terug  begin  verderprepost

3. Correspondentie uit 1928

Van Ostaijens gezondheidstoestand liet zich in het begin van het nieuwe jaar niet ongustig aanzien, al viel de pneumothoraxbehandeling hem niet mee. Hij hoopte nog steeds, zoals hij reeds op 16 december aan Tine Ceulemans geschreven had, de 25ste januari naar Antwerpen terug te keren, waarbij hij zich er echter wel van bewust bleef ook thuis zijn rustkuur rigoureus voort te moeten zetten.

[p. 969]

De eerste brief die hij in 1928 ontving, was afkomstig van Burssens, die door zakelijke verplichtingen genoodzaakt was zijn bezoek van maandag 2 januari uit te stellen tot de zondag daarop. Met de datering ‘nieuwjaarsavend’ boven zijn brief bedoelde Burssens, blijkens zijn uitlating ‘morgen over acht dagen (Zondag dus)’, de (zaterdag)avond vòòr nieuwjaar.

Het tweede gedicht dat Burssens, naar hij aankondigde, voor het eerste nummer van Avontuur had ingestuurd en dat daarin ook werd opgenomen, is Invitation à la valse au clair de lune.

[Wilrijk-Nieuwjaarsavend]

Beste Paul,

Deze maal is het niet Jan Melis want hij stond reeds gelaarsd en gespoord om mee te gaan. Tans ben ik de spelbreker, maar geloof me, gans onvrijwillig. Een boot die ik deze week had verwacht (ik vergat je totnog te vertellen dat ik tans administrateur-délégué ben van een nieuwgestichte N.V. - ik dacht je hieromtrent een en ander te vertellen bij mijn bezoek) komt eerst morgen met vertraging binnen en laadt me voor Maandag werk op de hals dat ik onmogelik kan uitstellen zonder mijn firma zeer te benadelen. Als je het dan goed vindt kom ik zeker en vast morgen over acht dagen (Zondag dus) tenzij het de moeite niet meer loonde, want Jan Ceulemans moet aan Jan Melis hebben verteld dat je rond 15 Januari naar Antwerpen denkt te komen. Is dat waar? wil je me deze week nog schrijven om me te fixeren? Ik weet nog niet of Jan Melis Zondag dan kan meekomen.

Van du Perron kreeg ik een lange brief met uitleg en dergelijke over ‘Avontuur’; ook met persoons- en karakterbeschrijvingen van Blijstra en Dinger, tevens met de mededeling dat jij liefst buiten de ontworpen enquête blijft. Ik zou het jammer vinden moest dit zo zijn: je kan die kwestie toch tragi-komies of helemaal komies opvatten, of op zijn Shaw's; ik vind met du Perron dat je b.v. achter het grootste aantal vragen je eigen naam zoudt kunnen zetten; dan neem je m.i. de zaak ernstig op en ben je dan toch weer niet ernstig voor ernstige mensen. Enfin je doet er natuurlik mee wat je wil, maar ik zou toch liefst hebben dat je mee deed. Du Perron vroeg me nog naar een gedicht voor het 1e nummer, en heb hem dit gestuurd.

Ik verwacht tans deze week een schrijven van jou.

Als het niet zo stom-banaal was zou ik je tans een gelukkig Nieuwjaar wensen

 

Hou je goed
Je Gaston

[p. 970]

P.S. Ik vermoed dat je deze brief Maandag niet meer zal hebben, ik telegrafeer je morgen vroeg.

 

Door het voorstel van Van Ostaijen met hun ontmoeting te wachten tot hij weer in Antwerpen terug zou zijn, werd het bezoek van Burssens aan Miavoye voor geruime tijd uitgesteld. Over de enquête volstaat hij voorlopig met de mededeling dat ze ‘in 't water’ ligt en hij er met Du Perron ‘wel aardige brieven’ over gewisseld heeft.

[Miavoye-Anthée, 2-1-28]

Beste Gaston,

Het heeft me natuurlik spijt gedaan je te moeten missen, naast Jan Melis dan nog wel, maar ik zie best in dat men een boot zo maar niet in de steek laat. Moet ik je geluk wensen bij je beheerderschap? - Of betekent dit geen hogere sport op de maatschappelike ladder.

Het is erg lief van je je bezoek tot Zondag te verleggen, maar ik geloof, afgezien daarvan dat een bezoek altijd prettig is, dat inderdaad de inspanning te groot is voor de afstand die mij nog van een langer verblijf te Antwerpen scheidt. Ik denk terug te zijn rond 25 januarie. Best wachten wij dus tot dan.

Wat de ‘enquête’ betreft, ze ligt in 't water. Du Perron heeft zijn plan opgegeven, zodat jij en hij eraan toe bent voor de moeite. Maar rond deze enquête hebben du Perron en ik wel aardige brieven gewisseld. Wanneer je het wenst, breng ik je van deze ganse zaak op de hoogte. Ik heb een beetje koorts gehad, als reaktie op een inblazing. Nu is dat weer voorbij. Maar de inblazingen of beter de gevolgen daarvan zijn geen lachje.

Het spijt me zeer te horen dat die arme Noeninckx er nu ook al slecht aan toe is.

Teruggekeerd te Antwerpen, zal ik, ten minste zolang de temperatuur nog 37.5 enz. blijft bereiken, thuis moet[en] blijven. Een boodschap van éen uur wordt b.v. wel gepermitteerd. Maar de Stammtisch van de Hulstkamp dient vooralsnog vermeden te worden. Liggen, liggen, liggen. Dus tot binnenkort. Komaan, laat ons, de gewoonte ten spijt, ja juist ten spijt, mekaar gelukkig nieuwjaar wensen. Altans mijnerzijds voor jou en je vrouw,

 

flinke poot
je Paul v.O.

 

Bijna veertien dagen nadat hij van Tine Ceulemans bericht had ontvangen

[p. 971]

over de te late bezorging van zijn verjaarsboeket, schreef hij haar het volgende antwoord, waarin hij enigszins liet blijken hoe eenzaam en geïsoleerd hij zich voelde.

[Miavoye-Anthée, 3-1-28.]

Liefste Minnekepoess,

Ik heb twee brieven van je ontvangen, de latere om, op zeker punt, het tegenovergestelde van de eerste te zeggen. Zoveel te beter. Alhoewel ik het toch verdomd ongelukkig vind dat alles weerom moest spaak lopen. Om niet te spreken van dit ‘aplomb boeuf’ vier dagen later een bestelling uit te voeren. Enfin, voor mijn bescheiden behoeften in deze, zal ik [in] 't vervolg een andere antwerpse neringdoener verkiezen.

Er gebeurt hier weinig. Ik weet nu hoeveel stoelen er in elke plaats staan, welke schilderijen en prenten, de plaats waar je op de plankevloer niet te erg mag drukken of de plank komt er even uit. Sedert vier maanden leef ik op pantoffels; wanneer ik de heimreis zal ondernemen, zal het voor de eerste maal, sedert 20 weken, zijn dat ik schoenen aan mijn voeten voel. Daarmee is gezegd dat mijn omwereld niet biezonder uitgebreid is.

Het consigne te Antwerpen luidt overigens ook: volledige klaustratie, ten minste tot de lente. Zeker, mag ik weleens een noodzakelike boodschap doen, langzaam en zonder haast, maar buiten dit: klaustratie met open venster of open deuren. Men kan dus niet al te zeker spreken van ‘nog een maand en al dat leed is weeral vergeten.’ Als het goed lukt, nog twee jaar. Overigens zou ik deze perspektieve niet eens zo gesloten vinden, als ik maar iets meer kon werken. Maar ik ben te snel vermoeid en hoofdzakelik toch moet ik in horizontale houding.

Die pneumothorax is toch nogal een serieuse grap. Zo'n long die geknepen wordt als een citroen. D.w.z. het is een geneesmethode op lange afstand; de onaannemelikheden echter worden onmiddellik geëncaisseerd. Van Lieneke-lief heb ik de beloofde geschiedenis van Rusland - ‘depuis la fondation de l'empire jusqu'à l'avènement des...’ niet ontvangen.

Integendeel is Jozef Muls een vlijtige korrespondent, die mij allerlei lauweren op de slapen drukt of, bescheidener, probeert te drukken. Dat het onze vriend Chilles zo slecht gaat, doet me waarachtig spijt.

Hopelik heeft de nieuwjaarsvakantie hem een beetje opgebeurd.

Ziedaar het nieuws van de ‘eenling’ te Miavoye, de eenzame eenling. On fait ce qu'on peut.

 

Met hartelikste groeten,
B. à t.
Paul

[p. 972]

[P.S.] O, herejé, Ja! het is nieuwjaar geweest! Bij zo'n drukte als hier kan het je door het hoofd gaan, wat! Nou beter laat dan nooit: happy Christmas! Prosit Neujahr! Also in diesem Sinne...

 

Op dezelfde dag, 3 januari, schreef Du Perron een slechts gedeeltelijk gedateerde brief aan Van Ostaijen met verder nieuws over Avontuur en een afsluitende opmerking naar aanleiding van hun enquête-discussie.

De daarop volgende vergelijking van Wies Moens met de symbolist Gustave Kahn, die in de inleiding van zijn Premiers poèmes (1891) de eer had opgeeist uitvinder van het ‘vers libre’ te zijn, was Du Perron ingegeven door Van Ostaijens citaat, aan het slot van zijn laatste brief, uit Burssens artikel van 1924 in De Schelde.

Verder stuurde Du Perron hem de blaadjes uit zijn Cahiers van een lezer met zijn ‘praatje’ over de katholieke jongeren, dat hij echter zelf ‘te individueel’ vond om het in Avontuur te plaatsen. Via het ‘ouwehoeren’ van deze jongeren komt hij vervolgens op de anekdote over Greshoff die in de Brusselse boekhandel Gudrun als ‘serieus’ redacteur van Den Gulden Winckel zich zo onserieus over de titel van het nieuwe tijdschrift Opbouwen had uitgelaten.

Welk boek van Stendhal Du Perron had opgezonden, zoals hij schreef, wordt ook uit de volgende brieven niet duidelijk. Zijn opmerking over de meest acceptabele schrijvers over de dood, de Prediker, Omar Khayyam en Villon, heeft Du Perron eind januari 1928 verder uitgewerkt in zijn Cahiers van een lezer1.

Aan het eind van zijn brief komt Du Perron nog even op de enquête-kwestie terug, door bij nader inzien Van Ostaijens korte bespreking in het januarinummer 1925 van Vlaamsche Arbeid, over Vingt deux poèmes belges door Ter-Lasne, zijn voorkeur te geven en deze regels ‘individueel gesproken’ tot diens ‘krities meesterwerk’ te verklaren.

[Brussel, Jan. '28.]

Beste van Ostaijen,

Ik zal je ontwerpen voor het kaft van ‘Avontuur’ bij Breuer brengen en hem vragen ze allebei te drukken. Ik zend je ze dan op met staaltjes van het papier: je stelt je het groen n.l. te donker voor, misschien. - Als het praatje voor de binnenkant steeds hetzelfde blijft zal hij het, dunkt me, ook wel voor niets doen. Dat komt dus in orde.

Wat moet er gebeuren met de cirkulaire? Hoeveel exx. wens je in Miavoye-Anthée te ontvangen? Zal ik de pers-exx. van hieruit verzenden? stuur mij dan je lijst.

Wat betreft het eerste nr. van Avontuur, het beste is, dunkt mij, dat ik 140

[p. 973]



illustratie
De gang naar Van Ostaijens kamer (achterste deur) in villa Le Vallon.

[p. 974]

exx. naar Dinger, 140 exx. naar jou zend, en de rest: 20 exx. tussen Burssens, Blijstra en mijzelf verdeel.

Nu onze ‘waardebepaling’: Ik geloof dat we alles gezegd hebben wat er te zeggen viel en dat je slotzin, de vergelijking tussen Gezelle & Baudelaire (die inderdaad veel beter is dan de mijne tussen Baudelaire en Toulet), ook het laatste woord in de kwestie mag zijn. De rest zou alleen nog maar als illustratie kunnen gelden. Ik begrijp nu ook beter de houding van Burssens.

Het is overigens bijna beangstigend, de onwaarschijnlike rollen waarmee de lezers hun auteurs soms bedélen. Wies Moens een expressionist? hoe is het nodig geweest dat ooit tegen te spreken! Als ik de vomitieve persoon van de man wegdenk en daarna de celstraf die van zijn figuur dat Pellico-misbaksel2 heeft gemaakt, en dan alleen de schrijver moet zien - nu ja, dan doet zich één vergelijking op: die met de vermaarde uitvinder van het vrije vers waar destijds iedereen zich over vrolik heeft gemaakt, de heer Gustave Kahn. Om een dergelij[i]ke reden heeft men Moens voor een modern dichter kunnen aanzien: ‘Moens immers rijmde ook niet meer’ - maar tussen dat en specifiek een expressionist!...

Je vergelijking tussen Bruning en Dinger is au fond misschien erg vleiend voor de laatste. Dinger is feitelik zo onbetekenend dat ik hem nooit zie, als schrijver, terwijl ik Bruning - maar ach! de man is dood - naar de geest voortdurend onder zijn kont zou willen schoppen. Het is toch je ware leerling van Coster, de eerste van de klas zelfs, op die school. - Mijn praatje over de katolieke jongeren is geschreven, maar waarvoor zou ik het in ‘Avontuur’ zetten? Je hebt gelijk: het is te individueel. Ik heb het, met herinneringen uit mijn brief aan jou, geschreven in een cahier dat ik sedert lang houd en waarin ik dgl. dingen aanteken. Misschien zal ik het nog wel eens uitgeven, maar dan in weinig exx. voor mijn vrienden en mijzelf en met een vage titel als: Mijn neus in de boeken of zoiets. Het grootste stuk werd op nieuwjaar geschreven; gisteravond, na lezing van je brief, heb ik er een stukje aan toegevoegd. - Ik scheur die blzn. uit het cahier en stuur ze je op, opdat je ze doorzie. - Geloof vooral niet dat het lafheid van mij is, als ik de gelegenheid laat voorbijgaan met die vrome heren te polemiseren. Neen, ik ben heus te zeer doordrongen van de eenzijdigheid van mijn kant, en mijn natuur of temperament of mentaliteit of bekrompenheid of wat het zijn mag staat mij nu eenmaal niet toe een andere houding aan te nemen. En bovendien, geloof ik minder en minder aan de polemiese lusten bij die mensen. De geest daar is er een van: zwaarwichtig en gezellig lang onder elkaar liggen ouwehoeren, want, voorwaar! ‘Wij zijn bijeengekomen niet om elkaar af te breken maar om elkaar aan te vullen’. - Greshoff is werkelik een aardige vent: een paar weken geleden kwam hij bij Gudrun en die

[p. 975]

mijnheer van der Leest zei: - Een nieuw tijdschrift, mijnheer Greshoff, ziet u eens: Opbouwen. Zegt dat u niets? moet u daar geen abonnement op nemen? - Goede hemel! zei Greshoff, man! opbouwen! Als je ooit eens een tijdschrift hebt dat Afbreken heet, dan zal ik er misschien eens over denken. - Dat vond die heer van der Leest wel erg gek voor een serieus revue-direkteur (van mij had hij niet anders verwacht natuurlik).

Ik heb je Stendhal gestuurd en Omar Khayyam (de laatste in de door Gide zo geprezen vertaling van Grolleau). Omar is na de ‘Prediker’ voor mij wel de man die de minst verfoeilike dingen over de Dood heeft gezegd: in de derde plaats komt Villon. Natuurlik, de toon van het ‘nutteloos verzet’, zal je zeggen. Maar het is zo verdomd moeilik om tegenover dat vooruitzicht een houding aan te nemen die èrgens naar lijkt. Daarom vind ik zó'n frase als die van Helman (zie mijn aantekening) zo'n intense flauwe kul. De Dood is voor de sterkste man onaangenamer dan voor een schooljongen de laatste avond van de vakantie. Men moet volkomen uitgeleefd zijn en voor 3/4 dood om een zeker genoegen te vinden in het kompleet doodgaan. Trouwens, ik geloof dat er oneindig minder religieuse lafheden zouden zijn, was daar niet dat enkele vooruitzicht van de Dood. Ander praatje. Als ik nogmaals mijn antwoord op die vraag betreffende de kritiek moest formuleren zou ik dat zo doen (ik herinner me n.l. iets van jou dat ik waarlik tienmaal beter had kunnen citeren dan de notities van Houwink): ‘Ik weet het waarlik niet, enz. - maar het heerlikste stuk krities proza dat ik in jaren las is een aantekening van mijn vriend Paul van Ostaijen over de patriottiese dichter Ter-Lasne.’ - Want waarlik, individueel gesproken, en hoe volledig en precies en scherp enz. enz. ik je kronieken vind aan Van den Oever gewijd, Nahon, Burssens, Gijsen e.a., voor mij, zie je, zijn die 15 à 20 regels over die obscure Ter-Lasne je krities meesterwerk! - Bovendien, gaf ik zo'n antwoord, dan verviel ook de mogelikheid dat de jong-katolieken en dgl. zich een verkeerde voorstelling zouden vormen als bijv. dat ik je wel als kritikus zou aanvaarden en als dichter niet. Dan bleef, voor mijn eigen gevoel en ieder ander's oordeel, mijn zeer subjektief standpunt bewaard.

- Dat zijn weer 3 grote bladzijden: het bijvoegsel niet meegeteld. Ik haast me alles te posten. Tot nader en als steeds met hartelike groeten

 

je EdP.

 

In het volgende antwoord van Tine Ceulemans op Van Ostaijens nieuwjaarsbrief, komt zij, via haar voorstel hem de 25ste januari in Brussel af te komen halen, op het bericht dat professor Stan Leurs hem onder de uiteenlopende sympathisanten van de Vlaamsche Toeristen Bond heeft opgesomd op grond van zijn bijdrage aan Toerisme van 1 februari 1927. Verder schrijft

[p. 976]

zij over hun gemeenschappelijke kennissen Dr. Juliane Gabriëls, Achilles Noeninckx en Floris Jespers en vermeldt de opening van café Artes als laatste ‘gebeurtenis te Antwerpen’.

[Antwerpen 5 Januari 28].

Paulke, beste, nu is het mijn beurt om je alle goeds en liefs te wenschen voor dit jaar, en moet ik alweer zeggen hoezeer ik het apprecieer dat jij alweer de eerste was, om me dit jaar met een schrijven in dien zin te bedenken. En hoe heb ik je weer herkend in de passage van de menschen die niet al te zeker moeten spreken van ‘leed dat alweer geleden is enz.’ Hoe kan je me nu verdenken zoo iets à la légère te willen nemen. Er is toch heusch geen groot voorstellingsvermogen noodig, om te weten, hoe alleenig die lieve alleenling daar te Anthée wel moet zijn. En als je dan per malheur niet de gave hebt, om de dingen die je zeggen wil, zóó te formuleeren dat ze maar voor één enkele uitlegging vatbaar zijn, dan loop je zeer veel kans door dat lief jonk (met de krullerige stijl) op de vingers te worden getikt.

Moet ik nog zeggen dat ik het zóó heb gemeend, nl. dat na 25 Jan. de sanatorium tijd tenminste al voor een poosje onderbroken zou worden, wat toch al eene kleine afwisseling beteekend [t]. Dat ik vermoedde, dat het kuren hier thuis toch iets minder saai zou zijn als te Miavoye omdat je hier toch je boeken hebt, af en toe eens menschen zult zien enz. enfin hoe ook, absolutie zal ik wel niet gauw krijgen..? dat merk ik wel, ik heb het leelijk verkorven. Stoute minnekepoess. Als boetedoening stel ik voor je tot Brussel te gemoet te reizen bij je a[.]s. terugkeer, en te zorgen dat geen enkele Brusselsche of Antwerpsche fanfare lucht krijgt van dit heuche[g]lijke feit. Ook mag ik dan wel zorgen dat de V.T.B. daar evenmin lucht van krijgt, want sinds ze jou daar als levend bewijs hunner ‘onpartijdigheid’ exhibeeren ben je daar ook al niet meer veilig. Dat zit zoo: Ge moet dat goed verstaan. De Stan, alweer de Stan heeft het noodig gevonden in Toerisme te noteeren dat de V.T.B. zich vooral in simphatiën [sympathieën] van zeer interessante en bonte aard mag verheugen (Ik geloof dat de stijl ongeveer juist is) en ten bewijze daarvan heeft hij aangehaald, dat tuschen de geschreven en illustre simphatie-betuigingen V. Ostaijen achter V. Cauwelaert prijkt - C'est renversant pas?

Het is zeer gemeen van Lieneke dat ze hare belofte niet hield, want nogmaals ik geloof dat je daar plezier aan zou hebben gehad - Maar - Lieneke en beloften. Het Chilles is inderdaad weer te been. Ziet er tamelijk goed uit, met nog enkele gedistingueerde sporen van lichte verzwakking op zijn gelaat, en - neemt zich zeer in acht. Gaat 's avonds

[p. 977]

niet uit enz -

Als gebeurtenis te Antwerpen geldt de opening van een nief café ‘Artes’ in de vroegere gebouwen van de Credit populaire, door het Sindicaat van toonkunstenaars. Het voorhalletje tamelijk ‘medernes’ en de achterhal in voormalige bank stijl, en dan een publiek waar je subiet genoeg van hebt, als daar zijn: artisten die je groeten met een tikje aan de hoed, of anderen die de heele avond en cache-nez blijven zitten. Ik voorzie dat de Hulstkamp er niet door in het gedrang zal komen. En nu het groote nieuws: Onzen Floriaan is bezitter van een auto geworden, zal eerstdaags niet meer tot de bewoners der goede stede behooren, maar gaat zich te Brasschaet vestigen3. Jammer genoeg niet heelemaal uit eigen keuze, maar om kleine Marc's gezon[d]heidstoestand. Ik had hem heusch de aankoop der Renaud [lt] in glorieuser omstandigheden gegund, want nu zegt hij natuurlijk met een triestig gezicht, Als ik daar zoo ver van de stad ga wonen moet ik toch een vervoermiddel hebben. Ik had nog niet de eer hem ‘au volant’ te zien.

Ik permitteer me verder nogmaals mijn boetedoeningsvoorstel te doen, en durf de vage hoop koesteren dat het zal worden aangenomen. In voorkomend geval wacht ik dan deemoedig verdere instructies van de lieve alleenling van Anthée.

Tot zoolang zeer hartelijk gegroet van die stoute

 

Minnekepoess

 

In de eerste brief die Van Ostaijen in 1928 aan Du Perron schreef, gaf hij zijn oordeel over het hem enkele dagen tevoren toegestuurde ‘praatje over de katolieke jongeren’. Het zinsfragment dat hij in de eerste alinea van zijn brief hieruit gedeeltelijk citeert, luidt in de latere uitgave van de Cahiers van een lezer: ‘- het doodslaan van een priester lijkt mij overigens erg vormend voor een dichter -’.

Kennelijk heeft Du Perron bij de publikatie van zijn Cahiers de oorspronkelijke inleiding van dit stuk gewijzigd of bekort, want de namen van Gaboriau, Paul de Kock en Justus van Maurik, waar Van Ostaijen over schrijft, komen daarin niet meer voor4. Over Creixams had Du Perron het volgende geschreven: ‘Ik had liefst met al die ‘Gemeenschaps’-mensen, die ‘Roeping’-voelenden, die tot ‘Opbouwen’-geroepenen en die andere ‘Pogers’ van soortgelijke dingen - ook voor mijn eigen gevoel - volstrekt niets uit te staan. Ik zou ze, buiten alle verdere beschouwingen om, kollektief en en-détail, de zin willen toedienen mij eens door mijn vriend de Spaanse schilder Creixams voor de Brusselse kunsthandelaren toevertrouwd: - Tu leur diras que tu m'as vu et que je t'ai prié de leur dire que je les emm... tous.’ Van Ostaijens opmerking hierover, dat ‘het de laatste houding van een bedrieger was’,

[p. 978]

is mogelijk ook gebaseerd op de eigen ervaringen die hij als Brussels kunsthandelaar met hem heeft gehad, al ontbreken hierover alle gegevens. Evenals Du Perron gaat ook Van Ostaijen niet meer verder in op hun ‘waardebepaling’ en volstaat hij met te constateren dat ze elkaar gevonden hebben in hun afkeer van ‘het geouwehoer’, hetzelfde anti-‘Ernst’-uitgangspunt, dat hij tevoren reeds in Burssens, Du Perron en ik en in de circulaire voor Avontuur geformuleerd had. Verder maakt hij Du Perron in zijn brief duidelijk niet alleen anders over de katholieke jongeren, maar ook over Gaboriau's Le crime d'Orcival te denken, waarnaast R. Blijstra's IJzeren vlinders een verademing voor hem was.

[Miavoye, 7.1.28]

Beste du Perron,

Ik heb je brief met het fragment uit ‘Cahier van een lezer’ ontvangen. Dank. Met deze stuur ik je dit fragment terug. Wat mij betreft, ik heb er niks op tegen dat je het in ‘A.’ zoudt publiceren. Wel integendeel. Ik zie graag klare wijn, ook al is hij niet naar mijn smaak. Het enige waar ik iets op tegen heb is het geouwehoer: op dit punt ontmoeten wij ons, meen ik. Zolang men iets vertelt, werkelik iets meedeelt is het steeds interessant. Alleen, in jouw fragment, is de zin van ‘men ziet dat pastoors doodslaan voor dichters enz’ misschien minder voor een tijdschrift bestemd. (ik zie reeds in een katholieke courant dit ‘cahier’ als ‘een aansporing tot manslag op geesteliken’ betieteld).

Zeker ga ik niet met de inhoud akkoord. Spijts alles hou ik meer van Wies Moens dan van Gaboriau, wiens naam in de inleiding voorkomt. (Ik heb intussen ‘Le Crime d'Orcival’ gelezen, afschuwelik bête, vind ik.) Moge, wanneer ik Paul de Kock onder handen neem, mij niet dezelfde desillusie wachten, want, op dit punt, divergeren wij weer sterk. Het in bescherming nemen van een e[é]picier als Justus van Maurik is, voor mij, onartistiek.

Justus van Maurik, de schrijver van een beruchte satyre ‘Modernen’ geheten, waarin al de klein-burgerlike deugden worden verheerlikt, neen, dat gaat niet. Dan veel liever Heijermans (de auteur van ‘de opgaande Zon’ ten minste). Ja, dat woord van Creixams, het is prachtig als je het zo hoort! Jammer maar, dat het de laatste houding van een bedrieger was, die wel gaarne er een andere had aangenomen, doch nu, in het nauw gedrongen, zich wel met een krachtwoord moest tevreden stellen. Alors, vois-tu, c'est beaucoup moins fort que cela n'en a l'air. - Voor het overige ben ik het op veel punten met je eens; zo vind ik verduideliking van de kommerciële voordelen van een modern katholicisme uitstekend.

Zoals gezegd, wil jij het publiceren, ik heb er niets op tegen en loop gaarne met ‘Avontuur’ de verontwaardiging der mensen-die-niets-

[p. 979]

onverlet-zullen-laten tegemoet.

Over onze ‘waardebepaling’ zijn we dus uitgepraat. Behalve dat ik het, voor mij, natuurlik spijtig vind dat mijn meesterwerk een, in de toekomst zo vergeten nota als deze over T. Lasne moet zijn. Jammer, men maakt niet de meesterstukken die men wil. Maar het individuële door dik-en-dun speelt je parten. Geestigheden als deze over Ter-Lasne komen ook elders voor, midden in een opstel en dan heb je er 't opstel nog op de koop toe bij. Enfin, het hoofdzakelike werd gezegd.

Neen, ‘Le Crime d.O’ heeft mij bepaald van Mijnheer Lecocq verwijderd. Deze politieagenten, dienstmeiden enz. die, in dienst van Lecocq, allemaal van de uiterste opoffering zijn, dan wanneer je, godverdomme toch weet, dat een dienstbode over zijn meester denkt: ‘Verrek voor mijn part zo gauw mogelik’, neen, zulke flauwiteiten verteer ik niet. Voortdurend dit gezanik van: [‘]Ah, vous êtes le grand Lecocq’, ofwel ‘prenez moi dans votre sevice, M. Lecocq’, voortdurend deze belachelike scheiding van ‘de goeden en de kwaden’ en b.v. zulke meesterstukjes ‘Jenny Flenng avait perdu sa voix jadis si claire, en s'adonnant à l'absinthe et en chantant des chansons obscènes’ (waarbij je leren kan, vriend, dat onzedelike liedjes meer de keel verslijten dan stichtelike - een theorie trouwens die verdedigbaar zou zijn door een groot katholiek medicus b.v., maar die in dit verhaal van Gaboriau nogal als een overdreven en stomme braafheid aandoet), enfin, kortom, ik heb daar niks aan. En het is slecht geschreven. Zie je, ik heb ‘Le Crime’ en ‘IJzeren Vlinders’ door mekaar gelezen en het was maar goed dat het laatste mij van de weeërigheid die het eerste mij liet, herstellen kon, omdat ik hier te[n] minste met iemand te doen had van mijn vlakte of van mijn niveau. Een boek geldt maar door het kleine stukje waarheid dat het reveleert. ‘Hamlet’ is [een] der grootste scheppingen omdat hier het stukje waarheid groter is dan elders. (De waarheid van de noodzakelikheid der uiteindelike nederlaag van de mens).

Ik vergat je nog te bedanken voor Stendhal en Khayyam. Wat de druksels betreft, stuur me 25 prospekten en zoveel kaarten naar Miavoye. Van Brussel uit kan je naar de volgende kranten reeds sturen:

 

‘Het laatste nieuws’, Emiel Jacqmainlaan, 105/07, Brussel

‘De Standaard[’]          id.      , 127  ,  id.

Boekengids, Cuylitsstr. Antwerpen

De Ploeg, St. Jacobsmarkt, 93, Antwerpen.

Dietsche Warande en Belfort, Markgravelei, 168, Antwerpen.

Vlaamsche Arbeid, (Jozef Muls) Vleminck[x]veld, id.

De bibliotheekgids, Kruishofstr. Antwerpen.

De Volksgazet, Somersstr. Antwerpen

[p. 980]

Het Volksblad, ‘Volkshuis’, Alfred Stevensstr. Brussel.

Ontwikkeling      id. ,     id.        id.

Ontvang ik proeven van mijn bijdrage? Ja, vermoed ik. Voor het 2e nr. is het m.i. wenselik met kritiese bijdragen - vermits deze niet uitgesloten zijn - te beginnen.

Tot zover.

Met hartelikste groeten

 

steeds
je Paul v.O.

 

Nog voordat Du Perron bovenstaande brief had ontvangen, schreef hij op 6 of 7 januari de volgende, ongedateerde brief, waaruit blijkt dat de Avontuurcirculaires inmiddels gereed gekomen waren. Van de beide, op 30 december door Van Ostaijen opgestuurde, omslagontwerpen is uiteindelijk het tweede - zonder uitgeversnamen - gekozen, waarbij echter overeenkomstig Du Perrons voorstel de lijst werd weggelaten. Verder is voor het omslag de definitieve keus op het gele papier gevallen, waarvan Du Perron een monster bij zijn brief had gesloten.

 

Beste van Ostaijen,

Gelijk hiermee gaan naar je adres: 20 exx. cirkulaire (op papier en in het formaat v/h tijdschrift) en 20 bestelkaarten.

Ik zend 20 cirkulaire's aan Blijstra en 20 aan Burssens. Ikzelf houd er 10. Ik heb dus nog 300 - 70=230 exx. tot je beschikking. Wil je die in Miavoye-Anthée hebben of moet ik van hieruit de verzending doen? In dat geval, zend mij een opgaaf.

Ik heb de drukker gevraagd je beide ontwerpen uit te voeren, maar zonder lijst. Laat ons het liever strak en eenvoudig houden; tenzij je ziet dat er een lijst moet zijn; wat wel van de letters vnl. zal afhangen.

‘Avontuur’ zonder hoofdletter lijkt mij toch niet erg goed, te oordelen naar de cirkulaire.

Maar ik heb een felgeel papier gevonden dat veel beter is vind ik dan het lichtgroene en oranje. Ik sluit het staaltje hierbij.

Tot nader. Steeds met beste groeten je

 

EdP.

 

Enkele dagen later beantwoordde Du Perron Van Ostaijens brief, die de zijne gekruist had.

Schrijvend over zijn terugontvangen fragment uit de Cahiers van een lezer, noemt hij als voorbeelden van voor hem aanvaardbare religieuze literatuur

[p. 981]

niet alleen Silvio Pellico, maar ook Het boek Job. Zowel zijn opmerkingen over Jezus als die over Job heeft hij in het volgende stuk uit zijn Cahiers van een lezer, dat eind januari geschreven werd, verder uitgewerkt.

Uit Du Perrons alinea over Creixams blijkt dat hij diens vriend, de Brusselse schrijver Gaston Pulings, weer ontmoet heeft, die destijds in 7 Arts5 Creixams tentoonstelling in de Vierge Poupine had aangekondigd.

[Brussel, 10 Jan. '28.]

Beste van Ostaijen,

Dank voor je brief en de teruggezonden cahier-bladen. Neen, we zullen ze toch maar niet in Avontuur publiceren. Mijn voornaamste reden gaf ik al op, en overigens zou ik het bepaald beroerd vinden als door mijn toedoen alleen, onze abonné's hoofdzakelik uit ‘vrijdenkers’ zouden moeten bestaan. - Wat je zegt over het klare zeggen en het lege ouwehoeren is feitelik wel het voornaamste. Daarin dus staan wij tegenover Rousseau en naast Stendhal. C'est quelque chose! - Jezus was niet vervelend omdat hij iets te zèggen had; hij ging recht op de man af vanuit ‘de volheid des gemoeds’ en zijn tijdgenoten stelden hem tegenover de hogepriesters in de eerste plaats om zijn boeiende persoonlikheid. (Hij leerde als een ‘machthebbende’ enz.) De kerkelike schrijvers daarentegen, als ze ons niet treffen door een zekere naïveteit, die bovendien dikwels meer uit de tijd dan specifiek uit de vroomheid stamt, zijn hol-versierend. Al dat z.g. lyrisme naar en over God verbergt hun leegheid en gebrek aan originaliteit.

Saint-Augustin zelf heeft pagina's geschreven oneindig bêter dan die van Gaboriau: beter vermomd, of verkapt onder de stijl, maar bêter: herinner je maar eens de manier waarop hij ons duidelik zal maken waarom een heel klein kind reeds blijken geeft van de erfzonde. Het is inaan en om van te spugen. - Er is volstrekt geen reden waarom iemand ons niet evenzeer met vroomheid zou ontroeren als met iets anders - daar zijn bijv. prachtige passage's bij Silvio Pellico - maar meestal is de vrome lyriek niet anders dan de zware en onverkwikkelike randversiering van vrijwel lege bladzijden. - Dit zou ik ook weer in mijn ‘Cahier’ kunnen zetten.

Iemand die ingespannen aan God zou denken, zou enige blzn. moeten verkrijgen van het gehalte van het boek Job. Maar het euvel is dat de meesten van uit hun traditioneel geloofje uit er maar wat op los lullen. En als zodanig is Moens het type van de nietszeggende ouwehoer. Want zelfs zonder speciaal geestige of ‘originele’ invallen, dus trouw blijvend in de melk-en-suiker-toon, kan men méér bereiken: getuige Tagore. Trouwens, naast zijn produkten, zijn er twee bewijzen voor 's mans grondige inintelligentie. 1e zijn portret; 2e het grote sukses dat hij vrijwel

[p. 982]

onmiddellik heeft bereikt.

Ik heb mij hartelik geamuseerd met je kritiek over Le Crime d'Orcival. Over de zeer juiste dingen die je aanstipt heb ik waarachtig nooit gedacht. Maar ik heb wschl. meer detektive-romans gelezen dan jij: het maakt je op bepaalde punten immuun, net als het vele gaan naar de Amerikaanse film. Trouwens, jijzelf schrijft niets over het eigenlike drama: Hector-Berthe-Sauvresy (als ik mij de namen goed herinner). Dàt gegeven, beter behandeld, zou niet geheel misplaatst zijn geweest bij Balzac of Stendhal: (bij de eerste toch minder dan bij de twe[e]de). Maar je voornaamste grief is misschien: ‘het is slecht geschreven’. Dat is het natuurlik in hoge mate. En toch, het is heel dikwels boeiend verteld. - Ik durf je nu Paul de Kock ook niet meer zenden: al geldt hij als zeer bizondere zieke-lektuur. Je bent te weerbarstig en mist de gave je op een onschuldige aangename manier te willen laten verneuken!...

Wat Creixams' uitlating betreft, kijk jij achter de schermen. Dat mag niet! Jij bent nu juist de enige persoon die bij mijn aanhaling net moet doen of hij nooit van die Creixams gehoord heeft! Tussen haakjes: hij schijnt op het ogenblik weer in de grootste misère te zitten; ik hoorde het toevalligerwijs van de heer Pulings - je weet wel, de dichter-schrijver Pulings, een groot man met snorren.

Ik stuur je gelijk hiermee weer 10 cirkulaires, mèt kaarten. Zeg mij ook of ik bij de van hieruit te verzenden cirkulaire's (aan de bladen) een kaart moet doen, en of ieder blad één of twee exx. krijgt.

Heb ik goed gelezen: Cuylitsstraat (voor de Boekengids)? Je schrijft soms bijna in een soort spijkerschrift. Voor Volksblad enz. is het de Alfred...? straat.

Ik zal je de drukproeven zenden, als brief, zodra ik ze ontvang.

Tot nader! Met ferme poot als steeds je

 

EdP.

 

P.S. Ik heb voor Blijstra 3 exx. IJ.V. te verzenden aan Belgiese bladen.

Welke raad je me aan?

 

Du Perrons uitlating in de voorgaande brief ‘Ik stuur je gelijk hiermee weer 10 cirkulaires, mèt kaarten’ slaat op het feit dat hij vergeten had de bestelkaarten bij zijn brief van 6 of 7 januari op te zenden, zoals ook uit de volgende brief van Van Ostaijen duidelijk wordt.

Van Ostaijen gaf er de voorkeur aan de Avontuurcirculaires niet vanuit Miavoye-Anthée te verzenden en stuurde daarom Du Perron een lijst met 55 adressen, waaronder naast meer algemeen bekende figuren, instellingen en boekhandelaren ook vele persoonlijke relaties van hem voorkomen6.

[p. 983]

Op het moment dat Van Ostaijen zijn brief schreef - vlak voordat door een complicatie zijn gezondheidstoestand definitief verslechterde - was hij nog van plan enkele dagen eerder dan de steeds genoemde 25ste januari naar Antwerpen terug te keren.

Onder de ‘schuit boeken’ die hij ter bespreking in Vlaamsche Arbeid ontvangen had, bevond zich ook het debuut van Achilles Mussche, De twee vaderlanden, dat eind 1927 verschenen was, maar dat Van Ostaijen niet meer besproken heeft. Wèl heeft hij zijn aangekondigde recensie over Blijstra's IJzeren vlinders nog geschreven. Hij is er echter niet aan toegekomen het bewaard gebleven handschrift hiervan7 in te zenden, zodat het stuk nooit in Vlaamsche Arbeid is gepubliceerd.

[Miavoye, 12-1-28]

Beste du Perron,

Ik heb je brief ontvangen en verder 20 circ[k]ulaires zonder kaarten en 10 cirkulaires + 10 kaarten. Is dit juist? Volksblad is Alfred Stevensstr.

Brussel en de Boekengids Cuijlitsstr. Antw. Is het nou leesbaar?

Met deze zend ik je een lijst adressen. Ik denk dat het onnodig is eerst de circ[k]ulaires naar M-A. op te sturen. Ten tweede heb ik hier geen omslagen. (Je zal de cirkulaire nogal aardig moeten vouwen om ze binnen een gewoon omslag te krijgen). En dan is het beter dat de poststempel: Antwerpen of Brussel draagt, dan M.-A. - Hou deze lijst bij en zodra je er mee klaar bent, stuur ze mij terug, opdat ik juist weet wie reeds een circ[k]ulaire ontving. De andere cirkulaires stuur ik dan van Antw. uit. Op zaterdag 21 of zondag 22 januari reis ik naar Antw. terug. Meen je dat ik goed doe mijn reis te onderbreken te Brussel om zekere aangelegenheden mondelings[ling] te bespreken? Het is een inspanning voor mij, maar indien we ergens kunnen zitten in een niet te doorrookt lokaal, gaat het wel. (ook te Antwerpen zal ik nog lange tijd hoofdzakelik in waterpasrechte houding moeten blijven).

‘IJzeren Vlinders’ zal ik in ‘Vl. Arbeid’ bespreken. Ik heb juist, van de redactie, een kleine schuit boeken ontvangen (daaronder een masterpiece van A. Mussche: de twee Vaderlanden, een lijvig boekdeel ook). Ik bespreek meteen IJ. Vl. - Stuur een ex. aan ‘De Schelde’, Kerkstr. 9, Antwerpen en, waarom niet, een aan ‘Opbouwen’, Noordzandstr. Brugge?8 Verder: Joh. de Maeght (voor ‘het laatste nieuws’) 18, de Haveskerckelaan, Vorst-Brussel. Je zet er telkens bij ‘Ter recensie’ en voor de Maeght als afzender: P. van Ostaijen, Albertstr.44, Antwerpen, dan weet-ie meteen dat het een modern werk is. (Zo oriënteert men de vlaamse kritiek.)

Je noemt me weerbarstig, in verband met mijn kritiek op Lecocq. Dat is

[p. 984]

toch waarachtig niet waar. Ik ben er met veel vlijt aan begonnen. Ik heb je zelfs vrij lovend over nummer een geschreven. Alleen toen ik bemerkt heb dat, voor mij, het geval hopeloos was, heb ik je dat geschreven. Neen, weerbarstig ben ik zeker niet geweest.

Zo, je hebt Pulings-met-de-snorren getroffen, dezelfde Populi-ngs! die Creixams konterfeitte! Arme Spanjool van zo hoog weer naar beneden!

 

flinke poot
je Paul v O.

 

Een dag later reageerde Muls pas op Van Ostaijens brief, waarbij deze zijn Vier proza's had ingezonden en legde hem de oorzaak van deze vertraging uit. Hij stuurde hem nogmaals enkele boeken ter recensie toe en sprak er zijn lichte ongerustheid over uit Van Ostaijens medewerking aan Vlaamsche Arbeid door de oprichting van Avontuur te moeten missen. Welke boeken precies door Muls begin en midden januari opgezonden waren, is niet bekend, maar in het april 1928 verschenen, eerstvolgende, dubbele nummer van Vlaamsche Arbeid werden de volgende boeken door Van Ostaijen besproken: Voor de mensen door Jos. Henskens, Kinderen van eenzaamheid door Theresia, Rahij's gebeden en gezangen door Edgard Lemaire-Dens, Rijmelarij door Henri 't Sas, Vertoeven door Joris Caeymaex, Jaques Perk door J. Mathijs Acket en Tirol door Ernst Krauss. Bovendien behoorde het reeds genoemde De twee vaderlanden door A.J. Mussche tot het pakket en staat onder het kladhandschrift van Van Ostaijens artikel over Blijstra's IJzeren Vlinders ook nog een - eveneens niet gepubliceerde - korte aankondiging van de vierde druk van Cyriel Verschaeve's Zeesymphonieën en de tweede druk van diens studie Lucifer.

[13 / 1 / 28]

Waarde Vriend,

Ik heb gewacht om U te antwoorden op uw brief van 27.12.27 en U te danken voor uwe mooie prozastukken omdat ik zelf te wachten zat op een antwoord dat ik van ex-minister Huysmans moest krijgen en dat niet kwam.

Ik begin te denken dat hij zijn zoo spontaan genomen besluit niet in een daad heeft omgezet en nu verlegen zit met zijn antwoord aan mij.

Ik heb U met nieuwjaar een pak boeken toegezonden die naar ik hoop U wel in goede orde zullen zijn toegekomen. Ik had er mijn wenschen willen bijvoegen na de goede wenschen die ik van U ontving maar ik wachtte... Ik genoot van uwe prozastukjes. Dat doet U niemand na in Vlaanderen. Het is schoon om wat onuitgesproken bleef. De woordenreeksen worden

[p. 985]

tot een dun vlies waarachter het eigenlijke het diepere dat gezegd moest worden door den aandachtigen en meevoelenden lezer kan worden vermoed. Die schijnbaar simpele en achtelooze stukjes zijn vervuld van een levensphilosophie en van een stillen weemoed.

Ik zie met verlangen naar de volgende uit.

Met Cordemans heb ik de zaak der dienstnrs voor de medewerkers geregeld ge zult dus regelmatig weer uw nr ontvangen. Van de besprekingen zullen afdrukjes gemaakt worden omdat het zenden van een heel nr aan uitgevers te kostelijk wordt.

Marsman zal ik tot mijn spijt niet kunnen voldoen. Ik heb maar een nr meer.

Ik vernam dat ge een nieuw tijdschrift hebt helpen stichten. Indien dit een voorteeken is van uw volledig herstel verheug ik er mij ten zeerste om maar ik hoop daarbij dat ge Vl- Ar zult blijven gedenken.

Moet ik Huysmans nog te lijf gaan?

 

Hartelijk uw
Jozef Muls

 

P.S. Ik zend U nog een paar boeken ge bespreekt ze wel op een voor U gelegen tijd.

 

Vijf dagen voordat hij van plan was naar Antwerpen terug te gaan, schreef Van Ostaijen om zijn thuiskomst te regelen het volgende briefje aan zijn vader, hoewel hij toen, door het stijgen van de koorts, al weer enkele dagen het bed moest houden. Opvallend in deze eerste der bewaard gebleven brieven aan zijn vader is, dat alleen uit de slotzin - waarvan de formaliteit nog voor een zekere camouflage zorgt - iets van een gevoelsband blijkt. Hij wil zelfs niet de indruk wekken erop te rekenen dat zijn vader speciaal voor hem thuis blijft: ‘Ik heb een sleutel’.

[Miavoye-Anthée 17-1-28]

Beste Pa,

Ik denk hier Zondag om 3 uur en [?] minuten te vertrekken, zodat ik rond 8 uur 's avonds te Antwerpen zal aankomen. Ik heb een sleutel. Als ge, Vrijdag of Zaterdag, Flor mijn kamer in gereedheid doet brengen is alles op zijn best.

Alles wat er nog aan korrespondentie zou komen, houdt ge van nu af maar bij. Indien er postkaarten zouden komen met mijn adres opgedrukt: goed bijhouden a.u.b.

[p. 986]

Dus tot spoedig.

 

Ik omhels u wel
uw u liefhebbende zoon,
Paul

 

Twee dagen later was het hem duidelijk dat hij zijn terugreis voorlopig uit moest stellen en schreef hij de volgende brief aan Du Perron:

[Miavoye, 19-1-28]

Beste du Perron,

Berekeningen en hoop ten spijt, blijkt het dat ik, op het kritiese punt, niet vervoerbaar ben. Ik lig nu weer een week te bed met over de 38° temperatuur. Zal er een verwikkeling zich voordoen of niet? In elk geval, moet ik nog enkele dagen blijven ten minste.

Wat nu met de postcheck? Indien niemand dan ik persoonlik vermag een inschrijving te nemen op mijn naam, dan moeten wij dus van de postcheck afzien. Zo willen het nu eenmaal de omstandigheden. Is het echter anders, heb je me dit zo maar als vermoeden geschreven, dan zou iemand in mijn plaats het nodige kunnen doen, jij of Burssens. Je weet dat postcheck van veruit, voor tijdschriften, de gemakkelikste wijze van abonnementsinning is.

Stuur nog cirkulaire's aan:

R. Holvoet, secretaris van het K. VI. Conservatorium, St. Jacobsmarkt, Antwerpen.

Dr. Raimond de Beir, arts, Knocke-aan-zee

De Coene, meubelfabrikant, Kortrijk

J. Hausdorff, boekhandelaar, Leopoldstr. Antwerpen

H. Daeye, kunstschilder, Cogelslei, Antwerpen

Dr. Herman Vos, volksvertegenwoordiger, Oude baan, Berchem - Antw.

Dr. R. van Genechten, advocaat, Moreelsepark, 6, Utrecht

A.W. Grauls, letterkundige, Floraliënstr. Berchem-Antwerpen

 

Met beste groeten,
je Paul v O

 

Nogmaals hebben Van Ostaijens en Du Perrons brieven elkaar waarschijnlijk gekruist, want in de volgende ongedateerde brief kondigt Du Perron aan ‘eerstdaags’ en wel ‘begin volgende week’, d.w.z. op of na 23 januari, zijn uitgave van Jarry9 te zullen sturen, zodat ook deze brief omstreeks 19 januari geschreven kan zijn.

[p. 987]

Du Perron begint met de mededeling dat hij de circulaires verzonden heeft naar de 10 adressen die Van Ostaijen hem op 7 januari had geschreven en de 55 van de hem op 12 januari toegestuurde lijst.

Na zijn opmerkingen over Dinger en zijn voorstel Van Ostaijen van het station te komen halen, vraagt hij het ‘livret’ van Périer terug, dat hij op 14 december Van Ostaijen gezonden had. Ditmaal stuurde hij hem als lectuur het eerste nummer van Échantillons, dat onder redactie van Lucien François en met een inleidend artikel van Gaston Pulings zojuist te Brussel was uitgekomen. In dit nummer waren zowel van Odilon-Jean Périer als van Léon Kochnitzky, de schrijver van o.a. Élégies bruxelloises, gedichten opgenomen10. Van Ostaijen heeft in zijn volgende brieven niet meer gereageerd op Du Perrons vraag wat hij van Périer en Kochnitzky vond.

 

Beste van Ostaijen,

Ingesloten je lijst weer terug. Alles is verzonden. Dat maakt dus een 65 exx. cirkulaire minder. Blijstra vroeg mij er nog 15. - Als Dinger inderdaad die 500 exx. bedeelt... en ‘deskundig’ bedeelt...

Ik weet intussen niets meer van Dinger. Hij zwijgt tegenover mij volkomen: toch ontving hij, achter elkaar, de gevraagde exx. Poging tot Afstand, de 500 exx. cirkulaire en de bestelkaarten op zijn naam. (Mijn nog wat ‘kortaffer’ briefje heeft hem schijnbaar ontdaan.)

Het best is ook dat jij alles met hem afdoet, altans voor ons blad.

Jij staat in een zuiverder positie tegenover de man; je kunt veel beter de puntjes op de i's zetten.

Wat onze ontmoeting betreft: als ik mij niet vergis kom je in de gare du Luxembourg aan? Je bent dan toch in ieder geval verplicht over te stappen. Als ik je daar dus afhaalde, zouden we een half uurtje kunnen praten in het hôtel de Gembloux, dat vlak tegenover het station staat en dat een heldere, propere zaal heeft (zeer weinig bezoekers). Ik breng je dan de overige cirkulaire's. (Ik kom met de auto en transporteer je verder.)

Zou je me willen terugsturen: het le livret van Périer, als je het nog hebt? Ik zend je gelijk met deze het 1e nr. van een nieuw frans-belgies revuetje: Echantillons. Het opent met een afschuwelik bête inleiding van juist die ‘Populings’. Hij schrijft als een onderofficier, maar daarbuitenom nog schijnt hij zo ongeveer tot de ontdekking gekomen te zijn dat hij nooit met de franse kollega's op één niveau zal komen te staan, en dit schijnt hem reden genoeg om de ‘broeders’ een overtuigd belgiese nulliteit voor te preêken. De pluim die hij Jaloux, in het voorbijgaan maar uitvoerig, in de kont steekt (Jaloux is immers een der hoofdmedewerkers van het blad Les Nouvelles Littéraires dat zowaar sedert enige tijd zijn kolommen voor ‘Populings’ heeft opengezet) is

[p. 988]

karakteristiek voor 's mans stijl en ‘manier’. Ik heb hem een paar keren bij Hellens ontmoet en met zwaar, overtuigd geluid een paar stommiteiten horen verkondigen,* die - ik moet het erbij zeggen - door iedereen werden opgemerkt en door niemand tegengesproken.

(En ik heb het achteraf niet eens verkorven toen ik op de vraag hoe ik hem vond, antwoordde: ‘Il me semble que c'est vraîment le belge dans toute sa splendeur.’)

In Echantillons i heb ik werkelik genoten van het gedicht La Visite, van Périer. De taal - ook qua musikaliteit - lijkt mij perfekt. Zeg mij eens of ik mij vergis. - Ken je die Kochnitzky? Wat hij schrijft is dikwels volstrekt niet onaardig, maar ik geloof dat zijn zuiver-dichterlike kwaliteiten met de mijne gelijk staan.

Je krijgt eerstdaags Jarry. Begin volgende week.

Nu mijn beste, houd je taai. Een poot van je

 

EdP.

 

* over Gide en over Barrnabotte, wat iets anders is dan Barnabousse.

 

In de nacht van 21 op 22 januari schreef Du Perron zijn ongedateerd antwoord op Van Ostaijens brief van de 19de. Welke ‘Nederlandse werkjes’ hij bij die gelegenheid gestuurd heeft kan ook uit de volgende correspondentie niet worden opgemaakt.

 

(Zaterdagnacht, d.w.z.
Zondagmorgen.)

 

Beste van Ostaijen,

Ik heb er het land over in, niet omdat je niet tijdig in Antwerpen terug zult zijn, maar omdat je dàt nu weer overkomen is! Ik zend je tot vertroosting een paar Nederlandse werkjes. Schrijf me spoedig een kaartje om me op de hoogte te houden, wat de gezondheidstoestand aangaat.

Ik heb zo juist (het is 3 uur in de morgen) iemand gesproken die met zeer veel belangstelling naar je informeerde: Maurice Roelants. (Ik heb hem ook iets gevraagd voor ‘Avontuur.’) - Schrijf me wanneer je komt, opdat ik je van het station kan halen en met de auto verder brengen, - als mijn vermoeden, wat je reis betreft, tenminste juist is. - De 8 nieuwe adressen hebben een prospektus toegestuurd gekregen. Houd me op de hoogte en houd zelf de moed erin! Veel beste wensen en een ferme poot van

 

je EdP.

[p. 989]

Hierna valt er een hiaat van een week in de bewaard gebleven correspondentie. In deze periode zette Van Ostaijens inzinking door en voltrok zich wat Dr. Bérard later omschreef als: ‘l'état s'est de nouveau aggravé et j'ai perdu tout espoir’.11 Negen dagen na zijn laatste brief volgde weer een kort bericht aan Du Perron naar aanleiding van de inmiddels ontvangen drukproeven van zijn bijdragen aan het eerste nummer van Avontuur.

[Miavoye, 28-1-28]

Beste du Perron,

Ik zend je de trouwens reeds door jou uitstekend gecorrigeerde proeven terug.

De lamme historie is nog niet aan zijn eind. Ik moet er weeral een week bijrekenen. Tans gaat het met vochtige doeken. Als het nu maar een beetje wou opschieten, het is al wat ik verlang.

Ik heb Jarry ontvangen. Verdomd daar heb ik plezier aan gehad! ziedaar plotseling mijn schat van voor mezelf op te zeggen gedichten met menig stuk verrijkt. ‘L'Amour en visites’ is enig.

 

In haast
je Paulv.O

 

Du Perron antwoordde onmiddellijk en stuurde Van Ostaijen een drietal drukproeven van het omslag voor Avontuur ter beoordeling toe. De opmaak van het eerste nummer is inderdaad overeenkomstig Du Perrons voorstellen uitgevoerd.

Over Marsmans essaybundel De anatomische les uit 1926, die Du Perron aan het eind van zijn brief ter sprake brengt, hebben de vrienden verder niet meer gecorrespondeerd. In het tweede der Cahiers van een lezer heeft Du Perron echter, direct achter zijn stuk over Het boek Job, Het hooglied, De prediker enz. van eind januari, een Fragment van een niet verzonden brief aan P.v.O. opgenomen12, waarvan de eerste zin, ‘...Ik heb gisteravond geworsteld met De Anatomische Les van Marsman’, vrijwel woordelijk overeenkomt met zijn mededeling in onderstaande brief. Mogelijk heeft Du Perron zijn later gepubliceerde brief achtergehouden om Van Ostaijen in diens toestand niet tot een uitvoerige repliek te verplichten en heeft hij zich met opzet beperkt tot de zakelijke kwesties rondom hun tijdschrift.

[Brussel, 29.1.28.]

Beste van Ostaijen,

Hoe onaangenaam die nieuwe inzinking weer! Enfin, je niet opwinden

[p. 990]

en met berusting ondergaan. Ik hoor hopelik tijdig vooruit wanneer je komt; je vindt me dan aan de trein zonder mankeren. Ingesloten de mogelikheden voor het omslag. In betere letter kan hij avontuur niet zó groot drukken, maar als wij dan alles in kapitalen lieten zetten? avontuur, nr. 1, eerste jaargang en het woord inhoud?

Zend me deze proeven omgaand terug.

Zo leeg een bestaan neemt maar 20 blz. in. Met breed uitmeten ben ik zover gekomen dat ik nu maar 2 pagina's te kort kom: ik heb Dinger, Blijstra en jou gevraagd om kopij, maar alles zal wel te laat komen. Ik zal in dat geval die 2 blzn. doen innemen door de tekening van Willink en wel op pag. 1 & 2: 1 blank, met onderaan, rechts, herhaald: Avontuur i. Februari 1928. (op twee regels en in vette letter bijv.), en op pag. 2. het cliché, front naar jouw Boere-Charleston (op pag. 3). Dit is misschien nog niet eens zo slecht; het rondt de bundel beter af en het kost het apart drukken van de tekening minder. Ik zal ook zien af te dingen op 2 blzn. minder kompositie.

Voor nr.2 had ik de kopij liefst zo spoedig mogelik. Maar daarover spreken we elkaar misschien nog wel bij gelegenheid. Tant mieux als Jarry je is meegevallen. Ik heb gisteravond verwoed geworsteld met De Anatomische Les van Marsman. Intelligent?... ja... - maar nog zo'n Godverdommesse literator.* Hierover misschien later meer.

 

Met hartelike groeten
je EdP.

 

* Het zijn zulke mensen die je de lust geven voor goed met alle literatuur af te doen en een bordeel op te richten of negers te bekeren.

 

Op de eerste dag van de nieuwe maand, toen Van Ostaijen door de opgetreden complicatie van een pleuritisch exsudaat een dieptepunt doormaakte, schreef hij twee korte brieven. Eén hiervan was gericht aan Du Perron, die verzocht had de proeven van het omslag voor Avontuur ‘omgaand terug’ te krijgen.

[Miavoye, 1.2.28]

Beste du Perron,

Inderdaad, de twee met de grote letter zijn gans onmogelik. De derde is ook al slecht, maar de meest schappelike, behalve dan die lijnen onder de tietels van de dingen. Toch, doe er mee zoals je wilt alles in kapitalen, mij goed.

Ik sukkel op dit oge[n]blik verschrikkelik. Ik kan zo te zeggen geen ‘poe’

[p. 991]

zeggen. Een miserie, vriend. Ik weet wel dat ik, fysies, als mens naar de bliksem ben, maar ik vind dat men mij toch een minimum mocht laten. Tot later alweer.

De stukken die in de Albertstr. mochten zijn toegekomen, zend ik je tijdig. Flinke poot van je

 

PaulvanOst.

 

De tweede diende om Muls ervan op de hoogte te brengen, dat de uitkering van 2.000 frank door het ministerie van Schone Kunsten en Wetenschappen eindelijk haar beslag gekregen had. Bij deze gelegenheid zond Van Ostaijen tevens de zeven recensies voor Vlaamsche Arbeid in die hij reeds voltooid had.

[Miavoye, 1.2.28]

Waarde vriend,

Ik ontvang zoe[ë]ven van het ministerie van S.K. en W. een ordonnantie tot betaling over 2000 fr. Hiermee is dus op uw laatste brief geantwoord en heel deze zaak, op zijn beste, uit de voeten.

Mijn medewerking aan ‘Vl.A.’ komt niet in het gedrang door ‘Avontuur’. Maar ik ben nu weer vreselik onder de hand en dat stelt mijn productiemogelikheden anders in vraag. Van een herstel kan geen spraak zijn voor binnen drie jaar. Nu maak ik weer een kwade periode door.

Hierbij enkele recensie's. Steeds gaarne proeven.

 

Met hartelikste groeten
Uw dwe, Paul v. Ostaijen

 

Op dezelfde dag schreef Tine Ceulemans hem een ongeruste brief over het uitblijven van nieuws na het verstrijken van de 25ste januari. Hieruit blijkt dat Van Ostaijen er ook niet toe gekomen was zijn vader en Burssens te berichten dat zijn terugkeer voorlopig onmogelijk was.

[Antwerpen 1 Februari 28]

Paulke jongen, als ik het niet beter wist zou ik gaan denken dat je boos bent, en zou ik dat indien je zelfs maar een héél klein beetje boos was, erg ongezellig vinden, want je weet toch wel dat met spotternij en al, ik het toch altijd best met je meen.

Ik sprak gisteren je ouwe heer, en ook hij wist zeer weinig te vertellen,

[p. 992]

en die arme Gaston Burssens die ook al met z'n ziel onder z'n arm loopt omdat hij niets van de plakzwaaier voor Vlaanderen hoort. Je ziet, eene treurende gemeente. O! Polleke van Ostaijen, hoog geroemde Vlaamsche poe[ë]et breng ons licht, en haal de ziel van de menschen die er mee onder den arm loopen er weer onderuit!

Maar nu eens zonder gekheid. Paulke, we zouden allemaal zoo graag weten hoe je het nu maakt. Dat je na deze ligkuur niet sterk genoeg zou zijn om dit tamelijk lang traject met de trein af te leggen, zou me niet verwonderen. Maar heusch, nu we zoo niets van je hooren weten we niet hoe we het hebben. Door het verschijnen van het Avontuur hebben de laatste tijd veel menschen naar je gevraagd, en heeft iedereen die het wist dan ook verteld dat je rond de 25 Jan. weer terug kwam. Je zult het waarschijnlijk zelf heelemaal niet prettig vinden dat je verblijf te Miavoye nog langer wordt gerekt, maar neem het deze arme Antwerpenaren niet kwalijk dat ze reikhalzend uitzien naar elk nieuws van je.

Ik heb met de oude heer afgesproken dat ik einde der week eens bij hem aan zou komen. Hij schreef je ook zei hij, zoo hoor ik dan wel van hem het nieuws van Miavoye, mocht het schrijven je te veel vermoeien, om mij tegelijk te bedenken.

Dag Paulke, laten we hopen tot spoedig ziens!

 

steeds
je Minnekepoess.

 

Nadat Van Ostaijen van zijn vader behalve de brief waar Tine Ceulemans reeds over schreef, ook nog een briefkaart over de doorgezonden brief van het ministerie had ontvangen - die beide verloren zijn gegaan -, bracht hij hem in een vrij korzelig antwoord van zijn toestand op de hoogte. Al noemt hij deze toestand nog ‘geen lach’, toch heeft hij alweer het gevoel ‘de kwade kaap gepasseerd’ te zijn, trekt zich op aan de doktersverklaring dat de opgetreden complicatie een vrij normale reactie is op de pneumothoraxbehandeling en hoopt nu op 9 februari al terug te kunnen.

[Miavoye, 3.2.28.]

Beste Pa,

Ge zijt toch nogal rap om naar papier en inkt te pakken en te schrijven: ik ben ongerust, ik ben kurieus. Wat die aangetekende brief van het Ministerie betreft en die ik ontvangen, hij is pas weg of - bom - een kaartje achterna: ik maak mij ongerust of je die brief wel ontvangen hebt. Als ge nooit erger op nieuws hebt moeten wachten, laat ons dan

[p. 993]

tevreden zijn.

Ik lig nu van rond 14 Januari te bed, vermits ge het het [herhaald] weten wilt. Een komplicatie die zich dikwels voordoet in geval pneumothorax, het water in de ribbekast. Nu volgt: hoge koorts, natte doeken, verschillende soorten inspuitingen. De krizis heeft 16 dagen genomen haar hoogtepunt te bereiken. Ik kan u verzekeren dat het geen lach was en nog niet. En dat ik meer dan een reden had niet te schrijven.

We hebben nu de kwade kaap gepasseerd. Maar voor de eerstkomende tijd zal het nog een leven van uiterste voorzichtigheid moeten zijn. Ik denk tot de volgende week donderdag.

Stuur mij mijn korrespondentie op, zoveel mogelik onder éen omslag, als 't gaat.

Tot weerziens, met hartelikste groeten,

 

uw zoon
Paulv.Ostaijen

 

Drie dagen voordat Du Perron naar Parijs vertrok, schreef hij Van Ostaijen de volgende opbeurende brief. Hoewel hij hem daarbij ook van alle zorgen omtrent Avontuur wilde ontlasten, bracht hij hem ongewild in paniek met zijn mededeling de nummers van Avontuur naar zijn adres in Antwerpen te zullen laten sturen, waardoor Van Ostaijen genoodzaakt werd alles tijdig met zijn vader en Burssens te regelen.

[Brussel, Vrijdag 3.]

Beste van Ostaijen,

Het doet mij werkelik leed te horen dat het je zo weinig goed gaat. Berusting is in jouw geval wel de hoogste vorm van moed. Haast je niet, onderga en wacht af; laat ook het tijdschrift je geen zorgen baren. Ik laat vandaag drukken, daarna 140 exx. naar Dinger zenden en 140 exx. naar je Antwerps adres. Mocht je vooreerst niet terug kunnen gaan, dan zou je Burssens kunnen schrijven dat hij naar je huis gaat, het pak opent en de eerste verzendingen doet. - Ik moet Maandag a.s. nodig naar Parijs en denk er een weekje te blijven. Maar schrijf mij in ieder geval een kaartje als je naar A. teruggaat.

Het omslag zal ik zien zo goed te krijgen als ik enigszins kan. Ik liet het gisteren op geel papier drukken om te zien, ik verwacht de proef vandaag. Nu, mijn beste, houd je ferm. Dr. Pauporté, mijn longenman, een van de beste Brusselse doktoren op dat gebied, vertelde mij dat de pneumothorax uitstekende resultaten oplevert; hij heeft die behandeling op iemand toegepast die zeer ver weg was; de man is op het ogenblik

[p. 994]

markonist of zoiets op een schip en schrijft hem ieder jaar: hij maakt het uitstekend, heeft af en toe last van een gewone verkoudheid, die op gewone wijze verloopt. Dus: geen al te zwarte gedachten en rusten, ook naar de geest, of beter, naar het gemoed. Tot nader; een ferme poot.

 

Je EdP.

 

De zondag daarop schreef Van Ostaijen weer onmiddellijk aan zijn vader om hem te waarschuwen dat er per spoor een pakket zou kunnen komen en hij dit in elk geval aannemen moest.

De toon van deze brief is weer veel meer ontspannen dan die van zijn vorige. Het is alsof hij, door zijn vader over zijn toestand en de verzorging gerust te stellen, tevens zichzelf de overtuiging teruggeeft dat alles in orde zal komen. Ditmaal geeft hij als datum van zijn vermoedelijke thuiskomst 11 of 12 februari op.

[Miavoye-Anthée, 5-2-28.]

Beste Pa,

Ik heb de door u verzonden korrespondentie in de beste orde ontvangen. Laat mij verder toe u te zeggen dat ditmaal de toestand zich naar wens ontwikkelt en dat ik, dus vermoedelik zaterdag of zondag, zal kunnen terugkomen.

Hetgeen zich heeft voorgedaan doet zich bij ongeveer 50% pneumothoraxen voor. Het is niet schadelik, en zelfs in vele gevallen helpt het de drukking staande houden enz. Alleen is bij mij de reaktie betrekkelik hoog geweest, zodoende dat ik langer dan voorzien te bed moest blijven.

Indien er van den ijzerenweg een pak zou komen, neem dat aan.

Misschien is er ook wat op te betalen.

Wat de verzorging en verpleging betreft gedurende deze evolutie kan ik enkel zeggen dat zij werkelik alle lof verdienen. En in zover is het nog een geluk dat, deze gebeurtenis, zich hier heeft voorgedaan dan indien zij zou gewacht hebben een maand later uit te barsten.

Tot spoedig ziens, hoop ik,

 

Ik omhels u
uw u liefhebbende zoon,
Paul

 

Ook Burssens, die erop had gerekend dat Van Ostaijen omstreeks 25 januari terug zou zijn, daarom op 28 januari naar zijn huis was gegaan,

[p. 995]

maar pas een week later enigszins door vader Van Ostaijen was ingelicht, toonde zich benieuwd naar de gang van zaken.

De abonnee die hij terloops in zijn brief opgeeft, was zijn dokter waarmee hij in 1927 naar Zwitserland was geweest.13

[6-2-28]

Beste Paul,

Ik ben tweemaal aan je deur geweest, telkens 's Zaterdags. De eerste maal was niemand thuis, de tweede maal heeft je vader me verteld dat het nog wel 14 dagen kon aanlopen voòr je thuis was als gevolg der inblazingen. Verdraag je ze tans niet goed meer? - Wat jammer dat ik je vorige maand geen bezoek heb gebracht.

Je vader vertelde me nog dat een twaalftal14 inschrijvingen op ‘Avontuur’ waren binnengekomen, maar ze je nog niet had opgestuurd. Kan ik die misschien halen en ze je zenden of ben je deze week thuis?

Dr.A.Claus verzocht me hem ook te abonneren, zijn adres is: Bexstraat 6.

Hoever staat het met het eerste nummer?

Als het mogelik is schrijf me dan eens wat nieuws, ten minste als je deze week niet thuiskomt. Indien wel kom ik je Zaterdag in de Albertstr. bezoeken, rond 4 uur.

Inmiddels het hartelikst van je

 

Gaston

 

Van Ostaijen beantwoordde deze brief door ook Burssens over zijn ziekte in te lichten en hem tevens te vragen voor de verzending van Avontuur zorg te dragen, waarvoor hij hem uitvoerige instructies verschafte.

[Miavoye, 9-2-28.]

Beste Gaston,

Niet vanwege de inblazingen ben ik plots weer te bed moeten blijven, maar wel vanwege een aksident dat zich in 50% der pneumothorax gevallen voordoet: water in de ribbekast en dit water wordt dan behouden als een consolidatie van de luchtdruk reeds bereikt door de inspuiting.

Doch hoelang zit je er mee voor alle reakties zich weer hebben gelegd? - Een miserie vriend. Sedert 15-1-28 lig ik weer te bed.

Nu ‘Avontuur’. Het eerste nr. is, meldt du Perron, afgedrukt, hij gaat op een week naar Parijs en heeft de ene helft naar Holland, de andere naar mijn adres gestuurd. ‘Als je soms niet terug was, kan Burssens wel de eerste, hoofdzakelike, verzendingen doen.’ Zaterdag ben ik er nog niet.

[p. 996]

Dus: ga jij Zaterdag naar mij thuis. Open het pak met de nrs. van ‘Av.’, neem er uit wat je nodig blijkt en verzend aan a) de intekenaren (mijn vader heeft de kaarten), b) de pers: ‘De Schelde’, ‘De Volksgazet’, ‘De Standaard’, ‘Het laatste nieuws’, (Em. Jacqmainlai[a]n, 105-07), ‘De ploeg’, St. Jacobsmarkt, 93, Vlaamsche Arbeid, Vleminck[x]veld, 27, Dietsche Warande en Belfort, Markgravelei, 27[168], Antwerpen.

Verder komen nog als abonné in aanmerking

Floris Jespers, 102, Liersche Steenweg,

Dr. Claus, Bexstr. 6

Mr.René Victor, Italiëlei, 99

W.Rombouts, St. Jan Berchmansstr. 48 Mechelen

Ten derde: breng er een vijftal in ‘de Nederlandse Boekhandel’,

‘'t Kersouwke’ en twee in ‘De Standaard’ met een getypte noot: In depot, zoveel exemplaren. Daarmee zijn dan de hoogst nodige verzendingen gedaan. Intussen zal ik wel kunnen terugkomen. Schrijf in een calepin de verzonden exempl. onder: Abonnés, Pers, Boekhandel enz.

Later versturen we dan de restant ex. als proefnummers aan verschillende adressen.

Houd er de moed maar in!

 

't Beste
je Paul.

 

[P.S.] Een heel werk dat ik je bezorg, niet? maar in dezen zijn wij toch mede-avonturiers?

Op het grauwe omslagpapier: Drukwerk-Tijdschrift.

 

Inmiddels was ook Tine Ceulemans bij vader Van Ostaijen geweest en door hem op de hoogte van de toestand gebracht. Zij schreef hierna de volgende uitvoerige brief, uit het begin waarvan nogmaals blijkt dat Van Ostaijen in Miavoye ook steeds met Floris Jespers correspondeerde.15

Na haar geschreven portret van vader Van Ostaijen, vervolgt zij haar brief weer met ‘nieuws van de Rialto’, waarin Floris Jespers en Juliane Gabriëls hun vaste plaats innemen en verder een aantal gebeurtenissen de revue passeren, zoals een tentoonstelling in de stedelijke feestzaal aan de Meir, de jeugdconcerten van het Vlaamsch Toonkunst Genootschap onder leiding van de Antwerpse componist en dirigent Flor Alpaerts in de Koninklijke Nederlandsche Schouwburg en de interruptie daarbij van de Antwerpse componist August L.Baeyens.

Nadat zij aan het eind van haar brief haar hulp, zowel bij het afhalen als het verzorgen, heeft aangeboden, blijkt dat zij vader Van Ostaijen bereid heeft gevonden een langer verblijf in Miavoye - dat haar verstandiger voor-

[p. 997]

komt - financieel mogelijk te maken. Dit laatste wijst erop dat vader Van Ostaijen, in tegenstelling tot wat enkele vrienden meenden, wel degelijk geldelijke steun wilde verlenen, al ging er weinig initiatief van hem uit en al zal ook Van Ostaijens kwetsbaarheid op het punt van financiële afhankelijkheid remmend gewerkt hebben.

[Antwerpen 9 Februari '28.]

Paulke beste, ik weet nu weer iets meer over den stand van zaken, doordat ik de ouwe heer bezocht, en ook van Floris weet dat hij bericht kreeg, waarvan hij mij de inhoud meedeelde per telefoon. Je zei aan F. dat de zich voordoende verwikkeling van de pneumothorax, in 50% der gevallen voorkomt, maar ik protesteer tegen het feit dat het arme Paulke van deze minder begenadigde 50% moet deelmaken - En dan die hooge koorts, die wel een groot gedeelte van wat lucht en rust je bijbrengen voor zich op zal eischen. Ik zei dus dat ik de ouwe heer bezocht. We kunnen het tegenwoordig best met elkaar vinden, en moest je zoo eene conversatie kunnen bijwonen je zou er plezier aan beleven! Ik haal altijd weer m'n hart op aan sommige origineele uitdrukkingen (ze zijn zeer talrijk). ‘Hij kregt’, en ‘hij schreft’ amuseeren me uitermate, en ook het plotseling sluiten van de oogen, en een zekere zakkende lijn in de mondhoeken, die veel gewichtiger is, dan wat hij op dat oogenblik beweert.

We hebben het bijna altijd over de duurte der huishuren, de levensduurte, het slechte weer, de tram die opslaat, en andere frissche onderwerpen meer. Misschien heeft G. Burssens je al over de inschrijvingskaarten van (het) Avontuur geschreven. Pa had hem gezegd er waren er 12, maar we hebben ze overgeteld (er lagen er oningevulde bij, vandaar de missing) en er zijn er 24, misschien nu al wel meer.

Den Floris is uit de circulatie verdwenen sinds z'en emigratie naar Bouchout, en alleen per draad te bereiken. Hij moet nu wel ongeveer rijkundig zijn. Lieneke kuurt in de Pyreneeën, wegens ‘déchirures intestinales’, de Zaterdag middag is dus anders te besteden, zoo voor ‘vernissages’.

Alice Plato exposeert in de feestzaal, de zangeres die schildert! (de menschen zeggen ook, ‘dat heeft een soldaat gemaakt’!). Er zijn uilen, maar ik kan er niet achter komen of ze naar levend model of naar opgevulde vogels zijn geconterfijt. Hoe ook, levend of opgevuld, ze verkocht er 10, en dat kind kan alweer een jaar voortgaan met het uilengedoe, en is dus weer tevreden. Om de wereldschokkende gebeurtenissen exakt de [te] commenteeren moet ik er bijvoegen dat er teugenswoordig door V.T.G. jeugdconcerten worden ingericht voorafgegaan

[p. 998]

door verklarende uiteenzettingen door niemand minder dan Flor Alpaerts. Dat gaat ongeveer zoo: De jeugd is zeer matig vertegenwoordigd, maar toch is de zaal ongeveer bezet (Kon. Ned. Sch. a.u.b.) met Vlamingen van diverse gradueeringen. Er wordt aandachtig geluisterd. De onvoleinde Symph. van Haydn [er doorheen in potlood: Sch] komt ter sprake. Geachte toehoorders zegt de voordrachtgever, dat is een heel schoon werk, ge zult dat gaan hooren, er wordt hierin veel gevergd van de vaardigheid van de keteltrommel. Ge denkt misschien dat daar alleen maar zeer hard kan op worden geslagen, maar ge vergist u, daar kan evengoed op genuanceerd worden als op een ander instrument. ‘Let allen goed op’ zegt hij dan, meneer zal het eens voordoen. Nu is ‘meneer’ de trombonist [paukenist] per ongeluk een waal en bovendien doof, zoodat hij niet precies weet wanneer het ‘grote’ moet gebeuren, en dan hoort ge de maatstok des dirigents en in z'n keurigste fransch: ‘S'il vous plaît Monsieur, piano’. Alle toehoorders zijn gechoqueerd. Waarom zegt hij dat in 't frànsch? er volgt de demonstratie van ppppsisimo tot ffforté en... den vlamingen is alweer eene wetenschap meer bijgebracht. Zoo zou ook de ‘pacifique’ van Honegger worden uitgevoerd, en op de eerste repetities werden de leden van het orkest alvast in de geheimen van Honegger's bedoelingen ingewijd. Ziet ge meneeren dat is een werk dat ge goed moet verstaan. Hier hebt ge bevoorbeeld het motief van de ‘routen’, de signaalen, de wielen van den trein, de gloeiende assche die uit de ketel valt. Tot Ba[e]yens zich met het onnoozelste gezicht van de wereld laat ontvallen, ‘En waar is dan de ‘chique’ van den machinist meneer?’

Men zegt dat deze onschuldige vraag, minder onschuldige gevolgen zal hebben voor betrokkene. Je ziet, Paulke we hebben Holland niets meer te benijden. Nu zit je me vast in stilte te bewonderen voor mijn moed en zelfopoffering, deze geweldigheden te hebben bijgewoond. Toch deed ik het niet, maar weet alles uit zeer goede bron, maar nu ik het zoo goed weet, bekruipt me de lust (dat is het echte woord) niet langer van de pret dezer divertissementen verstoken te blijven. Ik wordt [word] dus lid. Je zou dus denkelijk volgende week thuiskomen. Dat je Flor's voorstel je te komen halen met de auto afsloeg kan ik allicht begrijpen. Dat zou trouwens ook veel te vermoeiend zijn, temeer omdat je nog nooit met hem hebt gereden wat altijd zeer enerveert, maar werkelijk Paulke alleen zou ik als ik jou was toch liever niet reizen. Je weet toch dat ik, of Flor, of Burssens je graag zullen komen halen. Denk eens aan, je ligt nu weer zoo lang te bed, en zou dan zoo eruit, je gaan blootstellen aan alle inconvenie[ë]nten die eene treinreis met overstappen meebrengt. Wees nu eens handelbaar en doe eene keuze tusschen ons drieën, om je te Miavoye te komen halen. Eens hier terug kan je ook op me rekenen,

[p. 999]

om dagelijksch voor je te doen wat noodig mocht zijn, want je zal op ‘Le Vallon’ wel een klein beetje verwend zijn, wat verzorging aangaat, en lijkt het me nu niet geschikt enkel op mannenhulp te zijn aangewezen. En als ik de invloed van het tegenwoordige troostelooze weer onderga, vraag ik me af, of het niet beter voor je zou zijn nog op Le Vallon te blijven tot de temperatuur iets zachter is, en we weer zon hebben. Zeker, die heb je waarschijnlijk daar ook niet, en je werk wacht hier, maar daar weegt tegenop de goede verzorging, en de lucht. Ik besprak ook dat alles met de ouwe heer, en hij verklaarde zich volkomen bereid je verblijf te garandeeren, tot gunstiger weer, al moest dat zijn tot Paschen.

Ik wensch hoegenaamd je plannen niet in de war te sturen, en als ik je deze dingen overbreng doe ik het alleen om bestwil, neem ze dus voor wat ze zijn.

Je zei me eens ‘je bent altijd lief voor me geweest’. Ik ben daar zeer blij om, en geloof me Paulke, m'n bedoelingen zijn nog steeds de zelfde.

Als het kan, zou ik zeer blij zijn met eenig verder nieuws, en wensch je van harte spoedige koortsafname. Ook zeer hart. groeten en als steeds

 

je Minnekepoess

 

De dag waarop hij Tine Ceulemans' brief ontving schreef Van Ostaijen weer aan zijn vader, waarbij hij de datum van thuiskomst voor de derde maal opschoof.

Uit de tweede helft van deze brief spreekt duidelijk hoe strikt zakelijk Van Ostaijen de financiën met zijn vader regelde en hoe nadrukkelijk hij het geld dat hij tijdens zijn steeds verlengd verblijf in Miavoye van hem ontvangen had, als een schuld beschouwde.

Op grond waarvan Floris Jespers een bedrag van 2.400 frank voor hem had afgegeven, is niet bekend. Wel had Jespers - wanneer precies is evenmin bekend - om Van Ostaijen een verblijf in Zwitserland mogelijk te maken een kleine ets vervaardigd, waarop een figuur met een Tiroler hoedje in de bergen staat afgebeeld met in de rechter bovenhoek de woorden ‘aan Paul van Ostaeijen wensch op herstel van uw floris’. Deze ets stelde hij ter beschikking van de vrienden die een steunbedrag wilden afstaan16 en het is niet uitgesloten - al ontbreekt hierover elk nader gegeven - dat hij op deze wijze een som van 2400 frank bijeen had gebracht.

[Miavoye-Anthée, 10-2-28]

Beste Pa,

Het gaat beter, maar mijn terugkomst kan ik toch niet voor den 20n voorzien. Het is een heel incident geweest en, als het dan toch moest

[p. 1000]



illustratie
Ets van Floris Jespers, opgedragen aan Van Ostaijen.

komen, maar beter zo.

Burssens zal reeds bij u geweest zijn vanwege dat pak met de tijdschriften. Laat hem maar doen. Gij moogt volledig vertrouwen in hem hebben. Van de 2400 fr. die Floris Jespers bij u afgaf, hebt ge er 1000 opgestuurd. blijft 1400. Wilt ge me deze 1400 per postmandaat opsturen. (Daarbuiten valt de 3100 welke ik u schuldig). Het geld van het ministerie kan ik eerst te Antwerpen ontvangen.

Binnen een week hoop ik nu wel verder te staan. Voor het overige, geduld.

Met beste groeten,

 

uw u liefhebbende zoon,
Paul.

 

Onmiddellijk na zijn terugkomst op 11 februari informeerde ook Du Perron met het volgende briefje naar Van Ostaijens toestand.

 

Brussel, Zaterdag.

 

Beste Paul v.O.

Hoe gaat het er mee? Ik kom terug uit Parijs en vind geen lettertje van je.

[p. 1001]

Ben je nog in Miavoye? ben je in Antwerpen? Schrijf me een woordje om me uit de ongerustheid te halen en om me te zeggen hoe het er mee staat.

Van Dinger een hoop ingezonden kopij ontvangen, treurig over 't algemeen. Als je veel moed hebt zend ik je die paperassen; anders kan ik ze net zo goed terugsturen, met je advies ‘tegen’. Liever wij alleen zonder medewerkers dan met dit slag van medewerkers.

Tot nader, m'n beste. Schrijf me vooral hoe je je voelt. Houd de moed erin. Een ferme poot van je

 

EdP.

 

Uit Van Ostaijens antwoord blijkt dat hij de toezegging in zijn brief van 6 december gestand heeft gedaan en Marsman tot medewerking aan Avontuur had uitgenodigd. Deze zond met een verloren gegane brief zijn gedicht Romanisches Café in, dat in het tweede nummer van Avontuur werd opgenomen.

[Miavoye, de 13e 2 28.]

Beste E. du Perron,

Ik ben nog steeds te Miavoye. Ik kan je dus het volgend verloop van zaken melden: toen ik je briefje ontving met de lakoniese mededeling betrekkelik het verzenden naar mijn adres te Antwerpen, toen ben ik er wel een stukje tureluurs bij gebleven. God! mijn adres te Antwerpen! dat is goed, juist wanneer ik er ben. Maar wanneer ik er niet ben? Dus, snel, de mensen in de Albertstr. op de hoogte stellen dat wanneer er een pak met het spoorauto komt dit in elk geval is aan te nemen (Stel je voor het wordt geweigerd!). Daarna heb ik Burssens geschreven naar huis te gaan, het pak open te breken en de eerste verzendingen te doen (1o) inschrijvingen-abonné's (ongeveer 28) wat lang niet kwaad, 2o pers, 3o) boekhandels te Antwerpen. [)] Ik vermoed dat Burssens met deze eerste expedities begonnen is en dus de zaak, voor zover goed te krijgen, weer in orde is. Tenzij... ik van hem bericht ontvang dat er geen pak was...

Neen, die bijdragen hoef ik niet te lezen. Je stemt gerust in mijn plaats. Van Marsman ontving ik een gedicht uit 1922. Anders had hij niets. Hij zegt trouwens zelf dat alle hollandse revues het weigerden. Maar juist daarom.

[p. 1002]
Romanisches Café
 
tourniquet. [in een cirkel geschreven]
 
clic clac
 
TOURNIQUET. [idem]
 
Arthur Müller
 
(Müller-Lehning)
 
met een pet
 
en een stok
 
- what o'clock?
 
- ga je zeilen?
 
- om die pet?
 
- Mila heeft
 
Gertrude
 
ingezet
 
- Schlauer
 
Jude
 
- Gertrude
 
- Gertrude
 
Slet!!

1922

H.Marsman.

 

Zend me eens een roman of zoiets: lijvig. Ik las reeds voor de tweede maal: Si le grain.

 

't Beste
je Paulv.O

 

[P.S.] Ik ben nog wel 10 dagen hier.

 

Dezelfde dag meldde Burssens hem, de nummers van Avontuur te hebben verzonden. Naar aanleiding van vader Van Ostaijens mededeling dat Tine Ceulemans en Flor Jespers voornemens waren naar Miavoye te rijden, oppert ook hij het plan het in januari uitgestelde bezoek met Jan Melis alsnog door te laten gaan, wat ook inderdaad een week later, op 19 februari, gebeurd is.

[13-2-28]

Beste Paul,

Dat water in de borstkas heeft mijn vrouw ook gehad; dat duurde zowat

[p. 1003]

5 à 6 weken en deed erg pijn. Nadien is dat water weer vanzelf verdwenen. Als deze verwikkeling dus bij jou haar normaal verloop krijgt, moet je er tans bijna van af zijn. -

Je vader vertelde me van morgen dat je rond 20 dezer hoopt thuis te wezen. Een verdomd seizoen anders om te Antwerpen te zitten, vind ik, maar ik kan natuurlik best begrijpen dat je wat naar afleiding snakt. Je vader zei me nog dat Mme Ceulemans en Flor Jespers je deze week een bezoek brengen. Ook Jan Melis zou gaarne eens afkomen als hij wist dat je deze maand niet thuis was; in dit geval zou ik natuurlik meekomen.

Voor ‘Avontuur’ heb ik volgens je instrukties gezorgd. Aan de pers zond ik slechts éen eksemplaar, moeten er niet 2 zijn? Hoe zit het bij de boekhandelaars te Brussel? Heeft du Perron daarvoor gezorgd? Van ‘Gudrun’ is er een kaart waarop 10 eks. in depot worden gevraagd. Kan du Perron die daar bezorgen? Als je soms adressen hebt voor proefnummers zend me die dan als je wilt, dan zorg ik daar wel voor. Hierbij een gedicht van Pijnenburg voor ‘Avontuur’ (?!) Denkt die meneer soms dat wij zulke pornografiese schotschriften kunnen plaatsen; die ‘winden van uw hart’ en ‘een schalmei voor uw mond’ zijn kostelik. Dus Paul hopelik tot volgende week? Je vader is nieuwsgierig je te zien en ik niet minder. Schrijf me nog in ieder geval; als ik weet dat je thuis bent kom ik onmiddellik naar de Albertstr.

 

Inmiddels van harte
je Gaston

 

Onmiddellijk nadat Du Perron bericht van Van Ostaijen gekregen had, schreef hij hem opgelucht terug, hoewel Van Ostaijen over zijn toestand niet meer had meegedeeld dan dat hij nog een tiental dagen in Miavoye dacht te blijven. Ook Du Perrons verwachting dat Blijstra, evenals hij zelf, vòòr opneming van Marsmans Romanisches Café zou stemmen, bleek vier dagen later te optimistisch.

Niet alleen de bijdragen die Blijstra ingestuurd had, de éénakter Het spookslot en het verhaal Man en paard, maar ook het aanvankelijk voor het derde nummer bestemde verhaal van Du Perron, Ieder zijn kwelling, werden in het tweede nummer opgenomen, evenals de tekening van Charles Roelofsz, die niet op een halve, maar op een hele bladzij vòòr in het nummer werd afgedrukt.

Als lectuur zond Du Perron een drietal nummers uit de bij Stols verschenen reeks Trajectum ad Mosam, en wel Terugkeer (1927, nr. 21) van Theun de Vries, waar Marsman in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 24 september 1927 lovend over geschreven had, en de laatste bundels van Jan van

[p. 1004]

Nijlen, De lokstem en andere gedichten (1925, nr. 12) en De vogel Phoenix (1928, nr. 26). Op het laatste moment voegde hij daar nog de zojuist door hem aangeschafte boeken, La vie de Charles-Joseph de Ligne door Louis Dumont-Wilden (1927) en La vie paresseuse de Rivarol door L. Latzarus (1927) aan toe.

[Brussel, Dinsdag 14 Febr. (Sint Valentijn).]

Beste P.v.O.

Ik ben in de eerste plaats verdomd blij dat je weer zowat in orde bent; ik heb me waarachtig een beetje ongerust over je gemaakt. Je laatste moedeloze briefje en geen lettertje bij thuiskomst; ik dacht: ‘Die arme van Ostaijen heeft het misschien zwaar te verantwoorden’. Maar als het niet meer was dan een stukje tureluursheid is het veel minder erg, après tout. Ja, als die brave Burssens nu maar je instrukties opgevolgd heeft; het pak is naar Antwerpen. Heb je een nummer ontvangen? hoe vind je het? Ik heb bij nadere beschouwing overal één streepje (het dunne) onder de letters op de omslag laten vervallen; het zag er heus wat al te stijf en gegalonneerd uit (nadat Avontuur in kapitalen was gezet).

Het pak ingezonden kopij gaat dus door mij voor jou afgekeurd naar Dinger terug. Het gedicht van Marsman heeft ons beider voor. Ik stuur het naar Blijstra ‘pour la forme’, die is er natuurlik ook voor.

Heb je Albert Helman gevraagd?

Voor nr.2 heb ik een één-akter van Blijstra (13 blz.) en een verhaal (4 blz.); Dinger zal zich ditmaal ook wel niet onbetuigd laten; wil jij Burssens zeggen dat hij mij zo spoedig mogelik zijn papiertjes zendt, en krijg ik ook jouw bijdragen zo gauw het kan? Ik zou Breuer alles liever morgen willen geven dan overmorgen: hij is tergend langzaam. - Tenzij er een te kort aan kopij is houd ik mij in nr.2 koest. Voor 3 heb ik een korter verhaal (±14 blz), het heet Ieder zijn kwelling, geloof ik.

Blijstra en Willink zouden graag 2 of 3 cliché's per nummer zien: ik ontving een vrij aardige tekening van zekere Roelofsz (iets in de trant van Magritte); het zou op een halve bladzij kunnen staan achterin.

De vraag is alleen: wie die cliché's zal moeten betalen; en die vraag doe ik de heren per zelfde post. Ik wil wel één cliché voor mijn rekening nemen (± 60 frs.), maar ook niet meer. Voor dit eerste nummer heb ik ook al de port te betalen gekregen, een kleine 70 frs. Dus...

Ik zal zien je zo gauw mogelik een ‘lijvige roman’ te sturen; voor het ogenblik heb ik niets van die-n-aard. Ik zend je maar een bundel verzen van Theun de Vries (door Marsman zeer gewaardeerd) en twee bundeltjes van Jan van Nijlen, in afwachting, en nog wat anders dat ik

[p. 1005]

zo van Stols krijg. Mijn binder is een ellendeling; hij schiet niet op en ik heb ruzie met hem gemaakt; het gevolg was dat ik bij een andere binder ben moeten gaan. Dit verklaart je waarom ik zo goed als niets thuis heb. Over een weekje krijg je: ‘La Vie et les Confessions d'Oscar Wilde’, par Frank Harris (2 dikke delen, Mercure de France). - Wacht, ik heb toch wat voor je: een leven van de Prince de Ligne en een ander van Rivarol - zoals je zult zien: onopengesneden; stuur ze me, als je ze uit hebt, terug.

Nu, m'n beste, tot nader. Tot spoedig ziens, hoop ik!

 

Steeds je
EdP.

 

Eerst half februari kwam Van Ostaijen ertoe te reageren op de drie brieven die Tine Ceulemans hem inmiddels - op 5 januari en 1 en 9 februari - geschreven had. Uit deze brief blijkt voor het eerst dat ook zijn hart onder de pneumothoraxbehandeling te lijden had, hetgeen een maand later de doodsoorzaak is geworden.

[Miavoye, 15.2.28]

Liefste Minnekepoess,

Ziehier, ik zit aan de schrijftafel om je op je vele brieven te antwoorden of altans om je met een schriftstuk bewijs van mijn bestaan te geven. Ik lig nog altijd te bed, 4½ week, en wacht geduldig het einde van de verwikkeling af. Verder nieuws: de eetlust is goed, maar het hart heeft zich sterk naar rechts moeten verplaatsen, vandaar ook versnelde polsslag enz.

Indien ik Flor heb bedankt om zijn rit, dan is dat geen[s]zins zoals je denkt omdat de rit met een onbekende chauffeur enerveert. (Zoveel ken ik van autorijden niet om zulke distinguo's te kunnen maken).

Neen, ik heb enkel gedacht aan de weinig plaatsruimte van zo'n Renauke, wanneer er nog een koffer bijkomt, dat zich dat alles wreed moeilik schikken liet. En daarom. Daarbij is een spoorwagen toch heel wat meer tochtzeker dan die kleine wagentjes.

Wanneer ik zal vertrekken weet ik niet. Ik moet nog een tijdje te bed blijven, dan enkele dagen lopen. Afhalen is, vooralsnog, absoluut overbodig.

Alles is nu in het honderd gelopen met die afschuwelike verwikkeling. Hopelik krijg ik er nog een rechte plooi aan.

Het heeft me veel genoegen gedaan dat zekere uitdrukkingen bij mijn ‘ouwe heer’ als hij ‘kregt’ en ‘hij schreft’ je plezier doen. Des te beter!

[p. 1006]

Neem me niet kwalik, beste M'poess, indien de brieven nu korter uitvallen. De tijd voor briefschrijverij is uiterst gelimiteerd.

Groet de vrienden. En met hartelikste groeten voor jou, steeds

 

B.à.t.
Paul v.O.

 

Uit Van Ostaijens brief aan Burssens van een dag later wordt de indruk van terughoudendheid die de voorgaande brief wekt, bevestigd: ondanks hun uitgebreide en hartelijke correspondentie tijdens zijn sanatoriumtijd blijkt hij op dat moment niet gesteld te zijn op haar bezoek. Mogelijk heeft haar zorgzaamheid op het punt van afhalen of haar interventie bij zijn vader hem het gevoel van bemoeizucht gegeven, mogelijk speelde ook een zekere gêne tegenover zijn vrienden Burssens en Jespers, die beiden overtuigd waren dat hij een verhouding met haar had gehad, een rol, maar opvallend blijft in beide gevallen de niet eerder geconstateerde onoprechtheid in deze situatie òf tegenover haar òf tegenover de vrienden.

Waarschijnlijk heeft Burssens in een verloren gegane brief op Van Ostaijens vraag ook hem het eerste nummer van Avontuur toe te zenden, gereageerd met de mededeling dat hij van plan was de 19de of 20ste februari naar hem toe te komen en dan de nummers mee te zullen nemen.

[Miavoye, 16-2-28.]

Beste Gaston,

Hartelik dank voor je inlichtingen en het gedane werk. Ziehier wat er vooreerst nog te doen blijft:

1e)boekhandel ‘Gudrun’ met nota, 5 ex. in kommissie
2e)    id.     ‘De Standaard’ Brussel, 2 ex.   id.     

Pers.: Luc Haesaerts, ‘Hommes’, Etichove-Audenaarde.

Proefexemplaren:

Je neemt het jaarboek (Dat bezit je toch?) van de vereniging van Letterkundigen en uit de lijst van deze heren, een twintigtal om verschillende redenen interessante personen, biezonder correspondenten aan hollandse bladen: K.v.d.Woestijne, M.Roelants, P.Kenis, A.Vermeylen, Toussaint enz. en je zendt aan deze grootheden een proefnummer.

Voor zover niet geabonneerd:

R.Holvoet, sekretaris Kon.Vl. Conservatorium, Antwerpen

G.van Hecke, 67, avenue Louise, Bruxelles

O.Jespers, 641, chaussée de Wavre. Brussel

[p. 1007]

Marcel Lecomte, 226, rue de Mérode, id.

 

Wat denkt ge er van als ge nu nog eens aan mij dacht? Ik heb nog geen exemplaar ontvangen. Stuur me er 6, voor invitaties aan hollandse poëten.

En stuur voor het overige ook proefnummers naar jouw goeddunken. Vandaag gaat het iets beter. De akute periode is zeker achter de rug. Doch anderzijds is er een [nog] geen spraak van voor 25 februari te Antw. te zijn.

Een bezoek van Jespers? goed. - Maar, godverdomme nogtogtoe, met Tine Ceulemans? Waar heeft-ie 't. Ik doe de dr. zeggen dat ik niet langer dan een uur mag ontvangen. Wat wil die koof17 hier komen doen? Ik hoop hem nog tijdig te bereiken en hem klaar te maken dat daar niks mag van in huis komen.

Tot later en excuseer de last, maar met zo'n konstitutie als ik, wordt ge op de duur de schrik van uw omgeving.

Houd er de moed maar in.

 

't Beste, ook voor
je vrouw en de vrienden,
je Paul

 

Weer een dag later beantwoordde Van Ostaijen de brief van Du Perron. Hoewel hij verwachtte voor het tweede nummer hoogstens één gedicht te kunnen leveren, zijn het er uiteindelijk twee geworden, nl. De oude man en Ogen, die echter tezamen niet meer dan één bladzijde vulden.

[Miavoye, 17-2-28]

Beste du Perron,

In orde zijn, neen zover nog niet. Alleen het gaat bepaald beter, maar intussen lig ik nog altijd met koorts te bed. Een verdomd lange reaktie om weer op niveau te komen. Het is nu de vijfde week dat ik te bed lig. En alles heb ik moeten onderbreken. Het komt mij soms voor dat ik nog maar bij stoten leef.

Ik dank je voor je zending boeken en ‘Rivarol’, daarmee ik direkt begonnen ben, kan je binnenkort terug hebben. Ik haast me ook met ‘le Prince de Ligne’. Goddank, dat ik weer wat heb om over het gesuf van de ziekekamer heen te komen.

Neen, een nummer heb ik nog niet ontvangen en dat is bijna logies. Ik heb zulke preciese instrukties aan Burssens gegeven en hij heeft ze zo precies opgevolgd, dat hij mij natuurlik vergeten heeft. Ik heb hem nu

[p. 1008]

uitdrukkelik om een nummer geschreven, plus enkele exemplaren voor Marsman, Engelman, enz.

Het is langs Engelman dat ik het adres van Helman moet krijgen. Ik heb het niet.

Wat de kopie voor het tweede nummer betreft, ik denk dat je toch een groter stuk zult moeten bijdragen. Ook Dinger zou een novelle moeten geven. Immers, te bed, ben ik voor dit nr.2., tenzij voor éen gedicht misschien, buiten gevecht. Indien ik nog tijdig naar huis kon, dan kon ik iets meer geven. Maar juist dat is het beroerde dat ik geen begrip heb wanneer ik naar huis kan.

Natuurlik heb ik er niets op tegen meer cliché's te brengen. Maar juist: wie draagt de kosten? In België is het dikwels, ja gewoonlik, de artiest die het cliché betaalt. Tenzij hij er iets op vindt met de redaktie.

(B.v. indien ik de cliché's voor Jespers zou betalen, dan zou dat waarschijnlik op de afstand van éen tekening berusten). Is er later, dank zij de abonné's, een beetje overschot of beter gezegd wordt een klein retour gedaan op de gestorte sommen, dan zouden wij kunnen zien of we liberaalder mogen optreden. Intussen, komen de meeste belgiese revues door bijdrage van de artiest aan hun cliché's.

Tot zover. Als je dingen van praktiese orde te regelen hebt, proefnummers of zo, schrijf dan aan Burssens. Hij heeft de verzending van het 1e nr. op zich genomen.

Flinke poot, steeds

 

je Paulv.O

 

Du Perron zond de volgende dag, zaterdag 18 februari, een later verloren gegane brief van Blijstra door, die over de cliché's voor Avontuur handelde. In zijn begeleidende brief stelt hij voor in het tweede nummer De exploten van Tabarijn door Joris Vriamont te herdrukken, welk verhaal in 1927 door Stols voor de auteur was uitgegeven18. Vriamont, die later directeur van een muziekuitgeverij in Brussel werd en een zwager was van de oud-redacteur van 't Fonteintje, Raymond Herreman, had tevoren reeds een drietal boeken gepubliceerd en zowel aan 't Fonteintje als aan De Vlaamsche Gids één keer meegewerkt.

Behalve de in zijn brief genoemde Valéry-vertaling van Stols19 stuurde Du Perron ook nog één van diens uitgaven van Valéry20 op.

In zijn postscriptum geeft Du Perron ditmaal - naar aanleiding van Blijstra's brief? - te kennen dat deze ‘wschl. tegen’ het gedicht van Marsman zal stemmen.

[p. 1009]

Brussel, Zaterdag.

 

Beste van Ostaijen,

Ingesloten een briefje van Blijstra, met voorstellen, de cliché's betreffende. Wat vind je dat ik erop kan antwoorden? Schrijf me een kort briefje hierover dat ik aan Blijstra en Dinger kan doorzenden.

Zend een nr. ‘Avontuur’ aan Roel Houwink, 440 bis Admiraal de Ruyterweg, Amsterdam. Ik heb hier niets meer. Ik vraag hem dan wel mee te werken, als hij een nummer gezien heeft.

Goed, voor nr.2 of 3 geef ik dus Ieder zijn kwelling. Maar... ik weet iets beters. Ik heb een verdomd aardig verhaal gelezen van G. Vriamont, de zwager van Herreman, - hij is niet bepaald een schrijver, meer zoiets van een piano-verkoper - maar dit verhaal is alleraardigst, voor mijn smaak; het is een beetje plantureus Vlaams (of Limburgs), heeft de toon van een roman picaresque en heet De Exploten van Tabarijn.

Stols heeft het voor de schrijver gedrukt in 45 exx. - het is dus zo goed als een inédit. In ‘Avontuur’ zal het ongeveer de ruimte innemen van Zo leeg een bestaan, 2 of 3 blzn. meer misschien. Ik stel voor dit ding op te nemen, dat ook uitstekend met de titel van onze revue in overeenkomst is. Ik zal Vriamont 1 ex. vragen, het jou opsturen, en als je het aardig vindt, zien gedaan te krijgen dat hij het afstaat - niet bepaald het exemplaar, de tekst, bedoel ik.

Jij stuurt me dus één gedicht.

Gelijk hiermee gaat naar je toe: De Terugkeer uit Holland van Valéry, door Stols vertaald; en zo gauw ik het van de binder terug heb krijg je het leven enz. van Wilde.

Je niet vermoeien, je niet opwinden, en zeker niet te gauw naar huis reizen. Houd je taai, de wil vermag een heleboel. Als je je daar maar niet zo verveelde..., maar ik kan me voorstellen dat het iets afschuweliks voor je moet zijn. Enfin, binnenkort de lente, m'n beste, en na de winter die we gehad hebben mogen we op een behoorlike lente hopen. Houd je ferm! De poot van je

 

EdP.

 

P.S. - Jij en ik vóór het gedicht van Marsman, Blijstra en Dinger wschl. tegen. We zullen Burssens in het geding moeten betrekken. - Stuur me de brief van Blijstra terug; hij moet nog naar Dinger ook, misschien.

 

Na het bezoek van Burssens en Melis, toen Van Ostaijen eindelijk een aantal exemplaren van Avontuur had gekregen, stuurde hij onmiddellijk

[p. 1010]

aan Marsman, Engelman, Houwink en Albert Kuyle het eerste nummer toe. Van de daarbij tevens verzonden uitnodigingen tot medewerking aan Engelman en Kuyle, is die aan de laatste bewaard gebleven. Met uitzondering van Marsmans Romanisches Café zijn er echter in de drie verschenen afleveringen van Avontuur nooit andere bijdragen opgenomen dan die van de vijf redacteuren en van de tekenaars Willink, Roelofsz en Postma.

[‘Le Vallon’, Miavoye-Anthée (Namur) 20-2-28]

Hooggeachte Heer,

Ik stuurde u het eerste nummer van een nieuw tijdschrift. Het is gemakkeliker dan vele verklaringen en zo kan ik u, na kennismaking, onmiddellik om medewerking vragen.

Het zou mij ook aangenaam zijn indien u mij het adres van Albert Helman zoudt kunnen bezorgen.

In de hoop weldra iets van u te ontvangen,

 

hoogachtend,
Paulvan Ostaijen

 

Kort vòòr Van Ostaijens verjaardag op de 22ste februari schreef Emmeke hem de enige brief die van haar bewaard gebleven is. Hieruit spreken duidelijk haar gevoelens voor hem, die tijdens haar uit verstandelijke overwegingen gesloten