terug  begin  verderprepost
[p. 3]

[Schrijversprentenboek]



illustratie
1. Brief aan P.J. Risseeuw, 21 januari 1924.

[p. 4]


illustratie
2. Grootvader Hendrik Wormser, 1810-1887.



illustratie
3. Grootmoeder Magdalena Wormser-Arends, 1812-1854.



illustratie
4. Oudoom J.A. Wormser, voorman van het Reveil, 1807-1862.

Grootvader van moeders zijde preekte jarenlang zelf voor afgescheidenen in Nijverdal en zelfs ging de genoemde om een formeel geschil een poos naar de Gereformeerde kerk en bediende hij 't avondmaal



illustratie
5. Brief aan R. Kuitert, september 1926.

Wat voortreffelijke kop en wat karakter daarbij!

Ware ik koning of minister, hij bleef geen half uur langer deurwaarder.



illustratie
6. Isaäc da Costa, Chr. Encyclopaedie, dl. V, 1ste druk, blz. 755



illustratie
7. Vader Jan Keuning, 1850-1926.



illustratie
8. Moeder Elisabeth Keuning-Wormser, 1850-1929.

Gij waart een stille werker die maar gaf



illustratie
9. Uit ‘Vader’ door Willem de Mérode.

Gij weet dat steeds naar u mijn denken gaat.



illustratie
10. Uit ‘Moeder’ door Willem de Mérode.

[p. 5]


illustratie
11. Geboorteakte Willem Eduard Keuning.

1887. 2 september: Willem Eduard Keuning geboren te Spijk (Gr.), gem. Bierum, als zesde kind van Jan Keuning, hoofdonderwijzer der Gereformeerde lagere school en Elisabeth Wormser.



illustratie
12. Geboortehuis (links).

[p. 6]


illustratie
13. Spijk (foto van omstreeks 1950); links onder: school en woonhuis.



illustratie
14. Gereformeerde lagere school in Spijk.



illustratie
15. Bestuursnotulen van de Gereformeerde lagere school in Spijk, 14 april 1902.

[p. 7]


illustratie
16. De Keuvelaar, met in de kop abusievelijk H. in plaats van J. Keuning.



illustratie
17. Willem Keuning, tien jaar oud.

Ikzelf heb 't in mijn jeugd ook niet prettig gehad [...] En op dat gat van een dorp hadden we 't heel eenzaam.



illustratie
18. Brief aan P.J. Meertens, 1 december 1927.

1893. Jan Keuning richt het antirevolutionaire arbeidersblad De Keuvelaar op, dat tot 1924 zal blijven bestaan.

1897. Twee broers van Willem sterven aan tuberculose.

1898. Willem leert de gedichten van Bilderdijk, Da Costa en Ten Kate kennen.

1902. Jan Keuning neemt na een conflict met zijn schoolbestuur ontslag en verhuist met zijn gezin naar Groningen, Noorderbuitensingel 29a.

Willem ontdekt de sonnetten van Kloos.

[p. 8]


illustratie
19. Woonhuis Groningen.



illustratie
20. Tekening van het Groninger Hogeland door Johan Dijkstra.



illustratie
21. Gedicht van De Mérode op Bilderdijk.

[p. 9]


illustratie
22. Gedicht ‘Het Hooge Land’ door Willem de Mérode, 1924.



illustratie
23. Woonhuis Uithuizermeeden. Keuning bewoonde de kamer links.

1905. Leerling van de Kweekschool met de Bijbel te Groningen, nadat hij eerst normaallessen heeft gevolgd.

1906. Slaagt voor het onderwijzers-examen en wordt op 1 juni onderwijzer aan de Christelijke lagere school in Oude Pekela.

1907. Na een conflict (hij weigert zondagschoolonderwijs te geven) solliciteert hij bij de Gereformeerde lagere school in Uithuizermeeden (op het Groninger Hogeland), waar hij per 1 mei benoemd wordt. Huurt kamers op het adres Provinciale Weg A 443 (nu Hoofdstraat 190).

[p. 10]


illustratie
24. De Gereformeerde school in Uithuizermeeden.



illustratie
25. Keuning met een groep leerlingen in Uithuizermeeden, 1911.



illustratie
26. Personeel van de Gereformeerde school in Uithuizermeeden, 1922. V.l.n.r.: mej. Toren, Keuning, mej. Muda, Dijkhuizen en Ringersma (hoofd der school).

1907. Komt onder invloed van de gedichten van Boutens. Zendt verzen naar Groot-Nederland, maar Van Nouhuys weigert ze.

[p. 11]


illustratie
27. Portrettekening van P.C. Boutens door J. Toorop, 1905.

 
'k Was twintig jaar toen ik uw verzen vond,
 
Toen borrelde ziels onbewust versmachten,
 
En leschte nauw ontluikende gedachten,
 
Een warme bron, geweld uit diepen grond.


illustratie
28. Uit ‘Aan Dr. P.C. Boutens’ door Willem de Mérode.



illustratie
29. Blad uit het poëzie-album van een leerling van ‘meester Keuning’.

[p. 12]


illustratie
30. Reind Kuitert in de tijd van zijn vriendschap met Willem Keuning.



illustratie
31. Willem Keuning in diezelfde tijd.



illustratie
32. Brief aan R. Kuitert, 2 oktober 1910.

1909. Begin van de vriendschap met Reind Kuitert. Stelt voor hem verscheidene bloemlezingen samen uit de Nederlandse poëzie.

Zijn oudst bekende gedicht is geschreven op 16 juni 1907 en ondertekend met Guillaume.

1910. Conflict met een aantal ouders over zijn vertellessen. Het schoolbestuur verdedigt hem met overtuiging, want het waardeert hem zeer als onderwijzer.

1911. 1 maart: debuteert in Ons Tijdschrift onder het pseudoniem K.

Gaat gedichten uitwisselen met J.A. Rispens.

[p. 13]


illustratie
33. Op zijn kamer in Uithuizermeeden.



illustratie
34. Het oudst bekende handschrift.

Voor 't zijraam moest ik de gordijnen wegnemen, omdat er anders geen licht genoeg was.

En tot overmaat van smart mag ik wel zeggen, kom ik er nog met 'n bezweet gezicht als 'n uilskuiken op.



illustratie
35. Brief aan R. Kuitert, 2 oktober 1910.

[p. 14]


illustratie
36. Envelop aan J.A. Rispens.



illustratie
37. J.A. Rispens.

Je zegt soms zoo zeer onder andere invloed te staan en je zelf nog niet gevonden te hebben. Zoo is 't met mij ook. Maar ik geloof wel dat de invloed van Gossaert goed doet.



illustratie
38. Brief aan J.A. Rispens, 7 maart 1912.



illustratie
39. Cleo de Mérode.

1911. Stelt met behulp van Kuitert zijn pseudoniem Willem de Mérode vast, afgeleid van de naam van Cleo de Mérode, de beroemde balletdanseres.

Schrijft in dit jaar 167 gedichten die hij alle naar Kuitert stuurt.

Wordt beïnvloed door Gossaert, Boutens, Von Platen en Rilke.

[p. 15]


illustratie
40. Redactiebriefje van Ons Tijdschrift met opmerkingen van Geerten Gossaert over de inzending van De Mérode.



illustratie
41. Brief aan R. Kuitert, 11 januari 1916.



illustratie
42. Geerten Gossaert.

Soms kan ik Gossaert en Boutens zoo verrukkelijk vinden, dat ik er al mijn beroerdigheid om vergeet.



illustratie
43. Brief aan J.A. Rispens, 1914.

[p. 16]


illustratie
44. Als beginnend dichter en jong onderwijzer.

Die beroerde bankkiek [...] is de stijfheid in 't kwadraat.

[...] Wàt een idiote tijd, dat je ‘als dichter zijnde’ 't liefst met een boek moest gekiekt.



illustratie
45. Brief aan R. Kuitert, 17 oktober 1936.

 
Is er een nood die meerder nijpen kan
 
Dan deze:
 
In liefdes lusthof zijn een eenzaam man
 
En een bevreesde?


illustratie
46. Uit ‘Eenzamen’ door Willem de Mérode.

1912. Gossaert schrijft hem als redacteur van Ons Tijdschrift enkele kritiserende brieven.

In Groningen contacten met de dichters Josef Cohen en Herman Poort.

1913. 25 mei: doet openbare geloofsbelijdenis in de Gereformeerde Kerk te Uithuizermeeden. Wordt zich zijn mystieke aanleg bewust, leest Thomas à Kempis, Suso, Ruusbroec en Augustinus.

[p. 17]


illustratie
47. Betaalbewijs voor ‘Gestalten en stemmingen’.



illustratie
48. Aflevering van Het Getij.



illustratie
49. Uitgeverij Versluys aan De Mérode, 15 mei 1917.



illustratie
50. Ernst Groenevelt.

1914. Opheffing van Ons Tijdschrift. De Mérode publiceert voortaan in verschillende Nederlandse tijdschriften.

1915. Augustus: waarnemend hoofd der school tot juni 1916.

December: verschijning van de eerste bundel, ‘Gestalten en stemmingen’.

1916. Redacteur van het nieuwe blad Het Getij; na een jaar wordt hij gewoon medewerker.

Ontmoetingen met Ernst Groenevelt en Karel Wasch. Redacteur van het Maandblad voor Letterkunde van de Jongelingsbode.

Gaat ook publiceren in het rooms-katholieke literaire blad De Beiaard van Gerard Brom.

Pieter Keuning recenseert de gedichten van zijn broer zeer uitvoerig in Onze Vacatures.

De Mérode kiest twee nieuwe pseudoniemen: Henri Hoogland voor zijn schoolboekjes en Joost van Keppel voor zijn mystiek poëtisch proza, ‘Aanroepingen’.

[p. 18]


illustratie
51. De vier broers, v.l.n.r.: Pieter (1882-1962. Schreef gedichten onder pseudoniem Peter van Alsingha en twaalf romans onder eigen naam; onderwijzer, later directeur van uitgeverij Bosch en Keuning te Baarn), Willem (De Mérode), Johannes (1879-1956. Onderwijzer, later boekdrukker te Bergum) en Carel (1890-1961. Onderwijzer, later directeur van uitgeverij Zomer en Keuning te Wageningen, secretaris-penningmeester van de N.C.R.V., voorzitter van de Vereniging van Christelijke Uitgevers, directeur van het dagblad Trouw).



illustratie
52. Colofon van de nooit gedrukte bundel in handschrift ‘Okke’.

1917. Pieter Keuning publiceert een verhalenbundel ‘Kinderen in verstand en in boosheid’, met vele herinneringen aan het sociale onrecht in Spijk.

1918. Begin van de vriendschap met zijn leerlingen Okke en Jaap.

1919. Begin van de correspondentie met pater Jos. van Wely, Dominicaan te Zwolle.

[p. 19]


illustratie
53. De eerste brief aan Van Wely.



illustratie
54. Pater Jos. van Wely.



illustratie
55. De binnenhof van het Dominicanenklooster te Zwolle.

 
Hoe goed is 't hier te toeven, waar
 
Het levend water is en zon;
 
Zóó diep de stilte of men, klaar
 
Verzonken, Gods hart hooren kon.


illustratie
56. Uit ‘Dogmatiek’ door Willem de Mérode.

[p. 20]


illustratie
57. Dirk Coster (rechts) met naast hem P.C. Boutens en Lodewijk van Deyssel.

Sinds Revius klinkt hier voor het eerst het geluid op eener elementair Calvinistische poëzie.



illustratie
58. Dirk Coster in De Stem, oktober 1922.

Een week hart dat door alles overmachtig wordt aangegrepen, niet meer gehoorzaamt, en stuurloos wordt meegesleept.



illustratie
59. M. Nijhoff in Nieuws van den Dag, 11 augustus 1922.



illustratie
60. Tekening van Jan van der Leeuw bij ‘Venezia’ uit ‘Het kostbaar bloed’, 1922.

[p. 21]


illustratie
61. Portrettekening door Johan Dijkstra, 1922.



illustratie
62. Aflevering van Opwaartsche Wegen.



illustratie
63. Handschrift van Boutens in het album amicorum van De Mérode.

1921. Dirk Coster schrijft De Mérode zeer waarderend over diens poëzie.

Reis naar Duitsland: Keulen, Frankfort, München.

1922. Eerste contacten met de Groninger schilder Johan Dijkstra, die zijn portret tekent.

Oprichting van het protestant-christelijk literair tijdschrift Opwaartsche Wegen, met De Mérode als een van de belangrijkste medewerkers.

Begin van de correspondentie met P.J. Risseeuw.

Reis naar Vlaanderen: Gent, Brugge.

[p. 22]


illustratie
64. Op het San Marco-plein in Venetië.



illustratie
65. Begin van een recensie van Roel Houwink over ‘Het heilig licht’ in Den Gulden Winckel, 15 februari 1923.

[p. 23]


illustratie
66. Wilma Vermaat.

1923. Eerste schriftelijke contacten met Wilma Vermaat. Haar roman over homofilie, ‘Gods gevangene’, verschijnt.

Roel Houwink schrijft over De Mérodes ‘ganschelijk ontspoorde sexualiteit’.

Pedofiele relatie met een oud-leerling.

Eerste reis naar het Zuiden: Venetië, Florence, Assisi, Rome.

Schrijft aan Van Wely dat hij zich noch bij de protestanten noch bij de rooms-katholieken thuisvoelt.



illustratie
67. Logerend bij Wilma, 1925.

[p. 24]


illustratie
68, 69. Briefje vanuit de gevangenis aan pater Van Wely.



illustratie
69.

 
Hij heeft de dieren en de stille dingen
 
Met sterke aandachtigheid tot zich genomen
 
En lichtend zijn zij weer aan 't licht gekomen,
 
Wijl zij het lichten van zijn ziel doorgingen.


illustratie
70. Uit ‘Jan Mankes’ door Willem de Mérode.

[p. 25]


illustratie
71. Briefkaart aan Willem Kloos met dank voor het gedicht dat deze in zijn album amicorum had geschreven.



illustratie
72. ‘Zelfportret met uil’ door Jan Mankes.

1924. 26 februari: arrestatie op verdenking van homosexuele contacten met minderjarigen.

5 maart: ontslagen als onderwijzer.

18 maart: gecensureerd door de Gereformeerde Kerkeraad van Uithuizermeeden.

27 maart: veroordeling tot 8 maanden gevangenisstraf en 3 jaar ontzegging van de bevoegdheid het ambt van onderwijzer te bekleden.

28 juni: signeert de 125 exemplaren van ‘Ganymedes’.

16 maart - 14 oktober: schrijft in de gevangenis de kwatrijnenbundel ‘De rozenhof’.

Correspondeert vanuit de gevangenis met o.a. Van Wely, Wilma, Karel Wasch, Johan Dijkstra en Boutens.

24 oktober: invrijheidstelling. Komt in huis bij zijn broer Johannes in Leens (Gr.).

1925. 10 januari: verhuist met zijn broer naar Bergum (Fr.).

April: onttrekt zich aan de Gereformeerde kerk, zonder ooit weer lid van een kerk te worden. Logeert bij Wilma in Beekbergen.

28 september: verhuist naar Rotterdam, waar hij zeven weken logeert bij mevr. dr. A. Mankes-Zernike, de weduwe van de schilder Jan Mankes. Bezoekt met haar Boutens in Den Haag.

[p. 26]

Het is hier zoo stil dat je de vliegen kunt hooren gapen en 't gras groeien.



illustratie
73. Brief aan Jan Sodderland, 27 mei 1926.



illustratie
74-77. Eerbeek.



illustratie
75.



illustratie
76.

[p. 27]


illustratie
77.

1925. 16 november: verhuist naar Eerbeek, waar hij aan de Ringlaan kamers huurt op de boerderij van mej. Doom. Voortaan is hij ambteloos burger.

Heeft veel moeite met publiceren doordat hij zijn naam heeft verspeeld.

1926. Zijn vader overlijdt.

Seerp Anema publiceert ‘Moderne kunst en ontaarding’, waarin hij Wilma en De Mérode scherp hekelt.

 
O Heer, aanzie dit hart,
 
dat trotsch is en verslagen.
 
't Heeft uwen toorn getart
 
En kan uw toorn niet dragen.


illustratie
78. Uit ‘Miserere mei’ door Willem de Mérode.

Sinds geruimen tijd waart het gerucht rond, dat een christen-literaat de gevangenisdeuren achter zich hoorde sluiten, omdat hij den geest van Sodom en Gomorra boven Christus in zijn ziel liet heerschen.

Oscar Wilde en Paul Verlaine gingen hem voor op dien vreeselijken weg.



illustratie
79. Seerp Anema in ‘Moderne kunst en ontaarding’, blz. 158.



illustratie
80. Uit een brief aan P.J. Meertens, 1 december 1927.

[p. 28]


illustratie
81. Pinksterconferentie 1927 van de Christelijke Letterkundige Kringen. Eerste rij, 4de van links: Joost Allon, 7de: Jan H. de Groot. Tweede rij, v.l.n.r.: P.H. Muller, P. Minderaa, W. ten Kate, De Mérode, Laura Olivier, Wilma, E.G. van Teijlingen; met hoed: J. van Ulzen, directeur van uitgeversmaatschappij Holland. Derde rij, 5de v.l.: K. Fokkema, 10de: P.J. Risseeuw, 15de: H. van der Leek, 16de: J. de Die.



illustratie
82, 83. Briefkaart van Gerard Brom aan De Mérode.



illustratie

Ik ben geen conferentiemensch. En dan van Zaterdag tot Dinsdagmorgen! Hu! 't is eigenlijk om te rillen.



illustratie
84. Brief aan Jan Sodderland, 27 mei 1927.

[p. 29]


illustratie
85. Opdracht in ‘'n Poar dörps-genooten’.



illustratie
86. Manuscript van ‘De verloren zoon’.



illustratie
87. De Mérode, A.J. van Dijk en Wilma met vòòr hen Jan H. de Groot en Martin Leopold.

Wanneer schrijft De Mérode eindelijk met de breede streek waaraan zijn melodie behoefte heeft? Geef hem gerust tot taak een modern oratorium te schrijven voor de gelijkenis van de Verloren Zoon.



illustratie
88. M. Nijhoff in de N.R.C. van 26 februari 1927.

1927. Bezoekt met Wilma de conferentie van Christelijke letterkundige kringen op de Ernst Sillimhoeve te Lage Vuursche en leest er voor uit zijn manuscript van ‘De verloren zoon’. Martinus Nijhoff had hem in een recensie geïnspireerd tot het schrijven van deze verzencyclus.

Pater Van Wely probeert De Mérode warm te krijgen voor het rooms-katholicisme, maar hij kiest het reformatorisch protestantisme.

Begin van de correspondentie met P.J. Meertens en met Pater Wouter Lutkie.

1928. R. Kuitert publiceert een boekje over het werk van De Mérode.

De Mérode schrijft onder het pseudoniem Jan Bos verhalen in Gronings dialect.

1929. Zijn moeder overlijdt.

Hij leest voor de N.C.R.V.-microfoon uit eigen werk. ‘De lichtstreep’ verschijnt, volgens hemzelf zijn beste werk.

[p. 30]


illustratie
89. Pater Wouter Lutkie (links) in Lourdes.



illustratie
90. Omstreeks 1930.



illustratie
91. Strookje met namen van hen die een presentexemplaar kregen van ‘Langs den heirweg’, o.a. Mussolini.



illustratie
92. Commentaar bij zijn portretfoto.

Al houd ik van een sterke regering, fascistisch ben ik heelemaal niet. Ik vind Mussolini een kerel, maar zijn regering hier nadoen is onzin.



illustratie
93. Brief aan P.J. Meertens, 18 oktober 1934.

 
Gods toorn heeft loutrend uitgewoed.
 
Hij ziet mij aan en keurt mij goed.


illustratie
94. Uit ‘De pauw’ door Willem de Mérode.

[p. 31]


illustratie
95. Bert Bakker.



illustratie
96. Barend de Goede.



illustratie
97. Brief aan Barend de Goede van 1 augustus 1932.



illustratie
98. In Scheveningen, tijdens zijn bezoek aan IJ. Jacobs.

1930. Wordt medewerker aan Aristo, een cultureel blad van katholiek en fascistisch stempel, uit sympathie met de leider van het blad, Wouter Lutkie.

1931. Bert Bakker en Barend de Goede komen regelmatig op bezoek. De Mérode begint een zeer frequente correspondentie met hen.

1 maart: dichtersjubileum met de bundel ‘Laudate dominum’, uitgegeven door zijn vriend IJ. Jacobs te Scheveningen.

1932. April: lichte beroerte.

Mei: bezoek aan Parijs.

Juni: logeert in Scheveningen bij IJ. Jacobs en bezoekt de Indische tentoonstelling te Den Haag.

De Mérode wijst De Goede erop dat de Jong-Protestantse dichters het werk van Vondel, Hooft, Revius, Camphuysen, Lodensteyn, Dullaert en Luyken moeten voortzetten.

Kritiseert in zijn brieven sterk de Jong-Protestanten wegens hun vaagheid in geloofszaken.

[p. 32]


illustratie
99. Eerste brief aan Jaap Romijn.



illustratie
100. K. Heeroma.



illustratie
101. Brief aan Ds. H.C. Touw.

1933. Correspondentie met K. Heeroma i.v.m. diens bloemlezing ‘Het derde reveil’, waarin De Mérode centraal staat.

Correspondentie met Jan Greshoff.

Oogst voortaan ook buiten de protestantse kringen lof, o.a. van Vestdijk, Ter Braak en Marsman.

Zijn arts verbiedt hem het dichten.

Hij vindt tijdelijk baat bij een kruidendokter.

1934. Wordt lid van de Christelijke Auteurskring. Een drukke briefwisseling met Jaap Romijn begint. Stelt het boek ‘Okke’ samen uit de mooiste gedichten op Okke geschreven.

Ds. H.C. Touw wordt Hervormd predikant in Eerbeek en krijgt goede contacten met De Mérode.

26 mei - 4 juni: bezoekt Parijs.

Schrijft onder het pseudoniem Beo Grinniker straatliederen.

Ruzie met de firma Callenbach over de uitgave van ‘XXX Psalmen’.

Opvoering van De Mérodes toneelstuk ‘Esther’ door amateurs, o.a. in Utrecht en Nijmegen.



illustratie
102. Brief aan P.J. Risseeuw.

[p. 33]


illustratie
103. In Parijs.



illustratie
104. Brief aan uitgeverij Callenbach, 10 november 1934.



illustratie
105. Openluchtuitvoering van ‘Esther’ in het Willem de Zwijgerplantsoen te Utrecht.

[p. 34]


illustratie
106. Vertrek uit Eerbeek voor zijn rondreis door Nederland.

1 Maart zit me in mijn maag.



illustratie
107. Brief aan Jaap Romijn, 14 januari 1936.

Ik was halfdood en ga nu de andere helft die nog leeft ook doodschrijven.



illustratie
108. Brief aan Jaap Romijn, 4 maart 1936.

1935. Begint een correspondentie met de dichteres F. Poley-Scheele te Goes.

Augustus: reis door Nederland met zijn vriend Bram.

1936. 1 maart: 25-jarig dichtersjubileum. De Jong-Protestanten bejubelen hem.

De jubileumbundel ‘Kringloop’ verschijnt.

Roel Houwink stelt de jubileum-bloemlezing ‘De wilde wingerd’ samen.

De Mérode wordt lid van de P.E.N.-club.

Alfred Löb schildert in Den Haag zijn portret.

April: logeert bij de tekenaar/journalist Jan van der Leeuw in Sint Anna Ter Muiden en bij mevrouw Poley in Goes.

Mei: tweede reis naar het Zuiden: Parijs, Venetië, Milaan.

30 augustus: ridder in de Orde van Oranje-Nassau.

Herfst: lichte beroerte.



illustratie
109. Jubileumfoto op zijn kamer in Eerbeek.

[p. 35]


illustratie
110. Sint Anna Ter Muiden.



illustratie
111. Bladzij uit het reisdagboek: een van de Venetië-gedichten.



illustratie
112. Zelfportretje van Jan van der Leeuw.



illustratie
113. Met Bram in Venetië.

[p. 36]


illustratie
114. Portret door Alfred Löb.

Ik zag een man, plechtig gekleed als een burger, onwennig aan het verschijnen onder menschen en door den harden greep van lichamelijk lijden geteekend. [...] Ik voelde plotseling zijn sterken wil, de enorme kracht en elasticiteit, die vroeger eens zijn deel geweest moeten zijn en die het oogenschijnlijk nog waren, zoodra de macht van het scheppen zich van hem meester maakte.



illustratie
115. Alfred Löb in ‘Willem de Mérode herdacht’, 1939, blz. 73-74.



illustratie
116. Handschrift van ‘De visch’ uit ‘Ruischende bamboe’.

prachtig van beelding, taalkunst en sfeer



illustratie
117. S. Vestdijk over ‘Ruischende bamboe’ in de N.R.C. van 26 november 1937.

prachtige voorbeelden van geraffineerd dichterschap



illustratie
118. Menno ter Braak over ‘Ruischende bamboe’ in ‘Verzameld werk’, dl. 6, blz. 530.



illustratie
119. Uitnodigingskaart.



illustratie
120. Rijmprent ‘De Pauw’.

[p. 37]


illustratie
121. Handschrift van zijn postume kritiek.



illustratie
122. Inleiding van Ter Braak bij de publikatie van De Mérodes postume kritiek.

1937. 3 en 4 april: schrijft de Chinese bundel ‘Ruischende bamboe’, die verschijnt ter gelegenheid van zijn 50ste verjaardag en waarop Vestdijk en Ter Braak enthousiast reageren.

30 oktober-10 november: eretentoonstelling van en over zijn werk te Utrecht.

Schrijft een felle kritiek op de Jong-Protestanten, die eerst na zijn dood gepubliceerd wordt in Groot Nederland.

1938. De laatste bundel, ‘De levensgift’, verschijnt.

Wordt literair adviseur van uitgeverij Callenbach.

2 februari: schrijft zijn laatste gedicht.

Oktober: bezoekt voor het laatst in het Westen des lands enkele schilderijententoonstellingen.

1939. 21 mei: beroerte.

22 mei: overlijden.

25 mei: begrafenis te Eerbeek; vele Jong-Protestanten zijn aanwezig.

[p. 38]


illustratie
123. Verslag van de begrafenis in de Nieuwe Haagsche Courant van 26 mei 1939.



illustratie
124. Rouwkaart.



illustratie
125. Graf te Eerbeek.

[p. 39]


illustratie
126. Handschrift uit de cyclus ‘Requiem’, als ‘In memoriam-III’ opgenomen in ‘Langs den heirweg’, 1932.

prepostterug  begin  verder