D

D-nummer

Aanduiding uit de bibliotheekwereld voor het nummer dat aan een publicatie wordt verleend door het wettelijk depot (D-nummer = Depot-nummer). Het nummer wordt doorgaans in het desbetreffende boek op de verso-zijde van het titelblad of in het colofon afgedrukt en bestaat uit een D, gevolgd door het jaartal tussen schuine strepen, een code van vier cijfers voor de uitgevende instantie en na een schuine streep het volgnummer van de publicatie van die uitgever. Aangezien Nederland geen wettelijk depot kent, volgt hier een Belgisch voorbeeld: D/1969/0020/3 = Vijftien jaar aanwinsten sedert de eerste steenlegging tot de plechtige inwijding van de Bibliotheek, de derde uitgave (/3) van de Koninklijke Bibliotheek Albert I (/0020/) te Brussel uit 1969 (/1969/).

LIT: [P.J. Verkruijsse]

 

dactylus

Term uit de prosodie ter aanduiding van een versvoet bestaande uit een heffing gevolgd door twee dalingen, bijv. dáctlûs. In dichtvorm vindt men deze voet in de volgende regel:

 Hóór dê sô/nátê dêr/clávêcîm/bálê.
 ( M. Nijhoff. VG, 19744, p. 17).

LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]

 

dadaïsme

Stroming in de kunst ontstaan uit principieel verzet tegen de geldende normen en esthetische opvattingen, mede onder invloed van de als zinloos ervaren Eerste Wereldoorlog. Het dadaïsme verzet zich tegen de gangbare ordening in de kunst, want die artistieke ordening bevestigt de bestaande maatschappelijk orde. Men kiest voor collagetechnieken (collage), readymades, écriture automatique en andere improvisatievormen.

In 1915 verzamelde zich in Zürich een groep kunstenaars rond de Roemeense dichter Tristan Tzara, die in 1918 het eerste manifest van het dadaïsme publiceerde. In 1916 richtten zij het Cabaret Voltaire op, een overwegend literaire club met een expositiezaal, waarin het tijdschrift Dada werd geredigeerd. Tot deze groep behoorden naast Tzara o.m. Hugo Ball (schrijver), R. Hülsenbeck (schrijver) en Hans Arp (schilder). Vlak daarna, onafhankelijk van elkaar en toch vrijwel gelijktijdig, ontstonden in New York, Berlijn, Keulen, Hannover en Parijs gelijkgerichte bewegingen, met als belangrijkste figuren Marcel Duchamp, Francis Picabia, George Grosz, Max Ernst, Kurt Schwitters, André Breton, Philippe Soupault, Paul Eluard en Louis Aragon.

Hülsenbeck claimt dat hij de term dada als aanduiding voor de beweging gevonden heeft in een Duits-Frans woordenboek door een briefopener tussen de pagina's te steken, daar ‘dada’ aantrof als kleuterwoord voor ‘paard’ en deze term vervolgens gebruikte voor het modernistisch cabaret.

In Nederland geldt Theo van Doesburg als een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het dadaïsme. Hij schreef een pamflet Wat is Dada? (1923) en droeg onder het pseudoniem I.K. Bonset bij aan De Stijl. In België werd vooral Paul van Ostaijen door het dadaïsme beïnvloed. De stroming viel de bestaande literaire en andere kunstinstituties aan en maakte zo de weg vrij voor andere bewegingen van de historische avant-garde, met name het constructivisme en het surrealisme; met André Bretons Premier manifeste du surréalisme (1924) beschouwt men doorgaans dan ook de beweging als beëindigd.

Na de Tweede Wereldoorlog, in de jaren '60, ontstond bij de Barbarber-groep ( J. Bernlef, G. Brands en K. Schippers) opnieuw belangstelling voor het dadaïsme. In Een cheque voor de tandarts (1967) gaven Bernlef en Schippers te kennen o.m. Marcel Duchamp, Eric Satie, Kurt Schwitters, John Cage, William Carlos Williams als hun voorgangers te beschouwen.

LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; G. Huguet. L'aventure de Dada (1957); P. Schifferli. Das war Dada. Eine Anthologie (1963); M. Prosenc. Die Dadaisten in Zürich (1967); Dada in Drachten, spec. afl. Trotwaer (1971), 9/10 (nov.); C.W.E. Bigsby. Dada and Surrealism (1972); J. Baljeu. Theo van Doesburg (1974); K. Schippers. Holland Dada (1974). [G.J. van Bork]

 

dagblad, courant, gazet of krant

Een op actuele nieuwsvoorziening gerichte en periodiek (dagelijks) gedrukte tekst met een sterke continuïteit in verschijningsvorm en frequentie. De eerste Nederlandse kranten verschenen aan het begin van de 17e eeuw te Antwerpen en Amsterdam als ‘loop- of nieuwmaren’. In 1618 verscheen het eerste nummer van de Courante uyt Italien, Duytschland etc. De Amsterdamse gazettiers verspreidden ook Engelse en Franse edities van hun kranten. Aanvankelijk hadden deze kranten het karakter van nieuwsbrieven.

In het midden van de 19e eeuw ontwikkelde de krant zich onder invloed van de nieuwe druktechnieken tot een massaproduct. Daarmee gepaard ging een wijziging van inhoud en opzet. Naast nieuws gaven kranten voortaan ook beschouwingen, feuilletons, cursiefjes, advertenties enz. Sedert de afschaffing van het dagbladzegel in 1869 kwam de krant pas echt tot bloei.

Er kan onderscheid gemaakt worden tussen nationale dagbladen, zoals De Volkskrant, De Telegraaf, NRC/Handelsblad, en provinciale of regionale dagbladen, zoals de Leeuwarder Courant, de Provinciale Zeeuwse Courant, en tussen ochtendbladen als De Volkskrant en Trouw, en avondkranten als Het Parool, NRC/Handelsblad en de Gazet van Antwerpen. De term ‘krant’ wordt in de spreektaal ook wel gebruikt voor een weekblad, wanneer dat verschijnt met hetzelfde uiterlijk (formaat, papier, opmaak) als dat van een dagblad. Vanwege het typische krantenformaat worden ook bladen met een geringere periodiciteit wel krant genoemd: Poëziekrant en Uitkrant.

LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Hiller; Krywalski; Laan; Metzler; Scott; A. Stolp. De eerste couranten in Holland (1938); F. Dahl. Amsterdam, earliest newspaper centre of Western Europe (1938); Dutch corantos, 1620-1621 (1946); K. Baschwitz. De krant door alle tijden (19492); M. Schneider en J. Hemels. De Nederlandse krant 1618-1978. Van ‘nieuwstydinghe’ tot dagblad (19794). [G.J. van Bork]

 

dagboek

Chronologische optekening van dagelijkse voorvallen, al dan niet vergezeld van commentaar, overdenkingen, beschouwingen e.d. Inhoudelijk en formeel is het dagboek verwant aan genres als de autobiografie, de ik-roman en de memoires of gedenkschriften. Het dagboek behoort tot de egodocumenten en de bekentenisliteratuur. Hoewel er geen feitelijk onderscheid is met het journaal, reserveert men die laatste term doorgaans voor het dagelijks bijgehouden reisverslag van een scheepsreis, in die zin vergelijkbaar met het logboek.

In Nederland heeft het literaire dagboek niet zo'n grote traditie als in de rest van Europa, met in Frankrijk de gebroeders De Goncourt, Paul Léautaud, André Gide; in Engeland Samuel Pepys en James Boswell; in Duitsland J.W. von Goethe, E.T.A. Hoffmann, J. von Eichendorff e.v.a. De bekendste Nederlandse dagboeken zijn die van Willem de Clercq, Nicolaas Beets (ed. Van Zonneveld, 1983), Frederik van Eeden en het oorlogsdagboek van Anne Frank Het Achterhuis (1947).

Een belangrijke Nederlandse serie waarin o.m. (vertaalde) dagboeken worden gepubliceerd, is de reeks Privé-domein, waarin behalve de dagboeken van Léautaud, Virginia Woolf en Peter Handke ook Van Deyssels Het ik, heroïsch-individualistische dagboekbladen (1978) verscheen.

LIT: Bantel; BDI; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; S. Dresden. Bezonken avonturen (1949); P. Boerner. Tagebuch (1969); Themanummer ‘Dagboeken’, Maatstaf, 30 (1982) nr.11/12; T. Mallon. A book of one's own (1985). [G.J. van Bork]

 

dagboekroman

Ik-roman die de vorm heeft van een dagboek. Hoewel men geneigd is een groot aantal ik-romans als dagboekromans aan te duiden, bijv. A. Helman. De laaiende stilte (1952), M. Emants. Een nagelaten bekentenis (1894), lijkt het verstandiger de term te beperken tot die romans die een echte dagboekopzet kennen, zoals bijv. Journal d'un curé de campagne (1936) van Georges Bernanosen de Limburgse variant Kroniek ener parochie (1941) van Jacques Schreurs.

LIT: Lodewick; Wilpert. [G.J. van Bork]

 

dagelied zie dageraadslied

dageraadslied of dagelied

Verzamelnaam voor middeleeuwse en renaissanceliederen waarin het aanbreken van de dag in positieve (aubade) dan wel negatieve zin (alba, wachterlied) bezongen wordt.

LIT: Alphen; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Laan; LdMA; Metzler; Scott; Wilpert; A.T. Hatto (ed.). Eos. An enquiry into the theme of lovers meetings and partings at dawn in poetry (1965); P. King. Dawn poetry in the Netherlands (1971); F.J. Saville. The medieval erotic alba, structure as a meaning (1972); J. Houtsma. ‘Gelieven bij de dageraad in het Antwerps Liedboek’, in: TNTL 95 (1979), p. 83-96. [W. Kuiper]

 

dalend metrum of dalend ritme

Term uit de prosodie waarmee dat ritmisch verloop van een versregel wordt aangeduid waarvan de constituerende versvoet begint met een heffing, gevolgd door één of twee dalingen. Deze versvoeten zijn respectievelijk de trochee en de dactylus. Regels met een dalend metrum zijn bijv. de hexameter en de viervoetige trochee, bijv.

 Oúwê héér mêt séntên,
 'k Mág jê líjên gráág
 ( P. van Ostaijen. VW. Poëzie, 19653, dl. 1, p. 11).

LIT: Baldick; Buddingh'; Preminger. [G.J. Vis]

 

dalend ritme zie dalend metrum

daling, breve of thesis

Term uit de prosodie die een onbeklemtoonde syllabe aanduidt. De daling wordt meestal aangegeven met het teken ^. Van het woord ‘lopen’ is de tweede syllabe een daling: lopên. Het tegenovergestelde van een daling is een heffing of arsis. In de volgende regel zijn de even syllaben dalingen:

 Dit îs 't/ sprookjê/ van dên/ doodên
  ( M. Nijhoff. VG, 19744, p. 95).

Naar aanleiding hiervan noemt men het ritme van deze regel dalend metrum, respectievelijk dalend ritme.

LIT: Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Preminger; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]

 

damesroman

Romantype dat geacht wordt vooral door vrouwen te worden gelezen. Wegens de voorspelbaarheid van de intrige en de geromantiseerde liefdesverwikkelingen als voornaamste thematiek rekent men ze tot de triviaalliteratuur. Tot de damesromans behoren o.m. de doktersroman en de verpleegstersroman, zoals die verschijnen in series als de Bouquet-reeks. Veel van dit soort romans wordt in een goedkope uitvoering verkocht bij grootwinkelbedrijven.

De term wordt ook in pejoratieve zin gebruikt door critici van het interbellum voor een bepaald type romans met een psychologisch-realistische inhoud en geschreven door vrouwen. Dit soort romans zou teveel een late nabloei van het naturalisme en dus weinig origineel zijn. Tot deze vrouwelijke auteurs behoren o.m. Jo van Ammers-Küller, Top Naeff, Ina Boudier-Bakker en Margo Antink.

In die zin gebruikte ook Menno ter Braak de term in zijn kroniek ‘Le chemin des dames’, waarin hij ook nog de vrouwelijke auteurs Marie Schmitz, Josine Reuling en Eva Raedt-De Canter noemt.

LIT: M. ter Braak, in: Verzameld werk, dl. 5 (1949), p. 204-210; E. van Boven. Een hoofdstuk apart. De receptie van vrouwenromans in de literaire kritiek 1898-1930 (1992). [G.J. van Bork]

 

dandyisme

Cultuurverschijnsel dat in het eerste kwart van de 19e eeuw opkomt en waarin een grote verfijning van smaak, sterke zin voor perfectie, modieuze zorg voor het uiterlijk, superioriteit van optreden en een zeker ‘ennui’ een hoofdrol spelen. Hét grote voorbeeld voor de dandy was George Bryan (Beau) Brummell (1778-1840), vriend van George IV van Engeland. Mede onder invloed van de naar Brummells leven geschreven romans van Thomas Lister Granby (1825) en E.G. Bulwer Lytton Pelham or the adventures of a gentleman (1828), vond zijn voorbeeld aanvankelijk navolging in Engeland bij de geldaristocratie van die tijd.

Onder invloed van het Victoriaanse gezag verdwijnt het dandyisme uit Engeland, maar inFrankrijk wordt het opnieuw mode, nu sterk beïnvloed door het boek van J. Barbey d'Aurevilly Du dandyisme et de G. Brummell (1845), dat er een bijna programmatische grondslag aan geeft. De dandy dient zich af te zetten tegen middelmatigheid en uniformiteit. De Franse dandy is vooral te vinden onder kunstenaars en intellectuelen die een individueel estheticisme voorstaan, zoals dat inherent was aan de decadentie van het laatste kwart van de 19e eeuw. Belangrijke Franse dandies zijn Baudelaire en de legendarische Robert de Montesquiou, die model stond voor Des Esseintes in J.-K. Huysmans' A rebours (1884) en voor The picture of Dorian Gray (1891) van de Engelse dandy Oscar Wilde.

In Nederland had het dandyisme invloed op Louis Couperus en Lodewijk van Deyssel, zowel op hun persoon als hun werk, zoals o.m. in respectievelijk Noodlot (1891) en Het leven van Frank Roozelaar (1911) tot uiting komt. Personages in dit werk tonen een hoogst verfijnde smaak, veel aandacht voor uiterlijk en elegantie en een sterk aristocratisch zelfbesef. In samenhang met opvattingen over het symbolisme is er een neiging het leven en de eigen persoonlijkheid tot een kunstwerk te maken.

LIT: Best; Gorp; Metzler; MEW; W. Gaunt. The aesthetic adventure (1945); E. Moers. The dandy, Brummell to Beerbohm (1960); K.A.P. Reynders. ‘Dandies in de literatuur’, in: Roeping 37 (1961), p. 262-272; K.A.P. Reynders. ‘De dandy Couperus witgedast’, in: Bij gelegenheid (1980), p. 28-32; A. Hielkema (red.). De dandy (1989). [G.J. van Bork]

 

danslied

Lied dat men zingt terwijl men danst op de maat van dat lied. Het kan zowel een volkslied-1 als cultuurlied zijn. Veel gebruikte vormen zijn het rondeel en de canon-2, die in principe een ‘perpetuum mobile’ is, zoals:

 Komt laat ons dansen en springen.
 Komt laat ons vrolijk zijn!
  (Nederlands volkslied, z.j., p. 282).

Menig kinderlied is een danslied, zoals het bekende ‘Ik zou zo graag een koeiken kopen’ (D. Kes e.a. Kinderzang en kinderspel, dl. 1, 1961, p. 56).

LIT: Best; Lodewick; Metzler; Wilpert; G. Kalff. Het lied in de Middeleeuwen (1884), p. 500-541; S. Dresden. Algemene muziekleer (197212), par. 23 (vooral p. 264-268). [G.J. Vis]

 

database

Een database (gegevensbank) is een met behulp van computertechniek zodanig georganiseerde en uitbreidbare verzameling van gegevens dat men er gemakkelijk en direct (on line) toegang toe heeft. Automatisering van omvangrijke bibliografieën en catalogi betekent een snellere toegang tot allerlei bibliografische gegevens. In Nederland is door het coördinerend werk van het Centrum voor Bibliotheekautomatisering Pica een databank ontstaan met databases van bibliografische aard. Via Pica zijn o.a. on line beschikbaar de STCN, de BNTL (Bibliografie van de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap), de nationale bibliografie ‘Brinkman’ en de catalogi van een aantal grote bibliotheken.

Via Internet zijn tal van databestanden raadpleegbaar.

LIT: BDI; Brongers; Pica-mededelingen 1 (1976-....); P.S.A. Groot. Documentaire dienstverlening (1981), p. 93-122; D. Overkleeft. Basiskennis informatica, dl. 1 (19824), p. 170-179; O. Boonstra e.a. (red.). Historische informatiekunde. Inleiding tot het gebruik van de computer bij historische studies (1990). [P.J. Verkruijsse]

 

debat

Een gewoonlijk aan bepaalde regels onderworpen openbare discussie tussen twee of meer deelnemers over een bepaald, meestal van te voren vastgesteld onderwerp. Het openbare debat wordt doorgaans ingeleid door een voorzitter. Een bekend literair debat vond onder voorzitterschap van Ischa Meijer plaats te Amsterdam (25 januari 1980) naar aanleiding van Jeroen Brouwers' De Nieuwe Revisor (1979) over ‘de verloedering van de Nederlandse literatuur’. Er is een duidelijke overeenkomst van het debat met de polemiek, waarbij de discussie zich op papier afspeelt.

LIT: Cuddon; Gorp; HWR; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]

 

debuut

Eerste publicatie van een auteur. Die publicatie kan zowel een tijdschriftbijdrage als een boek zijn. Men maakt wel onderscheid naar genre: poëziedebuut, romandebuut, e.a. [G.J. van Bork]

 

decadentie

Term afkomstig uit de 18e eeuw ter aanduiding van het verval van het Romeinse keizerrijk, maar sindsdien breder toegepast op elke veronderstelde neergang van een cultuur. Aan het einde van de 19e eeuw, het fin de siècle, werd er de levenshouding mee aangegeven van een groep kunstenaars die een sterke onafhankelijkheid van de kunst nastreefden onder de leuze l'art pour l'art. Kunst moest los staan van de realiteit en uitsluitend esthetisch gericht zijn. Dit leidde tot een uiterste verfijning van de esthetische prikkels en de ontvankelijkheid daarvoor: het estheticisme.

In Frankrijk ontstond een groep schrijvers die men decadenten noemde ( Baudelaire, Verlaine, e.a.) die zich in leven en werk uitsluitend door de schoonheid lieten leiden. Er is een nauwe samenhang met het symbolisme, omdat het ‘hogere’ in zijn essentie zich volgens de symbolisten alleen in de Schoonheid van de kunst liet weerspiegelen.

Ook allerlei sexueel-morbide trekken zijn in het decadentisme aan te wijzen, herkenbaar in de neiging om de uitersten van leven en dood, pijn en liefde, moraal en immoraliteit met elkaar te verbinden. Dergelijke verschijnselen werden sterk gevoed door het idee aan het ‘einde der tijden’ te staan.

Een sublieme verbeelding van de decadente sfeer aan het einde van de 19e eeuw gaf J.-K. Huysmans in A rebours (1884), waarin de hoofdpersoon Des Esseintes zich afsluit van de buitenwereld in zijn villa, waarin hij opgaat in een sterk artificiële en tot het uiterste door esthetiek bepaalde atmosfeer en waarin hij op een bijna mystieke wijze zijn zintuigen laat prikkelen door interieur, kunst, gebruiksvoorwerpen en allerlei fijnzinnige vondsten. Niet toevallig wordt Des Esseintes getekend naar het Franse voorbeeld van het dandyisme, De Montesquiou.

In Nederland vond de decadentie in de literatuur vooral navolging onder de Tachtigers (bijv. Lodewijk van Deyssel) en bij Louis Couperus. Invloed ervan onderging ook het schrijverscollectief Joyce en Co., bijv. in Erwin (1974).

LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Gorp; HWR; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; W. Gaunt. The aesthetic adventure (1945; 19752); A. Balakian. The symbolist movement (1967); Ph. Jullian. Decadente dromers (1973); J. Fontijn. Leven in extase (1983); J. Goedegebuure. Decadentie en literatuur (1987); M. Praz. Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek (1990). [G.J. van Bork]

 

decasyllabe

Term uit de prosodie ter aanduiding van een isosyllabisch vers bestaande uit tien lettergrepen. Het heeft een pauze na de vierde lettergreep (cesuur). Soms heeft de decasyllabe de pauze na de zesde lettergreep. De vierde en de tiende lettergreep zijn dikwijls geaccentueerd (accent). Men vindt de decasyllabe in het Oudfranse chanson de geste, en later in Engeland o.a. bij Milton. In de Nederlandse literatuur komt de decasyllabe sporadisch voor. Maar men zou de volgende regel uit Verwey's ‘Cor cordium’ als zodanig kunnen typeren:

 Al hun gebed, dat úw Koninkrijk koom,
 ( A. Verwey. VG, 1889, p. 146).

LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

decimo-sexto zie sedecimo

declamatie of voordrachtskunst

Aanduiding voor de gestileerde voordracht van teksten, inclusief de dictie, en als zodanig vergelijkbaar met de pronunciatio. Bij het voordragen heeft men rekening te houden met die aspecten die ook in de gesproken omgangstaal een rol spelen, zoals luidheid (volume), toonhoogte, duur en tempo van de lettergrepen, woorden en woordgroepen, alsmede met de pauzes tussen de onderdelen. Bij voordracht van poëzie dient men speciaal te letten op het feit dat de tekst uit verzen bestaat. Het regeleinde (al dan niet van eindrijm voorzien) als ook de syntactische groepering van de zinnen over de regel(s) en de daarmee samenhangende relatie tussen versregelgrenzen en syntactische grenzen stellen bijzondere eisen aan de voordracht.

Historisch gezien zou men kunnen zeggen dat de declamatie een voorgeschiedenis heeft in de vorm van de niet-gestileerde voordracht van teksten. Deze was in de Middeleeuwen noodzakelijk als vorm van tekstoverdracht. In de loop van de 16e eeuw maakte het oude type luisterpubliek langzamerhand plaats voor de individuele lezer. Dit betekent geenszins dat de voordracht van teksten verdween. Deze kreeg nieuwe mogelijkheden in de vorm van declamatie. De vooral in de Zuidelijke Nederlanden bloeiende rederijkerskunst vond een rechtstreekse voortzetting in de amateurgezelschappen, die tot in de 19e eeuw actief bleven. In diezelfde eeuw kwam in het Noorden de ‘uiterlijke welsprekendheid’ tot grote bloei, o.m. in de dichtgenootschappen. Dat declamatie toen zeer in de mode was, valt bijv. af te leiden uit het ‘avondje’ in het verhaal ‘De familie Stastok’ uit Hildebrands Camera obscura (1839), waar het ‘Rijntje’ (= ‘Aan den Rhijn’ van E.A. Borger) wordt voorgedragen. De bloei van de orale cultuur in de 19e eeuw blijkt uit het feit dat een groot deel van de poëzieproductie eerst in mondelinge voordrachten gepresenteerd wordt voordat de teksten in druk verschijnen. Wat de 20e eeuw betreft, valt te wijzen op de populariteit van het voorlezen uit eigen werk. Poëziefestivals, waarvan Poetry International een van de bekendste is, genieten een grote belangstelling.

LIT: Gorp; HWR; Laan; Wilpert; B. Verhagen. Prosodie der voordrachtskunst (19242); C.F.P. Stutterheim. Conflicten en grenzen (1963), p. 115 e.v.; M.G.M. van der Poel. De declamatio bij de humanisten (1987); W. van den Berg. ‘Van horen zeggen’, in: J.J. Kloek en W.W. Mijnhardt. De produktie, distributie en consumptie van cultuur (1991), p. 49-70; Rederijkers op rij, themanr. De Negentiende Eeuw 16 (1992), 4, p. 163-224; W. van den Berg. ‘B.H. Lulofs publiceert De Declamatie; of de kunst van het declameren of reciteren’, in: M.A. Schenkeveld-van der Dussen (red.). Nederlandse literatuur, een geschiedenis (1993), p. 473-478. [G.J. Vis]

 

deconstructivisme

Aanduiding voor een bepaalde leeswijze van zowel filosofische als literaire teksten. De Franse filosoof Jacq. Derrida heeft deze leeswijze voor het eerst gevolgd bij de analyse van teksten van Plato, Kant, Rousseau, Hegel, Husserl, Freud, De Saussure e.a. waarin hij probeerde te laten zien dat de retorische stijlmiddelen de argumentatieve structuur van hun betogen ondermijnden. Derrida ontleedde het hiërarchische begrippensysteem waarop deze betogen gebouwd zijn (bijv. ‘oorzaak-gevolg’, ‘vorm-inhoud’, ‘spreken-schrijven’, ‘signifié-signifiant’). Hij laat zien dat steeds een van de termen wordt bevoorrecht en de andere als afgeleide wordt gezien. Deze hiërarchische begrippensystemen zouden onze ideologische en metafysische vooronderstellingen representeren die door Derrida worden aangeduid als logocentrisch. De tweede stap in de analyse van de filosofische betogen bestaat erin te laten zien hoe de formele stijlmiddelen, waarvan in de betogen gebruik wordt gemaakt om de ideeën uiteen te zetten, de duidelijkheid van deze theorieën ondermijnen. Deconstructie moet dan ook niet opgevat worden als een interpretatieve methode die de betekenis van een betoog probeert vast te leggen, maar het demonstreert de moeilijkheden van elke theorie waarmee men probeert die betekenissen op een eenduidige manier vast te leggen. Derrida let op aspecten die voor de uiteenzetting van de ideeën marginaal zijn (bijv. de metafysische uitdrukkingen, zelfverwijzende zinnen), maar die de hiërarchische systemen op hun kop zetten. Hij laat zien dat betogen die op eenduidigheid uit zijn, toch altijd op meerduidigheid berusten.

Voor de literatuurkritiek is het deconstructivisme van invloed geweest op het tekstbegrip dat niet zoals in de ergocentrische en structurele benaderingen als een organisch samenhangend geheel van taaltekens wordt opgevat, maar als een open netwerk. De genoemde benaderingen zien tekst als primair en context als secundair begrip. Derrida heeft laten zien dat deze hiërarchie grote problemen oplevert. Hij ziet elke tekst als een intertekst. Anders dan de structuralisten is Derrida van mening dat de betekenis van teksten niet vastligt in de structuur, maar dat elke interpretator een eigen structuur zal aanwijzen, dat interpretaties voortdurend in beweging blijven en dat dus de betekenis van een tekst onvast is. Alle teksten maken deel uit van een groter tekstengeheel. Betekenis ontstaat door verwijzing naar andere betekeniselementen die op hun beurt ook weer bepaald worden door een relatie met andere betekeniselementen. Op die manier bestaat er in feite een keten van verwijzingen waardoor de betekenissen niet alleen telkens worden bijgesteld of verfijnd, maar waardoor ze ook wijkend of onvast worden. De taal vertoont in deze opvatting dan ook geen vaste verhouding tot de realiteit, maar bepaalt zijn verhouding tot de realiteit telkens opnieuw. Een objectieve beschrijving van de realiteit is onmogelijk, zoals ook een objectieve vaststelling van de betekenis van een beschrijving zelf onmogelijk is. Taal is gevangen in zichzelf. Er bestaat geen waarheid, zelfs niet die van het individu, omdat ook het denken zich in taal voltrekt en dus een onvast, wijkend ik-beeld oplevert.

Voor de literatuurbeschouwing heeft deze denkwijze belangrijke implicaties. De leeswijze van teksten concentreert zich op de ‘openheid’ van de tekst, d.w.z. op het feit dat de tekst geen gesloten of statische structuur heeft, maar juist openstaat voor verschillende interpretatiemogelijkheden, bijv. in relatie tot andere teksten die mede zijn betekenis bepalen. Een tekst kan alleen gelezen worden in relatie tot en verweven met andere teksten waarvan hij niet alleen de voortzetting, maar ook de verwerker en bewerker is. Op dit punt wordt het verband met een discipline als intertekstualiteit duidelijk.

De deconstructivist vat het onbekende op als afwijkend en zal trachten aan te tonen hoe een tekst van andere teksten verschilt, bijv. omdat hij een transformatie is van andere teksten en tevens een doorkruising of ontkenning van bestaande (lezers)conventies. De tekst is in de praktijk geladen met een hiërarchie aan betekenissen die door de deconstructivist worden opgespoord en onthuld.

De metafoor is een van de geliefde aanknopingspunten voor de deconstructivisten, omdat daaraan de verschuiving van betekenissen valt te demonstreren. Maar ook dubbelzinnigheid, woordspel, groteske, parodie en soortgelijke vormen geven zulke aanknopingspunten. Maar in principe kan elke tekst gedeconstrueerd worden.

Een goed voorbeeld van een deconstructieve lezing is Paul Claes' bespreking van het gedicht ‘In memoriam P. van Delft’ van Hans Faverey in Spektator 15 (1985-1986), p. 161-171. De ‘constructieve’ lezing begint doorgaans met het herkennen van het bekende en tracht vervolgens het onbekende hieraan zo te relateren dat het een logische samenhang en daarmee een betekenis krijgt. Claes gaat in zijn deconstructieve lezing uit van het onbekende en laat zien hoe de tekst van andere, bestaande teksten verschilt en zo een transformatie vormt van die bestaande teksten en tevens een transformatie is van leesconventies.

Er is een duidelijke en aantoonbare samenhang tussen deze ideeën van het poststructuralisme of het deconstructivisme en de opvattingen van bepaalde groepen postmodernistische auteurs (postmodernisme).

LIT: Baldick; Bronzwaer; Fowler; Gorp; J. Derrida. De la grammatologie (1967); R. Barthes. Le plaisir du texte (1973); J. Culler. On deconstruction. Theory and criticism after structuralism (1982); C. Norris. Deconstruction. Theory and practice (1982); Chr. van Boheemen-Saaf. ‘Deconstructivisme’, in: R.T. Segers (red.). Vormen van literatuurwetenschap (1985), p. 229-247; Chr. van Boheemen e.a. ‘Tegendraads lezen’, in: De Gids, 149 (1986), p. 827-859; O. Heynders. ‘Het spel van de tekst. Deconstructie in Nederland’, in: Spektator, 17 (1987-1988), p. 512-524; M.B. van Buuren. Filosofie van de algemene literatuur-wetenschap (1988), p. 116-122; H. Bertens en Th. D'Haen. Het postmodernisme in de literatuur (1988), p. 50-67. [G.J. van Bork]

 

decoratie

Verzamelnaam voor alle handgemaakte versieringen in middeleeuwse handschriften (codex) en vroege drukken (incunabel). Deze versieringen werden na het afschrijven (afschrijven-1) van de tekst in het handschrift aangebracht, vaak door specialisten: de rubricator voor lombarden en initialen-1, de miniaturist voor de miniaturen. Het kwam zelfs voor dat de decoratie pas veel later, bij het overgaan van een boek naar een andere bezitter of bij een veranderde mode, werd geschilderd of ingeplakt.

De decoratie van een handschrift biedt veel mogelijkheden tot de datering en localisering van middeleeuwse handschriften: de verandering van de schriftsoorten geschiedde veel geleidelijker dan de wisselingen van de mode in de verluchting. Miniaturen zijn vaak tot op een decennium nauwkeurig te dateren, terwijl het schrift meestal niet nauwkeuriger dan tot op een kwart eeuw te bepalen is.

Decoratie zegt niet alleen veel over de waarde van een handschrift - hoe kostbaarder de decoratie des te duurder de codex -, maar ook over het belang van de tekst. De lezer werd op belangrijke tekstpassages gewezen door de uitvoering van de decoratie: de aanwezigheid van een miniatuur of een grote initiaal wijst op een belangrijk stuk tekst, een kenmerkende of extra uitbundige randversiering op een bepaalde bladzijde kan eveneens op een belangrijke passage wijzen. Binnen de decoratietechnieken zijn rangordes aan te wijzen: het belangrijkst zijn de miniaturen, dan volgen de initialen en dan de lombarden, terwijl ook de uitvoering van versierde randen en het penwerk (de met de pen getekende versiering in en om initialen, lombarden en randen) een rol speelt.

LIT: Wilpert; K. Weitzmann. Illustrations in Roll and Codex. A Study of the Origin and Method of Text Illustration (19702); F. Unterkircher. Die Buchmalerei. Entwicklung, Technik, Eigenart (1974); J.D. Farquhar. The Manuscript as a Book (1977); J.M.M. Hermans. Het Zutphens-Groningse Maerlanthandschrift. Studies rond handschrift 405 van de Universiteitsbibliotheek te Groningen (1979); Kriezels, aubergines en takkenbossen. Randversiering in Noordnederlandse handschriften uit de vijftiende eeuw, o.r.v. Anne S. Korteweg (1992). [H. Struik]

 

decorum zie aptum

dedicatie zie opdracht

deelwerk

Bibliotheektechnische term voor een werk met een afgerond aantal delen, waarvan alle delen door dezelfde auteur of auteurs zijn geschreven. Vervolgwerken van verschillende auteurs onder redactiebegeleiding worden kaderwerken genoemd.

Voorbeelden van neerlandistische deelwerken zijn de literaire handboeken van G. Kalff. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde (7 dln., 1906-1912), J. te Winkel. De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde (2e dr., 7 dln., 1922-1927) en G.P.M. Knuvelder. Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde (5e dr., 4 dln., 1970-1976).

LIT: Regels voor de titelbeschrijving (196811), p. 30. [P.J. Verkruijsse]

 

definitie

Term uit de wetenschapsleer en de methodologie van de literatuurwetenschap voor de omschrijving van een begrip in ondubbelzinnige termen. Die omschrijving mag geen gebruik maken van de termen die al in het te omschrijven begrip zelf aanwezig zijn. Definities bestaan uit een term waarvan de betekenis moet worden bepaald (het definiendum), de gegeven omschrijving (het definiens) en een aantal verbindingswoorden. Een voorbeeld van een definitie is: Een verhaal (definiendum) is ‘een op een bepaalde wijze gepresenteerde geschiedenis’ (definiens). Het hier gegeven voorbeeld kan zowel een stipulatieve als een beschrijvende definitie worden genoemd. Wordt deze definitie opgevat als een stipulatieve definitie dan is er sprake van een (werk)afspraak. Stipulatieve definities hebben tot taak het gebruik van een term voor bepaalde doeleinden vast te leggen, bijv. in deze zin: Ik stel voor om onder ‘verhaal’ in het nu volgende ‘een op bepaalde wijze gepresenteerde geschiedenis’ te verstaan.

In een beschrijvende of descriptieve definitie wordt getracht de betekenis van een begrip als algemeen geldend en ondubbelzinnig te beschrijven. De meeste lexica of encyclopedieën maken gebruik van dit type definities. Het belangrijkste verschil tussen een stipulatieve en een beschrijvende definitie is dat de eerste slechts een beperkte waarheidswaarde heeft en de tweede naar absolute waarheid streeft.

Bij de descriptieve definitie doet zich het probleem voor dat de termen van het definiens eigenlijk op hun beurt ook weer gedefinieerd zouden moeten worden om tot die algemene geldigheid te kunnen komen, zodat een oneindige reeks definities zou ontstaan.

Een derde type definitie is de wezensdefinitie. Daarbij tracht men het meest eigene of het als het belangrijkste beschouwde van een bepaald begrip te formuleren. Een voorbeeld van zo'n definitie is: Romantiek wordt in feite bepaald door gevoel en verbeelding. Hoewel ook deze definities pretenderen waar te zijn, is er geen mogelijkheid om het waarheidsgehalte ervan te toetsen. Wezensdefinities (of reële definities, zoals ze ook wel genoemd werden) doen een beroep op een bovenzinnelijk kenvermogen en waren dan ook zeer gebruikelijk in de Geistesgeschichte. In de moderne wetenschap spelen ze vrijwel geen rol meer.

Een belangrijke groep definities zijn de operationele definities. Dit type definities speelt een grote rol in de exacte wetenschappen, maar is voor de empirische wetenschapsbeoefening in het algemeen onmisbaar bij de classificatie van verschijnselen. Operationele definities berusten op formuleringen waarmee de onderzoeker kan handelen, d.w.z. door metingen, proefnemingen, berekeningen en wat dies meer zij (dus op basis van objectieve gegevens) tot toetsing kan komen. Een voorbeeld van een operationele definitie is: A is langer dan B.

Soms spreekt men ook wel van persuasieve definities. Daarbij wordt een negatieve of positieve waarde aan het te omschrijven begrip toegekend. Het spreekt vanzelf dat bij een dergelijke definitie de waarheidsvraag nauwelijks een rol speelt.

LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; HWR; LdMA; Shipley; Wilpert; R. Robinson. Definition (1950); R.F. Beerling e.a. Inleiding tot de wetenschapsleer (1970), p. 121-131; A.D. de Groot. Methodologie (19726); K.D. Beekman. De reportage als literair en avantgardistisch genre (1984), p. 19-22; E. Viskil. Definiëren. Een bijdrage tot de theorievorming over het opstellen van definities (1994). [G.J. van Bork]

 

delectare

Term uit de retorica ter aanduiding van een van de belangrijkste middelen van de redenaar om zijn gehoor te overtuigen (ars persuadendi). Het gaat bij de delectatio om de affectieve werking op het publiek. Deze dient te worden gecombineerd met de meer intellectuele middelen die de redenaar hanteert (vgl. argumentatio, docere, probare). Ook de dichtkunst in het algemeen krijgt vanouds de functie van het appelleren op de affectieve vermogens van de recipiënt, het behagen. Horatius vat het intellectuele en het emotioneel-behagende samen in het utile dulci.

LIT: Lausberg. [G.J. Vis]

 

demonstratio

Term uit de poëtica voor een gedetailleerd en levendig verslag.

LIT: Gorp; Lausberg. [W. Kuiper]

 

denotatie

De taalkundig (lexicaal) vast omschreven betekenis van een woord, zoals die gebruikt wordt in de eenduidige omgangstaal of in de wetenschap. Als cognitieve betekenis van een woord staat denotatie tegenover connotatie, waarin de emotionele en/of sociaal-culturele aspecten van de betekenis prevaleren.

LIT: Buddingh'; Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Scott; G.E. Booij e.a. Lexicon van de taalwetenschap (19802). [G.J. Vis]

 

dénouement

Term voor de afloop van een toneelstuk na de beslissende wending, de peripetie, of voor ontknopingen in proza, soms alleen voor de uiteindelijke oplossing van de verwikkelingen (plot) helemaal aan het eind van een drama, verhaal of roman. De term catastrofe betekent hetzelfde, maar wordt alleen gebruikt voor de klassieke tragedie of komedie.

LIT: Cuddon; Fowler; Gorp; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]

 

deprecatio

Term uit de retorica, speciaal uit het genus iudiciale, voor het vragen van vergiffenis zonder overigens schuld of opzet te ontkennen. Het is dan ook een veel zwakkere verdediging dan de purgatio, waarbij vergiffenis gevraagd wordt omdat men uit onwetendheid iets gedaan heeft.

Een geval van deprecatio kan men aantreffen in P.C. Hoofts Geeraerdt van Velsen (1613, ed. Leendertz/Stoett, 1900, p. 259-261), waar Floris tegen Van Velsen zegt:

 Ick deed u onghelijck, och, neef van Velsen, och!

en

 Ach Velsen! gheeft mijn pays; siet hoe ick my verneder.

LIT: Best; HWR; Lausberg; Leeman-Braet; Metzler. [P.J. Verkruijsse]

 

dérimage zie ontrijming

descriptie zie beschrijving-1

descriptieve bibliografie

Bibliografie waarin de resultaten neergelegd worden van het onderzoek van de analytische bibliografie: na de analyse van het boek als materieel object volgt de descriptie van de bevindingen. In een descriptieve bibliografie wordt op basis van de beschrijvingen van afzonderlijke exemplaren-1 per druk een ideal copy beschreven.

De beschrijvingen van de ideal copies in een descriptieve bibliografie omvatten, enigszins afhankelijk van de aard van het materiaal, een transcriptie of facsimile van de titelpagina's, een opgave van het bibliografisch formaat, de collatieformule en paginering, een overzicht van prenten, een inhoudsopgave, een lijst van gecollationeerde exemplaren, een variantenoverzicht en commentaar in verband met de drukgeschiedenis. Voorbeelden zijn de descriptieve bibliografieën van Mattheus Smallegange (1983), Johan de Brune de Oude (1988) en het Journael van Bontekoe (1996).

LIT: BDI; Feather; F. Bowers. ‘Purposes of descriptive bibliography, with some remarks on methods’, in: The Library, 5th series, 8 (1953), p. 7; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 321-322; P.J. Verkruijsse. Mattheus Smallegange (1624-1710) (1983), p. 19-51; A.O. Kouwenhoven. Handboek bibliografie (1995), p. 11. [P.J. Verkruijsse]

 

destinataris

Term uit de codicologie voor degene voor wie een tekst of codex bestemd is of aan wie hij wordt opgedragen. Als de destinataris al genoemd wordt, gebeurt dit meestal in de proloog. Zo schrijft Jacob van Maerlant in de beginregels van de Spiegel historiael:

 Grave Florens, coninc Willems sone,
 Ontfaet dit werc! Ghi waert deghone,
 Die mi dit dede anevaen.
 (Ed. De Vries e.a., 1863, I, 1, proloog, 93-94).

Soms wordt de destinataris in de epiloog genoemd, zoals Jan van Boendale doet in zijn Der leken spiegel (overigens is de hier aangesproken hertog Jan III van Brabant niet de opdrachtgever; die eer komt volgens de proloog toe aan Rogier van Leefdale en zijn vrouw Agnes van Kleef):

 Edel here, machtech ende hoge,
 Lottrijcs, Brabants, Lymborchs hertoghe,
 Van Valckenborch daertoe mere,
 Van Hoesdeine ende van Breda here,
 [...]
 Here, desen boec ende dit werc
 Soe gheeft u Jan, u arme clerc,
 Uwer heerleker ghewelt nu.
 (ed. De Vries, dl. 3, 1848, p. 277, vss. 15-18, p. 278, 23-25).

De naam van de destinataris kan ook in de vorm van een acrostichon in het werk verwerkt zijn. De openingsletters van de tien boeken van Alexanders geesten van Jacob van Maerlant vormen achter elkaar geplaatst het acrostichon GHEILEHIDA. In zijn epiloog vertelt Van Maerlant echter dat de beginletters van zes boeken als een anagram gelezen moeten worden (ed. Franck, 1882, p. 392-393, vss. 1513-1524). Het is mogelijk dat Van Maerlant Machteld van Brabant bedoelde, de grootmoeder van Floris V. Van Oostrom heeft echter aannemelijk gemaakt dat Aleide, tante en voogdes van Floris, de destinataris van Alexanders geesten is geweest.

In verluchte handschriften kan het familiewapen of zelfs een portret van de destinataris in het boek geschilderd zijn.

De destinataris hoeft niet de opdrachtgever van het werk te zijn geweest; de schrijver kan het werk ook aan iemand opgedragen hebben om de aandacht van de begunstigde persoon op zich te vestigen.

LIT: H.C. Peeters. ‘Nieuwe inzichten in de Maerlant-problematiek’, in: Handelingen Kon. Zuidned. Maatsch. voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis 18 (1964), p. 249-285; W.P. Gerritsen. ‘Wat voor boeken zou Floris V gelezen hebben?’, in: Floris V. Leven, wonen en werken in Holland aan het einde van de 13e eeuw. (1979), p. 71-86; F.P. van Oostrom. ‘Maecenaat en Middelnederlandse letterkunde’, in: J.D. Janssens (red.). Hoofsheid en devotie in de middeleeuwse maatschappij (1982), p. 21-40; F. van Oostrom. Maerlants wereld (1996), p. 103-113. [W. Kuiper/H. Struik]

 

detectiveroman of speurdersroman

Roman waarin het oplossen van de vraag naar de dader van een misdrijf, meestal een moord, door intelligent speurwerk van een detective of politierechercheur centraal staat. In het Engels heeft men daarom het genre ook wel aangeduid met de term ‘whodunit’. In de meeste detectives wordt de spanning veroorzaakt door het feit dat er een aantal mogelijke verdachten is en de auteur de lezer blijft boeien d.m.v. suspense: suggesties waardoor de lezer bepaalde verwachtingen over de afloop gaat koesteren.

De detectiveroman behoort tot het genre van de misdaadromans of misdaadverhalen. Men maakt soms onderscheid tussen detectiveromans of speurdersromans, waarin steeds een particuliere of amateurdetective het raadsel oplost, en politieromans, waarin de misdaad opgehelderd wordt door de politie. Vanwege de spanning worden detectives ook wel als thrillers aangeduid, evenals de spionageroman en het griezelverhaal. Een speciale vorm van de detectiveroman is de dossierroman.

De grondslag voor de detectiveroman werd gelegd door Edgar Allen Poe (1809-1849) met The murders in the rue Morgue (1841) en The mysterie of Mary Roget (1845). Wereldberoemd werden de verhalen van A. Conan Doyle (1859-1930) met de amateurdetective Sherlock Holmes en diens assistent Watson, prototypes voor latere speurdersromans. In Amerikaontwikkelde het 20e-eeuwse misdaadverhaal zich steeds meer van de echte speurdersroman, waarin intelligentie van de detective en een ingenieuze redenering aan het slot ter opheldering van het mysterie een belangrijke rol speelden, in de richting van het ‘hard-boiled’ misdaadverhaal, spelend in de onderwereld (het misdaadsyndicaat). Schrijvers hiervan zijn bijv. Dashiell Hammett en Raymond Chandler.

Nederlandse detectiveschrijvers zijn o.m. Robert van Gulik, die zijn Rechter Tie-mysteries aanvankelijk in het Chinees, Japans en Engels publiceerde, Willy Corsari, F.R. Eckmar (= Jan de Hartog), Ivans (= I. van Schevichaven), Havank (= H. van Kallen) en A. Baantjer.

Jarenlang werden detectiveromans beschouwd als triviaalliteratuur. Nu de grenzen tussen lectuur en literatuur niet meer zo scherp getrokken worden, heeft de detectiveroman een plaats in de literatuur verworven, mede onder invloed van het feit dat auteurs van naam aandacht aan het genre besteedden, hetzij doordat ze zelf detectiveverhalen schreven ( S. Vestdijk, Ab Visser), hetzij doordat ze erover schreven ( E. du Perron, S. Vestdijk en Ab Visser).

LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; W.H. van Eemlandt. ‘Het verhaal van de misdaad’, in: Vandaag 4 (1956), p. 173-207; S. Dresden en S. Vestdijk. Marionettenspel met de dood (1957); J. Symons. Moord en doodslag. Een geschiedenis van het misdaadverhaal (1976); J. van der Weide. Detective en anti-detective: narratologie, psychoanalyse, postmodernisme (1996). [G.J. van Bork]

 

determinisme

Denkrichting waarin men ervan uitgaat dat de mens bepaald is door materiële omstandigheden, waarvan de belangrijkste factoren erfelijkheid en milieu zijn. Deze opvatting vindt zijn oorsprong in het positivisme van de 18e eeuw, een wetenschapsopvatting die vooral in de 19e-eeuwse empirische wetenschapsbeoefening van de natuurwetenschappen grote resultaten geboekt heeft. Charles Darwins evolutieleer, uiteengezet in The origin of species by means of natural selection (1859) legde de grondslag voor het determinisme in de menswetenschappen van het laatste kwart van de 19e eeuw. Voor de literatuur speelde het determinisme een belangrijke rol in het naturalisme; in Frankrijk bij o.m. Emile Zola en de gebroeders De Goncourt, in Nederland bij o.m. Jan ten Brink, Arij Prins, Frans Netscher en Marcellus Emants. Omdat de mens zijn milieu nauwelijks en zijn erfelijke factoren niet kan beïnvloeden, leidde het determinisme bij veel naturalistische auteurs uiteindelijk, mede onder invloed van het fin de siècle, tot fatalisme, zoals in Louis Couperus' Noodlot (1890).

LIT: Laan; MEW; Shipley; J. de Graaf. Le réveil littéraire en Hollande et le naturalisme français (1880-1900) (1937); G. Kazemier. De roman als levensspiegel (1950); I.N. Bulhof. Darwins Origin of Species: Betoverende wetenschap (1988). [G.J. van Bork]

 

detractio

Term uit de retorica voor het weglaten van een onderdeel van een groter geheel, hetzij in kwantitatief, hetzij in intensief opzicht. Naast adiectio, transmutatio en immutatio is de detractio één van de vier wijzigingsmogelijkheden binnen de dispositio. Al naar gelang de plaats waar iets weggelaten wordt, heet de detractio aphaeresis (aan het begin), syncope (in het midden) of apocope (aan het eind). De vermindering van de intensiteit van een mededeling kan gebeuren in de amplificatio. In de prosodie gebruikt men voor het weglaten van klanken de term elisie.

LIT: Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]

 

deus ex machina

Term uit de dramaliteratuur waarmee wordt aangegeven dat er een hogere macht (god, engel) optreedt, die door middel van een toestel (machina) op het toneel wordt neergelaten of verheven, om een soort eindoordeel over de handeling uit te spreken. Vaak heeft de deus ex machina de bedoeling een moraal aan het stuk te verbinden of een scheidsrechterlijk oordeel uit te spreken, waardoor de ontknoping alsnog wordt bewerkstelligd. De deus ex machina wordt dan ook vaak gezien als een noodgreep van de auteur om aan het slot van het stuk alsnog tot een aanvaardbare oplossing te komen, maar dit betekenisaspect is sterk afhankelijk van de tijd en de dan geldende opvattingen over het toneel. In het klassieke Griekse toneel ( Euripides) was het gebruik van de deus ex machina heel normaal. Een bekend Nederlands voorbeeld is de aartsengel Rafaël in Vondels Gysbrecht van Aemstel (1637).

LIT: Abrams; Baldick; Bergh; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]

 

deuteragonist

Oorspronkelijk de speler in het Attische drama die de tweede is in belangrijkheid en als zodanig de tegenspeler of antagonist van de hoofdpersoon of protagonist. Uit de samenspraak van de deuteragonist en protagonist ontstaat de dramatische dialoog. In G.A. Bredero's Spaanschen Brabander (1617) is Robbeknol naast Jerolimo de tweede hoofdpersoon en daarmee de deuteragonist. In de dramatheorie geeft men echter de voorkeur aan de term antagonist.

LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Wilpert. [G.J. van Bork]

 

devies-1 zie impresa

devies-2 zie zinspreuk-2

devotielied

Godsdienstig lied uit de late 15e eeuw dat aan de schriftuurlijke liederen vooraf zou zijn gegaan. Doorgaans worden deze liederen in verband gebracht met de Moderne Devotie. In 1539 verscheen de belangrijkste gedrukte verzameling in Een devoot ende profitelijck boecxken. De meeste van deze liederen werden gedicht op bestaande melodieën van wereldlijke liederen (contrafact).

Van de schriftuurlijke liederen onderscheiden deze liederen zich doordat er geen bijbelse stof in wordt verwerkt (al kunnen er wel bijbelcitaten in voorkomen). Ze getuigen daarentegen veeleer van een persoonlijke religiositeit. De teksten behoren tot de religieuze poëzie.

LIT: A. Vernooij. Het rooms-katholieke devotielied in Nederland vanaf 1800 (1990); J.W. Bonda. De meerstemmige Nederlandse liederen van de vijftiende en zestiende eeuw (1996), p. 211-213, 263-269. [G.J. van Bork]

 

diacope of tmesis

Vorm van Distanzstellung bestaande uit splitsing van een onscheidbaar woord en tussenvoeging van één of meer woorden, bijv.

 In ouden tyd in Frankenland
 Een goelyk Maagdske leefde,
 Die al de Maagdkens van het land,
 In schoonheid over - (zegt de Kwant
 Hy meent, te boven) streefde.
 ( J. Kinker. De verlichte muze, ed. Vis, 1982, p. 53).

Het gaat in dit voorbeeld om de door Kinker tussen haakjes geplaatste woorden tussen ‘over’ en ‘streefde’.

LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lausberg; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

diacritische tekens-1

In de editietechniek gebruikt men bij het editeren van handschriftelijke teksten, met name voor een diplomatische of een archiefeditie, een aantal tekens om aan te geven dat er op paleografisch, manuscriptologisch of codicologisch gebied bepaalde problemen zijn. Door combinaties van de drie basistekens: <>, [ ] en *.*, kan men verschillende soorten toevoegingen, weglatingen en onzekere lezingen weergeven.

Bij het editeren van de klassieken was een aantal diacritische tekens al lang in gebruik; een daarop geïnspireerd systeem werd in 1950 door Masai ook voorgesteld voor modernere teksten en vervolgens door W.Gs Hellinga de neerlandistiek ingebracht met het doel deze tekens te gebruiken voor de nieuwe P.C. Hooft-editie. In de Proeven van tekst en commentaar voor de uitgave van Hoofts lyriek (2 dln., 1961, 1968) zijn ze inderdaad ook toegepast, maar daarvóór gebeurde het al - met de nodige variatie - in een aantal delen uit de serie Zwolse drukken en herdrukken. H.M. Hermkenshad intussen in zijn dissertatie (Bijdrage tot een hernieuwde studie van C. Huygens' gedichten, 1964) weer een afwijkend systeem gehanteerd. In het Duitse taalgebied ontwikkelde de ‘Editionstechnik’ zich tot een specialisme, waarvan de bundel opstellen Texte und Varianten (1971) een overzicht biedt. Daar is men duidelijk geneigd om de diacritische-tekensystemen steeds verder uit te bouwen en te gebruiken, geïntegreerd in de tekst. In Nederland verwijst men de diacritische tekens gewoonlijk naar de voetnoten of naar paleografische en manuscriptologische aantekeningen.

Een overzicht van een aantal gebruikte systemen geeft Marita Mathijsen in Naar de letter. Handboek editiewetenschap (19972).

LIT: Mathijsen; P.J. Verkruijsse. ‘Over diplomatisch editeren van handschriften en het gebruik daarbij van diacritische tekens’, in: Spektator 3 (1973-1974), p. 325-346. [P.J. Verkruijsse]

 

diacritische tekens-2

Tekens die worden toegevoegd aan een letter om een nieuw spellingssymbool te krijgen, zoals accent aigu ('), accent grave (`), accent circonflexe (^), trema of Umlaut (") en cédille (,).

LIT: Baldick; Brongers; MEW; G.E. Booij e.a. Lexicon van de taalwetenschap (19802), p. 70. [P.J. Verkruijsse]

 

diaeresis

Term uit de prosodie voor een pauze tussen twee versvoeten, bijv.

 't Is groot,// der menschheid waard,// verheven
 ( J. Kinker. Gedichten, dl. 1, 1819, p. 144).

In dit voorbeeld valt de pauze tussen de eerste en de tweede jambe, en tussen de derde en de vierde. Sommigen hanteren de term diaeresis tevens als synoniem van accumulatio en van cesuur en syncope.

LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Cuddon; Dupriez-1; Gorp; HWR; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

dialectica

Eén van de drie (trivium) theoretische of ‘literaire’ vaardigheden binnen de zeven vrije kunsten (artes liberales). Leerde de grammatica correct taalgebruik, de retorica welsprekendheid, de dialectica verschafte regels om tot verantwoorde argumentatie te komen.

De eerste Nederlandse dialectica is het Ruygh-bewerp vande redenkaveling ofte Nederduytsche dialectike (1585) uit de kring van de Amsterdamse rederijkerskamer In Liefd' Bloeyende, ‘de welcke is een rechtsnoer, om van alle dingen bewyslick ende onderscheydlick te spreken, oock waarheid van valsheid te scheyden, in alle twistredening hooghnut ende nodigh zynde’, aldus de ondertitel. Het Ruygh-bewerp werd vergezeld van een Kort begrip des redenkavelings op rijm. Daarna volgden dialectica's van Simon Stevin (1585), Bartholomeus Keckermann (1614), Petrus Ramus (1644), A.L. Kók (1646) en Petrus Molinaeus (1649).

LIT: Cuddon; Curtius; Lausberg; Leeman/Braet; Scott; Shipley; H. Klifman. Studies op het gebied van de vroegnieuwnederlandse triviumtraditie (ca. 1550-ca. 1650) (1983). [P.J. Verkruijsse]

 

dialectliteratuur

Literatuur die geheel geschreven is in één van de lokale of regionale varianten van de algemene omgangstaal (het ABN). Weliswaar wordt ook in de literatuur in de algemene omgangstaal vaak gebruik gemaakt van dialect - meestal omwille van het realiteitsgehalte of de couleur locale - maar ter onderscheiding van de streekliteratuur of de dorpsroman verdient het aanbeveling de term dialectliteratuur te reserveren voor volledig in het dialect geschreven literair werk. Voorbeelden van vroege dialectliteratuur zijn de Groningse romans 'n Oetmiening ien 'n Jachtwaaide (1871) van W. Reinkingh en De goldene kette (1875) van W. van Palmar. Een voorbeeld van poëzie in het Limburgs is Mastreechter veerskes (1924) van G.D. Franquinet. P.J. Meertens en B. Wander stelden een Bibliografie der dialecten van Nederland, 1800-1950 (1958) samen. In het tweede deel daarvan vindt men per streek of stad een overzicht van de in dialect geschreven literatuur.

De laatste decennia is de aandacht voor dialectliteratuur toegenomen. Het dialect is doorgedrongen in de popmuziek en er valt een streven waar te nemen om streektalen een officiële status te verlenen, zoals het Nedersaksisch en het Limburgs.

LIT: Bantel; Best; Cuddon; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; J. van der Kooi. Dialectliteratuur, balans en perspectief van de moderne streektaalletterkunde in Oostnederland en Nederduitsland (1990); L.P. Grijp. ‘Is zingen in dialect Normaal? Muziek, taal en regionale identiteit’, in: Zingen in een kleine taal; de positie van het Nederlands in de muziek, speciaal nr. Volkskundig Bulletin 21 (1995), nr. 2, p. 304-327. [G.J. van Bork]

 

dialoog, samenspraak of tweespraak

Gesprek tussen twee of meer personen over een bepaald onderwerp met afwisseling van argumenten en tegenargumenten. De dialoog staat tegenover de monoloog of alleenspraak. In de klassieke literatuur werd de dialoog beoefend als afzonderlijk genre onder invloed van de wijsgerige gesprekken van Socrates, die hun neerslag vonden in de dialogen van Plato. De dialoog biedt de auteur de mogelijkheid zijn stof in objectieve (of op zijn minst schijnbaar objectieve) vorm mee te delen. Het genre treft men dan ook vaak aan bij de didactische literatuur.

In de Middeleeuwen vinden we de dialoog als genre terug in disputaties, bijv. Jacob van Maerlants Ene disputacie van Onser Vrouwen ende vanden Heilighen Cruce, Jan de Weerts Disputatie van Rogier ende van Janne, en tweespraken als Twi-spraec der Creaturen (1481), een vertaling van de Dialogus Creaturarum. Een bijzondere vorm van de disputatio is het quodlibet.

In de renaissance vinden we de dialoog in de Samenspraken van Erasmus en in J. Cats' T'Samensprake tusschen het boeck en den leser (Alle de Wercken, 1712, p. 463). In H.L. Spieghels Twe-spraack vanden Nederduitsche letterkunst (1584) wordt de dialoog gehouden tussen Roemer Visscher en Gideon Fallet over de spraakkunst.

In de romantiek is het de classicus Jacob Geel die de dialoog gebruikt in zijn Gesprek op de Drachenfels (1835), waarin de tegenstelling romantiek-classicisme door drie fictieve personages wordt besproken.

De dialoog komt ook voor in andere literaire vormen. In het toneel wordt ermee bedoeld de afwisseling van de gesproken tekst door de personages die met elkaar in gesprek zijn. Daarnaast kennen we de navertelde dialoog in het proza, zowel in de directe rede als ook in de indirecte rede. Met de dialoog verwant zijn de diatribe, het debat en de polemiek.

LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; HWR; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Preminger; Prince; Scott; Shipley; R. Wildbolz. Der philosophische Dialog als literarisches Kunstwerk (1952); M. Egk. Das Gespräch als Kunstform in der Romantik (1956); J.L. Styan. The elements of drama (1969), p. 11-26. [G.J. van Bork]

 

diatesseron zie evangeliënharmonie

diatribe

Van de klassieken afkomstige literair-didactische vorm, die oorspronkelijk gericht was tegen de zedeloosheid. De diatribe had aanvankelijk de vorm van een retorisch betoog of een preek, maar kreeg steeds meer het karakter van een felle satire op of een heftige uitval tegen een persoon of werk. Een voorbeeld van deze laatste vorm is W.F. Hermans' aanval op het Nederlandse katholicisme in Annum Veritatis (1968), gepubliceerd onder de naam Pater Anastase Prudhomme S.J.

LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; Metzler; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]

 

dicatalectisch

Term uit de prosodie ter aanduiding van een versregel waarbij in het midden en aan het eind een syllabe ontbreekt, bijv.

 Jántjê/ ís niêt/ ziék/, Jántjê/ ís slêchts/ luí.

LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; Shipley. [G.J. Vis]

 

dichoreus of ditrochee

Term uit de prosodie ter aanduiding van een metrische eenheid bestaande uit twee choreeën (trochee), bijv. Hóllânds glóriê.

Als voorbeeld van een dichoreus in de Nederlandse poëzie zou men de versregel kunnen geven die Vondel gebruikt in De XCIX harpzang, waarvan de beginregels luiden:

 Alle streecken
 Geeft een teken
 Van verblijden,
 Vry van lijden,
 ( J. van den Vondel. Werken, WB-editie, dl. 8, 1935, p. 469).

Als voorbeeld van een tweevoetige dimeter behoort de dichoreus tot de categorie van de dipodie.

LIT: Best; Cuddon; Gorp; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

dicht zie poëzie-1

dichter

In beperkte zin wordt die schrijver (auteur) dichter genoemd die de maker is van een gedicht. Bij uitbreiding is het degene die de dichtkunst beoefent en poëzie schrijft in de ruime zin van het woord. In die laatste hoedanigheid is de dichter ook degene aan wie het is toegestaan om zich dichterlijke vrijheden te veroorloven. Opvattingen over de taak van de dichter (poëtica-1 en -3) spelen al vanaf de Middeleeuwen een rol in de Nederlandse letterkunde zowel in poëzie en andere fictionele taaluitingen als ook in de literaire kritiek en de latere literatuurwetenschap.

Voor de middeleeuwse auteur-clerk is de dichter (in navolging van de klassieken) een eerzaam en waarheidsgetrouw man. Bekend is Jan van Boendales moraalfilosofische beschouwing ‘Hoe dichters dichten sullen ende wat si hantieren sullen’ (Der leken spieghel (1325-1328, boek 3, hoofdstuk 15, ed. De Vries, 1844-1848).

In de renaissance is de dichter primair een goed beoefenaar van de retorica. Volgens de toenmalige neoplatonistische opvatting is de dichter degene die dezelfde dingen overdraagt die het volk in wetten en door hun bestuurders als leidraad worden voorgehouden, zij het dat hij zijn ethisch-didactische boodschap van enige ‘aantrekkelijkheden’ voorziet. Sinds de romantiek worden de dichter naar vorm en inhoud grotere vrijheden toegestaan en toegekend. De dichter Kloos noemt zichzelf ‘een god in 't diepst van mijn gedachten’.

In de letterkunde van na 1945 is het onderscheid tussen dichter en prozaschrijver aan het vervagen. Zo noemt L.P. Boon zichzelf ‘dichter’, terwijl hij voor 90% proza schrijft. De dichter is veelvuldig onderwerp van poëticale literaire teksten. Men denke aan Nescio's Dichtertje (1918), aan G. Achterbergsgedicht ‘Dichter’ (VG, 1974, p. 149), e.v.a.

LIT: HWR; Metzler; Wilpert; M. Spies. ‘Het epos in de 17e eeuw in Nederland’, in: Spektator 7 (1977-1978), p. 379-411 (m.n. p. 390-392). [G.J. Vis]

 

dichterlijke taal

Aanduiding voor het taalgebruik dat kenmerkend zou zijn voor dichtwerk in engere zin (poëzie-1). Hierbij gaat het vooral om het gebruik van technische middelen als stijlfiguren en andere kunstgrepen die tot de dichtkunst als het terrein van de dichter behoren. In ruimere zin wordt de aanduiding ook wel gebruikt als equivalent van ‘gevoelige taalhantering’ zoals die ook bij dichters gevonden wordt: beeldsprakig, emotioneel, subtiel, speels, vol vrije fantasie, breedsprakig, kortom: ‘poëtisch’.

LIT: Abrams; Cuddon; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

dichterlijke vrijheid

Term uit de stijlleer ter aanduiding van het feit dat een dichter afwijkt van het gangbare taalgebruik. De redenen kunnen verschillend van aard zijn. Zo gebruikt Feith een syntactisch afwijkende constructie als archaïsme om het verleden op te roepen in de regels:

 In ouden tijd in Frankenland
 Een goelijk Maagdske leefde
 (R. Feith. Romanzes, 1787, p. [11]).

Om dezelfde reden gebruikt Gossaert een semantisch afwijkende vorm door ‘zaêl’ te schrijven in plaats van ‘zade’ in het gedicht ‘De moeder’, beginnend met de regels:

 Hij sprak en zeide
 In 't zaêl zich wendend:
 ( G. Gossaert. Experimenten, 194911, p. 162).

Een syncope zoals toegepast in het laatste voorbeeld van Gossaert, kan ook om andere redenen worden gebruikt. Zo schrijft Kinker de vorm nachtgoôn omdat hij in de laatste voet van de hexameter slechts twee syllaben kan gebruiken:

 Daar gingen ze onder 't kleed van de nagt en in neevlen gehuld, door 't
 Zinnenverbijstrend akelig oord van de wrevelige nachtgoôn
 (J. Kinker. De verlichte muze, ed. Vis, 1982, p. 207).

In sommige literaire stromingen is het mode om bepaalde vrijheden toe te passen. Men kan hier bijv. denken aan het impressionisme en aan allerlei technieken die werden toegepast door dichters uit het symbolisme.

LIT: Abrams; Baldick; Bronzwaer; Fowler; Gorp; Metzler; Wilpert. [G.J. Vis]

 

dichtgenootschap

Een dichtgenootschap of literair genootschap is - in strikte zin - een in de periode van de verlichting opgerichte vereniging ter bevordering van de Nederlandse taal- en letterkunde. Na 1750 ontstaan eerst de literair-wetenschappelijke en vervolgens ook de literair-creatieve dichtgenootschappen; voor 1800 zijn ze vrijwel allemaal weer verdwenen. In minder strikte zin zou men de tot diep in de 19e eeuw voorkomende dichtgenootschappen als een soort voortzetting kunnen zien van de rederijkerskamers die in Nederland in de 17e eeuw hun betekenis verliezen. De aansporing van Joost van den Vondel in zijn Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste (1650; WB-editie, dl. 5, 1931, p. 491) tot de oprichting van ‘eenen nieuwen Parnas, naer den stijl van Italie’ heeft wellicht de stoot gegeven tot de dichterschool van Jan Zoet en de oprichting van het kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum (1669). Volgens Vondel was het de bedoeling dat men

zonder afgunst, onzijdigh elcks oude en nieuwe dichten toetste; zoo wel om de schoonheit en aertigheit te volgen, als om onze misslagen, uit een edele eerzucht, te mijden, en door dien middel de Neerlantsche Poëzy haren vollen glans te geven.

Het Franse voorbeeld van de Académie Française en dat van de Duitse Sprachgesellschaften heeft zeker ook stimulerend gewerkt.

De op het verwerven van kennis gerichte literair-wetenschappelijke genootschappen ontstonden in het universitaire milieu: aan de Latijntalige universiteiten zelf werd de Nederlandse taal- en letterkunde nog niet beoefend. In de creatieve genootschappen, ontstaan in de kring van de gegoede burgerij, legde men zich toe op het volgens vaste regels vervaardigen van literaire producten, waaronder zeer veel redevoeringen, die door de andere leden beoordeeld werden. Stimulans waren de vele prijsvragen die uitgeschreven werden.

De dichtgenootschappen zijn een typisch produkt van de 18e-eeuwse opvattingen over sociabiliteit (men is slechts een goed burger wanneer men samen dingen doet) en literatuur (het aangeboren talent kan alleen met hard werken, veel oefenen en hulp van meer getalenteerden ontwikkeld worden). Vrijwel alle 18e-eeuwse literatoren van naam zijn dan ook lid geweest van een dichtgenootschap, zelfs - zij het tijdelijk - de critici van het genootschapswezen zoals Johannes le Francq van Berkhey en Jacob Geel.

Literair-wetenschappelijke genootschappen waren o.a. Linguaque animoque fideles (Getrouwen in taal en ziel; Leiden) en Dulces ante omnia musae (De muzen lieflijk boven alles;Utrecht). In 1766 werd de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde opgericht die nog steeds bestaat. De belangrijkste creatieve genootschappen waren Kunstliefde spaart geen vlijt (Den Haag), Kunst wordt door arbeid verkregen (Leiden), Studium scientiarum genitrix (Vlijt is de moeder der wetenschappen; Rotterdam) en Wij streeven naar de volmaaktheid (Amsterdam). De laatste drie genootschappen fuseerden in 1800 (het Haagse genootschap voegde zich er in 1818 bij) tot de Bataefsche maatschappij van taal- en dichtkunde, sinds 1806 Hollandsche maatschappij van fraaije kunsten en wetenschappen geheten, waar de welsprekendheid (retorica) hoogtij vierde.

LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; MEW; J.J. Kloek e.a. ‘Literaire genootschappen 1748-1800’, in: Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw 15 (1983), p. 21-89; B. Thobokholt. Het taal- en dichtlievend genootschap ‘Kunst wordt door arbeid verkeegen’ te Leiden, 1766-1800 (1983); W. van den Berg. ‘Sociabiliteit, genootschappelijkheid en de orale cultus’, in: M. Spies (red.). Historische letterkunde (1984), p. 151-170; K. Singeling. ‘De gezellige dichter; over literaire genootschappen in de achttiende eeuw’, in: Literatuur 3 (1986), p. 93-100; B. Paasman. Het boek der Verlichting; de 18e eeuw van A tot Z (1986), p. 24-26, 75; A.J. Hanou. Sluiers van Isis; Johannes Kinker als voorvechter van de Verlichting, in de vrijmetselarij en andere Nederlandse genootschappen, 1790-1845, 2 dln. (1988). [P.J. Verkruijsse]

 

dichtkunst

Verzamelnaam voor het maken van gedichten en voor het resultaat daarvan. In oudere perioden is de term niet noodzakelijk beperkt tot het terrein van de poëzie-1, omdat enerzijds een overlapping aanwezig is met het terrein van de redenaarsstijl (retorica), en anderzijds soms ook het fictioneel proza eronder kon vallen. In de 19e eeuw wordt de term vaak in één adem genoemd met de daarvan duidelijk onderscheiden welsprekendheid (retorica of ‘dicht- en redekunst’). In de betekenis van leer van de poëzie is de term synoniem met poëtica-1, althans in het 20e-eeuwse gebruik.

LIT: Best; Cuddon; HWR; Metzler; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

dictaat

Op schrift uitgewerkte aantekeningen gemaakt naar aanleiding van gesproken tekst, bijv. een collegedictaat. Vanwege de vele dicteerfouten die in middeleeuwse teksten voorkomen, heeft men wel verondersteld dat teksten door middel van dictaat vermenigvuldigd werden. Inmiddels heeft men hiervan afstand genomen, al is het niet onmogelijk dat het ooit een keer gebeurd kan zijn.

LIT: Brongers; B. Kruitwagen. ‘Werd er in de Middeleeuwen bij het schrijven gedicteerd?’, in: Het Boek 4 (1915), p. 217-229; A. Dain. Les manuscrits (19753), p. 15-55. [W. Kuiper]

 

dictée intérieur

Middeleeuwse kopiisten - later ook zetters in drukkerijen - lazen een gedeelte van de te kopiëren tekst en dicteerden zichzelf deze tekst tijdens het kopiëren. Dit dictée interieur is de oorzaak van een aantal psychische contaminaties, dicteer- of hoorfouten en op het oog onzuivere rijmen als bijv.

 Ic weets u danc ende lof mede
 Al dat ghi mi hebt vertelt
 Maer uwer dochter ghine sult
 U verbelgen [...]
 (Flandrijs, ed. De Graaf, 1980, vs. 289-292).

Waar de kopiist niet de door het rijm vereiste vorm ‘selt’ schreef, maar als gevolg van dictée intérieur de hem vertrouwde(re) vorm ‘sult’.

Nu nog is dictée intérieur de oorzaak van vele typografische en orthografische onvolkomenheden. Zo spelt bijv. T. Sodmann ‘Knufelder’ in plaats van ‘Knuvelder’ ( Jacob van Maerlant. Historie van den Grale und Boek van Merline, ed. Sodmann, 1980, p. 1).

LIT: A. Dain. Les manuscrits (19753), p. 15-55; A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel ende Elegast I (1975), p. 230-253. [W. Kuiper/H. Struik]

 

dicteerfout of hoorfout

Term uit de tekstkritiek voor die transmissiefout die eruit bestaat dat de kopiist of zetter niet neerschrijft of zet wat hij in zijn legger leest, maar wat hij zichzelf hoort dicteren. Hierdoor werd soms onbewust en ongewild van de lezing van de legger afgeweken, wat enerzijds tekstbederf tot gevolg had, anderzijds inzicht geeft in de taal van de kopiist, bijv.

 Om dat daer soe scone was
 saten wi alle .iij. int gars,
 mine gheselinne ende ic.
 Als wire gheseten hadden een stuc
  (Flandrijs, ed. De Graaf, 1980, vs. 648-651).

waar niet de door het rijm vereiste vormen ‘gras’ en ‘stic’ staan, maar als gevolg van dictée intérieur de vormen ‘gars’ en ‘stuc’.

LIT: A. Dain. Les manuscrits (19753), p. 15-55; A.M. Duinhoven. Bijdragen tot reconstructie van de Karel ende Elegast I (1975), p. 230-253; W. Kuiper. Die riddere metten witten scilde (1989). [W. Kuiper]

 

dictie

De wijze van uitspreken van taalklanken. Van belang is hierbij zowel de articulatiebasis (stand van mond en keel) als ook ademhalingstechniek. De dictie is van fundamenteel belang bij de declamatie.

LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]

 

didactische literatuur

Verzamelnaam voor literatuur met een opvoedende of belerende functie. In de terminologie van Abrams gaat het om een soort teksten die behoren tot de pragmatische literatuur en wel die teksten die een literaire vormgeving gebruiken voor een didactische inhoud. In die zin staat deze literatuuropvatting diametraal tegenover de l'art pour l'art-opvatting.

In cultuurperiodes waarin wetenschap en literatuur een minder duidelijke scheiding kenden, werd kennis vaak in dichtvorm gepresenteerd. Dat is bijv. het geval in Middelnederlandse didactische teksten, zoals Jacob van Maerlants Der naturen bloeme en Spiegel historiael, Jan van Boendales Der leken spiegel en Brabantse yeesten, de Dietsche doctrinael, e.d. Vaak is het onderscheid met godsdienstige of maatschappelijk gerichte ‘pragmatische’ teksten niet goed aan te geven omdat veel middeleeuwse teksten zijn ingezet in het beschavingsoffensief. Het onderscheid tussen didactische literatuur en artes-literatuur is eveneens bijzonder vaag.

Dat geldt overigens ook voor veel rederijkersteksten of de teksten van bijv. de 17e-eeuwer Jacob Cats.

Wanneer de functie van literatuur echter is om de lezer sociaal-maatschappelijk te beïnvloeden, spreekt men van engagement.

De didactische literatuur kent een aantal subgenres die in de verschillende literair-historische perioden een zekere voorkeur hebben genoten. Daarbij valt te denken aan de doctrinael, de moraliteit, de fabel-1 en het mirakelspel in de Middeleeuwen en aan het leerdicht en het emblema in de 16e en 17e eeuw. Typisch didactisch is ook een aantal teksten binnen de kinder- en jeugdliteratuur, zoals H. van Alphens Kleine gedigten voor kinderen (1778) of Nicolaas Anslijns De brave Hendrik (1810).

LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; HWR; Krywalski; Laan; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; M.H. Abrams. The mirror and the lamp. Romantic theory and the critical tradition (19582), p. 14-21. [G.J. van Bork]

 

dienstboderoman

Term ter aanduiding van die romans die het lagere personeel verondersteld werd te lezen en als zodanig subgenre van wat met de modernere term triviaalliteratuur aangeduid wordt. Daarnaast wordt de term ook gebruikt voor romans waarin een dienstbode als hoofdpersoon optreedt, zoals in Margo Scharten-Antinks Sprotje (1906).

LIT: Laan. [G.J. van Bork]

 

diepdruk

Term uit de drukkerswereld voor de druktechniek waarbij de drukkende, geïnkte delen lager liggen dan de niet-drukkende: het af te drukken beeld is aangebracht in een plaat. Diepdruk wordt dan ook vooral toegepast bij illustraties (gravure, ets, zwartekunst). Voor een boek met illustraties in diepdruk zijn twee drukgangen nodig, nl. één voor de hoogdruk op de gewone drukpers en één voor de diepdruk op een andere pers. Om een extra drukgang te vermijden kon men ook illustreren met houtsnedes die samen met het hoogdrukzetsel onder de pers gingen. Het vlakdrukprocédé is pas eind 18e eeuw uitgevonden.

LIT: BDI; Hiller; H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (1966), p. 135-146. [P.J. Verkruijsse]

 

dierendicht

Verzamelnaam voor gedichten en verhalen met dieren in de hoofdrol. Het dierendicht is voortgekomen uit de mythologische voorstellingen en verklaringen van rituelen die in de vroegste tijden bij bijna alle volkeren hebben bestaan. Doorgaans gaat het over magische en mythische eigenschappen van dieren waarmee de mens zich aanvankelijk als jager en later als landbouwer geconfronteerd zag. In deze oorspronkelijke, alleen mondeling overgeleverde dierendichten zou het onderscheid tussen fictioneel en niet-fictioneel geen rol gespeeld hebben. Naarmate de machtsverhouding meer in het voordeel van de mens uitviel, verloor het dierendicht zijn sacrale toon en gingen didactiek (dierenfabel, bestiarium) en fictie (dierenepiek, dierenroman, dierenverhaal) een rol spelen.

De term ‘dierendicht’ wordt daarnaast in meer algemene zin gebruikt als overkoepelende term voor alle gedichten waarin dieren voorkomen, ongeacht of zij een mythische of magische achtergrond hebben. Volgens deze benadering vallen ook de gedichten van Trijntje Fop (alias Kees Stip) onder de definitie. Een enkele maal nog wordt de term gebruikt als specifieke aanduiding voor het dierenepos.

LIT: Best; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; H.R. Jauss. ‘Untersuchungen zur mittelalterlichen Tierdichtung’, in: Alterität und Modernität der mittelalterlichen Literatur (1977), p. 49-152. [H. Struik]

 

dierenepiek

Verzamelnaam voor middeleeuwse dierenverhalen, gegoten in de vorm van een heldendicht (epos). De oudste dierenepiek werd in het Latijn geschreven: Ecbasis captivi (ca. 1100), Ysengrimus (1140), maar vanaf ca. 1170 ook in het Frans (Roman de Renart), Duits (Reinhart Fuchs) en Middelnederlands (Van de vos Reynaerde, ca. 1250). Het middeleeuwse dierenepos kan beschouwd worden als een voortzetting en uitbreiding van de dierenfabel. De bedoeling ervan was door middel van parodie, antropomorfie (dieren die zich als mensen gedragen) en satire (mensen die zich als dieren gedragen) zowel te amuseren als te kritiseren.

Volgens Jauss is het echter niet juist om het dierenepos direct terug te voeren tot de Latijns-christelijke fabelliteratuur, omdat er geen overgang valt aan te wijzen tussen beide genres. Evenmin is het juist om het dierenepos direct af te leiden van het dierensprookje, omdat, uitgezonderd enkele antropomorfe trekken zoals het spreken van dieren, alle bovennatuurlijke elementen in het verhaal ontbreken.

LIT: Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Wilpert; H.R. Jauss. ‘Untersuchungen zur mittelalterlichen Tierdichtung’, in: Alterität und Modernität der mittelalterlichen Literatur (1977), p. 49-152; Epopée animale, fable et fabliau, in: Marche Romane 28 (1978); F. Lulofs (ed.). Van den vos Reynaerde (19852), p. 14-39; P.W.M. Wackers. De waarheid als leugen. Een interpretatie van Reynaerts historie (1986) p. 12-38; Ea. Nieboer en J.Th. Verhulsdonck. ‘Lais, fabliau's, Roman de Renart’, in: R.E.V. Stuip (red.). Franse literatuur van de Middeleeuwen (1988), p. 121-139; A.Th. Bouwman. Reinaert en Renart, het dierenepos Van den vos Reynaerde vergeleken met de Oudfranse Roman de Renart (1991). [W. Kuiper/H. Struik]

 

dierenfabel

Volgens de overlevering door de Griekse dichter Aesopus (6e eeuw v.Chr.) gecreëerd genre van korte, fictionele dierenverhalen met een leerrijke moraal. Dat Aesopus dieren gebruikte om zijn ideeën over het menselijk gedrag uiteen te zetten, zat hem in zijn afkomst: hij was een vrijgelaten slaaf en beschikte dus niet over de status om directe kritiek te kunnen spuien. De Griekse dierenfabels dienden vooral als exempel in redevoeringen. In de 1e eeuw n.Chr. bewerkte een andere vrijgelaten slaaf ( Phaedrus) de Aesopische fabels in Latijnse verzen, waarna ze een vast onderdeel gingen uitmaken van de lesstof op Latijnse scholen. Vanaf het eind van de 12e eeuw ( Marie de France. Ysopet) verschijnen er ook dierenfabels in de volkstaal, bijv. de 13e-eeuwse Middelnederlandse Esopet (ed. Stuiveling, 1965). Ook na de Middeleeuwen heeft de dierenfabel haar plaats in de literatuur behouden. De bekendste verzameling fabels is de bewerking van Jean de La Fontaine (1621-1695).

LIT: Baldick; Gorp; LdMA; MEW; Wilpert; W.L. Idema, M. Schipper en P.H. Schrijvers (red.). Mijn naam is haas. Dierenverhalen in verschillende culturen (1993). [W. Kuiper]

 

dierenroman

Verzamelnaam voor romans met een dier in plaats van een mens in de hoofdrol. De oudste dierenroman is de Roman de Renart (eind 12e eeuw), een verzameling losse verhalen (branches) in ‘roman’-vorm (gepaard rijmende, octosyllabische versregels) rond de vos Renart, in het Middelnederlands rond 1250 vertaald en bewerkt als Van den vos Reynaerde (ed. Lulofs, 19852), een eeuw later nog eens als Reinaerts historie en weer een eeuw later als prozaroman door Gheraert Leeu (ed. Hellinga, 1952).

Als een moderne dierenroman kan worden beschouwd: L.P. Boon. Wapenbroeders (1955), een bewerking van de Reinaertverhalen.

LIT: Gorp; MEW; P.W.M. Wackers. De waarheid als leugen. Een interpretatie van Reynaerts historie (1986); A.Th. Bouwman. Reinaert en Renart, het dierenepos Van den vos Reynaerde vergeleken met de Oudfranse Roman de Renart (1991). [W. Kuiper]

 

dierensprookje

Verzamelnaam voor sprookjes, waarin dieren de hoofdrol hebben en mensen hoogstens een bijrol vervullen. Het dierensprookje verschilt van het dierenepos (dierenepiek) en de dierenfabel omdat bovennatuurlijke elementen, afgezien van het feit dat dieren sprekend worden opgevoerd, een belangrijke factor kunnen zijn.

Voorbeelden van dierensprookjes volgens deze strikte opvatting zijn ‘De wolf en de zeven geitjes’ en ‘De Bremer stadsmuzikanten’.

Vaak echter wordt de term ook gehanteerd voor die tover- en wondersprookjes waarin naast mensen ook dieren optreden. Zij zijn dan degenen die de menselijke held met raad en daad ter zijde staan en deze na een aantal proeven van bekwaamheid de toverring of een ander magisch voorwerp overhandigen. Als dieren al een hoofdrol vervullen, zijn het omgetoverde prinsen of prinsessen, die aan het einde van het verhaal hun oorspronkelijke, menselijke gedaante weer terugkrijgen. Voorbeelden van dit genre zijn ‘De gelaarsde kat’ en ‘De kikkerprins’.

LIT: Gorp; MEW; A. Aarne. Die Tiere auf der Wanderschaft. Eine Märchenstudie (1913); H.R. Jauss. ‘Untersuchungen zur mittelalterlichen Tierdichtung’, in: Alterität und Modernität der mittelalterlichen Literatur (1977), p. 49-152; W.L. Idema, M. Schipper en P.H. Schrijvers (red.). Mijn naam is haas. Dierenverhalen in verschillende culturen (1993). [H. Struik]

 

dierenverhaal

Verzamelnaam voor verhalen met een dier in de hoofdrol, zoals de dierenverhalen van A. Koolhaas in diens bundels Weg met de vlinders (1961) en Vleugels voor een rat (1967). Dierenverhalen uit het verleden worden meestal gerubriceerd onder dierenepiek, dierenfabel en dierenroman.

LIT: Gorp; MEW; W.L. Idema, M. Schipper en P.H. Schrijvers (red.). Mijn naam is haas. Dierenverhalen in verschillende culturen (1993). [W. Kuiper/H. Struik]

 

Diets

De Middelnederlandse benaming voor de eigen volkstaal ter onderscheiding van vooral het Frans en het Latijn, bijv. Dietsche doctrinael of Boec van medicine in Dietsche. In de loop van de 16e en 17e eeuw raakte de benaming ‘Diets(ch)’ in onbruik en werd zij vervangen door Nederduits.

LIT: J.M. van der Horst en F.J. Marschall. Korte geschiedenis van de Nederlandse taal (1989); J.W. de Vries, R. Willemijns en P. Burger. Het verhaal van een taal. Negen eeuwen Nederlands (1993). [W. Kuiper/H. Struik]

 

digesta

Middeleeuwse verzamelnaam voor een verzameling van uittreksels van juridische teksten, tot op zekere hoogte synoniem met epitome en breviarium. De term werd in overdrachtelijke zin ook gebruikt voor een bloemlezing van niet-juridische teksten in verkorte vorm.

LIT: Best; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; MEW; Wilpert. [W. Kuiper/H. Struik]

 

digressie, digressio of excursus

Term uit de retorica die een uitweiding aangeeft in een lang betoog tijdens de argumentatio. Het is één van de mogelijkheden binnen de aversio, nl. het zich tijdelijk afwenden van de verteller van het eigenlijke onderwerp (aversio a materia). Auteurs uit de 19e eeuw ( Beets, Hasebroek e.a.) hebben veelvuldig gebruik gemaakt van de digressie om humoristische effecten te bereiken, vooral onder invloed van Laurence Sterne, die het procédé veelvuldig humoristisch toepaste in zijn Tristram Shandy (1759-1767). Via een transitio, zoals ‘Maar tot mijne vertelling! ...’, wordt weer naar het eigenlijke onderwerp teruggeschakeld.

LIT: Baldick; Best; Brongers; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Metzler; Myers/Simms; Scott; E. Jongejan. De humor-‘cultus’ der Romantiek in Nederland (1933), p. 194-207. [P.J. Verkruijsse/G.J. van Bork]

 

digressio zie digressie

dimeter of quaternarius

Term uit de prosodie ter aanduiding van een versregel die uit twee gelijke metrische delen bestaat, bijv. jambisch, trocheïsch, anapestisch, dactylisch e.a., zoals in het bekende kinderliedje:

 Schúitjê várên,/théetjê drínkên

waarvan tevens kan worden opgemerkt dat elke vershelft op zich genomen een voorbeeld is van dipodie.

LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Marouzeau; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

dinggedicht

Gedicht dat volgens sommige auteurs en critici gekenmerkt wordt door onpersoonlijk beschrijving van een voorwerp of zaak, veelal ontleend aan de beeldende kunst (beeldgedicht-2). Het lyrisch subject treedt op de achtergrond ten gunste van de beschrijving van het gepresenteerde object. Dit sluit niet uit dat het dinggedicht soms de vorm kan hebben van indirecte lyriek.

Een voorbeeld van een dinggedicht is het sonnet ‘Hertenjacht’ uit de cyclus ‘Reflecties op Ruysdael’ van C.O. Jellema, aldus beginnend:

 Zijn snelle denken heeft zich omgezet
 in jacht op kleur, triomf van eikeblaren,
 natuur als overvloed, en, lager, met
 het water komt het donker tot bedaren.
  (Revisor, 1982, 1, p. 28).

LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Wilpert. [G.J. Vis]

 

Dionysisch

Door F.W. Nietzsche (1844-1900) geïntroduceerde samenvattende term - geïnspireerd op het werk van A. Schopenhauer (1788-1860) - voor alles wat, in tegenstelling tot het Apollinische, in religie, moraal en esthetiek het scheppende, heroïsche, duistere en chaotische representeert. Op het gebied van de kunsten gaat het, in de lijn van de dithyrambische (dithyrambe) razernij van de wijngod Dionysos, vooral om elementen als onbegrijpelijkheid, disharmonie en woeste kracht, vaak in verbinding met primitieve natuur, irrationaliteit, instinctief en onbeschaafd gedrag en zelfs wreedheid. Als voorbeeld hiervan gold voor Nietzsche in de Griekse tragedie de emotionaliteit van de koorzang (tegenover het Apollinische in de dialoog).

Sommigen leggen verband tussen het Dionysische element als een van de twee door Nietzsche gesignaleerde elementen van de Griekse cultuur en de latere irrationele elementen van de romantiek.

LIT: Baldick; Best; Cuddon; Laan; Metzler; MEW; Preminger; Shipley; Wilpert; G. Highet. The classical tradition (19672), p. 459-460. [G.J. Vis]

 

diploma zie dubbelblad

diplomatiek zie oorkondenleer

diplomatische editie

Term uit de editietechniek voor een editie waarin de tekst gegeven wordt zoals het lezende oog deze na het gereed komen van codex of druk zag. Dat impliceert dat iedere vorm van tekstkritiek (kritische editie) in de tekst uitgesloten is; die kan uitsluitend in het notenapparaat gegeven worden, waar ook paleografische, codicologische en analytisch-bibliografische commentaar thuishoort. In de tekst mogen - in tegenstelling tot bij een archiefeditie - alleen diacritische tekens gebruikt worden op die plaatsen waar ook de contemporaine lezer van de bron geaarzeld zou hebben met betrekking tot een keuze uit het aanbod van tekens. In een diplomatische editie behoort ook een codicologische, manuscriptologische of analytisch-bibliografische beschrijving van de bron. Pas als de tekst diplomatisch is vastgesteld, een bezigheid waarbij de editeur voortdurend voor de keuze staat of een teken (figura-2) al dan niet een taalteken (signum) is, kan het werk van de tekstinterpretatie beginnen.

Het principe van het lezende oog vereist dat afkortingen (abbreviatuur) worden opgelost (in cursief), dat de structuur van de tekst gehandhaafd blijft (lombarden, alinea's enz.) en dat díe zetfouten die de lezer automatisch corrigeert ook in de tekst verbeterd worden (uiteraard verantwoord in een noot).

Omdat de archief- en/of de diplomatische editie beschouwd wordt als het noodzakelijke voorbereidende werk voor een kritische editie, is dit soort edities per definitie bestemd voor een klein publiek van filologen die zich vervolgens hierop kunnen baseren voor kritische edities van allerlei aard.

Voorbeelden van diplomatische edities zijn die van Van den Vos Reynaerde door W.Gs Hellinga (1952) en Karel ende Elegast door A.M. Duinhoven (1969).

LIT: Best; Mathijsen; Metzler; W.Gs Hellinga. ‘Zes verdwaalde verzen in de Beatrijs’, in: Huldeboek Pater Dr Bonaventura Kruitwagen (1949), p. 178-195; W.Gs Hellinga. ‘Verantwoording van de uitgave’, in: Van den Vos Reynaerde. I. Teksten. Diplomatisch uitgegeven naar de bronnen vóór het jaar 1500 (1952), III-VII; W.Gs Hellinga. ‘Principes linguistiques d'édition de textes’, in: Lingua 3 (1952-1953), p. 295-308; Die Wrake van Ragisel, ed. W.P. Gerritsen, dl. 1 (1963), p. 274-280; P.J. Verkruijsse. ‘Over diplomatisch editeren van handschriften en het gebruik daarbij van diacritische tekens’, in: Spektator 3 (1973-1974), p. 325-346. [P.J. Verkruijsse]

 

dipodie

Term uit de prosodie ter aanduiding van een tweevoetige ritmische eenheid in een metrisch gedicht. In het volgende voorbeeld bestaat elke regel uit een dipodie:

 Vergeet ze niet
 die, al heur leven,
 is God en plicht
 getrouw gebleven
 [...]
 ( G. Gezelle. VW, dl. 2, 1930, p. 99).

LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Marouzeau; Metzler; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

diptychon

Letterlijk ‘tweeluik’. Term uit de codicologie voor twee wastafeltjes die met de waskant naar elkaar toe scharnierend met elkaar verbonden zijn. Een diptychon is zeer geschikt om een tekst te bewaren of te versturen, omdat de waskant na het sluiten van beide wastafels tegen aanraken beschermd is. Het diptychon is de oervorm van de codex.

LIT: Best; Hiller; Wilpert; J. Glenisson (red.). Le livre au Moyen Age (1988). [W. Kuiper]

 

directe lyriek

Aanduiding voor die vorm van lyriek waarin, in tegenstelling tot de indirecte lyriek, een ik-figuur zich rechtsreeks uit, zoals in de eerste strofe van ‘Fuguette’:

 Claudien, jij speelt piano, en ik zit
 In de warande, en luister
 [...]
 ( M. Nijhoff. VG, 19744, p. 119).

De ik-figuur kan zich richten tot een personage uit de tekst, zoals in het gegeven voorbeeld, maar dit is niet noodzakelijk, zoals in Kloos' sonnet ‘Er stroomt door mijn gemoed in stormend klateren’ (1881), en menige andere tekst waarin een ik-figuur zich uitspreekt, niet langs een omweg, maar direct en expliciet.

LIT: Gorp; Lodewick. [G.J. Vis]

 

directe rede

Letterlijke weergave van de woorden of gedachten van een personage, (in tegenstelling tot de indirecte rede), meestal voorafgegaan door zinsdelen van het type ‘hij zei’ of ‘zij dacht’, dan wel gevolgd door ‘zei hij’ of ‘dacht zij’. Het zinsdeel dat in de directe rede staat, wordt doorgaans omsloten door aanhalingstekens, maar kan in druk ook wel aangegeven worden door isolering van de regel, een voorafgaand liggend streepje of enkele spaties dan wel combinaties daarvan. In de zin: ‘-- O, die stem van Steyn! siste mama Ottilie tussen de tanden’, staat het gedeelte vóór ‘siste’ in de directe rede.

De directe rede is vergelijkbaar met het citaat. Een tussenvorm van directe rede en indirecte rede noemt men de style indirect libre.

LIT: Bal; Best; Boven/Dorleijn; Metzler; Scott; Wilpert; E. Lämmert. Bauformen des Erzählens (19756), p. 202-242; J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (1981), p. 129-138. [G.J. van Bork]

 

discontinue vertelwijze of niet-continue vertelwijze

Term uit de verteltheorie waarmee wordt aangegeven dat een verteller zijn verhaal niet als een aaneengesloten vertelling aanbiedt, zoals bij de continue vertelwijze, maar duidelijk sprongen in de tijd maakt, bijv. door te kiezen voor een scenische presentatie van zijn verhaal. Men mag de discontinue vertelwijze niet verwarren met de niet-chronologische vertelwijze, waarbij het gaat om de tijdsvolgorde van de vertelde gebeurtenissen. Zo is bijv. Louis Couperus' roman Eline Vere (1889) discontinu verteld, omdat hij overwegend uit scènes is opgebouwd, maar men kan deze roman tegelijkertijd chronologisch verteld noemen.

LIT: Bal; Drop; Herman/Vervaeck; E. Lämmert. Bauformen des Erzählens (19756). [G.J. van Bork]

 

disiunctio zie Distanzstellung

dispondee

Term uit de prosodie ter aanduiding van een metrische eenheid bestaande uit twee spondeeën, bijv. Oóst wést, thúis bést. In de Nederlandse poëzie komt dit verschijnsel niet voor, behalve misschien in metrische vertalingen van klassieke verzen, zoals in de volgende regel uit een ‘metrische overzetting’ van een fragment van Vergilius' Aeneis (boek 6):

 Maàr naàuw/líjks zíet/ mén 't flàauw/ schéemrêndê/ lícht în hêt/Oóstén
 ( J. Kinker. Gedichten, dl. 3, 1821, p. XL).

LIT: Best; Cuddon; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

dispositio

Term uit de retorica voor de tweede taak van de redenaar (officia oratoris): na de inventio komt de dispositio, de schematische opzet van de rede, waarin alle res (zakelijke onderdelen) op hun juiste plaats terecht moeten komen. Die onderdelen kunnen zijn: het exordium, een inleiding om de aandacht van het publiek te trekken, om dat publiek welwillend te stemmen of nieuwsgierig te maken; de narratio moet vervolgens duidelijk maken waarover de rede zal gaan; in de argumentatio volgt het eigenlijke betoog met desnoods hier en daar een uitweiding (digressie); tenslotte volgt de conclusio of peroratio waarin een samenvatting en slotconclusie gegeven worden. De overgang tussen de verschillende onderdelen kan vloeiend gemaakt worden door een transitio.

Ook in kleinere gedichten kunnen deze elementen uit de dispositio teruggevonden worden, bijv. in Constantijn Huygens' gedicht 't Spoock te Muyden (in: De gedichten, ed. Worp, dl. 2, p. 160-162): vs. 1-6 exordium; vs. 7-62 narratio; vs. 63-74 argumentatio; vs. 75-82 conclusio.

LIT: Best; Gorp; HWR; Lausberg; Metzler; Shipley; Wilpert; E.K. Grootes. ‘Constantijn Huygens en 't spoock te Muyden’, in: Spektator 1 (1971-1972), Ton Cramnr., p. 473-481. [P.J. Verkruijsse]

 

disputatie zie disputatio

disputatio of disputatie

Academische discussie in de vorm van een dialoog naar aanleiding van een of meer gestelde vragen (quaestio). Argumenten voor en tegen de these worden aangedragen; bezwaren dienen weerlegd te worden. In de praktijk van het hoger onderwijs, op juridisch en theologisch gebied en op dat der artes liberales, fungeerde de disputatio vanaf de Middeleeuwen tot in de 18e eeuw als oefening om het geleerde in dialectische vorm toe te passen. Een disputatio ‘sub praeside’ (onder voorzitterschap van een hoogleraar) kon zelfs in de plaats komen van een publieke promotie. Een aparte vorm van de disputatio is het quodlibet. Een voorbeeld van een middeleeuwse disputatie is ‘Ene disputacie van onser vrouwen ende vanden heiligen cruce’ van Jacob van Maerlant (Strofische gedichten, ed. Verwijs, 1879, p. 80-99).

In de 17e en 18e eeuw was het de gewoonte de - uiteraard Latijntalige - disputatio te laten drukken: veel bibliotheken bewaren disputationes in - vaak niet gecatalogiseerde - verzamelbanden, bijv. Disputationes Academiae Trajecti ad Rhenum habita. Annis 1637-1690 (AB Utrecht: A.qu.192, waarin 100 disputaties), Dissertationes Academ. Physica 1593-1710 (BL Londen: 536.f.2, waarin 37 disputaties) of Tracts on metaphysics 1614-1706 (BL Londen: 525.d.13, waarin 45 disputaties). De disputationes bevatten vaak opdrachten aan leermeesters en begunstigers en lofdichten van studiegenoten; ze verschenen in per hoogleraar genummerde reeksen en vermeldden op de titelpagina de datum waarop de discussie plaatsvond, bijv. ‘Disputatio juridica vigesima septima [=27], de damno injuria dato, quam D.O.M.I. Praeside Viro Clarissimo, D. Antonio Matthaeo, juris antecessore primario, in illustri Academia V