terug  begin  verder
[p. 363]

7.10 Tussenwerpsel

7.10.1 Definitie - omschrijving

Moonen heeft in zijn Nederduitsche spraekkunst de volgende definitie gegeven van interjecties, die door hem ‘Tusschenwerpingen’ genoemd zijn:132

De Tusschenwerpingen zyn Onbuigzaeme Woorden, die, eigentlyk de rede niet te hulpe koomende, eenen vollen zin door zich zelfs uitmaeken; en worden dus genoemt, om dat zy, tusschen en in eene rede geworpen, tot de uitdrukking der hartstoghten van den spreekenden dienen.
(1706: 255)

Bij het definiëren van deze woordsoort heeft Moonen zich bediend van drie criteria. Een morfologisch kenmerk van de tussenwerpsels is dat ze ‘Onbuigzaeme Woorden’ zijn; een syntactische karakteristiek is dat ze ‘tusschen en in eene rede geworpen’ worden; semantisch gezien vormen ze ‘de uitdrukking der hartstoghten van den spreekenden’. De opmerking dat ze ‘eigentlyk de rede niet te hulpe koomende, eenen vollen zin door zich zelfs uitmaeken’, kan zowel syntactisch als semantisch zijn. Moonens definitie lijkt, met enkele kleine wijzigingen, overgenomen te zijn uit het Ont-werp der Neder-duitsche letter-konst (1649) van Allardus Kók (Schaars 1988: 346).133

Sewel heeft het hoofdstuk over het ‘Tusschenwerpsel’134 - of de ‘Interjectio’ (1708: 37) - geopend met de volgende woorden:

Een Tusschenwerpsel is een onbuygelyk woord dat uyt zich zelven eenen zin uytmaakt, en zo genoemd wordt omdat men het tusschen de reede inwerpt, tót uytdrukkinge eener hartstógt
(1708: 185)

Wat woordkeus betreft zijn er kleine verschillen aan te wijzen tussen Moonen en Sewel, maar inhoudelijk stemmen de definities van de twee grammatici - Moonens ‘eigentlyk de rede niet te hulpe koomende’ daargelaten - volledig overeen.

Van geheel andere aard is de informatie die Ten Kate over de ‘Tusschenwerpsels’ of ‘Interjectiones’ heeft geboden:

De Interjectiones (ofte Tusschenwerpsels) zijn in zig zelf een soort van Adverbia, die, als bij Uitgalming, de Ontroeringe des Gemoeds uitdrukken.
(1723,I: 323)

Evenals de twee eerder besproken grammatici heeft Ten Kate erop gewezen dat de taalgebruiker door middel van tussenwerpsels uiting kan geven aan emoties, maar in tegenstelling tot Moonen en Sewel heeft hij geen aandacht geschonken aan morfologische kenmerken van deze woordsoort. Deze leemte wordt gevuld op de volgende pagina, waar Ten Kate meedeelt dat ‘Tusschenwerpsels’ een categorie woorden omvat die ‘Onverbuiglijk’ zijn (Ten Kate 1723, I: 324). Aan de syntactische valentie van interjecties wordt voorbijgegaan.

[p. 364]

Opvallend is dat Ten Kate tussenwerpsels ‘in zig zelf’ beschouwt als ‘een soort van Adverbia’, waarmee hij de status van die woordsoort als zelfstandige categorie in twijfel lijkt te trekken. Dat interjecties geen afzonderlijke klasse vormen maar een onderdeel zijn van de bijwoorden, is een opvatting die al voorkomt bij de Griekse grammatici. Deze waren namelijk van mening dat tussenwerpsels ‘(semantisch) boven- of ondergeschikt kunnen zijn aan het werkwoord (“gezegde”) van de zin’ (Dibbets 1995: 325). Ten Kate zou zijn visie ontleend kunnen hebben aan de Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst (1584), waar op de bladzijden 67-68 over de interjecties opgemerkt wordt dat:

die al <allemaal> onder bywóórd wel <zeker> moghen begrepen worden, alzó <zoals; omdat?> die by den Grieken daar onder vervat zyn135

Huydecoper heeft bij de voorbeelden van de ‘Kunstwoorden der Grammatica, of Letterkunst’ die eindigen op -sel, behalve het ‘Voorzetsel’ en het ‘Voorvoegsel’ ook het ‘Tusschenwerpsel’ vermeld (1730: 412). Vanwege de betekenis die in dat suffix besloten ligt (zie 7.3.10.3), worden de ‘Tusschenwerpsels’ door hem bestempeld als:

Ledekens136 [...], alleen gebruikelyk om [...] tusschen andere woorden [...] geworpen te worden: en tot dat einde dikwils gebruikt worden.
(1730: 412)

Met het cursiveren van de woorden ‘tusschen’ en ‘geworpen’ heeft Huydecoper niet alleen de naam ‘Tusschenwerpsel’ verklaard, maar ook een syntactisch kenmerk van de onderhavige woordsoort gegeven, waarin onder anderen Moonen en Sewel hem voorgegaan waren. Een toelichting op het merkwaardige slot van deze omschrijving is gegeven bij de behandeling van het voorzetsel (zie 7.9.1).

Aan het ‘Tusschenwerpsel’ heeft Huydecoper in de Proeve amper aandacht besteed. Afgezien van het bovenstaande heeft hij alleen naar aanleiding van ‘ô wee, ô wach!’ opgemerkt: ‘deeze uitroeping was gemeener by de Ouden, danze by de Nieuwen is’ (1730: 381).137 Deze bewering heeft Huydecoper kracht bijgezet door te verwijzen naar zes voorbeelden die hij opgetekend had uit drie teksten; twee ervan vallen volgens zijn definitie onder de Ouden, één ervan - uit 1607 - behoort tot de Nieuwen.

7.10.2 Eigenschappen - betekenissen

Zowel Moonen als Sewel hebben in hun respectieve spraakkunsten de tussenwerpsels ingedeeld naar betekenis. Moonen heeft in het vijfendertigste hoofdstuk van zijn grammatica twaalf categorieën (‘hoofden’) onderscheiden, Sewel is gekomen tot een indeling van in totaal dertien soorten interjecties. Nieuw bij laatstgenoemde is het ‘Tusschenwerpsel van goedkeuringe’ (‘Braaf’). Beide taalkundigen hebben van elke klasse één of meer voorbeelden gegeven.

In het onderstaande overzicht zijn de semantische categorieën opgenomen die te vinden zijn in Moonens Nederduitsche spraekkunst en in Sewels Nederduytsche spraakkonst. De getallen tussen ronde haken geven aan in welke volgorde de betreffende betekenissen genoemd worden.

[p. 365]

interjecties  
Moonen 1706 Sewel 1708
Tot de Verwondering (1) Van Verwonderinge (3)
Tot het Smeeken (2) Van Smeekinge (6)
Tot het Wenschen (3) Van Wenschinge (5)
Tot het Dreigement (4) Van Bedreyginge (4)
In de Droefheit (5) Van Bedroefdheyd (1)
In de Blydschap (6) Van Blydschap (2)
In het Bespotten (7) Van Bespóttinge (9)
Tot het Lachen (8) Van Gelach (11)
Tot het Versmaeden (9) Van Versmaadinge (8)
Tot het Roepen (10) Van Geroep (10)
Tot het Gehuil (11) Van Gehuyl (12)
Tot het Gebot van Stilzwygen (12) Om te doen zwygen (13)
  Van Goedkeuringe (7)

In het taalkundige werk van Ten Kate en van Huydecoper is van een dergelijke indeling geen spoor te bekennen.

7.10.3 Tot besluit

Aan de interiectio heeft Huydecoper in de Proeve amper aandacht geschonken. Behalve een korte opmerking over de uitdrukking ‘ô wee, ô wach!’, heeft hij - bij de bespreking van het achtervoegsel -sel - over de tussenwerpsels slechts meegedeeld dat ze ‘tusschen andere woorden geworpen’ worden en vaak gebruikt worden. Anders dan Moonen en Sewel heeft Huydecoper de tussenwerpsels niet onderverdeeld in betekeniscategorieën.

132In Plantijns Thesaurus Teutonicae linguae (1573) is het woord tusschenwerpinge al opgetekend; in de Nederlandse grammatica is de term pas aangetroffen in Henry Hexhams ‘An English grammar - Een Engelsche grammatica’, opgenomen in zijn A copious English and Netherduytch dictionarie uit 1647 (Dibbets 1995: 325).
133In Kóks triviumgrammatica wordt de volgende definitie gegeven: ‘In-wurpsels zijn on-ver-anderlijke Woorden, welke door zich een zin maaken: en zy worden zo ghe-noemt, om-dat zy ghe-meenlijk in een Reden in-ghe-worpen worden om de harts-tóghten te verklaaren’ [geciteerd naar Dibbets 1981: 59]. Dibbets (1981: lix) heeft erop gewezen dat Kók hier een nagenoeg woordelijke vertaling van Vossius' Latina grammatica (41648) presenteert.
134Hoewel de term Tusschenwerpsel al vermeld wordt in de Thesaurus Teutonicae linguae (1573) van Plantijn, heeft het tot 1661 geduurd voordat Willem Beyer het woord in zijn La vraye instruction des trois langues - The right instruction of three languages - De rechte onderwyzinge van de Fransche, Engelsche en Nederduitsche talen in een Nederlandse grammatica gebezigd heeft (Dibbets 1995: 325).
135Geciteerd naar Dibbets 1995: 39.
136Het woord Ledekens moet hier opgevat worden als ‘kleine woorden’. Het WNT vermeldt deze betekenis niet.
137Vgl. Van Helten 1883: nr. 162.

terug  begin  verder