Aan den muur; Achter den boom; By hem’.
63Vgl. Sewel 1708: 197: ‘De Voorzetsels neemen gemeenlyk eenen Accusativus óf Ablativus by zich’.
64Over de betekenis en de functie van deze woordcombinatie, zie Damsteegt 1968 en de daar vermelde literatuur.
65WNT II, 263, s.v. als, vii, 2.
66Vgl. echter Dibbets 1995: 309, waar opgemerkt wordt dat Van Heule in De Nederduytsche spraec-konst ofte tael-beschrijvinghe (1633) de ‘voorzettingen’ tot de ‘help-woorden’ rekent; zij verduidelijken als gevolg daarvan een ‘omstandigheyt’ van het werkwoord.
67Een vraag die opgeroepen wordt, is of Moonen bewust of onbewust in het eerste geval het voegwoord en en in het tweede geval de conjunctie of gebruikt heeft.
68Een dergelijke opvatting is ook te vinden bij Van den Toorn (1982: 205): ‘Veel voorkomend is de vorming van werkwoorden met een prefix (voorvoegsel), dat, indien zelfstandig voorkomend, als bijwoord of voorzetsel bekend is’.
69Laten we uit deze zin weg wat deze voorzetsels nïet zijn, dan staat er dat ‘vaste’ of ‘onscheidbaere’ voorzetsels zo heten, ‘omdat ze eerste leden van woorden zijn’. Aangezien er ook ‘losse’ en ‘scheidbaere’ voorzetsels zijn die daaraan voldoen, had Moonen aan de geciteerde zin eigenlijk nog moeten toevoegen: ‘en niet gescheiden kunnen worden en niet op zich zelfs bestaen’. Schaars (1988: 342) heeft aangegeven dat Moonen met de bovenstaande uitspraak een aanzet heeft gegeven ‘om de voorzetsels scherper als woordsoort te omlijnen ten opzichte van de voorvoegsels’.
70De enige uitzondering hierop vormt Her dat in enkele nauw omschreven gevallen volgens Moonen wèl op zichzelf kan bestaan. De vraag is in hoeverre men dan nog kan spreken van een ‘Onscheidbaer’ voorzetsel.
71Als we tenminste de opmerking buiten beschouwing laten dat toe ‘somtyds op zichzelven gebruykt’ wordt (1708: 185). De vraag is dan echter wel in hoeverre er nog sprake is van een ‘onscheydelyk’ voorzetsel.
72Vgl. Ten Kate 1723, I: 408: ‘wanneer ons woordtje VOL als een Voorzetsel dient’.
73Vgl. Ten Kate 1723, I: 535 waar misdoen vermeld staat in het rijtje werkwoorden ‘Met Praepos: Inseparabiles’.
74Vgl. ANS 1984: 488-489.
75Vergelijk Dibbets 1995: 310.
76Over de status van behalve, zie Komen 1994: 200-217.
77Vgl. Koenen 1984: 1375: ‘ten vz. (uit te + den)’ en 1984: 1377: ‘ter vz. (uit te + der)’.
78Vgl. Dibbets 1995: 312.
79Huydecoper bedoelt dus dat hij woordgroepen als ter moeder en ter bruid in Vondels Herscheppinge niet is tegengekomen.
80Volgens Huydecopers paradigma's van het lidwoord kan den hier ook een derde naamval meervoud zijn. Gezien de nevenschikking ‘of tot eenen’ lijkt die interpretatie minder voor de hand liggend.
81Toch heeft Moonen niet alle woorden die hij in zijn grammatica als voorzetsel erkend heeft, in deze lijst opgenomen. De opsomming kan aangevuld worden met beneden, volgens, de nevenvormen beneffens, neffens (1706: 306) en halve (1706: 309).
82Als ‘Nazetsel’ komt het voor in combinatie met een voorzetsel - ‘Van moeders lichaeme aen’ (1706: 254) -, achter woorden als herwaert, derwaert, stêwaert, strandewaert en na de bijwoorden van plaats achter, boven, onder, voor (bijvoorbeeld ‘Ida [...] staet Achter Aen’ (1706: 309).
83Het woord Voorby toont aan dat niet alleen ‘Enkele’ - zoals Schaars (1988: 342) beweerd heeft - maar ook ‘Samengezette’ voorzetsels als nazetsels kunnen optreden.
84Vgl. Moonen 1706: 307: ‘het Voorzetsel Tot, dikwyls gepaert met het Nazetsel Toe’. Vgl. Sewel 1708: 197: ‘Tót den grond toe’.
85Vgl. Sewel 1708: 185: ‘Evenwel wordt het woordtje Toe somtyds op zichzelven gebruykt, als Hy bewoog 'er my toe’.
86Vgl. Moonen 1706: 254: ‘door byeenvoeging der twee Voor- en Nazetselen Af en Aen’. Omdat hij aen eerder expliciet heeft aangeduid als voorzetsel en als nazetsel, kan op basis van het bovenstaande mijns inziens alleen geconcludeerd worden dat ook af én voor- én nazetsel is.
87Vgl. Moonen 1706: 308: ‘Wanneer de Voorzetsels Achter, Boven, Onder, Voor, zonder eenen Beheerschten Naemval, of liever als Bywoorden van Plaetse in eene rede gestelt worden’. Vgl. Dibbets 1995: 311.
88Vgl. Moonen 1706: 306-307: ‘In eischt den Neemer, wanneer het de rust in eene plaetse te kennen geeft; den Aenklaeger, wanneer het de beweeging en komste tot eene plaets en zaek, of ook tot eenen staet uitdrukt. [...] Voor eischt den Aenklaeger, wanneer de eerderheit van tyt of voorgang in eene plaetse daer door wordt uitgedrukt; anderszins altyt den Neemer’.
89Vgl. MHW, p. 99: ‘Voorz. met dat. en gen.’.
90Vgl. MHW, p. 122: ‘Voorz. met den dat. en acc., soms met den gen.’.

91Vgl. Moonen 1706: 253; Sewel 1708: 184.
92Vgl. 1730: 19: ‘aanmerkelyk is deeze verwisseling van het Voorzetsel veiligh Van, en Voor. zo spreekt hy ook’, waarna voorbeelden volgen van een verwisseling tussen met en aen, en tussen aan en op.
93Indien een dergelijk prefix zelfstandig voorkomt, spreken we tegenwoordig van een bijwoord of voorzetsel (vgl. Van den Toorn 1982: 205).
94Vgl. 1730: 546: ‘Vondel maakt doorgaands een keurelyk gebruik van dit Voorzetsel Aan; plaatsende het zelve op eene zonderlinge wyze aan het hoofd van verscheidene werkwoorden’ en 1730: 547: ‘Niemand onzer Dichteren heeft de kracht van dit Aan beter begreepen, en 'er zich meer van gediend, dan Vondel’. Voorbeelden van het werkwoord ‘Aanlachen in plaatse van het gemeene Toelachen’ zijn te vinden op bladzijde 576 en 577 van de Proeve.
95Over de versregel ‘Waer-In men ommetrek en zweemssel In ziet zwieren’ is hij evenmin verrukt: ‘dit laatste komt dikwils voor by dichters van minder rang’ (1730: 561).
96Michels (1935: 111) zegt dat er sprake is van een contaminatie van aenschoutge en schoutge aen.
97Dit geldt ook voor de andere voorbeelden die Huydecoper gegeven heeft van een correcte herhaling van het ‘Voorzetsel’: ‘Uit-gewischt Uit het boek des Levens’ (Vollenhove), ‘ende ick sal zenuwen op u leggen, ende vleesch Op u doen Op-komen’ en ‘die gestadigh Door 't lant Door-gaen’ (Statenvertaling).
98Vgl. Moonen 1706: 253-254; Sewel 1708: 184.
99Moonen (1706: 306) schreef: ‘Deeze volgende beheerschen den Aenklaeger; [...] Behalve’.
100Vgl. Komen 1994: 220.
101Vgl. Moonen 1706: 254; Sewel 1708: 184; Ten Kate 1723, I: 326.
102Deze interpretatie wordt door Michels (1934: 622) verworpen.
103In de tweede druk is het aantal voorbeelden van het gebruik van boven aanzienlijk uitgebreid.
104Vgl. WNT III, i, 828, s.v. boven, 20 c, β waar naar deze aantekening - in de tweede druk - verwezen wordt, waarna men vermeldt: ‘Vooral in de 16de eeuw werd eene eigenschap die in hoogen graad aanwezig is uitgedrukt door bij het bnw. eene bepaling te voegen, bestaande uit boven, gevolgd door den naam van iets dat die eigenschap in hooge mate bezit’.
105Vgl. Moonen 1706: 254; Sewel 1708: 184; Ten Kate 1723,I: 326.
106Vgl. Moonen 1706: 253; Sewel 1708: 184; Ten Kate 1723,I: 326.
107Vgl. Moonen 1706: 253; Sewel 1708: 184; Ten Kate 1723,I: 491.
108Noch in Moonen 1706 noch in Sewel 1708 is mede te vinden in het hoofdstuk over de voorzetsels; Ten Kate 1723,I: 491.
109Vgl. Moonen 1706: 253; Sewel 1708: 184.
110Vgl. 1. aan.
111Vgl. 1730: 542 waar Huydecoper naar aanleiding van de versregels 227-228 van het veertiende boek van Vondels Herscheppinge - ‘[...] vaere ik niet veel liever door de vloeden // Met helt Eneas dan Ulisses [...]’ - heeft gesteld: ‘Het uitlaaten der Voorzetsels, t.w. voor een tweede Naamwoord, is vry gemeen, en dikwils eene oorzaak van dubbelzinnigheid’.
112Vgl. Moonen 1706: 253; Sewel 1708: 184; Ten Kate 1723,I: 326.
113Vgl. de voorbeelden in het tweeënveertigste hoofdstuk: ‘Na eenen dagh; Naer zyne kroon’ (1706: 306) en ‘luistert nu hier Na; voor, Na deeze rede; dat 'er het bosch Naer luistere; voor, Naer het zingen; waer Naer gy verlangde; voor, Naer welke zegestaetsi’ (1706: 310). Gelet op de daaropvolgende voorbeelden zal het voorzetsel na in ‘luistert nu hier Na’ een temporeel aspect uitdrukken.
114Vgl. Sewel 1708: 33: ‘Hoewel nu de eygenschap der Letteren overal behoort waargenomen te worden, evenwel zyn 'er gevallen, daar men tót onderscheydinge van de betékenisse der woorden, wel een letter in de spellinge mag, ja, om de eygenschap van 't woord, moet veranderen’.
115Sewel heeft daarnaast voorbeelden gegeven van het gebruik van : ‘nergenszo veel; op verreniet; Zy neemt die zaak heel nâ; Hy komt 'eraan toe’ (1708: 33). Vermoedelijk heeft Sewel met de circumflex een onderscheid willen aanbrengen tussen het voorzetsel na (toe) en het bijwoord na (vgl. 1708: 182).
116Vondels handschrift blijkt Huydecoper hierin gelijk te geven (Michels 1934: 407).
117Vgl. 1730: 243: ‘Naer heb ik hier doen drukken voor Na, gelyk 'er te vooren geleezen werdt, volkomen tegens Vondels gewoonte’. Inderdaad blijkt het handschrift van Vondel ook op deze plaats naer te hebben (Van Lelyveld 1784: 75).
118Vgl. 1730: 546: ‘Dit Voorzetsel komt overeen met het Latynsche Ad, Naar, Tot’. Vgl. 1. aan.
119Sewel 1708: 33 & 184; vgl. Ten Kate 1723,I: 326: ‘nae Hem’.
120Vgl. WNT IX, 1309, s.v. na en WNT IX, 1380, s.v. naar (II).
121Ook De Jager (1835: 61) is tot de bevinding gekomen dat het tegenwoordige onderscheid tussen na en naar ‘geheel willekeurig [is], en noch op de afleiding, noch op het eenparige gebruik der schrijveren gegrond’. Vgl. MNW IV, 2046, s.v. na: ‘In dezelfde beteekenissen als n a komt mnl. naer voor’, MNW IV, 2096, s.v. naer en Heestermans 1979: 34-43, m.n. 35 en 37.
122Vgl. Moonen 1706: 253; Sewel 1708: 184; Ten Kate 1723,I: 326.
123Vgl. Moonen 1706: 254; Sewel 1708: 184.
124Vgl. Moonen 1706: 253; Sewel 1708: 184.
125Vgl. WNT XI, 529, s.v. open (I), II: ‘Naast vele ww. met Open- vindt men in gebruik samenstellingen met Op- in dezelfde beteekenis’. Zie ook WNT XI, 329, s.v. op III, II, D, ii.
126Vgl. Moonen 1706: 254; Sewel 1708: 184.
127Vgl. Moonen 1706: 253; Ten Kate 1723,I: 491.
128Vgl. 1730: 84: ‘dat eene voorzetsel Uit’, 1730: 181: ‘de Voorzetsels uit en van’ en 1730: 542 waar Huydecoper na de opmerking ‘Het uitlaaten der Voorzetsels, t.w. voor een tweede Naamwoord, is vry gemeen’ een voorbeeld gegeven heeft van het weglaten van uit (vgl. 9. met).
129Vgl. Moonen 1706: 253; Sewel 1708: 185; Ten Kate 1723,I: 491.
130Vgl. Moonen 1706: 253; Sewel 1708: 185; Ten Kate 1723,I: 491.
131Vgl. Moonen 1706: 253-254; Sewel 1708: 185; Ten Kate 1723,I: 491.

terug  begin  verder