CcabaretLiterair-muzikale kleinkunstvorm bij voorkeur uitgevoerd in kleine theaters door kleine gezelschappen, soms zelfs door één cabaretier (onemanshow). Cabaret is divers; gewoonlijk bestaat het programma uit een afwisseling van liedjes, sketches, conférences, dans e.d. De inhoud is evenzeer afwisselend: parodie, persiflage, kolder, humor, satire, maar kan ook romantisch zijn. De onderwerpen worden meestal ontleend aan de sociale of politieke actualiteit. Het cabaret stamt uit Parijs, waar het in de 19e eeuw begon met Le chat noir in Montmartre, waaraan o.m. Emile Goudreau, Rodolphe Salis en Aristide Bruant meewerkten. Het was een soort kunstenaarskroeg die werd opengesteld voor publiek en waar werd opgetreden door zangers, musici en voordrachtskunstenaars. Voor de voorstellingen werd betaald in de vorm van consumpties. In Nederland werd dit type cabaret overgenomen door Eduard Jacobs (1868-1914) en later opnieuw tot leven gewekt door Sieto Hoving (1924). Het Nederlandse cabaret ontwikkelde zich echter meer tot het optreden in theaters. In het eerste kwart van de 20e eeuw speelde het cabaret een belangrijke rol in de kunst van de avant-garde. Vermelding verdient in dit verband het ‘Cabaret Voltaire’ in Zürich (1916) en de ‘Veldtocht’ van Theo van Doesburg e.a. in Nederland (1922). De belangrijkste cabaretiers van de beginperiode van het cabaret in Nederland waren Eduard Jacobs, Koos Speenhoff (1869-1945), Jan Louis Pisuisse (1880-1927) en Louis Davids (1883-1939). Na de Tweede Wereldoorlog bepaalden vooral Wim Kan (1911-1983), Wim Sonneveld (1917-1974) en Toon Hermans het gezicht van het cabaret. Daarna en daarnaast kwam er veel nieuw talent, in groepen (bijv. Lurelei, Don Quishocking, Neerlands Hoop) en individueel ( Jasperina de Jong, Herman van Veen, Paul van Vliet, Fons Jansen e.v.a.). Freek de Jonge introduceerde nieuwe elementen, zoals het zgn. anticabaret. Aparte vermelding verdient het tv-cabaret, met o.a. Kees van Kooten en Wim de Bie. Sommige cabaretiers schreven hun eigen teksten (bijv. Ivo de Wijs, Drs. P., Freek de Jonge), anderen lieten zich daarvan voorzien door auteurs als Annie M.G. Schmidt, Michel van der Plas, Guus Vleugel, Jan Boerstoel en Willem Wilmink. Het cabaret inVlaanderen heeft een eigen ontwikkeling, waarin o.a. Urbanus en Kamagurka een markante rol spelen. LIT: Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; E. Visser. Het Nederlands cabaret (1920); J.E. van de Kamp. Mens durf te leven (1967); W. Ibo. En nu de moraal van dit lied (1970); W. Ibo. Cabaret ... wat is dat eigenlijk? (1974); W. Voets. ‘De cabarettekst in retorisch perspectief’, in: FdL 26 (1985), p. 108-119; J. Klöters & P. Blom. Honderd jaar amusement in Nederland (1987); E. van Altena (red.). Dat is uit het leven gegrepen (1989); B. Vogel. Fiktionskulisse. Poetik und Geschichte des Kabaretts (1993); Literatuur en cabaret, spec. nr. van Bzzlletin 24 (dec./jan. 1995); P. van den Hanenberg & F. Verhallen. Het is weer tijd om te bepalen waar het allemaal op staat. Overzicht van het Nederlands cabaret 1970-1995 (1995). [G.J. van Bork/G.J. Vis]
cacheren zie doublerencadans of cadensTerm uit de prosodie ter aanduiding van een golfbeweging in het ritme van een vers-1, strofe of gedicht, veroorzaakt door het metrum of door andere structurerende vormgevingsverschijnselen. Vaak is de ervaring van een cadans een subjectieve zaak, maar wanneer men het effect van bijv. de alexandrijn als een cadans ervaart, dan heeft dat een objectieve grond, namelijk het meetbare schema van het metrisch patroon. LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Morier; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
cadavre exquisEen door het surrealisme in de literatuur ingebrachte vorm waarbij oorspronkelijk vijf verschillende personen achtereenvolgens vijf zinsdelen van een daarmee te vormen zin inbrengen: een zelfstandig naamwoord, een adjectief, een werkwoord, een lijdend voorwerp en een bijvoeglijk naamwoord dat daarbij hoort. Het verschijnsel werd vernoemd naar de aldus verkregen zin: ‘Le cadavre exquis boira le vin nouveau’. Soms ook wordt de term gebruikt voor collectieve vormen van tekstproductie of voor regels van één dichter die een soortgelijke bouw vertonen, zoals Luceberts ‘hierna de ontplofte theepot opent zijn wijsgerige bladen’ (VG, 1974, p. 200). De Vijftigers vervaardigden volgens het getuigenis van S. Vinkenoog te Parijsregelmatig cadavres exquis. LIT: Buddingh'; Gorp; S. Vinkenoog. ‘Sprokkelen in de herinnering: de Nederlandse 5-tigers’, in: Diagram voor Progressieve Literatuur 1 (1963) 1, p. 7. [G.J. van Bork]
cadens zie cadanscahierSchrijfboek of schrift bestaande uit een willekeurig, maar beperkt aantal bladen, ingenaaid of geniet tot één of meer katernen. Ook gebruikt als aanduiding voor een reeks of tijdschrift, bijv. Cahiers voor letterkunde, of een boek dat in afleveringen verschijnt. In die gevallen is cahier synoniem met aflevering of fascikel. LIT: BDI. [wk/gvb]
calembourgVorm van woordenspel waarbij gebruik gemaakt wordt van klankovereenkomst tussen woorden met een verschillende betekenis of van contaminatie van elementen van bestaande woorden, bijv. Huizinga's ‘meer- en minderkoetkekoet’ uit zijn gedicht ‘De oerbosbrand’ in Olivier en Adriaan (z.j., p. 48). Huygens maakt gebruik van klankovereenkomst in zijn puntdicht ‘Dubbele Neel’:
LIT: Best; Buddingh'; Gorp; Metzler; Wilpert. [G.J. van Bork]
calendarium of calendierMiddeleeuwse (gregoriaanse) kalender van het ‘pars de sanctis’, de kerkelijke feestdagen van Maria en de andere heiligen, die op een vaste datum in het jaar vallen, bijv. Allerheiligen (1 november), dit in tegenstelling tot de ‘pars de tempore’, de roerende feestdagen die niet op een vaste datum, maar op een vaste dag gevierd worden: Goede Vrijdag en hemelvaartsdag. Met rode letters (rubriek-2) geschreven feesten zijn geboden feestdagen die ook buiten de kerk gevierd worden (festa fori), in tegenstelling tot de minder belangrijke feesten die uitsluitend in de kerk gevierd werden (festa chori). Gedurende de handschriftenperiode was het gewoonte om handschriften met een naslagkarakter van een kalender te voorzien, bijv. Jacob van Maerlants Der naturen bloeme (ed. Gysseling, 1981), waarmee tevens de paasdatum berekend kon worden. Na de uitvinding van de boekdrukkunst ging men ertoe over calendaria te drukken en werden ze opgenomen in almanakken (almanak). Het calendarium werd door Guy Marchant bewerkt tot moraalfilosofisch en theologisch-astrologisch traktaat, Compost et Kalendrier des Bergiers (1491), door Thomas van der Noot vertaald en bewerkt als Der scaepherders kalengier (1511). LIT: Cuddon; Metzler; W.E. van Wijk. De Gregoriaanse kalender (1932); B. Kruitwagen. Laat-middeleeuwsche paleografica, paleotypica, liturgica, kalendalia, grammaticalia (1942), p. 153-224; W.E. van Wijk. Onze kalender (1955); H. Pleij. ‘Literatuur en natuurgenot in de late middeleeuwen: het paradijs op aarde’, in: Nederlandse literatuur van de late middeleeuwen (1990), p. 17-78. [H. Struik]
calendier zie calendariumcancelTerm uit de analytische bibliografie voor één of meer bladen (blad-2) uit een katern die in de plaats gekomen zijn van bladen die om de een of andere reden (zetfouten; censuur) vervangen moesten worden. Het te vervangen blad wordt cancellandum genoemd, het vervangende blad heet cancellans. De cancels kunnen conjunct of disjunct zijn: in het eerste geval zijn bijv. blad 1 en 4 van een kwarto-katern beide tegelijkertijd vervangen; in het geval van disjunctie betreft het losse bladen. Disjuncte cancels worden gewoonlijk geplakt op het strookje van de binnenmarge dat bij verwijderen van het cancellandum is blijven zitten. In een opbouw- of collatieformule wordt een cancel aangegeven door een ±-teken, bv. A4 B4 (±B3) C4-Z4 betekent dat het derde blad van katern B een cancel is. Cancels kan men herkennen aan het voorkomen van één of meer van de volgende kenmerken: een extra katernsignatuur als het de tweede helft van een katern betreft, ander papier, een ander watermerk, meer of minder regels per pagina dan de omringende tekst, ander lettertype, andere spelling, opvallend gebruik van abbreviaturen of van spatie, een andere positie van de katernsignatuur in exemplaren met cancellans, respectievelijk cancellandum. Een blad kan ook gecancelled worden zonder dat vervanging plaatsvindt, bijv. bij een gedeelte van de tekst dat dubbel gezet is. Dat leidt tot een katern met een oneven aantal bladen, evenals de toevoeging van een blad met aanvullingen. De notatie A4 B4 (-B3) C4-Z4 betekent dat het derde folium van het B-katern verwijderd is; de toevoeging van een extra blad tussen het derde en vierde blad van het B-katern wordt weergegeven met de Griekse letter [chi]: A4 B4 (B3+[chi]) C4-Z4. Toevoeging van twee conjuncte bladen wordt genoteerd met een punt tussen de cijfers - bijv. B4 (B2+[chi]1.2) - terwijl tussen twee disjuncte bladen een komma komt, bijv. B4 (B2+[chi]1,2). LIT: BDI; Feather; Hiller; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 134-136, 328-332. [P.J. Verkruijsse]
cancellerescaTerm uit de paleografie voor een humanistische cursief zoals die ontwikkeld is op de pauselijke kanselarij. De cancelleresca is veel gebruikt in 16e-eeuwse schrijfboeken en is van invloed geweest op de vormgeving van de cursieve drukletter. Francesco Griffo baseerde zich erop voor de cursief die hij voor Aldus Manutius ontwierp. LIT: Scott; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (1988), p. 186. [P.J. Verkruijsse]
canon-1Corpus teksten dat in de loop der tijd tot de literatuur gerekend wordt op grond van erkenning van de literaire waarde of waarvan de waarde voor de letterkunde in ruimere zin bepalend is (geweest) voor de totstandkoming ervan. Welke werken gecanoniseerd zijn, is afleesbaar aan de genoemde of behandelde titels van werken in literair-historische handboeken, lexica of andere overzichtswerken. Voorwaarde voor canonisering is dat geschriften allereerst de sociale status krijgen van een literair werk doordat zij als zodanig door auteurs, uitgevers, critici, literatuurhistorici en literatuurdocenten behandeld worden (receptie-esthetica; smaak). Een en ander geschiedt steeds op grond van zich wijzigende literaire opvattingen en dat is er dan ook de oorzaak van dat de literaire canon in de loop der tijd aan verandering onderhevig is. Sommige werken verdwijnen uit de canon, andere worden eraan toegevoegd, enkele ontbreken bijna nooit. Een aardig voorbeeld van de rol van literatuuropvattingen bij de canonvorming is het werk van P.A. Daum (1850-1898) en W.A. Paap (1856-1923). Onder invloed van de standpunten van Forum-auteurs als Ter Braak (1902-1940) en Du Perron (1899-1940) kregen Daum en Paap een plaatsje terug in de canon waaruit ze geleidelijk waren verdwenen. Omgekeerd kwam het werk van de dominee-dichters uit de 19e eeuw onder invloed van de poëzieopvattingen van de Tachtigers onder druk te staan. Soortgelijke verschijnselen doen zich voor bij tot een bepaald genre behorend werk. Strips en reportages zijn pas in de laatste jaren onder invloed van veranderde literatuuropvattingen tot de canon doorgedrongen. Anderzijds is een auteur als Vondel (1587-1679) met zijn werk nauwelijks uit de canon weg te denken. Canonvorming geschiedt niet alleen op literaire gronden. Voor de Middeleeuwen geldt een canon die vooral beheerst wordt door didactische of godsdienstige argumenten; het betreft een zeer ruime canon waarin esthetische factoren een ondergeschikte rol spelen. Sinds de romantiek is de canon steeds sterker bepaald door esthetische eisen. De laatste decennia speelt zich een duidelijke liberalisering van de canon af waardoor grote onzekerheid is ontstaan over wat wel en wat niet tot de canon gerekend dient te worden. LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; Scott; Wilpert; F.C. Maatje. Literatuurwetenschap (1970), p. 81-86; J.J.A. Mooij. Idee en verbeelding (1981), p. 5-10; D.W. Fokkema (red.). ‘Literatuurgeschiedenis en canonisering’, in: Spektator 15 (1985-1986), p. 3-64; E. van Alphen e.a. (red.). De canon onder vuur. Nederlandse literatuur tegendraads gelezen (1991); L. van Gemert. Norse negers; oudere letterkunde in 1996 (1996). [G.J. van Bork]
canon-2Lied in de vorm van een twee- of meerstemmig zangstuk waarbij de eerste partij bij het begin van de zangtekst begint, op een afgesproken punt wordt gesecondeerd door een tweede partij die op dezelfde wijze als de eerste partij bij het begin begint, zodat het stuk tweestemmig is geworden. Daarna kan eventueel een derde partij invallen op dezelfde wijze als de tweede partij deed, enz. Een bekend voorbeeld is het liedje ‘Broeder Jakob’:
Wanneer de eerste partij vs. 2 inzet, zet de tweede partij gelijktijdig vs. 1 in, enz. LIT: [G.J. Vis]
cansoTwaalfde-eeuwse Zuid-Franse benaming voor een hoofs liefdeslied (fin'amors), gedicht en getoonzet door een troubadour. Het canso werd in de tweede helft van de 12e eeuw nagevolgd door de Noord-Franse trouvères in hun chansons, die op hun beurt weer de bron van inspiratie vormden voor Middelnederlandse dichters als Heinric van Veldeke (ca. 1140-ca. 1200), Jan I van Brabant (1253-1294) en Hadewijch (13e eeuw). LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; J. Gruber. Die Dialektik des Trobar. Untersuchungen zur Struktur und Entwicklung des occitanischen und französischen Minnesangs des 12. Jahrhunderts (1983); F. Willaert. De poëtica van Hadewijch in de Strofische Gedichten (1984), p. 17-79; E. van Altena. Daar ik tot zang word aangespoord. Occitaanse troubadours 1100-1300 (1987); R. Zemel. ‘Hoofse liefde in de literatuur van de twaalfde eeuw’, in: Herkennen wij de middeleeuwen? (1988), p. 71-107. [W. Kuiper]
cantateTerm uit de literaire en muzikale genreleer voor een zangstuk met instrumentale begeleiding voor een of meer solistische stemmen en (meestal) een koor. De cantate is vaak een gevarieerd geheel van verschillende onderdelen, zoals aria's, recitatieven, stukken voor koor en voor orkest. De cantate is ontstaan in de tijd van de renaissance. Men maakt onderscheid tussen de geestelijke (veelal kerkelijke) cantate, voortgekomen uit het motet, en de wereldlijke cantate, voortgekomen uit het madrigaal. In de tijd van J.S. Bach (1685-1750) beleefde de cantate een bloeitijd. De eerste oorspronkelijke Nederlandse cantate is de onuitgegeven ‘Proeve van een lofzang, om te worden gesteld in muziek’ onder de titel De komst van den Messias van Onno Zwier van Haren (1713-1779). H. van Alphen (1746-1803) was de eerste Nederlandse dichter die cantaten uitgaf: Doggerbank, De starrenhemel en De hoope der zaligheid (1783), voorzien van een theoretische verhandeling. In de 19e eeuw zijn veel cantates geschreven, in Noord-Nederland o.a. door J. Kinker (1764-1845), W. Hecker (1817-1909) en H.J. Schimmel (1823-1906), en in België door o.a. J. de Geyter (1830-1905) en E. Hiel (1834-1899) (beiden met P. Benoit als componist). Andere bekende tekstdichters van cantates zijn Guido Gezelle (1830-1899), J.J.L. ten Kate (1819-1889) en Karel van de Woestijne (1878-1929). In de 20e eeuw bloeit in kerkelijke (met name rooms-katholieke en lutherse) kring de godsdienstige cantate. De cantate is meestal een gelegenheidsstuk. Vergeleken met het oratorium is de cantate beperkter van omvang. LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; Lodewick; MEW; Wilpert. [G.J. Vis]
cantilena of cantileneIn de Romeinse tijd een denigrerende benaming voor afgezaagd lied, maar in de Middeleeuwen gebruikt voor kerkzang (cantilena romana = zoals er in Rome gezongen wordt, i.t.t. cantilena Francorum, zoals de Galliërs zongen), voor het chanson de geste (Albericus Triumfontium: ‘ut in cantilena dicitur’ d.i. ‘zoals in het lied gezegd wordt’) en zelfs sprookjes. De naam is blijven voortleven in cantilene: gedicht dat zangerig bedoeld is. Menig klankgedicht van Guido Gezelle (1830-1899) en Paul van Ostaijen (1896-1928) zou als cantilene betiteld kunnen worden. Bekend is het expliciet als cantilene aangeduide gedicht ‘Vera Janacopoulos’ uit de bundel Tuin van Eros (1932) van Jan Engelman (1900-1972), dat grotendeels gedragen wordt door effecten op het gebied van ritme en rijm. LIT: Buddingh'; Gorp; LdMA; Metzler; MEW; K.Ph. Bernet Kempers. Muziekgeschiedenis (19656), p. 59; H. Nolthenius. Muziek tussen hemel en aarde. De wereld van het Gregoriaans (1981); A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel ende Elegast II (1981), p. 11-28. [W. Kuiper/G.J. Vis]
cantilene zie cantilenacapitalis cursiva, kapitaalcursief of majuskelcursiefModerne benaming voor het cursieve Romeinse majuskelschrift dat ook wel aangeduid wordt als de oude Romeinse cursief. De capitalis cursiva is een gebruiksschrift dat minder gedisciplineerd en vrijer van vorm is dan de capitalis rustica; het werd geschreven met een smalle pen. Toch moet er ook veel literatuur geschreven zijn in deze schriftsoort, omdat de letters van de majuskelcursief sneller (dus goedkoper) te schrijven zijn dan de gekalligrafeerde vormen van de capitalis rustica. In de 3e eeuw n.Chr. wordt de capitalis cursiva geleidelijk vervangen door de minuskelcursief. LIT: Dupriez-1; J. Mallon. L'histoire et ses méthodes (1961), p. 553 e.v.; J.J. John. ‘Latin Paleography’. In: J.M. Powell (red). Medieval Studies. An Introduction (1976), p. 12; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), p. 116-119. [H. Struik]
capitalis quadrataModerne benaming voor het Romeinse majuskelschrift dat in steen werd uitgehakt (epigraaf), ook wel bekend als de ‘triomfboogletter’. De oudste inscripties in deze schriftsoort, die zich kenmerkt door zijn vierkante uiterlijk, dateren uit de 3e eeuw v.Chr.; de grootste perfectie wordt bereikt in de 2e eeuw n.Chr. Hoewel er een drietal Vergilius-fragmenten in capitalis quadrata uit de 4e en 5e eeuw n.Chr. is gevonden, betwijfelt men of de letter vaak als boekschrift werd gebruikt. Een lossere, minder strakke variant was de capitalis rustica, die wél als boekschrift werd gebruikt. De capitalis quadrata handhaaft zich eeuwenlang voor speciale doeleinden als titels en opschriften. In de 8e en 9e eeuw, tijdens de Karolingische renaissance, beleeft de capitalis quadrata een puristische bloeiperiode: men streeft een zuivere vorm na en noemt de letter ook wel de ‘littera Vergiliae’. Na een eeuwenlang sluimerend bestaan wordt de capitalis quadrata in de 15e eeuw ontdekt door de humanisten (humanisme, humanistisch schrift); hiermee wordt de schriftsoort de basis voor onze huidige hoofdletters (kapitaal, bovenkast). LIT: J.J. John. ‘Latin Paleography’. In: J.M. Powell (red). Medieval Studies. An Introduction (1976), p. 8-9; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), p. 106-110. [H. Struik]
capitalis rusticaModerne benaming voor de losse, minder formele variant van de capitalis quadrata, die geldt als het formele Romeinse boekschrift. De letters werden met een zachte, brede pen in smalle kolommen (Lat. ‘pagina’) op boekrollen (Lat. ‘volumen’) van papyrus geschreven. De schriftsoort is volgroeid in de 1e eeuw n.Chr. en handhaaft zich als boekschrift voor luxehandschriften met teksten van de klassieke, heidense auteurs (bijv. Ovidius en Vergilius) tot de 6e eeuw. Bijbelse teksten werden zelden in capitalis rustica geschreven, andere christelijke teksten zijn helemaal niet in deze schriftsoort overgeleverd; deze werden in semi-unciaal of in unciaal geschreven. Na de val van het West-Romeinse rijk handhaaft de capitalis rustica zich tot in de 10e eeuw als letter voor titels en opschriften. LIT: LdMA; J.J. John. ‘Latin Paleography’, in: J.M. Powell (red). Medieval Studies. An Introduction (1976), p. 9; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), p. 110-116. [H. Struik]
captatio benevolentiaeHet winnen van de sympathie van het toegesproken publiek. Begrip uit de retorica voor het onderdeel aan het begin van een (juridische) redevoering (bij uitbreiding: van een tekst), waarin de advocaat van de beschuldigde partij (genus admirabile) tracht de vooringenomen stemming van het publiek in zijn voordeel om te buigen; dat kan door het publiek achtereenvolgens aandachtig (attentum parare), welwillend (benevolum parare) en volgzaam (docilem parare) te maken. Deze techniek is terug te vinden in menige Middelnederlandse proloog, bijv.
Wie van de toehoorders na het horen van deze woorden zou weglopen, kwalificeert zich als dorper en dwaas, als bot en dom. LIT: Best; Gorp; HWR; Lausberg; Metzler. [wk/hs]
caramelvers zie ulevelrijmcarmenMiddellatijnse benaming voor zowel strofische liederen (lyriek), bijv. de Carmina burana, als heldenliederen (epiek, epos), bijv. het Carmen de Hastingiae proelio (ed. Morton en Muntz, 1972) van Guy van Amiens (1058-1075) waarin de slag bij Hastings (1066) bezongen wordt. LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; MEW; Myers/Simms; Shipley; Wilpert; F.J. Raby. A history of secular latin poetry in the Middle Ages, 2 dln. (19672); P. Dronke. Medieval latin and the rise of European love-lyric, 2 dln. (1968). [W. Kuiper]
carmen figuratum zie figuurgedichtcarnatioen zie chronogramcartulariumTerm uit de archivistiek voor een register waarin in de Middeleeuwen akten (akte-1), meestal oorkonden, werden afgeschreven die de afschrijver als belangrijk beschouwde vanwege hun bewijskracht voor bepaalde rechten of inzake het beheer van bepaalde goederen. De ordening van zo'n register is per onderwerp of alfabetisch op geografische namen. Een cartularium waarin tussen de afschriften andere gegevens toegevoegd zijn, kan tenderen in de richting van een kroniek. LIT: BDI; Brongers; MEW; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
catachrese zie abusiocatalectischTerm uit de prosodie ter aanduiding van een metrische versregel die één of twee syllaben mist in de laatste versvoet, bijv.
Hier mist de eerste viervoetige dactylische regel één syllabe en de tweede regel twee. In de hexameter is de laatste voet altijd tweesyllabig (spondee, trochee), bijv.
De hexameter is altijd catalectisch, vanwege het finale adonius. Een distichon is catalectisch wanneer het bestaat uit een dactylische hexameter en pentameter; de slotvoet van de eerste regel is tweesyllabig, die van de tweede regel éénsyllabig. Een ander voorbeeld van catalectische regels vindt men in het gedicht ‘Schemering’ van J.Jac. Thomson:
Ook trocheïsche verzen zijn vaak catalectisch, bijv.
Wanneer een versvoet volledig is, noemt men deze acatalectisch. LIT: Baldick; Bantel; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley: Wilpert. [G.J. Vis]
catalogus-1Alfabetische of systematische opsomming van voorwerpen die tot en bepaalde verzameling behoren. Een auctie- of veilingcatalogus beschrijft zaken die alleen voor het ene moment van de veiling samengebracht zijn; een antiquariaatscatalogus geeft een opsomming van toevallig in dat antiquariaat aanwezige boeken; een fondscatalogus is een lijst van door een bepaalde uitgeverij vervaardigde titels; een tentoonstellingscatalogus beschrijft de geëxposeerde objecten die voor kortere of langere tijd op een bepaald plaats zijn samengebracht; een bibliotheekcatalogus geeft de titelbeschrijvingen van de in de verzameling aanwezige boeken, tijdschriften, handschriften en pamfletten (de vier genoemde categorieën krijgen gewoonlijk een afzonderlijke catalogus). Auctie- en tentoonstellingscatalogi worden vrijwel altijd gedrukt; bibliotheekcatalogi zijn dikwijls alleen ter plaatse in fiche-vorm raadpleegbaar (in kaartenbakken, in de vorm van zgn. Leidse boekjes of als COM-catalogus). Veel catalogi zijn inmiddels on line raadpleegbaar. Naast een alfabetische of auteurscatalogus kan een bibliotheek ook een systematisch catalogus aanleggen om het bezit via onderwerpen c.q. trefwoorden toegankelijk te maken. In de Nederlandse openbare bibliotheken (OB) wordt voor de indeling van de systematische catalogus gebruik gemaakt van het SISO (Systeem voor de inrichting van de systematische catalogus in openbare bibliotheken); voor wetenschappelijke bibliotheken kan de UDC (Universele Decimale Classificatie) gebruikt worden, maar tal van bibliotheken hebben in het verleden een eigen systematiek ontworpen. Naast de alfabetische en systematische catalogus is soms ook een standcatalogus aanwezig, gerangschikt volgens de plaatsnummers die de boeken in de bibliotheek hebben. Wanneer catalogi van verschillende bibliotheken (hetzij locaal, regionaal of nationaal) op een centraal punt door duplicatie samengevoegd worden, spreekt men van een centrale catalogus (CC). Voor Nederland bevindt de CC van een groot aantal bibliotheken zich in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag, sinds 1984 geautomatiseerd in de NCC (Nederlandse Centrale Catalogus). De centrale tijdschriftencatalogus, de CCP (Centrale Catalogus van Periodieken), is in gedrukte vorm raadpleegbaar. Om een groot aantal titels snel toegankelijk te maken, kan in eerste instantie volstaan worden met een korte titelbeschrijving. Zo wordt een overzicht vervaardigd van de totale Nederlandse boekproductie vanaf de uitvinding van de boekdrukkunst tot 1800 in de geautomatiseerde STCN (Short-Title Catalogue, Netherlands). Een catalogus moet duidelijk onderscheiden worden van een bibliografie, die tot doel heeft om een beschrijving te geven van titels die op één onderwerp betrekking hebben, waar die titels zich ook bevinden. De titel Brinkman's catalogus van boeken en tijdschriften (1846-...) is dan ook onjuist; het is een bibliografie van in Nederland en in het Nederlands verschijnende titels. Anderzijds kunnen catalogi van zeer gespecialiseerde verzamelingen de status van een bibliografie benaderen, zoals de Catalogus der Bibliotheek van de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels te Amsterdam (1920-...) die op het terrein van de boek- en bibliotheekwetenschap zeer veel informatie verschaft. Een catalogus moet verder ook onderscheiden worden van een inventaris, die een systematisch ingedeelde beschrijving geeft van de bestanddelen van een archief. LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Metzler; MEW; Ned. Arch.-term; Wilpert; H.E. Greve. Theorie van den catalogus (19502); W.F. de Regt. Introductie tot de UDC (1972); Regels voor de titelbeschrijving (3 dln., 1978-79); Th.P. Loosjes. Bibliotheek en documentatie (1979); A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995). [P.J. Verkruijsse]
catalogus-2Term uit de poëtica voor een opsommende beschrijving (descriptie) van een aantal personen of objecten. De catalogus stamt uit de klassieke literatuur ( Homerus, Ovidius, Vergilius) en wordt nagevolgd (imitatio) gedurende de Middeleeuwen en renaissance. Een Middelnederlands voorbeeld van een catalogus is de beschrijving van de afbeeldingen op de muur rond het lustoord van Deduut in Die Rose van Heinric (ed. Verwijs, 19762, vs. 131 e.v.), waarin een aantal gepersonifieerde karaktereigenschappen (allegorie) beschreven wordt. Een ander voorbeeld is de beschrijving van de dorperlingen in de Reinaert als zij Bruun de Beer te lijf gaan die met kop en voorpoten in de eik van Lamfroyt vastzit (ed. Lulofs, 19852, vs. 718 e.v.). LIT: Preminger; Shipley. [W. Kuiper/H/ Struik]
catastasisTerm uit de dramatheorie van J.J. Scaliger voor de vertraging van de stijging naar de peripetie, de beslissende wending in het drama, met name in de klassieke tragedie, die leidt tot de catastrofe, de ondergang van de held. In de catastasis wordt de intrige uitgesponnen die in de fasen van de protasis-1 (expositie) en epitasis voorbereid is. LIT: Best; Cuddon; Gorp; Lausberg; Preminger; Shipley: Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
catastrofeAanduiding voor dat deel van het drama waarin de omkering van de handeling plaatsvindt na de climax naar de peripetie toe. De catastrofe betekent in de klassieke tragedie de ondergang van de held (protagonist). De catastrofe vormt een vast deel van de klassieke tragedie, die begint met de expositie in het eerste bedrijf, gevolgd door de intrige-2 in het tweede en de climax-2 in het derde. Op het hoogtepunt van de spanning volgt als wending de catastrofe in het vierde en tenslotte de peripetie in het vijfde bedrijf waarin het drama zijn afwikkeling krijgt. In Vondels Gijsbreght van Aemstel bijv. valt de catastrofe in het vierde bedrijf, wanneer de stad Amsterdam zo goed als gevallen is en een heraut de burcht komt opeisen. Ook in het moderne drama wordt de ondergang van de held(en) een catastrofe genoemd, maar daar is het geen typisch structureel element meer, zoals in de klassieke tragedie. LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott; Shipley; Wilpert; B. Verhagen. Dramaturgie (19632). [G.J. van Bork]
catharsisTerm uit de dramatheorie van Aristoteles, aanvankelijk voor het zuiverend effect van de klassieke tragedie op de toeschouwer die meeleeft met de tragische held, later ook voor een dergelijk effect op de lezer van ieder literair werk. Het catharsisbegrip van Aristoteles moet gezien worden als een reactie op de mening van Plato dat toneel verwarring teweeg brengt in de ziel doordat het de hartstochten aanwakkert. Volgens Aristoteles is de tragedie in staat de emoties tot uiting te brengen en ze te reguleren. Volgens sommige theoretici moet de Aristotelische catharsis echter niet receptioneel verstaan worden als morele of zelfs medische zuivering, maar heeft het begrip betrekking op de held in de tragedie zelf. LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Leeman-Braet; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley: Ueding; Wilpert; A.G. van Hamel. Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over litteratuur in Nederland (19732), p. 82-83; M.B. Smits-Veldt. Het Nederlandse renaissance-toneel (1991), 56-57; S. Wiersma. ‘Katharsis’, in; W. van Peer en K. Dijkstra (red.). Sleutelwoorden (1991), p. 93-98. [P.J. Verkruijsse]
cauda zie staartrijmcauserieIn een losse en onderhoudende vorm voorgedragen of geschreven korte verhandeling, doorgaans over een onderwerp van wetenschap of kunst. Bekend zijn de door M. Nijhoffgepubliceerde causerieën Gedachten op Dinsdag (1931) en de radiocauserieën van P.H. Ritter Jr. over literatuur. LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; Metzler; Scott. [G.J. van Bork]
censusBibliografische term voor een lijst van de bewaarplaatsen van alle bekende exemplaren van een druk. Een census verkrijgt men door uitgebreid bibliografisch onderzoek. Het opstellen ervan is noodzakelijk om exemplaren te kunnen collationeren en om zo de ideal copy te kunnen samenstellen. Bij de beschrijving van de ideal copy moet de census altijd vermeld worden met bij ieder exemplaar de bibliotheeksignatuur en de eventuele afwijkingen ten opzichte van de ideal copy. LIT: Brongers; Hiller; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
censuurToezicht van de overheid of van kerkelijke instanties op de openbaarmaking van geestelijke voortbrengselen d.m.v. boeken, toneel, radio, tv of film en het verbieden van die openbaarmaking. Meestal is censuur gebaseerd op angst voor ondermijning van normen of van religieus of politiek gezag en worden onwelgevallige werken of passages daaruit geweerd of verboden onder de dekmantel van morele overwegingen. De Nederlandse en Belgische grondwet staat censuur niet meer toe, wat niet wil zeggen dat ze niet meer bestaat. De rooms-katholieke kerk heeft sinds haar ontstaan altijd getracht de gelovigen te beschermen tegen haars inziens gevaarlijke gedachten en geschriften, wat na de uitvinding van de boekdrukkunst geleid heeft tot de Index librorum prohibitorum (1559), een lijst van boeken door de rooms-katholieke overheid verboden op grond van gevaar voor geloof en goede zeden. Men onderscheidt preventieve censuur of censuur vooraf en repressieve censuur of censuur achteraf. Preventieve censuur kwam tot uiting in de toestemming tot uitgave, uitgedrukt in het approbatur, evulgetur, imprimatur of nihil obstat, repressieve censuur in de verbodsbepalingen voor lezers of boekverkopers. W.P.C. Knuttel stelde een beredeneerde catalogus samen van Verboden boeken in de Republiek der Vereenigde Nederlanden (1914). Politieke censuur komt het meest voor in tijden van onderdrukking of oorlog. Tijdens de Tweede Wereldoorlog functioneerde de door de Duitsers in het leven geroepen Kultuurkamer als censurerend lichaam. Kunstenaars en uitgevers moesten daar lid van zijn en alleen aan leden werd na goedkeuring van hun geschriften papier ter beschikking gesteld voor de druk. Zo stond de bezetter bijv. niet toe dat in Nederlandse geschriften gewag werd gemaakt van verliezen of nederlagen van het Duitse leger. Pro-joodse uitlatingen waren uiteraard eveneens verboden. De censuur die speciaal voor de zoon van Lodewijk XIV werd toegepast in de tekstedities van Latijnse auteurs staat bekend als ad usum delphini. Tot voor kort was het gebruikelijk schooluitgaven van historische teksten die scabreuze passages bevatten te ‘castigeren’. Het meest bekende voorbeeld is Van den vos Reynaerde, waarin de aanval van de kater Tybeert op het geslachtsdeel van de dorpspastoor werd veranderd in een beet in de neus. Een bijzondere vorm van censuur is de zelfcensuur, waarbij een auteur of een redactie eigen uitgaven censureert. Vormen van boekvernietiging buiten de officiële censuur om komen ook voor (bibliolythie). Sinds 1986 verschijnt het Nederlandstalige tijdschrift Artikel 19, een 10 keer per jaar verschijnend periodiek dat uitsluitend aan internationale vormen van censuur gewijd is. LIT: BDI; Bantel; Brongers; Feather; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; H.E. Enno van Gelder. Vrijheid en onvrijheid in de republiek. Geschiedenis der vrijheid van drukpers en godsdienst van 1572 tot 1789. I: van 1572 tot 1619 (1947); D. de Jong. Het vrije boek in onvrije tijd (1958); J. MacCormick en M. McInnes (ed.). Versions of censorship (1962); M.C. Burkens. Beperkingen van grondrechten (1971); H.A. Enno van Gelder. Getemperde vrijheid (1972); J. Goossens. De gecastreerde neus (1988); C.J. Aarts en M. van der Pluijm. Verboden boeken. Verboden door Pausen en dictators, puriteinen en boekenhaters (1989); Censuur: voorschrift en praktijk, themanr. van Jaarboek voor Nederlandse Boekgeschiedenis 2 (1995); P. Manasse. Verdwenen archieven en bibliotheken; de verrichtingen van de Einsatzstab Rosenberg gedurende de Tweede Wereldoorlog (1995). [G.J. van Bork]
centoLiteraire tekst die gekenmerkt wordt door het creatief intertekstueel (intertekstualiteit) invlechten van citaten van andere auteurs of andere teksten, vaak bewust uit hun context geciteerd. De auteur demonstreert hiermee zijn belezenheid en appelleert aan het plezier van de herkenning bij een geletterd publiek. Doorgaans beoogt een cento een komisch effect (parodie). Met plagiaat heeft dit alles niets te maken, omdat het in feite een hommage is aan de tekst waaraan ontleend wordt. Middeleeuwse voorbeelden van een cento zijn de 11e-eeuwse Ecbasis captivi (ed. Trillitzsch, 1964) en de Fergus (ed. Frescoln, 1983) van Guillaume le Clerc. Een invloedrijk 16e-eeuws voorbeeld is de Politica (1589) van Justus Lipsius; uit de 17e eeuw kunnen genoemd worden Daniel Heinsius' Hymnus of lof-sanck van Bacchus (1614) en Lof-sanck van Iesus Christus (1616). Een betrekkelijk recent voorbeeld zijn de liedjes in de Frater Venantius-sketch van Wim Sonneveld. Deskundigen zijn het er overigens nog lang niet over eens of de vaak subtiele intertekstualiteit wel door het publiek werd opgemerkt. LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; R.M.T. Zemel. Op zoek naar Galiene. Over de Oudfranse Fergus en de Middelnederlandse Ferguut (1991), p. 69. [W. Kuiper]
centsprentRijmprent in de vorm van een plano-vel die tegen een geringe kostprijs (één of enkele centen) door drukkers in grote aantallen in omloop werd gebracht. Vooral in de 17e en 18e eeuw waren dergelijke prenten enorm populair, zowel bij volwassenen (volksprent) als bij kinderen (kinderprent). C.F. van Veen stelde er voor het Rijksprentenkabinet te Amsterdam een catalogus van samen onder de titel Centsprenten. Nederlandse volks- en kinderprenten (1976). LIT: Brongers; M. de Meijer. De volks- en kinderprent in de Nederlanden van de 15e tot de 20e eeuw (1967). [G.J. van Bork]
certum of res certaTerm uit de retorica voor een vaststaand gegeven waarover geen discussie nodig is. Het certum wordt in het kader van de inventio door de redenaar geponeerd; het komt vooral voor in het genus demonstrativum, maar wanneer een dubium als certum geponeerd wordt in het deliberatieve of juridische genus heeft het een nog grotere retoricale impact. Een voorbeeld van een certum is de openingszin van de inaugurele rede van H.D.L. Vervliet, Gutenberg of Diderot? (1977), waarover niet gediscussieerd hoeft te worden: ‘Huizinga's ‘Herfsttij der Middeleeuwen’ eindigt ergens in de 15e eeuw’. LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
cesuurSyntactische grens (rust) binnen een versvoet, bijv.
Hier valt de cesuur tussen de eerste en tweede syllabe van de voet van de alexandrijn. Bij uitbreiding kan het woord ook betrekking hebben op de rust tussen twee versvoeten, bijv.
In het laatste geval noemt men de pauze ook wel diaeresis. De cesuur wordt meestal aangegeven door het teken //. LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Dupriez-1; Hobsbaum; Gorp; Laan; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Preminger. [G.J. Vis]
cesuurrijmSpeciale vorm van binnenrijm, waarbij de laatste syllabe of de laatste versvoet van de eerste vershelft rijmvrager is van het corresponderende gedeelte in de tweede en laatste vershelft als rijmgever, bijv.
LIT: Bronzwaer; Gorp. [G.J. Vis]
chansonUit het Frans overgenomen algemene verzamelnaam voor (literaire) liederen, zowel uit heden als verleden, die niet nader getypeerd kunnen worden, in tegenstelling tot bijv. ballade-2, rondeel of virelai. De oudste Nederlandse verzameling chansons vindt men in het laat-14e-eeuwse Brugse Gruuthuse-handschrift (ed. Heeroma & Lindenburg, 1966). Chansons van meer recente datum zijn die van Jacques Brel en Ernst van Altena. Meer specifiek gebruikt men de term chanson ter aanduiding van het 12e- en 13e-eeuwse hoofse minnelied (canso) van troubadours en trouvères. In de muziekwetenschap tenslotte wordt de term chanson vaak gebruikt ter benoeming van meerstemmige Franse liederen uit de 14e tot de 16e eeuw. LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Shipley; Wilpert; J. Gruber. Die Dialektik des Trobar. Untersuchungen zur Struktur und Entwicklung des occitanischen und französischen Minnesangs des 12. Jahrhunderts (1983); F. Willaert. De poëtica van Hadewijch in de Strofische Gedichten (1984), p. 17-79; J. Reynaert. ‘Aspecten van de dichtvorm in het Gruuthuse-liedboek’, in: SpL 29 (1987), p. 165-195; E. van Altena. Daar ik tot zang word aangespoord. Occitaanse troubadours 1100-1300 (1987). [H. Struik]
chanson de geste of matière de FranceOudfrans episch lied (epos) handelend over ‘waar gebeurde’ heldendaden (res gesta), door een jongleur gezongen c.q. zangerig voorgedragen (cantilena), zichzelf daarbij begeleidend op een ‘vielle’, een vioolachtig strijkinstrument, of op een draailier. Over de melodie of melodieën waarop gezongen werd, is weinig bekend. Ook over de ouderdom van het genre is men het niet eens. Zeker is dat chanson de geste-achtige liederen al ten tijde van Karel de Grotebestonden. Het oudste handschrift met een chanson de geste is het Oxfordse handschrift van het Chanson de Roland (ca. 1150). Aanvankelijk veronderstelde men dat de chansons de geste via mondelinge overlevering de eeuwen overbrugd hadden (traditionalistische ontstaanstheorie). Hierop kwam een reactie in de vorm van de individualistische theorie die veronderstelde dat de chansons de geste 12e-eeuwse creaties van individuele auteurs en jongleurs waren op basis van historische overlevering. Tegenwoordig denkt men dat de waarheid in het midden ligt. De ruim honderd bewaard gebleven chansons de geste worden ingedeeld in die welke handelen over de heldendaden van Charlemagne (Karel de Grote) en zijn pairs (cycle du roi), die over Guillaume d'Orange (Willem van Oringen), die over de opstandige baronnen (les barons révoltés) en die over Doön de Mayence (epische cyclus). Chansons de geste zijn opgebouwd uit strofen (laisses) van een willekeurige lengte; de oudste hebben versregels die tien lettergrepen tellen met een cesuur na de vierde lettergreep (decasyllaben), de jongere twaalf lettergrepen (alexandrijn) met de cesuur na de zesde lettergreep (dodecasyllaben). Het rijm is normaliter assonerend: alle regels binnen één laisse hebben dezelfde rijmklank, maar in de jongere chansons de geste komt ook wel volrijm voor. De oudste chansons de geste tellen enkele duizenden versregels, de jongste tienduizenden. In de Middelnederlandse literatuur zijn fragmenten van een dertigtal vertalingen, bewerkingen of navolgingen bewaard gebleven (Karelroman). LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; B. Besamusca. Repertorium van de Middelnederlandse Karelepiek. Een beknopte beschrijving van de handschriftelijke en gedrukte overlevering. (1983); H. Kienhorst. De handschriften van de Middelnederlandse ridderepiek. Een codicologische beschrijving, 2 dln. (1988); R.E.V. Stuip. ‘Rondom Karel de Grote’, in: Franse literatuur van de Middeleeuwen (1988), p. 39-55; E. van den Berg en B. Besamusca (red.). De epische wereld. Middelnederlandse Karelromans in wisselend perspectief (1992). [H. Struik]
chant royalFrans rederijkersgedicht opgebouwd uit vijf strofen van elf versregels (rijmschema ababccddedE) met een refrein-2 en een envoi. De chant royal is vergelijkbaar met de (rederijkers)ballade-2. LIT: Baldick; Buddingh'; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; S.A.P.J.H. Iansen. Verkenningen in Matthijs Casteleins Const van rhetoriken (1971), p. 155-156. [W. Kuiper]
chargeSterke overdrijving in de uittekening van bepaalde karaktertrekken van personages in de literatuur, vaak met de bedoeling die eigenschappen te ridiculiseren of er een moraal aan te verbinden. Chargering speelt vooral een rol in blijspel en parodie. Ook in het cabaret treft men veel chargering aan. Voorbeelden van charge kan men vinden in Vincent Haman (1898) van W.A. Paap. LIT: Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
charivari(Laat)middeleeuwse stedelijke jongeren die zich met name tijdens de vastenavondviering onder het produceren van oorverdovende ketelmuziek groepsgewijs manifesteren om kritiek te leveren, normen te verdedigen en eigenbelang te behartigen, bijv. op de huwelijksmarkt. De charivari drongen ook door in de literatuur, bijv. in scharminkelliedjes en in het spotmandement De blauwe schuit (ca. 1413, ed. Pleij, 1979), en in de Brusselse rederijkerskamer De Corenbloem (1477), ook wel aangeduid als de ‘Jongers van der Rethorycken’, met als zinspreuk-2 ‘Jeucht sticht Vreucht’. In de loop van de 16e eeuw verdwijnen de charivari. LIT: LdMA; Scott; J. Le Goff e.a. (ed.). Le charivari. Actes de la Table Ronde organisée à Paris 1977 (1981); H. Rey-Flaud. Le charivari. Les rituels fondamentaux de la sexualité (1985); H. Pleij. ‘Van keikoppen en droge jonkers. Spotgezelschappen, wijkverenigingen en het jongerengericht in de literatuur en het culturele leven van de late Middeleeuwen’, in: Volkskundig Bulletin 15 (1989), p. 297-315. [W. Kuiper]
charterTerm uit de archivistiek voor een op perkament geschreven akte (akte-1), voorzien van een zegel. De naam ‘charter’ zegt dus alleen iets over het uiterlijk van een akte; een akte die in een plechtige vorm is opgesteld, heet een oorkonde. In de Middeleeuwen verstond men onder charters alle archivalia; met de term ‘Charterkamer’ bedoelde men de gehele archiefbewaarplaats. Een charter dat met de zegelstaarten aan een ander charter is bevestigd heet een transfix. LIT: BDI; LdMA; Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
chiasme of kruisstellingTerm uit de stijlleer ter aanduiding van een stijlfiguur waarbij herhaling (repetitio) niet parallel plaatsvindt, maar kruiselings, in spiegelbeeld (symmetrisch), bijv.
In Kloos' ‘Inleiding’ bij de gedichten van Perk komt een voorbeeld van een chiasme in prozavorm voor: Gene leeft in het zien, maar ziet in het leven slechts een schijn, deze ziet in het leven, schenkend het leven aan den schijn, dien hij er ziet. Men kan het chiasme beschouwen als een variant op het parallellisme, namelijk een herschikking daarvan. Volgens sommigen is het chiasme gebaseerd op de antithese. In ieder geval leent de stijlfiguur zich goed voor het tegenover elkaar plaatsen van noties. LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
chirograafTerm uit de archivistiek voor een gedeelte van een blad perkament of papier waarop twee of meer akten (akte-1) betreffende dezelfde rechtshandeling waren geschreven. In de tussenruimte tussen de akten werden enkele letters of cijfers of ook wel het woord ‘chirograaf’ geschreven. Vervolgens werden de akten via een zigzaglijn door deze letters of cijfers heen doorgesneden. Door de stukken weer aaneen te passen kon men de echtheid van deze niet bezegelde akten vaststellen. LIT: LdMA; Ned. Arch.-term; Nederland in stukken; beeldkroniek van Nederlandse archieven (1979), p. 117. [P.J. Verkruijsse]
choreus zie trocheechoriambe of choriambusTerm uit de prosodie ter aanduiding van een versvoet samengesteld uit een choreus (trochee) en een jambe, bijv. óudêrêjáars. Het verschijnsel komt in de Nederlandse poëzie nauwelijks voor. Men zou echter bepaalde viersyllabige combinaties in jambische of trocheïsche verzen waarin antimetrie voorkomt, als choriambe kunnen beschouwen, bijv.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
choriambus zie choriambechrestomatie zie bloemlezingchriaTerm uit de retorica voor een leerzame, stichtelijke anekdote betrekking hebbend op een historisch persoon, met name gebruikt als oefenstof (een soort opstel) in het klassieke retoricaonderwijs (exercitatio). Al is een chria nog zo beknopt, toch kan zij alle onderdelen van een redevoering omvatten, zoals lofprijzing, parafrase, toelichting met voorbeelden, weerlegging van de tegenwerpingen, epiloog. De chria kan verbaal zijn of door een (plaatsvervangende of begeleidende) handeling tot uitdrukking gebracht worden (het laatste uiteraard in de redenaarspraktijk). Het verschil met een sententia is dat die een algemene uitspraak bevat, niet gebonden aan een historische persoonlijkheid. LIT: Curtius; Gorp; HWR; Lausberg; Leeman-Braet; Metzler; Myers/Simms; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
chronodistichonTweeregelig gelegenheidsgedicht waarin de letters die in het Latijn getalwaarde hebben in kapitaal staan en bij elkaar opgeteld een jaartal opleveren (chronogram). LIT: Gorp; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
chronogram, carnatioen, incarnatie, jaartalvers of tijdversGelegenheidsgedicht waarin de letters die in het Latijn getalwaarde hebben (M, D, C, L, X, V en I) in kapitaal staan en bij elkaar opgeteld het jaartal opleveren waarin de gebeurtenis waarover het vers gaat, heeft plaatsgevonden. Wanneer het gedicht slechts één regel telt, noemt men dat een chronostichon. Een tweeregelig chronogram, zoals het onderstaande voorbeeld, heet een chronodistichon:
De Romeinse cijfers uit dit gedicht uit A. Valerius' Nederlandtsche Gedenck-clanck (ed. Meertens e.a., 19473, p. 135), leveren het jaar van de moord op Willem van Oranje: 1584. LIT: BDI; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Laan; Metzler; MEW; Scott; Shipley; F. Lulofs. ‘Hoeveel zijn twee iden?’, in: NTg 66 (1973), p. 24-29. [P.J. Verkruijsse]
chronologische vertelwijzeVertelwijze waarbij de verteller chronologisch te werk gaat, d.w.z. het verhaal bij een bepaald punt in de tijd laat beginnen en vertelt tot er een bepaald eindpunt in de tijd bereikt is. Binnen de chronologische vertelwijze kan wel vooruitwijzing (anticipatie-1) of terugverwijzing (retroversie) optreden, mits die de tijdsvolgorde van de gebeurtenissen voor de lezer maar niet al te opvallend verstoren, bijv. doordat ze tot een zelfstandig verhaaldeel uitgroeien. Waar de grenzen daarbij precies liggen ten opzichte van de niet-chronologische vertelwijze, wordt uit de literatuur over dit onderwerp niet erg duidelijk. Gewoonlijk wijst men dan op grotere verhaaleenheden die afwijken van de chronologie. Een goed voorbeeld van een chronologisch vertelde roman is W.F. Hermans' De donkere kamer van Damocles (1958), waarin retroversie uitzondering is en anticipaties veelal verhuld als symbolen gegeven worden. LIT: Boven/Dorleijn; Prince; E. Lämmert. Bauformen des Erzählens (19756); G. Genette. Tijdsaspecten in de roman (1979). [G.J. van Bork]
chronostichonEénregelig gelegenheidsgedicht waarin de letters die in het Latijn getalwaarde hebben in kapitaal staan en bij elkaar opgeteld een jaartal opleveren (chronogram). LIT: Brongers; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
chute zie voltacicero zie augustijnCIPBibliografische aanduiding van Cataloguing In Publication, het catalogiseren van boeken voordat ze verschenen zijn. Voor Nederland werd op het Nederlands Bibliografisch Centrum in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag de bibliografische informatie van een te verschijnen boek verwerkt tot een standaardbeschrijving die door boekhandel of bibliotheek weer gebruikt kon worden voor informatie of catalogisering. De beschrijvingen werden door de Koninklijke Bibliotheek gepubliceerd in een lijst Uitgaven in voorbereiding/CIP. In de aldus tevoren gecatalogiseerde werken is op de verso-zijde van het titelblad de CIP-beschrijving opgenomen, inclusief ISBN, NUGI-, SISO- en UDC-codes. Deze vorm van prospectieve bibliografie houdt het gevaar in, dat boeken beschreven worden die door problemen in de laatste fase van de productie uiteindelijk niet verschijnen. Dat soort titels, die alleen bibliografisch bestaan, noemt men ghosts. In de Uitgaven in voorbereiding/CIP probeerde een aparte rubriek ‘vervallen titels’ ghost-vorming tegen te gaan. LIT: BDI; Brongers; Hiller; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (19953), p. 32. [P.J. Verkruijsse]
citaatTekst die letterlijk en doorgaans onder vermelding van auteur en bron wordt aangehaald bij wijze van argument of voorbeeld, of om de eigen belezenheid te demonstreren dan wel te appelleren aan de belezenheid van het gehoor of lezers (cento). Om bij speciale gelegenheden een citaat bij de hand te hebben, werden al van oudsher citaten(woorden)boeken samengesteld (adagium, spreuk-3), zoals het Modern citatenboek (19904) van Gerd de Ley of het Kosmos groot citatenboek (199211). Daarnaast is het niet ongebruikelijk agenda's, kalenders, dagbladen enz. dagelijks met citaten te larderen. In de typografie herkent men citaten aan de dubbele of enkele aanhalingstekens waarmee ze geopend en afgesloten worden, of aan het wit waarmee het - vaak in combinatie met inspringen, en soms een afwijkend corps - van de rest van de tekst wordt afgezonderd, zoals in dit lexicon gebeurt. Binnen opvattingen over intertekstualiteit heeft de term citaat vooral de betekenis gekregen van het gebruik van bestaande teksten (‘schrijfwijzen’) die in nieuwe teksten worden geïncorporeerd om op die manier met die oudere teksten een discussie aan te gaan of een spel te spelen. In die zin wordt het citaat vaak verbonden met avant-gardistische of postmodernistische literatuur. In dat type teksten wordt overigens lang niet altijd aangegeven dat de lezer met citaten te maken heeft, soms zelfs met het resultaat dat de auteur beschuldigd werd van plagiaat. Auteurs die op deze wijze citeren of ontlenen (ontlening) zijn o.m. Louis Paul Boon (De Kapellekensbaan, 1953), Hugo Claus (Thyestes, 1966) en Louis Ferron (De keisnijder van Fichtenwald, 1976). In intertekstuele zin zijn genres als collage, montage, parodie, pastiche, satire en travestie vormen van tekstbewerkingen waarbij gebruik gemaakt wordt van citaten en ontleningen. LIT: Best; Brongers; Dupriez-1; Gorp; Metzler; MEW; H. Meijer. Das Zitat in der Erzählkunst (1961); A. Compagnon. La seconde main ou le travail de la citation (1979); A. Mertens en K. Beekman. Intertekstualiteit in theorie en praktijk (1990). [W. Kuiper/G.J. van Bork]
citadelpoëzieOorspronkelijk gedichten waarin de verdediging door D.H. Chassé van de citadel te Antwerpen in 1832 wordt bezongen, bijv. Cornelis Loots' Chassé op het puin der Citadel (1832). Bij uitbreiding toegepast op alle poëzie over de strijd met de Belgen van 1830-1832, bijv. Andries van der Hoops De tiendaagsche veldtocht (1831). Er bestaat ook Belgische citadelpoëzie, uiteraard met tegengestelde strekking: Liedeken op de vreede tirannie begaan door de Hollanders, in Den opregten Maestrichteren Almanak (1831). LIT: Buddingh'; Laan; MEW. [G.J. van Bork]
civilitéTerm uit de typografie voor de in 1557 door Robert Granjon in Lyongesneden drukletter die lijkt op de in die tijd door de Franse dichters gebruikte schrijfletter, een gotische cursief. De nieuwe drukletter moest de nationale vervanger worden van de humanistische cursief. Aanvankelijk echter werd de civilité vooral gebruikt voor schoolboekjes van protestantse strekking, ook heel snel - al in 1558 - door Plantijn in Antwerpen. In de Nederlanden is de civilité vooral verspreid in de vorm zoals Ameet Tavernierhem nagesneden had, niet alleen voor protestants getinte stichtelijke werken en schoolboeken, maar vooral voor de typografische schrijfboeken uit de periode ±1560-1585, voorbeeldboeken waaruit men door zelfonderricht kon leren schrijven. Vóór de uitvinding van de civilité moesten schrijfboeken gesneden worden; nu konden ze - veel goedkoper! - gezet worden. In Noord-Nederland bleef de civilité lang in zwang dankzij de voorkeur voor deze letter van Jan van Hout, die voor veel officiële Leidse publicaties de civilité gebruikte, en dankzij de Leidse drukkerij van Plantijn. Voor overheidspublicaties, populaire literatuur en schoolboeken werd tot in de 19e eeuw dit gotische lettertype gebruikt. In 17e-eeuwse lied- en emblemataboeken treft men de civilité vaak aan naast andere gotische lettertypen en naast de romein. LIT: Feather; L. Willems Az. ‘meet Tavernier en de invoering der civilité-letter in Zuid-Nederland’, in: Tijdschrift voor Boek- en Bibliotheekwezen 5 (1907), p. 241-263; M. Sabbe & M. Auchin. Die Civilité-Schriften des Robert Granjon in Lyon und die flämischen Drucker des 16. Jahrhunderts (1929); H. Carter & H.D.L. Vervliet. Civilité types (1966); H. de la Fontaine Verwey. ‘Het XVIe eeuwse boek’ en ‘Typografische schrijfboeken. Een hoofdstuk uit de geschiedenis van de civilité-letter’, in: id. Uit de wereld van het boek, dl. 1 (19762), p. 26-39, 133-160; K. Gnirrep. ‘Drukken of het geschreven staat: Jan Baptist Houwaert en de civilité’, in: P. Visser (ed.). Scripta manent. Drukletters over schoonschrift of een vriendenboekje van collega's aangeboden aan drs. A.R.A. Croiset van Uchelen (...) (1997), p. 10-17. [P.J. Verkruijsse]
clandestiene literatuur of illegale literatuurLiteratuur, geschreven of uitgegeven door auteurs en uitgevers die zich niet onderwerpen aan censuur of andere verbodsbepalingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd veel clandestiene literatuur uitgegeven van auteurs die niet aangesloten waren bij de Kultuurkamer of door uitgevers die de papierdistributie ontdoken, bijv. bij de Drie Ponden Pers, of registratie van hun uitgaven ontliepen. Binnen de clandestiene literatuur onderscheidt men verzetsliteratuur die rechtstreeks tegen de bezetter gericht is, bijv. veel van de poëzie die is opgenomen in het Geuzenliedboek 1940-1945 [z.j.], en literatuur, die alleen de verbodsbepalingen trachtte te ontduiken, bijv. S. Vestdijks gedichtenbundel De uiterste seconde (1944) en de tijdschriften Ad Interim, Parade der Profeten en Podium. Dirk de Jong vervaardigde een bibliografie van de clandestiene literatuur uit de tweede wereldoorlog onder de titel Het vrije boek in onvrije tijd (1958). LIT: BDI; Metzler; L.E. Winkel. De ondergrondse pers 1940-1945 (1954), herz. door H. de Vries (19892); A.E.C. Simoni. Publish and be free (1975). [G.J. van Bork]
classicLiterair werk dat behoort tot wat men het beste vindt (canon) dat de (wereld)literatuur heeft voortgebracht en dat daardoor blijvend in de belangstelling van het lezerspubliek geacht wordt te staan, bijv. Cervantes' Don Quijote of James Joyce's Ulysses. Daarnaast kent elke nationale literatuur haar klassieken; in Nederland kunnen bijv. de Max Havelaar (1860) en de Camera obscura (1839) als zodanig gelden. LIT: Cuddon; Shipley. [G.J. van Bork]
classicisme, Frans-classicisme of neoclassicisme-1Literair-historische term voor een stroming begonnen in het 17e-eeuwse Frankrijk(vandaar de benaming ‘Frans-classicisme’) als vervolg op de periode van de renaissance. Algemeen kenmerk is de navolging van de Klassieke Oudheid gecombineerd met een prescriptieve benaderingswijze (wet). Vanuit Frankrijk wordt Engeland beïnvloed (1688-1740: Van Dryden tot Pope). In Nederland laat men de stroming veelal beginnen met de oprichting van het dichtgenootschap Nil Volentibus Arduum (1669) en doorlopen tot omstreeks 1765 ( R.M. van Goens' pleidooi voor loslating van rede en regel ten gunste van gevoel en verbeelding). Kenmerken van de Nederlandse letterkunde uit deze periode zijn de mimesis-opvatting, prioriteit voor het idee van de waarschijnlijkheid en de scheiding en hiërarchie van de genres. De Aristotelische eenheden werden normatief gehanteerd in het classicistisch drama en hetzelfde gold voor de principes van maat en rijm in de poëzie. Deze rationalisering van de literaire cultuur hangt samen met de filosofische stroming van het rationalisme. Naarmate de 18e eeuw voortschrijdt, gaat dit rationalisme over in de verlichting. Mede hierdoor krijgen het individualisme en de persoonlijke gevoels- en verbeeldingsuiting (expressie) meer kansen. Aldus gaat het classicisme langzaam maar zeker over in de romantiek. LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Knuvelder; Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; R. Wellek. A history of modern criticism, dl. 1 (1981), p. 12-30. [G.J. Vis]
classicistisch drama of Frans-klassiek toneelHet toneel in de periode van het classicisme staat sterk onder invloed van het Franse drama van met name Corneille en Racine. De Nederlandse toneeltheorie uit deze periode is verwoord door Andries Pels uit de kring van Nil Volentibus Arduum in zijn Het gebruik en misbruik des tooneels (1681). Volgens hem heeft het toneel een opvoedende functie, wat impliceert dat er niet langer plaats is voor kluchten (klucht-1) en voor het afbeelden van misdaden. Deze kritiek richt zich tegen het toneel van Jan Vos, wiens stukken met tal van gruwelen en technische trucs veel succes hadden. Het Franse toneel wordt door Pels nadrukkelijk ten voorbeeld gesteld aan het Engelse en Spaanse ( Lope de Vega) en aan de navolging daarvan. Vondel wordt gekritiseerd omdat het onwelvoeglijk zou zijn bijbelstof op de planken te brengen. Alle stukken - in principe gebouwd op een gegeven uit de klassieken - worden door de Frans-classicisten getoetst aan vrij strenge regels, vooral die voor de indeling in bedrijven en de drie Aristotelische eenheden van tijd, plaats en handeling. De reien tussen de bedrijven worden afgeschaft. Goed toneel moet bovendien voldoen aan de eis van waarschijnlijkheid, aan een goede verbinding tussen de tonelen en aan helder taalgebruik. Auteurs en vooral ook vertalers van Frans-klassieke stukken zijn Balthazar Huydecoper, Lodewijk Meijer, Lukas Rotgans, Juliana de Lannoy, Lucretia van Merken, Onno Zwier van Haren en begin 19e eeuw Bilderdijk nog. LIT: Laan; Lodewick; A.G. van Hamel. Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorien over litteratuur in Nederland (19732), p. 194-199; S.F. Witstein. ‘Met het oog op de doctrine: het Frans-classicisme in Huydecopers Achilles’, in: id. Een Wett-steen voor de ieught (1980), p. 139-152; Th.M.M. Mattheij. Waardering en kritiek: Johannes Nomsz en de Amsterdamse schouwburg 1764-1810 (1980); J. Stouten. Verlichting in de letteren (1984), p. 68-70; A.J.E. Harmsen. Onderwys in de tooneel-poëzy (1989); M.B. Smits-Veldt. Het Nederlandse renaissancetoneel (1991), p. 118-121; A.S. de Haas. De wetten van het treurspel. Over ernstig toneel in Nederland, 1700-1772 (1997). [P.J. Verkruijsse]
clausStrikt genomen het laatste door een acteur uitgeproken woord van een passage in een toneelstuk waarop een andere acteur reageert, bijv:
Vaker echter gebruikt voor de passage die door één acteur wordt uitgesproken voordat er beurtwisseling plaatsvindt. LIT: Gorp; Lodewick. [H. Struik]
clausulaTerm uit de klassieke retorica voor de ritmische afsluiting van een zin door een combinatie van twee versvoeten. LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Lausberg; LdMA; Marouzeau; Morier; Preminger; Wilpert. [W. Kuiper]
clausuleMiddeleeuwse benaming voor de sluitregel van een gedicht opgebouwd uit strofen van 13 regels (ook 19) met twee rijmen, rijmschema aab aab aab aab b (ook wel vier: abab bcbc cdcd d), en bij uitbreiding voor het 13-regelige gedicht zelf, bijv. Jacob van Maerlants Die clausule van der bible (ed. Verdam en Leendertz, 1918). De clausulevorm werd vooral door Jacob van Maerlant gebruikt. Bijna al zijn strofische gedichten zijn opgebouwd uit strofen van 13 versregels, bijv. Van den lande van over zee (ed. Stuiveling, 1966):
Clausulen van 19 versregels, rijmschema aab aab aab aab aab aabb, zien we in de ‘Vierde Martijn’ (ed. Hegman, 1958). LIT: Buddingh'; Gorp. [W. Kuiper]
clerk of klerkMiddelnederlandse benaming voor een gestudeerde geestelijke en auteur van een theologisch, juridisch, wetenschappelijk of letterkundig werk, bijv. Jacob van Maerlant (2e helft 13e eeuw) of Dirc van Delft (ca. 1365-?). Clerken zijn ‘geletterd’, d.w.z. dat zij het Latijn beheersen en daardoor toegang hebben tot kennis die niet voor leken bestemd en beschikbaar is. Onder de clerk stond de ‘meester’, die wel over een zekere opleiding en kennis beschikte, maar niet gelatiniseerd was, bijv. Willem van Hildegaersberch (eind 14e, begin 15e eeuw). Helemaal onderaan de ladder stond de jongleur, iemand die geen specifieke intellectuele scholing had genoten, maar zich beroepshalve met het literair bedrijf bezighield. Laatstgenoemden zijn herkenbaar aan artiestennamen als Snelryem de spreker, Jan Vrouwentroest en Hopezomer. LIT: Van der feesten een proper dinc, ed. Werkgroep van Groningse neerlandici (1972), p. 25-37; F.P. van Oostrom. Het woord van eer (1987), p. 46-85, 180-224. [W. Kuiper]
cliché-1 of gemeenplaatsTerm uit het grensgebied van stijlleer en literaire kritiek ter aanduiding van een vorm van beeldspraak die zo vaak is gebruikt dat men deze ervaart als afgesleten metafoor of metoniem (metonymia), bijv. ‘het ruime sop’ voor ‘de open zee’. Sommige topen (topos) kunnen ervaren worden als cliché. Wanneer het cliché samengaat met bombast leidt dit tot retoriek. Het cliché is vergelijkbaar met de platitude. In de literatuur kan men het cliché gebruiken om een komisch of ironisch effect te bereiken. In zijn lezing van november 1985 heeft Gerard Reve op het literaire gebruik van het cliché gewezen, waarvan hij ook in de praktijk van zijn schrijverschap veelvuldig gebruik heeft gemaakt. In Brieven aan geschoolde arbeiders (1985) schrijft hij bijv. aan Prof. Grossouw: Voor bijv. een literair professoraat, met 9 1/2 kolleesjes per jaar, zal ik zeker tot het Ware Geloof intreden. (Voor niks gaat de zon op, waar of niet?). (p. 28). LIT: Abrams; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott. [G.J. Verkruijsse/G. van Bork]
cliché-2Metalen (meestal zinken) plaatje voor een illustratie bij boekdruk. De af te drukken delen zijn in hoog reliëf aangebracht als lijnen (in geval van een eenvoudig zwart-wit-origineel) of als een raster (als het origineel genuanceerder is). Een rastercliché wordt ook autotypie genoemd. Van het origineel wordt eerst een foto gemaakt. Het negatief wordt op een op het metaal aangebrachte gevoelige laag gekopieerd. De onbelichte gedeelten van de plaat worden opgelost. Door verhitting wordt een harslaag op de belichte gedeelten aangebracht die vervolgens bij het etsen intact blijven. In een enkel geval worden de lijn- en raster-procédés gecombineerd. Voor kleurenreproducties is de techniek wat gecompliceerder, maar in principe hetzelfde: ook dat kan in lijnen en in raster. Bij diepdruk kan alleen de rastertechniek toegepast worden: het raster wordt in de koperen cylinder geëtst met behulp van een gelatinelaag. LIT: BDI; Brongers; Gorp; Hiller; H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (1986), p. 111-130. [P.J. Verkruijsse]
climax-1Uitgewerkte toepassing van de anadiplosis (d.i. herhaling van een woord(groep) waarmee een zin of regel eindigt, aan het begin van de eerstvolgende zin of regel). In het algemeen geeft deze term een opklimmende reeks aan. In dit geval is anticlimax het tegenovergestelde ervan, wanneer tenminste afnemende spanning of ontlading ervan hiermee gepaard gaat, bijv. Willem den derden, Koning, Groothertog, Prins ... meer dan Prins, Groothertog en Koning ... Keizer van het prachtige Rijk van Insulinde Sommigen beperken de betekenis ervan tot het hoogtepunt zelf (zonder een voorafgaande reeks, bijv. in de vorm van een enumeratio). LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
climax-2In het klassieke drama onderscheidt men vijf fasen (achtereenvolgens expositie, intrige-2, climax, catastrofe, peripetie) die gewoonlijk samenvallen met de vaste opeenvolging van vijf bedrijven. De climax is de fase waarin de spanning naar een hoogtepunt gevoerd wordt, bijv. doordat het conflict tussen protagonist en antagonist zich in deze fase steeds scherper toespitst. In Vondels Gijsbreght van Aemstel (1637) ligt de climax in het derde bedrijf, waar Gijsbreght met zijn bondgenoten in een vrijwel hopeloze situatie het toneel verlaat om voor het laatst ten strijde te trekken. In het moderne drama kan evenzeer sprake zijn van een climax, maar dan niet meer als een vast element in de structuur en dus niet gebonden aan de indeling in bedrijven. LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Prince; Shipley; B. Verhagen. Dramaturgie (19632); B. Beckerman. Dynamics of drama (1970). [G.J. van Bork]
close readingBenaderingswijze van literatuur toegepast door aanhangers van de autonomiebewegingen als reactie op de biografisch-positivistische en wereldbeschouwelijke interpretatiewijze. Deze methode wordt gekenmerkt door het nauwkeurig lezen van het tekstaanbod en beperkt zich tot de tekst als artefact, houdt in het algemeen geen rekening met de persoon van de auteur en is zeer voorzichtig met het betrekken van historische achtergronden in de analyse van het kunstwerk. Hoofddoel is het geheel van vormgevingsprincipes te beschrijven zoals die blijken uit stijl en structuur van de tekst. In Nederland is het de Amsterdamse school ( W.Gs Hellinga) geweest en de groep rond Merlyn die de close reading-methode voorstond; uit die kringen stammen diverse publicaties van theoretische en praktische (analyse) aard die van deze ergocentrische werkwijze blijk geven. LIT: Abrams; Best; Gorp; HWR; W.G. Hellinga en H. van der Merwe Scholtz. Kreatiewe analise van taalgebruik (1955). [G.J. Vis]
clouHet meest essentiële punt in een tekst waarin de spanning wordt ingelost. De clou is vergelijkbaar met de pointe van een grap. LIT: Cuddon. [G.J. van Bork]
clute zie klucht-1cluyt zie klucht-1coacervatioTerm uit de retorica voor een detailbeschrijving die bereikt wordt door in een syntactisch samenhangende lange zin het totaalbeeld plus de details te beschrijven, door het gebruik van de isocolon. Als de detaillering tot een opsomming wordt, kan de coacervatio een accumulatio, enumeratio congeries of zelfs tautologie zijn. LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
codexMiddeleeuws handgeschreven boek uit de tijd dat er nog geen boeken werden gedrukt, bedoeld om publiekelijk te functioneren. Handschriften voor privé-gebruik noemt men een manuscript. De codex dankt zijn naam aan het (beuken)houten wastafeltje (caudex) dat de Romeinen gebruikten als tijdelijke schriftdrager. De perkamenten codex met zijn tweezijdig beschreven bladen (recto-zijde, verso-zijde) is typisch christelijk in tegenstelling tot de heidense boekrol (volumen) die van papyrus was vervaardigd en éénzijdig beschreven werd. De codex is opgebouwd uit katernen (katern) die op hun beurt weer samengesteld zijn uit tweezijdig beschreven dubbelbladen (dubbelblad). De oudste codices zijn van perkament gemaakt; vanaf de 15e eeuw wordt ook papier gebruikt. Codices golden als een kostbaar bezit en werden daarom vaak versierd (boekverluchting) met penwerk en miniaturen. De band van een codex bestond bij voorkeur uit een met leer overtrokken en van gespen voorziene eikenhouten plank (boekband). Helaas zijn door het opnieuw inbinden nagenoeg alle literaire handschriften niet in de oorspronkelijke band overgeleverd. Het overgrote deel van de bewaard gebleven codices heeft een religieuze inhoud. Veel codices gingen na de uitvinding van de boekdrukkunst verloren: drukkers versneden perkamenten handschriften om er boekbanden mee te verstevigen of zij verkookten het perkament tot lijm. De wetenschap die zich bezighoudt met de materiële aspecten van het handgeschreven boek is de codicologie. LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; Metzler; MEW; Scott; J. Glenisson. Le livre au Moyen Age (1988). [W. Kuiper/H. Struik]
codicologie of handschriftkundeDe wetenschap die zich bezighoudt met de materiële aspecten van het middeleeuwse handgeschreven boek uit de tijd dat er nog geen boeken werden gedrukt, ook wel handschriftenkunde of boekarcheologie genaamd. Voor de periode na de uitvinding van de boekdrukkunst gebruikt men wel de term manuscriptologie. De codicologie is pas na de Tweede Wereldoorlog goed van de grond gekomen en heeft zich van hulpwetenschap voor de filologie (bronnenproblematiek) ontwikkeld tot een zelfstandige cultuurhistorische discipline. De eeuwen daarvoor ging de aandacht niet zozeer naar het boek uit als wel naar het schrift (paleografie). InNederland heeft met name Willem de Vreese (1869-1938) de codicologie gegrondvest met zijn Bibliotheca Neerlandica Manuscripta (die tegenwoordig is ondergebracht in de Universiteitsbibliotheek van de Rijksuniversiteit Leiden). De taak die de codicoloog zich stelt, is enerzijds boeken te beschrijven zoals die gedurende een bepaalde tijd en in een bepaalde regio vervaardigd zijn en gefunctioneerd hebben, anderzijds hoe een individueel boek gemaakt en gebruikt is (hiervoor is de term ‘codicografie’ inmiddels in zwang). Met name studie van eigenhandig door de auteur geschreven boeken (autograaf) kan veel onthullen over de manier waarop tekst en boek tot stand zijn gekomen. LIT: BDI; Brongers; MEW; W.Gs Hellinga en P.J.H. Vermeeren. ‘Codicologie en filologie’, in: SpL 5 (1961) - 10 (1966-1967); W. de Vreese. Over handschriften en handschriftenkunde. Tien codicologische studiën. Bijeengebracht, ingel. en toegel. door P.J.H. Vermeeren (1962); Codicologica I. Théories et principes (1976); Litterae textualis. A series on manuscripts and their texts (1976-....); J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum. Handschriftenbeschrijving, tevens Syllabus bij de colleges ‘Inleiding in de Westerse Handschriftenkunde / Codicologie’ (19813); A.J. Geurts, A. Gruijs en J. van Krieken. Codicografie en computer. Proeve van een leidraad voor het beschrijven van handschriften (PCC-project) (1983); J.P. Gumbert. Illustrated inventory of medieval manuscripts in the Netherlands (IIMM). Introduction: rules, instructions (1985, rev. ed. 1991); J.A.A.M. Biemans. ‘Over de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta van Willem de Vreese. Drie bijdragen aan de geschiedenis van de medio-neerlandistiek en de Middelnederlandse handschriftenkunde’, in: TNTL 105 (1989), p. 249-280; J. Lemaire. Introduction à la codicologie (1989). [W. Kuiper/P.J. Verkruijsse]
collageTerm ontleend aan de schilderkunst om er een literaire techniek mee aan te duiden waarin op soortgelijke wijze gewerkt wordt met een samenvoeging van ontleende elementen, zoals citaten, toespelingen, verwijzingen, uitdrukkingen, reclameteksten en andere tekstfragmenten in een nieuw verband. Collagetechnieken werden vooral toegepast door auteurs van het modernisme, zowel binnen de historische avant-garde (bijv. Paul van Ostaijen. Bezette stad, 1921) als bij experimentele na-oorlogse auteurs (bijv. J.F. Vogelaar. Kaleidiafragmenten, 1970). LIT: Baldick; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Wilpert; K. Beekman. ‘Wetenschap, poëtika's en experimentele literatuur’, in: Spektator 6 (1976-1977), p. 196-203. [G.J. van Bork]
collatie zie preekcollatieformuleTerm uit de analytische bibliografie voor de formule waarmee de opbouw van de ideal copy wordt weergegeven, met andere woorden: hoeveel bladen er idealiter in een exemplaar van een druk of oplage aanwezig dienen te zijn. Wanneer zonder te collationeren een formule van één enkel exemplaar wordt genoteerd, wordt vaak ook de term collatieformule gebruikt, maar beter is in zulke gevallen te spreken van opbouwformule. De collatieformule wordt voorafgegaan door de aanduiding van het bibliografische formaat van het desbetreffende boek. Ze bestaat uit een opgave van het aantal katernen en d.m.v. een bovengeschreven cijfer het aantal bladen (blad-2) per katern. Tussen haakjes worden toegevoegde, vervangende (cancels) of ontbrekende bladen aangegeven en na een ‘$’-teken het aantal bladen dat per katern gesigneerd is. Toegevoegde bladen in het voorwerk worden aangeduid met ‘π’; in het hoofdwerk met ‘χ’. De formule 80: *8 (±*2) A-E8 F8 (-F8) G-K8 L8 (L6+[chi]) M-Z8 [$5 (-*1, *2, A1; + B6)] betekent: dit boek in octavo-formaat telt 192 bladen, nl. één katern voorwerk + 23 katernen hoofdwerk (de letters J, U en W worden niet gebruikt) van elk acht bladen; in het voorwerk is het tweede blad een cancel; in het F-katern ontbreekt het laatste blad; in het L-katern is tussen het zesde en zevende blad een extra niet-gesigneerd blad toegevoegd; alle katernen zijn tot en met het vijfde blad gesigneerd, maar op de eerste twee bladen van het voorwerk en het eerste blad van het A-katern is geen katernsignatuur geplaatst; een extra signatuur daarentegen bevindt zich op blad 6 van het B-katern. LIT: BDI; W.W. Greg. ‘A formulary of collation’, in: The Library, 4th series, 14 (1934), p. 365-382; Fredson Bowers. Principles of bibliogaphical description (1949), p. 196-254; W.W. Greg. A bibliography of the English printed drama to the Restoration, vol. 4 (1959), p. I-CLXXIV; M.J. Pearce. A workbook of analytical & descriptive bibliography (1970), p. 73-95; Philip Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 328-332; P.J. Verkruijsse. Mattheus Smallegange (1624-1710) (1983), p. 43-44. [P.J. Verkruijsse]
collationerenTerm uit de bibliografie voor het controleren van een exemplaar van een boek op volledigheid, tevens term uit de editietechniek voor het vergelijken van teksten met het doel varianten op te sporen. Een tekstediteur dient inzicht te hebben in de varianten van de (geautoriseerde) drukken onderling en ten opzichte van de eventueel overgeleverde kopij om op basis daarvan een ideale tekst (copy text) samen te stellen. Voordat deze externe collatie mogelijk is, dient er reeds intern gecollationeerd te zijn, d.w.z. dat er binnen één druk exemplaren met elkaar vergeleken moeten worden om de ideal copy van zo'n druk samen te stellen. In de analytische bibliografie zijn verschillende methodes gangbaar voor de totale interne collatie. Met het blote oog kunnen twee exemplaren letter voor letter vergeleken worden; ook is optische collatie mogelijk met de methode van Vervliet en Bostoen met behulp van transparantfoto's die - van één uitgangsexemplaar vervaardigd - over de pagina's van te collationeren exemplaren geschoven kunnen worden. Op het gebied van de machinale collatie zijn er de zgn. Hinman-collator, de eenvoudiger Lindstrand-comparator, de projectie-apparaten van Dearing, Smith en Gerritsen en de experimenten met video en televisie van Horden. De nieuwste ontwikkeling vormt de computercollatie, waarvoor in Duitslandhet programma TUSTEP ontwikkeld is. Een belangrijk nadeel van alle totaalcollatiemethoden is de enorme tijdsinvestering die ermee gemoeid is. Partiële methoden voor de interne collatie kunnen niet alle varianten opsporen, maar leveren toch in korter tijdsbestek vaak gegevens voor de drukgeschiedenis. De schuine-lijn-test kan op bepaalde plaatsen toegepast worden, evenals de methode van Horden die een doorzichtige perspex plaat op de pagina legt met een horizontale en een verticale lijn tegen de katernsignatuur aan, óf de methode- Verkruijsse die uitgaat van controle van alle katernsignatuur- of een aantal kopregelposities en van de paginering. De resultaten van de interne collatie worden door de descriptief-bibliograaf neergelegd in een min of meer uitgebreide beschrijving die in elk geval de collatieformule omvat. De gegevens die de externe collatie heeft opgeleverd, zijn vaak te vinden in het variantenapparaat van de teksteditie. LIT: BDI; Best; Brongers; Feather; Gorp; Hiller; HWR; Mathijsen; Metzler; MEW; Scott; Wilpert; Philip Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 144, 357; P.J. Verkruijsse. Mattheus Smallegange (1624-1710) (1983), p. 28-38. [P.J. Verkruijsse]
colloquiumLatijn voor gesprek of samenspraak, door Erasmus (1466/69-1536) als titel gebruikt voor door hem geschreven dialogen. De Colloquia groeide uit van een eenvoudig leerboekje voor studenten Latijn tot een boek vol levenswijsheid. Het boek bevat tal van onderwerpen, zoals: de studie van de schone letteren, de positie van de vrouw, de godsdienst, het probleem van oorlog en vrede. Vanwege de kritische en satirische toon van veel colloquia - allerlei uiterlijke ceremoniën als de biecht en de beeldenverering moesten het ontgelden, de domme en luie geestelijkheid werd bespot - werd het werk op de lijst van verboden boeken (index librorum prohibitorum) geplaatst. Toch heeft het werk vrij veel invloed gehad op het onderwijs in de 16e en 17e eeuw en zijn gedeelten van de Colloquia in het Nederlands vertaald (bijv. door Cornelis Crul, O muze, komt nu voort, ed. Van der Heyden, Spectrum van de Nederlandse letterkunde, dl. 6, 1968, p. 27-117). Tegenwoordig gebruikt men de term als benaming voor een wetenschappelijk congres, en in die betekenis is hij een synoniem voor symposium. LIT: Cuddon; Shipley; F. Kossmann. ‘De Colloquien van Cornelis Crul’, in: TNTL 63 (1944), p. 182-197; G. Degroote. ‘Erasmus' Colloquia in het Nederlands’, in: NTg 44 (1951), p. 160-168; C.R. Thompson. The Colloquies of Erasmus (1965); S.W. Bijl. Erasmus in het Nederlands tot 1617 (1978), p. 273-299. [H. Struik/W. Kuiper]
colofonColofon betekende in het Grieks aanvankelijk letterlijk ‘hoogtepunt’, later meer figuurlijk ‘bekroning, sluitstuk, slot’ en vanaf de Middeleeuwen is het het slotwoord aan het einde van een tekst of achterin een codex of boek waarin de kopiist, editeur of uitgever-drukker verantwoording aflegt over de wijze waarop de tekst bezorgd is, het gebruikte typografische materiaal, het aantal opgelegde exemplaren, het gebruikte papier, welke exemplaren wel of niet gesigneerd zijn, de band, de binder enz. In middeleeuwse colofons zit nog wel eens een acrostichon, een chronogram of een datering verborgen. Berucht is het corrupte colofon in handschrift A van de Roman van Heinric ende Margriete van Limborch:
Deskundigen zijn nog altijd niet zeker over wanneer deze roman nu precies voltooid is; het is echter vrij veilig te stellen dat dit rond 1300 moet zijn geweest, waarbij als meest exacte datering als beginjaar 1291 en als eindjaar 20 januari 1318 aannemelijk lijkt. Het eerste gedrukte colofon komt voor in het Psalterium Latinum (Mainz 1457). Naarmate er meer informatie verwerkt wordt op de titelpagina wordt de omvang van het colofon geringer: in de 17e en 18e eeuw vindt men er nog slechts het adres van de drukker (dat van de uitgever is vermeld op het titelblad). Uitvoeriger colofons met tal van gegevens over de productietechniek van het desbetreffende boek komen pas weer in de 20e eeuw in de mode, maar dan vaak niet achter in het boek maar op de verso-zijde van het titelblad. LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; MEW; Myers/Simms; Scott; Wilpert; W.Gs Hellinga. ‘De datering van de “Roman van Limborch” (Letterk. 195)’, in: NTg 46 (1953) (Extranummer Vooys voor de Vooys), p. 42-47; W.E. Hegman. ‘Nog eens datering en attributen van de “Roman van Limborch”’, in: NTg 51 (1958), p. 159-167; J. Deschamps. Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken (19722), p. 39-42; R. van Uytven. ‘Historische knipoogjes naar “Heinrich ende Margriete van Limborch”’, in: Bijdragen tot de Geschiedenis 66 (1983), p. 3-11; Th. Glorieux-De Gand. Het woord van de kopiist; colofons van gedateerde handschriften (catalogus KB Brussel, 1991); S. Hubregtse. ‘Het colofon in de twintigste eeuw. Aspecten van een verwaarloosd verschijnsel’, in: Jaarboek Nederlands Genootschap Bibliofielen 1995 (1996), p. 117-139. [W. Kuiper/H. Struik/P.J. Verkruijsse]
colonTerm uit de klassieke poëtica voor een aantal woorden, door een pauze van de rest van de (vol)zin (periodus-1) gescheiden, die tezamen een deelzin vormen, dit in tegenstelling tot de comma. De naam is in het Engels blijven voortleven als benaming voor de dubbele punt. LIT: Bantel; Best; Buddingh; Cuddon; Gorp; Lausberg; MEW; Preminger; J. Greidanus. Beginselen en ontwikkeling van de interpunctie in 't biezonder in de Nederlanden (1926), p. 50-51. [W. Kuiper]
colporteur zie marskramercolumnKorte prozatekst, geschreven voor een dag- of weekblad of voor een tijdschrift door een medewerker die vanuit een onafhankelijke positie bepaalde onderwerpen die vaak een bepaalde actualiteitswaarde hebben op de korrel neemt. De column heeft een beperkte omvang (meestal een kolom of een gedeelte daarvan), verschijnt regelmatig en heeft doorgaans een vaste plaats in een periodiek. De inhoud is meestal polemisch, maar ook vaak humoristisch en spits geformuleerd; in het laatste geval spreekt men ook wel van een cursiefje. Het verschijnsel column is betrekkelijk jong, maar heeft in enkele decennia een hoge vlucht genomen. In 1979 verscheen een speciaal nummer van de Haagse Post (27-10-1979) dat gevuld werd met bijdragen van columnisten. Bekende columnisten zijn Gerrit Komrij, Hugo Brandt Corstius, Jan Blokker, Jan Mulder, Renate Rubinstein en Johan Anthierens. LIT: Gorp; N. Matsier. ‘Muiters tegen het etmaal’, in: T. van Deel e.a. (red.). Het literaire klimaat 1970-1985 (1986), p. 131-146; A. Gijselhart. De column als vrijplaats (1986). [G.J. van Bork]
COM-catalogusAfkorting voor ‘computer output on microfilm’, maar ook voor ‘catalogus op microfiches’. Een aantal grote bibliotheken heeft, toen het drukken van de catalogus in boekvorm (reeksen van honderden delen, zoals de Amerikaanse National Union Catalog) te duur werd en voordat de computer uitwisseling van grote databestanden mogelijk maakte, zijn papieren-fichescatalogus op microfiches gezet waarvan een aantal sets op andere grote bibliotheken te raadplegen is. LIT: BDI. [P.J. Verkruijsse]
comédie de caractère of karakterblijspelBlijspel dat naar zijn inhoud bepaald wordt door het optreden van een hoofdpersoon van een bepaald type waarvan de eigenschappen (meestal negatief) sterk worden aangezet. De meest voorkomende typen zijn de vrek, de intrigant, de hypochonder of de opschepper. Het grote voorbeeld voor dit type blijspel gaf Molière met zijn L'avare (1668), Le bourgeois gentilhomme (1670) en Le malade imaginaire (1673). Maar vóór Molière werden al karakterblijspelen geschreven naar het voorbeeld van Plautus en Terentius, al werden die toen niet zo genoemd: Hoofts Warenar (1617) en Bredero's Spaanschen Brabander (1617) kunnen wat hun eigenschappen betreft als Nederlandse voorbeelden gelden. LIT: Best; Wilpert. [G.J. van Bork]
comédie d'intrigue of intrigeblijspelBlijspel waarin de handeling bepaald wordt door de sterk gecompliceerde verwikkelingen waarin de personages verstrikt raken en waarin het komische vooral veroorzaakt wordt door de kennisvoorsprong van de toeschouwer, de zgn. dramatische ironie. Een treffend voorbeeld van een intrigeblijspel is Thomas Asselijns Jan Klaasz. of gewaande Dienstmaagt (1682). LIT: MEW. [G.J. van Bork]
comédie de moeurs of zedenblijspelBlijspel waarin de sociale code van een bepaalde groep of periode belachelijk wordt gemaakt. Pieter Langendijk schreef een aantal zedenblijspelen, waarvan de Spiegel der vaderlandsche kooplieden (1760) het duidelijkste voorbeeld is, terwijl zijn Het wederzijds huwelijksbedrog (1714) tevens trekken vertoont van een comédie d'intrigue. LIT: Baldick; Best; Cuddon; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]
comédie larmoyanteSubgenre van het burgerlijk drama, waarin tragische gebeurtenissen het hoofdbestanddeel vormen, maar waarin - anders dan in de tragedie het geval is - geen sprake is van een noodlottige afloop. Het genre wordt om die reden dan ook wel een variant van de tragikomedie genoemd. Karakteristiek voor de comédie larmoyante is de moralistische strekking die onder meer tot uiting komt in de eenvoudig en helder gehouden tegenstelling tussen goed en kwaad, de uiteindelijke zegepraal van het deugdzame, de gevoelige, soms wat sentimentele helden tegenover brute, vaak gewelddadige personages. Deze eenvoudige tegenstellingen maakten dit type toneel zeer populair bij de burgerij in de 18e en 19e eeuw. Het is niet goed mogelijk de comédie larmoyante nauwkeurig af te grenzen van het ruimere begrip burgerlijk drama omdat er allerlei varianten bestaan die slechts enkele kenmerken van de hier genoemde hebben. Goede voorbeelden vindt men vooral in het stamland Frankrijk, o.m. bij Pierre Carlet de Chamblais de Marivaux (La mère confidente, 1735) en Claude Nivelle de la Chausée (Mélanide, 1741). In het Nederlandse taalgebied kunnen J.A. Schasz' drama's Dorvan of de zegepraal der liefde (1779) en Frederik en Charlotte of de edelmoedige beloning der deugd (1793) als voorbeelden gelden. LIT: Bantel; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
commaTerm uit de klassieke poëtica voor een gering aantal woorden dat tezamen nog geen deelzin (colon) binnen de volzin (periodus-1) vormt. De naam is blijven voortleven in het leesteken ‘komma’. LIT: Best; Gorp; Lausberg; Metzler; Wilpert; J. Greidanus. Beginselen en ontwikkeling van de interpunctie in 't biezonder in de Nederlanden (1926), p. 50-51. [W. Kuiper]
commedia all'improviso zie commedia dell'artecommedia dell'arte of commedia all'improvisoOorspronkelijk Italiaanse blijspelvorm waarin de acteurs de tekst improviseren op grond van een van te voren in grote lijnen vastgelegd scenario. De commedia dell'arte kende een aantal vaste (gemaskerde) figuren die meer getypeerd dan gekarakteriseerd werden: Arlecchino (de clown), Il dottore (de dokter of kwakzalver), Colombina (het jonge meisje), Pantalone (de rijke oude vader), Scapino (de slimme dienaar), e.v.a. Deze figuren waren tevens representant van een bepaalde stad of streek. Naast toneelspel was in de commedia dell'arte zang, dans en pantomime verwerkt. De commedia dell'arte ontwikkelde zich in het midden van de 16e eeuw in Italië als tegenhanger van het zgn. ‘geleerden’-toneel (commedia erudita) aan de Italiaanse hoven. Het werd gespeeld door rondreizende professionele gilde-acteurs, die aanvankelijk vooral in Noord-Italië optraden, maar later geheel West-Europa rondtrokken. Ze oefenden daarmee een grote invloed uit op het West-Europese blijspel van met name Molière, Marivaux en bij ons Pieter Langendijk. In de 18e eeuw herleefde het genre nog in de stukken van Carlo Gozzi (1718-1801). Ook het werk van Carlo Goldoni (1707-1793) vertoont duidelijk verwantschap met de commedia dell'arte, maar zijn teksten zijn geheel uitgeschreven en laten dus weinig of geen improvisatie toe, bijv. De knecht van twee meesters (1745). LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shi |