terug  begin  verderprepost
[p. 21]

II. het ouderlijk huis, 1896-1907

1. Eerste levensjaren

‘Ik ben geboren. Dit moet worden aangenomen, alhoewel een absoluut-objektief bewijs niet is voor te brengen.’ Aldus Paul van Ostaijen in zijn Zelfbiografie.1 De bewijzen voor de gebeurtenissen in zijn vroegste jeugd zijn ook niet makkelijk ‘voor te brengen’, want voor de eerste levensfaze van Paul van Ostaijen is men aangewezen op familieherinneringen. Ten dele komen deze van een dochter2 van Pauls oom en tante die tot 1926 in Steenbergen waren blijven wonen - dus van grote afstand -, ten dele van de dochter3 van zijn tante Hubertina, de reeds genoemde jongere zuster van zijn moeder.

Deze laatste kwam, met haar dochter, in die tijd geregeld bij haar zuster en zwager aan huis, toen ze zelf een groentezaak in de Paleisstraat, niet ver van de Lange Leemstraat, dreef.4

Naar in de ‘verre’ tak van de familie verhaald werd, moest bij de geboorte van Paul de moeder een min hebben. Als reden gold de grote drukte in de zaak en het huishouden, maar ook het feit dat dit chic stond speelde hierbij een grote rol. Later werd Paul door de min meegenomen naar een boerderijtje bij Oude God aan de rand van Antwerpen. Pauls tante uit Steenbergen5 moet toen de raad aan zijn moeder gegeven hebben: ‘haal hem terug, want hij krijgt meer water dan wat anders.’

Mogelijk is dit verhaal een vervorming, mogelijk ook een aanvulling van de meer ‘nabije’ herinnering van Pauls nicht6 uit de groentewinkel: toen Paul enkele maanden oud was werd hij in Rekem ondergebracht bij verre familie-

[p. 22]

leden - niet bij zijn grootvader - waar ook zijn nichtje, die toen zeven jaar was, logeerde. Hij was niet sterk en zijn ouders hadden hem, met het oog op de betere lucht, naar het Maasland gebracht, waar hij overigens slechts korte tijd is gebleven.7

Wat het spoorwegongeluk op tweejarige leeftijd betreft, dat Van Ostaijen eveneens in zijn Zelfbiografie rapporteert (maar hij schreef ook: ‘De Nederlandse ernst die krijgen wij nooit te pakken’8): niemand van de familie weet zich hiervan iets te herinneren. Voorlopig moet dus de mogelijkheid worden opengehouden die Van Ostaijen daarbij zelf al oppert: ‘Is zij misschien enkel lokalisatie van een vroegrijpe wil tot ontsporen’?

Hoewel de verhalen over zijn prilste jeugd de indruk geven dat Paul begonnen is met een vrij zwakke gezondheid, kan evengoed een tijdelijke inzinking van zijn moeder na de geboorte de oorzaak zijn geweest dat de baby zo ver of wat minder ver op reis werd gestuurd. In ieder geval herinnert zijn nicht uit de Paleisstraat zich, dat zij hem dikwijls heeft zien spelen in de gang tussen het atelier en de hof van zijn ouderlijk huis en dat hij daarbij ‘riep en liep’ en erg levendig was.

Hij groeide op temidden van ouderen. Totdat hij naar de lagere school moest, woonde zijn grootvader bij hen in huis. Deze had een geitewagentje, waarmee hij met de kinderen naar het park trok.9 Op 29 oktober 1902 - hij was toen 81 jaar - verhuisde hij naar Pauls oom Louis in de Florisstraat en in januari van het jaar daarop met deze naar de Paleisstraat, waar hij 12 februari 1907 overleed.

1VW IV, blz. 5.
2D.M. Goossens-Van Ostaijen.
3A.M. Dinsart-Senden.
4Hubertina Engelen was in 1884 met de Nederlander Jos. Senden getrouwd. Vier jaar later, anderhalve maand voor de geboorte van haar tweede kind, Anna Maria, is haar echtgenoot overleden. Zie bijlage i, blz. 1096.
5Elisabet van Ostaijen-Meeuwissen, de vrouw van Ferdinand Antonij van Ostaijen.
6Zie noot 3.
7Ook daarna heeft Van Ostaijen nog een keer in Vucht bij Rekem gelogeerd, zie blz. 55-58.
8VW IV, blz. 374.
9Medegedeeld door mevr. Dinsart-Senden in 1961.
prepostterug  begin  verder