terug  begin  verderprepost

14. Verdere correspondentie uit 1920

Behalve als schrijver was Van Ostaijen in de zomer en het vroege najaar van 1920 ook als briefschrijver bijzonder produktief. Althans zijn juist uit deze tijd de meeste brieven van hem bewaard gebleven, zodat de maanden augustus en september elk met tien brieven en de maand oktober met vijf de grootste oogst aan correspondentie uit zijn Berlijnse periode hebben opgeleverd.

De eerste brief uit deze reeks is gedateerd 6 augustus en gericht aan Eugène de Bock. Na diens laatste brief van 10 juli zijn er één of meer brieven verloren gegaan, want Van Ostaijen blijkt inmiddels één gedicht voor Ruimte te hebben opgestuurd, nl. In memoriam Herman van den Reeck (al schrijft hij gedichten, het daarbij opgenomen Maskers stuurde hij later), ondanks zijn mededeling van 23 mei: ‘Mijn gedichten wil ik in ieder geval enkel in bundel publiceren.’

Waarschijnlijk deed de actualiteit van zijn In memoriam hem van zijn voornemen afzien. Dit gedicht moet hij na 22 juli - de dag waarop hij het schreef - hebben opgestuurd. De Bock heeft hem na of op 29 juli geantwoord, want behalve de drukproef van zijn gedicht zond hij hem daarbij ook het op die dag verschenen dubbelnummer 6-7 van Ruimte toe.

De drie grotesken die Van Ostaijen inzond, waren Geschiedenis, De overtuiging

[p. 334]

van notaris Telleke en De fijne roman, een crescendo of een decrescendo.

Inmiddels was Van Ostaijen ook door Paul Kenis1 uitgenodigd tot medewerking aan het tijdschrift en de uitgaven van Het Roode Zeil. Kenis, die medewerker aan dit tijdschrift was, had in het nummer van 15 april2 een artikel De jonge Vlaamse dichters gepubliceerd. Hij besprak hierin, niet zonder kritiek, maar toch met veel waardering, uitvoerig de bundels Music-hall en Het sienjaal en beschouwde Van Ostaijen als de belangrijkste figuur onder de vernieuwers, waartoe hij verder ook nog Gaston Burssens en Paul Verbruggen rekende.

Het is tekenend voor Van Ostaijens vasthouden aan de ‘bond zonder gezegeld papier’, dat hij zowel over de uitnodiging van Het Roode Zeil als over de plannen voor de organisatie van een ‘Kongres voor Moderne Kunst’, dat in oktober 1920 te Antwerpen gehouden werd, eerst overleg wilde plegen met de gebroeders Jespers. Ook op De Bocks aanbod van 10 juli om een dichtbundel van hem uit te geven, antwoordt hij er de voorkeur aan te geven deze bundel bij de eigen uitgeverij van de ‘bond’, Sienjaal, te laten verschijnen. Of hij bij deze uitgave, ‘luxus met illustraties’, aan De feesten van angst en pijn dacht, of reeds Bezette stad op het oog had, blijkt niet duidelijk uit de volgende brief:

[Berlin-Halensee 6-8-20 Joachim-Friedrichstr. 10III.]

Mijn waarde de Bock,

Uw brief en Ruimte goed ontvangen. Daarvoor hartelik dank.

Hierbij zend ik u drie kleine grotesken voor ‘Ruimte’, zówat als inleiding; later stuur ik dan iets omvangrijker. Slechts een voorwaarde: alle drie of niets. Het zou kunnen dat gij geneigd zijt, - om niet [-] literaire-redenen, b.v. ‘de fijne roman’ te laten vallen. Mij goed. Doch dan valt alles.

Voorlopig zou ik niet gaarne de dupe van zedelikheidsprincipes worden.

Mijn gedichten eerste regel is te korrigeren

‘Bloesems bloeien bloemen’ in plaats v. ‘Bloemen bloeien’.

Wilt ge zo vriendelik zijn en deze korrektuur maken?

Wat kongres betreft daarover zal ik met Jespers korresponderen.

Ik moet u voor mij persoonlik bekennen dat ik een paniese schrik heb voor deze ‘paar honderd deelnemers’. God, mijn God. Libera nos, Domine. Ik ben nu eenmaal bepaald tegenstander van het groeperen aller krachten.

Van Paul Kenis ontving ik invitatie medewerking ‘Roode Zeil’, tijdschrift en uitgave. In deze aangelegenheid denk ik ook Jespers O + F te raadplegen. Mijn wens is: uitgave Sienjaal. Luxus met illustraties enz.

[p. 335]

Daarom kan ik u nog niets zeggen over mijn uitgave-plannen.

 

Met beste groeten
Paul v. Ostaijen

 

[P.S.] een klein kaartje als ontvangstkonstatering a.u.b.

 

Op 15 augustus volgde een brief aan Peter Baeyens, waarin de eerste, reeds vermelde, mededelingen over Bezette stad, toen nog De obus in de stad genoemd, voorkomen. Hij blijkt eerder aan Baeyens te hebben geschreven dat dit gedicht hun ‘wederwarigheden zou vertellen’, maar wil nu de dynamisch-poëtische ervaringen eerst in zijn ‘gedichtboek’ verwerken en daarna de gezamenlijke avonturen voor een kleine roman gebruiken, waartoe hij echter nooit is gekomen. Op dat moment is het nog de bedoeling dat Floris en niet Oscar Jespers de illustraties voor Bezette stad zal maken, terwijl hij voor de roman aan samenwerking met Paul Joostens denkt.

Eerst nu heeft hij de tweede uitgave van Het Sienjaal, de map met 6 Linos van Floris Jespers, ontvangen en hij is niet, zoals Baeyens, ontevreden over de uitvoering. Het formaat van 55.5 bij 67.5 cm vindt hij geen bezwaar en evenmin de grootte van de letters waarin zijn Voorwoord is gezet, die hij vergelijkt met de 24-punts letters van de hem dus bekende eerste uitgave van Cendrars La fin du monde.

De in deze brief als ‘kloot De Ridder’ aangeduide André de Ridder verbleef tijdens de oorlog in Nederland, was zich daar voor de schilderkunst gaan interesseren en leerde er het werk van de Vlaamse expressionisten, zoals Gustaaf de Smet en Frits van den Berghe, kennen en waarderen. In 1920 werd hij hoofdredacteur van het Antwerpse, Franstalige tijdschrift Sélection, ‘chronique de la vie artistique et littéraire’, waarin hij opkwam ‘voor het expressionisme van Permeke, De Smet en Van den Berghe’.3

In het eerste nummer van Sélection4 schreef P.G. van Hecke Autour des oeuvres de Gustave de Smet et de Constant Permeke en werden Le buveur de cidre van Permeke en een omslagtekening, de houtsnede Vue de ville en het schilderij Le faucheur van De Smet gereproduceerd.

Ook als redacteur van Het Roode Zeil schreef De Ridder over schilderkunst en hij noemde in het nummer van 15 april5 De Smet ‘den allergrootsten der Belgische modernisten’.

[p. 336]

[Berlin-Halensee 15.8.20 Joachim-Friedrichstr. 10III]

Beste Peter,

Ergo,

magnificat anima mea Dominum.

Gister om 5 uur ontving ik 3 brieven van je: 2 over Paul Joostens [,] een van je moeder; deze van Floris kwamen me nog niet toe. Om zes uur je telegram. Dat was zowat als Floche Royale.6 Om 7 komt Emmeke thuis en wij zingen alleluja. In plaats van het door u ingezette ‘Eli, Eli Lama Sabachtani’, ‘Hosannah Deus Sabaoth’! In plaats van de pessimistiese Jesaias, de zang aan de hemelse wijsheid van een der 12 kleine profeten Jezus Sirach!

Uw brieven zijn heel precieuse documenten. De correspondentie van Daan, Floris en het Goche7, - om crescendo te gaan, - is een brok uit de wereldgeschiedenis van onze tijd. Ik heb spijts le serieux de la situation dikwels moeten lachen, b.v. bij de plastiese voorstelling van de kanonnier de M. te Oostende8 in ‘geneugten’ zwemmend en vooral bij de kolossale précision van het Goche ‘Mijnheer met de pistolethoed’: dat getuigt van een scherpe opmerkingskracht vanwege het Goche. Onnodig te zeggen dat deze optimistiese filosoof mij zeer simpatiek is. Zijn lyriese ontboezeming: [‘]Moet, moet, moet salu vriende het Goche’ is een sterk geramasseerd stuk. Die mannen zijn te benijden: waar wij een half jaar op dubben moeten, schrijven die vanzelfsprekend neer! Had ik geld ik zou het Goche onderhouen als Muse!

Dat was al met een eene blijde tijdingge.9 Ook van Paul Joostens ontving ik vandaag een kaart het verheugend nieuws mededelend. Mijne beste wensgen voor uw vaerderen levenswandel in de Schêldestad, vele geneugten in de lokalen als de ambassadeur, het Leopold palast, de Vrolijkheid, de Klerkenweide, het Al (voor niet geletterden παντος).

Mooie pirouette tot Place Blanche.

Anima mea magnificat Dominum

(dit vind ik een heel schoon canticum en uitgevoerd door negers zo[u] het mij, de bocho-anarcho-catholique, volkomen bevredigen) Versta-dewel! Ik heb de gewoon[te] slecht te worden verstaan. Kon ik slechts met het Goche spreken, daar vrees ik geen misverstand.

Uw droom dat is iet. Verdomme daar is een schoon stuk proza van te maken. Dat zou kunnen heten Het vergaan van een straat. ‘Apokalyptiese film’ of iets dergeliks. B.v. kunt ge mij deze droom ter navertelling afstaan. Op de verdienste krijgt ge niets, aangezien Vlaanderen een zo arm land is dat mijnheer De Winne10 zelfs een boek ‘arm vlaanderen’ heeft geschreven. Ik vind deze droom formidabel en juist gezien, zo b.v. dat

[p. 337]

juist ma tante over blijft (om u een klein gedacht te geven van wat ik presteren moet: ik moet deze verhoudingen die ons duidelik zijn ook voor anderen klaar maken en dit mag ik niet langs psychologiese weg (zijkerij), maar langs axiomatiese, wat geen gemakkelik stuk werk)

Mijn gedicht ‘de obus in de stad’ schiet goed op. Af zijn 1) opdracht Pet. B (10 blz.), 2 bedreigde stad (10 blz.) eenzame stad (2), Zeppelin Londen (1), en ik werk nu aan holle haven waarvan reeds 6 blz. af. Ik schreef u dat het onze wederwarigheden zou vertellen; dat is niet helemaal juist.

Ik heb de al te zeer gemengde stof in twee delen gescheiden naar de aard van het ‘erlebnis’, namelik het dynamies-poe[ë]tiese komt in gedichtboek ‘Obus in de stad’; het andere zijn erlebnisse van axiomatiese of intuïtieve psychologie, - daarin staan ons avonturen als kontemplatief leven: immer lustig, Tom11 enz., dit zal in een kleine roman, heel klein worden gekompileerd. Kijk eens voor deze roman: uw droom als epiloog!! Eerst moet echter gedicht af. Dat zal nog 1½ tot 2 maanden in beslag nemen; in het huidig tempo 1 maand. De Floris12 zal binnen 3 dagen de eerste stukken ontvangen. Ik heb slechts 3 kopie[ë]n. Ik stuur Floris een afschrift omdat hij de illustraties zal maken. Iedereen die het wil kan het bij de Floris inzien. Ik heb slechts 3 ex. en moet 2 behouden, 1 voor mij en 1 voor de eventualiteit dat ik naar een ander uitgever moet sturen. Ik geloof dat de Flor dit ding goed zal maken. Voor de roman zou ik 'ns gaarne met de Paul13 samenwerken.

Ik ontving de mappe van de Floris en moet u doen opmerken, Peter, dat ge geweldig hebt gefantaseerd. De letters van inleiding zijn niet groter als b.v. deze van la fin du monde van Cendrars. Ik voor mijn part vind het goed uitgegeven; het feit dat het zich om grote linoleumsnee's handelt maakt natuurlik de mappe een beetje moeilik behandelbaar; doch er is nooit overdrijving van proporties. Zelf vind ik persoonlik het een gelukkige Lösung hoe hij de kleinere en de grotere drukken in een mappe heeft samengebracht.

De Paul en de Floris komen voor 't ogenblik goed uit. Toen Emmeke daar was gedroeg, vertelt zij, de Flor zich een beetje als diktateur. De Flor kan voornamelik zijn indiv[id]uële wil als schilder niet van de algemene tendensen en algemene belangen scheiden. In België moeten de Flor, de Paul[,] de Oscar en enkele anderen misschien samenwerken om zich tegenover de door kloot de Ridder gelanceerde ‘meesters’ de Smet en Permeke (gij zult het plezier hebben dit in originaal te zien; ik zag slechts de foto's, merci zulle) door te zetten.

Op het koersveld Grunewald was Zondag grote Modeschau met alle filmactricen en mannequins. Op een foto in Die Dame staat Emmeke (spijtig de dos) naast de geliefde van den cellist en pittore del arte Floris Jespers Fiorenzio Jesperzio: Hella Moja. Deze foto waarop slechts Emm's

[p. 338]

silhouet te herkennen stuur ik den Floris om te laten zien dat wanneer hij komt hij misschien de gelegenheid zal hebben een deksken te dôn en tevens om aan te tonen in waffer chik gezelschap wij komen.

Laat spoedig van je horen. Proficiat.

 

Moet moet moet
Saluu vriende
Paul

 

Kom naar Halenmeer wanneer gij kunt

Beste Peter14! Proficiat! Ik hoop dat wij ons spoedig op dezen aardbol zullen treffen; allen met velen gelderen. Uw Mama had mij gevraagd bij haar modiste te gaan; ik had werkelijk de tijd niet wat me zeer spijt doet. Gelieve mij bij uw Mama te verontschuldigen. Vele groeten aan uwe goede Mama en een dikken kus voor Dick.15 je Emma

 

Drie dagen later schreef Van Ostaijen zijn volgende brief aan Peter Baeyens, waarin hij eerst nog even op het onderzoek betreffende De Antwerpsche Courant ingaat. Wie hij met ‘Mad. Camille’16 en de hem beschuldigende ‘Piron’ bedoelt, is echter onbekend.

Na een alinea over Het gevang in de hemel, welke groteske hij op dat moment juist aan het schrijven was, volgt lokaal nieuws over een tramavontuur bij de Gedächtniskirche en over zijn hospita, Fräulein Ziebeln. Vervolgens verzoekt hij zijn vriend hem ‘merkandijs’, d.w.z. cocaïne, in zijn brieven toe te sturen.

Na zich vervolgens beklaagd te hebben over de wispelturigheid van Floris Jespers, die het ene moment het gemeenschappelijke van de Antwerpse groep verdedigd wil zien, maar even later zich dan weer tegen zijn broer Oscar, dan weer tegen Paul Joostens en zelfs Fritz Stuckenberg keert, maakt Van Ostaijen een bescheiden gebruik van Baeyens' aanbod hem geldelijk te steunen, door hem enkele Franse boeken te vragen. Hij toont daarbij vooral belangstelling voor Philippe Soupault, die toen met André Breton en Louis Aragon de redactie van het tijdschrift Littérature vormde en, als de andere jongeren om Apollinaire, van het literair kubisme uit tot de Franse dadaïsten en later tot de surrealisten was gaan behoren. Behalve diens eerste bundel uit 1917, Aquarium, noemt hij het tezamen met Breton geschreven Les champs magnétiques, dat dan juist verschenen is en later door Breton in zijn Manifeste du surréalisme17 van 1924 le ‘premier ouvrage purement surréaliste’ genoemd wordt op grond van de daarin toegepaste ‘écriture automatique’.18 Van Ostaijens verdere wenslijst bevat twee uitgaven van Cendrars, twee van de vroeger door hem bewonderde Suarès, over wiens La nation contre la race hij in begin 1919 al aan Van Tichelen geschreven

[p. 339]

had en een van de naturalistische schrijver Léon Werth, van wie in 1919 zowel Clavel soldat als Clavel chez les majors verschenen was.

[Berlin-Halensee 18-8-20]

Beste Peter,

Een heel massa korrespondentie van je ontvangen, waaronder een brief de wederwarigheden na de invrijheidstelling vertellend. Mad. Camille schoonste glimlach, de schoonste glimlach van Mad. Camille vang ik hier in Halensee niet zonder ontroering op. Den Tom is nog altijd dezelfde optimistiese macaroni: berust mensgen in de rechtvaardigheidszin uwer rechteren. Hebben zij uitspraak gedaan, dan is daaren niets meer aan te dôn. Dit de zin van Tom's gôde godewoorden.

Ik vernam van Emmeke dat de heren Piron enz ondervraagd, alle schuld op P.v.O. hebben geworpen. Wordt gij als getuige opgeroepen dan hoop ik dat gij over mijn werkzaamheden de volle waarheid zult zeggen. In geval van amnistie tot een bepaald maximum kan dit van belang zijn.

Merkwaardig gij schrijft juist over de Bochenfilosofie betrekkelik de vrijen wil. Een filosofie die deze van alle mannen ‘qui les ont’ is, - de bochen zijn slechts zo dom geweest deze filosofie in boken neer te schrijven; - de anderen menen het zo, maar schrijven het niet de sluwaards (Kard. Mercier). Over dit schreef ik juist een groteske waarvan ik u binnenkort kopij zal sturen. Precies hetzelfde. Echter inductief (bij u deduktief). Deze groteske verhaalt van eenen man die 20 jaar in het gevang heeft doorgebracht. Bevrijd weet hij niet wat hem ontbreekt. Het is de goede tijd van het prison. 's Morgens wil hij niet aan zijn wandeling rond het hofje verzaken. - Hij kiest zich een kamer met brits en getralied venster. Spaart om zich kluisters en ketenen te kunnen kopen enz. - De Papen en filosofen horen van dit geval. - Hij wordt op foor en univers[it]eiten getoond als bewijs voor de innerlike vrije wil. De intelligiebele ‘Freiheit’, de zedelike vrijheid, hoger te schatten als alle aardse gôd. Ik hoop morgen klaar te zijn, overmorgen te tippen [typen]. -

Volgende avontuur in de tram: aan de Bleibtreustr. vraagt een fatsoenlike vrouw mij: ist es hier Küstrinerstr. - Ik: noch lange nicht. - Volgende Haltestellen zelfde gesprek. Zij wil voortdurend uit de trem hollen, ik weerhoudt [houd] ze slechts met moeite. Aan de Küstrinerstr. zeg ik: nu uitstappen. Daarop zij: Das ist hier aber Leibnizstr. ich bin zu weit gefahren (merkwaardige topografiese opvatting, aangezien de Leibnizstr. van de G kerk uit voor de Küstrinerstr. ligt.) Daarop probeer ik nog eens en wijs zelf de Küstrinerstr. Ietwat bars zeg ik: [‘]oder wünschen Sie etwa dass ich Sie bis zur Tür bringen[bringe]?’ - Zij (geaffronteerd) Mit wem glauben Sie zu tun zu haben. - Ik (plots als een lichtvonk overtrokken):

[p. 340]

mit eine[r] dumme[n] Gans! - Goedkeuring van de heren -

Fraul. Ziebeln is nog altijd zo hysteriek als voorheen. Zij heeft een zwaren slag op de verdommenis gehad. Stel u voor bij één-hoog (Tauch) wordt ingebroken en voor hoge gelderen gestolen (gerobberd, schrijven de Antwerpse pittige stadsnieuws-schrijvers). Men vindt van Fraul. Ziebeln een boterham met marmelade. Juist het is haar marmelade. De vroeger zo bevriende mensen klagen haar aan. Ook de portiersvrouw zegt: zij en niemand anders. Men vergeet echter dat zij 's avonds, na de misdaad, in dit appartement was, komende van buiten en toen haar boterham vergat. De Meister-detektive komt niet op dit gedacht. Tot eindelik Fraul. Ziebeln zelf verklaart: o nu gaat er mij een licht op. - Het licht dissipe les ténèbres. Maar Fraul. Ziebeln is meer dan knock-out daardoren geslagen dat zulke fijne mijnheer (gebildeter Herr) een ogenblik van haar heeft kunnen veronderstellen zij zou een gemene dievegge zijn. De portiersvrouw dat telt niet mee, das ist eben eine ungebildete Frau!

Dit nieuws uit Halenmeer.

Deze boef van Piron die alle schuld op mij steekt. Maar hij magt er van verzekerd zijn, hij zal daarvoren worden betoïld. Ik benijd uwe merkandijs. Kunt gij niet onder omslag en tussen brief wat opsturen, zonder adres van u te vermelden, op een onopvallende manier. Dat zou een schoïne verrasginge zijn. -

De Floris heeft nu weer een aanval [twee woorden onleesbaar] op Oskar gericht, omdat ik in een brief aan Oskar schreef Floris gedroeg zich brutaal tegenover Paul (vertelde E.), hij moest daar orde houen. De Flor zegt nu: Oskar is de zijker die alle man tegenspreekt enz. 's Morgens ontvang [ik] van den Floris een brief: ik moet de algemene strekkingen van allen in een artiekel verdedigen. - 's Namiddags: Paul, nu hebt gij de keus tussen mij of Oskar + uwen (lekkeren!) Stuckenberg van ginder achter. En zo voort. De Flor bataljeert gewonnen verloren dan tegen Paul, dan tegen Oscar. Ik word er een beetje door ‘erledigt’. Zó af van al die voortdurende tegenstrijdigheden.

Beste Peter in een brief schreeft ge mij over mecenaat. Dat is heel schoïn, en kunnen vooralsnog gerust tot na een groot zakesukses van u, uitstellen. Ik zou u echter willen vragen of het u mogelik is een paar franse boeken op te sturen. De twee volgende zou ik graag hebben

1 Philippe Soupault: Aquarium

2 Philippe Soupault: et André Breton: Les Champs Magnétiques

Paris edit. au Sans-Pareil.

Wanneer je dan nog al naar gelegenheid je ze in een boekwinkel vindt of naar mogelikheid, tussen volgende wou kiezen:

Cendrars: Anthologie nègre, ed. de la Sirène; L'Eubage: Nouv. Revue Franc[ç]aise; - André Suarès: Nous et eux; la nation contre la race; Leon Werth: Clavel. - Doe wat ge kunt, ook een frans bôkje dôt mijn

[p. 341]

hartstochtelaaik genôgen (J.v. Extergem19 taal.)

 

't Beste
je Paul

met de beste groeten van Em.

 

Nadat Van Ostaijen op 6 augustus De Bock had meegedeeld dat hij uitgenodigd was om aan Het Roode Zeil mee te werken en hierop een kort, niet begrijpend antwoord had ontvangen, zette hij, op dezelfde dag waarop hij voorgaande brief schreef, zijn standpunt tegenover de tijdschriften Ruimte en Het Roode Zeil duidelijk uiteen. Hij achtte deze uiteenzetting ook voor zijn Antwerpse vrienden van belang, zodat hij voor hen een afschrift met weglating van de slotalinea maakte, welk afschrift eveneens bewaard is gebleven.

In het dubbelmunmer 6-7 van Ruimte, dat hem vòòr 6 augustus door De Bock werd toegestuurd, was, naast twee illustraties van Jos. Léonard, een linoleumsnede van J. Verdegem opgenomen. En van Victor Brunclair bevatte dit nummer de gedichten T.S.F. en De vliegenier.

Het Roode Zeil had in een drietal afleveringen portretten van redactieleden opgenomen, waarvan er twee (van Karel van de Woestijne in nr. 120 en van André de Ridder in nr. 5) door Ramah waren getekend en één (Johan Meylander, ps. van P.G. van Hecke, in nr. 2-3) door Léon de Smet. Van ‘de Florentijn’ Karel van de Woestijne werden in de eerste twee afleveringen verzen uit De modderen man geplaatst en in nr. 6-7 een prozabijdrage Paidia. Firmin van Hecke publiceerde verzen in de nummers 1 en 5 en van Gaston Burssens werden in nr. 5 het gedicht Nieuwjaar in de sel en in de laatste aflevering nog twee verzen opgenomen.

Van de twee bezwaren die Van Ostaijen tegen Het Roode Zeil koesterde, was het eerste dat het tijdschrift ook anti-flamingantische medewerkers had. Als voorbeeld hiervan noemt hij in zijn brief F.V. Toussaint van Boelaere en Leo van Goethem. Zijn bezwaren tegen laatstgenoemde figuur golden vooral diens houding tijdens de oorlog en niet zozeer zijn bijdragen aan Het Roode Zeil, want Van Goethem21 droeg alleen verzen bij, nl. Rendez-vous in nr. 4 en nog een drietal in nr. 5, die echter niet anti-flamingantisch zijn, al is het eerste gedicht wel doorspekt met Franse woorden. Naar aanleiding van het artikel Een terugblik van Paul Kenis in nr. 2-3, waarin deze zijn teleurstelling uitte over de latere houding van August Vermeylen na diens Kritiek der Vlaamsche beweging, hadden echter Gabriël Opdebeek en Toussaint van Boelaere verontwaardigde brieven in het vierde nummer gepubliceerd, die Vermeylen in bescherming namen en waarin Opdebeek o.a. opmerkt: ‘Er zijn er enkelen in Vlaanderen, die het aan Vermeylen niet vergeven kunnen dat hij zich niet in de dwaze avonturen van het extremistisch flamingantisme heeft ge-

[p. 342]

worpen.’ Opdebeek had in nr. 2-3 ook reeds een lofzang op de verfijnde Franse cultuur tegenover de Vlaamse boersheid aangeheven in zijn artikel Over ‘Feuillets d'art’, Vlaamsche beweging, Latijnsche beschaving en nog wat, met uitlatingen als: ‘‘Tout homme a deux patries, la sienne et puis la France’. Geen franskiljon zou het met meer enthousiasme dan wij kunnen belijden.’ En in nr. 5 had hij naar aanleiding van een anoniem verschenen toneelstuk de spot met het onbeholpen flamingantisme daarin gedreven, onder de titel Een tooneelspel voor Vlaanderen.

In de aflevering van 15 augustus, nr. 6-7, die Van Ostaijen tijdens het schrijven van zijn brief nog niet onder ogen gehad zal hebben, protesteerden Kenis en Burssens door middel van ingezonden brieven eveneens tegen deze uitingen. De eerste verdedigde zich tegen de aanvallen die Toussaint van Boelaere en Opdebeek op zijn uitspraken over Vermeylen hadden gelanceerd en de tweede viel Opdebeek aan over diens Een tooneelspel voor Vlaanderen. Onder de medewerkers aan Het Roode Zeil had Van Ostaijen dus ook twee medestanders.

Een tweede bezwaar van Van Ostaijen tegen Het Roode Zeil was het naar voren schuiven van De Smet en Permeke in dit blad als de expressionistische schilders van Vlaanderen. Want behalve de reeds genoemde prijzende woorden van André de Ridder over Gustaaf de Smet in nr. 2-3, schreef ook Johan Meylander (P.G. van Hecke) in nr. 5 een ‘kantteekening’, Gustave de Smet, Constant Permeke en de jongste Brusselsche schilders, waarin beide schilders ‘de eerste groote Belgische expressionisten’ genoemd worden.

Tijdens het schrijven van Ekspressionisme in Vlaanderen in 1918 kende Van Ostaijen het nieuwe werk van deze schilders, die gedurende de oorlog resp. in Nederland en Engeland verbleven, nog niet, zodat ze in dit opstel ook nog niet behandeld werden.22 En uit zijn brief van 15 augustus 1920 aan Baeyens bleek reeds dat hij tot dan toe van hun werk ‘slechts de foto's’ zag, wat hem het weinig enthousiaste ‘merci zulle’ ontlokte. En ook in de hier volgende brief is hij van oordeel dat De Smet en Permeke ‘voor zover ik zag tweederangs kunstenaars’ zijn.

[Berlin-Halensee 18.8 20]

Waarde de Bock,

Uw kort briefje maakt het mij duidelik dat er tussen ons beiden grote misverstanden in het spel zijn. Spijts gij u betreffende uw standpunt niet duidelik tegenover mij hebt uitgesproken, zódat het mij moeilik valt op uw korte verklaring dat gij mij niet begrijpt te antwoorden, zal ik nochtans beproeven klare wijn te schenken.

Gij hebt beproefd rond ‘Ruimte’ de jongeren, meest expressionisten, te scharen. Dit is u voorlopig niet gelukt en niemand denkt daaraan u

[p. 343]

daarvan een verwijt te maken. Oscar Jespers weigerde mee te maken omdat hij betwijfelde dat in R. het koren van het kaf zou worden gescheiden. De tans verschenen, - zelfs niet eens impressionistiese maar zuiver akademiese, - houtsnee van Veerdegem[Verdegem, passim] bewijst dat hij niet gans ongelijk had. Deze houtsnee is hoogstens in ‘Dietse Warande en Belfort’ op haar plaats. Het is u dus niet gelukt 1o om weigering vanwege enkele kunstenaars 2o omdat waarschijnlik niet toereikend jongere mensen voorhanden om een werkelik modern tijdschrift recht te houden. Redenen buiten uw goede wil.

Het wordt mij echter duidelik dat gij van het a-priori standpunt uitgaat dat ik me dichter naast ‘Ruimte’ als wel naast het R. Zeil zou moeten voelen. Ik zelf begrijp niet waarom. Ik vind Ruimte niet jonger of niet beter als het R. Zeil. Persoonlik voel ik me zelfs meer solidair met literaten als v.d. Woestijne, v. Hecke dan wel met Brunclair. Ik zie geen enkele doorslaande reden waarom ik me met ‘Ruimte’ meer solidair moet voelen. Van het ogenblik af dat ik aan Ruimte meewerk, kan ik ook aan het R.Z. meewerken. Ik leg er dus de nadruk op: van mijn zijde liever de Florentijn dan Brunclair. De voordelen aan het R.Z. verbonden zijn: het R.Z. is het tijdschrift der goeden en der slechten van de vorige generatie.

Zij wensen hun tijdschrift open te zetten voor jongeren en ik vind het zeer betekenend voor de smaak van de redactie dat zij tot hiertoe Burssens nam en niet Brunclair. Het is goed - verzorgd - uitgegeven. Grafies brengt het impressionistiese tekeningen van Ramah, mij persoonlik liever als het zelfs in houtsnee overdragen van schilderkunstig akademies clairobscur (Veerdegem). Bezie deze Veerdegem. Zoals in elke akademie geleerd wordt bij middel van hel-donker het volumen der lichamen uit-te drukken. Maar het uiterste van akademisme is wel dit door wit-en-zwart gerealizeerd-zijn van deze hel-donker-volumen-interpretering.

Mijn orthodoksie zou slechts inkonsekwent zijn wanneer ik mij meer nabij Ruimte en vooral de medewerkers van Ruimte deelnemers aan het kongres voelde als nabij het R.Z. - Doch dit is een a-priori-stelling van u, die ik tans heb ontdekt en dus kan ontkennen.

Nu ik werk niet mee aan het Roode Z. 1e) om redenen van niet estetiesen aard, namelik flaminganties: Toussaint en v. Goethem. - Ten 2e omdat ik de tam-tam rond zo zwakke kunstenaars als de Sm. en Permeke door het R.Z. gemaakt, akelig vind. Vooral als oppositie dus tegen A. de Ridder. De Sm. en Perm. zijn (voor zover ik zag) tweederangs kunstenaars. Zódra het Rode Zeil voor Jespers en Joostens zo zal optreden als het tans voor P.-de Sm. is er mee te spreken.

[p. 344]

Ten minste, hoop ik, is nu de orthodoksie verklaard. En misschien zegt gij ook 'ns uw standpunt, dat ik nu raden moet.

 

Met beste groeten uw dwe
Paul v. Ostaijen

 

Uit Van Ostaijens brief van 20 augustus aan Peter Baeyens spreekt eenzelfde grote belangstelling voor aankondigingen, reclames, advertenties en kranteberichten als uit sommige gedeelten van Bezette stad: meer dan de helft van deze brief bestaat nl. uit commentaren op dit soort teksten.

Bij zijn anekdote over de reclame voor de Zeitung des Westens merkt hij op dat ook in Berlijn de mentaliteit ‘der G.v.A. en Rip’ voorkomt, daarmee doelend op de toen streng-katholieke Gazet van Antwerpen en de hoofdredacteur van het Antwerpse liberale dagblad De Nieuwe Gazet, August H.A. Monet, die zich van het pseudoniem Rip bediende. Het uitvoerigst zijn de kanttekeningen bij de aankondiging van een poëtisch concours in het te Antwerpen verschijnend Franstalig tijdschrift van jonge letterkundigen en grafici, Lumière, dat van augustus 1919 tot februari 1923 is verschenen.23 De aankondiging werd voor het eerst opgenomen in het nummer van augustus 1920, in welk eerste nummer van de tweede jaargang ook de Ruimtecirculaire was gevoegd en een lino van Jozef Peeters op het omslag stond afgedrukt.

Verschillende houtsnijders die aan dit blad meewerkten, waren aan de Antwerpse academie opgeleid door de terloops genoemde graveur Edward Pellens.

Als Van Ostaijen, via het onderwerp ‘de roem’, over Hans Blüher komt te spreken, blijkt er van zijn vroegere waardering voor deze leider en theoreticus van de Wandervogelbeweging weinig te zijn overgebleven.

Bij zijn overgang naar het persoonlijke nieuws in zijn brief maakt hij nog even een toespeling op zijn Bulla van een maand vroeger, waarin ‘Paulus Angelica’ Joostens uit de Heilige Kubistiese en Flamingantiese Kerk werd gestoten en looft hij ‘den heere Mercandi’ naar aanleiding van de hem door Baeyens gestuurde cocaïne.

Uit de alinea over de toezending van Franse boeken blijkt dat op dat moment van Cocteau alleen de dichtbundel l'Ode à Picasso (1919) en van Apollinaire alleen de pas verschenen prozabundel La femme assise, ‘moeurs et merveilles du temps’, (1920), in zijn bezit waren. Hij is dankbaar voor de ontvangst van Cocteau's Le coq et l'arlequin, ‘notes autour de la musique’, (1918), waar hij in zijn vorige brief niet om gevraagd had en voegt hieraan toe: ‘Gaarne had ik: Calligrammes van Apollinaire.’

Of hij, als hij daarna over Baeyens' postzegelverzameling schrijft, met ‘mijn amateur’ een onbemiddelde kennis, die gebruikte Belgische postzegels van

[p. 345]

hem kreeg, of, ironiserend, zichzelf bedoelt, is niet geheel duidelijk. In ieder geval verzamelde, althans bewaarde, Van Ostaijen ook in Berlijn nog postzegels naar Emmeke zich herinnert.

Vervolgens brengt hij het reeds op de bladzijden 314,317 en 321 vermelde verslag uit omtrent zijn vorderingen en plannen met Bezette stad. In overeenstemming met het bewaard gebleven handschrift van deze bundel, waarin alleen van Opdracht, Bedreigde stad, Eenzame stad en Holle haven typoscripten op de achterzijden der gebruikte bladen voorkomen, deelt hij mee na 15 augustus zijn gedichten niet meer te hebben getikt, maar ze met de hand in de gewenste typografische vorm te hebben uitgeschreven om ze zetklaar mee te kunnen geven aan Oscar Jespers, die hij op 22 augustus in Berlijn verwachtte, welk bezoek echter werd uitgesteld en op zijn vroegst half september heeft plaats gevonden.

Zijn laatste verslag betreft het gesprek met Paul Westheim over moderne Franse uitgaven en over het werk van zijn Antwerpse vrienden, waar hij hem zonder veel succes reprodukties van toonde. Wilhelm Lehmbruck, aan wie Westheim boven Oscar Jespers de voorkeur gaf, was een in Dusseldorp opgeleide beeldhouwer, die ook een aantal litho's en schilderijen heeft gemaakt en wiens klassiek aandoende, verstilde en à la Modigliani gerekte beelden grotendeels in het stedelijk museum van Duisburg worden bewaard. Hij maakte ook portretten, o.a. een litho van Theodor Däubler en een buste van Fritz von Unruh. De door Westheim verdedigde schilders Max Pechstein en Erich Heckel, die tot de in 1905 te Dresden opgerichte groep Die Brücke behoorden, bleef Van Ostaijen ook later als ‘romantische expressionisten’ en aanvankelijk slechts als Duitse tegenhangers van de Franse ‘fauves’, verwerpen.24 Het is mogelijk dat Van Ostaijen bij dit gesprek Westheim heeft voorgesteld een artikel over Joostens en de gebroeders Jespers voor Das Kunstblatt te schrijven. Met een studie over Campendonk, waar in deze brief nog niet over geschreven wordt, had hij het volgend jaar meer succes bij Westheim.

Aan het slot van deze brief, als hij zijn jongere vriend kwasi-vaderlijk over diens amoureuze avonturen onderhoudt, vervalt hij weer in zijn rol van de Paus van Halensee.

[Berlin-Halensee 20-8-20]

Ο Πετρος φιλος,

Vele brieven ende schoïne lichtdrukkaarten uit de stad van den Hertog Jan I, onze groten vlaamsen liedjeszanger, ontvangen (Brosselen, Broexel wat betekent moeras ofte morast).

In de étalage van een oudhandelaar mijner straat, een lei als waarop vermeld wat speciaal dient aanbevolen Bidet Dit schild te midden dezer

[p. 346]

rommel was zeer schoïn voor te zien.

Verder een reklame voor een dagblad: Zeitung des Westens met de volgende aanbeveling:

Zeitung des Westens? ‘Die Einwohner des Westens haben ganz andere Interesse zu verteidigen als die des Zentrums oder des Ostens (je ziet van het gemene Noorden maken deze fijne westerlingen niet eens gewag).
   
Dahlem Steglitz Wilmersdorf
Grunewald x! Halensee Westend
Charlottenburg Friedenau
 

Diese Interesse zu verteidigen ist das Ziel der Berliner Zeitung des Westens. Darum abonniere sich jeder auf: die Zeitung des Westens.[’] Zoals gij ziet leeft ook de mentaliteit der G.v.A. en Rip in deze stad opgebouwd op de zandige oevers der Spree (verwa[n]t met het woord spriet, wis en zeker). Maar het schoïnste: tussen de woorden Grunewald en Halensee x heeft iemand met potlood geschreven: [‘]eichkamp!!!

Warum ist eichkamp vergessen? Soll dies ein Boycott gegen Eichkamp bedeuten? Oder zählen die Bewohner von Eichkamp nicht mit??

was soll das Heissen???’

De Eichkampenaars laten zich, zoals gij zelf hebt komen te lezen, den kaars [kaas] niet van hun brood halen. En de Z.d.W. kan zich dus reeds op energiese vijanden voorbereiden. Eichkamp vooruit is mijn leus!

In de nabijheid van Halle aan de Saale verdienen zekere arbeiders vele gelderen. Wat zeer schoïn. Nu zijn die mensen volledige den kluts daardoren kwijt geraakt. Mijn Goood[.] Wat zullen wij met deze gelderen dôn! Zij hebben zich allen, als op militair kommando, eenen hogen hôd gekocht, een schoïn kleedingstuk voorwaar, en tijgen daarmede ter arbeid om 7 uur 's morgens! Twee duizend hoge hoden marsjeren stram de fabriek binnen! (Dit is niet vals te verstaan: als metropole argument tegen loonbeweging, versta-mij-wel a.u.b. als ik er u om bidden magt!) Simple anecdote.

De literatuur in Belgenland gaat met reuzeschreden vooruit. Groite prijskampen worden uitgeschreven. Denk daaroveren eens gôd na. Gij hebt bijaldien gij den stapt waagt niet meer te kampen zoals gedaan hebben den Pittore25, Angelica26 en ik zelven. Hier volgt een Prijskamp uitschrijven

  [Tekening met tekst:]
concours Prent het U dus Gôd in het Hoofd!
La revue ‘lumière’ a décidé l'organisation de plusieurs concours. Hier -
Le premier est consacré aux Vijf jaren leed ik aan hevige hartskwalen toen op een zekeren

[p. 347]

poètes. Il est ouvert dès maintenant, et sera clos le 30 novembre prochain. dagt mijn oog viel op een luttel doosjen Standaert pastilles.
Les manuscrits présentés au concours ne peuvent pas dépasser la valeur de 600 lignes typographiques. Van dien dag af... aldus schrijft M.F. Pittore Kunstschilder te Antwerpen aan de Schelde. -
Tous les sujets, tous les genres sont admis. Gij ziet: veel môt men niet dôn om den schoinen prijs te winnen
La seule condition requise est que les manuscrits présentés soient écris en vers. 1) een abonnement op het tijdschrift lumière (men hôft het zelfs daarvoren niet te lezen)
La revue ‘lumière’ éditera à ses frais l'ouvrage primé. Il sera orné de gravures sur bois. 2) vijffranken bedragt uit den tesg halen wat niet heel veel in dezen duren tijd
Le jury se compose de trois membres:
m. edouard dujardin
m
11e renée dunan
m. roger avermaete.
Pour pouvoir participer il faut:
a) être abonné à la revue;
b) verser un droit de participation de fr. 5.-. Le concurrent recevra en retour un expl. de l'ouvrage édité.
3) een schoin stuk poezij schrijven en het naar den jurij opsturen.
Maar wat al voordelen daarentegenover, mijn Good!!
Bijaldien men het geluk heeft den Prijs te winnen of te gewinnen, profijteert men:
1) dat men zijn werk zowaar gedrukt zal kunnen aanschouwen en de vrienden en kennis[sen] tonen, tot spijt van wie het benijdt, en van de zonen der verwanten en der gebueren die het zover niet gebracht hebben!

2) Mijn good dit bôksken wordt zowaar uitgegeven versierd ofte opgelugt (verlugt mene ik) met houtsneden gewis van een kundigen-meester graveerder (school Pellens)

3) Steeds straffer (niet krasser!) men bekomt zowaar éen ex. gedrukt van zijn werk, zodat men het altijd genieten kan. Men kan het in zijn bokerij zetten ‘oftewel’ (Floris) het de geliefde des herten verschenken. Den facteur brengt dit bôksken naar huis en inplaats van schande onder dit dakt te brengen, brengt hij daarin eer in den vorm van een gedrukt boksken van den zoon! Geeft men het zijne geliefde dan drukt deze eenen fermen kus als beloning op de wangen des dichters, die even rood worden niet minder van innig geluk doorgloeid als van zedige schaamte. Dan zal zij zeggen: nu mijn goede Piet wil ik met u tot vorens den priester en den schepene tijgen om onze innige liefde door het sakrament des huwelijks alsook door den vertegenwoordiger der

[p. 348]



illustratie
Fragment uit Van Ostaijens brief aan Peter Baeyens van 20 augustus 1920.

burgerlijke orde tot een huwelijk bezegelen te laten. En als den schepenen mij vragen zal: Anna wilt gij dezen man vorens egtgenoot dan zal ik, misschien wel met een door de aandoening verzwakte stem, edoch vastberaden antwoorden: Ja, mijnheer den schepenen, met dezen man wil ik des levens liefde en leed, wel en wee komen te delen! En gij zult het zien (ziedewell) den schepenen zal ons goedig toelaggen en ons moôd geven de harde dichtersloopbaan (hardlopersbedrijf) samen te bestijgen.

Dit alles staat den winner van dezen schoïnen prijskamp te wachten.

Almeteen is hij een berômd man. Heeft alles wat hij wil.

Over Roôm nogt het volgende. De heer Hans Blüher heeft een nieuw boksken uitgegeven waarin het volgende vermeld: ‘De filosofie van Schopenhauer, het pessimisme gaat niet op. Want het beste bewijs: Vrouwen heb ik genoeg gehad, vrienden had ik met de vleet en als het tijdpunt daar was, is ook de roem gekomen. Dus heeft het pessimisme van Sch. geen zin.’ Dat is de grote duitsgen filosoof Blüher als waarvoren de Deutsge Jugend schwärmt. Laat ons het openhertig bekennen: het ist verdiend.

Het wordt ook altemets tijd dat den Paulus Angelica ons taaltjen begint te snappen. Zo is 't er misschien weer plaats voor hem in den schood[t] onzer Kerke. Verder allen loft voor den heere Mercandi!! Om dezen man te loven ist mijne pen niet fijn genogt en mijn hert loopt sneller

[p. 349]

als mijne pen volgen kan. En nu zie ik hoe zwakt den meinsg is dat hij zijn gevoelens niet uitdrukken kan naar den zin van zijn hert.

Gij schrijft mij dat gij mij nog bokskes uit de stad aan de beide oeveren der Seine sturen wilt. Dat is een schoin gedagt. En ik wrijf al in mijne handen bij de gedagten daaraan alsdat der Briefträger spôdig daarmede zal komen op te dagen gelijk eene zon des morgens aan de kim, als wanneer zij de duisternisgen der nacht verdrijft.

‘L'eubage’ en niet ‘l'eutage’ is van Cendrars en niet Soupault. Misschien is't het dus't niet juist dat het niet meren bestaat. - Van Cocteau bezit ik enkel: ‘l'ode et [à] Picasso’, - en nu ontving ik van je ‘Le Coq et l'Arlequin’, waarvorens dan almeteen mijn harteliken dank. (over het boksken schrijf ik later). De andere werken van Cocteau bezit ik niet. Van Apollinaire heb ik enkel: La Femme assise. Gaarne had ik: Calligrammes van Apollinaire. - Nu postzegels. Mijn amateur ist mijn Good eenen arme man die als enkel verzameld[t] van den krijg, niet van den koop. Maar wilt ge de postzegels opsturen, ik ga wel eens in een magazijn. Een kollektie van 700 postzegels is op zich-zelf moeilik te verkopen, wanneer er niet bizondere zegels bij zijn. Dus ziet eens zelf na ofter ‘rare’ bij zijn; zo niet zijn 700 postzegels (jongelingekollektie) niet aan den man te brengen. In het andere geval verdien ik zelf natuurlik met veel vergenogen de procentgelderen. -

‘Bezette Stad’ werd ‘verrijkt’ met volgende gedichten: Verlaten Forten, Stad stilleven, Nomenklatuur van verlaten dingen, de obus over de stad, De Zirkus van de h. Geest, Asta Nielsen, Banale Dans, huis stad ik, Sous les ponts de Paris, goed nieuws. -

Al deze gedichten heb ik niet meer getipt maar zo goed het gaat het model in handschrift geschreven. Oscar Jespers komt op 22 dezer naar Berlijn en zal dan deze dingen mede nemen. Te maken is nog: de triestigheid vijf-uur-'s morgens, het ontwaken van de bezette Stad (± 1916), innerlike leven, Folies-Bars (Ave Maria + tranen Maman: que c'est jolie), verlaten kino (cinema met piano ‘mais le plus joli rêve[’]), de aftocht (Liebknecht!), Soldaat van Bapaume. - Dit ongeveer alles, geeft, hoop ik, een voorstelling van alles wat is ‘Bezette Stad’. Het zal dus een groot stukt worden. Noteer: de laatste gedichten zijn niet zo groot als opdracht of bedreigde stad. Asta Nielsen is het langste van deze nieuwe. ‘Sous les ponts de Paris’, van dit gedicht ben ik nog niet zeker of het blijven zal of het aftrappen môt. Het is een half misties gedicht, handelt over Kristos. Toch ligt er weer veel bezette stad in en daarom weet ik niet wat ik dôn moet.

A propos de Duitsgers zijn absoluut niet begeistert voor de nieuwe fransge bôken (enkele artisten buiten spraak gelaten). De heer Paul Westheim, directeur van das Kunstblatt, was bij mij. Ik toonde hem:

[p. 350]

Cocteau, Cendrars en ook die kleine boekjes van de Sans-Pareil uitgave (zonder pretentie). Dat verstaan de Duitsgers niet dat een boek zonder pretentie, vuil, slecht gebonden kan uitzien en toch charme hebben, en juist om dit ‘niettegenstaande’ zoveel charme. (immanente charme = rasattribuut). Den Duitsger Westheim zegt: wij geven toch veel beter uit, wij laten niet zo de naam van de schrijver in de logt herumspazieren en 2 cent. verder den tijtel. Wij rukken dat alles dicht bij melkaar en laat [laten] dan een groot open vlak en onderaan de uitgever. Ik: [‘]ja schablone dat heb ik in mijnen zakt. Als gij meent dat dat zo straft ist dan hebt gij het mist.’ - ‘Unsere Bücher sind gediegener [’] (Gediegen is het grote woord waarmede den Boche al de rest plat slaagt. ‘Gôd gebonden’, blauw couverture, groen Vorsatzpapier, dekoratief je kent dat, hoop ik, ofte môt ik somtemets nog verder het Duitsge bôk beschrijven?) Ook was de heer Westheim niet begeistert voor de productie van Fiorenzio (chaoties), Paul Joostens (zu trocken, nicht ‘gemütlich[’]) en van Oscar (nicht so schön wie Lehmbruck). Daarop volgde natuurlik een zeer venijgin[nig] gesprek, ik compareerde voortdurend met de Duitsgers die hij in het Kunstblatt verdedigd[t] (de slechte verd. hij namelik, Pechstein, Heckel enz.) Waarop hij zegde: ja ik geef gaarne toe vreemdelingen kunnen onze diep mensgelijke kunst niet snappen. Hij vroeg ook: Deze mannen zijn alle wel nog zeer jong? Waarop ik ‘integendeel’ antwoordde. Enz. Enz. In alle geval zulke dingen komen niet [in] het Kunstblatt, als wanneer de heer W. meent dat zelfs het fr. kubisme toch maar atelierexperiment is. (nicht gemütlich).

 

Mijn waarde zoon, waarlijk ik sta stom! Zeker heeft den boze van uwe ziel bezit genomen en alsdan u in opstand gebracht tegen de vermanende stem van uwen vader, die uw losbandig gedragt niet goedkeurde.

Waarlijk gij doet mij veel verdriet aan. Luister togt naar mijne stem en laat deze liederlijke vrouwen als waarvoren zij goed zijn. (Gij zult misschien antwoorden: dat dô ik juistement, maar geloof me, dit is de welriekende stem van den booze) Sla mijn wenken niet in de logt. Denkt daarop loontjen komt om zijn boontjen. Hoe is mijn vaderlijk hert verlicht te weten dat deze wulpse vrouw naar Venetien is't vertrokken! Daarvorens steek ik zowaar een kaarsken aan. Gelooft mij, zij zal daarvoren gestraft worden u van het pad der deugd te hebben getempteerd. Ja, voorwaar, al moest ik, uwen vader, barrevoets naar Venetien gaan, om deze wulpsge en hoverspeelge vrouw te kastijden!

 

Salve!
Paulus I.

[p. 351]

Eugène de Bock had op Van Ostaijens uiteenzetting van 18 augustus per kerende post gereageerd. Floris Jespers, waarvan hij meedeelt dat deze ‘voortaan wél meedoen’ zal aan Ruimte, zou echter slechts éénmaal een tekening, Meisje, afstaan, die in het eerstvolgend nummer opgenomen werd.27

Aan de namen van onaanvaardbare Roode-Zeilmedewerkers die Van Ostaijen genoemd had, Toussaint en Van Goethem, voegt De Bock die van Opdebeek en Meylander toe. Deze laatste had in de eerste drie nummers van Het Roode Zeil een verdediging van het decadentisme, dandyisme en individualisme gepubliceerd onder de titel Fashion, met als ondertitels Pleidooi, Decadentie en Ondeugd.28 Dit essay, dat een duidelijk stempel op Het Roode Zeil drukte, ging in vele opzichten recht tegen de opvattingen van de humanitaire idealisten van Ruimte in. Het laatste nummer van Ruimte's eerste jaargang opende dan ook met een artikel Een dekadent Vlaanderen? door Herman Vos, dat, zonder Fashion met name te vermelden, een duidelijke reactie hierop - en op dit facet van Het Roode Zeil in 't algemeen - was. Vos eindigde zijn artikel met de uitroep: ‘O, mijn Vlaamse broeders, glorieuse kunstenaars die dit land wilt schoner maken, niet een dekadente kultuur, maar veeleer een nieuw sociaal Messianisme is de rijke ongevonden Schat die waard is dat gij hem begeert!’

De mededelingen in de laatste alinea van De Bock's brief hebben betrekking op de opvolging aan de Gentse universiteit van de op 31 maart 1920 overleden historicus en gematigde liberale flamingant Paul Fredericq. Fredericq, die onder meer de Schets eener geschiedenis der Vlaamsche beweging (3 delen, 1906-1909) publiceerde, was van 1879 tot 1883 hoogleraar te Luik en daarna te Gent, waar hij zowel in geschiedenis als Germaanse letteren college gaf. Tijdens de bezetting werd hij door de Duitsers wegens zijn verzet tegen de vernederlandsing van de Gentse universiteit, waar hij als tegenstander van het aktivisme de tijd niet rijp voor achtte, gedeporteerd.

De kunsthistoricus Leo van Puyvelde werd in 1921 hoogleraar in de kunstgeschiedenis te Gent, wat hij tot 1926 is gebleven, waarna hij van 1927 tot 1952 aan de universiteit van Luik ging doceren. Van de Woestijne werd tot Gents hoogleraar in de Nederlandse literatuurgeschiedenis benoemd, welke post hij van 1921 tot zijn dood in 1929 bekleedde.

[Antwerpen, 20-8-1920]

Waarde van Ostaijen,

Ons misverstand blijkt grotendeels opgelost door uw mededeling, dat ge wegens flamingantisme aan h.r.z. niet kunt meewerken. Ik weet niet of ge alle nummers van h.r.z. kent, maar behalve op flaminganties gebied zit er veel ander reactionnairs in, dat mij altans niet gaat. Dat de houtsnee

[p. 352]

van Verdegem tegenviel beken ik volmondig. Hij had er een beloofd die goed was maar niet op tijd geheel klaar kwam. Wat nu verscheen had ik kunnen en moeten weigeren*. Punctum.

Overigens meen ik dat Ruimte er wél begint in te slagen, de Vlaamse jongeren rond zich te scharen, al werkt Oscar Jespers (alle eerbied voor zijn kunst) niet mee. Flor zal voortaan wél meedoen.

Toussaint en van Goethem... maar ‘fashion’ van Meylander en de superioriteit van Gabriël Opdebeeck?...

Ik meen ‘mijn standpunt’ zo te kunnen omschrijven:

Geen tijdschrift in Vlaanderen in deze tijd te rechtvaardigen dat niet uitgesproken Vlaamsgezind en sociaal is. De kunst niet meer alleen om erotiek bekommerd. Onze Vlaamse omgeving moeten we trachten tot bezinning en begriphelderheid te brengen; daarom hecht ik zoveel belang aan de aantekeningen. Valt veel in het tijdschrift wat mager uit, - het licht [ligt] voor een zeer groot deel in uw macht om daarin te verhelpen. Ge weet dat van de Woestijne ten slotte, samen met van Puyvelde, Fredericq zal opvolgen te Gent? Hij heeft het postje vóor Vermeylen's neus weggekaapt29. Vandaar: scheuring. Er lag een prospektus gereed van een nieuw ts: Vermeylen-v.d.W.-Teirlinck: De Stem. Nu wordt het alleen v.d.W.-T. Wanneer het ts. zal klaar zijn staat nog niet vast30. Het wil ‘al de jongeren rond zich groeperen en leiden.’

 

Met beste groeten,
De Bock

 

* Het gebeurde niet om allerlei redenen: wachten van de drukker enz. - zeker een fout.

 

In april 1920 was te Antwerpen het nieuwe Franstalige maandblad Ça Ira verschenen31, dat onder leiding stond van Maurice van Essche. De rubriek beeldende kunst van dit tijdschrift werd geredigeerd door Georges Marlier, die zich uit Lumière had teruggetrokken32 nadat hij in het eerste nummer hiervan zijn artikel La peinture d'après-guerre (Quelques notes préliminaires)33 had gepubliceerd. Marlier had zowel Floris Jespers als Paul Joostens tot medewerking aan Ça Ira weten te bewegen. Het eerste nummer van dit blad bevatte op het omslag een tekening van Floris Jespers, Les grands magasins en twee schetsen van Paul Joostens. Verder werd van Joostens nog grafisch werk opgenomen op het omslag van nr. 4 en in de nummers 5 en 6, benevens twee korte prozateksten, En avril in nr. 3 en La sirène in nr. 7. De vijfde aflevering van augustus had een omslagtekening van Floris Jespers, Le violoncelliste en bevatte voorts het artikel Un album de Floris Jespers door Georges Marlier, dat gevolgd werd door een reproduktie van Jespers' Japans feest met

[p. 353]

daarnaast een vertaling van de daarbij behorende tekst uit Van Ostaijens Inleiding tot Jespers' map met 6 lino's. In de zesde aflevering zou ten slotte nog een artikel van Marlier, Paul Joostens, volgen.

Floris Jespers had er bij Van Ostaijen op aangedrongen eveneens aan Ça Ira te gaan meewerken. Deze zond toen de volgende brief aan Van Essche met een artikel over de Vlaamse Beweging, Vers la période dodo dans le mouvement flamand. Uit de latere correspondentie met Marlier34 blijkt, dat dit verlorengegane artikel niet gelijk was aan het een maand later voor De Nieuwe Tijd geschreven Rond het Vlaamse probleem en dat Van Ostaijen met deze inzending het standpunt van Ça Ira op de proef wilde stellen, aangezien hij ‘een frans tijdschrift in Vlaanderen dat niet op radikale wijze voor de oplossing van het vlaamse probleem optreedt’, zinloos achtte, zoals hij op 27 september 1920 ook aan de Lumière-redactie zou meedelen.35

[Berlin-Halensee 22.8.20. Joachim-Friedrichstr. 10III]

Cher monsieur Van Es,

Ci-joint vous trouverez un article ‘Vers la période ect[etc.]’.

Je n'ai plus l'habitude d'écrire le Français. Par conséquent je vous prie de vouloir corriger les flandricismes et les germanismes qui se trouveraient dans mon article, ainsi que les fautes grammaticales. Quand[t] à la courte phrase lapidaire, je vous prie de la laisser telle qu'elle est. Elle est voulue. Bref, je vous prie de corriger les fautes, mais de laisser la construction.

Au cas où l'article n'intéresserait pas la direction de ‘Ça Ira’, je vous prie de me renvoyer l'article.

La traduction de ‘fête japonaise’ est excellente.

 

Mes meilleures salutations,
votre dévoué Paul v. Ostaijen

 

[P.S.] Prière d'imprimer: van Ostaijen. - Le grand V et le Y sont absolument belges.

 

De volgende brief aan Baeyens is geheel gewijd aan het conflict met Floris Jespers, ‘de pittore del arte en cellist Fiorenzio’, waarvan de eerste tekenen zich al spoedig na de terugkeer van Emmeke uit België voordeden, maar dat zich sindsdien tot een gecompliceerde situatie had ontwikkeld, waarbij ook Van Ostaijens broer Stan betrokken was geraakt. Anders dan aan het eind van 1919 gingen de geschillen echter niet over afwijkende kunstopvattingen, doch over Flor Jespers' zonderlinge optreden tegenover de anderen, met het typerend gevolg dat Van Ostaijen ditmaal niet zozeer gedeprimeerd raakte,

[p. 354]

maar er met een mengsel van ergernis en ironie op kon reageren.

De eerste spanningen waren veroorzaakt door Van Ostaijens verzoek aan Oscar Jespers zijn broer wat in te tomen bij diens bejegening van Paul Joostens, waarover Emmeke verslag had uitgebracht. Het resultaat was dat Floris zich tegen Oscar keerde, wat nog verergerd werd toen Van Ostaijen hem meedeelde dat Oscar ‘absoluut leider van ‘Moderne Kunst’ moest worden’. Of hier met Moderne Kunst de op 14 september 1918 opgerichte Kring Moderne Kunst wordt bedoeld, die in het seizoen 1919-1920 een aantal tentoonstellingen en voordrachten had georganiseerd, is niet duidelijk. In de zomer van 1920 had deze Kring een circulaire met opwekking tot steun uitgegeven, die als bijlage ook aan het juninummer van De Stijl was toegevoegd en daarin door een korte redactionele aankondiging, zij het niet zonder voorbehoud, werd ondersteund. De leiding van deze Kring, die in oktober 1920 en januari 1922 twee congressen voor moderne kunst in Antwerpen organiseerde, was echter steeds in handen van de schilder Jozef Peeters gebleven, zodat het ook mogelijk is dat Van Ostaijen doelde op de eigen groepering van de gebroeders Jespers, Joostens en hemzelf, waarover Van Passel36 meedeelt: ‘Te Antwerpen had P. Van Ostaijen met een paar vrienden een kringetje voor Moderne Kunst opgericht zonder welomschreven doel of programma. Uit de bijeenkomsten en discussies van een groepje kennissen was op de duur een zekere gewoonte ontstaan om elkaar te ontmoeten en over kunst te praten.’ Kortom: ‘de bond zonder gezegeld papier’.

Verder was er een kwestie over briefcensuur. Wie Van Ostaijen met ‘v.H.’ bedoelt, die hier het eerste slachtoffer van was, is niet bekend. Flor Jespers verdedigde het niet-doorsturen van Baeyens' brief uit de gevangenis met een tegenaanval op deze ‘lakkere vriend’, die de hem toegestuurde map met 6 Lino's niet wilde betalen en ontkende deze map - waar hij, zoals uit Van Ostaijens antwoord op 15 augustus bleek, niet enthousiast over was - gekocht te hebben.

Het vervelendste voor Van Ostaijen was echter dat hij geloof had gehecht aan Floris Jespers' onjuiste bewering, dat, toen zijn eventuele terugkeer naar Antwerpen ter sprake kwam, zijn broer Stan gezegd zou hebben: ‘ik ben niet verantwoordelik voor de stommiteiten van m'n broerke’. Van Ostaijen had hierover toen aan zijn broer een raillerende brief geschreven, die echter volgens de berichten van Floris verkeerd was gevallen, zodat ook de goede verstandhouding tussen de broers in gevaar dreigde te komen.

Vervolgens citeert Van Ostaijen voor Baeyens de brief die hij over deze kwestie van Floris Jespers ontving en voorziet deze van uitvoerig commentaar. De hierbij gemaakte opmerking dat Ruimte een tijdschrift is waar hij ‘tot hiertoe zelfs niet aan meewerkte’ is niet geheel juist: er was op dat moment weliswaar nog niets van hem in Ruimte verschenen, maar hij had

[p. 355]

enkele weken tevoren zijn In memoriam en drie grotesken als bijdragen ingezonden.

Uit het slot van deze brief blijkt dat Van Ostaijen, nu de situatie met Floris Jespers zich zo had ontwikkeld, erover dacht om op De Bocks aanbod in te gaan en Bezette stad door De Sikkel te laten uitgeven, al spreekt hij in zijn brief van drie dagen later aan De Bock hier nog niet over.

[Berlin-Halensee 25-8.20]

Beste Peter,

Mijn Good mijn Good! - (Paulus wat betekent al dit gejammer sterker als in de bijbelse klaagliederen, jeremiaden geheten?). Peter, met de pittore del arte en cellist Fiorenzio en mij is het leelik[lelik] aan 't spaak lopen. Daardoren zult ge wel verplicht zijn de klaagtoon van deze brief gelaten over u te laten komen. -

De Fiorenzio is er eerst en vooral niet goed over te spreken dat ik Oscar schreef: houdt de Flor wat in toom, die maakt zo geweldig ruzie met de Paul. Emm. vertelde mij dat zij een philippica van de Flor tegen den Paul had gehoord, - ook mijn broer en een maat was daarbij, in volgende stijl: [‘]Gij kunt nie bauwe. Gij kunt gien balke legge. Oem een huis te bauwe moete eerst balke hemme. Maor gij het gien balke. Gij het gien verstand van balke, enz.’ Dus ik schreef Oscar: noodzakelik is de Flor in te tomen, bizonder als er vreemde elementen bij de discussie zijn. Verder schreef ik Flor dat Oscar absoluut leider van ‘Moderne Kunst’ moest worden. Daaroverst is den Pittore niet gôdgezind. Hij zegt Oscar is de ruziemaker. Ik discuteer met de Paul37 enkel over ding van 't vak.

Discuteren dat is een waardig tijdspassement. Maar ruzie maken niet. Den Oscar die kan niet diskuteren. Dat is geen diplomaat. Daarom kan er van hem als leider geen sprake zijn.

Dat nr. een. Ook verweet ik Flor mij brieven te censureren. Namelik zou v.H. een brief aan E. hebben willen meegeven en, op aanraden van de Flor kwam er niets van, en ook uw brief uit het gevang ontving ik niet. Deze komt nu aangebommeld. Met volgende kanttekening van de Floris: ‘Ik stop deze brief bij de eerste brief die ik je zend (het is al minstens de 4e) Mogelik is dat de censuur van je correspondentie. Dan kan ik je zeggen: Peter heeft reeds lang mijn album. Ik vroeg reeds 3 malen. Tot hier toe: Flor kus mijn kloten. Merci. Lakkere vriend!’ - Ge ziet de Floris pakt deze zaak met de map niet als loze scherts op! Eenen ‘Lakkeren vriend’ hebt gij er al meteen mee verdiend. Ook zult gij nu niet meer durven betwisten dat gij de mappe niet hebt gekocht, bijaldien gij geen volledigen bandijt wilt zijn. Betoilt nu maar met vlijt en spoed! Gij zijt verwittigd!

[p. 356]

Nu moet ik u een grote katastroof meedelen. Toen Emm. in België was werd haar door den Floris volgende verteld: De Bock, genaamd het Boksken, reisde naar Brussel om mijn broer te spreken. (Waarom werd niet vermeld. Nu beweert de Floris dat het was om mijn broer daartoe aan te sporen voor het schoine tijdschrift Ruimte reklame te maken.) Mijn broer ontving de man kort en bestelde hem een enveloppe met 500 fr. Volgens de Flor aan Emmeke vertelt moet Stan hebben gezegd: genoeg ik ben niet verantwoordelik voor de stommiteiten van m'n broerke. Er moet dus van mijn ev. terugkomst spraak zijn geweest. Daarop schreef ik Stan een brief in onze stijl. Maar Eilaas dat zou me slecht bekomen. Deze mannen kunnen de bediedenis (George D.M38) van ons vokabularis niet snappen. En zij zwansen daar niet mee, bijaldien zij vermoeden dat zij bij hunne kloten worden gesleurd. Deze zwetsbrief zou mij dus slecht bekomen. Ik had Stan namelik geschreven: Broer een beetje meer eerbied voor je broerke (u zou ik in dit geval respijt [voor: respect] hebben geschreven). Bij een serieus mens kan geen twijfel over ‘het om te lachen’ van dit gezegde bestaan. Maar Stan en Floris bestuderen de brief met vlijt en vinden het helemaal niet om te lachen. Ik laat dus Floris aan het woord:

Ik ontmoette te Brussel Stan v.O. die mij enkele zinnen lezen liet van zijn broeder Mr. P.v.O te Berlijn. O.a.: Broer enz., daarbij een hoop engelse en duitse uitdrukkingen die Stan niet als scherts (voor te lachen dus) opneemt, (je ziet bijaldien men niet gallies of Diet schrijft kan het niet voor te lachen zijn, engels en duits zijn dus ‘serieuse’ spraken), en waardoor (waardorens meent Floris) hij tot hiertoe heel (cursivering Flor) scherp tegenover u staat. Ik begrijp het volkomen (versta nu wel mijn tragies geval: mijn broer staat heel scherp tegenover mij, niet voor te lachen, en de pittore d'arte Fiorenzio begrijpt dat heel goed. Ik ben dus om met de Bijbel te spreken van maeght en vriendt verlaten zoals de arme Hiob). De Floris doceert verder: ‘Hij heeft absoluut gelijk. Aan u de betrekking tussen u en je broer terug beter te maken. Het is een raad, aan u van hem in de wind te slaän[’] (slaan met trema volgens de Floris). (Nu het fijnste het afstrijden dat hij E. dit nieuws vermeld[d]e op arglistige wijze): ‘Mr. de Bock (de Floris wordt officiëel als familiebemiddelaar) schreef u een brief waarin vermeld stond: Stan heeft mij niet ontvangen. Vermeld[d]e Mr. de Bock daarbij dat Stan zou hebben gezegd: Ik bemoei mij niet met de stommiteiten van mijn broerke, of komt deze fantasie van u (deze fantasie komt van den fantastiese pittore, dat is hij sluwerwijze vergeten; geen belang) ik weet het niet; ik weet echter dit (van Stan zelfs) dat Stan Mr. de Bock niet ontving uit gebrek aan tijd, en dat hij zijn bediende gewoon een omslag met 500 fr. liet bezorgen aan Mr. De Bock. Overigens is het van Stan heel begrijpelik dat hij die het zo druk heeft,

[p. 357]

zich niet kan bemoeien met propaganda te maken in Brussel voor Ruimte. Vindt gij zulks verkeerd, dan is Stan daar vrij in (hierin spreekt dus Flor het gewaagd vermoeden uit alsof ik zou willen dat Stan reklame maakte voor een tijdschrift waar ik tot hiertoe zelfs niet aan meewerkte!!) Stan deed wat hij kon hij steunde mild met geld. (Voor psychologen kan geen twijfel bestaan: den Floris is voor dit loflied niet minder mild betoild geworden.) Het feit dat St. de B. niet ontving (hier vergeet Floris zijn officiëel karakter en schrijft zowaar: de Bock, nog een beetje gemis aan routine; deze man wordt wis en zeker nog homdaffär.), de dreigende brief (wat uit zulke uitdrukkingen in vreemde talen worden kann [kan]. Ja ja: you never cann tell. Maar o Good, Peter, deze engelse uitdrukking is ‘voor te lachen’ verstade-wel) naar uw oudere broer (De Floris krijgt zin voor hiërarchie bij anderen. Ik antwoordde hem op deze passus: ik vergeet deze hiërarchie nooit, iets wat ik niet zou kunnen zeggen voor Floris tegenover Oscar Jespers! - daar heb ik hem met zijn eigen wapen den loeft afgestoken.) die u geen ogenblik in de steek laat, (och de Floris schijnt tans veel nadruk op Stan's mildheid te leggen.) maakt het volgens mij nodig iets te doen. Breng ik (de bemiddelaar F.J., buro Robert Molsstr. 31 bij het kleine Paulke39) deze zaak niet in orde, dan ben ik overtuigd dat gij de kl. van Stan kunt kussen en dan hebt ge het verdiend. (‘boontje komt om zijn loontje; eerlik duurt het langst[’] denkt den Pittore)’ Wat zegt ge van deze nieuwe fas[c]ie van onzen vriend Fiorenzio! Ik heb geantwoord dat ik niet wist wat ik moest korrigeren. 2e) dat het nieuws van de Floris zelf kwam, 3e en voornaamste dat ik aangezien ik het misverstand wel moest konstateren, in mijn volgende brieven aan Floris en Stan bij elke zin zou bijvoegen:

1)voor te lachen
2)voor te schreeuwen
3)voor te denken (dit speciaal voor de Floris die een diplomaat is, naar zijn eigen mening).

Ongeveer zoals in de stukken van v. Peene40 (is er geen belet, wat is er hier gaande?) aangeduid wordt tussen haakjes: lachend, schertsend, terzijde (dit een zeer frekwent geval), zich-moeilik-bedwingend, met klem; en ook: half-wenend (ik zou wel eens deze akrobaat willen zien die als41 het zover heeft gebracht voor 50% te schreien en voor 50% niet, terzelverdertijd. - [)]

Biz. opmerkenswaard is de veranderde ‘Einstellung’ van Floris tegenover Stan. Aan Emmeke zegde hij nog: [‘]Deze Stan, een lakkeren, aan de Bock kan hij geld geven, maar mijn mappe heeft hij nog niet betaald.’

Overigens, zie begin brief, is de ‘toevallige’ ontmoeting te Brussel boerebedrogt. Floris wil naar Berlijn komen. Hij zegde Stan in E's tegenwoordigheid: [‘]Stan koopt gij de markeren, daarvoor zal ik u dan een

[p. 358]

schilderij geven.’ De toevallige ontmoeting zal wel het vervolg zijn geweest op dit voorspel. Ik schreef Stan ook: [‘]geef Flor geld, maar vergeet niet een goed schilderij uit te kiezen.’ Dit zal de Floris misschien niet hebben bevallen. Hier is dus maatgevend: mildheid (waarover de Floris zo roerend schrijft.) Het is natuurlik klaar dat E. deze zaak niet kon fantaseren; daar zij mij dit bij haar terugkomst vertelde, moet zij het van iemand hebben gehoord. Waarom zou zij zeggen van Floris, indien het van P. Joostens kwam (de B. sprak zij niet)? Maar deze sluwe trotter wil het met Stan in de rechte lijn houden en daarom ontkent hij dat hij dit gerucht heeft gepropageerd.

Overigens wordt de Floris ook in zake poe[ë]zie een vakkundige (dit beter als vakman). Hij ontving mijn gedichten. Daarover schreef hij: [‘]het schijnt heel goed te zijn. Ik zag enkel de manier van werken.’ Oordeel dus van een vakkundige. Dat ik deze gedichten aan dezen bandijt42, - die als41 niet eenmaal zijn mappe betoild, heb opgedragen, kan ook niet van aard zijn om de Floris voor het werk te winnen. Ook voorspelt hij mij slechte verkoop, aangezien hij slechts zeven exemplaren van zijn mappe verkocht. - Ik zal waarschijnlik bij de Bock uitgeven, die wil honoreren. - Flor had volgende kombinatie (vinger-neus): Flor zou tekenen en laten drukken. Stan zou druk betalen. Alles klaar zou Flor het aan de B. in kommissie geven (d.w.z. 25% boekh., 15% de B; voor Holland id + 15% algem. depositaris) Voor deze kombine waar ik niet zou betoild worden, integendeel waar St. druk zou moeten betalen, heb ik ‘leider’ moeten bedanken.

Beste groeten aan de Paul. Beste groeten van E.

 

't Beste
Paul

 

[P.S.] ik heb Floris natuurlik mijn grootste dank uitgedrukt voor zijn goede intenties in mijn familieaangelegenheden. Dat was een echte vriendedienst.

 

Eind augustus stuurde Van Ostaijen zijn juist voltooid artikel Wat is er met Picasso voor Ruimte in met het verzoek het niet op te nemen onder de in twee kolommen gedrukte rubriek Aantekeningen, waarmee elk nummer werd afgesloten en waaraan De Bock zoveel waarde hechtte. Na zijn actueel gedicht In memoriam Herman van den Reeck stuurde hij ditmaal nog een tweede gedicht en koos hiervoor, waarschijnlijk mede om bij zijn publikaties een chronologisch beeld van zijn poëtische ontwikkeling te geven, één der eerste die hij in Berlijn geschreven had, het aan Joostens opgedragen Maskers.

De discussie over Ruimte liet hij verder rusten, maar naar aanleiding van Het Roode Zeil merkt hij op dat Meylanders lofzang op het dandyisme,

[p. 359]

Fashion, hem - de ex-dandy - toch liever is dan het opstel van M. d'Haese in het derde nummer van Ruimte over Het West- Vlaams taalpartikularisme, daarmee nog even tegen de haren van de humanitairen instrijkend.

De brief van oktober 1919, waarin De Bock het prospectus van Ruimte opstuurde en hem voor het eerst tot medewerking uitnodigde, is verloren gegaan.

[Berlin-Halensee 28-8.20 Joachim-Friedrichstr. 10III]

Mijn waarde de Bock,

Dus iets duideliker is de toestand door al dit gekorrespondeer toch geworden. Magnificat! -

‘De superio[ri]teit Opdebeek’ hoort natuurlik bij Toussaint, v. Goethem en de Ridder. ‘Fashion’? Wat ik daarover denk? - Ja daar zullen wij het wel niet eens [zijn]. Mij is ‘Fashion’ liever als een opstel over west-vlaams-taalparticularisme.

Hierbij een opstel, ‘Wat is er met Picasso’. Ik heb het als opstel, niet als aantekening gedacht. Kleine tekst is mij zo lief als grote. Enkel: wanneer het gaat, niet als aantekening a.u.b. - Gaat het niet, dan als aantekening. Ook een gedicht ‘De Maskers’. Ik hoop dat u mijn vlijt in het zenden van bijdragen zal bevredigen.

Nog iets. In uw eerste brief (Okt. 1919) schreeft gij dat Ruimte honoreerde. Hoe staat het daarmee. - Ik persoonlik, - geen stadhuisklerk meer, - sta op het standpunt dat ik niet voor de ‘eer’, en ook niet voor de goede zaak alleen kan werken. Zoals een arbeider, moet ik voor mijn arbeid worden betaald.

 

Met beste groeten
uw Paul v. Ostaijen

 

Twee dagen later schreef Van Ostaijen weer een lange brief aan Baeyens, die in hoofdzaak op de met veel genoegen ontvangen Antwerpse nieuwtjes van zijn vriend ingaat. Doordat Baeyens' brieven ontbreken, zijn ook de reacties hierop niet altijd geheel te volgen. Zo blijkt Baeyens - waarschijnlijk in het begin van 1920 - brieven uit Parijs te hebben geschreven, waaromtrent een onduidelijk blijvend misverstand is ontstaan. Ook is onbekend van welke bloedverwant uit Holland - Van Ostaijen had er verscheidene, vooral neven en nichten van vaderszijde - hij de briefstijl parodieert. Verder blijft de aanleiding tot zijn alinea over de Spanjaarden (ook, als later in De bende van de Stronk, Hidaljanen genoemd) slechts te raden, al is het duidelijk waarom hij het betreurt in de ‘vroegere residentie van Wilhelm en Ojuste(a)’, d.w.z.

[p. 360]

van keizer Wilhelm ii en zijn vrouw Augusta Victoria, te zitten en daardoor niet in staat te zijn ‘14 dagen de Hidalgo’ te spelen. In de volgende alinea ten slotte verwijt hij Baeyens dat deze zich vastklampt aan het spreekwoord ‘eerst oomke en dan oomkes kinderen’, ofwel ‘het hemd is nader dan de rok’ en vraagt daarna weer om ‘merkandijs’. Is dit een reactie op een mededeling van Baeyens, dat deze eerst voor zichzelf wil zorgen alvorens hij zijn vriend van cocaïne kan voorzien?

Uit het hierop volgende gedeelte, waarin hij weer terugkomt op de kwestie met Floris Jespers en zijn broer Stan, blijkt dat Van Ostaijen in Berlijn tot dan toe door zijn broer goed werd ondersteund, al was er op dat moment geen sprake meer van. Evenals later bij zijn vader, heeft hij ook hier ten opzichte van zijn broer de opvatting dat deze ‘niet de minste verplichting’ tegenover hem heeft op dit punt.

Na Baeyens een antwoord aan Jespers inzake diens map met 6 Lino's te hebben gesuggereerd, geeft hij, aan de hand van Emmeke's verslagen over haar bezoek aan België, twee ‘rectificaties’ van anekdoten die Baeyens hem had meegedeeld: de eerste over Paul Joostens en de wonderolie, de tweede over de geschiedenis met het, in de pas geopende kunstzaal Sélection aan de Rue des Colonies 62 te Brussel tentoongestelde, schilderij, La femme i-grec van Paul Joostens, welk verhaal later door Paul Joostens in zijn herdenkingsartikel43 als laatste van de ‘reeks vertellingen’ die in zijn herinnering is gebleven, wordt opgesomd.

De brief eindigt met het citeren van de enkele dagen tevoren ontvangen uitnodiging om aan het tijdschrift Lumière mee te werken, op welke uitnodiging hij eerst een week later zou antwoorden.

[Berlin-Halensee 30-8.20 Joachim-Friedrichstr. 10III]

hartelik dank voor de boeken die ik met grote nieuwsgierigheid verwacht, hartelik dank van E voor de maquillage. Daar doet ge ons beiden, resp. heel groot pleizier mede. Mijn Good fransge boken zijn mij heel veel waard!

Zie hieronder
de uitspraak der
pythia

Mijn beste Peter,

mijn jonge Vriend! Gij verdwaalt u op een valsgelijk spoor bijaldien gij meent dat ik uw huidige korrespondentie voren te overvloedig zou nemen. Ik verheug mij zeer een brief te ontvangen. Deze is voor mij ongeveer zo gelijk de brieven van Me de Se[é]vigné aan haar dochter: zij houden mij op de hoogte van de diverse metamorfosen in mijne en mijner geboortestad

[p. 361]

(ik ben een echte antwerpenaar, van een hollandsgen vader, maar dáár Noord-Brabant, toch ook weer iets Belg, aangezien men deze streek par deça du Moerdijk als Brabantcédé kan beschouwen en de aldaar wonende volkeren als des frères sous le joug étranger. - Zoals ge ziet een tamelik gekompliceerde nationaliteit Belg Hollander en toch weer Belg - of ook Bolsen geheten, zoals ons Vermast44 leert. - De likeur Bols betekent dus niets meer of minder als Belg en op deze grond kon de Belgiese staat bijaldien hij stram op zijn recht stond deze fabrieken annekt[x]eren). Uw brieven zijn dus onschatbare nieuwstijdingen. Ik expekteer naar den koerier die als45 mij de post moeten brengen. En als er een brief van u is, dan wrijf ik mij in de handen en zeg: haha weer iets voor te lachen. - Er is voor wat uw brieven uit Parijs betreft enig misverstand geweest.

Zinspeelt gij daarop? Zeker interpreteerde ik deze brieven valsgelijk. Dat heb ik u ook gezegd. En daarover dient dus niet meer gesproken. Aan deze brieven uit A heb ik een onverholen pleizier.

Feitelik zou ik elken brief met een magnificat moeten beginnen om u daaraan te herinneren dat gij het mooi hebt geschoppeerd. - Ik raad u aan van tijd tot tijd te denken ‘Wat zou ik nu doen indien ik 2 jaar prison had.’ Dat zal uw levensgenot ‘netjes’ sterken en je zult je daarbij ‘warmpjes op het droge’ voelen en je zult je zeggen: nou zit ik lekkertjes in een piekfijn lokâl: een puik strijkie en een leuk channsonnjé. - Aldus correspondentiestijl van een bloedverwant uit Holland, enkel is deze meer zedig en spreekt niet over zolke lokalen waar channsonnjés plegen op te treden.

Dat met deze Hispanjelanders dôt mij, Paolo, natuurlaaik pleizier. - Maar dôt mij ook stotteren fohr Sehnsucht. Namelijk ware ik tans in de stad Antwerpen dan zou ik mij ook geredelaaik voor een Spanjool kunnen uitgeven bij zulke dames die sedert dit en twee jaar in de sirkulatie zijn gekomen en mij bijgevolg niet zo kennen. Maar vooralsnog zit ik in de Reichshaup[t]stadt en vroegere residentie van Wilhelm en Ojuste(a). Pech, zo 14 dagen de Hidalgo spelen, daarbij menige okkasie snappen, bizonder den Floris kunnen doen watertanden. (Want ten slotte is er sexualiter toch nog wat meer te dôn dan in zijn vaan46 voor een kamermeid te staan, totdat ze gaat lopen.) Deze Hidaljanen zijn bandijten. Men is Hispanjelander of men is het niet. - En ik die reeds zoveel te lijden heb gehad onder deze verwording, den farouchen Spanjool, zou nu ook wel eens wat van het profijt mogen wegdragen.)

Wat de zaak van Oomke en Oomkes kinderen betreft, ik moet ten stelligste zulke opvattingen die de maatschappij niet verder brengen op de door haar gekozen en tot hiertoe bewandelde baan der ontwikkeling, laken. Zij zijn ten stelligste (directeur Antw. C.) afkeurenswaard. Gij moogt er van verzekerd zijn dat zulke handelwijze u niet schoon staat. Ik dacht

[p. 362]

werkelaaik dat gij meer nut uit uwe reizen in verre landen en uitheemse gewesten zoudt hebben getrokken, om niet meer aan zulke spreekwoorden vast te kleven. Het zegt niets voor uw ontwikkelingsvatbaarheid dat gij zo aan de spreekwoorden der oude Sinjoren vasthoudt. Zeker het is al iets als men van Berchemnaar Antwerpenaar wordt. Daarom weze mijnen lof ook niet gespaard. - Maar daar gij in de hoofdstad van Vrankenrijk zijt geweest, had ik een bredere geest in u te ontmoeten gehoopt. - Het getuigt niet voor uzelven zoiets. Daarom een goden raad, - aan u van hem in de wind te slaan, zou de Pittore zeggen - stuur zo snel mogelaaik merkandijs, vooraleer het te laat is en uwen gôden naam naar wat men in de volkstaal de vaantjes heet (Handelsblad) is. - Neen Peter laat het u gezegd zijn dit staat u niet schoin. - Het strekt u niet ter eere. - Gij zult nog veel moet[en] leren vooraleer een mensg te zijn.

Hopelik zult gij mijn brief inhoudende een getrouwe weergave van Floris' schrijven met kommentaar hebben ontvangen. - Ik ontving een schrijven van mijn ‘ouderen’ (Floris' stijl) broeder. De Floris heeft alle schuld van zijn vertelling, - die fantaisisties blijkt te zijn, - op de Bock en mij afgewalst. Rezultaat: mijn broer schrijft me: als't Boksken nog eens verschijnt doe ik hem buiten zetten. 2e Rezultaat: de penningen voor mij zullen nu wel gôd gewikt en gewogen worden. Hier is overigens geen spraak meer van, terwijl ik duidelik aan de brief van mijn broer merk, - zonder dat hij 't schrijft - dat de Pittore een sluwen (voor alle eerlaaike mensgen snoden) rol heeft gespeeld. Om de aarde aan zijnen dijk te halen. - Emmeke woonde te Brussel het proloog bij. Flor tot Stan: Gij moet eens marken voor mij kopen; dan verkoopt gij maar een schilderij aan een boezemvriend van u voor 200-300 fr. dan zijn deze marken betaald. Ik wil naar Paul reizen en gij zult wel begrijpen dat het... hier wordt de noodwendigheid dezer reis geboetseerd, zoals in uwen brief. - Daarop schrijf ik Stan: [‘]geef Flor marken, maar vergeet niet een schilderij uit te kiezen, want Flor is het enkel te doen om op loze wijze aan de gelderen te komen.’ Te laat. Stan is zoals hij zegt aan Emmeke van de volledige goedzakkigheid van den Flor overtuigt[d]. Hij maakt de zaken eenvoudiger en speelt niet met de pitjesbak47 om te zien wie er moet betalen, zegt hij. De Flor heeft de situatie direkt begrepen: Stan heeft geen tijd zijn drijfveren te kontrolleren [kontroleren], enz. Hier heeft Flor, de kwist48 zoals gij valsgelaaik zegt, dus een grote overwinning behaald. Niet enkel verkoop van een schilderij (wat hij au fond niet wenste) maar de markeren in de tesg. - Zoals ge ziet niet zo kwistachtig. Ik zou dit met veel plezier opnemen, indien ik niet zag dat het[de] Flor het nodig vindt, mijn broer ‘groot gelijk’ te geven in zijn stelling tegen mij. Ik heb het ongelukkig gedacht gehad den Pittore te schrijven dat Stan mij - destijds - goed ondersteunde. De Floris heeft gedagd: [‘]hola Piet en niet lui gevallen.’ En

[p. 363]

daarvorens zal ik nu dorénavant op de korst moeten bijten. Ik verzoek hieraan, buiten Paul J. of Oscar J., niet te veel ruchtbaarheid te geven, omdat ik vind dat mijn broer absoluut doet wat hij wil en niet de minste verplichting tegenover mij heeft. Maar de Floris moest zo eens iemand treffen die hem 't spek[?] onder de handen wegspeelde! Wat een herrie! Wat uw mappe-zaak aangaat, daar schijnt hij u dus toch te stekken te hebben. Ofwel moest ge heel cynies antwoorden: [‘]B.F. het spijt me zeer dat uw reis naar Berlijn afhankelik is van de koop ener mappe mijnerzijds. Ik doe op het ogenblik geen zaken, zodat ik van de koop dezer mappe voorlopig moet afzien. Geloof me het spijt me zeer dat ik onrechtstreeks daaraan schuld heb dat de ontmoeting tussen u en uw weggenoot P.v.O niet kan plaats hebben.’

De kwestie met de kaster-olij hoorde E in België anders vertellen. Het was namelik de Paulus, - deze liederlijke schilder, - die dit vocht had genuttigd. Nacht opstaan. Oscar ligt gereed, denkt: hoteldieven. Wil kloppen, op dat ogenblik maakt Paulus ligt[licht]. - E. vertelde mij dit vòòr uw geschiedenis. Dat de pittore Paulus dit avontuur de Fiorenzio in de schoenen schuift is begrijpelik. Een caster-olij avontuur is niet van nature voor iemand reklaam te maken. En daar deze pittore zich nu in liederlaaik gezelschap begeeft, is het klaar dat hij zijn vroegere leven, caster-olij incluis wil wegwerpen. De Floris descriveert de Paulus zo: [‘]een nachthemd tot over zijn tenen. Een gekleurd nachthemd. Wat zeg ik: een sjaponn!’ - (noteer de stijging in dezer Pittores vertelkunst - niet alleen sterk met verw en penseel, maar ook wist hij handig met de pen om te gaan, zal men later schrijven.)

De Femme I grec geschiedenis heeft Emmeke bijgewoond. Wij zijn dus in staat uw recijt om enkele toetsen die meer met de waarheid stroken te verbeteren. Het feit passeert eerst en vooral in ‘Se[é]lection’ te Brussel. De mademoiselle de magasin ontvangt een heer in het salon, - genre brusselse aristokraat, zegt Emmeke -. De heer verlangt uitleg. Komen Floris en Emmeke binnen (Gij zijt[ziet] hier zetten wij uwe fantasij lee[le]lijk te b[k?]akken; bij den schabbernak mijn jonge vriend!). ‘Voilà le peintre’ zegt de mademoiselle uit haar transen verlost. ‘Que signifie ce tableau’. ‘Ce n'est pas mon oeuvre, zegt Floris ik kan niets uitleggen.’ ‘Il y a la Femme y grec au catalogue.’ - Bon, denkt de Pittore, dan zal ik maar wat zeggen: [‘]eh bien vous voyez les formes rondes enz.’ - Inplaats dat nu die stomme teef zou tevreden zijn dat Floris haar uit de slag trekt, vindt zij het nodig te korrigeren: [‘]mais ce n'est pas la femme grec, c'est la femme y grec.’ Emmeke zegt dat ze deze juffrouw ‘stundenlang’ had kunnen op het smoelwerk kloppen. Typies brussels deze excès de zèle. Zelfs in 't Bocheland zou zoiets niet passeren. In plaats van te denken: [‘]arret, mr. daar is dan uitleg, smeert die op uw boterham’. Brussel! Zo iets idioot

[p. 364]

bestaat er op de ganse aardkloot niet. Ik vind dat een comble. - Nog veel sterker als uw verhaal. -

Uw schandelike schraapzucht betreffende merkandijs steek ik in mijne mouw49 gij moogt er van verzekerd zijn. (Peter dit voor te lachen).

Nogmaals: zoiets staat u niet schoon. Voorwaar, 'k en haaig 't niet gepânsd, nee/n'k 'k aaig50 niet.

Van het tijdschrift ‘Lumière’ ontving ik invitatie mee te werken. Volgende stijl. Van boven gedrukt: Frank Van den Wijngaert: Waarde (belgies) heer: als redacteur van de afdeling ‘Vlaamse Letterkunde’ (de afdeling, verstade-wel) in het tijdschrift ‘Lumière’ ben ik zo vrij U te verzoeken om enkele verzen van uwe hand of, desgevallend kommentaar over dit of dat! (het uitroepingsteken heeft de heer Frank v.d.W. er reeds zelf bijgezet) met de vertaling houden wij ons zelf onledig (een vuile meheer!). Met de hoop op gunstig luidend antwoord. (Rijkdom van het Diet) Kommentaar over dit en dat laat fraaie perspektieve open. -

 

emmeke zegt beslist: ja!

De pythia heeft gesproken

 

't Beste
Paul

 

De kritiek op Brunclairs gedichten Terras bij de stroom, Vertwijfeling en Credo, die in de eerste aflevering van Ruimte waren opgenomen, had Van Ostaijen niet alleen aan De Bock meegedeeld in zijn brief van 23 mei 1920 - hij sprak daarbij van ‘Sienjaal-surrogaat’ - maar tevens aan Floris Jespers en de andere Antwerpse bondgenoten. Toen Brunclair hiervan op de hoogte was gebracht door Floris Jespers, vroeg hij Van Ostaijen om nadere uitleg, die deze hem in de volgende brief gegeven heeft. Brunclair had in 1917 Van Ostaijen leren kennen door een toevallige ontmoeting in de Hulstkamp. Later herinnerde hij zich hierover51: ‘Het dissentiment in zake literatuur deed niets af aan de broederlijkheid van een partijtje domino of whist. Hij was erg eenzelvig, bijna ongenaakbaar.’

Bij zijn antwoord beschikte Van Ostaijen niet meer over de eerste aflevering van Ruimte, zodat hij uit het hoofd moest citeren en slechts enkele van de vele voorbeelden van navolging kon geven. De op dat moment laatst verschenen aflevering 6-7, die van Brunclair de gedichten T.S.F. en De vliegenier bevatte, bezat hij echter nog wel. Van Ostaijen vergelijkt in zijn brief enkele regels van Aan een moeder uit zijn bundel Het sienjaal, nl. ‘wij moeten ons eigen geweten, ons begrijpen bevrijden / van de waanzonde52’, met de slotstrofe van Terras bij de stroom, die als volgt luidt: ‘In ons het Elysium. / Dit lichtland, ons geweten bevrijden, / alle machtbegeren, logen en waan / omzetten in opperste deemoed: kommunie met het albestaan / is de mens-

[p. 365]

heid wijden / tot het paradijs.’ De zinsnede ‘kommunie met het albestaan’ komt in de bundel Het sienjaal noch tekstueel, noch in gewijzigde vorm voor, al speelt het begrip op verschillende plaatsen in deze bundel een rol.53

Een tweede vergelijking betreft het woord ‘overspel’. Van Ostaijen had in Babel54 geschreven: ‘Zoeken naar het Godswezen: bang overspel / van mijn arm lichaam pijn.’ Terras bij de stroom begint met de strofe: ‘Hier wil ik rusten! / De avend prevelt een vreemd verhaal, / tolk van ordeloos stadsgebeuren, / driftsteigering, hoogtij der lusten, / heidens overspel van geluiden en geuren, / vervroomd tot wondere fabeltaal.’

Van Ostaijens terloopse opmerking over het woordje ‘als’, dat de suggestieve werking der beelden meestal te niet doet, kan niet op Brunclairs gedichten in Ruimte worden betrokken, daar hierin dit voegwoord nergens gebruikt wordt. Aan zijn verwerping van het ‘futurisme in de zin dat T.S.F. of vliegenier meer modern zouden zijn dan een koe’ voegt hij toe: ‘schreef dit reeds in Goedendag’. Hiermee doelt hij waarschijnlijk niet op zijn artikel Over dynamiek II uit het mei-juninummer 1917, waarin hij Marinetti tweemaal noemt55, maar op Eksklusivisme uit zijn Kanttekeningen bij diverse onderwerpen in het nummer van mei-juni 1918, waarin hij ontkent dat dynamiek bereikt wordt ‘door het enkel aanbrengen van moderne onderwerpen’56.

Over de ‘humaniteitsdichters’ deelt hij mee destijds alleen waardering te hebben gehad voor Becher en in 1917 Werfel reeds een schoolmeester te hebben gevonden. In de zomer van 1917 schreef hij in Over dynamiek II57 inderdaad nog waarderend over ‘het kontrastaal werkende, eksplosieve en gebalde werk van Johannes R. Becher’. Bij zijn opmerking ‘ook schreef ik niet over Werfel’, vergat hij zijn artikel uit de zomer van 1916 over Nasionalisme en het nieuwe geslacht58, waarin nog de zin voorkomt: ‘De jonge Werfel is eerst en vooral een duits dichter, maar als dusdanig is hij ook beter in het buitenland te genieten dan de vorige kasplantdichters [de groep rondom Die Blätter für die Kunst].’

Aan het eind van zijn brief blijkt duidelijk de grote waardering die hij in deze tijd voor de moderne Franse dichters was gaan koesteren en van de Duitse dichters noemt hij alleen nog ‘ietwat Stramm’, zij het met hetzelfde voorbehoud dat later Walter Muschg59 in nog sterkere mate zou maken tegenover de ‘Kasernendrill’ in het werk van deze ‘Oberpostinspektor’. Ondanks zijn inzending van werk en de correspondentie met De Bock is hij nog steeds vol grieven tegen het tijdschrift Ruimte. Over het niet afstaan van recente gedichten merkt hij uitdagend op: ‘Ruimte is toch niet Dadaïst, wat?!’ en even sarcastisch constateert hij nooit op de hoogte te zijn gebracht van het feit dat Ruimte een redactie zou hebben. In de nummers van Ruimte stond ook nooit een redactie vermeld en deze redactie, waartoe ook Brunclair behoorde, was ook eigenlijk niet veel meer dan een kern van adviseurs

[p. 366]

en medewerkers van De Bock, die verder bij het samenstellen van de nummers vrij zelfstandig te werk ging. Ten slotte plaatst Van Ostaijen naast Ruimte niet alleen Het Roode Zeil, zoals hij ook tegenover De Bock gedaan had, maar bovendien, als voorbeeld van een blad met goede illustraties, het franstalige maandblad Ça Ira.

[Berlin-Halensee 31-8.20]

Geachte Heer,

Als antwoord op uw brief, - motivering wensend van een Floris Jespers medegedeeld oordeel, - volgende:

(ongelukkig heb ik uw gedichten waarom het gaat niet onder de hand, - ik heb alleen hier T.S.F., waarom het niet gaat; - mijn oordeel was over:

Terras aan de stroom - Credo).

Plagiaat Sienjaal? - Ieder heeft het recht, - en wanneer hij zeer eerlik is tegenover zich bijna de dwang, - te stelen, mits verwerking. Dit is: het door de andere gezegde moet meegeleefd worden, niet cerebraal opgenomen. -

Daar ligt het zwaartepunt: op de aard der beïnvloeding; of sensitief of cerebraal. Het overnemen van woorden en zinnen, zonder dat ze vlees en bloed worden. Ik werp u het einde van ‘Terras’ voor, dáár ongeveer:

Kommunie met het albestaan, ons geweten bevrijden van waanzonde enz. (deze zin is uit het Sienjaal, uw zin is tekstueel enig[s]zins verschillend, niet veel). Ter illustrering van de antithese: sensitief-cerebraal dit. Gij ook gebruikte het woord ‘overspel’ (om verwarringen te mijden: ik eis dit woord niet als monopool op; hier bespreek ik enkel uw techniek). Voor mij is ‘overspel’ bijna de preng[gn]antste uitdrukking van een vluchten van de eenheid naar de tweeheid, van de idee naar het empiriese. Niet symbolies, maar sensitief gemeend; het is een woord dat als effekt dus werken moet, ‘om bij te huiveren’. Gebruikt men zulk een preng[gn]antsensitief woord cerebraal, dan is't mis. - Bij u bemerkte ik dit woord, niet verwerkt, cerebraal opgenomen en gebruikt. Nog iets over uw techniek: de beelden volgen zich op, steeds gezocht naar nieuwe koppelingen. (nog duideliker met het woordje ‘als’ dat in de meeste (niet overal) het suggestieve van het beeld breekt.) Dit is quantitatieve arbeid. Maar door de quantiteit vernietigt gij uw gedicht; want zie de beelden hebben niet de tijd zich suggestief uit te werken. Het is beter: éen beeld, een vizie op de rechte plaats en daarrond: ruimte maken om dit woord dat de zwaarteromp is, te doen werken: qualitatieve arbeid. Verder heeft voor mij de grootste waarde: het vizionaire. Namelik zo niet dat men in buitengewone beelden het wonder zoekt, maar het wonder ziet in de gewoonste dingen. Dat men heeft een sensitief-axiomaties begrip van de éenheid van alle dingen, en niet een cerebraal (d.i. excentries). Dat een

[p. 367]

sigarette[-]etui even mysterieus is (hoe mysterieus reeds de gravitationswet!) als een verschijning van een spook, - dit laatste enkel noodwendig voor mensen die geen innerlike mistiek hebben: spiritisten enz. - ‘Man suche nur nichts hinter den Phänomenen, sie selbst sind die Lehre’ (Goethe). - Ook weer ik mij tegen futuristisme [futurisme] in de zin dat T.S.F. of vliegenier meer modern zouden zijn dan een koe. - Schreef dit reeds in Goedendag. Dit bedoel ik niet als aanval, maar enkel om mijn standpunt klaar te maken. Ik hoop dat gij zelfs over dit ‘modernisme’ uit zijt. -

‘Niemand heeft de pretentie groot-meester te zijn.’ Ik hoop toch dat ge schrijft om goede dingen voort te brengen, niet om relatief goede of voor Vlaanderen goede. Over dit ‘voor-Vl-relatief[’] moeten wij ook terwille van Vlaanderen uit. - Dit interesseert ook geen enkel vreemdeling. Ik meen: men schrijft Vlaams maar de produktie is toch niet in deze verhouding te betrachten. Relatief kan ik beoordelen: b.v. de papierschaarste in Vlaanderen. - Maar het wordt hoog tijd dat wij met het buitenland parallel gaan. - Überhaupt zou dit relativisme vals zijn.

Ruimte? - Hierin ben ik het geloof ik met Floris Jespers, O. Jespers, Joostens eens dat het niet is wat wij onder modern tijdschrift verstaan. Lino Verdeghem[Verdegem, passim] is niet eens impressionisties, maar akademies (een oppervlakkig clair-obscur). Rode Zeil is mij precies zo modern als Ruimte en ‘Fashion’ is mij liever als een artiekel over west-vl. taalparticularisme. - Over de humaniteitsdichters, - bonhomie of impotens, - zoals Werfel, Becher, Wolfenstein ben ik lang uit (overigens was Becher de enige die ik schatte destijds; aan Paul Verbrugghe[gen] zei ik reeds in '17 dat ik Werfel een schoolmeester vond.) Ook schreef ik niet over Werfel. Dat is volgens mij absoluut nul. Wie dan? Gemakkelik te raden: Cendrars, Soupault, Aragon, Cocteau, Apollinaire. In Duitsland? ietwat Stramm, alhoewel deze inplaats van ritme een pruisiese parademarsjkadans heeft (hij was pruisies staatsbeam[b]te, dat merk je!) Immer schneidig! - Omdat ik meen dat mijn laatste gedichten - van '20 - niet op hun plaats zijn in Ruimte, stuurde ik deze ook niet. Ruimte is toch niet Dadaïst, wat?!

Ruimte: ongelukkig ook deze cliché's zoals postzegels. Daar kan geen mens iets aan hebben! Zou het u verwonderen wanneer ik u zegde: zo'n nummer met Verdeghem, wens ik hier niet te laten circuleren uit vrees voor reclame à l'envers? Dat Floris Jespers, Joostens aan Ça Ira meewerken versta ik volkomen: fatsoenlike cliché's is ook iets waard. Floris Jespers zegt me dat ie 't vertikt zijn tekeningen zó te laten clicheren. Groot gelijk. Verder: heeft Ruimte een redactie? Daarvan wist ik natuurlik niets. Over de samenstelling daarvan hoef ik natuurlik niets te weten!

 

met beste groeten uw
P. van Ostaijen

[p. 368]

Frank van den Wijngaert, die tot de jongste Vlaamse ‘humaniteitsdichters’ behoorde, debuteerde tijdens de oorlog met gedichten in Vlaamsch Leven en had in 1919 onder het pseudoniem Frank van Beethoven een artikel Het individualisme en het allerprilste humanisme in twee van de vier nummers van het naoorlogse studententijdschrift Staatsgevaarlijk gepubliceerd. Daarna sloot hij zich aan bij de Lumièregroep60, die in 1920 zijn eerste bundel De derde nacht met houtsneden van Joris Minne uitgaf. Op zijn uitnodiging, die Van Ostaijen in zijn laatste brief aan Baeyens had geciteerd, ontving hij de volgende briefkaart:

[Berlin 6-9-20]

Geachte Heer,

Als antwoord op uw schrijven van 26-8., deel ik U mede dat ik het tijdschrift ‘Lumière’ niet ken, bijgevolg niet zonder meer kan medewerken.

Ik verzoek U dus beleefd om een proefnummer.

- Ook verzoek ik U mede te delen of het tijdschrift al dan niet honoreert. Voor schrijvers die geen bijberoep hebben, is dit toch ongetwijfeld belangrijk.

Hoogachtend,
Paul v. Ostaijen

 

Op dezelfde dag schreef Van Ostaijen ook een briefkaart aan Maurice van Essche, de redacteur van het andere Franstalige tijdschrift, Ça Ira, om te informeren naar zijn ingezonden artikel over de Vlaamse Beweging.

[B. 6-9-20]

Cher Monsieur,

Il y a trois semaines je vous ai envoyé pour ‘Ça Ira’ un article ‘la période dodo ect.[etc]’. L'Avez-vous reçu? Si oui, je vous serais très reconnaissant, si vs. voudriez m'accuser réception de mon envoi. Mes meilleures salutations

 

Van Ostaijen

 

Per kerende post beantwoordde Van Essche deze briefkaart met de volgende afwijzing, waarvan een doorslag in de nalatenschap van Van Essche bewaard is gebleven.

[Eeckeren-Anvers, le 8 septembre, 1920]

cher Monsieur,

Nous regrettons bien vivement devoir vous retourner ci-joint, votre article

[p. 369]

intitulé ‘Vers la période dodo dans le mouvement flamand[’].

Nous avons en effet, depuis quelque mois, décidé de ne plus nous occuper de la question flamande. Depuis notre premier numéro, dans lequel nous avons fait connaître une fois pour toutes nos opinions à ce sujet, nous nous sommes tenus en dehors de la question et nous ne ferons exception à cet[te] règle que pour des raisons tout à fait exceptionnelles et d'un caractère ‘généralement humain’ telle[tel]: le meurtre de Herman van den Reeck.

Nous espérons que vous voudrez bien ne pas prendre cette décision en mauvaise part et nous serions extrèmement heureux si vous vouliez bien nous envoyer un autre article sur l'art moderne, l'expressionisme, la jeune littérature allemande ou tout autre sujet auquel vous vous intéressez. Nous l'insérerons avec plaisir et l'accepterons avec reconnaissance.

Dans l'espoir de recevoir promptement de vos nouvelles nous vous prions d'agréer, cher monsieur, l'expression de nos sentiments confraternels.

 

pour ‘ça Ira!’

 

Het eerste deel van de volgende brief aan Baeyens is weer een uitvoerige ‘vaderlijke vermaning’ naar aanleiding van diens amoureuze avonturen, waarbij nog steeds de ‘Hidaljaan’ betrokken is. Wat, in het daarop aansluitende gedeelte over Floris Jespers en Stan van Ostaijen, bedoeld wordt met de ‘tragedie van de oude hoed’ en met de bandiet, die mogelijk B.B. (= Peter Benoit Baeyens?) zou zijn, blijft onduidelijk.

Vervolgens handelt de brief over de tekst van Bezette stad. Het lijkt waarschijnlijk dat Van Ostaijen aan Floris Jespers had gevraagd zijn doorslag van het typoscript61 der eerste gedichten voor deze bundel en de geschreven bladzijde uit de Opdracht aan Baeyens te laten lezen. Het typoscript bestond, blijkens het handschrift62 en de mededeling in zijn brief aan Baeyens van 20 augustus, alleen uit de gedichten Opdracht, Bedreigde stad, Eenzame stad en Holle haven. De plaatsen die in deze brief ter sprake komen, zijn alle uit de eerste twee der genoemde gedichten.

Van Ostaijen begint met een niet geheel te volgen mededeling over de naam Gwendoline, waar hij aan toevoegt al tien jaar geleden, dus op veertienjarige leeftijd, Oscar Wilde te hebben gelezen. Dan volgen twee correcties in de tekst van Bedreigde stad: het in het typoscript voorkomende ‘vertrappelelde leger’ (in de brief zelfs ‘vertrapelelende leger’) wordt verbeterd in ‘vertrappelde leger’ en ‘in Siegerkrans’ in ‘in Siegerkranz’. Blijkens deze brief heeft hij later (op 12 september is hij er nog mee bezig) het getikte gedeelte voor de zetter in handschrift overgeschreven. In dit latere manuscript èn in de definitieve uitgave heeft hij beide plaatsen weer gewijzigd in ‘vertrapte leger’ en - blijkbaar toch door Baeyens overtuigd - ‘im Siegerkranz’.63

[p. 370]

Behalve het door Baeyens geopperde bezwaar tegen ‘Jef’, dat misschien op het straatliedje ‘jef jef jef 'ne Zeppelin’ uit het begin van Bedreigde stad slaat64, hebben alle overige opmerkingen betrekking op de Opdracht aan Mijnheer Zoënzo.

De twijfel aan de correcte spelling van de Rimmeltekst, verwerkt op de vierde bladzijde van de Opdracht, wordt door een eenvoudige verwijzing naar het opschrift van de doos opgeheven. Vooral voor de andere problemen - alle van typografische aard - stelt Van Ostaijen veel prijs op de adviezen van Baeyens, die op dat punt ervaring had opgedaan in de drukkerij van de Antwerpsche Courant. Zo deelt hij zijn vriend mee, de woorden ‘O Buenos Aires’ op de zesde bladzijde ‘tegenover vijf gewone regels heel groot’ te willen afdrukken, wat in de uitgave echter niet is gebeurd. Verder wil hij voor zijn tekst overwegend van gewone drukletters in allerlei varianten gebruik maken, zoals voor ‘quelques fleurs’ op de achtste bladzij van zijn gedicht. Van dit ‘quelques fleurs Houbigant’, dat zowel op het typoscript als het handschrift voorkomt, is in de uitgave alleen ‘fleurs Houbigant’ overgebleven. Als uitzonderingen, waar dus van speciaal gesneden letters gebruik moet worden gemaakt, noemt hij ‘Chéri Bibi’ èn ‘Zigomar’ aan het begin van de Opdracht. Zijn opmerking ‘Grond Femina zou de tekening m.i. te veel kompliceren’ slaat kennelijk op een voorstel van Baeyens een bladzijde van dit damesblad als achtergrond te gebruiken voor de handschriftpagina uit Opdracht, die Van Ostaijen in zijn brief ‘mijn page auto de la mort'’ noemt.

Over de ‘vakkunde op alle gebied’ die Floris Jespers meent te bezitten en op grond waarvan deze zich buiten de illustraties ook met de tekst wil bemoeien, is Van Ostaijen minder te spreken. Hij vergelijkt Jespers in dit opzicht met Van Doesburg en Mondriaan, die in De Stijl van april 1920, samen met Antony Kok, het reeds vermelde Manifest II van ‘De Stijl’ 1920 over literatuur hadden gepubliceerd. Het is niet bekend of Van Ostaijen op dat moment wist dat Theo van Doesburg en de Stijldichter I.K. Bonset dezelfde waren.

Evenals tegen de compositie van de ‘auto de la mort’-bladzijde, bleek Floris Jespers ook tegen de woorden ‘chignon’ en ‘nini citron’ op deze pagina bezwaren te hebben geopperd, die voor Van Ostaijen bewijzen van zijn onbegrip waren. Al heeft Stan van Ostaijen zich al bereid verklaard de kosten van de uitgave voor te schieten - wat later ook inderdaad zou gebeuren -, de houding van Floris Jespers brengt hem tot de verzuchting: ‘als de Flor diktatoriaal optreedt en het gaat niet anders te doen, dan blijft het boek liggen.’

Aan het eind van zijn brief kondigt hij aan bericht te hebben ontvangen dat Floris Jespers met zijn vrouw Olympe en Oscar Jespers met zijn vrouw Mia naar Berlijn zullen komen. Daar hij voor een goedkoop onderdak moet zor-

[p. 371]



illustratie
Aan Peter Baeyens toegestuurde tekening van Van Ostaijen.

gen, vraagt hij zich vooral bezorgd af of Floris en Olympe Jespers hun nog geen twee jaar oude zoon Paul, alias ‘de Joppe’, ook mee zullen nemen. Het uitgebreide bezoek is echter niet doorgegaan, al zijn Oscar Jespers en zijn vrouw - die hij eerst al op 22 augustus verwachtte - wel later naar Berlijn gekomen. Verder is er nog even sprake van Jozef Peeters, de organisator van de Kring voor Moderne Kunst, die juist ook in deze tijd aan Ruimte ging meewerken en van een zeer geslaagd portret van ‘D. de M’65 dat Baeyens hem toegestuurd had, misschien als illustratie van zijn brief.

[B. 8-9-20]

Carissimus amicus meus dixitur candidus Petrus-Benedictus Bèh-Bèh

Mijn dierbaarsten vriend genaamd den witten Pieter-Benedikt Bèh-Bèh,

 

Ach ik heb mijnen dierbaarsten vriend zovelen dingenen te schrijven dat ik almeteen daar ik de pen ter hand neem voor te schrijven begrijp dat het is een onoverkomelike taak al deze dingen bij middel van het woord op het papier te stellen daar het bekend is en door den wijsgeer (een man die geert=streeft naar de wijsgheid) Schopenhauer in de boken geschreven dat het woord niet reikt om onze gevoelens volledig te vertolken maar integendeel reeds een verzwakking van hetgene wij menen

[p. 372]

komt voor te stellen. - Velens zal dus ongezegd moten blijven. Sic erat in principio et nunc et semper (semper idem is