


Grootvader van moeders zijde preekte jarenlang zelf voor afgescheidenen in Nijverdal en zelfs ging de genoemde om een formeel geschil een poos naar de Gereformeerde kerk en bediende hij 't avondmaal

Wat voortreffelijke kop en wat karakter daarbij!
Ware ik koning of minister, hij bleef geen half uur langer deurwaarder.



Gij waart een stille werker die maar gaf

Gij weet dat steeds naar u mijn denken gaat.


1887. 2 september: Willem Eduard Keuning geboren te Spijk (Gr.), gem. Bierum, als zesde kind van Jan Keuning, hoofdonderwijzer der Gereformeerde lagere school en Elisabeth Wormser.






Ikzelf heb 't in mijn jeugd ook niet prettig gehad [...] En op dat gat van een dorp hadden we 't heel eenzaam.

1893. Jan Keuning richt het antirevolutionaire arbeidersblad De Keuvelaar op, dat tot 1924 zal blijven bestaan.
1897. Twee broers van Willem sterven aan tuberculose.
1898. Willem leert de gedichten van Bilderdijk, Da Costa en Ten Kate kennen.
1902. Jan Keuning neemt na een conflict met zijn schoolbestuur ontslag en verhuist met zijn gezin naar Groningen, Noorderbuitensingel 29a.
Willem ontdekt de sonnetten van Kloos.





1905. Leerling van de Kweekschool met de Bijbel te Groningen, nadat hij eerst normaallessen heeft gevolgd.
1906. Slaagt voor het onderwijzers-examen en wordt op 1 juni onderwijzer aan de Christelijke lagere school in Oude Pekela.
1907. Na een conflict (hij weigert zondagschoolonderwijs te geven) solliciteert hij bij de Gereformeerde lagere school in Uithuizermeeden (op het Groninger Hogeland), waar hij per 1 mei benoemd wordt. Huurt kamers op het adres Provinciale Weg A 443 (nu Hoofdstraat 190).



1907. Komt onder invloed van de gedichten van Boutens. Zendt verzen naar Groot-Nederland, maar Van Nouhuys weigert ze.






1909. Begin van de vriendschap met Reind Kuitert. Stelt voor hem verscheidene bloemlezingen samen uit de Nederlandse poëzie.
Zijn oudst bekende gedicht is geschreven op 16 juni 1907 en ondertekend met Guillaume.
1910. Conflict met een aantal ouders over zijn vertellessen. Het schoolbestuur verdedigt hem met overtuiging, want het waardeert hem zeer als onderwijzer.
1911. 1 maart: debuteert in Ons Tijdschrift onder het pseudoniem K.
Gaat gedichten uitwisselen met J.A. Rispens.


Voor 't zijraam moest ik de gordijnen wegnemen, omdat er anders geen licht genoeg was.
En tot overmaat van smart mag ik wel zeggen, kom ik er nog met 'n bezweet gezicht als 'n uilskuiken op.



Je zegt soms zoo zeer onder andere invloed te staan en je zelf nog niet gevonden te hebben. Zoo is 't met mij ook. Maar ik geloof wel dat de invloed van Gossaert goed doet.


1911. Stelt met behulp van Kuitert zijn pseudoniem Willem de Mérode vast, afgeleid van de naam van Cleo de Mérode, de beroemde balletdanseres.
Schrijft in dit jaar 167 gedichten die hij alle naar Kuitert stuurt.
Wordt beïnvloed door Gossaert, Boutens, Von Platen en Rilke.



Soms kan ik Gossaert en Boutens zoo verrukkelijk vinden, dat ik er al mijn beroerdigheid om vergeet.


Die beroerde bankkiek [...] is de stijfheid in 't kwadraat.
[...] Wàt een idiote tijd, dat je ‘als dichter zijnde’ 't liefst met een boek moest gekiekt.


1912. Gossaert schrijft hem als redacteur van Ons Tijdschrift enkele kritiserende brieven.
In Groningen contacten met de dichters Josef Cohen en Herman Poort.
1913. 25 mei: doet openbare geloofsbelijdenis in de Gereformeerde Kerk te Uithuizermeeden. Wordt zich zijn mystieke aanleg bewust, leest Thomas à Kempis, Suso, Ruusbroec en Augustinus.




1914. Opheffing van Ons Tijdschrift. De Mérode publiceert voortaan in verschillende Nederlandse tijdschriften.
1915. Augustus: waarnemend hoofd der school tot juni 1916.
December: verschijning van de eerste bundel, ‘Gestalten en stemmingen’.
1916. Redacteur van het nieuwe blad Het Getij; na een jaar wordt hij gewoon medewerker.
Ontmoetingen met Ernst Groenevelt en Karel Wasch. Redacteur van het Maandblad voor Letterkunde van de Jongelingsbode.
Gaat ook publiceren in het rooms-katholieke literaire blad De Beiaard van Gerard Brom.
Pieter Keuning recenseert de gedichten van zijn broer zeer uitvoerig in Onze Vacatures.
De Mérode kiest twee nieuwe pseudoniemen: Henri Hoogland voor zijn schoolboekjes en Joost van Keppel voor zijn mystiek poëtisch proza, ‘Aanroepingen’.


1917. Pieter Keuning publiceert een verhalenbundel ‘Kinderen in verstand en in boosheid’, met vele herinneringen aan het sociale onrecht in Spijk.
1918. Begin van de vriendschap met zijn leerlingen Okke en Jaap.
1919. Begin van de correspondentie met pater Jos. van Wely, Dominicaan te Zwolle.





Sinds Revius klinkt hier voor het eerst het geluid op eener elementair Calvinistische poëzie.

Een week hart dat door alles overmachtig wordt aangegrepen, niet meer gehoorzaamt, en stuurloos wordt meegesleept.





1921. Dirk Coster schrijft De Mérode zeer waarderend over diens poëzie.
Reis naar Duitsland: Keulen, Frankfort, München.
1922. Eerste contacten met de Groninger schilder Johan Dijkstra, die zijn portret tekent.
Oprichting van het protestant-christelijk literair tijdschrift Opwaartsche Wegen, met De Mérode als een van de belangrijkste medewerkers.
Begin van de correspondentie met P.J. Risseeuw.
Reis naar Vlaanderen: Gent, Brugge.



1923. Eerste schriftelijke contacten met Wilma Vermaat. Haar roman over homofilie, ‘Gods gevangene’, verschijnt.
Roel Houwink schrijft over De Mérodes ‘ganschelijk ontspoorde sexualiteit’.
Pedofiele relatie met een oud-leerling.
Eerste reis naar het Zuiden: Venetië, Florence, Assisi, Rome.
Schrijft aan Van Wely dat hij zich noch bij de protestanten noch bij de rooms-katholieken thuisvoelt.






1924. 26 februari: arrestatie op verdenking van homosexuele contacten met minderjarigen.
5 maart: ontslagen als onderwijzer.
18 maart: gecensureerd door de Gereformeerde Kerkeraad van Uithuizermeeden.
27 maart: veroordeling tot 8 maanden gevangenisstraf en 3 jaar ontzegging van de bevoegdheid het ambt van onderwijzer te bekleden.
28 juni: signeert de 125 exemplaren van ‘Ganymedes’.
16 maart - 14 oktober: schrijft in de gevangenis de kwatrijnenbundel ‘De rozenhof’.
Correspondeert vanuit de gevangenis met o.a. Van Wely, Wilma, Karel Wasch, Johan Dijkstra en Boutens.
24 oktober: invrijheidstelling. Komt in huis bij zijn broer Johannes in Leens (Gr.).
1925. 10 januari: verhuist met zijn broer naar Bergum (Fr.).
April: onttrekt zich aan de Gereformeerde kerk, zonder ooit weer lid van een kerk te worden. Logeert bij Wilma in Beekbergen.
28 september: verhuist naar Rotterdam, waar hij zeven weken logeert bij mevr. dr. A. Mankes-Zernike, de weduwe van de schilder Jan Mankes. Bezoekt met haar Boutens in Den Haag.
Het is hier zoo stil dat je de vliegen kunt hooren gapen en 't gras groeien.





1925. 16 november: verhuist naar Eerbeek, waar hij aan de Ringlaan kamers huurt op de boerderij van mej. Doom. Voortaan is hij ambteloos burger.
Heeft veel moeite met publiceren doordat hij zijn naam heeft verspeeld.
1926. Zijn vader overlijdt.
Seerp Anema publiceert ‘Moderne kunst en ontaarding’, waarin hij Wilma en De Mérode scherp hekelt.

Sinds geruimen tijd waart het gerucht rond, dat een christen-literaat de gevangenisdeuren achter zich hoorde sluiten, omdat hij den geest van Sodom en Gomorra boven Christus in zijn ziel liet heerschen.
Oscar Wilde en Paul Verlaine gingen hem voor op dien vreeselijken weg.





Ik ben geen conferentiemensch. En dan van Zaterdag tot Dinsdagmorgen! Hu! 't is eigenlijk om te rillen.




Wanneer schrijft De Mérode eindelijk met de breede streek waaraan zijn melodie behoefte heeft? Geef hem gerust tot taak een modern oratorium te schrijven voor de gelijkenis van de Verloren Zoon.

1927. Bezoekt met Wilma de conferentie van Christelijke letterkundige kringen op de Ernst Sillimhoeve te Lage Vuursche en leest er voor uit zijn manuscript van ‘De verloren zoon’. Martinus Nijhoff had hem in een recensie geïnspireerd tot het schrijven van deze verzencyclus.
Pater Van Wely probeert De Mérode warm te krijgen voor het rooms-katholicisme, maar hij kiest het reformatorisch protestantisme.
Begin van de correspondentie met P.J. Meertens en met Pater Wouter Lutkie.
1928. R. Kuitert publiceert een boekje over het werk van De Mérode.
De Mérode schrijft onder het pseudoniem Jan Bos verhalen in Gronings dialect.
1929. Zijn moeder overlijdt.
Hij leest voor de N.C.R.V.-microfoon uit eigen werk. ‘De lichtstreep’ verschijnt, volgens hemzelf zijn beste werk.




Al houd ik van een sterke regering, fascistisch ben ik heelemaal niet. Ik vind Mussolini een kerel, maar zijn regering hier nadoen is onzin.






1930. Wordt medewerker aan Aristo, een cultureel blad van katholiek en fascistisch stempel, uit sympathie met de leider van het blad, Wouter Lutkie.
1931. Bert Bakker en Barend de Goede komen regelmatig op bezoek. De Mérode begint een zeer frequente correspondentie met hen.
1 maart: dichtersjubileum met de bundel ‘Laudate dominum’, uitgegeven door zijn vriend IJ. Jacobs te Scheveningen.
1932. April: lichte beroerte.
Mei: bezoek aan Parijs.
Juni: logeert in Scheveningen bij IJ. Jacobs en bezoekt de Indische tentoonstelling te Den Haag.
De Mérode wijst De Goede erop dat de Jong-Protestantse dichters het werk van Vondel, Hooft, Revius, Camphuysen, Lodensteyn, Dullaert en Luyken moeten voortzetten.
Kritiseert in zijn brieven sterk de Jong-Protestanten wegens hun vaagheid in geloofszaken.



1933. Correspondentie met K. Heeroma i.v.m. diens bloemlezing ‘Het derde reveil’, waarin De Mérode centraal staat.
Correspondentie met Jan Greshoff.
Oogst voortaan ook buiten de protestantse kringen lof, o.a. van Vestdijk, Ter Braak en Marsman.
Zijn arts verbiedt hem het dichten.
Hij vindt tijdelijk baat bij een kruidendokter.
1934. Wordt lid van de Christelijke Auteurskring. Een drukke briefwisseling met Jaap Romijn begint. Stelt het boek ‘Okke’ samen uit de mooiste gedichten op Okke geschreven.
Ds. H.C. Touw wordt Hervormd predikant in Eerbeek en krijgt goede contacten met De Mérode.
26 mei - 4 juni: bezoekt Parijs.
Schrijft onder het pseudoniem Beo Grinniker straatliederen.
Ruzie met de firma Callenbach over de uitgave van ‘XXX Psalmen’.
Opvoering van De Mérodes toneelstuk ‘Esther’ door amateurs, o.a. in Utrecht en Nijmegen.





1 Maart zit me in mijn maag.

Ik was halfdood en ga nu de andere helft die nog leeft ook doodschrijven.

1935. Begint een correspondentie met de dichteres F. Poley-Scheele te Goes.
Augustus: reis door Nederland met zijn vriend Bram.
1936. 1 maart: 25-jarig dichtersjubileum. De Jong-Protestanten bejubelen hem.
De jubileumbundel ‘Kringloop’ verschijnt.
Roel Houwink stelt de jubileum-bloemlezing ‘De wilde wingerd’ samen.
De Mérode wordt lid van de P.E.N.-club.
Alfred Löb schildert in Den Haag zijn portret.
April: logeert bij de tekenaar/journalist Jan van der Leeuw in Sint Anna Ter Muiden en bij mevrouw Poley in Goes.
Mei: tweede reis naar het Zuiden: Parijs, Venetië, Milaan.
30 augustus: ridder in de Orde van Oranje-Nassau.
Herfst: lichte beroerte.






Ik zag een man, plechtig gekleed als een burger, onwennig aan het verschijnen onder menschen en door den harden greep van lichamelijk lijden geteekend. [...] Ik voelde plotseling zijn sterken wil, de enorme kracht en elasticiteit, die vroeger eens zijn deel geweest moeten zijn en die het oogenschijnlijk nog waren, zoodra de macht van het scheppen zich van hem meester maakte.


prachtig van beelding, taalkunst en sfeer

prachtige voorbeelden van geraffineerd dichterschap





1937. 3 en 4 april: schrijft de Chinese bundel ‘Ruischende bamboe’, die verschijnt ter gelegenheid van zijn 50ste verjaardag en waarop Vestdijk en Ter Braak enthousiast reageren.
30 oktober-10 november: eretentoonstelling van en over zijn werk te Utrecht.
Schrijft een felle kritiek op de Jong-Protestanten, die eerst na zijn dood gepubliceerd wordt in Groot Nederland.
1938. De laatste bundel, ‘De levensgift’, verschijnt.
Wordt literair adviseur van uitgeverij Callenbach.
2 februari: schrijft zijn laatste gedicht.
Oktober: bezoekt voor het laatst in het Westen des lands enkele schilderijententoonstellingen.
1939. 21 mei: beroerte.
22 mei: overlijden.
25 mei: begrafenis te Eerbeek; vele Jong-Protestanten zijn aanwezig.



