terug  begin  verderprepost

2. Correspondentie uit november en december 1927

De eerste brief uit november die Van Ostaijen schreef, was gericht aan dokter Peetermans, van wie hij een opbeurende brief had ontvangen die niet bewaard is gebleven. Hij vervolgt hierin het verslag over zijn gezondheidstoestand, waar hij in het algemeen niet ontevreden over is, al blijkt hij wel eens een ‘verdedigingsmiddel tegen b.v. hevige hoestbuien en andere narigheden’ te kunnen gebruiken. Nadat hij eind september bedrust kreeg voorgeschreven, zette hij sedert 23 oktober zijn kuur weer op de ligstoel voort. Van 17 tot 31 oktober had hij drie pneumothorax-inblazingen per week gekregen, die in november tot één per week konden worden teruggebracht.

[4-11-'27]

Waarde dokter,

We zijn nu weer enkele weken ouder, zodat het dus de tijd wordt dat ik weer eens teken van leven geef en begin met u voor uw hartelike brief te bedanken. U zegt dat alles wel weer in orde kan komen; men heeft zulke verzekeringen wel eens nodig, als verdedigingsmiddel tegen b.v. hevige hoestbuien en andere narigheden.

Maar kom, ik ken de waarde en het afgemeten zijn van uw vrije tijd en ik zal u dus meer direkt het biezonderste zeggen, namelik dat ik nu reeds zes inblazingen voor pneumothorax heb gehad en dat deze behandeling zich gunstig ontwikkelt. Het longvlies is niet te dik, zodat de naald er relatief goed doorheen gaat, de plekken waar de long vastzit en die dus met voorzichtigheid moeten losgemaakt of gerokken worden, zijn niet talrijk (twee van boven), onaangename verschijnselen, als soms gebeuren, onmacht of onpasselikheid of hoge temperatuur deden zich niet voor. Alleen drukt, vooral na de inblazing, het diaphragma op de maag (als

[p. 884]

ik goed begrepen heb) en ook verder komt de maag, vooralsnog, een beetje in 't gedrang. Nu echter betert dit al merkelik. De dr. zegde mij ook, voor de behandeling te beginnen, dat soms, voor enkele tijd, de pneumothorax een lichte vermagering voor gevolg heeft. Dit is echter niet het geval. Ik win niet veel, maar toch dan één kilogr. sedert het begin van mijn verblijf, spijts dus de pneumothorax. Na eerst langs het stadium van drie inblazingen per week te hebben gepasseerd, ben ik nu aan éen per week.

De koorts bereikt als maximum nu 37.6 om 5 uur. Dat is natuurlik een groot verschil met Antw., maar ook is het waar dat ik hier bijna geen inspanning doe.

Uw raad opvolgend, de kuur niet te kort te maken, denk ik hier nog tot minstens 30 december te blijven, dat zou dan ongeveer 4 maanden zijn in 't geheel.

Gister onderzocht Dr. Bérard mij opnieuw, en nadat hij mij de vorige keer gezegd had dat er wel iets maar niet veel rechts haperde, zei hij deze maal dat het er rechts bepaald goed uitzag. Dat is natuurlik veel waard nu een van die twee bazen op disponibiliteit gesteld wordt.

Over 't algemeen? Ik voel me wel beter, maar nu ik eens gerust heb, voel ik ook hoe vermoeid ik ben en ben minder dan ooit in staat een inspanning te doen. Maar ik moet ook zeggen dat er op die twee maanden, biezonder de laatste maand, nog al wat gebeurde.

De behandeling blijft zeer goed.

Nu, mijn beste dokter, tot binnen twee maanden zowat, ik hoop dat ge met mijn besluit instemt en zend u ondertussen mijn hartelikste groeten,

 

steeds uw
Paul v. Ostaijen

 

Op 7 november zond Du Perron een ongedateerde brief en tegelijkertijd zette hij zijn lectuurvoorziening voort door de toezending van het verhaal Voyage aux îles fortunées1 door André Malraux, en een onbekende dichtbundel van J. Greshoff - mogelijk Aardsch en hemelsch, Anch'io of Keurdicht (1907-1927), op dat moment diens laatste dichtbundel, die eind 1926 bij Boosten en Stols in Maastricht was verschenen. Voor de tweede maal drong hij daarbij aan op de toezending van Barbaarse dans.

 

Brussel, Maandag.

 

Beste van Ostaijen,

Wees niet boos als ik je niet méér schrijf: ik ben druk bezig mij te installeren en doe allerlei dringende en overbodige boodschappen, heb

[p. 885]

dan nog onaangenaamheden hier en daar, bref, zal niet tot een behoorlike brief kunnen komen dan over enige tijd. Mijn adres is: 13, rue Lesbroussart (niet 89, daar woonden twee devote oude jongejuffrouwen die zoveel noten op hun zang hadden dat ik op het laatste ogenblik naar iets anders heb moeten uitkijken; zo woon ik nu boven een hemdeverkoper). - Ik zend je gelijk met deze: een verhaal van Malraux dat in Commerce heeft gestaan en een bundeltje van Greshoff. - Van al wat ik je opzend hoef je me niets terug te geven behalve Si le grain ne meurt en dit verhaal van Malraux. - Zend me ook zo spoedig mogelik het Nutteloos Verzet en als je kan, en wilt, de Barbaarse Dans. Mag ik Stols vragen die in enkele exx. te drukken in zijn serie ‘To the happy few’? hij is zo vriendelik tegen me, de laatste tijd!... Schrijf me ook weer eens, vnl. hoe het je gaat. Het zou mij oprecht genoegen doen te vernemen dat men je langzaam maar zeker opkalefatert. Geloof me in ieder geval steeds van harte je

 

EdP.

 

In zijn antwoordbrief vergeet Van Ostaijen op Du Perrons vraag naar Barbaarse dans te reageren en is hij geheel vervuld van een brief die hij van Wim Dinger uit Bussum ontvangen had over een door deze uit te geven tijdschrift Volière. Dinger was een relatie van Du Perron en trad reeds als zijn uitgever op bij de eerste druk van Een voorbereiding, welke roman in mei 1927 te Brussel gedrukt werd. Met Van Ostaijens vraag om opheldering over deze zaak, begint eigenlijk de correspondentie over het tijdschrift Avontuur, waarmee hij zich gedurende de laatste maanden van zijn leven zal blijven bezig houden.

Aan het slot van zijn brief citeert hij uit het hoofd de regels ‘Een hoge toon, zij 't in gedichten, / geen longelijder brengt die voort’, waarmee het zestiende gedicht uit Windstilte2 begint.

Tegelijk met zijn brief zond hij het manuscript van Nutteloos verzet aan Du Perron terug.

[9-11-27]

Mijn beste Du Perron,

dank voor je briefkaart, je brief, Greshoff en Malraux. Ik hoop dat je weldra weer de rust van een gezellige huurkamer zult mogen voelen en de zorgen van een welwillende, niet te praatzieke hospita.

Maar... God sta me bij, ik heb hier een brief van uw uitgever enz. de heer Dinger ontvangen, waarin voor mij zoveel buitengewone dingen staan dat ik er haast tureluurs bij word, (afgezien dan nog van deze

[p. 886]

zoveelste spelling, waaraan ik natuurlik de pest heb). Hoe komt die brave Dinger bij die voorstellen? Is het ooit in mijn hoofd opgekomen een blad, dat in Holland (dus kosteliker dan hier) zou gedrukt worden te financ[i]eren? Dat zou te gek zijn, met dezelfde uitgaven kan ik heel wat meer hier bereiken, altans momenteel. Ook de lijst van de medewerkers is vrij plezierig samengesteld: zal ik optrekken naast Mussche, de man die, als kind, naar de zolder kroop, waar de muizen hem kenden en speelden met hem? Zal dat een van mijn scheepgenoten zijn, een Argonaut als ik? En waarom de heer Marnix Gijsen wel, de hollandse katholieken echter niet?

Doch afgezien van de details is het ding niet doorvoerbaar, omdat ik de heer Dinger als scribent helemaal niet ken, omdat ik wel eens aan een tijdschrift dat hier zou gedrukt worden heb gedacht, doch niet aan een hollands, omdat de heer Dinger ook te veel van diversiteit in een al te ‘Volière’-matige zin houdt. Natuurlik wil ik hem wel af en toe een ‘pennevrucht’ bezorgen, zeker, maar van dáár tot een verantwoordelikheid van 100 fr. maandeliks, il y a de la marge.

Schrijf mij eens hoe jij in die kwestie tegenover hem staat en zendt mij dit epistel des heren Dinger met uw volgende brief terug.

Ik las Stevenson. Vrij plezierig, jammer dat de inhoud zo dun is. Ik las ook ‘Duizend-en een...’ van Multatuli en heb daaraan mijn ‘helle Freude’ gehad. Naast onze moderne prozaïsten, meesters van het proza... goddank, dat we, in zo'n boek van 1870, nog eens nederlands lezen dat de opstellen van een H.B.S. lee[e]raar te boven gaat.

Wat mij betreft, zoals je zegt: men kalefatert mij langzaam op. De koorts is weer een eindje gezonken en, over 't algemeen, voel ik [me] doodgewoon beter. Maar in dit geval,... it's a long way...

Toch denk ik binnenkort weer een en ander te kunnen verrichten. Eerst nog een beetje meer adem, want...

‘een hoge toon in poëzie brengt geen longelijder voort’

(citaat uit het hoofd, dus, in geval van onjuistheid, excuseerbaar.) Ik heb vandaag weer een inblazing van 400 cm3 lucht gehad.

Tot ziens, met een stevige handdruk,

 

je Paul v.O.

 

De volgende dag beantwoordde Van Ostaijen pas de brief die Marsman hem op 18 oktober geschreven had. De kanttekening bij Oppervlakkige charleston, die hij daarbij ter sprake brengt, slaat op Marsmans bespreking van het poëzienummer van De Gemeenschap in De Vrije Bladen3, waarin deze geschreven had: ‘Twee keer, precies, op de 50 bladzij, een treffer, maar dan ook een schot in de roos; éenmaal van Anthonie Donker [...] en eenmaal

[p. 887]

van Paul van Ostayen. Die schreef een ‘Charleston’; poëzie, of geen poëzie, ik weet het niet. Stellig niet in den geijkten zin, zelfs niet in den geijktmodernen, maar dat doet er niet toe, een ding, om het zoo maar te noemen, zoo fel en geladen, zoo trillend en enerverend, zoo schokkend, zoo verdomd vroolijk, dat heel de klassieke tering-poëzie me gestolen kan worden, daarvoor. Prachtig!’

Uit Van Ostaijens toelichting op zijn adres blijkt dat hij er op dat moment reeds op rekende niet eerder dan eind januari uit Le Vallon terug te keren, hoewel hij zes dagen tevoren nog aan dokter Peetermans te kennen had gegeven ‘tot minstens 30 december te blijven’.

[10-11-27]

Zeker, Marsman, konden wij maar eens een avond samenzijn en drinken en praten, zo of zo, kwamen wij wel een eindje vooruit. Maar u is, indien ik goed lees, aan een examen gebonden, - ik, aan een chaise-longue, die ik alleen nog voor de maaltijden en dan voor het bed verlaat. Ik wil hopen dat wij, rond dezelfde tijd, u van de examenzorgen, ik van de horizontale positie worden verlost.

Tegenover uw mening en die van uw hollandse vrienden betrekkelik ‘de Zwarte Engel’, blijf ik, na overweging bij mijn mening, deze afdeling is beter dan ‘Penthesileia’, alleen reeds om een gedicht als ‘de Stervende’. Natuurlik, zou een gesprek op de beste wijze dit meningsverschil tot in de verste oorzaken blootleggen. Jammer.

Wat ‘Potsdam’-‘Delft’ betreft, ik heb ‘Paradise R.’ niet hier, maar zodra ik terug te Antwerpen ben, wil ik beide gedichten herlezen. Het kan dat u gelijk heeft. ‘Weimar’ nochtans geef ik niet gaarne verloren.

Overdrukken heb ik niet. Ik doe mijn best, tegen de kinderachtige ekonomie van het beheer van ‘Vlaamse Arbeid’ in, een nummer voor u te veroveren. Als medewerker ontvang ik slechts éen nummer! vlaamse zeden en gewoonten.

Uw kanttekening op mijn ‘Charleston’ in ‘vrije bladen’ heb ik gelezen en ik ben er zeer blij om geweest.

Beste groeten van

 

sanatorium ‘Le Vallon’
Miavoye-Anthée (België)
tot einde januari op dit adres.

uw dwe.
Paul v. Ostaijen

 

Du Perron reageerde onmiddellijk en zeer uitvoerig op Van Ostaijens informatie naar de tijdschriftplannen. Hij legt hem uit hoe het idee is opgekomen toen hij in het voorjaar van 1927 Rein Blijstra, die bij een niet-

[p. 888]

erkende uitgeverij, het Hollandsch Uitgeversfonds, werkzaam was, in Amsterdam ontmoette en hoe Dinger daar later buiten zijn medeweten op doorgegaan is. Voor hem zelf was het steeds bij de plannen gebleven, die hij in april ook reeds met Van Ostaijen besproken had4, tot hij eind oktober op zijn voorlopig adres in Brussel van Dinger uitgewerkte voorstellen ontving. Du Perron gaf deze toen de raad zich eerst met Van Ostaijen hierover in verbinding te stellen.

Zonder er al te duidelijk op aan te dringen probeert Du Perron toch Van Ostaijen voor deze opzet te winnen door al diens bedenkingen te weerleggen, zoals die tegen de hem volkomen vreemde ‘scribent’ Dinger, diens vreemde keus van medewerkers en de financiële kant van de zaak. Daarbij zegt hij zelf zijn volle steun als medewerker toe, maar houdt zich verder op de achtergrond en speculeert min of meer op het hem bekende verlangen van Van Ostaijen een eigen tijdschrift te leiden. Aan de andere kant probeert hij echter ook de door hem gewaardeerde dichters van Het Fonteintje, Minne, Roelants en Herreman, als medewerkers door Van Ostaijen geaccepteerd te krijgen. Van de andere door Dinger genoemde candidaten, Achilles Mussche, C. de Dood5 en Frits Tingen6, moet hij overigens evenmin iets hebben.

In de tweede helft van zijn brief brengt Du Perron Lafcadio, de hoofdpersoon van Gide's Les caves du vatican, ter sprake in verband met de nog steeds ‘troebele’ familieomstandigheden waarin hij na de dood van zijn vader leefde. Bovendien herhaalt hij weer zijn verzoek inzake Barbaarse dans. Verder deelt hij mee aan Greshoff, die met ingang van januari 1925 naast Gerard van Eckeren redacteur van Den Gulden Winckel was geworden, een artikel over Arthur van Schendel te hebben beloofd, welke bijdrage in het eerste nummer van de jaargang-1928 onder de titel Arthur van Schendel, Enkele aanteekeningen is opgenomen.

Den Gulden Winckel is - na het weinig bekende blaadje Het Woord - het eerste Noordnederlandse tijdschrift dat werk van Du Perron heeft opgenomen. Dat hij ‘vastbesloten’ was ook Van Ostaijen bij dit contact met het Noorden ‘mee te nemen’7, blijkt uit zijn voorstel om aan Greshoff te vragen Van Ostaijen over Duitse literatuur in Den Gulden Winckel te laten schrijven.

De door Du Perron aan het slot van zijn brief genoemde uitgaven in eigen beheer, waren Pierre Louys, Trois filles de leur mère en Alfred Jarry, Poèmes, avec un portrait de Jarry d'après Picasso. Beide uitgaven waren, zoals aan de voet van de titelpagina staat vermeld ‘tirés à trente exemplaires aux frais d'un amateur’.

[p. 889]

[Brussel, 10.11.27.]

Beste van Ostaijen,

Ik ontvang daarjuist je schrijven en haast mij er op te antwoorden. In de eerste plaats echter: dank voor het teruggezonden manuskript! Volge de uitleg over het schrijven van Dinger. Zoals hij je schreef was ik - of liever waren Blijstra en ik - de ‘beginners’ van het zaakje. Blijstra, die ik in Amsterdam leerde kennen, en die zelf in een uitgeversfirma werkt, raakte zeer enthousiast over de goedkope drukprijzen in België en begon te spreken over de mogelikheid van een tijdschriftje met enkele medewerkers. Wij zagen toen als mogelik: jou, wij beiden, Burssens, Marsman en misschien Houwink. De naam ‘De Papieren Boot’ was er een uit 6 die wij ieder, in een cafétje, opschreven. Ikzelf vond hem noch erg goed noch erg slecht, maar de anderen vonden dat het aardigst.

Méér dan een vooruitzichtje was het tijdschrift voor ons toen echter niet. Twee dagen later komt de heer Dinger. Hij wordt met de eventuële mogelikheid in kennis gesteld, en daar hij zelf het voornemen heeft zich tot een solied schrijver te ontpoppen, maakte hij zich op zijn beurt warm voor het geval. Zowel aan Dinger (die toen alleen als ‘producer’ in aanmerking kwam) als aan Blijstra heb ik gezegd dat ik eerst jou erover zou willen spreken, en dat ik, als het tijdschrift iets goeds moest worden, je niet genoeg kon aanraden als... redakteur? direkteur? administrateur?.. bref, als de man voor het tijdschrift, voor Vlaanderen. Goed.

Toen ik terug was in Gistoux begon ik weer minder voor het zaakje te voelen. Ten 1e was daar je ziekte, 2e de toch beperkte ruimte, ook als Blijstra en ik financiëel zouden bijdragen, enfin - toen ik je sprak heb je gezien dat ik je erover sprak, maar als over iets mogeliks, en meer niet.

Ik wist toen van 's heren Dinger's plannen niets af. Ik dacht nog steeds aan dezelfde 5, 6 medewerkers en aan een blaadje van 24 zijdjes 's maands. Toen ik in het hôtel des Anglais zat ontving ik een lange brief van Dinger. Hij was in een zeer vurige korrespondentie geraakt met Blijstra (dit weet ik van Blijstra die zich kostelik met hem vermaakt) en gekomen tot het vaste besluit dat tijdschrift uit te geven. Dat hij er zich 4× zoveel van voorstelt als het worden kan, heb ik hem geschreven; zonder mij evenwel als medewerker, of financieel, terug te trekken. Wat hij nu wil is, geloof ik, een flink, uitgebreid ding de wereld insturen, zoveel mogelik met de geldelike bijdragen der medewerkers. De keuze der medewerkers is geheel van hem! Ik heb noch de heer de Dood, noch de heer Tingen, noch de heer Mussche (die tot mijn groot genoegen Achilles schijnt te heten) aanbevolen; maar in jouw brief staan weer meer medewerkers dan in de mijne, omdat ik, die heren ziende opgegeven, hem vroeg waarom hij dan ook niet het drietal Minne-Roelants-Herreman zou inviteren? - Het

[p. 890]

grappigste van het geval is dat die heer Dinger als uitgever-scribent zich het vuur uit de voeten zal lopen terwijl hij als uitgever alleen misschien een meer kontemplatieve houding had aangenomen. Maar aan de andere kant schijnt hij niet te begrijpen dat met zoveel medewerkers en een zo klein blaadje het geheel zeer best een kollektie fonds de tiroir zou kunnen worden.

Zijn bedoeling is: het tijdschrift bij Breuer te laten drukken, dus in België, en niet in Holland zoals je veronderstelde. Daarna, op de x nrs. x nrs. te geven, voor België, aan jou, als jij de redakteur voor Vlaanderen zou zijn, en op de rest invoerrechten te betalen (uit zijn eigen zak; - trouwens, hij wil ook aan de drukkosten bijdragen). Voilà, de kwestie is nu: of jij wilt, of niet wilt.

Wat het geldelik bijdragen betreft, zou ik hem doodgewoon zeggen dat dat je niet konveniëert, ook als je het redakteurschap aanvaardt. Wat evenwel de rest aangaat: je moet niet uit het oog verliezen dat je eigenlik, als je redakteur bent, de zaak zeer goed anders kunt regelen als de heer Dinger dat momenteel inziet. Ten 1e: hij heeft die mensen gevraagd; maar willen al die mensen? - en zo zij willen, in welke mate zullen zij aan dat tijdschrift bijdragen? - In werkelikheid, als je zou meewerken, staan wij met ons vieren: Jij, Blijstra, Dinger en ik. Burssens zal ook niet neen zeggen, als jij en ik meewerken. Wat de rest betreft: het behoort tot het blaue Hinein van de heer Dinger. Ik ben er zeker van dat hij jou vóór die anderen geschreven heeft, omdat ik hem destijds in Amsterdam gezegd heb dat ik jou zag als de enige man voor Vlaanderen. - Je kent mijn karakterloosheid in dergelijke omstandigheden: meneer Mussche, meneer Gijsen, en zelfs meneer De Dood! je m'en fous comme de feu mon pucelage! - Maar ik ben simpel medewerker. Jij, als redakteur voor Vlaanderen, kunt je eisen stellen. Het beste is dat de heer Dinger direkt begrijpt dat àls je het zaakje op je neemt, je er ook op gesteld bent een eigen plaats in het tijdschrift in te nemen.

Ik geloof dat je tegen de medewerking van Minne-Roelants-Herreman (maar nogmaals, de vraag is: willen die heren?) minder bezwaar hebt dan tegen de medewerking van Mussche, de Dood en Tingen (wie is die Tingen?) Maar neem die medewerking toch ook weer niet te zwaar op, want ik vrees dat de heer Dinger je alleen nog maar een ‘plannetje’ heeft voorgelegd. (Als ik zeg: ‘ik vrees’ is het voor de heer Dinger.)

Ik hoop dat de zaak je nu volkomen duidelik is. Résumons: ik geloof dat je met die heer Dinger nog alles kunt doen wat je zelf wilt. Maar laat hem desnoods medewerken, daar hij betalen wil en opdat hij het heilig vuur als uitgever niet verlieze. En ook omdat zijn werk, mocht het niet van de eerste rang zijn, ook niets kapot zal maken. Blijstra is een aardige knaap - absoluut niet literair, die een aangenaam onverschillig

[p. 891]

Nederlands schrijft, en die (hij is geloof ik 24 jaar8) misschien nog wel iets zeer sympatieks geven zal. Wat Dinger is of worden kan ontgaat mij. Laat ons voorlopig zeggen: ‘er is veel goede wil bij de man’.

 

Ik ben nu vrijwel geïnstalleerd, maar er zijn verschillende dingen in de familie die niet kloppen. Gide heeft een moeilikheid vermeden toen hij van Lafcadio een bastaard maakte vrij van diverse familiebanden. - Je schrijft me niets over de Barbaarse Dans. Ik herhaal mijn voorstel, in de hoop je er een plezier mee te doen. Je moet weten dat Stols een goed vriend is van Greshoff, en dat, sedert Greshoff mijn werk niet als waardeloos beschouwt, hij vol belangstelling schijnt en zelfs een artikel aan mij wijden wil - ja, mijn waarde, Stols, niet Greshoff - in Den Gulden Winckel9. Dergelijke dingen zijn toch te grappig om er zich aan te onttrekken! De heer Stols die schrijft zoals ik voetbal, heeft tot dusver twéé artikelen op zijn geweten: één over Rilke, en één over Valéry. Als hij nu een derde aan mij wijdt! voèl je wel... enz. enz. Ook gaat er geen dag voorbij zonder dat ik onrustig met mijn kont over mijn stoel schuif - hetgeen plaats heeft zodra ik aan dat artikel begin te denken. Ik van mijn kant heb een artikel aan D.G.W. beloofd over Van Schendel; - ik doe dit met genoegen omdat V.S. werkelik voor mij de enige man van smaak is - Couperus uitgezonderd die dood is - onder de ‘beroemde’ Nederlandse prozaïsten. Tussen haakjes, Greshoff heeft mij zijn armoede bekend inzake Duits-georiënteerde medewerkers, en zijn afkeer om de onvermijdelike Nico Rost onder de arm te nemen. Voel jij er niet wat voor die rubriek op je te nemen? je hebt, vermoed ik, de grootst-mogelike vrijheid, en het wordt wschl. gehonoreerd. Ik heb Gr. daarover niet gesproken, maar àls je er wat voor voelt, wil ik het gaarne doen. Schrijf me dus hierover: 1. of je wilt dat ik moeite doe voor Barbaarse Dans (Stols drukt oneindig beter dan wèlke Belgiese drukker ook, en zeker dan onze goedkope B. drukkers) en 2. of ik Greshoff zal aanraden jouw medewerking voor Duitse letteren te verzoeken.

Die honderden cM3 die men in je long blaast vervullen mij altijd van we[e]ë kriebelingen, vnl. over de ruggegraat. Maar als het je werkelik vooruithelpt heb ik er vrede mee. Tracht zo gauw mogelik gevechtsklaar te zijn ook voor dreigende tijdschriften. Volière vind ik wel een aardige titel; de zelfbespotting ervan is Stendhaliaans en strekt de heer Dinger, als hij hem gevonden heeft, tot eer!

Pia trouwt overmorgen hier in Brussel met een juffrouw die hij door mij in Knocke heeft leren kennen. Het is een tragi-komies geval waar ik misschien nog eens een verhaal - of een onderdeel van een verhaal - van maak...

Je krijgt eerstdaags weer verschillende boekjes: rot en groen dooreen,

[p. 892]

zonder onderscheid. De verteltoon van Stevenson is aardig, maar het verhaaltje is Engels en pover. Ken je Het Vreemde Geval van Dr. Jekyll en de heer Hyde? het is voor mij verreweg het meesterwerk van S., en Marcel Schwob is er kapot van geweest (vgl. Coeur Double e.a. verhalen). Als je het niet kent, zend ik het je op; met een andere roman, The Ebb-Tide (in Franse vertaling) waar heel Conrad uit is voortgekomen, en dat m.i. oneindig interessanter is dan zijn zo beroemde boekaniers-romans à la Defoe (Kidnapped, Catriona, Treasure Island, Master of Ballantrae). Er is nog een andere Stevenson waaraan ik vrij grote waarde hecht; het zijn de 3 Zuidzee-vertellingen die hij Island Night's Entertainments genoemd heeft. Ook die kan ik je, als je wilt in Franse vertaling - een vrij beroerde! - bezorgen.

Ik laat vandaag een buitengewoon smerige Pierre Louijs drukken, waar ik zaakjes mee hoop te doen, een roman van meer dan 200 blz. ms. die heet: Trois Filles de leur Mère. Als het klaar is krijg je een ex. De Jarry is bijna af; over een veertien dagen heb je misschien jouw boekje. Je ziet dus dat ik je niet vergeet, en trouwens, hier heb je een brief van bijna 6 blz. Tot nader! Houd je goed; la mano van je

 

EdP.

 

Du Perrons brief had direct het beoogde resultaat: in het hier volgend antwoord schrijft Van Ostaijen reeds over ‘ons tijdschrift’. Ook met de voorstellen inzake Barbaarse dans en medewerking aan Den Gulden Winckel stemt hij van harte in, al is er van beide door de omstandigheden nooit iets gekomen.

[Zondag, 13-11-27]

Beste du Perron,

Ik dank je voor je brief van bijna zes bladzijden (‘en, trouwens, hier heb je een brief enz.’) en haast me je daarop te antwoorden, altans voor wat de voornaamste punten betreft.

Zeker je vergeet mij niet, maar je vergeet mij de brief van Dinger terug te sturen. Dit schriftstuk nu is mij zeer van node, wanneer ik mijnheer Dinger wil antwoorden en op zijn voorstellen methodies wil ingaan, het spreekt vanzelf dat ik al die voorstellen niet in het hoofd heb.

Waarschijnlik veronderstelde je dat ik reeds geantwoord had; dit is niet het geval, ik wou eerst weten wat jij over dat ding dacht. Stuur dus dit gewichtig dokument zo haast mogelik terug, ik zeg uitdrukkelik zo haast mogelik, dus op een dag komt het niet op aan.

De wenken die je me betrekkelik het tijdschrift, ons tijdschrift geeft vind

[p. 893]

ik uitstekend en ik zal er mijn profijt uit halen. Indien ik in dezelfde maat als tans het geval is, blijf vooruitkomen ben ik midden januari slagvaardig, ten minste om mij met de uitgave van een tijdschrift bezig te houden, noch min noch meer. ‘Volière’ is zeker niet een slechte naam, doch dan moet men hem niet in de Dinger'se zin lezen: niet mengeling, wel gevang. Dat is trouwens ook wat je bedoelt met de Stendhaliaanse zelfbespotting? Ik ben het gans met je eens dat men te allen prijs moet verhinderen met fonds-de-tiroir te worden bestookt. Anderzijds hou ik dat door de heer Dinger voorgestelde rondzenden van kopij aan alle medewerkers voor nonsens en zeker prakties ondoorvoerbaar. Een tijdschrift heeft éen of twee ijzeren handen nodig, ijzeren handen, die ik het liefst in het bezit zie van een geest die zijn eigen relativiteit niet vergeet. Het is onnodig het ‘leescomité’ te breed te maken: Jij, Blijstra, Dinger en ik, dat moet ongeveer voldoende zijn.

Enfin, ik schrijf dat alles wel aan Dinger, naast de opmerkingen, die ik jou reeds maakte in mijn vorige brief.

 

Pia verrast me. Zie je wel, men kan ook iemand verrassen alleen door te trouwen. Ik ben twee-en-dertig haast en ben nog niet getrouwd. Zal ik dan op alle punten een toonbeeld moeten zijn van de integriteit eens kunstenaars? Zal ik dan in alle vakken van de kunst de eerste prijs halen?

 

Zeker, je doet me een groot genoegen met je voorstel betrekkelik ‘Barbaarse Dans’. Ik ga met je voornemen helemaal akkoord en, als je het dus wil, kan je het pourparler met Stols reeds beginnen. Evenwel, let er op dat ik eerst de kopij (gedrukt in een tijdschrift) kan bezorgen, rond 25 januarie, datum van mijn terugkeer te Antwerpen. Overigens dat is nauweliks twee maanden, Stols zal ook niet zo onmiddellik kunnen.

Ook voor wat je voorstel ‘duitse letteren’ in de ‘Gulden Winckel’ betreft, ben ik te vinden, te meer daar ik op die wijze Nico Rost gedeeltelik onschadelik kan maken. Je kunt Greshoff dus vertellen dat ik lang in Duitsland was, dat ik ‘de man’ ben enz. Toon je welsprekend, vriend! Dat niemand minder dan Stols over je schrijven gaat, vind ik gladweg verbazend! Stols! hij die alleen over Valéry en Rilke schrijft! God, kerel, ‘Du hast Schwein!’ En zo metéen, wordt [word] je ook een van de ‘sterren’ bij ‘de Witte Mier’10. Een schitterende carrière ligt nu voor je open.

Wat de dingen in de familie betreft en je mening aangaande Gide en Lafcadio, sta mij toe er op te wijzen dat ook Jules Renard zijn mening in deze heeft te kennen [ge]geven, door zijn held, Poil de Carotte, te doen uitroepen: ‘hélas, tout le monde ne peut pas être orphelin’11. - Wat mij betreft, ik heb in deze niet te klagen en, buiten veel grillen, is mijn ouwe

[p. 894]

heer geen in-de-weg-loper. Ik hoop dat jij ook een gelukkig modus vivendi mag vinden.

Voor de volharding met dewelke je mij lektuur bezorgt, - en waarachtig een lektuur die me genoegen doet - mijn beste dank, nogmaals en nogmaals. ‘Dr. Jekyll-Mr. Hyde’ heb ik niet gelezen, ik ken het slechts in zijn verband met twee filmen, die beide om het slechtst waren, éen met Conrad Veidt, en éen Lyonel Bar[r]ymore. Stuur mij dat, Stevenson is een heel goede lektuur hier.

Op je Jarry ben ik zeer tuk, na het gedicht dat je reciteerde.

Ziedaar, vergeet niet het opus van Dinger. Vergeet niet Greshoff a.u.b. en Stols.

 

Het beste wenst je je Paul v.O.

 

Na het akkoord van Van Ostaijen begon Du Perron zich voor het tijdschrift ‘ook warm te maken’ en stuurde in zijn volgende brief meteen concrete voorstellen over de inhoud en de verschijningsdatum van het eerste nummer. Uit de gedeelten in deze brief over het prospectus van bij Dinger verkrijgbare uitgaven en over de opzending van Bezette stad is op te maken, dat Dinger ook de verspreiding in Nederland van deze bundel ter hand ging nemen.

De hierbij genoemde novellenbundel IJzeren vlinders van Blijstra werd eveneens onder toezicht van Du Perron in Brussel gedrukt en door Dinger uitgegeven, maar was op dat moment nog niet verschenen.

De opmerking ‘Vergeet van der Voorden niet a.u.b.’, die Du Perron in verband met de bij Stols in voorbereiding zijnde herdruk van Bij gebrek aan ernst maakt, slaat op diens bespreking van Het roerend bezit - met welk verhaal Bij gebrek aan ernst opent - in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 7 maart 1925.12

[13 rue Lesbroussart Dinsdag 15 Nov.]

Beste van Ostaijen,

Hierbij de brief van Dinger die ik inderdaad zo stom was te vergeten (ik wist dat je er nog op moest antwoorden). Ik zelf heb ook nog zoiets ontvangen; als gezegd, hij maakt zich warm! Ik bied je - of jullie - of ons - voor de 2 eerste nrs. aan: Het Drama van Huize-aan-Zee. (Het tijdschrift krijgt 32 blz., en ieder deel zal ± 16 blz. in beslag nemen.) Mij dunkt: in nr.1. nog een goed gedicht van jou, als het lang is, of een paar kleine; een kort prozastukje van Blijstra; misschien iets van Dinger, en dan is er misschien nòg plaats voor het een of ander, - een boekbespreking

[p. 895]

of zo. De medewerkers of ‘deelnemers’ (om met Dinger's subtiele onderscheiding mee te gaan) buiten ons vieren hoeven voor nr.1. dus niet eens iets te geven; tenzij misschien Burssens. Ja, als het enigszins kan is het wel zo aardig als Burssens er ook meteen in staat.

Greshoff is naar Holland maar heeft beloofd zo gauw mogelik ‘aan mijn deur te verschijnen’. Hij wordt dan binnengesleurd en over de Duitse letteren - of het gebrek der Duitse letteren - in zijn Gulden, zegt-i, Winckel, gekapitteld. - Met Stols heeft het minder haast; - het is zelfs beter dat-i de kopij kort na voorafgaande bespreking ontvangt.

Ik zend je binnenkort Jekyll & Hyde*, en Le Reflux (dit laatste is een goede vertaling van The Ebb-Tide door Teodor de Wyzewa). Geef me je opinie over het verhaal van Malraux.

Nog iets: ik heb Dinger over een prospektus van bij hem verkrijgbare boeken gesproken: vier zijdjes, met op ieder zijdje een titel en uittreksels uit verschenen recensies - afbrekende en goede, zoals je dat wilde; en ieder auteur maakt zijn eigen zijdje klaar. Op blz. 1. dacht ik te zetten: Bezette Stad; op blz. 2. Een Voorbereiding; op blz. 3 IJzeren Vlinders van Blijstra; op blz. 4...? on verra**. Wat denk je hiervan? als je met Dinger akkoord gaat, kan je hem je zijdje vast toesturen, jij kunt daarmee, dunkt me, veel eerder klaar zijn dan de anderen. Als ik B.G.a.Ernst wilde opgeven had ik ook wel wat, maar ik wil daar niet over praten, met het oog op de herdruk (nieuwe prospektus in verschiet!!) Vergeet van der [de] Voorden [Voorde] niet, a.u.b.

Wat dat opzenden van Bezette Stad naar Dinger betreft, heeft hij gelijk; het is onnodig hem de hele resterende oplaag te zenden, waarover invoerrechten betaald moeten worden en die voor een groot deel later misschien weer terug moet. Zend hem 50 exx. hoogstens, liefst in twee of drie pakken, dan ontduikt hij misschien de invoerrechten. (Zet niet ‘uitgever’ op het pakket.) Mocht hij er meer wensen dan kan je hem achteraf nog altijd een nieuwe 20 of 30 bezorgen. - Ik ben van plan het voortaan ook zo in te richten.

Ik verzend mijn brief zoals-i is om je niet meer tijd te doen verliezen.

Tot nader! steeds je

 

EdP.

 

P.S. - Als je met Dinger akkoord raakt, laat het tijdschrift dan ook maar met één Januari 1928 verschijnen. Je bezorgt me uit M. - A. alle hints en

* dat als literair oeuvre zeker noch met Conrad Veidt noch met Lionel Barrymore verwantschap vertoont.

**Heeft Burssens niets?

[p. 896]

dat eerste nummer breng ik dan wel in orde. Tegen dat het ‘veradministreerd’ moet worden ben je klaar, of anders kan ik dat ook voor die ene keer wel doen. Trouwens, zolang ik in Brussel ben, sta ik geheel tot je dienst. Wij naderen December. Maak je dus op de kopij bijeen te brengen voor 15 December (ik reken op 14 dagen voor het drukken.)

Sapristi! ik begin me ook warm te maken, zie ik...

 

Met uitzondering van de twee volgende brieven van en aan Tine Ceulemans, was de gehele verdere correspondentie uit de maand november aan het op te richten tijdschrift gewijd.

Precies een maand nadat hun brieven elkaar gekruist hadden - met het gevolg dat er verwarring ontstond over de vraag wie nu aan de beurt was om terug te schrijven - bracht ‘Minnekepoess’ hem weer op de hoogte van de laatste nieuwtjes over de Antwerpse kennissenkring, waarvan ditmaal Dr. Juliane Gabriëls, Mr. Charles Dumercy en Floris Jespers de hoofdpersonen waren.

Mr. Dumercy was een merkwaardige figuur uit de kring van Dr. Gabriëls, een Franstalig advocaat, die een twintigtal plaquettes over zijn Antwerpse confraters had gepubliceerd. De toen negen en zeventigjarige, ongewassen en slecht geklede vrijgezel gold als de ‘vuilste vent’ van Antwerpen, die op de bijeenkomsten ten huize van Dr. Gabriëls steeds, alvorens te gaan zitten, een vuile zakdoek uitspreidde en tijdens het spreken met zijn gebit smakte. Van Ostaijen had eens op een ‘samedi mondaine’, tot grote hilariteit van de overige bezoekers, de opmerking geplaatst: ‘Men ziet Mr. Dumercy het gendarmezweet aan.’

De korte ontmoeting met Floris Jespers, die haar o.a. over zijn nieuwste aanwinsten uit de fijnste herenmodezaak van Antwerpen, J. Accent et Canon, inlichtte, had plaatsgevonden bij Emerance Elslander, de bij een Antwerps kledingmagazijn werkzame vrouw van de Brusselse kunsthandelaar J.F. Elslander.

[Antwerpen 15-11-27.]

Paulke, me voilà, en zet niet te leelijk gezicht want het is zeer waar dat ‘le Silence’ een beetje lang was. Laat ik je daar echter als klein excuus van zeggen dat je laatste brief dateerde van 15-10-27, dus eene week vòòr de toepassing der pneumothorax, en ik je dus vooral niet in het minste wenschte te vermoeien. Ik kreeg nu indirect van diverse bronnen nieuws over je toestand, en dat was gelukkig geruststellend, maar zou het, zoo mogelijk zeer prettig vinden, ook door jou te worden ingelicht. Nog die brief van 15-10-27. Je geeft daar eene opsomming van druksels en een

[p. 897]

brief die je van me kreeg en zegt dan: Nu is het weer jouw beurt om een briefje te hebben. Zie je, ik twijfel niet of dat was zeer schattig bedoeld, maar stel met vreugde vast, dat die schattige voornemens van regelmatige brievenbeantwoording niet worden nageleefd! Ja mijn vriend zoo is het. Toen jouw brief kwam was mijn brief, die geen antwoord was op een vorige van jou, van 's middags weg, en zul je wel begrijpen hoe goed die schattige bedoeling van jou me aan het hart deed!

Minder lief was het van je, me mijn illusie over Paul Morand (als ik die ooit had) persé te willen ontnemen. Je weet, ik ben van meening, dat het niet goed is iemands illusies te ontnemen, zonder daarvoor iets in de plaats te zetten.

Et voilà où nous en sommes. P.M. n'a rien dans le ventre. Jij zegt het, en dan moet ik accepteeren. Proposition: allons à la recherche du temps perdu, avec les auteurs, qui n'ont rien dans le ventre, maar Paulke, dààrvoor heb ik jouw assistentie noodig, maar mijne candeur laat me in den steek om het je lief genoeg te vragen, en wacht nu met angst op het te geven antwoord...

Liane is niet naar Rusland. De Soviets hebben dus alleen moeten jubileeren. De samedis mondains zijn daardoor weer in trek gekomen, en heb ik zoodoende kunnen vernemen hoe het kwam dat Juliaantje thuis moest blijven. Hier gaat het verhaal. Er was aan het communistisch comité te Brussel opgedragen afgevaardigden te zoeken van alle jonge oppositie vereenigingen. ‘Lieneke’ werd aangeduid als afgevaardigde van ‘le parti radical flamand’, en moest daarvoor eene beslissende vergadering bijwonen. Daar was ook Mr. Carl Hentze. Er werd zeer veel gesmoesd, tot er aan Lieneke te kennen werd gegeven dat ze te ‘aangebrand’ was om le parti ra(i)dica(u)l flamand te vertegenwoordigen en dat er in haar plaats un flamand de coeur zijnde... Mr. C. Hentze naar Rusland zou vertrekken. Arm Lieneke. Ik kan het begrijpen dat ze zich vergat, en haar Sortie niet erg verzorgde door te beweren: Que ces messieurs avaient parfaitement raison de se faire représenter par un juif allemand. En zoo komt het dat Lieneke weer de lieve gastvrouw van onder de lampekap is geworden waar ze poseert en doceert à son aise.

Maître Dumercy verscheen dit jaar ook weer. Hij is soms onbetaalbaar. Verleden week ging het over de vraag aan Mw. Dr. gericht of een kind twee vaders kon hebben. Liane schuift een beetje dichter onder de lampekap, en zet zeer ingewikkelde medische théorie[ë]n uiteen waarin o.a. het woord ‘oeuf’ een zeer voorname rol speelde. Als ze met veel hindernissen eindelijk het einde van haar discours heeft bereikt zegt Mr. Dumercy met een uitgestreken gezicht ‘Et l'oeuf de Colomb alors Madame?’ waarop iemand uit het gezelschap: ‘de celui-là il suffit d'en couper la pointe.’ Lieneke lachte ook.

[p. 898]

Paulke, vergeef me mijn langdradigheid dat is louter geruststelling van mijn geweten.

Ik ontmoette Floris toevallig bij Manceke, en kan niet zeggen dat ik na de vijf minuten die ik met hem sprak zijn laatste conquêtes, en de prijs van z'n ‘Stetson’ en z'n dassen en hemden van J. Accent et Canon nog kan ignoreeren, maar de clou was toch dat hij aan het einde van de conversatie voorstelde: ‘Als ik de Pol schrijf zal ik hem eens de complementen van U doen’ dat was tegen mij. Ik heb deze groothartigheid niet kunnen apprecieeren en moet er iets op gezegd hebben dat hem nog wat dieper onder z'n ‘Stetson’ heeft doen wegduiken. Als je dit voorvalletje dus door hem gecommenteerd krijgt, zal je deze versie eraan kunnen vergelijken.

Paulke ik wensch je van harte goede vooruitgang vele halve kiloaanwinsten, prettig bezoek en dies meer, en hoop tot weldra, met de hartelijkste groeten,

 

je Minnekepoess

 

Twee dagen later antwoordde Van Ostaijen haar met de volgende brief:

[17-11.27]

Beste Minnekepoess,

O gij bewonderaarster van de schone regelmaat, ik heb je brief van 15 dezer goed ontvangen en haast me, vanwege de goede orde, al dadelik daarop te antwoorden. Wel is je brief in puncto deze regelmaat voor een ander niet zonder inspanning begrijpelik, al schijnt hij ook, van meet af, geweldig logies (logika, er zijn andere deugden die mij nader bij het hart zijn). Je herhaalt een zin van me waarin ik daarop op [herhaald] wees dat, vermits ik correspondentie had ontvangen, ‘het nu weer jouw beurt was om een briefje te hebben’ Daarna stel je vast dat die voornemens van brief beantwoorden niet worden nageleefd! Uitstekend geredeneerd, mevrouw! maar... enkele regels hoger, schrijf je me dat je me vroeger niets liet weten omdat, daar je van de pneumothorax wist, je me niet in het minste wenste te vermoeien. Schattige attentie! doch in verband met het voorgaande, betekent dit dat, naar jouw mening, een brief lezen van veruit vermoeiender is dan een brief schrijven: een standpunt trouwens als een ander. Ik begrijp trouwens jouw beide standpunten: het geschrevene en het niet-geschrevene. Dat neemt niet weg dat ik je schattige attentie me vooral niet te vermoeien zeer op prijs stel. Buiten dit, lief Minnekepoess, geloof ik dat wij nog vaak op het terrein der zuivere logika ons zullen ontmoeten.

[p. 899]

Sta mij toe dat ik, na lektuur van je schitterend relaas over het geval, hartsgrondig onze lieve vriendin Lieneke (ik weet wel, je schrijft lieveke,13 maar ik vind nu Lieneke, als afkorting voor Liane, weer zo ‘reizend’) een woord van deelname in het geval toestuur. Nochtans, nochtans...

Lianeke-lief, wie gebruikt nu op een vergadering van kommunisten de qualificering ‘juif allemand’ als een scheldwoord. Ik weet wel dat onze vriendin, in het politieke, er erg dilettantiese inzichten op nahoudt, inzichten die gaar niet zo dom zijn, vermits Lieneke, zowel voor de fascisten als voor de kommunisten op reis zou gaan, als ze maar reist en maar een importante persoon is. Niet langer dan een jaar geleden, moest ze immers naar een pan-fascisties kongres? Misschien heeft ze uit deze fascistiese overtuiging het scheldwoord ‘juif allemand’ behouden. Maar, eilaas! hoe slecht werd het hier gebruikt. Lieneke lief, al de kommunisten zijn joden, je wilt de kommune vertegenwoordigen, zonder zelfs dàt te weten! Intussen vind ik het reuze leuk dat deze behendige reizigster eindelik ook eens geblackbouleerd wordt. Gaarne staat men haar het fascisties kongres af, maar dan eist - indien niet een zekere moraliteit, dan ten minste de doodgewoonste konfraternele wellevendheid, dat zij ook niet al de andere vacc[vac]aturen bezet - zeker was C. Hentze ook niet helemaal aangeduid, maar Lieneke allerminst kon dit bewijzen.

Trouwens, gelet op haar Samedis, is zij te Antwerpen onmisbaar. Het is langs deze zijde dat, denk ik, gij haar moet troosten. Een ander middel, dat overigens naar ik verneem, gretig gebruikt wordt is het poseren van wetenschappelike problemen, biezonder mediese.

Ja, ziet ge, Minnekepoess, de Floris, ge moet dat goed verstaan, streeft al zijn kameraden voorbij, steeds hoger, Excelsior en vandaar, begrijpt ge, ‘dane14 Stetson’. Daar is daar geen houden of binden meer aan: [']gelijk 'ne pijl uit een boog, zo gaat de Floris de hoogte in. Dat hij nog altijd speciaal de aandacht vestigt op zijn hemden en dassen, het is nog een kleine fout van ‘ettekatie’; laat ons hopen dat spoedig een zeer mondaine maitresse deze feilen korrigeert, alhoewel, met de Floris!... 'tja 't kon onbegonnen werk zijn. Ondertussen, daar de deugd der ekonomie nooit gans wordt uitgeroeid, reist Madame Floris Jespers met haar kroost in derde klas, ‘malgré le Stetson de son mari et les complets de celui-ci qui sortent de chez le tailleur du roi, le renommé Severin’. Ik heb de Floris al dikwels met zulke dingen vast gehad, namelik juist met dit geval: ‘zijt ge niet beschaamd zulke kravatten te dragen en uw vrouw in derde te doen reizen, zoiets doen boksers en lutteurs, Flor, enz.’ - 't Is dan dat onze Floris geheel en gans onder zijn schoon hoedeke wegduikt. Ja, lief Minnekepoess, als ik het goed bepeins, 'k geloof ik dat, zelfs voor een zeer mondaine ende hartstochtelik liefhebbende vrouw, het onbegonnen werk is al deze bulten egaal te maken.

[p. 900]

Wat mij betreft, men be-pneumothoraxt mij: ik heb nu reeds de 8e inblazing gehad en de zaak wordt erg vervelend. Daarbij komt dat een pneumothorax - alleszins met elke maand een inblazing - drie jaar moet blijven bestaan, dus drie jaar lang (plus-minus) moet ik, elke maand, een blaasje van ± 400 cm3 ‘verse locht’ gaan halen. Te Antwerpen terug, bij Dr. Mutsaers. Maar op reis b.v.? ik zal verplicht zijn in diverse steden de pneumothoraxisten te leren kennen en weldra zal ik kunnen zeggen wie of het beste ‘blaast’. De twee eerste dagen, na zulke blaasoperatie, ben je doorgaans niks lekker, ook de maag wordt gedrukt, wat niet de bedoeling is, maar er zo maar bijkomt. Dientengevolge, o ongelukkige spotster, is het uit met de aanwinsten van halve-kilo's. De pneumothoraxman vermagert eerder. (wat echter bij mij niet het geval, alleen de halve kilo's komen niet meer als zuivere winst opdagen.[)]

Bezoeken? du Perron - Burssens. Waarschijnlik gebeurt er een nieuwverzorgd-tijdschrift, zonder houtsneden deze keer. Hollanders en Vlamingen. Van af 25 januarie, denk ik, weer te Antwerpen woonachtig te zijn. Dan zou ik over dat ding de plak zwaaien voor Vlaanderen.

Intussen, met de hartelikste groeten,

 

B. à t.
Paul

 

Na zijn brief van 15 november had Du Perron een der twintig exemplaren van zijn zojuist gereed gekomen dicht- en prozabundel Alle de rozen aan Van Ostaijen opgestuurd, voorzien van de volgende opdracht: ‘Aan de kranke dichter / van Miavoye-Anthée, / met beste wensen voor een spoedige / beterschap en een reeks nieuwe verzen / Zijn vriend / E du P.’

Op deze toezending en Du Perrons laatste brief reageerde Van Ostaijen met het onderstaande, waarin hij eerst het gesprek over het tijdschrift voortzet en vervolgens constateert dat de ‘galerij ‘Urbain van de Voorde's’ en consoorten’ in het werk van Du Perron na Alle de rozen weer verder is uitgebreid. Hiermee doelt hij op de figuren Leonard die in Nameno's terugkeer, Urbanus die in De derde Nameno en Bennie die in Een bloempje aan het eind een even weinig heldhaftige rol spelen als Karel in de acht prozastukken uit Alle de rozen.

[22-11-27]

Beste du Perron,

Goed, je bent geestdriftig en ik wil maar hopen dat die geestdrift een tijdje duurt, want, met mutuele geestdrift houden wij wellicht elkander en vooral het tijdschrift recht. Ik had trouwens reeds aan Dinger geschreven

[p. 901]

dat ik bereid was de redaktie en administratie voor Vlaanderen op mij te nemen, ‘te zamen... met du Perron’, om je onafhankelikheidsdrift toch een beetje aan banden te leggen. Nu je zelf voorstelt toch maar te beginnen, doet me dat natuurlik veel plezier.

Ziehier echter enkele punten, waar je nog eens zou moeten over na denken:

1o)het tijdschrift zou rond 1 januari moeten verschijnen. Indien ik echter de administratie moet doen, zo ben ik op dat ogenblik nog niet gevechtsklaar. Er moet een postcheck genomen worden op naam van een onzer, de abonnenten betalen in de meeste gevallen bij middel van postcheck. Wil jij die postcheck op jouw naam nemen, dan is alles in orde. Moet ik hem echter nemen, zo kan dit niet voor 20 januari gebeuren.
2o)Verschijnen wij op 1 januari, dan heb ik geen tijd te Antwerpen mijn best te doen om abonnenten te werven, want zoiets gebeurt vóór of tegelijk met het verschijnen van het 1e nummer.
3o)Een andere mogelikheid is, om de twee maanden op 48 blz. b.v. te verschijnen; op die wijze konden we 1 februarie als vertrekpunt nemen en dan zou ik, indien jij zelf die postcheck niet wenst, de administratie kunnen in orde brengen, benevens het mijne bijdragen voor het werven van abonnenten.
4o)Indien je echter deze bezwaren niet gewichtig vindt en de eerste maand voor alles in staat, de tweede voor de helft, dan is het mij ook goed op 1 januari te verschijnen.
5o)Ik denk dat het best is de namen van de redakteurs kenbaar te maken op het circulaire. Neem er Burssens bij. Schrijf hem op zijn adres: Gaston B., Koning Albertstr., Wilrijck-Antwerpen en vraag hem tevens een gedicht voor nummer éen. Zodra ik terug ben, kunnen wij nader overleggen.

Ik kan voor het eerste nummer geven: Alpenjagerslied en Boerecharleston, twee gedichten. Voor het tweede nummer: 5 bladzijden proza's. Op die wijze staan de twee eerste nummers, grosso modo klaar, met Blijstra en iets van Burssens, en dus ‘Huize aan Zee’. Als ik het zo overdenk, ziet het er zelfs verdomd niet kwaad uit, (als nou maar die Dinger geen stuk van Ten Kate instuurt).

 

Overweeg nog eens rijpelik pro en contra voor 1 januarie of 1 februarie. Ik ben voor het laatste, omdat ik dan, bij het gemene werk, beter meehelpen kan en het heus aangenamer [is] die stomme dingen met z'n tweeën te doen dan alleen. Maar ik neem ook vrede met alternatief éen.

 

Ik heb ‘alle de Rozen’ met plezier gelezen, een amusante boutade. Je galerij ‘Urbain van de Voorde's’ en consoorten wordt aanzienlik:

[p. 902]

Leonhard, Urbanus, de held van ‘een Bloempje’ en nu weer Karel... Wat denk je over het geval van Dr. Jekyll? Ik zou wel gaarne je mening bijtreden over het onderscheid dat er bestaat tussen Stevenson en Conny Veidt, maar daarvoor is het volstrekt nodig dat je me dit, bij herhaling beloofde opus stuurt. Anderzijds ben ik helemaal zonder lektuur, zodanig dat deze Stevenson in perspektief een biezondere gewichtigheid kreeg.

Ik verwacht dus des heren Greshoff's schrijven. Zeker komen we tot een akkoordje.

Aan jou de beurt.

 

Bien à toi,
Paul v O

 

Reeds de volgende dag, op 23 november, beantwoordde Du Perron Van Ostaijens brief met een verdere uitwerking van de tijdschriftplannen. De prijs van het drukken bij Breuer schat hij daarbij aanmerkelijk lager dan de opgave die hij in april15 van hem ontvangen had.

 

Brussel, Woensdagavond.

 

Beste van Ostaijen,

Je hebt verdomme alweer gelijk! Ik heb je brief gelezen en kan niet anders meer willen dan verschijnen met Februari (niet met Januari). Het is voor alles beter, misschien ook voor de vorm van het blad zelf. Wij moeten echter met 64 blz. verschijnen, of minstens 56. - In nr. 1 komt dan: Boere-charleston en Alpejagerslied (2 blz.), een stuk proza van Blijstra (3 blz.), iets van Burssens (1 blz.), iets van Dinger (1 blz.), het hele Huizeaan-Zee (36 blz.), proza van jou (5 blz.); dat zou nog maar maken 48 blz. - (wat duivel, heb je 't ook misschien al zo uitgerekend?) - dus je ziet: ook als Burssens, Blijstra en Dinger ieder een blz. erbij krijgen, dan is er nòg ruimte. De vraag is: in hoeveel exx. moet het blad gedrukt worden? Als het 200 exx. is, dan moeten wij rekenen op ±250 frs. de 16 blz., dus op 750 frs. de 48 blz., d.i. op ± 53 gld. Blijstra, Dinger en ik wilden ieder fl. 10 in de maand geven, dus fl.20 in tweemaal die termijn; wij zouden dus nog 7 gld. hebben = ±95 frs. Acht blz. meer (om op 56 blz. te komen) zou ±125 frs. moeten kosten, maar als ik Breuer garandeer dat het tijdschrift minstens 6 nrs. zal hebben, dan doet hij het wel, denk ik, voor wat wij geven kunnen, of desnoods doet een van ons: jij, Burssens of ik, die 30 frs. per 2 mnd. erbij. Dus: waarom niet 56 blz? - Maar nu de kosten die met de administratie gepaard gaan? misschien moet daarmee ook gerekend worden, tenzij Dinger, in Holland, jij in België, die voorschieten, met de bedoeling en in de hoop ze uit tenminste enkele

[p. 903]

abonnementen en verkochte nrs. terug te krijgen. - Hoe denk je je de verdeling ook in? Honderd exx. voor Vlaanderen (naar jou), honderd exx. voor Holland (naar Dinger)? En de medewerkers, hoeveel exx. krijgen die van elk nr. waar iets van hen instaat? en de redakteuren? - Ik stel je deze vragen omdat je veel meer van die dingen afweet dan ik, maar je hoeft ze mij eigl. niet te beantwoorden; schrijf er Dinger over; en geloof van te voren dat ik overal mee akkoord ga. - Als Burssens in de redaktie komt, is er dunkt mij een even kwalitatieve als kwantitatieve meerderheid voor Vlaanderen: Van Ostaijen, Burssens en E. du Perron aan de ene, Blijstra en Dinger aan de andere kant?! het is niet om onszelf te vleien, maar vóór ik nadere proeven van het kunnen dier beide heren heb, meen ik te mogen opmaken ... Ik stel je voor: de redaktie voor Vlaanderen liever met Burssens te doen (officiëel altans); ik beloof je plechtig dat ik je helpen zal overal waar ik kan en waar je het wenst, en als ware mijn naam in de verfijndste letters op het prospektus gezet. - Ja, dat prospektus ook, of die cirkulaire! stel jij die in 's hemelsnaam op, anders krijgen we van Dinger iets ontstellends. Zend hem aan D. op ter goedkeuring, en laat hem desnoods wijzigen - als de eerste inspiratie maar niet van hem komt. - Résumons: 1 Febr., postcheck op jouw naam, 56 blz. als het kan - en als je je toch verveelt: beproef de cirkulaire. Le Reflux en Jekyll & Hyde zend ik Vrijdag of Zaterdag: reken dus uiterlik Maandag bij jou. (Ik heb ze n.l. niet hier en moet ze ophalen). Hart. gr. v. je

 

EdP.

 

De volgende ochtend voegde Du Perron hier nog een briefje aan toe, waaruit blijkt dat de definitieve naam van het tijdschrift, Avontuur, van hem afkomstig is.

 

Donderdagmorgen.

 

B.v.O. - Ik krijg een grappige brief van Blijstra die Dinger niet goed verdragen kan en die krachtig tegen volière protesteert. ‘Noemen jullie dat ding in godsnaam niet ‘Volière’! zegt hij. Hij wil nog altijd: de papieren boot. Ik niet, gegeven vooral de nieuwe vorm (2 mndliks tijdschr. v. 56 blz.) van het orgaan. Zoek jij ook wat. Ik heb vrij lang met een naam rondgelopen die mij nog altijd heel goed lijkt: avontuur. Het lijkt mij goed als tegenstelling van de roeping-mensen en de anderen die leidstar of zoiets op hun blad zouden kunnen zetten. Het lijkt mij goed om de verschillende betekenissen die het heeft, om de klank van het woord en omdat het niet direkt aan een vroeger blad met soortgelijke naam doet denken. Wat mij in volière het meest hindert is dat de

[p. 904]

vergelijking met vogeltjes - of, als je verkiest: de term aan de vogelwereld ontleend - mij van de distelvinck schijnt afgekeken. Ook, dat het feitelik geen Nederlands woord is. - Maar misschien vind jij iets veel beters. Schrijf spoedig.

 

Groeten.
Je EdP.

 

Het overleg tussen Du Perron en Van Ostaijen, die tezamen vrijwel alles voor het tijdschrift regelden, werd ook door Van Ostaijen zonder onderbreking voortgezet. Wie hij in zijn brief op het oog heeft, als hij naar aanleiding van de rubriektitel ‘Zangzaad’ aan ‘die ‘Zaadzak’, gene vlaamse dichter’ zegt te moeten denken, is niet duidelijk.

Verder blijkt dat Van Ostaijen niet alleen voor het werk van Willem van den Aker, wiens Wijding. Muziek der sferen hij in Quelques notes sur la situation artistique en Flandre16 besproken had, maar ook voor dat van de Stijlredacteur I.K. Bonset weinig waardering op kon brengen, evenals dit laatste reeds omgekeerd uit diens bespreking van Bezette stad17 was gebleken. Behalve Albert Helman, wiens werk hij uit De Gemeenschap kende, stelt hij als mogelijke medewerker ook de Brusselaar Marc. Eemans voor, van wie hij enige gedichten in La Lanterne Sourde had gehoord.

Aan het slot van zijn brief meldt Van Ostaijen de goede ontvangst van Le reflux, de vertaling van Stevensons The ebb-tide, dat hem rechtstreeks door de Brusselse boekhandel Henriquez was toegestuurd.

[Miavoye-Anthée, 25-11-27]

Mijn beste du Perron,

Goed, die brief van je die me weer op humeur brengt; een paar dagen tevoren had ik toch zo'n geweldig stomme brief van Dinger ontvangen, dat ik weer helemaal niet wist hoe het nu verder moest. Gelukkig schieten wij een beetje flinker op. Die Dinger, - jij noemt hem een beschroomde knaap - maar ik voor mijn part vind hem de zuiverste Ten Kate die men zich denken kan, afgezien dan van het woordje ‘oover’, dat hij met twee o's schrijft, als bewijs van de moderniteit van deze dichter van 't Gooi; een spelling die trouwens werd afgekeken van die andere Ten Kate, die van Eeden heet. Ik zend je die brief hierbij. 'T is een biezondere brok. Vergeet niet hem terug te sturen met je antwoord. Ik moet, eilaas, de heer Dinger nog antwoorden op die rommelzooi van voorstellen. Voor de rest, ziehier antwoorden op de vragen en voorstellen in jouw brief van Woensdag-Donderdag:

1e) Ik ben altijd tegen de naam ‘Volière’ geweest. Maar om niet van meet

[p. 905]

af de spelbreker te spelen, heb ik hem geaccepteerd. Nu echter de heer Dinger die tietel tot de vader van een reeks onderverdelingen wil maken, is hij - de tietel - me plots toch te erg geworden. Dinger spreekt van een afdeling die, jawel, ‘Zangzaad’ zou heten. Hoe vin-je die geestige Ter Haar? (En daarbij denk ik steeds aan die ‘Zaadzak’, gene vlaamse dichter...)

Kortom: ik ben dus tegen ‘Volière’. ‘Avontuur’ vind ik een zeer geschikte naam. Laat ons daarbij blijven. De spot stuit er op af, van wege de zelfbespotting die, hier, veel amusanter klinkt dan in ‘Volière’. Een ‘Avontuur’ kan mislukken, soms kan het slagen. Met de tietel aanvaarden wij elke alternatieve.

Wat de finant[c]iële medewerking betreft, ik wil wel 50 fr. per nummer bijleggen. Ook Burssens, vermoed ik. Komen wij echter tot een zeker aantal abonnenten, dan zouden deze het - voorlopig - tekort goed maken. Mijn ziekte laat me geen buitensporigheden toe.

Ik ga akkoord met een nummer van 56 blz. tweemaandeliks. Het nr. zou dan in Vlaanderen 7.50 fr. moeten kosten; een abonnement 5 × 7.50 (dat is éen nr. gratis als abonné) 37.50 fr. Dinger moet de prijs voor Holland bepalen.

80 exemplaren voor Vlaanderen - 80 voor Holland, elk medewerker heeft recht op twee exemplaren van het nr. met zijn bijdrage; elk redakteur, éen abonnement, plus zoals de medewerkers in geval van medewerking. Van het eerste nummer zouden minstens 300 ex. moeten gedrukt worden. 100 ex. meer voor propaganda: pers, proefnummers, enz.

Neen, je moet in de redaktie. Ik weet wel dat er iets zeer plezierigs is in de rol van onafhankelik outsider. Maar daar gaat het niet om. Juist omdat ‘Holland’ hier te licht weegt, moet ‘Vlaanderen’, vanwege de reklame, mijn jonge vriend, een beetje doorwegen. Het hoort dus te zijn: Blijstra, Burssens, Dinger, E. du Perron, P.v. Ostaijen. Alle briefwisseling betr. red. en administratie, voor Holland, aan Dinger, voor Vl. aan Ostaijen.

Verder: nu moeten de medewerkers geïnviteerd worden. (I.K.Bonset, aan deze blague deed ik liever niet mee). Of is dat reeds gebeurd? door Dinger? Ik zou het jammer vinden. - A propos: er is nog een jonge Brusselaar die voor medewerking in aanmerking komt, namelik Marc Eemans, van wie ik een paar aardige futuristiese gedichten hoorde. In Holland, komt zeker ook nog Lou Lichtveld-Albert Helman (een ‘janus met het dubbele voorhoofd’) in aanmerking. Het is zeker een van de fijnste Hollanders.

Wat verder nog de brief van Dinger aangaat, mijn hoofdbezwaar tegen al zijn voorstellen, is het vreselike geknoei en gelul. Ten tweede, een vervelend liberalisme, waarbij men op de duur ook nog de straatjongens

[p. 906]

om advies zou vragen.

Jouw voorstel de lezers ook 'ns te laten spreken, is niet kwaad, alhoewel, prakties, daar weinig gebruik zal van gemaakt worden. Maar dat geknoei met die anti-kritiek! - Is de anti-kritiek plezierig, dan nemen we ze vanzelf op. Maar is ze idioot, dan vind ik het verkeerd ze op te nemen alleen omdat ze anti-kritiek is. Hoe ver Dinger staat, komt echter uit zijn motificering: ‘ook het toneel tracht weer het publiek aan de handeling te doen deel nemen.’ En dan zijn voorstel over ‘Zangzaad’... verdomd aardig, vin-je niet?

Die Willem v.d. Aker, waarover Dinger het heeft, is een verschrikkelike sous-Brunclair.

Ziedaar, weer enkele punten in 't licht gesteld.

 

Ik ontving met de na-middag post ‘Stevenson - Reflux’. Dank. Maar God, mijn bedoeling was niet je naar Henriquez te sturen, toen ik je om die werken vroeg. Ik meende je hadt ze maar om 't grijpen.

In de hoop weer enkele preciesere aanduidingen van jou te ontvangen

 

Poot van je
Paul v O

 

Aan het eind van de week waarin Van Ostaijen en Du Perron elkaar haast om de andere dag over Avontuur hadden geschreven, stemde de laatste erin toe deel van de redactie uit te maken. Op het punt van de uit te nodigen medewerkers is Du Perron het geheel met Van Ostaijen eens, maar hij brengt daarbij nogmaals de dichters van Het Fonteintje naar voren, waarop Van Ostaijen tot nog toe niet gereageerd had.

Uit de aangekondigde lectuur in het postscriptum van zijn brief spreekt Du Perrons grote belangstelling voor detectiveverhalen.

Zijn bewondering voor Le crime d'Orcival (1868) en Monsieur Lecoq (1869) door Emile Gaboriau, die hij tot ‘de eerste en beste detectiveverhalen’ rekent18, werd, naar later zal blijken, niet door Van Ostaijen gedeeld.

[Brussel, Zaterdag. 26.11.27]

Beste Van Ostaijen,

Het beste is, dunkt mij, het idee van het bedrukte omslag te laten varen. Je hebt gelijk, als de brief of anti-kritiek erg aardig is kunnen we hem een goed plaatsje geven, anders niet. Overmorgen staan er stukjes als van De Dood in ons blad. - Goed, ik maak dus deel uit van de redaktie.

Trouwens, zoals je je lijstje opstelde behoeft er niet eens bij te staan wie voor Holland en wie voor Vlaanderen, de vijf namen en dan: adres voor

[p. 907]

Holland: Dinger; adres voor Vlaanderen: jij? Stel nu gauw de cirkulaire op en sluit ze in je antwoord aan Dinger! - ‘Zangzaad’ was overheerlik! - Schrijf D. dat je akkoord gaat met avontuur. Ik schrijf Blijstra vandaag over die naam, hij gaat wschl. ook akkoord. Ik heb Dinger gisteren geschreven: dat jij en ik voor een 2 mndl. tijdschrift waren - met het oog op verzending, port, administratie, verkoop zelfs, en niet het minst: vorm - dat het 1e nr. ‘bezet’ was of nagenoeg, dat we voor verdere medewerkers alias deelnemers later nog altijd konden zien, en dat hij mij eens moest opgeven wie van de door hem genodigden reeds ja hadden gezegd.

- Neen, alsjeblieft geen Bonset - hoe kòmt Dinger daarbij? als het een beetje wil bedoelt hij er een vriendelikheid mee tegenover jou! - wat van den Aker betreft, dat moet jij uitmaken; Brunclair eveneens. Van mij: een blanco papiertje in deze. Maar ik heb wèl lust om Minne, Roelants en Herreman te vragen; niet direkt misschien, maar later. (Bij Roelants denk ik aan proza.) De vraag is of die heren, die in De Gids verschijnen, willen. - Het voornaamste is: het systeem van lezen: als we dat met ons vijven moeten doen, kan dat geld kosten. Maar zoiets zal het toch moeten worden. Bespreek dit met Dinger. Het zuiverst is, dunkt me, ieder ontvangen stuk doet de ronde en ieder van ons vijven legt er een papiertje bij: vóór, blanco of tegen. Als ieder nu maar geen 14 dagen over het lezen doet zou het best gaan. - Stevenson heb ik niet speciaal voor jou bij Henriquez gehaald: het wàs gekocht en uitgeleend; ik heb het alleen van daaruit laten verzenden. Zo komt er misschien nog wel meer. Nu, tot nader. Hartelike groeten, je

 

EdP.

 

P.S. - Als je eerstdaags 2 detective-verhalen van Gaboriau ontvangt, schrik dan niet: Le Crime d'Orcival is uitstekend, en het 1e deel van Monsieur Lecoq een meesterwerk. Cocteau vindt die dingen heerlik en zegt dat, om een gelijk plezier te ondervinden, men bij Stendhal moet gaan reeds of Balzac. Er is veel van aan. Het is slechter nog geschreven, maar Gaboriau was verre van een stommeling. Probeer maar. Er is géén overeenkomst tussen Gaboriau en de Ivans of andere Holl. detectiefverhalen! Déze zijn trouwens v/h Twe[e]de Keizerrijk en geschreven vòòr Conan Doyle (Sherlock Holmes).

 

In Van Ostaijens eerste brief aan Burssens over Avontuur wijst hij erop dat het tijdschrift ‘alleen op het kwalitatieve standpunt’ staat en dus geen bepaalde richting zal vertegenwoordigen. Daarbij neemt hij Du Perrons voorstel over en somt onder de uit te nodigen medewerkers ook Richard Minne op met een kleine toelichting bij deze keuze.

[p. 908]

[Miavoye-Anthée, 28-11-27]

Beste Gaston,

Zoals je misschien van du Perron vernam, ben je tot mederedakteur van een nieuw tijdschrift gebombardeerd. Het tijdschrift zal heten ‘Avontuur’, wat me, als standpunt tegenover tijdschriften als ‘Ruimte’, ‘Roeping’, goed lijkt. Ik ben er van overtuigd dat je niet zal weigeren. Voor Vlaanderen zijn er: Jij, du Perron, ik. Voor Holland: Blijstra, Dinger (deze laatste is niet veel zaaks, maar hij is tevens de uitgever voor Holland. Enfin, een pis-aller).

Het tijdschrift staat alleen op het kwalitatieve standpunt. ‘Het gebed voor de galg’ van Minne is beter dan de wereldhervormende maar slechte gedichten van b.v.v.d. Oever. Wij inviteren nog: Marsman, Minne dus, Albert Helman, Lou Lichtveld, Jan Engelman, M. Gijsen, V. Brunclair (immers je bent wel tot een relatief eclecti[ci]sme verplicht); nog een paar jongeren.

De redakteurs steunen het tijdschrift. Evenwel is dit niet een dwang. En elk geeft wat ie kan.

Het tijdschrift verschijnt tweemaandeliks op 56 blz. Kost 7.50 per nummer. Dat is niet te veel. 37.50 per jaar. Formaat 8o, kleiner dan ‘Vl. Arbeid’.

Stuur wat voor het eerste nummer. Tot hiertoe gaat daarin verschijnen, het verhaal ‘Huize aan Zee’ van du Perron (36 blz.), 2 gedichten van mij (2 blz.) Van jou: gedichten of proza (1-6 blz?), van Blijstra, proza, 3 blz., en verder nog een paar invité's.

Schrijf me nu gauw dat je met alles 't akkoord gaat. Wij moeten toch ook eens iets proberen, verdomme!

Beste groeten, ook voor je vrouw en de vrienden

 

je Paul

 

De volgende brief van Du Perron handelt voornamelijk over de inhoud van het eerste nummer, die na ontvangst van de bijdrage van Blijstra gewijzigd moest worden. De verhalen die Du Perron ter vervanging van Het drama van Huize-aan-zee opsomt, zijn alle uit Nutteloos verzet, waarvan Van Ostaijen het handschrift reeds gelezen had. Voor alle zekerheid sluit aan bij Zo leeg een bestaan, zodat hij aan dat laatste verhaal de voorkeur gaf, al hadden drie hoofdstukken ervan reeds in het derde en vierde nummer van het daarna opgeheven Haagse tijdschriftje van Jean Demets en Jan de Vries, Het Woord, gestaan.

Du Perrons plan om fragmenten uit zijn Cahiers van een lezer in het tweede nummer te plaatsen, is niet doorgegaan, zodat zij pas in 1928-1929 voor het

[p. 909]

eerst verschenen zijn en wel als in eigen beheer uitgegeven boekjes met een oplage van 30 exemplaren. Het nieuwe verhaal waar hij aan bezig was en dat hij voor het derde nummer bestemde, Avonturiers, voltooide hij in februari 1928 en is nooit in Avontuur opgenomen.

[Brussel, 29 Nov. '27]

B.v.O.

Ingesloten een brief van Dinger. Dit bespaart mij lange uitwij[ei]dingen. Hij stuurt Program (een kwatrijn), Bespiegeling (een gedichtje van 9 regels), en 15 kwatrijnen. Het geheel erg dragelij[i]k: ik zend ze je op in een volgende brief, als je wilt, anders wordt deze te zwaar. Blijstra wil graag in nr. 1. een één-akter, Het Spookslot. Ik zie mij dus gedwongen plaats te maken, maar doe dit zeer gaarne. Ik zie nu voor nr.1.

Van Ostaijen, Verzen 2 blz.
idem, Proza 5 blz.
Dinger, Verzen 3 blz.
Burssens, Verzen 3 blz. (?)
Blijstra, Eén-Akter 16 blz.
    -----

Dus: 29 blz. - of laten we het ruimer nemen, 32 of 33 blz. Ik zou dus een verhaal moeten geven van ± 24 blz. Voor de helft van H.a.Z. is dit te veel, voor het geheel, te weinig. Ik zie ook op tegen het in twe[e]ën snijden, mede met het oog op de proefnummers. Toch gaf ik liefst voor dit eerste nummer iets werkelik goeds. Je weet waarover ik beschik: geloof je niet dat het beste is: Zo leeg een bestaan te geven, al heeft het dan ook gedeeltelik in ‘Het Woord’ gestaan? In ‘Het Woord’ verscheen hfdst I-III; IV-VII zijn dus inédit. Een onaf verhaal = geen verhaal. Dus, met een beetje goede wil... Schrijf me wat je hiervan vindt. Bedenk ook dat Historie van Gevoel véél minder is en dat Voor Alle Zekerheid desnoods zou kunnen verschijnen na, maar moeilik zonder, Zo leeg een Bestaan. Als je ‘ja’ zegt is alles opgelost: ik vraag voor de vorm nog het gevoelen van Dinger en Blijstra. - Ik heb ook nog andere bezwaren tegen de publicering, in tijdschrift, van Huize-aan-Zee: vnl. het persoonlik karakter ervan. Mijn boeken, zoals je weet, verschijnen in 120 exx.19, en met 3 andere verhalen: passe! - maar in een tijdschrift-nr. en vooral in twe[e]ën gesneden: men zou kunnen denken dat ik de dood van mijn vader als een soort ‘interessantheid’ op zichzelf heb geëxploiteerd. - In nr.2 denk ik niets te geven (of misschien een boekbespreking of iets dergelijks? ik denk aan: ‘Bladen uit de Cahiers van een Lezer’, en die te tekenen Kristiaan Watteyn?) - maar voor nr 3 heb ik wel een nieuw verhaal klaar, waar ik al lang mee rondloop; laat ons het tenminste hopen, de Winter ten spijt!

[p. 910]

Ik heb Dinger gezegd dat ik zijn Program niet op blz.1 wil: 1e omdat ik jou (als zijnde de bekendste van ons allen) voorop wou hebben; 2e omdat ik zijn éne kwatrijn Program niet met een gedicht van een ander kan laten samengaan, zodat het erop neer zou komen dat hij de eerste plaats innam; 3e omdat ik ook tegen dit verdelen-zelf bezwaren heb en het werk van de medewerkers liefst bij elkaar zag. Ben je dit met mij eens?

Wat de vast te stellen oplaag en prijzen betreft heeft hij zich met jou te verstaan. Ik ga bij voorbaat akkoord. Alleen geloof ik dat, vóór wij de abonné's krijgen, wij met 200 exx. genoegen kunnen nemen (behalve dan de 300 exx. voor nr.1). Het Alfa-papier is vrij duur, zodat het verschil, vooral bij 6 nrs., niet te verwaarlozen valt.

Schrijf hem dat ik zijn brief heb doorgezonden en dat - enz. Zeg ook dat je met Avontuur akkoord gaat en dat Burssens èn ik in de redaktie komen. En wat je hem meer te vertellen hebt; het beste is, dunkt mij, zijn voorstellen te voorkomen.

Tot nader. Houd je ferm en geloof me steeds je

 

EdP.

 

In een tweede envelop verzond Du Perron tegelijkertijd nog een briefje. Evenals hij naar aanleiding van zijn eigen Ballade der Polderlandsche onrustige kapoenen in zijn brief van 6 oktober had gedaan, noemt hij ook nu weer het werk van Laurent Tailhade als geslaagd voorbeeld van satirische poëzie. Dingers boutade, waar Du Perron over schrijft, was gericht tegen het in oktober 1927 opgerichte ‘Algemeen Maandblad’ Nu, onder redactie van Is. Querido en A.M. de Jong.

 

II

B.v.O. - Ik zend je Dinger's gedichten maar tegelijkertijd, in een andere enveloppe. Voor de port komt het op hetzelfde neer. Stuur ze me terug, maar de brief mag je verscheuren. (Ik hèb erop geantwoord, ik schrijf vlijtig, want ik ga niet uit, met deze vervloekte kou.) - Ik vergat je in het andere briefje te zeggen dat ik er tegen ben nu reeds zijn boutade tegen Nu te plaatsen. Laat ons in nr.1 voor onszelf spreken en tegen niemand.

Komen de Nu-mensen ongezocht tegen ons los dan kunnen we het hekeldichtje van Dinger plaatsen, met misschien nog wat erbij. Merk je: Dinger heeft op rijm leren schelden van Kloos (die het zelf ook altijd vrij zieligjes gedaan heeft).* Hij had beter gedaan van Tailhade de kunst af te kijken. Als de versvorm er alleen maar is om de woorden een zekere klem bij te zetten, laat het dan tenminste vlot gaan!

 

Je EdP.

[p. 911]

*Ken je dit heerlike gestotter (tegen J. -K. Huysmans):

 

...uws kops

Afslaan niet waard zijnd, waard zijnd wel des strops

Bloedstremming onafwendbaar...

Daar is dit gedichtje van Dinger een vlindertje bij.

 

P.S. Schrijf jij Burssens maar om hem uit te nodigen. Je hebt daartoe minstens evenveel ‘recht’ als ik!

 

Dezelfde dag accepteerde ook Burssens het redacteurschap van Avontuur. De ‘zaken’ die hem nog geen al te hoge geldelijke bijdrage toelieten, slaan op zijn handel in granen en derivaten, waarmee hij in zijn levensonderhoud voorzag.

Aan het ‘kwalitatieve standpunt’ waar Van Ostaijen hem over geschreven had, verbindt Burssens onmiddellijk de meer programmatische consequentie ‘alle humanisten van ons af [te] trappen’ en, zonder zich ertegen te verzetten, toont hij zich wel lichtelijk verbaasd over de uitnodiging aan de toen ‘zeer katholieke heer’ Marnix Gijsen.

[Wilrijk 29-11]

Beste Paul

Natuurlik wil ik gaarne medewerken aan ‘Avontuur’ en zal ik je over een paar dagen wat zenden voor het eerste nummer. Eindelik zullen we dan toch eens een ‘tijdschrift’ hebben. Ik feliciteer je, evenals du Perron, ‘voor het genomen initiatief’!

Dat het tijdschrift alleen op het kwalitatieve standpunt staat, vind ik uitstekend; laat er ons dan maar streng de hand aan houden en alle humanisten van ons aftrappen.

Kwestie is nog: hoelang zal het tijdschrift kunnen bestaan? We moeten minstens éen jaargang kunnen voleindigen. Op hoeveel zijn de kosten per nummer beraamd? Ik vermoed dat du Perron de grootste finant[c]iële steun zal wezen, maar wat is volgens jou de steun die ik moreel verplicht ben te verlenen? Zeg mij een minimum, zo mogelik zal ik er dan een maximum van maken, dat echter ook niet groot zal zijn, momenteel altans niet, want de zaken gaan nog niet beter.

Tussen de lijst van de gevraagde medewerkers zie ik ook M. Gijsen; heb je deze toezegging al gekregen; voor mijn part twijfel ik er aan of deze zeer katholieke heer in een gezelschap als b.v. het mijne zal willen figureren. In elk geval: mij om 't even.

Hoe stel je het nou? Op zijn best, hoop ik. Rond Kerstmis-Nieuwjaar kan

[p. 912]

ik je nog eens bezoeken; ik hoop je dan weer een paar stappen voorwaarts in de goede richting aan te treffen.

Mijn vrouw laat je vriendelik groeten.

 

Da-ag
je Gaston

 

P.S. Van du Perron heb ik niets ontvangen.

 

Eind november of een der eerste dagen van december zond Van Ostaijen het concept van een circulaire voor Avontuur aan Du Perron. Het grootste deel van zijn begeleidende, ongedateerde brief is gewijd aan de kopij en de brief van Dinger, die Du Perron hem had doorgestuurd. Uit Van Ostaijens opmerkingen is af te leiden dat Dinger in zijn verloren gegane brief Marsman en Houwink verweten had ‘naar officialiteit’ te dingen, welke kritiek Van Ostaijen aan Seuphor-Berckelaers deed denken. Verder had Dinger kennelijk de Bussumse componist Hugo Godron als medewerker voorgesteld.

 

Beste du Perron,

In haast zend ik je wat ik als cirkulaire heb bijeengebracht. Korrigeer wat je verkeerd voorkomt. Verder, zouden wij nog moeten vernemen:

1)hoeveel een los nummer in Holland moet verkocht worden.
2)De schrijversnaam van Blijstra: Karel, Lodewijk Blijstra?
3)Het postchecknummer.

Dit laatste is een zaak die jij misschien kunt oplossen. Het bureau van de postchecks is Rue de la Chancellerie te Brussel. Men moet 20 fr. op een naam storten - de mijne dus - dan is men abonné en krijgt een nummer. Ik geloof niet dat het nodig is dat ik persoonlik aanwezig ben bij deze operatie. Zodra je dit nummer hebt, maak je er van gebruik voor de cirkulaire. Maar misschien vraagt men mijn handtekening.

 

Van Burssens ontving ik een geestdriftig antwoord. ‘Natuurlik wil ik gaarne meewerken aan ‘Avontuur’ en zal ik je binnen een paar dagen iets zenden voor het eerste nummer. Eindelik zullen we dan toch eens een ‘tijdschrift’ hebben. Ik feliciteer je, evenals du Perron, ‘voor het genomen initiatief’.’

 

De kopij van Dinger is dragelik. Nochtans, laat ons eens niet vergeten dat zijn kwatrijnen (om de duvel nog toe, waarom schrijft-ie ‘kwadrijnen’?) niet meer dan een imitatie van ‘Filter’ zijn, langs alle zijden.

Bescheidenheid wellicht verhindert je het te zien. Er zijn [er] die gans die gans [herhaald] de geest van ‘Filter’ hebben, b.v. een van de beste die vent die achter zijn loopse hond te fluiten loopt. Andere stukjes ‘der waangedachte

[p. 913]

niet; der wangedachte’ komen van Kloos.

Verder: jij die Dinger het best kent, overtuig hem toch die flauwe praat van ‘waarvoor ik een uitgever zoek’ weg te laten. Wij geven toch zelf uit, zeker Dinger. Zijn komiese noot betekent dus niet anders dan het volgende: ‘ik ben weliswaar een uitgever, maar indien ik met mijn eigen produktie maar eens onderdak vond bij v. Kampen of Querido, ik weet wie er zou bij zijn.’

Er staan enkele tijp[type]fouten in de stukken van Dinger. Ik heb er een streepje gezet, in het wit.

Dinger's uitval echter op Houwink en Marsman wil me niet best van de maag. We mogen het kwalitatieve standpunt nu ook weer niet omkeren. Het [is] jammer dat deze jonge Hollanders zo naar officialiteit dingen, zeker. Maar ondertussen is Marsman toch een van onze beste poëten en als wij vlaamse officiële als Roelants inviteren, mogen wij ook hollandse officiële als Marsman inviteren. Maar van Dinger die toch nog een zeer jonge knaap is, hoor ik die kritiek niet graag. Ook Berckelaers was zo een man die de mond vol had over zijn kollega's en die eventueel met éen woord Gide omver sloeg.

Ik stel de vraag: wie inviteren wij? En ik wou, enige logika, bij deze aktie. Albert Helman schrijft aardig proza en van Jan Engelman las ik een aftakeling van U.v.d. Voorde die waarachtig raak was.20 Zouden die nu minder waard zijn dan de door Dinger genoemde heren: Hugo Godron enz.? Ik betwijfel het zeer. Ziezo, dat is voorlopig weeral genoeg.

 

Poot van je
Paul v.O.

 

[P.S.] Zeker, laat ons om Godswil het gedicht tegen ‘Nu’ niet in het eerste nummer publiceren. Wat ‘Program’ betreft, het is te dun voor de 1e blz. en om als ‘Program’ te dienen.

 

De eerste der bewaard gebleven brieven uit december is afkomstig van Tine Ceulemans, die daarin haar kroniek over de kennissen en concerten voortgezet heeft. In het verslag over Juliane Gabriëls op de galavoordracht van de Vlaamsche Toeristen Bond slaat haar opmerking over de Antwerpse schepen J.J. Junes, nl. ‘Hij had er moeten bijzeggen met verstand’, op het toen bekende liedje: ‘Ik heb gelot - al met verstand - en 27.000 had em in z'n hand’.

De alinea over de Antwerpse biscuitfabrieken van De Beuckelaer staat in verband met het feit dat Jan Ceulemans daar een administratieve betrekking had.

Over de bevriende schilders wist ze voorts te melden dat Floris Jespers een

[p. 914]

tot garconnière dienende studio had betrokken en dat Paul Joostens in de Antwerpse kunstzaal Oor exposeerde.

Zij eindigt haar brief met de toezegging zich, als het haar financieel mogelijk is, op het ‘H.V.’, d.w.z. Hollands-Vlaams, tijdschrift te abonneren, zodat ook zelfs in deze correspondentie Avontuur weer ter sprake komt.

[1 December 1927]

Paulke, ik moet je nog zeer hartelijk danken voor je brief, tevens zoo prompt antwoord op de mijne, en dan met spijt geconstateerd dat andere deugden, dan de ‘logika’, die je mij in het bizonder toeschrijft, je nader aan het harte liggen. Helaas ik val alweer door de mand!

Nu over Lieneke. Nimmer werd er een juister en levender portret van haar gemaakt. Ik heb er enorm veel plezier aan beleefd, en ben natuurlijk over de heele lijn t'accoord. Jammer is het voor je, dat je ze niet in haar element hebt kunnen zien op de laatste ‘Galavoordracht’ van de V.T.B. Er was daar de Gezant voor de beide Nederlanden (van Oostenrijk) (Je ziet in Weenen doen ze het goed) die kwam spreken over Oostenrijk als toeristenland. Een echt-hollandsche leutervoordracht maar schitterende diapositieven, en...veel grosses légumes en daartusschen...

Lieneke. C'était un poème! Ze is met al die g.l. naar het stadhuis getogen en daar heeft onze goeie Junes de eer van het land hoog gehouden d.w.[z.] door in de militie zaal te zeggen ‘Meneeren, hier heb e kik gelot’. Hij had er moeten bijzeggen met verstand! De consul v. Oostenrijk hier te A. die Belg is en als dusdanig Garde civique was vond het noodig in het midde[n] te brengen dat ‘dat lotten’ niet des heeren Junes eenige verdienste was, dat hij zelf (Junes) Generaal van de G.C. was geweest. De Hollanders vooral waren erg geépateerd. -

Ook je levend portret van de Floris is het inlijsten waard. Hij droeg me op, ik moet zeggen met zeer veel omzichtigheid voor zijn doen, om réclame te maken voor z'n Studio. Ik heb het hem plechtig beloofd, en gevraagd mèt of zonder commentaar te moeten aanbevelen.

Alle bedienden der Beukelaers fabrieken kregen een Allemansgerief-Almanak cadeau. Sindsdien zijn hunne vlijt en goed gedrag aanmerkelijk verbeterd. Dat ook moet ge goed verstaan...

Er was een recital van piano door Rosane van Neste - 16 jaar - et cette jeune fille jouait e.a. du Chopin. Jij zal zeggen dat kan ze niet, maar ik was die avond weer heel en al voor z'n brusque-fantastische invallen en z'n geraffineerde fraseering gewonnen. Oh ik verketter hem heusch niet zoo zeer als Paulke wel denkt.

Dan was D. Milhaud de gast bij de Nieuwe Concerten, met ‘les Eumenydes’ leiding L. de Vocht, en daarvan moet ik zeggen, à la page of

[p. 915]

niet, Bravo Milhaud! Kooren en orkest zijn tot een groot geheel omgewerkt, en als je in de Bijbel leest van duizenden trompetten en volksscharen dan komt ‘hij’ daar naar mijn meening wel zeer dicht bij. Hoewel geen erg liefhebber van lyrische declamatie moet ik zeggen dat het louter gedeclameerd gedeelte (Mevr. Croiza) met begeleiding van trommels en cymbalen een geweldige indruk op me hebben gemaakt. Maar och arme, m'n miezerig pennetje kan onmogelijk de indruk de groote machtige meeslepende, in woord brengen, ik kan alleen zeggen Sinterklaas heeft ons arme menschenkinderen hier in Antwerpen nobel bedacht.

Paul Joostens exposeert in de ‘Salle Oor’, en verkondigd[t] deze gebeurtenis aan het publiek van de goede stede doormiddel eener plak[k]kaat met allegorische letters. -

Het Chielke was ziek. Niertroebelen. Weer tamelijk in orde en ietwat spitser in z'n gezicht, staat hem wel goed. De rabio van een Floris, maakte hem deze week, met het ernstigste gezicht van de wereld wijs, dat hij van de Moorthamers21 (zeker die van 't Fordje) gehoord had dat de Noeninckx in de Kerstvacantie ging trouwen, met eene onderwijzeres, maar het zwanzen is niet des Chielkens grootste deugd, en het uithoudingsvermogen niet die van den Floriaan.

Paulke ik moet je toch nog zeggen hoezeer de buitengewone rustige lijn in je laatste brief me opviel. Die staat je uitstekend, en moet ik al deze lijnlooze krabbelpooterij van me wel eens met een slecht oog bekijken. Hoe ook, mijn eenig doel is je te schrijven, let dus alleen op ‘le geste’. -

Je zei me nog niet of ‘Le Vallon’ aan Radio doet. Ware dat zoo dan zou je Milhaud's werk van uit Brussel uitgezonden, kunnen hooren. Paulke, ik wensch je verder een prettig St. Nikolaas feest, en twijfel niet of de nobele baas zal een zoete jongen als jij tegenwoordig bent goed bedenken. Ook met vreugde de voorgenomen plak zwaaierij over het H.V. tijdschrift vernomen. Als m'n brandkast het toelaat schrijf ik in.

Intusschen hartelijkste groeten,

 

b.à t.
je Minnekepoess

 

Twee dagen later zond Du Perron aan Van Ostaijen een exemplaar van de zojuist gereed gekomen bundel Poging tot afstand, die voorzien was van een tekening van Willink en waarin hij de volgende opdracht geschreven had: ‘Aan Paul van Ostaijen / nogmaals deze oude bekende.22 / (Een Sjinees spreekwoord zegt:/ ‘Men moet van zijn vrienden / veel verdragen’./ E.d.P. 3.12.27’. Met gelijke post verzond hij een brief, waarin hij moest melden dat hij de drukkosten te laag geschat had, zodat het noodzakelijk

[p. 916]

werd de omvang van het tijdschrift tot 48 blz. per nummer te beperken, hetgeen ook inderdaad gebeurd is. Uit de verdere opmerkingen over Avontuur, die grotendeels voor zichzelf spreken, is op te maken dat Du Perron de prozaschetsen die Van Ostaijen onder de titel Kluwen van Ariadne in Avontuur wilde publiceren, nog niet kende.

Evenals Le reflux had Du Perron blijkens de mededeling boven zijn brief ook Stevensons Het vreemde geval van Dr. Jekyll en de heer Hyde door een boekhandel, ditmaal Gudrun te Brussel, laten opsturen.

 

Dr. Jekyll & Mr. Hyde eindelik via ‘Gudrun’ verzonden.

[Brussel, 3 Dec.]

Beste Van Ostaijen,

Je cirkulaire ontvangen en naar Blijstra doorgezonden. Tussen haakjes: hij heet Rein(ier?) (hard?), maar wil zich alleen maar R. noemen.

- De cirkulaire vond ik zeer vermakelik; Bl. moet ze maar naar Dinger sturen.

Maar nu iets minder aardigs. Ik heb bij Breuer naar de prijzen gevraagd en allerlei kombinatietjes geprobeerd, maar de zaak wordt duurder dan ik dacht. Zelfs als wij het Alfa-papier laten varen en er een behoorlik vergé voor in de plaats nemen (waar Breuer een grote stock van heeft, en dat mooi wit en solide is) kost een nr. van 48 blz. in 200 exx. gedrukt ons 900 frs. Hij kan, zegt hij, het niet goedkoper doen. Voor 300 nrs. vraagt hij 950 frs, voor 250 nrs. 925. Als we 56 blz. nemen wordt het duurder omdat er dan een half vel moet worden opgelegd, dit schijnt een onplezierig ding te zijn voor een drukker! - Het is waar dat we als we het vergé nemen een groter formaat krijgen (iets groter) en dus een paar regels per blz. winnen: de kompositie is berekend op 38 regels de volle pagina; maar gedichten als Boere-charleston en Alpejagerslied zetten we natuurlik ieder op een afzonderlike pagina (het twe[e]de heeft 30 regels.) - Ik wil het eerste nr. toch graag op 56 blz. houden - wat moet ik anders weer doen met die vertelling! - In dit formaat en in deze druk beslaat Blijstra's Spookslot weliswaar slechts 13 of 14 blz., maar Zo Leeg een Bestaan vraagt toch licht 24 blz. Dat wordt: 38 blz. voor deze twee dingen, dus 10 blz. voor de drie anderen. Zie jij kans jezelf, Burssens en Dinger op 10 blz. te krijgen?

De vraag is: hoeveel blz. precies zal het Kluwen van Ariadne innemen? kan je dit niet uitrekenen? of is het elasties? ik bedoel: bestaat het uit korte stukken? Van Dinger zouden wij voor nr.1. bijv. niet meer dan 2 pp. verzen kunnen geven; n.l. Program, Bespiegeling en 9 of 10 kwatrijnen (waarom hij ‘kwadrijnen’ schrijft weet ik ook niet.) Als Burssens zich ook tot 2 pp. beperkt, dan blijven er 6 over voor jou (6 inplaats van 7, en

[p. 917]

gegeven het grotere formaat komt het misschien op hetzelfde neer.) Nu is er de mogelikheid dat ik mij vergis en dat Zo leeg een bestaan niet 24, maar 22 blz. inneemt, dan waren wij allemaal gered. Wij zullen dus proberen toch maar met 48 blz. toe te komen: 950 frs. (voor 300 exx.) is al een aardig sommetje. (fl. 30.- = ± 450, en 2 x fl. 30,- = fr. 900, dus je ziet, er blijven 50 frs. ontbreken).

Waarom vraag jij Marsman niet? jij hebt met hem in briefwisseling gestaan. Ik kan Houwink vragen, als je dat wilt. Ik heb alleen vrees dat die heren, juist omdat ze èn goed èn officieel zijn, hun afval insturen. - Vraag ook Helman en Engelman, te gelegener tijd. Ik voor mij wil noch Roelants noch Herreman speciaal vragen; maar als ik ze tegenkom (wat mogelik is, want het zijn beiden goede vrienden van Greshoff) zal ik ze mondeling een hint geven, en via Herreman bijv.: Minne (de onzichtbare).

Dinger heeft per slot niemand gevraagd (als ik heb welbegrepen). Dat is het grappigste. Ik vrees ook dat niemand erg happig zou zijn, als hij de vrager speelde. Vraag jij liever. - Dat mopje van ‘ik zoek een uitgever’ was ik al lang van plan, stiekem weg te werken. Ik geloof dat je gelijk hebt en dat Dinger in zijn kwatrijnen slingert tussen wijlen Duco Perkens en Kloos. Of beter nog: het is een bewonderaar van Kloos die met zeker genoegen Perkens gelezen heeft. Maar enfin... Hij heeft ook nog verhalen. Je schrijft me niets meer van jezelf; gaat alles goed? Voor die postcheckhistorie zal ik informeren; maar ik vrees, als jij, dat je je handtekening zult moeten zetten. Is het bureau in Brussel, ook voor Antwerpen? Nu, tot nader, 't beste! en de poot.

 

Je EdP.

 

De eerste inzending van Burssens voor Avontuur, bestaande uit het gedicht Oud liedje en Het duel kunstschilder X.-dichter Z., een fragment van een nooit voltooide roman, liet hij vergezeld gaan van het volgende briefje.

[4-12-27]

Beste Paul,

Hierbij zend ik je dus wat voor het eerste nummer van ‘Avontuur’, een stuk proza (uit mijn roman in wording) en een gedicht.

Wanneer kan dit eerste nummer verschijnen? Wordt het mooi gedrukt?

Als je me schrijft, vergeet dan deze maal niet wat over jezelf te vertellen.

De vrienden vinden het wel heel interessant dat een nieuw tijdschrift gaat verschijnen, maar ze interesseren zich in de eerste plaats toch voor je fyzieke toestand.

[p. 918]

Dag Paul, tot eind dezer maand

 

Je Gaston.

 

Nog voordat Van Ostaijen de brieven van Du Perron over de hogere drukkosten en van Burssens met zijn kopij voor Avontuur - die beide in het weekend, resp. op zaterdag 3 en zondag 4 december geschreven waren - had ontvangen, beantwoordde hij Burssens' daaraan voorafgegane brief.

Over zijn eigen toestand toont hij zich niet ontevreden, maar het overlijden van een patiënt in het dorp Anthée, op wie tegelijk met hem door dokter Bérard de pneumothoraxbehandeling werd toegepast, had wel indruk op hem gemaakt. Het is echter opvallend dat hij hierover alleen aan zijn meest vertrouwde vriend schrijft, die hij ook, zij het met schroom, om persoonlijke boodschappen durft te vragen.

Over een tweede sterfgeval tijdens zijn verblijf in het sanatorium, dat van de enige vrouwelijke medepatiënte, die hij in zijn brief van 26 september beschreven had, rept hij in zijn correspondentie met geen woord. Dit kan echter mede veroorzaakt zijn doordat zijn eigen toestand sedert half januari zozeer verslechterde, dat hij zich in zijn brieven tot de noodzakelijke mededelingen beperkte. Dokter Bérard zelf schreef daar na Van Ostaijens overlijden het volgende over23: ‘C'est le second décès que nous ayons eu en deux mois de temps. L'autre était une demoiselle qu'on m'a envoyée alors qu'elle était à toute extrémité et que j'aurais refusée si j'avais connu la situation mais les médecins qui la soignaient me l'avaient présentée comme étant encore curable.’

Het aangekondigde bezoek dat Burssens hem omstreeks nieuwjaar met Jan Melis wilde brengen en waarover Van Ostaijen zich reeds verheugde, moest - zoals uit de latere correspondentie blijkt - worden uitgesteld tot 20 februari.

[5-12-27]

Beste Gaston,

Zo dus je gaat akkoord. Ziedaar, wat in orde is. Stuur nu maar spoedig dat wat je voor het eerste nummer bestemt.

Marnix Gijsen? Neen, hij is nog niet geïnviteerd. Of hij aanneemt of niet dat is zijn zaak. Ik zelf geloof dat hij niet zal aannemen. Maar, we moeten nu eenmaal wel enkele medewerkers optrommelen. En in Vlaanderen behoort Gijsen nog tot de beste. Dat is nu eenmaal zo.

Finant[c]iële medewerking. Kijk, ik denk dat je 40 à 50 fr. per twee maanden zou kunnen geven (ik denk hetzelfde te doen), dat is dus de waarde van éen enkele lunch bij blümer24 per maand. Du Perron geeft

[p. 919]

20 florijnen per twee maanden, ook Blijstra en Dinger. Het tijdschrift kost 250 fr. per 16 blzn., dus 56 blz. 875, daarbuiten nog omslag, enz. - Vin-je die schikking goed? - Zo niet, spreekt het van zelf, dat ook alles blijft zoals het is, ook wanneer je niet finant[c]ieel kan helpen. Ik meen dat ik in de laatste maand weer een stukje ben vooruit gekomen. Vandaag, een nieuwe inblazing. - Ik heb nu, tussen de inblazingen, reeds een afstand van twaalf dagen bereikt.

Er gebeuren ook soms nare dingen. Tezamen met mij, op 15 oktober, werd ook een jonge man, uit Kongo teruggekeerd, voor pneumothorax in behandeling genomen, niet in het sanatorium, maar in het dorp door onze dokter. Die jongen is nu reeds tien dagen dood. - Zeker, men behandelde hem als pis-aller. Niettemin, is het naar.

Wees nu niet ongerust in puncto deze behandeling. Ik voel er mij zeer goed bij. En zeker is het dat ik gewonnen heb, tegen vroeger en dat ik deze behandeling goed verdraag.

Je weet dat een bezoek van je steeds een feestdag voor me is. Vin-je dus de gelegenheid rond nieuwjaar en vermoeit het je niet te veel, wees welkom!

Wij zullen een jaargang voltooien. Du Perron heeft dat op zich genomen.

Zend mij spoedig je kopij.

Beste groeten vrouw en vrienden

 

met hartelikste handdruk
uw Paul

 

P.S. Je vindt hierbij 70 fr. - Waarom, zal je zeggen. Ziehier, ik heb nodig:

1e)een doos ‘razvite’.
2e)een pyjama (flanel of Oxford)

Ik reken op 1e 6 fr 2e 60 fr 3e 4 fr. port ----- 70 fr.

Moesten die dingen meer kosten, doe naar goeddunke[n]. Ik verzoek je dus die twee dingen te willen kopen en per postpakket op te sturen.

Men mag tot 2 Kilo. - Ik ben beschaamd je zulke stomme opdracht te geven, maar, in mijn geval, moet men wel iemands hulp inroepen.

Ik meet 1.73 M. en, zoals je weet, ben ik eerder slank.

 

Op een verloren gegane brief van dokter Peetermans antwoordde Van Ostaijen met nadere berichten over zijn gezondheidstoestand.

[p. 920]

[6-12-27]

Beste Dokter,

Ik dank u zeer voor uw hartelike brief. Uw boodschap voor dr. Bérard heb ik overgebracht en deze zaak is dus in orde.

Ik heb vandaag mijn tiende inblazing voor de pneumothorax gehad.

Wij bereiken nu een afstand van 14 dagen tussen twee inblazingen, dat is weeral zoveel gewonnen. Ik verdraag heel de geschiedenis vrij goed, wat niet belet dat je je de eerste dag niks lekker voelt. Ik zal dus moeten voortgaan te Antwerpen en mij ± elke maand laten ‘opblazen’, tot de pneumothorax zijn werk heeft volbracht.

De koorts heeft nog een beetje afgenomen, alleen rond 8 uur 's avonds, tijdens de spijsvertering, bereikt de temperatuur nog 37.5. Tot dan is het vaak 37.2, 37.3, maximum 37.4. Moest ik de koorts ook niet 's avonds nemen, het zou er al zeer goed uitzien. Nu is het echter te hopen dat, zowel als zij overdag afnam, zij ook 's avonds zal afnemen; anderzijds wordt ook de polsslag normaler.

Over het algemeen voel ik me heel wat beter, natuurlik het blijft een lange weg, waarop men maar langzaam voorwaarts komt. Maar toch nu zijn we, geloof ik beslist, op deze goede weg.

Het hoesten heeft ook afgenomen, behalve dan die dagen van inblazing, wanneer de druk op de long zeer sterk is en het spuw naar buiten wordt gedrongen. Zwaarder ben ik niet geworden - alhoewel het voedsel zeer degelik is - vanwege de pneumothorax. Maar ik heb ook niets verloren bij deze behandeling.

Wandelen doe ik niet: van 9-12, van 2 tot 4 en van 5 tot 7 lig ik nog altijd op chaise-longue en op een overdekte terras, waar het nu wel koud is, maar ook lekker fris op je aangezicht, terwijl de rest goed onder de dekens steekt. Dit doet me zeer goed, dat voel ik wel.

Ik blijf hier tot 20 januari. Dan heb ik 4½ maanden kuur achter de rug en is de pneumothorax weer zover vooruit. Intussen schrijf ik u nog wel.

Ziedaar, mijn beste dokter, mijn staat van zaken.

Tot weerziens, en intussen met hartelikste groeten

 

uw Paul v. Ostaijen

 

Behalve de verdere regelingen inzake Avontuur bevat Van Ostaijens volgende antwoordbrief aan Du Perron ook enkele uitgebreidere reakties op de hem toegezonden lectuur. Met de kwatrijnen van Du Perron zelf, waar hij nu ‘meer plezier’ aan denkt te beleven, doelt hij op Filter.

De gronden waarop hij het verhaal Voyage aux îles fortunées (Royaume-farfelu) van Malraux niet geslaagd vindt, zijn vooral tegenover Du Perron opmerke-

[p. 921]

lijk: hij acht hierin de houding van de auteur te literair en te weinig menselijk. In Le reflux waardeert hij vooral het avontuur ofwel ‘het gaan van de roman’ en uit zijn opmerkingen over de daarin voorkomende figuur Attwater blijkt dat hij, eveneens weer in vertaling, de roman The man who was Thursday door G.K. Chesterton gelezen had.

Van Ostaijens toelichting bij zijn voor Avontuur bestemde prozaschetsen, nl. ‘Trouwens is dit ‘Kl[uwen]. v[an]. A[riadne].’ de tietel voor mijn bundeltje proza's’, is niet geheel duidelijk. Bedoelde hij hiermee dat het slechts een verzameltitel was voor de proza's die in Avontuur zouden worden opgenomen, of had deze opmerking betrekking op zijn prozabundel die in voorbereiding was en later onder de definitieve titel Vogelvrij verschijnen zou? Over Vogelvrij zijn zo goed als geen gegevens bekend, behalve dat de verschijning lang op zich heeft laten wachten en de bundel, hoewel nog door Van Ostaijen zelf gecorrigeerd25, pas na zijn dood verschenen is. In De Volksgazet van 22 maart 1928, dus vier dagen na zijn overlijden, verscheen een artikel In memoriam Paul van Ostayen door F.F.d.w.z. Fritz Francken, waarin deze onder meer schreef: ‘Voor de serie ‘De Witte Raaf’, waarvan ik de leiding op mij had genomen, aanvaardde ik van hem een bundel short stories, getiteld ‘Vogelvrij’ (Uitg. P. Ruquoy-Delagarde-Van Uffelen (Brederodestr., 191, Antw.). Prijs 10 fr.) Na tal van typografische tegenspoeden zal deze bundel eindelijk nog in den loop der maand verschijnen.’ Francken weet zich echter geen bijzonderheden hierover te herinneren en meent dat dit vooral tussen Van Ostaijen en de uitgever Van Uffelen is afgehandeld, bij wie hij de kopij mogelijk reeds vòòr zijn vertrek uit Antwerpen had ingeleverd. Toch is er ook een briefwisseling met Francken zelf geweest, want in de voorlaatste alinea van bovengenoemd artikel had deze geschreven. ‘Was hij zich bewust van zijn naderend einde? Het laatste schrijven dat ik van hem ontving, op 10-11-'27, besloot hij als volgt: ‘Einde Januari denk ik terug te Antwerpen te zijn’.’

Niet zozeer dat deze correspondentie en die met de uitgever - indien deze er geweest is - verloren is gegaan, maar dat hij in zijn vele wèl bewaard gebleven brieven hier nooit één woord over geschreven heeft, blijft onverklaarbaar.

[Miavoye-Anthée, 6-12-27]

Beste du Perron,

Ik heb een brief van je ontvangen, ‘Poging tot afstand’ en ‘Jekyll-Hyde’. Voor alles, hartelik dank. ‘P.t.A.’ ziet er goed uit en het is niet kwaad dat je poëties werk apart verscheen. Voor dingen als ‘het bozige boekje’ en ‘Filter’ blijft trouwens mijn sympathie ten minste onverdeeld bestaan, doch ik denk eerder dat ik nu wel meer plezier heb aan je kwatrijnen

[p. 922]

dan 2 jaar geleden. De tekening van Willink moet ik weer zeer goed vinden. Die vent heeft toch wat in zijn donder.

Wat je daar schrijft over de kosten is inderdaad geen aangename verrassing. Ja, wij zullen dan wel verplicht zijn op 48 te verschijnen. Burssens en ik geven elk 50 fr., zodat we, met 60 fl. = 900 fr., de kosten bereiken: 950. Alhoewel ik geen wonderen van de abonnementen verwacht, denk ik er toch wel enkele op te halen. En dan moet Dinger er ook maar enkele opdrijven. Ik weet echter niet of het toch niet goed zou zijn het eerste nr. op 56 blz. te doen verschijnen, een opoffering als reklame. Maar gaat het niet, dan is 48 blz. ook goed. Verbeter echter dit op de cirkulaire, ‘minstens 48 blzn per nummer’.

Wat nu de schikking betreft, ik zend je hierbij de kopij van Burssens.

Laat ons alles plaatsen, ik vind het werkelik goed. Wat mijn kopij betreft, die ik je binnenkort stuur, je kan daarmee handelen in verhouding tot de plaatsruimte. ‘Het Kluwen van Ariadne’ bestaat uit kleine stukken, daarvan er een paar desnoods mogen wegvallen. Trouwens is dit ‘Kl.v.A.’ de tietel voor mijn bundeltje proza's.

Wat de te inviteren medewerkers betreft, laat ons dat, volgens de persoonlike betrekkingen, verdelen - zoals je het trouwens voorstelt.

Jij inviteert dus, wanneer daartoe gelegenheid bestaat, het trio Roelants-Herreman-Minne. Ik schrijf bij gelegenheid Marsman en Engelman. Brunclair zal ik wel moeten inviteren, doch in elk geval nu nog niet. En dan, is hetgeen hij stuurt weer zo in de zin van zijn gewoon gedoe, dan nemen we het doodgewoon niet. Helman had ik wel graag, maar ik moet wachten tot ik zijn adres heb via Engelman.

Je hebt in een van je brieven mijn mening gevraagd over het stuk van Malraux. - Er zijn daar wel enkele schone momenten, maar de houding komt me toch een beetje te literair voor. De ‘menselikheid’ (wij weten immers dat dit woord niets te maken heeft met het Coster-like begrip) is er nog te dun; - een bewijs: hij beschrijft voortdurend en hij is gelukkig telkens wanneer hij een nieuw panorama kan vertonen: de markt, de stad op verschillende punten, de verhalen die de mensen elkaar doen. Meer plezier heb ik met de twee dingen van Stevenson gemaakt. ‘Le Reflux’ is als avontuur uitstekend; de psychologie van de mensen