AaandachtsstreepjeLeesteken in de vorm van een liggend streepje, in de 18e eeuw gebruikt om de lezer duidelijk te maken dat een monoloog wordt onderbroken door gedachten, waarvoor woorden tekortschieten en die daarom niet uitgesproken (en gezet) kunnen worden. Een voorbeeld van veelvuldig gebruik van aandachtsstreepjes (strepologie) vindt men in de Julia (1783) van Rhijnvis Feith: Alle mijne Vrienden paarden hunne stemmen aan de mijne - onze traanen vermengden zich - mijn gevoel werd verukking! - het bosch verdween - 't was geen tempel meer - 't was de Hemel - ik genoot - ja! ik genoot met hun alle de onsterfelijkheid. (ed. Kloek en Paasman, 1982, p. 79). Het aandachtsstreepje is verwant aan het beletselteken. Tegenwoordig wordt het aandachtsstreepje gebruikt om een tussenzin - op een nadrukkelijker wijze - af te scheiden dan door middel van komma's. Het is daarmee verwant aan het gedachtestreepje, dat een korte pauze aangeeft. LIT: P.J. van der Horst. Leestekenwijzer. Praktische handleiding voor het gebruik van leestekens en andere tekens (1990), p. 70-76. [W. Kuiper]
aanhangsel zie bijlageaanschouwelijkheid zie plastiekab ovoTerm uit de verteltheorie, ontleend aan Horatius' Satiren 1.3.6 (‘Ab ovo usque ad mala’ = Van het ei tot de appelen = van het begin tot en met het einde van de maaltijd), voor het presenteren van een geschiedenis (fabel-2) vanaf het vroegste moment in de vertelde tijd. De plot loopt in dit geval gelijk op met de fabel-2. Zoiets gebeurt bijv. in menig sprookje, zoals dat van Klein Duimpje. Men kan deze techniek vergelijken met de zgn. early point of attack in het drama. Valt het begin van de verteltijd niet samen met dat van de vertelde tijd, dan kan men te maken hebben met in medias res of met post rem. LIT: Boven/Dorleijn; Cuddon; Gorp; Lodewick; Shipley. [G.J. Vis]
abbreviatioTerm uit de klassieke en middeleeuwse poëtica voor het sterk inkortend bewerken van een tekst. Het tegenovergestelde heet amplificatio. De abbreviatio-techniek vormde een vast onderdeel van het poëtica-onderwijs dat deel uitmaakte van de artes liberales, de zeven vrije kunsten, die vanaf de 12e eeuw aan de middeleeuwse universiteiten werden gedoceerd. Hoewel de abbreviatio strikt genomen deel uitmaakt van de (Middel)latijnse literatuur zijn er parallellen in de volkstaal aan te wijzen. Zo kan de bewerking van Die wrake van Ragisel (ed. Gerritsen, 1963) in de Lancelot-compilatie als een abbreviatio beschouwd worden ten opzichte van de oorspronkelijke Middelnederlandse vertaling. Hetzelfde geldt voor de bewerking van een aantal boeken van Homerus' Odyssae door Coornhert tot de Dolinghe van Ulysse (1561). In de Middelnederlandse literatuur wordt een abbreviatio vaak gemarkeerd door een brevitas-formule (brevitas). LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; LdMA; Marouzeau; Wilpert; L. Arbusov. Colores rhetorici (1963), p. 21-22; E.R. Curtius. Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter (19738), p. 482-485. [W. Kuiper]
abbreviatuurNiet om sneller te schrijven (tachygrafie, tegenwoordig stenografie), maar om kostbaar schrijfmateriaal uit te sparen, ontwikkelde men in de antieke tijd een stelsel van verkorte schrijfwijzen. Middeleeuwse kopiisten namen deze conventies over en pasten ze ook toe op teksten in de volkstaal. De meeste abbreviaturen zijn van Latijnse oorsprong en gebaseerd op afkapping (suspensie), dat wil zeggen het weglaten van letters aan het eind van een woord als de betekenis duidelijk is. Dit kan variëren van één letter: com = comen, tot alle letters op één na: n3 = niet, met allerlei varianten daar tussenin (voorw' = voorwaer, e = ende). Abbreviaturen van één letter noemt men ook wel initialen of siglen (sigle-1). Die laatste term is op zijn beurt een afkorting van littera singularis. Naast afkorting door middel van suspensie kende men, met name voor het gebruik in wetenschappelijk teksten, de zogenaamde notae (nota-1), doorgaans vakgebonden afkortingen die dermate abstract zijn dat men de betekenis van het woord er niet meer uit kan lezen. Een aantal van deze notae zijn genoemd naar Tiro de slaaf van Cicero, tiroonse noten, die diens redevoeringen in kortschrift vastlegde: 7ca = etcetera. Een minderheid van de abbreviaturen is van Joods-Griekse afkomst en berust op samentrekking (contractie-2): Ihrslm = Iherusalem. In zijn algemeenheid kan men stellen dat middeleeuwse teksten bedoeld om voorgedragen te worden relatief weinig abbreviaturen bevatten, teksten bedoeld om zelfstandig gelezen te worden veel. Abbreviaturen in manuscripten komen voor tot in de 18e eeuw. LIT: BDI; Best; Dupriez-1; Hiller; LdMA; Metzler; Wilpert; A. Cappelli. Dizionario di abbreviature latine ed italiane (1973); J. Stiennon. Paléographie du Moyen Age (1973), p. 124-128; B. Bischoff. Paläographie des römischen Altertums und des abendländischen Mittelalters (1979), p. 192-213; J.L. van der Gouw. Oud schrift in Nederland. Een leerboek voor de student (19802); P.J. Horsman, Th.J. Poelstra en J.P. Sigmond. Schriftspiegel. Nederlandse paleografische teksten van de 13e tot de 18e eeuw (1984); B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), m.n. p. 102-129. [Willem Kuiper]
abc-boek, hanenboek, materieboek of speldeboekTerm uit de 16e tot 19e eeuw voor een niet-katholiek schoolboek (abecedarium) - ook wel hanenboek genoemd naar de houtsnede met een haan op de titelpagina - met een gevarieerde inhoud voor het lees- en schrijfonderwijs. Behalve schrijfvoorbeelden in diverse lettertypen (de civilité werd vaak gebruikt) bevatten zulke boekjes ook stichtende verhalen, titulatuur, voorbeeldbrieven en etiquetteregels. Het 16e-eeuwse Materi-boecxken, oft voorschriften, seer bequaem voor die joncheyt, om wel te leeren lesen, waarvan al een uitgave verscheen in 1597, wordt tot diep in de 18e eeuw met enige aanpassingen herdrukt, bijv. Materie of speldeboeksken, zynde seer bequame voorschriften voor de joncheyd om wel te leeren lesen en schryven en een aanporringe tot alle christelijke deugden in Nijmegen in 1730 of 1731 en nog in 1777 bij De Lange in Deventer. Coornherts Eenen nieuwen ABC of materiboeck (1564) is bedoeld als typografisch schrijfboek. LIT: BDI; Hiller; H. de la Fontaine Verwey. ‘Typografische schrijfboeken. Een hoofdstuk uit de geschiedenis van de civilité-letter’, in: id. Uit de wereld van het boek, dl. 1 (19762), p. 133-160; E.P. de Booy. De weldaet der scholen. Het plattelandsonderwijs in de provincie Utrecht van 1580 tot het begin der 19de eeuw (1977), p. 270, 276-277; P.J. Begheyn. ‘De Nijmeegse drukker Willem van Goor en zijn Materie- of speldeboeksken’, in: De Boekenwereld 6 (1989), p. 12-15; R.J. Resoort. ‘Een proper profitelijc boek. Eind vijftiende en zestiende eeuw’, in: H. Bekkering e.a. (red.). De hele Bibelebontse berg (1989) p. 41-103; J. Landwehr. Prentgeschenk van 60 ABC-boekjes (1995); J. ter Linden, A. de Vries en D. Welsink (red.). A is een aapje. Opstellen over ABC-boeken van de vijftiende eeuw tot heden (1995). [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
abecedariumBijzondere vorm van het acrostichon, waarbij de beginletters van versregels, strofen of paragrafen een alfabet vormen. Een vooral gedurende de Middeleeuwen en rederijkerstijd beoefende dichtvorm, bijv. Eynen a.b.c. van den staet deser bueser werelt:
Een ridderroman in verzen met een abecedarium in de lombardenstructuur (lombarde) is de Borchgrave van Couchi (ed. De Vries, TNTL 7, 1887, p. 97-250). De term wordt ook wel gebruikt voor (katholieke) leesboekjes voor kinderen om het abc te leren; de reformatorische leesboekjes staan bekend als abc-boek of hanenboek. LIT: BDI; Best; Brongers; Buddingh'; Gorp; LdMA; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
abel spelAan de titelopschriften van de teksten zelf ontleende benaming van vier Middelnederlandse toneelstukken, bewaard gebleven in het omstreeks 1410 (af)geschreven handschrift-Van Hulthem. De eerste drie: Esmoreit (ed. Duinhoven, 1979), Gloriant van Bruuyswijc (ed. Stellinga, 1976) en Lanseloet van Denemerken (ed. Roemans en Van Assche, 1982), doorgaans dé abele spelen genoemd, leunen wat betreft hun stof, thema's en motieven sterk aan bij de oudere (aristocratische) hoofse epiek. Hierdoor zijn deze stukken uniek binnen de West-Europese letterkunde. Het vierde abele spel Vanden winter ende vanden somer (ed. Stellinga, z.j.) is allegorisch van karakter (allegorie) en heeft zijn wortels in de rituelen van de plattelandscultuur. Op elk abel spel volgt een sotternie, een komische uitsmijter: Esmoreit en Lippijn, Gloriant en Die buskenblazer, Lanseloet en Die hexe, Winter ende somer en Rubben. Het woord abel (Latijn: habilis) betekent zo veel als: mooi, goed. De stukken zijn voor zover bekend geen bewerkingen van reeds bestaande (epische) teksten, maar ‘oorspronkelijke’ dramatische creaties. Omdat de abele spelen nauwelijks regie-aanwijzingen bevatten, en speeldrama's doorgaans in rollen werden uitgeschreven, interpreteert men ze in de vorm waarin ze overgeleverd zijn wel als leesdrama. Het handschrift-Van Hulthem echter heeft mogelijk gefungeerd als een scriptorium-codex, waaruit kopers teksten konden kiezen om te laten afschrijven (een aanwijzing daarvoor is dat aan het einde van iedere tekst het aantal verzen wordt vermeld). Het is derhalve mogelijk dat de teksten weer op toneelrollen werden gekopieerd ten behoeve van een toneelgezelschap. Van Lanceloet van Denemerken zijn overigens Zeeuwse rederijkersrollen overgeleverd. Recent is de benaderingswijze om de abele spelen te beschouwen als exponenten van de middeleeuwse, door een burgerlijke ideologie bepaalde, stadsliteratuur. LIT: Best; Gorp; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; W.M.H. Hummelen. ‘Tekst en toneelinrichting in de abele spelen’, in: NTg 70 (1977), p. 229-242; W.N.M. Hüsken en F.A.M. Schaars. Sandrijn en Lancelot. Diplomatische uitgave van twee toneelrollen uit het voormalige archief van de Rederijkerskamer De Fiolieren te 's-Gravenpolder (1985); A. Dabrówka. Untersuchungen über die mittelniederländischen Abele Spelen (Herkunft - Stil - Motive) (1987); F. van Meurs. ‘De abele spelen en de navolgende sotternieën als thematisch tweeluik’, in: Literatuur 5 (1988), p. 149-156; O.S.H. Lie. ‘Het abel spel van Lanseloet van Denemerken in het handschrift-Van Hulthem: hoofse tekst of stadsliteratuur?’, in: H. Pleij e.a. Op belofte van profijt. Stadsliteratuur en burgermoraal in de Nederlandse letterkunde van de Middeleeuwen (1991), p. 200-216; W. van Anrooij en A.M.J. van Buuren. ‘'s Levens felheid in één band; het handschrift-Van Hulthem’, in: Idem (1991), p. 184-199; J.W. Klein. ‘(Middelnederlandse) handschriften: produktieomstandigheden, soorten, functies‘, in: Queeste 2(1995), p. 1-30. [W. Kuiper/H. Struik]
Abgesang zie staartablautTerm uit de taalkunde voor de variatie van de vocalen in woorden en woordgroepen. Voor de literatuur is de ablaut als klankwisseling in zoverre van belang dat dichters hun verzen rijker aan klank kunnen maken door een grote variatie aan vocalen aan te brengen. Zo bevat de volgende regel van Kloos (uit zijn sonnet ‘Ik droomde van een kalmen, blauwen nacht’) op de tien syllaben niet minder dan acht verschillende klinkers: ‘En heel mijn ziele ruiste U toe; één zucht’, (De Nieuwe Gids 1, 1885 I, p. 138). LIT: G.E. Booij e.a. Lexicon van de taalwetenschap (19802); L. Beru. ‘Periphrastischen Tempora und Ausgleich der Ablautalternanten’, in: LB 74 (1985), p. 37-52. [G.J. Vis]
abortiefPerkament bereid uit de huid van ongeboren dieren. Gedurende de Middeleeuwen stuitte het gebruik ervan op groeiende weerstand naarmate het kwalitatieve aspect op de achtergrond raakte en abortief meer en meer in verband gebracht werd met occulte en nigromantische praktijken. Tegenwoordig neemt men wel aan dat veel perkament dat voor abortief doorgaat, in werkelijkheid konijnenvel is. LIT: LdMA; D.V. Thompson. The materials and technics of medieval painting (1956), p. 27-28; R. Reed. The nature and making of parchment (1975); J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum (19813), p. 18. [W. Kuiper]
absolute poëzieTerm uit de poëziekritiek voor die poëzie waarin de dichter ernaar streeft alles wat niet tot het wezen van de poëzie behoort daaruit te weren. In de praktijk leidt dit tot poëzie waarin taal niet gebruikt wordt vanwege de referentiële functie, maar een eigensoortige (poëticale) functie krijgt toegewezen. In principe behoort absolute poëzie binnen deze opvatting tot de hoogste vorm van poëzie. Het streven naar absolute poëzie is afkomstig uit de romantische speurtocht naar het ‘wezen’ van de poëzie. Zo werd het als een oneigenlijk element ervaren dat poëzie iets vertelt. Betekenis moet worden uitgedrukt door de poëtische vormgeving, en om het absolute te bereiken gingen dichters al spoedig gebruik maken van symbolen die dat moeilijk vaststelbare ‘wezen’ van de poëzie zo min mogelijk aantastten. Zo vindt men de duidelijkste vertegenwoordigers van de absolute poëzie in het symbolisme met auteurs als Baudelaire en Mallarmé. Er zijn raakpunten van deze poëzie met de poésie pure. Een Nederlands gedicht dat kenmerken van de absolute poëzie vertoont, is ‘Staren door het raam’ van J.H. Leopold (Verzamelde verzen, dl. 1, 1982, p. 64). LIT: Best; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
abstracte poëzieTerm uit de poëziekritiek voor het soort poëzie waarin de nadruk ligt op de klank en de visuele (vaak grafische) vormgeving, met achterstelling van de betekenis van de gebruikte woorden en de grammaticaliteit van de woordverbindingen. Abstracte poëzie sluit aan bij de abstracte of non-figuratieve beeldende kunst. Ze vindt haar oorsprong in het volkslied-1 en kinderlied (aftelrijmpje bijv.) met hun betekenisloze woordverbindingen (‘Iene, miene, mutte / tien pond grutten’). Het merkwaardige van de aanduiding ‘abstract’ is dat ze juist verwijst naar zulke concrete ervaringen als geluid en beeld. Er is dan ook een duidelijke relatie met de concrete (of visuele) poëzie. Na de Eerste Wereldoorlog werd veel abstracte poëzie geschreven door dadaïsten en futuristen als Hans Arp, Kurt Schwitters en de Nederlandse dichters I.K. Bonset en Paul van Ostaijen. Een goed voorbeeld van een abstract gedicht is ‘Ruiter’ uit de serie ‘Soldaten’ (1916) van I.K. Bonset (Nieuwe woordbeeldingen, ed. Schippers, 1975, p. 81). Waar het abstracte gedicht vooral op muzikaliteit van de taal gericht is, ontstaat een vorm van poëzie die men gewoonlijk aanduidt met de term poésie pure. Men spreekt ook wel van abstracte poëzie wanneer de betekenis van het gedicht uitgedrukt wordt in symbolen, zoals in de absolute poëzie. LIT: Cuddon; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]
absurdismeLiteraire vorm, speciaal toneel, waarin de absurditeit en de zinloosheid van het menselijk bestaan wordt uitgebeeld. Het absurdistisch toneel gaat terug op de Franse existentiefilosofie van Sartre en Camus, waarin de mens gezien wordt als een geïsoleerd individu, levend in een vijandige en ongeordende samenleving, op weg van het niets naar het niets. Afgesneden van zijn religieuze, metafysische of transcendentale wortels is de mens losgeraakt van zijn zekerheden. Al zijn activiteiten worden doelloos en absurd. Vandaar ook het verzet van het absurdisme tegen traditionele cultuurvormen. Omdat het menselijk bestaan als irrationeel en absurd wordt beschouwd, kan dit ook alleen maar weergegeven worden in literaire werken die zelf een absurde vorm hebben. Het sterkst komt dit tot uiting in de zinloosheid van de dialogen, die het onvermogen van werkelijk menselijk contact demonstreren, zoals in Ionesco's La cantatrice chauve (1950). Andere schrijvers van absurdistisch toneel zijn Adamov, Beckett, Genet en Pinter. In Nederland schreef H. Mulisch met De knop (1960) absurdistisch toneel, evenals L. de Boer in De kaalkop luistert (1963), De verhuizing (1964), Borak valt (1967) e.a. LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Fowler; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Shipley; Wilpert; M. Esslin. The theatre of the absurd (19622); D. Grossvogel. The blasphemers: the theatre of Brecht, Ionesco, Beckett, Genêt (1965); A.P. Hinchcliffe. The absurd (1969); A. van der Starre. ‘Bestaat er een absurdistisch toneel?’, in: F.F.J. Drijkoningen e.a. Avant-garde en traditie in het moderne toneel (1978). [G.J. van Bork]
abusio of catachreseIn strikte zin een vorm van figuurlijk taalgebruik (als stijlfiguur vallend onder de tropen-1) bestaande uit een (schijnbaar) onlogische toepassing van beeldspraak omdat het beeld aanvankelijk niet gevoeld wordt en een beeld gebruikt wordt in een situatie waarin het normale (letterlijke) taalgebruik, de consuetudo, geen woord voorhanden heeft. Later kan zo'n woord inburgeren en zelfs tot cliché-1 worden. Zo is het woord ‘benen’ uit de ‘benen van de passer’ het geëigende woord voor iets wat niet door een letterlijke aanduiding in de vorm van één enkel woord is te vervangen en alleen maar omschreven kan worden in meer termen zoals ‘beide gepaarde delen’. Een ander voorbeeld: het oog van de naald - hij is door het oog van de naald gekropen. Abusio als onlogisch gebruik van beeldspraak (bij gebrek aan iets anders) kan een komisch effect hebben: ‘blind van angst kroop hij door het oog van de naald’; in dit laatste geval leidt de beeldspraak tot bombast. De abusio vindt men ook bij moderne dichters. Zo schrijft Achterberg in ‘Thebe’:
Het beeld van het ‘slaande’ leven is vreemd. Men kan de volgende redenering opzetten. Er is een ik-figuur die gestreeld wordt en van wie gezegd wordt dat hij het leven in zich voelt slaan. Een mogelijke lezersassociatie is die van ‘leven’ met ‘hart’. Van dat hart kan - volgens de bekende uitdrukking - gezegd worden dat het ‘slaat’. Maakt de lezer deze verschuiving, dan kan hij ‘slaat’ vertalen in een parafrase, luidend: ‘Ik voelde uw handen strelend langs mij gaan, zodanig dat mijn hart, symbool van het leven, ervan sloeg (klopte)’. In dit geval werkt de onduidelijkheid van de beeldspraak suggestief, doordat het het associatievermogen van de lezer activeert. Half redenerend, half associërend komt hij er dan wel uit. De aldus aangebrachte verschuiving is vergelijkbaar met datgene wat de taalgebruiker doet ten aanzien van de metonymia; ook daar is geen gelijkenis tussen beeld en verbeelde, maar een anderssoortige betrekking. Door een ontbrekende schakel in te voegen, krijgt men de voorstelling rond. Hetzelfde gebeurt bij deze veelal als catachrese aangeduide vorm van abusio in ‘Thebe’. In ruimere zin is catachrese ook wel gebruikt als synoniem van figuurlijk woordgebruik in het algemeen, dikwijls met een negatieve waardering van ‘slecht gebruikt’. Beide gebruiksmogelijkheden van de term hebben gemeen dat het beeldsprakige karakter van het woord niet meer als zodanig wordt ervaren. LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Longman; Marouzeau; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse/G.J. Vis]
acatalectischTerm uit de prosodie ter aanduiding van een metrische versregel waarvan de laatste versvoet compleet is, dit in tegenstelling tot de catalectische versregel, bijv.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Morier; Myersd/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
accent of klemtoonTerm uit de prosodie ter aanduiding van de prominentie (heffing) van de klank van een syllabe ten opzichte van die van de omringende syllaben (daling). Deze prominentie kan van dynamische, temporele of muzikale aard zijn. Dikwijls is het een combinatie van twee van deze elementen, soms van alle drie. Bij de ritmische (ritme) notatie worden heffing en daling aangegeven door resp. ' en ^, bijv. lópên. Het accentverloop van meersyllabige woorden ligt in principe linguïstisch vast. Men raadplege daarvoor het woordenboek. De vraag of een eensyllabig woord een prominente dan wel een niet prominente syllabe heeft, wordt meestal bepaald door het zinsverloop. In ieder geval moet men eerst de woordbetekenis kennen om een uitspraak over de prominentie of de prominentieverhoudingen te kunnen doen, bijv. negéren verschilt van négeren. Dynamisch accent is een kwestie van sterkte, volume. Temporeel of kwantiteitsaccent is een kwestie van lengte, duur. Muzikaal of melodisch accent wordt gekenmerkt door toonhoogte. De vaststelling van prominentie is niet alleen een kwestie van fysische aard, maar ook, en soms voornamelijk, van psychologische aard. Intersubjectiviteit van lezers beslist dan eerder over twijfelgevallen dan de proefondervindelijke waarneming in het fonetisch laboratorium. Uit recent fonetisch onderzoek blijkt dat niet alle woordaccenten geconcretiseerd worden in gesproken taal. Voor zover dat wel het geval is, spreekt men van ‘zinsaccenten’. Deze worden overwegend bepaald hetzij door opvallende toonhoogteveranderingen, hetzij door veranderingen in de duuropbouw in de syllabe die het woordaccent draagt. Hiermee is een jarenlang herhaalde stelling, dat de uitspraak van het Nederlands primair bepaald wordt door dynamisch accent (volume), achterhaald. Door de wisseling van accentverloop heeft elke gesproken zin een bepaald ritme. Sinds de renaissance kozen dichters hun woorden zo, dat een alternering in het ritme optrad. Door deze praktijk, tot in de 20e eeuw algemeen gangbaar, kan men een versregel zo structureren dat er metrische (metrum) eenheden (versvoet) ontstaan. De in Nederlandse poëzie meest voorkomende metrische eenheid is de jambe. LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Gorp; HWR; LdMA; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; C.F.P. Stutterheim. Conflicten en grenzen (1963); R. Collier en J. 't Hart. Cursus Nederlandse intonatie (1981). [G.J. Vis]
accentletter zie aksantaccentvers zie heffingsversaccentverschuivingTerm uit de prosodie ter aanduiding van een bepaalde vorm van antimetrie. Volgens de theorie van Stuiveling, die de versvoet als uitgangspunt neemt, zijn er twee gevallen van accentverschuiving. Uitgaande van de jambe ¯ onderscheidt hij accentverschuiving naar voren en accentverschuiving naar achteren, waarbij het teken ' een onderbetoonde (onderbetoning) heffing voorstelt, en het teken ~ een overbetoonde daling (overbetoning). Men kan zich afvragen of deze onderscheidingen van belang zijn voor de tekstinterpretatie. Het lijkt aanbevelenswaard zich te beperken tot het begrip antimetrie, omdat dit begrip zich leent voor beschrijving van datgene wat de doorsnee luisteraar, die een gesproken tekst hoort en verwerkt, bewust ervaart. Nadere verfijningen in de prominentieverhoudingen kunnen alleen in het fonetisch laboratorium deugdelijk geregistreerd worden. LIT: Gorp; G. Stuiveling. Versbouw en ritme in den tijd van '80 (1934). [G.J. Vis]
accidentalsTerm uit de analytische bibliografie en de editietechniek voor de varianten die de editeur voor de copy-text van minder belang acht. Doorgaans betreft het varianten op het gebied van spelling, interpunctie, woordscheiding en alinea-indeling. Wel belangrijk geachte varianten noemt men substantives. Het onderscheid tussen accidentals en substantives berust niet alleen op het al dan niet geautoriseerd zijn (autoriseren) van bepaalde varianten. Met name in de periode van de handpers vond uniformering van spelling, interpunctie en hoofdlettergebruik plaats door de zetter, niet door de auteur. Zelfs als de kopij is overgeleverd, verdient het soms aanbeveling dit soort accidentals uit de door de zetter geuniformeerde druk over te nemen. LIT: Mathijsen; W.W. Greg. ‘The rationale of copy-text’, in: Studies in bibliography 3 (1950-1951), p. 19-36; F. Bowers. ‘Multiple authority: new problems and concepts of copy-text’, in: The Library 5th series, 27 (1972), p. 81-115; Center for editions of American authors. Statement of editorial principles and procedures. Rev. ed. (1972), p. 2; V.E. Dearing. ‘Concepts of copy-text old and new’, in: The Library 5th series, 28 (1973), p. 281-293; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 338-343; G.Th. Tanselle. ‘Greg's theory of copy-text and the editing of american literature’, in: Studies in Bibliography 28 (1975), p. 167-229; M. Spies. ‘Verantwoording’, in: J. van den Vondel. Twee zeevaart-gedichten, dl. 2 (1987), p. 1-10. [P.J. Verkruijsse]
acclamatieBijvalsbetuiging in de vorm van een kort, geïsoleerd zinnetje dat het belang van het voorafgaande moet onderstrepen. Men vindt het in rituele gebruiken, zowel kerkelijke (bijv. ‘Amen’ als goedkeurende uitroep van de gemeente na een gebedstekst van de voorganger) als wereldlijke (bijv. ‘Leve de Koningin!’ na de troonrede). De acclamatie is vergelijkbaar met sommige vormen van de beurtzang in het kerklied. LIT: Shipley. [G.J. Vis]
acconsonantie zie medeklinkerrijmacconsonerend rijm zie medeklinkerrijmaccumulatioStijlfiguur bestaande uit het twee- of meerledig naast elkaar plaatsen van verwante noties, bijv. ‘eten en drinken’ als uitsplitsing van ‘voedsel’. Soms nadert de accumulatio de tautologie, zoals in ‘Hij sprak en zeide’ ( G. Gossaert. Experimenten, 1911, p. 162). Behalve substantieven en werkwoorden kunnen ook adjectieven in de accumulatio als bestanddelen fungeren, bijv. in de versregel ‘Wanneer we aan 't hoogst, het grootst, 't volmaakste wezen denken’ ( J. Kinker. Gedichten dl. 1, 1819, p. 66). Het laatste voorbeeld grenst aan de enumeratio. Het verschil is gelegen in het feit dat de accumulatio een meerledige omschrijving is van een overkoepelend begrip. In dit opzicht is de accumulatio verwant aan de perifrase en aan de amplificatio. De accumulatio kan de vorm aannemen van een coacervatio. LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Metzler; Morier; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
acefalisch versTerm uit de prosodie ter aanduiding van een verschijnsel op het gebied van het ritme van een vers-1. Het betreft een metrische regel waarvan de eerste syllabe ontbreekt of als ontbrekend kan worden ervaren. Bekend bij classici is de tweede versregel van boek XXIII van de Ilias van Homerus, die niet begint met een te verwachten dactylus (-~~) maar met twee dalingen (~~). In de Nederlandse literatuur zijn deze gevallen zeldzaam. Maar in het polymetrische (polymetrie) gedicht ‘De kreupele’ van Nijhoff, met stijgend metrum in de eerste acht verzen, vertoont vs. 9 ineens een patroon zonder aanvangsdaling(en). Volgend op het schema ~(~)-/~(~)-/~(~)-/ van de vss. 1-8 begint vs. 9 onverwacht met een heffing: Búitên hêt vènstêrtjê vòerên (M. Nijhoff. VG, 1974, p. 519). In de forma formata vanuit vs. 9 gezien is dit een acefalisch vers. In principe gebeurt hier hetzelfde als bij een regel die catalectisch is, maar nu niet aan het eind van de regel, maar aan het begin. Afhankelijk van de instelling van de lezer kan een acefalisch vers soms ervaren worden als een vorm van arritmie. LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Preminger; Wilpert. [G.J. Vis]
achronieAfwijking van de chronologische vertelwijze. Deze afwijking is niet nauwkeurig vast te stellen in duur of richting (toekomst of verleden), bijv. omdat er binnen retroversie (terugverwijzing) anticipatie-1 (toekomstverwijzing) aangetroffen wordt, zodat het moeilijk te bepalen wordt hoe deze verhaalelementen zich verhouden tot de chronologie van het vertelde. Wanneer bijv. binnen een chronologisch verteld verhaal de mededeling gedaan wordt: ‘Toen wij met vakantie in Frankrijk waren, spraken we af om te gaan verhuizen’, dan is er sprake van een toekomstverwijzing binnen een retrospectief geformuleerde mededeling, waarvan niet nauwkeurig is vast te stellen hoe deze zich tot het ‘heden’ verhoudt. LIT: Bal; Gorp; Herman/Vervaeck; Prince; G. Genette. Tijdsaspecten in de roman (1979). [G.J. van Bork]
acrostichon, lettervers, naamdicht of naamversOorspronkelijk magisch geladen dichtvorm, waarbij de beginletters van versregels, strofen of boeken doorgaans een persoonsnaam vormen, soms ook het abc, een woord of een tekst. De naam kan de naam zijn van degene aan wie het gedicht werd opgedragen (destinataris), zoals het geval is met Der vrouwen heimlicheid (ca. 1350) en het Wilhelmus, waarvan de beginletters van de strofen WILLEM VAN NASSOV vormen. Het kan ook de naam van de auteur zijn, zoals gebruikelijk in de literatuur van de rederijkers, met name bij Anthonis de Roovere. In Van den vos Reynaerde maakt Willem zich door middel van een acrostichon aan het slot van de tekst als auteur bekend. ‘De geest van het Spanderswoud’ is een acrostichon van Gerrit Komrij met zijn eigen naam als beginletters (G. Komrij. Alle gedichten tot gisteren, 1994, p. 134). Bijzondere vormen van het acrostichon zijn het abecedarium, het acroteleuton, het mesostichon en het telestichon. LIT: Baldick; Bantel; Best; Brongers; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; M. van Doorn en W. Kuiper. ‘Der vrouwen heimlicheid’, in: Spektator 6 (1976-1977), p. 539-551; Drs. P. Dartelen met versvormen (1977)p. 17; F. Willaert. ‘Vier acrostichons in het Haagse Liederhandschrift’, in: 't Ondersoeck leert (1986), p. 93-104. [W. Kuiper]
acroteleutonCombinatie van een acrostichon en een telestichon: de beginletters van de regels leveren van boven naar beneden gelezen hetzelfde woord op als van beneden naar boven gelezen. LIT: Best; Gorp; LdMA; Metzler; Wilpert. [W. Kuiper]
acta zie notulenactantTerm uit de verteltheorie, waarmee een klasse van acteurs wordt aangeduid, die allen dezelfde relatie onderhouden met het streven dat de kern vormt van een verhaal. Een belangrijke relatie is bijv. die van een acteur tot een na te streven doel. Daarmee zijn twee klassen gegeven: die van de subject-actant (acteur) en die van de object-actant (doel). Zo wil bijv. Max Havelaar bekend maken welke misdaden er in naam van de Koning in Indië worden bedreven. Havelaar is subject-actant en het bekendmaken van de misdaden die in Indië worden begaan is object-actant in Multatuli's boek. LIT: Bal; Baldick; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Herman/Vervaeck; Prince. [G.J. van Bork]
acteurToneelspeler of vertolker van een der personages uit een toneelspel-1. Bij overdracht wordt de term acteur gebruikt in de verteltheorie voor een instantie die in een verhalende tekst een handeling verricht. In deze betekenis is de acteur niet noodzakelijk een mens. LIT: Bal; Gorp Prince; Wilpert. [G.J. van Bork]
actie-eenheidTerm uit de drama-analyse voor een groep actiemomenten die het handelingsverloop markeren, doordat ze gezamenlijk verwijzen naar één bepaald punt in het drama, nl. het handelingsaspect. Men zou de actie-eenheid kunnen beschouwen als een motief van het drama dat bijdraagt tot de plot of het verloopsplan. LIT: J.I.M. van der Kun. Handelingsaspecten in het drama (19722). [G.J. van Bork]
actiemoment of handelingsmomentTerm uit de drama-analyse voor een speelhandeling die uitwijst naar een handelingsaspect en daardoor verantwoordelijk is voor een bepaalde emotie bij publiek of lezer. Dat kan gebeuren doordat het actiemoment uitwijst naar een punt dat gevreesd wordt, of juist naar een punt waarop wordt gehoopt. Wanneer bijv. aan het begin van een drama zich een handeling voltrekt die vooruitwijst naar de ondergang van één van de personages, dan wekt dat een bepaalde spanning. Die handeling is dan een actiemoment en de ondergang van het personage het handelingsaspect. Men onderscheidt vijf typen actiemomenten: actiemomenten met een prospectief aspect; actiemomenten met een retrospectief aspect; actiemomenten die verwijzen naar een gelijktijdig op het toneel zichtbaar gebeuren, of naar een voor de toeschouwers onzichtbaar gebeuren omdat het zich achter het toneel voltrekt, beide simultaanaspect genoemd; en tenslotte de speelhandeling die verwijst naar de (bekende of bekend veronderstelde) achtergrond van het handelingsverloop, het zgn. wereldbeeldaspect. LIT: J.I.M. van der Kun. Handelingsaspecten in het drama (19722). [G.J. van Bork]
actio zie pronunciatioad fontes‘Naar de bronnen!’ Het motto waaronder de laatmiddeleeuwse humanisten systematisch op zoek gingen naar oude handschriften met daarin de oorspronkelijke, d.w.z. niet gecompileerde en door transmissiefouten gecorrumpeerde teksten van de klassieke auteurs om zo te komen tot een wetenschappelijk verantwoorde studie van zowel de klassieke literatuur als de bijbel. De handschriften die de voor de humanisten waardevolle, niet-bewerkte teksten bevatten, stammen uit de tijd van Karel de Grote, de 8e en 9e eeuw. De moderne filologie huldigt dit streven onverkort. De overleveringsgeschiedenis van Middelnederlandse, 16e- en 17e-eeuwse literatuur is doorgaans zo gecompliceerd en zo vol lacunes, dat het bestuderen van de bron(nen) waarin de tekst is overgeleverd (codicologie, manuscriptologie, analytische bibliografie) een absolute noodzaak is voor een beter begrip van de tekst. LIT: W.Gs Hellinga en P.J.H. Vermeeren. ‘Codicologie en filologie’, in: SpL 5 (1961), 10 (1966-1967); P.J. Verkruijsse. Mattheus Smallegange (1624-1710) (1983); W. Kuiper. Die riddere metten witten scilde (1989); J.B. van der Have. Roman der Lorreinen: de fragmenten en het geheel (1990). [W. Kuiper]
ad spectatoresRechtstreeks tot de toeschouwers gerichte monoloog met het doel de handeling of de zedeles uit het toneelstuk toe te lichten. Zowel het begin van de proloog van Hoofts Warenar (1617) als het door Miltheyt uitgesproken slot van deze proloog kunnen als voorbeelden gelden. LIT: Best; Gorp; Lausberg; Metzler; MEW; Wilpert; J. Jansen, ‘‘Ghy Amsterdammer burgers..., ick ben u mee poortres’; de aangesproken toeschouwers van de ‘Warenar’’, in: TNTL 106 (1990), p. 287-290. [G.J. van Bork]
ad usum delphiniGekuiste teksteditie. Letterlijk betekent het: ten gebruike van de Dauphin, nl. de zoon van Lodewijk XIV, voor wie J.B. Bossuet en P.D. Huet als diens leermeesters speciale (gekuiste) edities van Latijnse auteurs vervaardigden. LIT: Best; Brongers; Hiller; Metzler; MEW. [P.J. Verkruijsse]
adagium of proverbium(Neo)latijn voor spreuk met een filosofische of morele inhoud. Al in de Middeleeuwen werden er spreukenverzamelingen aangelegd. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in het Nederrijns moraalboek (ca. 1270), dat onder meer een verzameling spreuken in proza bevat of in het handschrift-Van Hulthem (ca. 1410), een verzamelhandschrift waarin een aantal aan Salomo toegeschreven rijmspreuken staat. Erasmus (1466/69-1536) publiceerde zijn eerste bundel van 800 adagia onder de gelijknamige titel, met het doel de mensen te confronteren met oude wijsheden ontleend aan klassieke auteurs, de bijbel en de kerkvaders. In 1533 waren de Adagia uitgegroeid tot ruim 4000 van commentaar voorziene spreuken en spreekwoorden. Sommige van Erasmus' adagia bevatten felle aanvallen op misstanden in kerk en maatschappij. De term adagium heeft in de loop der tijden een begripsverruiming ondergaan en is vrijwel synoniem geworden aan adagium: een spreekwoord of gezegde in het algemeen. Dit blijkt ook uit het feit dat Erasmus uitspraken van klassieke auteurs vergeleek met spreekwoorden uit zijn eigen tijd. Vergelijkbaar met het adagium is de parabel, de vergelijking. LIT: Cuddon; Laan; Metzler; M. Mann-Philips. The Adages of Erasmus (1964); S.W. Bijl. Erasmus in het Nederlands tot 1617 (1978), p. 179-186; J. Reynaert. ‘Alderhande proverbien vanden wisen Salomone’, in: H. van Dijk, W.P. Gerritsen, O.S.H. Lie (red.). Klein kapitaal uit het handschrift-Van Hulthem (1992), p. 153-163. [H. Struik]
adaptatieAanpassing of bewerking van een literair werk om het geschikt te maken voor een ander medium en/of ander publiek dan waarvoor het oorspronkelijk bedoeld is. Zo werd De donkere kamer van Damocles (1958) van W.F. Hermans door Fons Rademakers bewerkt tot het filmscript van Als twee druppels water, en werd Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan van Louis Couperus door W. van der Kamp bewerkt voor televisie. LIT: Best; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert; Scenarium 4 (1980). [G.J. van Bork]
addenda‘Wat toegevoegd moet worden’. Bemerkte een auteur tijdens of na het drukken van zijn tekst dat hij iets vergeten was, dan kon hij aan het slot van het voorwerk of aan het eind van het boek de ontbrekende tekst laten afdrukken onder het kopje ‘addendum’ (of ‘addenda’). Op dezelfde manier kon een zetfout hersteld worden door middel van een lijstje corrigenda of errata. Omdat in een latere druk addenda en corrigenda verwerkt kunnen worden en vaak ook daadwerkelijk werden, is het voorkomen ervan een aanwijzing voor een eerste of oorspronkelijke druk. Een voorbeeld van ‘Corrigenda en addenda’ kan men aantreffen in de editie van De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft (ed. Van Tricht, dl. III, 1979, p. 838). LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Hiller; Scott; Wilpert. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
adiectioTerm uit de retorica die een toevoeging aan een geheel aangeeft, hetzij kwantitatief, hetzij intensief. Naast de detractio, transmutatio en immutatio is de adiectio één van de vier wijzigingsmogelijkheden binnen de dispositio. De toevoeging aan een rede of gedeelte daarvan kan uiteenlopen van een klank aan een woord tot een nieuw idee aan de rede in zijn totaliteit. De toevoeging kan vooraan gebeuren (prothesis), er tussenin (epenthesis) of achteraan (paragoge). De intensiverende adiectio vindt plaats d.m.v. amplificatio. Als paragogische adiectio zou men kunnen zien de toevoeging van een nieuwe slotstrofe in het handschrift van Hoofts ‘Chanson a Madame’. Daardoor verandert de hele strekking van het gedicht (vgl. Uit Hoofts lyriek, ed. Zaalberg, 19754, p. 19-21). LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
adieu-liedLied of gedicht waarin het afscheid van het leven, familie, vrienden, bezittingen of vaderland bezongen wordt, bijv. Den langhen adieu van de 16e-eeuwse rederijker Eduard de Dene, of het lied ‘Van proper Janneken’ uit het Antwerps Liedboek met als refrein:
Een ander voorbeeld is het ‘Afscheit van Amsterdam’ (1649) van Reyer Anslo (Poëzy, 1713). LIT: Laan; L. van Biervliet. ‘Historielied van vrou Marie van Bourgoengien: bij een vijfhonderdste verjaardag’, in: Biekorf 82 (1982) 3, p. 242-252. [W. Kuiper]
adiunctioTerm uit de retorica voor de verbinding van twee of meer woordgroepen, bestaande uit meer dan twee woorden, en één gezegde. Bijv.: Ik verwacht alles van zijn goedgeefsheid, niets van mijn zuinigheid en veel van haar mildheid. LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; HWR; Lausberg; Metzler. [P.J. Verkruijsse]
adonius versusTerm uit de prosodie ter aanduiding van een korte metrische versregel uit de Klassieke Oudheid met twee heffingen. Dit dipodisch (dipodie) vers werd gebruikt als slotregel van de sapfische strofe. De adonius komt ook voor als onderdeel van een langere regel, bijv. als het tweevoetige slot van de hexameter, waar het finale adonius heet. Als voorbeeld van het eerste geval zie men de vierde regel van de volgende strofe uit het gedicht ‘Gedachten’ uit 1785:
LIT: Cuddon; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
adversariaMengelwerk, soms gebruikt in titels van tijdschriften zoals de Bibliographische adversaria. LIT: Best; Brongers; Cuddon; Hiller; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
adynatonStijlfiguur die gezien kan worden als een onderdeel van de perifrase. Het is een sterk overdreven omschrijving (hyperbool) van iets wat praktisch onmogelijk geacht wordt. In plaats van ‘Nooit zal dat gebeuren’ geeft men een omschrijving van ‘nooit’ in de vorm van bijv. ‘Ik mag hangen als’ enz. LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
aemulatioTerm uit de retorica voor het trachten te evenaren of te overtreffen van een bewonderd voorbeeld via creatieve imitatio (vrije navolging of bewerking). Aemulatio dient meer gezien te worden als een bijzondere vorm van imitatio dan als de slotfase in de - in de literatuurwetenschap vaak veronderstelde - ontwikkeling van translatio via imitatio naar aemulatio. De literaire competitie kon gewonnen worden door de klassieke voorbeelden van een nationale of christelijke strekking te voorzien. Zo is bijv. Vondels Jeptha (1659) een imitatio van het Neolatijnse stuk Jephtes sive votum (1554) van G. Buchanan, dat op zijn beurt een verchristelijkte imitatio, dus aemulatio, was van Euripides' Iphigeneia in Aulis. Vondels Gysbreght van Aemstel (1637) is een aemulatio van Vergilius' Aeneïs, dat op zijn beurt een aemulatio is van Homerus: een verchristelijkend element is de situering van het stuk in de kerstnacht en het is ‘nae 's Landts ghelegentheyt verduytscht’. LIT: Gorp; HWR; Lausberg; Metzler; J.D.P. Warners. ‘Translatio - imitatio - aemulatio’, in: NTg 49(1956), p. 289-295; 50(1957), p. 82-88, 193-201. [P.J. Verkruijsse]
AernoutsbroedersLaatmiddeleeuwse benaming voor aan lager wal geraakte mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats, rondtrekkend proletariaat, zwervers en landlopers. In de iconografie zijn de Aernoutsbroeders herkenbaar aan de netten die zij dragen, vandaar het synoniem nettenboeven. De benaming ‘varende luyden’ is van deze eeuw. De Aernoutsbroeders moeten niet verward worden met andere rondtrekkende middeleeuwers als vaganten of Goliarden. Als gevolg van de verslechterende economie in de 15e en 16e eeuw ontstond er in de steden een armoedeprobleem dat de burgerij boven het hoofd groeide. Onder invloed hiervan werden er binnen en door de burgerij teksten geschreven, waarin gesuggereerd werd dat de betrokkenen hun armoede volledig aan zichzelf te wijten hadden, of waarin hun zwervend bestaan als een bewuste keuze werd voorgesteld. Deze teksten hebben vaak segregatie of deportatie tot onderwerp: allen die overbodig zijn of niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, worden opgeroepen zich te verzamelen op het schip van sinte Heb-niet of sinte Rein-uut of een wagen (‘Vanden langhen wagen met zijn lichte vracht’) om weggevoerd te worden dan wel zich ergens heen te begeven (‘Van dat Luye leckerlant’). Een aantal van deze teksten bleef bewaard in de 16e-eeuwse bundel Veelderhande geneuchlijcke dichten, tafelspelen ende refereynen (ed. Mij. van Ned. Letterk., 1971). LIT: Laan; V. de Meyere en L. Baekelmans. Het boek der rabauwen en naaktridders (1914); D.Th. Enklaar. Varende luyden. Studiën over de middeleeuwse groepen van onmaatschappelijken in de Nederlanden (1956); J.E. Spruit. Van vedelaars, trommers en pijpers (1969); H. Pleij. Het gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late Middeleeuwen (19832). [W. Kuiper]
afbijtselDruktechnische term voor een drukfout, veroorzaakt door het verschuiven van het frisket waardoor een gedeelte van het zetsel niet via de in het frisket uitgespaarde openingen wordt afgedrukt, of door het onzorgvuldig inleggen van een vel papier waardoor een deel van het vel dubbelslaat. In het laatste geval hoeft niet altijd tekstverlies te ontstaan, als het omgevouwen gedeelte tenminste niet te groot is en als het bij het snijden en binden omgevouwen blijft. LIT: W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962), p. 152-154. [P.J. Verkruijsse]
afdruk zie kopieaffective fallacyTerm afkomstig van W.K. Wymsatt Jr. en M.C. Beardsley voor de door hen als foutief aangemerkte handelwijze om als criticus een literair werk te waarderen in termen van het effect ervan op de lezer. Het door beiden gepropageerde alternatief is de close reading zoals bijv. ontwikkeld in de New Criticism (autonomiebewegingen), die een ergocentrische werkwijze voorstond met aandacht voor de formele kenmerken van de tekst als uitgangspunt voor waardering. Een voorbeeld van affective fallacy in de Nederlandse letterkunde is de zogenaamde impressionistische literatuurkritiek zoals die, onder invloed van de Tachtigers, in de eerste helft van de 20e eeuw beoefend is. Een tegengestelde benaderingswijze vindt men in de autonomistische aanpak van het naoorlogse tijdschrift Merlyn (1962-1966), waarvan redacteur K. Fens zich op het standpunt stelde dat men zich als criticus dient te richten op de tekst van het werk, los van de mogelijke indrukken die het werk op lezers kan maken. In de academische wereld is dit principe op vergelijkbare wijze te vinden bij W.Gs Hellinga en zijn leerling F. Lulofs (‘de Amsterdamse school’), met hun stilistiek op linguïstische grondslag. Binnen het kader van het chronologische proces van productie tot receptie (auteur-tekst-lezer) zou men als keerzijde van de affective fallacy de intentional fallacy kunnen beschouwen; deze gaat uit van de auteursintentie. Uiteraard is de intentional fallacy niet minder tegengesteld aan de close reading dan de affective fallacy, omdat beide niet de tekst centraal stellen maar een buitentekstuele instantie. Reeds in de Oudheid vindt men voorbeelden van een soortgelijke problematiek. Met enige voorzichtigheid kan men zeggen dat bijv. Aristoteles' begrip ‘catharsis’ en het begrip ‘vervoering’ van Longinus verwant zijn aan de affective fallacy. Het begrip speelt een belangrijke rol in de receptie-esthetica voor zover deze geïnteresseerd is in (subjectieve) lezersreacties. LIT: Abrams; Baldick; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
afgesloten bibliografieEen als afgerond geheel verschenen bibliografie, die in tegenstelling tot een lopende bibliografie, niet bedoeld is om voortgezet te worden. Wel kunnen na verloop van tijd elders (bijv. in artikelen in tijdschriften) aanvullingen gepubliceerd worden. Zo zijn op de in principe afgesloten Bibliographie van Vondels werken (1888) door J.H.W. Unger op tal van plaatsen correcties en aanvullingen verschenen, variërend van jaarverslagen van het Vondel-Museum tot voetnoten bij tijdschriftartikelen en de rubriek ‘Aanvullingen op ..’ in het tijdschrift Dokumentaal. LIT: BDI; B. van Selm. ‘Het registreren van aanvullingen op bibliografieën’, in: Dokumentaal 5 (1976), p. 26-29; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995), p. 68. [P.J. Verkruijsse]
afkortingVerkorte schrijfwijze of uitspraak van één of meer woorden: bijv., d.m.v., i.t.t., e.v., a.w., aso, bobo, depri enz. In Middelnederlandse handschriften en incunabelen gebruikt om schrijfmateriaal te besparen (abbreviatuur), tegenwoordig vnl. een kwestie van gemakzucht, in advertenties van zuinigheid. Veel afk. maken een tekst z.g.a. onleesbaar, terwijl ze nauwelijks ruimtebesparend zijn. Het gebruik van afgekorte woorden kan eveneens zijn oorzaak hebben in het taboe dat rust op het uitspreken van het woord (zoals k voor kanker), in het gebruik van vakjargon (lab., U.B.) of om zich sociaal te profileren (turbotaal). LIT: BDI; Dupriez-1; Dupriez-2; Hiller; Metzler; H.J. Boef. Afkortingenlijst van de Nederlandse taal (1989). [W. Kuiper]
aflevering of fascikelEén of meer katernen van een boek, serie of tijdschrift, die niet afzonderlijk de status van een boek, band of deel bezitten. Doorgaans worden afleveringen doorgepagineerd omdat ze later samen met andere afleveringen in één band worden gebonden. Bij het binden werden vaak de omslagen met de bibliografische gegevens (uitgever, jaar van publicatie) verwijderd zodat later de publicatiegeschiedenis moeilijk is vast te stellen. Het publiceren in afleveringen veronderstelt een systeem van intekening of abonnement. In Nederland zijn de vroegste sporen daarvan terug te vinden in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Een voorbeeld van een werk dat gedurende een lange periode in honderden afleveringen verschijnt, is het Woordenboek der Nederlandsche taal. LIT: BDI; Brongers; Hiller. [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse]
aflijnen zie liniërenaforismeTerm uit de genreleer voor een korte, heldere, puntige zin (vgl. zinspreuk-1) in proza. Kenmerkend is originaliteit van gedachte en uitwerking, en een verrassend effect. Gewoonlijk behelst het aforisme een inval of plotselinge verheldering, gebaseerd op een persoonlijke ervaring die tegelijk een algemeen menselijke kant heeft en tot nadenken stemt. Men dient een onderscheid te maken tussen het aforisme als genrebewuste creatie en teksten of tekstelementen die later de status van aforisme krijgen toebedeeld. Voorbeelden zijn: ‘Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.’ (Prediker 1:9) en ‘Roest rust niet’ ( L.P.Boon. Boon-apartjes, ed. De Ley, 1971, p. 49). Geliefde stijlmiddelen zijn antithese, paradox, understatement, dubbelzinnigheid, humor, ironie en sarcasme. Enkele bundels: E. van der Steen. Alfabetises (1956); Aan de haak (ed. De Sneeuw en De Ley, 1972); Koraalklippen (ed. De Sneeuw, 1972); J.A. Emmens. Gedichten en aforismen (VW, dl. 1, 1980); H. van Naarden. Aforismen (1985). Het aforisme is verwant aan gnome-2, maxime en sententia. LIT: Baldick; Bantel; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; G. de Ley. Aforistisch bestek (1976); G. Neumann (ed.). Der Aphorismus (1976); J.J. Oversteegen. Beperkingen (1982), p. 123-168. [G.J. Vis]
afschrift zie kopieafschrijven-1Benaming voor het kopieerproces waarmee in de periode voor de uitvinding van de boekdrukkunst boeken (codex) vermenigvuldigd werden. Het afschrijven van boeken werd uitgevoerd door een kopiist of afschrijver. Vaak waren dit beroepsschrijvers die soms zelfs in groepsverband werkten (bijv. bij het afschrijven van de Lancelot-compilatie). De kopiist maakte bij het afschrijven gebruik van een voorbeeldhandschrift (legger) dat hij letterlijk overnam. Soms echter veranderde de kopiist naar eigen inzicht passages in de tekst, bijv. omdat de legger onvolledig was, hij deze niet begreep of omdat hij de tekst onjuist, onverantwoord of slecht vond. Ook was het mogelijk dat de kopiist tijdens het afschrijven fouten (continueringsfout, dicteerfout) maakte, waardoor zijn tekst ging afwijken van de legger. Als meer handschriften van een bepaalde codex overgeleverd zijn, is het mogelijk om de tekstgenese van het werk te reconstrueren in een stamboon of stemma door vergelijking van de overeenkomsten en verschillen in de teksten. Vrijwel het hele middeleeuwse boekenbestand is overgeleverd als afschrift (apograaf). Boeken die door de auteur zelf geschreven zijn (autograaf), zijn uiterst zeldzaam. LIT: BDI; A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel ende Elegast I (1975); M. Draak. De Middelnederlandse vertalingen van de proza-Lancelot (19772), p. 37-40; Th. Glorieux-De Gand. Het woord van de kopiist; colofons van gedateerde handschriften (1991); J.W. Klein, in: B. Besamusca en A. Postma. De Middelnederlandse vertaling van de Lancelot en prose overgeleverd in de Lancelotcompilatie. Pars 1 (vs. 1-5530) voorafgegaan door de verzen van het Brusselse fragment (1993). [H. Struik]
afschrijven-2 zie liniërenafschrijver zie kopiistagnitio of anagnorisisTerm uit de poëtica van Aristoteles die aangeeft dat een personage tot inzicht komt in de aard van de situatie waarin hij zich bevindt. Dit veroorzaakt vaak de beslissende wending, de peripetie. In zijn ‘Berecht’ voor Jeptha (1659; WB-ed., dl. 8, 1935, p. 775) geeft Vondel aan hoe Filopaie en Jeptha beiden te laat tot inzicht komen: de moeder verneemt het ongeluk van haar dochter; de vader ziet in dat hij zijn dochter Ifis niet had moeten offeren. LIT: Abrams; Baldick; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
aksant of accentletterTerm uit de typografie voor een letter gecombineerd met een accentteken (ä, á, à, â enz.). De meest voorkomende combinaties behoren standaard tot een letterpolis. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om van zgn. gecréneerde of overhangende letters gebruik te maken. Dat zijn letters en losse accenttekens die over het letterstaafje heen hangen en die, naast elkaar gezet, de gewenste letter met accent opleveren. LIT: Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 30-32; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de 18e eeuw (19862), p. 121-124; H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (19862), p. 35. [P.J. Verkruijsse]
akte-1Een geschrift, opgemaakt om als rechtsgeldig bewijs van het daarin vermelde te dienen. Zo spreekt men van een geboorte-, overlijdens-, koopakte enz. Een in plechtige vorm opgestelde akte is een oorkonde. De naam die sommige mensen, onder wie letterkundigen, voeren, wijkt soms af van die in de officiële geboorte-akte. Zo heeft A.L.G. Bosboom-Toussaint haar naam altijd met ss gespeld, terwijl de akte Tousaint met één s heeft. LIT: BDI; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
akte-2 zie bedrijfalbaUit de Zuid-Franse hoofse liefdeslyriek afkomstig subgenre, waarin bezongen wordt hoe gelieven tot hun spijt zien dat de dag aanbreekt (dageraadslied) en zij moeten scheiden, omdat hun samenzijn geheim moet blijven. Vaak is het de wachter die met zijn geroep de dag aankondigt, vandaar ook de benaming wachterlied. Een 14e-eeuws Middelnederlands voorbeeld van een alba is het 72e Gruuthuse-lied, waarvan de eerste strofe luidt:
Hoewel de alba etymologisch identiek is aan de aubade is er literair-historisch een diametraal verschil in betekenis. In de aubade wordt de ochtend begroet, in de alba wordt hij verwenst. LIT: Buddingh; Gorp; LdMA; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert; G. Kalff. Het lied in de Middeleeuwen (1884), p. 251-386; A.T. Hatto (ed.). Eos. An enquiry into the theme of lovers meetings and partings at dawn in poetry (1965); P. King. Dawn poetry in the Netherlands (1971); F.J. Saville. The medieval erotic alba, structure as a meaning (1972); P. Dronke. The medieval lyric (1978); J. Houtsma. ‘Gelieven bij de dageraad in het Antwerps Liedboek’, in: TNTL 95 (1979), p. 83-96; E. van Altena. Daar ik tot zang word aangespoord (1987). [W. Kuiper]
album album amicorum en liber amicorumalbum academicum zie album studiosorumalbum amicorum-1 of albumVriendenboek, te vergelijken met het latere poëziealbum, waarin gedichten en deviezen in verschillende talen, alsmede handtekeningen, tekeningen, wapenschilden e.d. van vrienden werden verzameld. Het ontstaan van het album amicorum - ook wel kortweg album genoemd - is door het veelvuldig voorkomen van wapens wel verklaard uit de middeleeuwse wapenboeken, de Stammbücher, die fungeerden als een soort paspoort voor de bezitter. Waarschijnlijker is echter dat ze ontstaan zijn aan de protestantse universiteit van Wittenberg. Vooral in de tweede helft van de 16e, de eerste helft van de 17e en de tweede helft van de 18e eeuw zijn de alba amicorum populair in academische kringen; in de 19e eeuw ontwikkelen de alba zich meer tot poëziealbums, in gebruik bij dames. Cultuurhistorisch zijn ze interessant omdat ze inzicht kunnen geven in de relaties tussen verschillende personen en gegevens kunnen verschaffen over de peregrinatio academica of de grand tour. Tal van letterkundigen figureren - vaak met oorspronkelijk dichtwerk - in alba amicorum. Zo vindt men bijv. in het album van Jacobus Heyblocq de auteurs Anslo, Asselijn, Blasius, Bruno, Cats, De Decker, Joan Dullaert, Focquenbroch, Heinsius, Huygens, Revius, Six van Chandelier, Tengnagel, Vondel, Vos en Zoet (vgl. C. Wybe de Kruyter. ‘Jacobus Heyblocq's album amicorum’, in: Quaerendo 6(1976), p.110-153). LIT: Brongers; F.A. van Rappard. Overzigt eener verzameling alba amicorum uit de XVIde en XVIIde eeuw (1856); A. Fiedler. Vom Stammbuch zum Poesiealbum (1960); G. Angermann. Stammbücher und Poesiealben als Spiegel ihrer Zeit (1971); C.L. Heesakkers & K. Thomassen. Voorlopige lijst van alba amicorum uit de Nederlanden vóór 1800 (1986); K. Thomassen (eindred.). Alba amicorum. Vijf eeuwen vriendschap op papier gezet: het album amicorum en het poëziealbum in de Nederlanden (1990). [P.J. Verkruijsse]
album amicorum of album zie liber amicorumalbum promotorumBoek met de namen van diegenen die aan een bepaalde universiteit of hogeschool gepromoveerd zijn. Als bron voor biografisch onderzoek kunnen de alba promotorum van belang zijn. Verschillende alba zijn uitgegeven, zoals die van Leiden over de periode 1636-1825 (1936), Franeker over de jaren 1591-1811 (1972) en Utrecht over 1815-1936 (1963). LIT: [P.J. Verkruijsse]
album studiosorum of album academicumBoek met de namen van alle studenten aan een bepaalde universiteit of hogeschool met datum van inschrijving, studierichting enz. Als bron voor biografisch onderzoek zijn alba studiosorum van groot belang. Verschillende alba zijn ook uitgegeven, zoals die van Utrecht over de periode 1636-1886: Album studiosorum Academiae Rheno-Traiectina (1886), Leiden over de jaren 1575-1875 en 1875-1925: Album studiosorum Academiae Lugduno-Batavae (1875; 1925) en het Amsterdamse Atheneum Illustre (1913). LIT: [P.J. Verkruijsse]
aldichtRederijkersgedicht waarin de versregels woord voor woord op elkaar rijmen, bijv.
LIT: Gorp; MEW; S.A.P.J.H. Iansen. Verkenningen in Matthijs Casteleins Const van rhetoriken (1971). [W. Kuiper]
AlexanderromanVerzamelnaam voor middeleeuwse romans die als hoofdpersoon Alexander de Grote (356-323 v. Chr.) hebben. Al tijdens zijn korte leven was Alexander het onderwerp van legendevorming door de activiteiten van kroniekschrijvers en lofdichters. Kort na zijn dood verschenen er verschillende biografieën die meer fictie dan feiten bevatten. De biografie die ten grondslag ligt aan de middeleeuwse Alexanderromans, wordt toegeschreven aan Callisthenes van Alexandrië. Deze zogenaamde Pseudo Callisthenes (± 300 v.Chr.) is in ca. 310 n.Chr. uit het Grieks in het Latijn vertaald door Julius Valerius. Rond 1130 vervaardigde Alberic van Pisançon op basis van een verkorte bewerking van Valerius' vertaling een leven van Alexander, geschreven in de vorm van een chanson de geste. Deze tekst werd in de tweede helft van de 12e eeuw gebruikt bij de totstandkoming van de Roman d'Alexander. Dit werk is geschreven in twaalflettergrepige versregels, die daaraan de naam alexandrijn hebben ontleend. Rond 1260 schreef Jacob van Maerlant voor Machtelt van Brabant Alexanders geesten (ed. Franck, 1882), waarbij hij zich niet op de Oudfranse literaire traditie baseerde, maar op de universitaire, in het Latijn geschreven Alexandreis (1180) van Gautier de Châtillon. Alexander de Grote genoot een grote bekendheid gedurende de Middeleeuwen. Zijn dapperheid, zijn ondernemingszin en zijn vrijgevigheid waren spreekwoordelijk. Tezamen met Hector van Troje en Julius Caesar vormde hij de heidense trits van de Negen Besten. In de historiebijbel(s) kreeg Alexander de Grote een plaats tussen de (apocriefe) bijbelboeken Esther en Maccabeeën. In 1477 drukte Gheraert Leeu de Historie van Alexander, één van de eerste Nederlandstalige gedrukte boeken. LIT: LdMA; MEW; S.J. Hoogstra. Proza-bewerkingen van het leven van Alexander den Groote in het Middelnederlandsch (1898); G. Cary. The medieval Alexander (1956); C. Kneepkens en F.P. van Oostrom. ‘Maerlants Alexanders geesten en de Alexandreis: een terreinverkenning’, in: NTg 69 (1976), p. 483-500; W.P. Gerritsen. ‘Gheraert Leeu's Historie van Alexander en handschrift Utrecht UB 1006’, in: Uit bibliotheektuin en informatieveld (1978), p. 139-163; K. de Graaf. Alexander de Grote in de Spiegel Historiael. Een onderzoek naar de vertaaltechniek van Jacob van Maerlant (1983); L.J. Engels. ‘Alexander de Grote’, in: W.P. Gerritsen & A.G. van Melle (red.). Van Aiol tot Zwaanridder, Personages uit de middeleeuwse verhaalkunst en hun voortleven in literatuur, theater en beeldende kunst (1993), p. 19-30. [W. Kuiper/H. Struik]
alexandrijnZesvoetige jambe, veelal met een diaeresis (pauze, syntactische grens) na de derde versvoet, in de renaissance veelvuldig toegepast, bijv.
De grondvorm is: ~-~-~-/~-~-~-(~). De naam is ontleend aan de Franse Alexanderepiek uit de 12e eeuw, waarin de traditionele decasyllabe vervangen werd door de dodecasyllabe. Men kan de Griekse trimeter zoals die in de tragedie voorkomt reeds als voorloper ervan zien (grondvorm: ~-~-~/-~-~-~-). Hierbij dient te worden opgemerkt dat de ritmische notatie, boven dit vers aangebracht, slechts het metrische schema weergeeft en niet het feitelijke ritmische verloop (bijv. de derde syllabe van ‘hemelsche’ is onbeklemtoond bij lezing hardop; het heffingsteken geeft hier aan dat het een heffingsplaats is en niet een beklemtoond uitgesproken syllabe). LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G.J. de Vries. ‘De alexandrijnen in perspectief’, in: Hermeneus 17 (1985) 3, p. 130-140. [G.J. Vis]
alfabetOpsomming in vaste (alfabetische) volgorde van de letters van een schrift. Het Nederlandse alfabet is gebaseerd op het Romeinse alfabet, dat op zijn beurt weer teruggaat op het Griekse alfabet, waarvan het aan de eerste letters de naam ontleent (alpha, bèta). Het middeleeuwse alfabet telde geen 26, maar 23 letters: de ‘i’ en de ‘j’ waren één en dezelfde, evenals de ‘u’ en de ‘v’, terwijl de ‘w’ geen letter maar een grafeem was, een schrijfwijze voor ‘uu’. Dit is belangrijk voor het doorzien van ‘geheimschrift’ of versleutelingen d.m.v. het verschuiven van één letter zoals bijv. in het explicit van Der vrouwen heimlicheit (ed. Blommaert, 1846): EXPLKCKT SFCRFTXM MXLKFRXM. Daarnaast worden aan het slot van een alfabet of op het alfabet geïnspireerd gedicht (abecedarium) abbreviaturen (abbreviatuur) toegevoegd, soms twee, soms vier. LIT: BDI; Brongers; Hiller; Marouzeau; Metzler; MEW; D. Diringer. The story of the aleph beth (1958); B. Engelhart & J.W. Klein. 50 Eeuwen schrift (1988); M. van Doorn en W. Kuiper. ‘Der vrouwen heimlicheid’, in: Spektator 6 (1976-1977), p. 539-551. [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
alfabetisch schrift of fonografisch schriftEen schrift waarin één schriftteken gewoonlijk staat voor één of meer fonemen (‘spraakklanken’). Zo geeft het alfabetische (alfabet) teken ‘b’ altijd de spraakklank ‘b’ aan, maar kan bijvoorbeeld de ‘c’ uitgesproken worden als ‘k’ of als ‘s’. Het alfabetisch schrift is een uitvinding van de Grieken die aan het Semitische medeklinkerschrift tekens voor klinkers hebben toegevoegd. LIT: I.J. Gelb. A study of writing (19633); B. Engelhart & J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882). [P.J. Verkruijsse]
algemene literatuurwetenschapDe algemene literatuurwetenschap is traditioneel opgebouwd uit een tweetal componenten: de theoretische literatuurwetenschap en de vergelijkende literatuurwetenschap. Van vrij recente datum is een derde vakonderdeel dat onder de algemene literatuurwetenschap wordt ondergebracht, maar in feite een ruimere doelstelling heeft: de tekstwetenschap. Onder algemene literatuurwetenschap wordt verstaan de systematische (universitaire) studie van literatuur en van literaire communicatie, waarbij in principe geen rekening wordt gehouden met nationale of culturele grenzen en gestreefd wordt naar algemene, universeel geldige uitspraken over het verschijnsel literatuur in de meest brede zin. De beide componenten, theoretische en vergelijkende literatuurwetenschap, moeten dan ook niet gezien worden als aparte, van elkaar duidelijk te onderscheiden deelgebieden, maar veeleer als elkaar aanvullende en van elkaar afhankelijke terreinen van onderzoek. Wanneer immers naar algemene uitspraken wordt gestreefd over literaire verschijnselen met een universeel karakter, ligt vergelijking met of toetsing aan alle mogelijke (klassen van) teksten van allerlei oorsprong voor de hand. Zo bezien is de vergelijkende literatuurwetenschap een geïntegreerd onderdeel van de theoretische literatuurwetenschap. In de praktijk onderscheidt de aanduiding algemene literatuurwetenschap zich niet van het gebruik van de term literatuurwetenschap, wanneer het om de inhoud van het vak gaat. Zo formuleren Van Luxemburg e.a. in hun Inleiding in de literatuurwetenschap (1981) uitdrukkelijk: ‘Wanneer er in dit boek sprake is van literatuurwetenschap, gaat het om algemene literatuurwetenschap’ (p. 17). Ook anderen geven de voorkeur aan de term literatuurwetenschap, hoewel daarmee eigenlijk een ruimere inhoud wordt gedekt. In het Academisch Statuut, waarin een nadere regeling wordt gegeven van de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs, wordt de term Algemene Literatuurwetenschap (ALW) gebruikt ter aanduiding van een afzonderlijke studierichting van die naam bij de verschillende letterenfaculteiten. Tot het programma van de studierichting Algemene Literatuurwetenschap behoren doorgaans de volgende onderdelen: - Grondslagen van de literatuurwetenschap, in het bijzonder de methodologische regels die de basis kunnen vormen voor het onderzoek. - Relaties met andere wetenschapsgebieden, zoals algemene taalwetenschap, sociologie, anthropologie, esthetica, geschiedwetenschap, psychologie e.d. - Theorie van de literatuurwetenschap, zoals algemene theorieën over literatuur en theorieën op deelgebieden als verteltheorie, retorica, poëtica, genreleer (genre), analyse, interpretatie, hermeneutiek. - Geschiedenis van de literatuurwetenschap. - Bestudering van de literatuur en van bepaalde literaire verschijnselen, nationaal en internationaal. - Toegepaste literatuurwetenschap, d.w.z. het concrete gebruik van literatuurwetenschappelijke methoden en resultaten, bijv. in onderwijs en literaire kritiek. LIT: Abrams; Fowler; Krywalsky; MEW; M. Wehrli. Allgemeine Literaturwissenschaft (1951); F.C. Maatje. Literatuurwetenschap. Grondslagen van een theorie van het literaire werk (1970); W.J.M. Bronzwaer e.a. Tekstboek algemene literatuurwetenschap (1977); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (1981). [G.J. van Bork]
alineaGedeelte van een geschreven of gedrukte tekst, bestaande uit een beperkt aantal (vol)zinnen die inhoudelijk nauw met elkaar samenhangen of anderszins een geheel vormen. Een nieuwe alinea is herkenbaar aan het gegeven dat er op een nieuwe regel begonnen wordt terwijl de vorige regel nog niet vol is. Om misverstanden te voorkomen laat men in kopij een alinea inspringen, maar ook in typografie is deze gewoonte gebruikelijk. Een aantal alinea's tezamen vormen een paragraaf of een hoofdstuk. LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; J. Renkema. Schrijfwijzer (1990), p. 57-60. [W. Kuiper]
alleenspraak zie monoloogallegoreseHet allegorisch (allegorie) verklaren van een tekst die behalve letterlijk ook op een specifieke wijze figuurlijk geduid moet worden. Kernprobleem bij de verklaring van bijbelse teksten (exegese) is de verhouding tussen de tekst en zijn verborgen betekenis (zin). Behalve de letterlijke betekenis - er staat wat er staat - onderscheidt men ook de figuurlijke of overdrachtelijke betekenis: er staat niet wat er staat. Een tekst was op vier manieren te duiden (quator sensus scriptorum): behalve met de letterlijke en de allegorische betekenis (sensus litteralis en sensus allegoricus-1), met de morele betekenis (sensus moralis) en de betekenis in het licht van uitersten (sensus anagogicus). Dergelijke betekenistoekenningen zijn het onderzoeksterrein van de hermeneutiek. Vanaf de 5e eeuw werd de bijbel allegorisch geïnterpreteerd, waarbij een bepaalde gebeurtenis uit het Oude Testament gezien wordt als een voorafbeelding van een gebeurtenis in het Nieuwe Testament: Jona die door God uit de walvis gered wordt (Jona 1, 17 en 2, 1-10), is een voorafbeelding van Christus' herrijzenis. De allegorische uitleg van bijbelteksten werd door de kerkvaders vastgelegd in handboeken, die tot ver in de renaissance grote invloed zouden hebben. Daarnaast kwam het gedurende de Middeleeuwen ook voor dat klassieke auteurs als Ovidius en Vergilius allegorisch geduid werden. LIT: Best; Gorp; HWR; LdMA; Metzler; Preminger; Wilpert; F. Ohly. ‘Vom geistigen Sinn des Wortes im Mittelalter’, in: Zeitschrift für deutschen Altertum und deutsche Literatur 89 (1958), p. 1-23; H. de Lubac. Exégèse médiévale. Les quatres sens de l'écriture. 4 dln. (1959-1964); F. Ohly. Schriften zur mittelalterlichen Bedeutungsforschung (1977), p. 1-31. [H. Struik]
allegorieVorm van beeldspraak, die een hele zin of meerdere zinnen wordt volgehouden, in tegenstelling tot de metafoor, waarbij één woord door een beeld wordt vervangen. Wanneer de allegorische beeldspraak in het hele werk wordt volgehouden, wordt ook het complete werk een allegorie genoemd. De term kan dus zowel een stijlmiddel als een genre aanduiden. Het interpreteren van een allegorie of van een allegorische tekst noemt men allegorese. In de Middeleeuwen ging men er bij de verklaring van vooral bijbelteksten (exegese) vanuit, dat een tekst (met name die uit het Oude Testament) een bredere betekenis dan de letterlijke kan hebben (hermeneutiek, sensus litteralis). Een voortdurend strijdpunt daarbij was de vraag of alleen Gods woord deze meerduidigheid had of dat mensen die ook konden bewerkstelligen. Het Oude Testament werd in ieder geval beschouwd als een voorafspiegeling van het Nieuwe Testament (typologie) en de bijbel kent tal van passages (bijv. de Apocalyps) en uitdrukkingen (bijv. het Lam Gods) die allegorisch geïnterpreteerd kunnen of moeten worden (sensus allegoricus). Via de letterkunde uit de Klassieke Oudheid en de bijbelexegese van de kerkvaders drong de allegorie als metafoor en als letterkundig genre door in de middeleeuwse literatuur, aanvankelijk in het Latijn, maar vanaf de 13e eeuw ook in de volkstaal, bijv. Die Rose van Hein van Aken (ed. Verwijs, 1876). De allegorisering van de klassieke mythologie werd steeds populairder en er ontstonden conventies in het gebruik van allegorieën. Geliefde beelden met een allegorische betekenis waren bijvoorbeeld de strijd om of de bestorming van een burcht, de jacht en het schaakspel. Ook kregen planten en edelstenen een allegorische betekenis. Veel allegorieën maken gebruik van personificatie van abstracte begrippen, zoals (on)deugden, gedachten, karakters. Vaak hebben de personages zelfs expliciet die begrippen als naam; bijv. Deuchdelijck Betrouwen en De Doot (in Het Esbatement van den Appelboom (ed. Meertens, 1965)). De rederijkers maakten veelvuldig gebruik van allegorische personages (figura-1, zinneken), met name in het drama (esbatement, moraliteit, spel van zinne), bijv. De spiegel der salicheit van Elkerlijc (ed. De Haan, 1979). Ook na de Middeleeuwen wordt het genre nog beoefend; voorbeelden zijn Scheepspraet (1625) van Constantijn Huygens, Vondels Palamedes (1625) en Harry Mulisch' De Diamant (1954). LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; HWR; Laan; Lausberg; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; C.S. Lewis. The allegory of love (1936); A. Fletcher. Allegory (1970); A.C. Spearing. Medieval dream poetry (1976); F. Ohly. Schriften zur mittelalterlichen Bedeutungsforschung (1977); R. Tuve. Allegorical imagery (1977); W. Haug (ed.). Formen und Funktionen der Allegorie (1979); S. Brinkkemper & I. Soepnel. Apollo en Christus (1979), p. 185-197; G.Kurz. Metapher, Allegorie, Symbol (1982); D. Schmidtke. Studien zur dingallegorischen Erbauungsliteratur des Spätmittelalters (1982); P.E.R. Verhuyck. ‘Rondom de Roos. De allegorische en didactische traditie’, in: R.E.V. Stuip (red.). Franse literatuur van de Middeleeuwen (1988), p. 140-154; U. Eco. Kunst en schoonheid in de Middeleeuwen (1989), p. 81-118; M. Spies. ‘‘Poeetsche fabrijcken’ en andere allegorieën, eind 16de-begin 17de eeuw’, in: Oud-Holland 105 (1991), p. 228-243. [H. Struik]
alliteratie of homoeoprophoronVorm van medeklinkerrijm, meestal aan het begin van woorden, in het laatste geval ook wel beginrijm genoemd. Zoals elke vorm van rijm kan alliteratie een formele en een functionele werking hebben. Bij de formele werking gaat het om de welluidendheid zonder meer. Zo bijv. bij de eerste twee verzen uit De visscher van Gezelle:
Een functionele vorm van alliteratie, waarbij de klankvorm van de beginmedeklinkers de inhoud ondersteunt, vindt men in de volgende regel uit het gedicht ‘Het souper’ van M. Nijhoff, waarin het geluid van het brekende glas klankschilderend wordt gereleveerd:
Ook op andere wijze kan de alliteratie functioneel gebruikt worden, namelijk door toepassing in een context waarin het Oudgermaanse (literaire) verleden wordt opgeroepen. Op die manier schept de schrijver een archaïsche sfeer, bijv. in het lied van de zanger Bragi in het mythologische epos Godenschemering van M. Emants, waarin het procédé van het Oudgermaanse stafrijm (letterrijm) is toegepast, dat een speciale vorm van beginrijm is. LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Hobsbaum; HWR; Laan; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G.J. Vis. ‘Vorm en functie in de poëzie. Een methodologische verkenning, met voorbeelden uit het werk van J. Kinker en W. Kloos’, in: SpL 33 (1991), 4, p. 247-260. [G.J. Vis]
allografeemVerschillende schrijfwijze van een schriftteken binnen een woord al naar gelang de positie van dat schriftteken binnen het woord. Tot in de 18e eeuw zijn allografemen zeer gebruikelijk. Zo schreef men in de Middeleeuwen een ronde ‘r’ als de voorafgaande letter rond was (‘b’, ‘o’) en anders een rechte ‘r’. Aan het begin en binnen het woord was de rechte ‘s’ gebruikelijk, maar aan het einde van een woord de ronde ‘s’. Allografemen vindt men ook met ‘i’ en ‘j’ (de ‘lange ij’), en ‘u’ en ‘v’. Binnen de teksteditie verschilt men van mening over de vraag of men in geval van een diplomatische editie de tekst geweld aandoet als men allografemen normaliseert naar het hedendaags gebruik, bijv. duvel i.p.v. duuel. LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; M. van Royen. Klank- en vormleer van het Middelnederlands (z.j.), hfdst. 1: Spelling. [W. Kuiper]
allogramTerm uit de schriftgeschiedenis voor een aan een ander schriftsysteem ontleend teken, hetzij logogram, syllabogram of alfabetisch teken, dat met zijn oorspronkelijke betekenis op de plaats komt van het schriftteken in de ontlenende taal, maar wel wordt uitgesproken alsof het originele teken er nog stond. Hoewel allogrammen vooral voorkwamen in de periode dat het Soemerisch veel invloed had (er wordt dan ook wel gesproken van Soemerogrammen), zijn parallelle verschijnselen in het Nederlands eveneens aan te wijzen. Zo wordt de ‘et’-ligatuur uit het Latijn (de ampersand: & = et), bijv. geplaatst tussen ‘Van Gend’ en ‘Loos’ (Van Gend & Loos), altijd uitgesproken alsof er ‘Van Gend en Loos’ staat. LIT: I.J. Gelb. A study of writing (19632), p. 105-106. [P.J. Verkruijsse]
alloniemHet gebruik van andermans naam als pseudoniem, al dan niet met goedvinden of medeweten van de betrokkene. Zo publiceerde T. van Deel het door hem geschreven gedicht ‘Op reis met Karel Soudijn’ in De Klopgeest (9 (1974) nr. 19) ondertekend met ‘ K. Soudijn’ terwijl deze daar niet van op de hoogte was. De inleiding van De geschiedenis van Caliste (1943) werd ondertekend met ‘ J.C. Bloem’ met diens medeweten om verschijning in oorlogstijd mogelijk te maken, terwijl het stuk geschreven was door Victor E. van Vriesland. LIT: BDI; Cuddon; Gorp; Hiller; Metzler; Myers/Simms; Scott; Wilpert. [G.J. van Bork]
allusie of allusioToespeling op een persoon, situatie of tekst, alleen te doorzien door iemand met dezelfde voorkennis omtrent persoon, situatie of tekst op wie of waarop gealludeerd wordt. Zo is Nijhoffs sonnet ‘De schrijver’ (VG, 19632, p. 406) alleen maar te begrijpen als men de Elia uit het sextet kan plaatsen als figuur uit het Oude Testament en als men het verhaal kent van de raven die hem van voedsel voorzagen (1 Koningen 17: 1-6). Een tekstuele allusie komt bijv. voor in Maarten 't Harts Mammoet op zondag (1977, p. 97-98): ‘Ik beklom een tweede trap, langzaam want de duisternis zweefde over de treden’ (allusie op Genesis 1: 2). LIT: Abrams; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lodewick; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
allusio zie allusiealmanakOorspronkelijk een jaarboekje met tijdrekening en astronomische gegevens (prognosticatie). Later wordt het kalenderelement naar de achtergrond gedrongen t.b.v. allerhande praktische gegevens en letterkundig mengelwerk. Reeds vanaf de 17e eeuw treft men in gewone en kantooralmanakken fabels, kluchten (klucht-2), verhalen, liedjes en spreuken aan. Deze boekjes, die vaak door marskramers werden verspreid, zijn een uitnemende bron voor de bestudering van populaire literatuur. Voor Nederland valt de bloeitijd van de letterkundige almanak in de eerste helft van de 19e eeuw met o.m. de Muzenalmanak (1819-1841) en de Almanak voor het schoone en het goede (1822-1860), maar ook in de 20e eeuw verschenen nog letterkundige almanakken, bijv. Erts (1926-1930), Schrijversalmanak (1953-1957) en Aarts' letterkundige almanak (vanaf 1980). LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; Laan; Metzler; MEW; Scott; Wilpert; M. van Noort en P. van Zonneveld. ‘Lijst van Nederlandse almanakken 1830-1839’, in: De Negentiende Eeuw 2 (1978), p. 14-46; R. van Wingerden en P. van Zonneveld. ‘Lijst van Nederlandse almanakken 1840-1849’, in: De Negentiende Eeuw, 3 (1979), p. 2-38; J. Salman. ‘‘Van sodanige almanacken, die gevult zijn met ergerlijcke bijvoegselen en oncuyse en onstigtelijcke grillen’’, in: Literatuur 10 (1993), p. 74-80; J. Salman. Een handdruk van de tijd: de almanak en het dagelijks leven in de Nederlanden, 1500-1700 (1997); J. Salman. Populair drukwerk in de Gouden Eeuw; de almanak als handelswaar en lectuur (1998). [G.J. van Bork/P.J. Verkuijsse]
a.l.s. of l.a.s.Aanduiding in een antiquariaatscatalogus of een auctiecatalogus voor ‘autograph letter signed’ of ‘lettre autographe signée’: een eigenhandig geschreven en ondertekende brief. LIT: BDI. [P.J. Verkruijsse]
als-vergelijking zie vergelijking met alsaltaargedichtVorm van het figuurgedicht waarin de versregels een zodanige lengte en rangschikking op de pagina krijgen dat er een afbeelding van een altaar ontstaat. Het altaargedicht werd door een enkele katholieke dichter in de renaissance beoefend. LIT: Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Scott. [G.J. van Bork]
altercatioTerm die oorspronkelijk gebruikt werd voor een woordenwisseling met een snelle opeenvolging van korte vragen en antwoorden, zoals gebruikelijk in het Romeinse recht, bijv. in het kruisverhoor. Later ook gebruikt voor de dialoog en het debat die door dergelijke korte vragen en antwoorden gekenmerkt worden. Bij het toneel spreekt men bij dit soort dialogen van stichomythie en hemistichomythie. LIT: Cuddon; HWR; Metzler; Shipley. [G.J. van Bork]
alternantie zie alterneringalternering of alternantieTerm uit de prosodie die betrekking heeft op het ritme. Alternering ontstaat bij regelmatige afwisseling van prominente en niet prominente syllaben (respectievelijk heffing en daling). Dit leidt tot maatvorming (metrum) op basis van accentverdeling, bijv.
De oudste ons bekende Nederlandstalige voorbeelden van alternering zijn te vinden in het Middelnederlands. Het is opvallend dat de beginregels van sommige dichtwerken alternerend verlopen, zoals die van de Beatrijs, de Reinaert en de Karel ende Elegast, waarin men een vierjambische maat kan horen. Verder vindt men alternering in sommige liederen, zoals Het daghet in den oosten. In de loop van de 16e eeuw komt alternering steeds vaker voor in Nederlandstalige poëzie. Ten tijde van renaissance en classicisme is alternering een eis; alle poëzie is dan metrisch. Hoewel de romantiek allerlei vormen losliet, is het opvallend dat de Nederlandse poëzie tot Tachtig bijna altijd alternerend is. Pas aan het einde van de 19e eeuw doet het vrije vers (vrij vers-1) zijn intrede, maar alternering blijft tot op de dag van vandaag voorkomen in Nederlandstalige poëzie. Alternerende poëzie bevat dikwijls getelde verzen (isosyllabisch vers), bijv. de vijfvoetige jambe bij de Tachtigers en de alexandrijn in het renaissancedrama, maar getelde verzen zijn lang niet altijd alternerend (vgl. bijv. veel sonnetten van H. Roland Holst-van der Schalk). Wanneer de alternering wordt doorbroken, spreekt men van antimetrie. Deze is soms formeel en in dat geval alleen maar bedoeld als prettige afwisseling zonder meer. Soms is antimetrie functioneel, nl. wanneer het betrokken tekstgedeelte gereleveerd wordt. Een en ander hangt uiteraard af van de interpretatie van de tekst. Als voorbeeld van antimetrie zie men het begin van de tweede regel van het volgende gedeelte van een sonnet van Kloos:
Alternering blijkt te voorzien in een musische behoefte van lezers, waarschijnlijk vanwege de welluidendheid van metrische verzen. Ook liedcomponisten gebruiken vaak alternerende poëzie als tekstuele basis voor hun toonzetting. LIT: Buddingh'; Marouzeau; Metzler; MEW; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
AltersliedMiddeleeuws klaaglied waarin de dichter zichzelf opvoert als armlastige oude van dagen, met de bedoeling zijn publiek tot medelijden en vrijgevigheid te bewegen. Als een Middelnederlandse representant van dit genre zou men Willem van Hildegaersberchs ‘Ic bin al moede, ic wil ga rusten’ (ed. Bisschop en Verwijs, 1870, nr. CXI) kunnen beschouwen. LIT: F.P. van Oostrom. Het woord van eer. Literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400 (1987), p. 55-56; T. Meder. Sprookspreker in Holland. Leven en werk van Willem van Hildegaersberch (ca. 1400) (1991), p. 38. [W. Kuiper]
alwetende vertelinstantie, alwetende vertelwijze of omniscient point of viewVertelvorm waarin het perspectief ligt bij een verteller die als externe focalisator commentaar kan leveren op figuren en gebeurtenissen van het vertelde, maar daarbij zelf niet als personage optreedt (zoals dat gebeurt bij de ik-vertelwijze, waarbij de ik-verteller wel één van de personages is). Hij kan eventueel zijn personages ook van binnenuit geven. De alwetende verteller kan vrijelijk over tijd en ruimte beschikken. Zo kan hij op de afloop vooruit lopen (‘X kon niet vermoeden dat hij enkele dagen later zijn geliefde in Praag zou ontmoeten’) of de lezer van de ene ruimtelijke situatie in de andere verplaatsen om zo een simultaan effect te bereiken. Specifieke vormen van de alwetende vertelwijze zijn de auctoriale vertelinstantie en de - daaraan tegengestelde - personale vertelwijze; tussen beide typen bestaan verschillende mengvormen. Sommigen hanteren de term alwetende vertelinstantie als synoniem van auctoriale vertelinstantie. LIT: Abrams; Anbeek/Fontijn; Bal; Baldick; Boven/Dorleijn; Gorp; Lodewick; Myers/Simms; Prince; F.K. Stanzel. Typische Formen des Romans (19673); H. van Gorp. Het optreden van de verteller in de roman (1970); A.G.H. Anbeek van der Meijden. De schrijver tussen de coulissen (1978), p. 19-66. [G.J. van Bork/G.J. Vis]
alwetende vertelwijze zie alwetende vertelinstantieAmadis-romansVerzamelnaam voor ridderromans rondom de figuur van Amadis de Gaula, waarschijnlijk van 14e-eeuwse Spaans-Portugese origine, nagevolgd in de Palmerijnromans, populair geworden in de 16e eeuw en via de Franse vertaling Amadis de Gaule doorgedrongen in de Nederlanden. De Amadis de Gaule moet in 1602 in het Nederlands vertaald zijn als Palmerijn van Olijve, waaraan Bredero voor een aantal van zijn stukken ontleend heeft. Een andere navolging, Amadis de Grecia, is door Salomon Questiersbewerkt voor het toneel: Den Griecxsen Amadis. Starters drama Daraide ontleent zijn stof weer aan de Amadis de Gaule. Vondelnoemt in zijn Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste (WB-editie, dl. 5, 1931, p. 484-491, r. 48) de Amadis als oefenstof voor de aankomende dichter om te berijmen. LIT: Best; Gorp; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Wilpert; J.J. O'Connor. Amadis de Gaule and its influence on Elizabethan literature (1970). [P.J. Verkruijsse]
amateurtoneelToneel dat, in tegenstelling tot het beroepstheater, gespeeld wordt door mensen die geen vakopleiding aan een toneelschool gevolgd hebben en voor hun optreden niet gehonoreerd worden. Veel amateurtoneelspelers zijn georganiseerd in toneelverenigingen die hun wortels hebben in de oude rederijkerskamers. Amateurtoneel is een vorm van creatieve vrijetijdsbesteding die in Nederland zeer verbreid is en soms tot opmerkelijke prestaties leidt. Tot een van de bekende amateurgezelschappen behoort het Gooise Plankenierstheater. LIT: Wilpert. [G.J. van Bork]
ambiguïteit, pluri-interpretabiliteit of polyinterpretabiliteitDubbelzinnigheid of meerduidigheid, d.w.z. het verschijnsel dat een tekst of gedeelte daarvan op meer dan één manier gelezen of geïnterpreteerd kan worden. Oorspronkelijk werd de term gebruikt in pejoratieve betekenis voor vaagheid of dubbelzinnigheid van taalgebruik waar helderheid verlangd wordt. Later, onder invloed van W. Empsons Seven types of ambiguity (1930), in het letterkundig taalgebruik opgenomen voor woorden of zinsstructuren die twee of meer interpretaties toestaan. In deze opvatting werd ambiguïteit als een verdienste gezien, omdat het de schrijver in staat stelt in gecondenseerde vorm ‘veelzeggend’ te zijn. Men onderscheidt denotatie en connotatie, d.w.z. het verschil tussen letterlijke betekenis en de associatieve betekenisverbanden van een woord of een zin, die samen de interpretatie beïnvloeden. Voorbeeld: ‘Want ik wist door een keuze verloren/ Ieder ander verlokkend bestaan’ ( J.C. Bloem, VG, 19652, p. 190). De positie van het woord ‘verloren’ maakt deze regels ambigu. Meerduidigheid kan echter ook ontstaan door andere dan syntactische middelen, zoals het gebruik van homoniemen. Een bijzondere vorm van ambiguïteit is quiproquo, een term die gebruikt wordt voor dubbelzinnigheid op het toneel. LIT: Abrams; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; W. Empson. Seven types of ambiguity (1930); C. Brooks. Modern poetry and the tradition (1939). [G.J. van Bork]
amfibrachusTerm uit de prosodie ter aanduiding van een versvoet bestaande uit een heffing geflankeerd door twee dalingen, bijv. gêlòpên. In dichtvorm aan te treffen in de catalectische viervoet van P.A. de Genestet:
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
amfimacer of creticusTerm uit de prosodie ter aanduiding van een versvoet bestaande uit een daling geflankeerd door twee heffingen, bijv. íjsvêrmaàk. De amfimacer komt in de Nederlandse poëzie officieel niet voor. Maar er zijn anapestische regels waarin men soms de anapest als een amfimacer zou kunnen lezen. Dit is bijv. het geval bij de gecursiveerde passages in de volgende regels uit het gedicht ‘De zelfmoordenaar’:
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lausberg; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
ampersandVan oorsprong Engelse benaming (‘and’ per se ‘and’ = ‘en’ en niets anders dan ‘en’) voor de et-ligatuur ‘&’, een schrijfwijze die zich tot op de dag van vandaag gehandhaafd heeft. Vanuit de Latijnse paleografie is het in vele grafische varianten (allogram) in de West-Europese volkstalen doorgedrongen als schrijfwijze van het nevenschikkend voegwoord ‘en’. In het Nederlands moet het getranscribeerd worden als ‘ende’, later als ‘en’. LIT: BDI; G.E. Dawson en L. Kennedy-Skipton. Elizabethan handwriting 1500-1650 (1968), p. 19; J.L. van der Gouw. Oud schrift in Nederland (19802), p. 50; Tekens op het spoor, in: Openbaar Kunstbezit 24 (1980), juli-sept., p. 132-133; J. Tschichold. Vormveranderingen van het &-teken (1993). [P.J. Verkruijsse]
amplificatioTerm uit de middeleeuwse poëtica-1 voor het sterk uitbreidend bewerken van een tekst. Een kleine uitweiding noemt men een digressie, het tegenovergestelde heet abbreviatio. De amplificatio-techniek is gebaseerd op het tot in details beschrijven van een mens, bijv. de schoonheid van een vrouw, of object, bijv. een drinkbeker (beschrijving-1, topos), en vormde een vast onderdeel van het poëtica-onderwijs dat deel uitmaakte van de artes liberales, de zeven vrije kunsten, die vanaf de 12e eeuw aan de middeleeuwse universiteiten werden gedoceerd. Hoewel de amplificatio strikt genomen deel uitmaakt van de (Middel)latijnse literatuur zijn er parallellen in de volkstaal aan te wijzen. Zo kunnen de uitvoerige beschrijvingen in Diederic van Assenedes Floris ende Blancefloer en in Jacob van Maerlants Historie van Troyen amplificatio's genoemd worden. In de renaissance wint de retorische betekenis van amplificatio (het versterken, het sterk doen uitkomen van een zaak) sterk aan invloed ten koste van de middeleeuwse, louter kwantitatieve betekenis. LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; LdMA; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Ueding; Wilpert; E.R. Curtius. Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter (19738), p. 482-485; L. Arbusov. Colores rhetorici (1963), p. 21-22; M. Andringa. ‘De zwerftocht van een schild. Achtergrond en betekenis van Darius' schild in ‘Alexanders Geesten’’, in: Queeste 3 (1996), p. 98-106. [W. Kuiper]
amplitudeTerm uit de receptie-esthetica, in tweeërlei zin gebruikt. De amplitude in ruime zin omvat het geheel van lezersreacties op een bepaalde tekst, bijv. alle mondelinge en schriftelijke reacties op Vondels hekeldicht Harpoen vanaf het ontstaan ervan in 1630 tot op heden. De amplitude in beperkte zin omvat die lezersreacties die niet in strijd zijn met de gegevens die voortvloeien uit de wetenschappelijke analyse van het artefact, bijv. alle uitspraken over Een winter aan zee (1937) van A. Roland Holst die passen binnen het interpretatieve kader van de desbetreffende studie Een roosvenster (1980) van L.H. Mosheuvel. Het begrip amplitude is nauw verwant aan het begrip esthetisch object. LIT: N. Groeben. Rezeptionsforschung als empirische Literaturwissenschaft (1977). [G.J. Vis]
anabaptistische literatuur zie |