M

maat zie metrum

macaronisch gedicht

Vorm van burleske poëzie (burleske literatuur) waarin twee of meer talen, of elementen daarvan, dooreen gemengd worden met het doel een humoristisch effect te bereiken. Zo vindt men Latijn en Nederlands (en mengvormen daarvan) in de volgende strofe uit het gedicht ‘De huishoudelijke vergadering [van de Gids-redaktie]’ van J.J.L. ten Kate:

 HEYE per sonetticum
 POTGIETERIUS per prosam
 Humoristico-morosam
 Vullant mengelwerkium!...
 Sic secundus Nummerus
 Fiat meesterstukkius.
 (Braga, 1, 1842-1843, ed. Winkler Prins, 1883, p. 76).

John O'Mill (pseud. van J. van der Meulen) schreef in zijn bundels Lyrical laria (1956) en Curious couplets (1958) gedichten waarin hij Engels en Nederlands op een komische manier met elkaar vermengt tot zijn ‘dutch and double dutch’.

LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J. Dahl. Makkaronisches Poetikum (1962). [G.J. Vis]

 

maculatuur

Drukkersterm voor bedrukt of beschreven perkament en papier dat niet meer van nut was en daarom versneden werd om dienst te doen als versteviging van een boekband. Vellen die gediend hadden als proefdruk of drukproef konden tot maculatuur versneden worden, maar ook codices (codex) die als kopij in een drukkerswerkplaats gebruikt zijn, werden in repen tussen de boekband verwerkt als hartstrookjes. Uit oude boekbanden komen dientengevolge vaak fragmenten van Middelnederlandse teksten tevoorschijn; met name de Karelepiek (Karelroman) is in dit soort maculatuurfragmenten (membra disiecta) overgeleverd.

Een voorbeeld van een opzienbarende vondst van maculatuur is de ontdekking in 1971 van een aantal fragmenten van een papieren handschrift van de Reinaert in een 16e-eeuwse band (Vijf jaar aanwinsten 1969-1973 [...] Koninklijke Bibliotheek Albert I [...] Brussel, 1975, p. 39-42).

LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962), p. 240; J. Deschamps. Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken (19722), p. 1; E. Pellegrin. ‘Fragments et membra disiecta’, in: A. Gruys en J.P. Gumbert. Codicologica 3 (1980), p. 72-79; J.M.M. Hermans (red.). Het middeleeuwse boek in Groningen (1981), p. 21. [P.J. Verkruijsse]

 

made-up copy

Term uit de analytische bibliografie voor een defect exemplaar-1 van een boek dat door een bezitter gecompleteerd is door er bladen (blad-2) of katernen van andere (nog defectere?) exemplaren of van andere drukken of uitgaven aan toe te voegen. Wanneer het gehele katernen van een ander exemplaar van dezelfde druk betreft, is moeilijk te constateren dat er iets is toegevoegd, tenzij bijv. een andere uitgave op afwijkend papier is gebruikt of wanneer wormgaatjes, watervlekken e.d. niet aansluiten. Als het alleen bladen betreft, is het de vraag of een bezitter zijn exemplaar heeft willen aanvullen of dat het wellicht een cancellans (cancel) van de drukker/uitgever is.

Completering van exemplaren met onderdelen van andere drukken is goed mogelijk wanneer het pagina-voor-pagina-herdrukken betreft waarin dezelfde pagina's dezelfde tekst bevatten, bijv. het exemplaar van Johan de Brunes Emblemata, aanwezig in de Bibliotheek van de Koninklijke Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels (UB Amsterdam). Dit exemplaar behoort tot de druk 1624, maar het laatste katern, het Yy-katern, van die druk is vervangen door het Yy-katern van de regel-voor-regel-herdruk van 1661 waaruit ook de nieuwe aanvullende katernen Zz-Bbb aan dit exemplaar zijn toegevoegd.

Bij pagina-voor-pagina-herdrukken zou het tot de uitgeverspraktijk kunnen behoren om ter besparing van papier restant-vellen van een eerdere druk te verwerken in de nieuwe druk.

LIT: Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 320. [P.J. Verkruijsse]

 

madrigaal-1

Term uit de muzikale en literaire genreleer ter aanduiding van een wereldlijk zangstuk dat in de 14e eeuw in Italië is ontstaan. Het was opgebouwd uit drie strofen waarvan de eerste twee een bouw hebben die verwant is aan die van de Minnesängerstrofe, en de laatste een Abgesang (staart) is. Oorspronkelijk tweestemmig, zonder begeleiding (a capella), is de madrigaal later meestal vijfstemmig. Kenmerkend is het ruime gebruik van toonschildering en muzikale woordillustratie, hetgeen later doorwerkte in de uit de madrigaal ontwikkelde wereldlijke cantate. De tekst heeft meestal een pastoraal, satirisch of amoureus karakter.

LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; LdMA; Metzler; MEW; Myers; Simms; Scott; Shipley; Wilpert; K.Ph. Bernet Kempers. Muziekgeschiedenis (19656), p. 243, 246. [G.J. Vis]

 

madrigaal-2

Term uit de genreleer voor een in Italië ontstaan gedicht dat sinds 1500 meestal bestaat uit twee elfsyllabige terzinen en één of twee disticha met een variabel rijmschema. Sommige madrigalen hebben slechts zes verzen, andere meer, maar nooit meer dan vijftien.

De thematiek is meestal de natuur of de liefde. Aanvankelijk heeft het een landelijk-idyllisch karakter. Het slot bevat vaak een wijsgerige, didactische of (in latere perioden) satirische wending. In de Nederlanden vindt men het madrigaal sinds de 16e eeuw als een elegant erotisch herdersliedje (arcadia, pastorale-1), bij voorkeur gebouwd op drie rijmklanken. Nederlandstalige madrigalendichters zijn o.a. Constantijn Huygens (1596-1687) en H.J. Roullaud (1729-1790).

LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; LdMA; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; Oosthoek encyclopedie, dl. 12 (19797). [G.J. Vis]

 

magazine zie tijdschrift

magazijn zie tijdschrift

magisch realisme

Richting in de kunst waarin een poging wordt gedaan de empirisch vaststelbare werkelijkheid te verbinden met een ‘andere’ of ‘hogere’ werkelijkheid, nl. die van een geestelijke of psychische orde. Niet alleen wordt getracht door een bepaalde weergave van de realiteit die hogere of psychische orde op te roepen, maar ook worden bewust metafysische verschijnselen verwerkt in een overigens nauw bij de realiteit aansluitende weergave. Daardoor ontstaan hallucinerende beelden of droomeffecten die opkomen in een met grote precisie getekende werkelijkheid. Op die manier wordt getracht een synthese te bereiken tussen werkelijkheid en verbeelding.

De term magisch realisme is afkomstig van de Italiaan M. Bontempelli (Gente nel tempo, 1937) en werd toegepast op het werk van uiteenlopende auteurs als E.T.A. Hoffmann (Der goldene Topf, 1816), E.A. Poe (Tales, 1840, 1845), Alain Fournier (Le grand Meaulnes, 1913) en S. Vestdijk (De kelner en de levenden, 1949). Het is zeer de vraag of het werk van deze auteurs onder de noemer magisch realisme is samen te brengen, immers ook het symbolisme streeft naar de verbinding van het reële met het hogere, met name onder invloed van Plato's ideeënleer, terwijl het surrealisme het psychische met onze ervaringswerkelijkheid verbindt. Lanckrock is zelfs van mening dat er helemaal niet van een stroming gesproken kan worden, omdat het verschijnsel al sinds de Oudheid in de kunst voorkomt en het zich daarom verheft boven de verschillende -ismen (alleen de naam is nieuw; het verschijnsel is tijdloos). Dit standpunt wordt gedeeld door magisch-realisten als Johan Daisne en Hubert Lampo, en daarom ontbreekt ook steeds een nadere tijdsbepaling voor deze richting in de kunst. De twee genoemde auteurs zijn de enige Nederlandstalige schrijvers die zichzelf magisch-realist noemen. Bij Daisne gaat het vooral om de verbinding droom-werkelijkheid. Het magisch realisme is voor hem bovenzinnelijkheid die door menselijke tussenkomst wordt opgeroepen en niet bijv. door een god of een wonder. Daisne spreekt zelf in dit verband over romantisch magisch realisme, een omschrijving die hij van toepassing acht op zijn romans De trap van steen en wolken (1942) en De trein der traagheid (1948). Voor Lampo speelt vooral het begrippenapparaat van C.G. Jung een rol: het collectief onbewuste, het archetype, de mythe. Door inspiratie komen tijdens het schrijven archetypen tot stand waardoor de zintuigelijke ervaringswereld doorbroken wordt of op een hoger plan wordt geplaatst. Lampo zelf beschouwt zijn roman De goden moeten hun getal hebben (1969) als het klassieke voorbeeld van dit type magisch realisme. Andere magisch-realistische romans van Lampo zijn o.m. Terugkeer naar Atlantis (1953) en De komst van Joachim Stiller (1960). Ook met betrekking tot het werk van Bordewijk ( Noorderlicht, 1948; Rood paleis, 1936) wordt wel van magisch realisme gesproken.

LIT: Baldick; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; R. Lanckrock. ‘Inleiding tot het magisch-realisme’, in: Nieuw Vlaams Tijdschrift 6 (1951-1952), p. 508-534; J. Daisne. Het geluk. Wat is magisch realisme? (1966); H. Lampo. De zwanen van Stonehenge (1972); H. Lampo. Joachim Stiller en ik (1978); C. van de Putte. De magisch-realistische romanpoëtica in de Nederlandse en Duitse literatuur (1979); W. Bronzwaer. ‘Bordewijks Noorderlicht’, in: De vrije ruimte (1986), p. 102-124. [G.J. van Bork]

 

magnum opus

Algemene term voor een ‘groot werk’ dat door iemand verricht is, maar vooral ook gebruikt voor iemands in kwalitatief en kwantitatief opzicht voornaamste werk binnen zijn totale boekproductie. De uitdrukking wordt gehanteerd voor zowel primaire als secundaire literatuur, bijv. voor Het verdriet van België van Hugo Claus of de veeldelige serie Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van L. de Jong. De term wordt tegenwoordig vaak ook ironisch gebruikt.

LIT: Cuddon; Scott. [P.J. Verkruijsse]

 

majuskelcursief zie capitalis cursiva

majuskelschrift

Term uit de paleografie voor een lettersoort waarvan alle letters dezelfde hoogte hebben (bijv. L en E zijn even hoog) en er geen schachten van letters naar boven of naar beneden uitsteken (bijv. P staat net als A op de schrijflijn). Onderscheiden worden de capitalis quadrata, de capitalis rustica en de capitalis cursiva. In het dagelijks spraakgebruik noemt men de majuskel een hoofdletter; in de typografie (drukkunst) spreekt men van kapitaal. Naast majuskelschrift kennen we ook minuskelschrift.

LIT: Best; Hiller; Scott; Wilpert; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), p. 106-116. [H. Struik]

 

maniërisme

Met de van oorsprong kunsthistorische en vaak negatief geladen term ‘maniërisme’ kan een bepaalde periode worden aangeduid, een bepaalde stijl binnen die periode of een algemeen stijlkenmerk dat in meer perioden aangetroffen wordt. Het maniërisme als periode wordt gewoonlijk gesitueerd in de 16e eeuw (vanaf 1520) en heeft dan betrekking op de navolgers van Rafaël en Michelangelo die op hun manier (‘maniera’) verder werkten. Het maniërisme wordt dan beschouwd als een overgangsstadium tussen renaissance en barok, als een exponent van de schokkende ontwikkelingen die begin 16e eeuw begonnen (reformatie), respectievelijk plaatsvonden (1527 Sacco di Roma).

De belangrijkste stijlkenmerken zijn enerzijds een bewuste doorbreking van de klassieke regels, een neigen naar parodie en ironie en in het uiterste geval naar absurdisme en anderzijds een streven naar uiterste verfijning in ordening, vorm en (wat betreft de beeldende kunsten) kleur. Alles wat met een achteloos lijkend vernuft en vakmanschap vervaardigd is, wat complex is geconstrueerd met schijnbaar meer aandacht voor de vorm dan voor de inhoud, zou men maniëristisch kunnen noemen. Na de chaos van het maniërisme zou de barok, al dan niet gesteund door de contrareformatie als gevolg van het Concilie van Trente (1545-1563), weer rust en zekerheid brengen. Volgens Hocke wil de maniërist alleen nog maar delectare, het publiek voortdurend verbluft doen staan.

Absurditeit en oververfijning kan men vervolgens ook in andere kunsthistorische perioden aantreffen: sommigen hebben het expressionisme van rond 1920 maniëristisch genoemd. Volgens Curtius duikt maniërisme telkens weer op wanneer zich een klassieke stijl gevormd heeft. Tegenover de ‘normale’ retorische stijlmiddelen, die altijd toch ook het gevaar van overdrijving in zich bergen, wordt in de literatuur van maniëristen graag, veel en ‘zinloos’ gebruik gemaakt van de hyperbaton (Distanzstellung), perifrase, paronomasia, metaforen, beeldgedichten-2, asyndetische vergelijkingen, dubbelzinnigheden enz. Wat Curtius betreft mag de term ‘barok’ plaatsmaken voor maniërisme omdat ook daar maniëristische tendensen overheersen.

De maniëristische stromingen van de late renaissance hebben in de nationale literaturen een eigen aanduiding gekregen: in Italië kan men het marinisme ertoe rekenen, inSpanje het gongorisme, in Frankrijk de préciosité, inEngeland het euphuism en in Duitsland de Schwulst. In de Nederlanden is er geen aparte term voor, hetgeen wellicht te wijten is aan het feit dat de renaissance hier pas doordrong en in zeer korte tijd tot bloei kwam toen die fase elders al vrijwel afgesloten was.

Het is dan ook zeer de vraag of in de Nederlandse literatuur van de renaissance maniëristische auteurs aangewezen kunnen worden. Een aantal kenmerken geldt immers ook voor het petrarkisme. Verkuyl heeft op de vraag of Huygens wellicht in navolging van John Donne een marinist was een negatief antwoord geformuleerd. Wanneer men het maniërisme als een repeterend fenomeen beschouwt (en de kunsthistorici neigen nu daartoe), dan kan men bijvoorbeeld zowel de sensitieve en verfijnde stijl van Couperus (decadentie) eronder vatten als het met neologismen, clichés en opzettelijke stijlfouten doorspekte proza van Kees van Kooten.

LIT: Baldick; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Knuvelder, dl. 2 (1971), p. 10-15; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; E.R. Curtius. Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter (19738), p. 277-305; De triomf van het Maniërisme (tentoonstellingscatalogus Rijksmuseum Amsterdam, 1955); W. Sypher. Four stages of Renaissance style (1956); G.R. Hocke. Manierismus in der Literatur (1966); P.E.L. Verkuyl. ‘Is Huygens een marinist?’, in: NTg 56 (1963), p. 129-140, 193-205; G. Ueding. Einführung in die Rhetorik (1976), 94-97; Zauber der Medusa; europäische Manierismen (tentoonstellingscatalogus Künstlerhaus Wenen, 1987); R. van Gelder. ‘Bizar raffinement’, in: NRC/Handelsblad, 15 mei 1987. [P.J. Verkruijsse]

 

manifest

Aanduiding voor die vorm van individuele of collectieve auteurspoëtica (poetica-3) die als openbare verklaring de functie heeft van een programmatisch geschrift. Veelal worden er nieuwe literaire opvattingen in kenbaar gemaakt.

Het manifest dient soms ter begeleiding van een (geïntendeerde) nieuwe beweging in de literatuur. Dit is bijv. het geval met Albert Verwey's Inleiding in de nieuwe Nederlandsche Dichtkunst (1905), een programmatisch geschrift dat, goeddeels in de vorm van een terugblik op de ontwikkelingen in de jaren 1880-1900, een aantal besliste poëticale uitspraken doet over de richting die de literatuur diende in te slaan. Dit manifest verscheen afzonderlijk in hetzelfde jaar waarin Verwey's tijdschrift De Beweging zijn eerste jaargang beleefde en waarmee het nauw verband hield. Menig nieuw tijdschrift opent met een manifest, zoals het ‘Ter inleiding’ van Ter Braak op Forum in aflevering 1 van jaargang 1 (1932). Maar er zijn ook andere vormen van openbare literaire verklaringen. Men denke aan de auteur die zijn eigen werk inleidt ( Johannes Kinkers ‘voorredes’ bij zijn Gedichten 1819-1821) of andermans werk ( Willem Kloos' inleiding op de Gedichten van Jacques Perk (1882), gezien als het programma van Tachtig). Ook menige bloemlezing bevat een manifest als inleiding, zoals die van D. Binnendijk op Prisma (1930) of van Gerrit Kouwenaar op Vijf 5 tigers (1955).

Afzonderlijke vermelding verdient het manifest als tekstsoort in het modernisme. De historische avant-garde gebruikte het manifest als geheel nieuw genre. Hierin presenteerde men zijn opvattingen over literatuur, kunst en maatschappij aan het publiek door middel van een grote variëteit van typografische en retorische middelen.

Over het geheel bezien kan men zeggen dat het vooral sinds de romantiek veel voorkomt dat belangrijke vernieuwingsbewegingen met manifesten zijn ingeluid, vanaf het afzonderlijk verschenen ‘Prospectus’ ter inleiding van De Gids (1837) tot de artikelenreeks Analyse en oordeel van J.J. Oversteegen in Merlijn (1965) en het Manifest voor de jaren zeventig (1970) van Peter Andriesse, Hans Plomp, Heere Heeresma en George Kool. De beoefenaar van de literatuurgeschiedenis kan in het verschijnsel manifest aanknopingspunten vinden voor voorstellen inzake periodisering.

LIT: Best; Gorp; Metzler; MEW; G.J. Vis. Johannes Kinker en zijn literaire theorie (1967), p. 44-113; J.C. Brandt Corstius. Het poëtisch programma van Tachtig (1968); J.J. Oversteegen. Vorm of vent (1970); R. Vervliet. De literaire manifesten van het fin-de-siècle in de Zuidnederlandse periodieken 1878-1914 (1983); G.J. van Bork en N. Laan (red.). Twee eeuwen literatuurgeschiedenis (19902), p. 182-203. [G.J. Vis]

 

mannelijk rijm of staand rijm

Term uit de prosodie waarmee die vorm van eindrijm wordt aangeduid waarbij rijmvrager en rijmgever een eensyllabige rijmklank hebben, bijv.

 In spin
 De bocht gaat in (kinderrijmpje).

LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Lodewick; Metzler; Morier; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

mannelijke cesuur

Term uit de prosodie voor een cesuur die valt na de eerste (beklemtoonde) syllabe van de dactylus, schematisch voorgesteld: -,~~, bijv.

 Ginds de alver-//woestende// krijg, en de //nimmer ver-//zadigde// bloeddorst
 ( J. Kinker. Gedichten, dl. 3, 1821, p. 87).

In tegenstelling tot de mannelijke cesuur valt bij de vrouwelijke cesuur de pauze na de tweede syllabe van de dactylus: -~,~.

Sommigen breiden de term uit tot elke cesuur die valt na een beklemtoonde syllabe in een metrisch (metrum) vers.

LIT: Cuddon; Dupriez-1; Gorp; Morier; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

mantel- en degenstuk

Term ontleend aan het Spaanse toneel, ‘comedia de capa y espada’, voor komedies of tragikomedies uit de periode van de renaissance waarin gecompliceerde, avontuurlijke en spannende liefdesgeschiedenissen voorkomen met veel vermommingen, travestieën en duels. De stukken spelen in kringen van de lagere aristocratie of hogere burgerij waar mantel en degen tot het wandelkostuum behoorden. Dit toneelgenre trekt zich weinig aan van de klassieke voorschriften en kent dan ook naast een hoofdintrige vaak meer nevenintriges en tussenspelen. Lope de Vegaheeft tal van mantel- en degenstukken geschreven. In Nederland is hij in de 17e eeuw vooral nagevolgd en vertaald door Theodoor Rodenburgh. Ook het melodrama uit de periode van de romantiek heeft nog invloed ondergaan van de Spaanse mantel- en degenstukken.

LIT: Gorp; Laan; Metzler; MEW. [P.J. Verkruijsse]

 

manuscript-1 zie handschrift

manuscript-2

Term uit de editiewetenschap en de manuscriptologie voor een handschrift voor eigen gebruik (klad), dit in tegenstelling tot de codex, de handgeschreven kopij en het gedrukte boek. In de drukkerswereld worden ook typoscripten als manuscript aangeduid. Een door de auteur zelf geschreven manuscript noemt men een autograaf; een afschrift door een ander een apograaf. Ook brieven horen tot de manuscripten.

De meeste bibliotheken bezitten een handschriftencatalogus waarin ook de manuscripten zijn opgenomen, zoals de Koninklijke Bibliotheek, Den Haag: Inventaris van de handschriften (voorl. uitg., dl. 1 (1988), dl. 2 (1993)), de Koninklijke Bibliotheek Albert I, Brussel: Catalogue des manuscrits (13 dln., 1901-1948), de Universiteitsbibliotheek Amsterdam: Catalogus der handschriften (7 dln., 1899-1923); de Universiteitsbibliotheek Leiden: Catalogus librorum manuscriptorum (samengesteld door Jacob Geel, 1852), de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (UB Leiden): Catalogus van de bibliotheek der Maatschappij (dl. 1, 1847), de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KB Den Haag): D.J.H. ter Horst, Catalogus van de handschriften der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen, in bruikleen in de Koninklijke Bibliotheek ‘s-Gravenhage (1938), de Universiteitsbibliotheek Gent: Inventaris van de handschriften (1977).

LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Mathijsen; Metzler; MEW; Scott. [P.J. Verkruijsse]

 

manuscriptologie of handschriftenkunde

Door W.Gs Hellinga geïntroduceerde term voor die tak van de bibliologie die zich bezighoudt met handgeschreven teksten uit de periode van de boekdrukpers (manuscript-2). Na ca. 1500 worden er praktisch geen codices (codex, handschrift) voor publieksdoeleinden meer afgeschreven. Manuscripten hebben een sterk persoonlijk karakter en zijn niet bedoeld voor een lezerspubliek; ze vallen daarom niet onder de codicologie, maar hebben een eigen hulpwetenschap tot hun beschikking.

In tegenstelling tot in de codicologie, waar de term codicografie inmiddels geïntroduceerd is, zijn er in de manuscriptologie nog vrijwel geen beschrijvingsmodellen (‘manuscriptografie’) ontwikkeld voor manuscripten.

LIT: BDI; MEW. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]

 

marge

Witte rand (wit) rondom de blad- of zetspiegel. Men onderscheidt een boven- of kopmarge, waarin paginering, foliëring of een kopregel kunnen voorkomen. In de beneden- of staartmarge wordt ook wel gepagineerd. Daarnaast kan men in de benedenmarge een katernsignatuur, een reclame of custode aantreffen. Door het bijsnijden van de bladen voor het binden, kunnen deze marginalia soms wegvallen. In de binnen- en buitenmarge treft men regelmatig glossen (glos), noten (noot), commentaar of een synopsis aan (een noot aan de voet van een pagina, een zgn. voetnoot, maakt echter deel uit van de bladspiegel). Vaak zijn deze marginalia oorspronkelijk, maar even vaak zijn het gebruikssporen.

Voor een middeleeuwse codex geldt: hoe ruimer de marges, des te kostbaarder het boek, want perkament was duur en het was economischer om het dicht te beschrijven. Ook moderne bibliofiele werken onderscheiden zich door ruimere marges.

LIT: BDI; Brongers; Hiller; C.F. Buehler. ‘The Margins in Mediaeval Books’, in: The Papers of the Bibliographical Society of America 40 (1946), p. 32-42; R.W.P.H. Scheller. Opmaak & Mise-en-page. Een onderzoek naar de beginselen der vroegste boekkunst (1966); H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (1986), p. 338-347. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]

 

marginalia

Letterlijk: randopmerkingen of kanttekeningen. In de late Oudheid en de Middeleeuwen was het gebruikelijk dat in wetenschappelijke teksten aanvullingen, uitleg, commentaar (glos) door de eigenaar-gebruiker van het handschrift in de marge werden bijgeschreven, voor welk doel de marge soms bij het schrijven van het handschrift extra ruim bemeten was.

Daarnaast kennen we marginalia als gebruikssporen, bij wijze van correcties en ter ondersteuning van de voordracht zoals in de Haagse Lancelot-compilatie (ed. Besamusca, Brandsma e.a., 1990), en als markering van belangrijke passages (nota-2).

In later tijd werden marginalia met een vaak ‘kritisch’ of spottend karakter bij teksten bijgeschreven. De verzelfstandiging van dit soort randopmerkingen in afzonderlijk gepubliceerde bundels of in tijdschriftrubrieken bleef men marginalia noemen. Dirk Costerbundelde bijv. aforismen onder de titel Marginalia (1919) en in o.m. De Vrije Bladenkwam een rubriek van die naam voor (1925-1929).

LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; Laan; Metzler; MEW; Scott; Wilpert; D. van der Poel. ‘Over gebruikersnotities in het Rose-handschrift K.A. XXIV’, in: NTg 79 (1986), p. 505-516. [G.J. van Bork/W. Kuiper]

 

Mariaklacht

Genre uit de geestelijke letterkunde waarin Maria haar smart om het lijden en sterven van Christus onder woorden brengt. De oudst bekende vertegenwoordiger van het genre is de Mariaklacht van Efrem de Syriër (373). In de 12e eeuw, gelijktijdig met de opkomst van de Mariadevotie en een toenemende aandacht voor het lijden van Christus, verschijnt de Mariaklacht inWest-Europa. De oudste en belangrijkste vertegenwoordigers zijn de Planctus ante nescia van Godfried van Breteuil (± 1180) en de zgn. Planctus van pseudo-Bernardus van Ogirius (vóór 1205). Vooral de laatste is tot na de 16e eeuw van grote invloed geweest.

Het precieze ontstaan van de Mariaklacht is niet duidelijk. Wel is bekend dat men al eerder aandacht had voor het lijden en de droefheid van Maria (o.a. Augustinus). Invloed uit de byzantijns-christelijke kerk is waarschijnlijk, maar niet bewezen. Evenmin is aangetoond dat het genre rechtstreeks beïnvloed is door de liturgie of het paasspel. Wel is het zeker dat er in de voorchristelijke dodencultus een voedingsbodem aanwezig was waaruit de Mariaklacht kon opbloeien: de Mariaklacht is in feite een gesublimeerde dodenklacht. De betekenis ervan was voor de middeleeuwse mens van een heel andere aard dan voor ons; de klacht is geen uiting van alleen droefheid zoals wij die omschrijven: in haar oorsprong heidens bevat de Mariaklacht nog veel heidense elementen. Een daarvan is mogelijk dat Christus beklaagd moet worden om te kunnen herrijzen.

Een Middelnederlandse vertegenwoordiger van het genre is Jacob van Maerlants Ener disputacie van onser vrouwen ende van den heiligen cruce ( Strophische Gedichten, ed. Verdam en Leendertz Jr., 1918, p. 90, vss. 14-65). Een bijzondere, oorspronkelijk Middelnederlandse Mariaklacht staat in Vanden Levene ons Heren (ed. Beuken, 1968, dl. 1, p. 112-123, vs. 3267-3514). Van deze klacht zijn geen Latijnse bronnen bekend.

In de 17e eeuw beleefde de Mariaklacht nog een nabloei in de Zuidelijke Nederlanden. Een voorbeeld hiervan is de Clachte van Maria beneven het cruysvan Justus de Harduyn (Goddelicke Lofsanghen, ed. Dambre, 1933, p. 109-111).

LIT: LdMA; Wilpert; K.C.M.W. de Vries. De Mariaklachten (1964). [H. Struik]

 

Marialegende

Begrip uit de genreleer voor een legende waarin Maria een hoofdrol vervult. Soms betreft het legenden over het aardse leven van Maria, zoals dat is overgeleverd in de apocriefe evangeliën en in middeleeuwse bronnen. Gewoonlijk betreft het verhalen waarin Maria op wonderbaarlijke wijze ingrijpt in het leven en door mirakelen haar getrouwen beloont of uit gevaren redt (mirakelspel). De Marialegenden ontstaan in de 12e eeuw en zijn bijzonder populair bij dominicanen en franciscanen. Onder hun invloed verandert het 12e-eeuwse beeld van Maria van de verheven Moeder Gods, afgebeeld als de koningin van de hemel, in de 13e eeuw in een glimlachende troostende moeder die optreedt als middelaarster tussen God en de (zondige) mens.

De bloeitijd van de Marialegende is de 13e eeuw. Belangrijke bronnen voor Marialegenden in de volkstaal zijn de Legenda Aurea van Jacobus de Voragine en de Dialogus miraculorum van Caesarius van Heisterbach. In de Spiegel historiael partie I, boek 7, hfdst. 47-94 (ed. De Vries & Verwijs, dl. 1, 1863, p. 321-376) heeft Jacob van Maerlant een aantal Marialegenden vertaald uit de Speculum historiale van Vincentius van Beauvais. Uit de 14e eeuw dateren de Beatrijs (ed. Meder en Wilmink, 1995) en Theophylus.

LIT: Best; Buddingh'; Laan; LdMA; Metzler; MEW; Wilpert; C.G.N. de Vooys. Middelnederlandse Marialegenden (2 dln., 1903); C.G.N. de Vooys. Middelnederlandse legenden en exempelen. Bijdrage tot de kennis van de prozateksten en het volksgeloof der middeleeuwen (19262).[H. Struik]

 

Marialied

Geestelijk lied (geestelijke lyriek) over of ter ere van Maria. Het Marialied is in de Middeleeuwen niet zo belangrijk geweest als op grond van de omvang van haar verering verwacht zou mogen worden; de betekenis van Maria voor het geestelijk lied is niet te vergelijken met de plaats die ze in de exempelen (Marialegende) bekleedt. Dit hangt samen met de plaats die Maria inneemt in de prediking van vooral de franciscanen: Maria is de voorspraak, het middel, het doel is Christus; de franciscanen hadden daarom meer interesse in Christusliederen. Voor de door Maria verrichte wonderen was in de lyriek geen plaats.

Verhalende liederen over het leven van Maria zijn het meest schaars: de aandacht voor haar leven begint meestal bij de aankondiging door de engel van Christus' geboorte (annunciatie). Veel Marialiederen zijn dan ook qua inhoud en vorm nauw verwant aan de kerstliederen.

Een loflied ter ere van Maria eindigt in de regel met het inroepen van Maria's voorspraak; soms wordt dit uitgebreid tot een gebed.

LIT: Best; Laan; LdMA; Metzler; Wilpert; J.A.N. Knuttel. Het geestelijk lied in de Nederlanden voor de kerkhervorming (1906), p. 236-276. [H. Struik]

 

Mariaspel

Onder deze ruime term vallen alle spelen waarin een gebeurtenis uit het leven van de maagd Maria centraal staat. Aanvankelijk werden o.m. de geboorte van Christus, het bezoek van de drie koningen of Mariahemelvaart in tableaux vivants uitgebeeld in processies (toog) of in de kerk, maar geleidelijk ontwikkelden deze voorstellingen zich tot volledige toneelspelen. Bekende Mariaspelen zijn de zogenaamde Bliscappen van Maria (ed. Beuken, 19782), waarvan alleen de eerste en de zevende bewaard zijn gebleven. Deze bliscappen werden jaarlijks in Brussel vanaf 1448 opgevoerd tot ver in de 16e eeuw. In 1401 werd in Antwerpen een Spel van onser Vrouwen gespeeld en in 1428 werd in Mechelen het (wagen)spel Van onser Vrouwen opvaert vertoond. In veel Zuid-Europese landen is het tot op heden gebruikelijk om tijdens processies in de Goede Week de dramatische ontmoeting van Maria en Jezus op de Kruisweg uit te beelden.

LIT: Laan; LdMA; Metzler; Wilpert; H. Pleij. ‘De taakverdeling in het huwelijk: over literatuur en sociale werkelijkheid in de late middeleeuwen’, in: Literatuur 3 (1986), p. 66-76; W. Kuiper en R. Resoort. Maria op de markt. Middeleeuws toneel in Brussel (1995); B.A.M. Ramakers. Spelen en figuren (1996), p. 414-422. [G.J. van Bork/Saskia Raue]

 

marinisme, concettismo of secentismo

Aanduiding voor de Italiaanse maniëristische stroming van de navolgers van Giovanni Battista Marino of Marini (1569-1625). Marino is uitermate gericht op de technische vaardigheid; de dichter moet volgens hem voortdurend op zoek zijn naar technische snufjes. Hij moet ernaar streven de orde, de harmonie en het evenwicht, die zo kenmerkend zijn voor de renaissancistische poëzie, te doorbreken ‘op de juiste tijd en plaats, zich aanpassend aan het heersende gebruik en de tijdssmaak’, zoals Marino het uitdrukte. De ware dichter is voor Marino degeen die de gevoeligste zintuigen heeft en de krachtigste beelden schept, niet door middel van de wijsheid, maar door de poëzie die bij hem louter sensueel-erotisch is.

De stijl van de marinisten wordt gekenmerkt door rijmloze verzen (blank vers), door zeer veel epitheta, door antithesen, analogieën en gewaagde, vaak antithetische metaforen, kortom door spitsvondigheid, door concetti (vandaar ook de term concettismo die wel voor het marinisme gebruikt wordt), die de lezer bij voortduring versteld moeten laten staan.

Hoe groot de invloed van Marino en het marinisme geweest is op de andere nationale maniëristische stromingen als het Spaanse gongorisme, de Franse préciosité, het Engelse euphuism of de metaphysical poets en de Duitse Schwulst is moeilijk na te gaan. Een aantal elementen van het petrarkisme kan ook gemakkelijk voor marinistisch doorgaan. De veronderstelde invloed van het marinisme op Constantijn Huygens, via het Engels van John Donne, wordt door Verkuyl sterk in twijfel getrokken, overigens zoals die op Donne ook sterk gerelativeerd wordt door Praz. Binnen het algemene literaire klimaat van die tijd zijn rechtstreekse invloeden of ontleningen moeilijk aantoonbaar. Zelfs bij de zgn. antimarinisten kan men marinistische vormen aantreffen.

LIT: Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; M. Praz. ‘Donne's relation to the poetry of his time’, in: The flaming heart (1958), m.n. p. 191-199; P.E.L. Verkuyl. ‘Is Huygens een marinist?’, in: NTg 56 (1963), p. 129-140, 193-205; G.R. Hocke. Manierismus in der Literatur (1966). [P.J. Verkruijsse]

 

marionettentheater of poppenspel

Theatervorm waarin personages door met de hand bewogen poppen worden voorgesteld. Daartoe worden verschillende soorten poppen gebruikt, zoals handpoppen (waarbij de kleding de hand verbergt), wajangpoppen (platte poppen die een schimmenspel opvoeren), maar ook marionetten die met draden van bovenaf of met stangen van onderaf gemanipuleerd worden. Alle toneelvormen kunnen ook als poppenspel worden opgevoerd, maar er is een voorkeur voor de komische sketch, zoals in de poppenkast met Jan Klaassen en Katrijn. In België worden in de poesjenellenkelders tal van folkloristische of op oude verhalen gebaseerde poppenspelen opgevoerd. Veel literaire teksten zijn voor poppenspel bewerkt, zoals Louis Paul Boons roman De bende van Jan de Lichte (1957).

LIT: Best; Gorp; LdMA; Metzler; MEW; Wilpert; W. Meilink. Bibliografie van het poppenspel van in Nederland en België verschenen werken op het gebied van het poppenspel (1965); R. Bulthuis. Geschiedenis van het schimmenspel in Nederland (1970); P. Vriesema. ‘De voorlopers van Jan Klaaszen: een stukje middeleeuws toneel uit de kast gehaald’, in: Meta 14 (1970-1980) 3, p. 55-60; W. Meilink. Doopceel van Jan Claeszen. Kroniek van het traditionele poppenspel in Nederland (19802); R. Bulthuis. Marionettentheater (1980); R. Erenstein e.a. (red.). Poppenspel, spec. nr. van Dramatisch Akkoord 15 (1982). [G.J. van Bork]

 

marktlied

Eenvoudig volkslied-1 dat op markten en kermissen gezongen werd door beroepszangers, en afgedrukt op een blaadje aan de man gebracht werd. Meestal bevat het marktlied ‘nieuws’, maar ook andere onderwerpen zijn mogelijk.

LIT: Gorp; W.L. Braekman. Hier heb ik weer wat nieuws in d'hand: marktliederen, rolzangers en volkse poëzie van weleer (1990). [W. Kuiper]

 

marskramer of colporteur

Marskramers, kramers, venters of omlopers zijn ambulante handelaren die voorzien van een korf (mars) huis aan huis hun koopwaar aanbieden. Zeker in het verleden hebben zij, vooral op het platteland, een belangrijke rol gespeeld bij de distributie van bepaalde producten van de drukpers, zoals blauwboekjes, almanakken, pamfletten-1, kranten, kortom wat gewoonlijk aangeduid wordt als triviaalliteratuur, waaronder ongetwijfeld ook illegale literatuur. Dat het een wijdverbreid verschijnsel was, bewijzen de vele rekesten van boekverkopersgilden aan de plaatselijke overheden waarin maatregelen gevraagd worden tegen de marskramers, alsmede het voorkomen van tal van kramers in de beeldende kunst en in de literatuur. Zo kan men kramers tegenkomen in kluchten vanaf de Middeleeuwen tot ver in de 18e eeuw, o.a. in die van Cornelis Everaert, Nicolaes Biestkens, G.C. van Santen, G.H. van Breughel (Een cluchte van eenen cramer hebbende te coop veelderley drollighe liedekens; ed. J.A. van Leuvensteijn, 1985), W.D. Hooft, Guilliam Ogier, Joh. van Paffenrode en Jacobus Rosseau (De zingende kraamer, 1718). Uit zowel de literaire als de archiefbronnen als uit de afbeeldingen in de beeldende kunst blijkt dat de sociale positie van de marskramer niet erg gunstig is: de grens met zwervers en vagebonden is diffuus. Datzelfde geldt voor de rondtrekkende liedjeszangers (straatlied), die met de boekenkramers over een kam geschoren worden, zoals blijkt uit titels van liedbundels als Apollo's marsdrager, veylende alderhande scherpzinnige en vermakelyke snel, punt, schimp, en mengeldichten (3 dln., 1715-1728), De marsdrager, of nieuwe toverlantaern, waar in vertoond wordt de nieuwste en aangenaamste gezangen (1754), De vrolyke kramer, met Klyn Jans pleizierig en vermakelyk mars-dragend hondje.

In de 19e eeuw neemt het verschijnsel colportage eerder toe dan af, wellicht als gevolg van het opheffen van de gilden. Een nieuw verschijnsel dat aan het leuren met boeken wordt toegevoegd, is het rondgaan met intekenlijsten door personen die nu mede aangeduid worden als reizigers, colporteurs of agenten. Op deze wijze kunnen ook duurdere boeken en seriewerken onder een ruimer publiek verspreid worden.

LIT: Hiller; Metzler; B. van Selm. ‘Onderzoek naar volkslectuur in de vroegmoderne tijd’, in: id. Inzichten en vergezichten (1992), p. 62-76; P.J. Verkruijsse. ‘Oktober 1678: Amsterdamse boekverkopers vragen om maatregelen tegen venters van “allerhande vuyle en schandaleuze Boeckjens”; de verspreiding van populaire literatuur’, in: M.A. Schenkeveld-Van der Dussen (hoofdred.). Nederlandse literatuur, een geschiedenis (1993), p. 292-297; L. Kuitert. ‘Grote boeken voor de kleine man; colportage in Nederland in de negentiende eeuw’, in: De wereld van het boek in de negentiende eeuw, thema-nr. van De Negentiende Eeuw 20 (1996), nr. 1, p. 92-105. [P.J. Verkruijsse]

 

martelaarsboek of martyrologium

Overzicht in boekvorm van de vroegchristelijke martelaren met de beschrijving van hun folteringen en marteldood. Feit en fictie zijn daarin niet strikt gescheiden, zodat een aantal martyrologia tot de literatuur gerekend mag worden. Dat geldt ook voor de nabloei van het genre na de reformatie wat betreft de protestantse en doopsgezinde martelaren.

Binnen de Middelnederlandse literatuur vervult de door Philip Utenbroeke gedichte Tweede partie van de Spiegel historiael (ca. 1280) de rol van martyrologium, later aangevuld door de in 1357 voltooide vertaling van Jacobus de Voragine's Legenda aurea (legende). Het officiële martelaarsboek van de katholieke kerk is het Martyrologium Romanum van C. Baronius uit 1584. In de Nederlanden zijn in de 16e en 17e eeuw o.a. ontstaan het doopsgezinde Offer des Heeren (1562), het Haarlemsch martelaarsboek (1615), het Boek der martelaren van Hans de Ries (1615), het Groot rechtgevoelend Christen martelaarsboek van A. Melle (1629) en de Martelaers spiegel der werelose christenen t'zedert Ao. 1524 van wellicht Hans de Ries en Jan Philipsz Schabaelje (1631).

Bewerkingen van martelaarsboeken zijn uitgegeven door J.M.J. Hoog in De martelaren der Hervorming (1885).

LIT: Best; Buddingh'; Laan; LdMA; MEW; F. vander Haeghen. Bibliographie des martyrologes protestants néerlandais (1890). [P.J. Verkruijsse]

 

martyrologium zie martelaarsboek

marxistische literatuurtheorie zie materialistische literatuurtheorie

massaliteratuur zie triviaalliteratuur

materia zie stof

materialistische literatuurtheorie of marxistische literatuurtheorie

Benaderingswijze binnen de literatuursociologie. De term materialistische literatuurtheorie verdient de voorkeur boven marxistische literatuurtheorie omdat Marx zelf nooit een samenhangende theorie over literatuur heeft uitgewerkt en men het marxistische vrijwel uitsluitend baseert op Marx' uitspraken over de verhouding tussen ‘basis’ en ‘bovenbouw’, waarbij het primaat bij de basis (de materiële omstandigheden) gelegd wordt. Materialistisch is de theorie omdat ze voor literaire verschijnselen naar materiële oorzaken zoekt. Uitgangspunt is dat het menselijk denken te beschouwen is als een product van het economisch en maatschappelijk bepaalde individu. Het literaire werk wordt beschouwd als een product van menselijke arbeid, voortgebracht onder omstandigheden die door de productiewijzen wordt bepaald. De kunstenaar zet materiaal uit de werkelijkheid om in een esthetische constructie en geeft daar een bepaalde betekenis aan. Het kunstwerk is geen directe weerspiegeling van de werkelijkheid, maar een weerspiegeling van de voorstelling die de kunstenaar van die werkelijkheid heeft. In die zin is kunst ideologisch bepaald. Bij de marxistische theoretici gaat het er in hun literatuurbeschouwing om het zgn. ‘vals bewustzijn’ in de literatuur te onderscheiden van het ‘kritisch bewustzijn’ van de auteur, d.w.z. van zijn vermogen te abstraheren van de voorwaarden waaronder hij zijn werk produceert, en om zijn kritische reactie op die voorwaarden. Materialistische literatuurtheorie is niet objectief, maar bewust partijdig, omdat het in het marxisme niet alleen gaat om de interpretatie van de werkelijkheid, maar vooral om de verandering van die werkelijkheid; interpretatie heeft eigenlijk alleen zin wanneer daar verandering mee wordt nagestreefd.

Het zal duidelijk zijn dat binnen deze theorie het ideologiebegrip een centrale rol speelt, omdat het immers gaat om de dialectische verhouding tussen de productiekrachten en de ideologische voorwaarden die de literatuur blijken te beheersen. Daarbij laten zich globaal twee opvattingen onderscheiden: 1. Het literaire werk geeft de neerslag van een bepaalde ideologie die het noodzakelijk product is van een historische fase van de maatschappelijke ontwikkeling. De literatuurwetenschapper dient die ideologie aan te wijzen evenals de grondslagen waarop ze berust ( Lukács, Goldmann e.a.). Sommigen spreken van het ‘ontmaskeren’ van de ideologie. 2. Daartegenover staat de opvatting dat het literaire werk de uitdrukking is van een nieuwe ideologie ( Brecht e.a.) of dat het een vorm van kritiek op bestaande ideologieën behoort te zijn ( Adorno e.a.).

Een goed voorbeeld van een kunst- en literatuurgeschiedschrijving waarin gepoogd is de cultuur te zien als uitdrukkingsvorm van ideeën die het noodzakelijke product zijn van historische fasen van maatschappelijke ontwikkelingen vormt A. Hausers Sozialgeschichte der Kunst und Literatur, in het Nederlands vertaald onder de titel Van grotschildering tot filmbeeld. De geschiedenis van kunst en literatuur als maatschappelijke verschijnselen (1957; SUN-reprint 13, onder de titel Sociale geschiedenis van de kunst, 1975).

LIT: Abrams; Best; Fowler; Gorp; Krywalski; Preminger; F. Raddatz. Marxismus und Literatur (3 dln, 1969); M.L. Gansberg. Methodenkritik der Germanistik (1970); J.F. Vogelaar. ‘Topografie van een materialistische literatuurtheorie’, in: Raster 4 (1970), 3, p. 338-373; J.F. Vogelaar (red). Kunst als kritiek. Voorbeelden van een materialistische kunstopvatting (1972); M. van Buuren. Filosofie van de algemene literatuurwetenschap (1988), p. 62-72. [G.J. van Bork]

 

materie zie stof

materieboek zie abc-boek

materiële analyse

Met deze term, ontleend aan de Duitse literatuurwetenschap, wordt de analyse aangeduid van die tekstelementen die als empirisch beschrijfbaar worden beschouwd. In die opvatting staat materiële analyse dan vaak tegenover interpretatie enerzijds en receptieonderzoek (receptie esthetica) anderzijds. In het algemeen is men van mening dat het grafische en het klankniveau empirisch beschrijfbaar zijn. Sommigen menen dat dit ook geldt voor het syntactische niveau en zelfs voor het semantische niveau. Het object van deze analyse is het artefact, de tekst in zijn materiële (zintuiglijk waarneembare) aspecten, als zodanig duidelijk onderscheiden van het esthetisch object (het kunstwerk zoals het beleefd wordt door de recipiënten).

De overgang van materiële analyse naar interpretatie ligt daar waar de onderzoeker de uitkomsten van zijn analyse gebruikt voor het doen van plausibele voorstellen over de betekenis van de tekst in ruimere zin, d.w.z. inclusief de functies van de beschreven vormen (eigenschappen en relaties).

LIT: N. Groeben. Rezeptionsforschung als empirische Literaturwissenschaft (1977), p. 36; L.H. Mosheuvel. Een roosvenster (1980), p. 13 vv.; J.J. Oversteegen. Beperkingen (1982), p. 179-195. [G.J. Vis]

 

matière zie stof

matière de Bretagne

Verzamelnaam voor de van oorsprong Keltische (middeleeuwse) verhaalstof (stof) afkomstig uitGroot- en Klein-Brittannië, bij uitbreiding ook uit Ierland. De matière de Bretagne vindt men verwerkt in de zgn. Brits-Keltische literatuur: de Tristan-roman van Thomas en Béroul, de Lais van Marie de France, de Arturromans in verzen van Chrétien de Troyes en diens navolgers en de grote cyclische prozaromans zoals de Lancelot en prose.

De matière de Bretagne is ook verwerkt in Middelnederlandse vertalingen en bewerkingen van Oudfranse teksten, bijv. Lanceloet en het hert met de witte voet.

Typisch voor de matière de Bretagne is het sprookjesachtige en het wonderbaarlijke, het bestaan van een Andere Wereld, feeën, witte wonderdieren enz.

LIT: Best; L. Jongen en P. Verhuyck (red.). De achterkant van de Ronde Tafel. De anonieme Oudfranse lais uit de 12e en 13e eeuw (1985); K. Busby. ‘Arthur en Tristan’, in: R.E.V. Stuip (red.). Franse literatuur van de middeleeuwen (1988), p. 102-120. [W. Kuiper/H. Struik]

 

matière de France zie chanson de geste

matière de Rome zie klassieke roman

maximalen

Groep Nederlandse dichters die met hun poëzie vertegenwoordigd zijn in de bundel Maximaal! (1988). Deze dichters, die zich aanvankelijk als groep manifesteerden, streefden naar een soort poëzie waarin meer straatrumoer zou doorklinken. Ze zetten zich af tegen de verstilde, ingekeerde en autonome poëzie van veel van hun voorgangers (bijv. Hans Faverey) en eisten daarentegen een poëzie van het volle en eigentijdse leven. De belangrijkste vertegenwoordigers van de maximalen zijn Joost Zwagerman, Arthur Lava en René Stoute.

LIT: R. Schouten. ‘Nieuwe geluiden en andere ouwe koek’, in: Maatstaf 39 (1991) 8/9, p. 13-20; J. Zwagerman. ‘Maximale jaren’, in: K. Hageraats e.a. (red.). Feest in de letteren, spec. nr. van Bzzlletin 22 (1992-1993) 200, p. 102-120. [G.J. van Bork]

 

maxime

Stelling of kernachtige spreuk die van algemene geldigheid wordt geacht voor het leven. Maximen komen voor in de vorm van spreuken die anoniem zijn, bijv. volkswijsheden, maar ook in de vorm van stellingen of aforismen die als grondbeginselen of levensregels opgevat kunnen worden. Samen met het spreekwoord, de spreuk of het gezegde en de sententia behoort de maxime tot de zgn. gnomische vormen.

In de letterkunde kwam het genre in zwang onder invloed van La Rochefoucaulds Réflections ou sentences et maximes morales (1665). Andere auteurs van maximen zijn Vauvenargues (Sentences et maximes, 1747) en Goethe (Maximen und Reflexionen, 1804). Een aardig voorbeeld van een maxime is Greshoffs ‘Het geluk gaat in de droom op en in de rede onder’ ( VW, Grensgebied, 1950, p. 10).

LIT: Baldick; Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Metzler; MEW; Scott; Wilpert. [G.J. van Bork]

 

mecenaat

Aanduiding voor de bescherming en financiële begunstiging van kunsten en wetenschappen. Het begrip is afgeleid van de Romeinse patriciër Maecenas (65-8 v.Chr.) die de mecenas was van onder andere Horatius en Vergilius.

De meeste middeleeuwse auteurs die werken van grote omvang schreven, werkten in opdracht van een mecenas, die een vergoeding over had voor hun werk en hun de financiële middelen verschafte om de schrijfbenodigdheden (perkament was kostbaar) te betalen. De Hollandse graven hebben in twee verschillende perioden de literatuur aan het hof bevorderd en beïnvloed. Jacob van Maerlant ( Alexanders geesten, Historie van Troyen, Heimelijkheid der Heimelijkheden, Der naturen bloeme, Spieghel historiael) en Melis Stoke (Rijmkroniek van Holland) schreven hun werk voor de kringen rond het hof van graaf Floris V (1256-1296), Dirc van Delft (Tafel vanden kersten ghelove) en Dirc Potter (Der minnen loep, Blome der doechden) voor het hof van Albrecht van Beieren (1389-1404) en Willem VI (1404-1417). Het was echter niet zo dat de Hollandse graven aan hun hofauteurs hun wil oplegden of door middel van de literatuur een bewust beleid wilden voeren. Volgens Van Oostrom kan er dan ook gesproken worden van ‘een mecenaat op zekere afstand’ en is het misschien beter om van patronage te spreken.

De mecenas werd door de auteur vaak genoemd en bedankt in een opdracht, gewoonlijk in de proloog van zijn werk:

 Grave Florens, coninc Willems sone,
 Ontfaet dit werc! Ghi waert de ghone,
 Di mi dit dede anevaen.
 Ghenoughet u, wildijt ontfaen  1  
 Danckelike, so bem ics vro,
 Ende ic houts mi gepayt also.  2  
 God geve u leven sonder blame!
 ( Jacob van Maerlant, Spiegel historiael, partie I, boek 1, vs. 93-99 (ed. M. de Vries & E. Verwijs, dl. 1 (1863), p. 16).

Het particuliere boekenmecenaat van na de Middeleeuwen laat zich slechts reconstrueren uit de opdrachten uit het voorwerk, maar hoeveel geld en/of geschenken daarmee gemoeid zijn, is nauwelijks te traceren. Van het overheidsmecenaat is een duidelijker beeld te krijgen uit de archivalia van de Staten-Generaal, de gewestelijke Staten en de steden. Het verwerven van financiële bijdragen door auteurs en uitgevers is vaak alleen mogelijk als de desbetreffende instantie zijn goedkeuring aan de inhoud van het werk heeft gehecht (privilege of approbatur).

Mecenaat houdt vaak een professionalisering van de kunst in. Dat dat ook voor de Nederlandse renaissanceliteratuur geldt, blijkt bijvoorbeeld uit de volgende notariële akte van 25 augustus 1622, waarin een aantal ‘liefhebbers vande Nederduijtsche Poësij’ J.J. Starter inAmsterdam tracht te houden. Ieder stort een bijdrage van twee pond bij de penningmeester,

uut wiens handen Starter voorsz. weecklicks sal trecken de somma van twaelef karolus guldens. Voor welke contributie hij gehouden sal syn ons volkomen acces tot alles wat hij maeckt, ofte gemaeckt heeft, te geven, wat wij van sijn liedekens ofte gedichten begeeren uijt geschreven te hebben, dat hij ons dat voor 3 stuivers de zijde gehouden sal sijn te schrijven, so wij ijets van hem willen gemaeckt hebben, dat hij ons voor een ander tot een billike prijse sal voorthelpen; namelijck elck liedtje voor twee guldens, elck Bruydlofts gedicht voor ses guldens ende andere rijmerijen naer advenant. Ende dat Hij, geduijrende onse contributie, syn vaste woonplaets tot Amsterdam sal houden.

In later tijd treden allerlei stichtingen en fondsen als mecenas op, terwijl ook de vele literaire prijzen bijdragen aan de inkomsten van auteurs.

LIT: Best; Cuddon; LdMA; Scott; Wilpert; J. Bumke. Mäzene im Mittelalter. Die Gönner und Auftraggeber der höfischen Literatur in Deutschland 1150-1300 (1979); F.P. van Oostrom. ‘Maecenaat en Middelnederlandse letterkunde’, in: J.D. Janssens (red.). Hoofsheid en devotie in de middeleeuwse maatschappij. De Nederlanden van de 12e tot de 15e eeuw (1982), p. 21-40; J.J.V.M. de Vet. ‘Maecenaat in de pruikentijd’, in: Handelingen van het 38e Nederlands Filologencongres 1984 (1985), p. 149-175; F.P. van Oostrom. Het woord van eer. Literatuur aan het Hollandse hof omstreeks 1400 (1987); P.J. Verkruijsse. ‘Het boekenmecenaat in de zeventiende eeuw’, in: Cultuur en economie, thema-nr. De Zeventiende Eeuw 6 (1990), p. 137-143; C.B. Smithuijsen (red.). De hulpbehoevende mecenas; particulier initiatief, overheid en cultuur, 1940-1990 (1990); J. Verheul & J. Dankers. Tot stand gekomen met steun van... Vijftig jaar Prins Bernhard Fonds, 1940-1990 (1990); M. Spies. ‘Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw’, in: Kunst in opdracht in de Gouden Eeuw, thema-nr. van Holland 23 (1991), p. 210-224; P.J. Verkruijsse. ‘Holland “gedediceerd”; boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw’, in: Kunst in opdracht in de Gouden Eeuw, thema-nr. van Holland 23 (1991), p. 225-242; Fondsenboek, samengest. voor Stichting Nederlands Informatiecentrum Fondsen (1991); F. van Oostrom. Maerlants wereld (1996). [H. Struik/P.J. Verkruijsse]

 

 1  als het u bevalt en het in dank wilt aannemen
 2  en dan ben ik er ook tevreden mee

medeklinkerrijm, acconsonantie, acconsonerend rijm of consonantie-2

Bij dit verschijnsel uit de prosodie beperkt het rijm zich tot de medeklinkers van woorden, bijv.

 Het houdt zijn adem in. Het witte zand
 Stuift over mijn verdwenen stap. De wind
 Zucht ...
 ( M. Nijhoff. VG, 19744, p. 428).

Sommigen hanteren deze term als synoniem van alliteratie. Een speciale vorm ervan is het beginrijm.

LIT: Baldick; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Dupriez-1; Dupriez-2; Morier; Preminger; Shipley. [G.J. Vis]

 

mediis in rebus zie in medias res

meerlingband

Term uit de boekbinderij voor een boekband waarin verschillende werken (convoluut), soms zelfs van variërend bibliografisch formaat, op een zodanige wijze zijn gebonden dat het mogelijk is de band van verschillende zijden te openen.

De enig bekende goed geconserveerde Nederlandse meerlingband dateert van ongeveer 1600 (UB-Amsterdam) en bevat zeven religieuze boekjes (twee in-4 en vijf in-8), uitgegeven teAmsterdam, Dordrecht, Leiden enRotterdam tussen 1588 en 1596.

LIT: Theatrum orbis librorum. Boeken, handschriften, kaarten en prenten uit Nederlands openbaar bezit, tentoongesteld [in de UB Amsterdam] t.g.v. de zeventigste verjaardag van de Amsterdamse antiquaar Nico Israel (1989), nr. 43-44; J.C. D[enninger]. ‘Het raadsel “meerlingband”’, in: Vouwbeen 1 (1990), nr. 2, p. 9-14. [P.J. Verkruijsse]

 

meervoudig perspectief

Vertelvorm waarin het perspectief ligt bij meer dan één personage dat als verteller optreedt, zodat we nu eens de gebeurtenissen volgen vanuit het gezichtspunt van de één, dan weer vanuit dat van de ander. Er zijn globaal twee mogelijkheden: er is sprake van een personale vertelwijze en de lezer volgt de gebeurtenissen volgens de visie van verschillende personages die in de derde persoon worden gepresenteerd, of er is sprake van meer dan één ik-verteller (ik-vertelwijze). Een voorbeeld van het eerste type vormt de roman Omtrent Deedee (1963) van Hugo Claus, waarin verschillende personages de figuur Deedee belichten, maar waarin deze zelf niet aan het woord komt. Een voorbeeld van het tweede type is de roman Menuet (1955) van L.P. Boon, waarin de personages in de ik-vorm overlappend vertellen over dezelfde gebeurtenissen. Een soortgelijke situatie doet zich voor in de briefroman, waarin echter steeds een zeker tijdsverloop zit ten aanzien van de vertelde gebeurtenissen. In deze voorbeelden gaat het om een volgehouden procédé dat de gehele roman structureert. Maar ook binnen één roman kan men delen aantreffen die meervoudig verteld zijn, zodat uit verschillende visies op eenzelfde situatie een vorm van ironie kan ontstaan. Een voorbeeld van een analyse van een roman met een meervoudig perspectief biedt H. Postma-Nelemans' Het perspectief in ‘Menuet’ (1974).

LIT: Anbeek/Fontijn; Boven/Dorleijn; Herman/Vervaeck; V. Neuhaus. Typen multiperspektivischen Erzählens (1971). [G.J. van Bork]

 

meilied

Oorspronkelijk lied waarin de vreugde om het herleven van de natuur en de wederopbloei van de liefde na de winterperiode bezongen wordt, bijv.

 Den lustelijcken Mey is nu in den tijt
 met sinen groenen bladen
 In't lievelijc aenscouwen, ghi die Venus dienaers zijt,
 men mach u niet versaden.
 Want bi des Meys virtuyt
 so menich cleyn voghelken ruyt,
 sijnen sanck is soet om hooren.
 Dies willen wi vruecht orbooren
 (Het antwerps liedboek, ed. Vellekoop e.a., 2 dln, 1975, dl. 1, p. 28-29, dl. 2, p. 16-17).

Later ook liefdeslied dat gezongen werd bij het planten van de meiboom voor het huis van de geliefde. In het geestelijk lied wordt het mei-thema (de meiboom wordt vergeleken met het kruis) soms verbonden met de Mariaverering (contrafact).

Uit de Middeleeuwen zijn tal van meiliederen overgeleverd, bijv. ‘Het viel een hemels douwe’ of ‘Och lichdi nu en slaept’ ( V.E. van Vriesland. Spiegel van de Nederlandse poëzie 1100-1900, 19634, p. 20-23). De rederijkers organiseerden speciale meifeesten waar meiliederen werden gezongen, bijv. het ‘Nieuw mey-lied’ van Pieter Jansz. Helleman (1585). Maar ook later duikt het mei-thema herhaaldelijk op in de Nederlandse poëzie, o.a. in het bekende ‘Mayschen morgen-stondt; geestelijck meditatie-liedt’ van D.R. Camphuysen ( G. Komrij. De Nederlandse poëzie van de 17de en 18de eeuw, 1986, p. 167-170), in de ‘Zeeusche mey-clacht ofte schyn-kycker’ van Adriaen vande Venne (1623; in Zeeusche nachtegael, ed. P.J. Meertens en P.J. Verkruijsse, 1982, p. 91-104) of in Herman Gorters Mei (1889).

LIT: Buddingh'; Laan; MEW; Morier; G. Kalff. Het lied in de Middeleeuwen (1884, reprint 1972); J.J. Mak. Uyt ionsten versaemt (1957), p. 28-33; F.C. van Boheemen en Th.C.J. van der Heijden. De Delftse rederijkers ‘Wy rapen gheneucht’ (1982), p. 98-101. [P.J. Verkruijsse]

 

meisjesboek

Boek dat bestemd is voor meisjes van de leeftijdscategorie tussen 6 en 16 jaar en daarom behoort tot de kinder- en jeugdliteratuur. Bekende schrijfsters van meisjesboeken zijn: Nienke van Hichtum, Top Naeff, Leni Saris en Cissy van Marxveldt met haar bekende Joop ter Heul-reeks.

LIT: D.L. Daalder. Wormcruyt met suycker (19762); J. Riemens-Reurslag. Het jeugdboek in de loop der eeuwen (1977); H. Bekkering e.a. (red.). De hele Bibelebontse berg (1990, p. 409-424. [G.J. van Bork]

 

meispel

Toneelspel dat speelt in de meimaand en dat gegeven uitbuit door de ontluikende natuur te thematiseren, vaak in verband met een opbloeiende liefde. Een voorbeeld van zo'n meispel is het Mey Spel van Cloris en Philida (1631) van Jan Hermansz Krul dat tevens elementen heeft van het herdersspel.

In het Hulthemse handschrift is Een liedekijn vanden hoede overgeleverd dat bestaat uit een gespeelde dialoog tussen een meisje en haar minnaar en dat men een meizangspel zou kunnen noemen. De Haarlemse rederijkerskamer Trou moet blijcken had een meispel op het repertoire onder de titel Een spel van die Meij (ed. Hüsken e.a. Trou moet blijcken. Bronnenuitgave [...], 1996, p. 50v-61v).

LIT: Laan. [G.J. van Bork]

 

melodisch accent

Term uit de prosodie en de auditieve of perceptieve fonetiek voor prominentie van bepaalde syllaben (accent) die gekenmerkt wordt door de toonhoogte. Men noemt vaak het Chinees als voorbeeld van een taal met primair melodisch accent. Maar ook in het Nederlands speelt het een rol. Onderzoekers zijn zelfs van mening dat de vroegere - in de eerste helft van de 20e eeuw overheersende - opvatting dat het Nederlands voornamelijk wordt gekenmerkt door dynamisch accent (sterkte, volume), herzien moet worden. Men gaat er nu vanuit dat het veelal het melodisch accent is dat taalgebruikers van het Nederlands doet zeggen dat een syllabe beklemtoond is.

LIT: Buddingh'; Marouzeau; Morier; Preminger; Shipley; Wilpert; G.E. Booij. Lexicon van de taalwetenschap (19802). [G.J. Vis]

 

melodrama

Oorspronkelijk een dramavorm waarin ernaar gestreefd werd drama en muziek zodanig met elkaar te verweven dat ze elkaar ondersteunden. Er is een nauwe verwantschap tussen melodrama en opera, maar bij het eerste genre ligt het accent toch vooral op het dramatische. Melodrama kan dan ook gedefinieerd worden als toneel waarin het gesproken woord wordt ondersteund door muziek, of gevoelens vooral door muziek worden uitgedrukt. Zo geformuleerd is J.J. Rousseau's Pygmalion (voor het eerst opgevoerd in 1770) het eerste melodrama. Rousseau's stuk werd nagevolgd door Georg Benda (Ariadne auf Naxos, 1774) en Florian (Héro et Léandre, 1785). Vooral in de Parijse boulevardtheaters werd melodrama enorm populair aan het eind van de 18e eeuw, mede door toedoen van Guilbert de Pixerécourt (1773-1844; schrijver van 63 melodrama's), die het genre voor de gehele 19e eeuw beïnvloedde. Een andere invloed vormde de gothic novel (vgl. G.M. Lewis' The castle spectre, 1798). Het melodrama kwam daardoor in de sfeer van de zwart-wit-tegenstellingen: de personages zijn of extreem deugdzaam of uitzonderlijk slecht. Daarin ligt ook de oorsprong van de latere negatieve waardering voor het genre. Niet alleen verdwijnt geleidelijk de muziek uit het melodrama, het genre valt steeds meer ten prooi aan pathetiek, tranenrijkdom, quasi-hartstochtelijkheid en extravagantie. Men spreekt bij dergelijke overpathetische stukken dan ook van een ‘draak’. Toch zijn die negatieve aspecten niet inherent aan het melodrama. G.B. Shaws The devils disciple (1897) en Sartre's Crime passionel (1948) kunnen bijv. gelden als een intellectualistische variant op het genre.

Het principe van het melodrama werd in de 20e eeuw overgenomen door de film, waarin de emoties voor een belangrijk deel door de filmmuziek worden ondersteund en soms zelfs opgeroepen.

In Nederland werden in de 19e eeuw tal van melodrama's in vertaling uit het Frans en Duits opgevoerd, bijv. De gebochelde, De kinderroofster, De wees van Lowood, De negerhut, De twee wezen en De voddenraper van Parijs. Oorspronkelijk Nederlands is bijv. M. Westermans Het ontzet der stad Leiden (1809), dat nog door muziek werd begeleid.

LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; James L. Smith. Melodrama (1973). [G.J. van Bork]

 

melopoeia

Eén van de drie niveaus waarop een tekst kan worden beleefd, nl. het muzikale niveau. Het gaat hierbij om de suggestie die het klankniveau bij de lezer oproept. Een goed voorbeeld van de werking van de melopoeia geeft Nijhoffs gedicht ‘Het lied der dwaze bijen’ (VW, dl. 1, 1982, p. 200-201), waarin de klank het gezoem der bijen suggereert. De andere twee niveaus betreffen de verstandelijke laag (logopoeia) en de visuele (fanopoeia).

LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; E. Pound. ABC of reading (1934). [G.J. van Bork]

 

membra disiecta

Letterlijk: ‘verstrooide brokstukken’. Term uit de codicologie voor her en der verspreide fragmenten van handschriften (codex). Behalve losse bladen die na de Middeleeuwen als omslag dienst deden (Aiol, Leiden UB, hs. BPL 1049) betreft het vaak ook tot stroken versneden bladen die als hartstrookje (Karel ende Elegast, Gent UB hs. 896-a) of als versteviging van de boekband gebruikt werden (maculatuur). Met name de Karelepiek is in membra disiecta overgeleverd.

De codicoloog kan aan de hand van eigennamen trachten de tekst te identificeren; hij kan op basis van vergelijking van schrift, taal en lay-out het fragment proberen te relateren aan andere membra disiecta en aldus het boek reconstrueren waarvan ze oorspronkelijk deel uitmaakten.

Een voorbeeld van dergelijk onderzoek is: J.A.A.M. Biemans, ‘Middelnederlandse fragmenten in de Stadsbibliotheek van Trier’, in: TNTL 100 (1984), p. 129-150, 191-200, waarin wordt aangetoond dat zich membra disiecta van de Spiegel historiael in bibliotheken te Frankfurt am Main, Chicago,Berlijn, Rotterdam, Trier en Göttingenbevinden, die behoord hebben tot één en dezelfde codex.

LIT: W. de Vreese. ‘De verstrooiing onzer handschriften en oude boeken over den aardbodem (1931)’, in: id. Over handschriften en handschriftenkunde (1962), p. 116-138; J. Deschamps. Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken (19722), p. 1-16. [P.J. Verkruijsse/W. Kuiper]

 

memento mori

Topos uit de beeldende kunst en literatuur waarin de voortdurende nabijheid van de dood verbeeld of verwoord wordt. Het memento mori geeft uitdrukking aan het middeleeuwse wereldbeeld, waarin het leven op aarde als slechts tijdelijk wordt beschouwd; alleen het leven na de dood is eeuwig. Bovendien gelooft men dat de dag van het Laatste Oordeel nabij is. De mens wordt erop gewezen geen aardse goederen en genoegens na te streven en het begaan van zonden te vermijden; voor zondaars wachten de verschrikkingen van de hel. In plaats daarvan moet hij zich wijden aan het nastreven van de werkelijke christelijke deugden. Alleen zij die in hun aardse bestaan zondevrij zijn, kunnen het Koninkrijk Gods deelachtig worden. De memento mori-gedachte wordt o.m. uitgedragen in de dodendans.

LIT: MEW; W. Kaiser. ‘Das Memento Mori. Ein Beitrag zum sozialgeschichtlichen Verständnis der Gleichheitsforderung’, in: Euphorion 68 (1974), p. 337-370; G.S. Williams. The vision of death. A study of the ‘Memento Mori' expressions in some Latin, German and French didactic texts of the 11th and 12th centuries (1976). [H. Struik]

 

memoires of gedenkschriften-1

Vorm van bekentenisliteratuur waarin een auteur terugblikt op (een deel van) zijn leven en dat beschrijft, samen met zijn gevoelens en zijn oordelen daarover. Autobiografie en dagboek behoren eveneens tot de bekentenisliteratuur, maar terwijl de autobiografie vooral op de auteur zelf gericht is en het dagboek van dag tot dag vermeldt wat de auteur beleefd heeft, kunnen memoires vooral gericht zijn op bepaalde gebeurtenissen waarvan hij getuige geweest is, maar waarbij ook anderen dan de auteur zelf centraal gestaan hebben. Een voorbeeld van de memoires in de hier bedoelde zin zijn Annie Salomons' Herinneringen uit de oude tijd over schrijvers die ik persoonlijk heb gekend (1957). Andere voorbeelden zijn de Gedenkschriften (1924) van Lodewijk van Deyssel, Het vuur brandde voort (1949, 19792) van H. Roland Holst-van der Schalk en Omzien in verwondering (2 dln., 1979) van A. Romein-Verschoor. Het genre is door verschillende auteurs ook als fictie beoefend, o.m. door Godfried Bomans in Memoires of gedenkschriften van Mr. Pieter Bas (1937) en door L.P. Boon in de Memoires van de heer Daegeman (1975). Memoires behoren tot de egodocumenten.

Veel memoires worden gepubliceerd in de reeks Privé-domein, uitgegeven door De Arbeiderspers te Amsterdam.

LIT: BDI; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; I. Schöffer. ‘Recente Nederlandse memoires’, in: Tijdschr. voor Geschiedenis 83 (1970), p. 262-283. [G.J. van Bork]

 

memoria

Een van de taken van de redenaar (officia oratoris) is de memoria, het uit het hoofd leren van de rede, waarbij de mnemotechniek kon helpen. Het memoriseren speelde ook een grote rol op de Latijnse School waar de leerling zich door voortdurende repetitio en exercitatio een rijke voorraad aan onderwerpen en wendingen (copia rerum en copia verborum) moest eigenmaken.

Zo zegt Constantijn Huygens in zijn autobiografie:

Welnu, omdat men ons in een verder stadium moest wijzen op tropen en figuren, waren er, zoals ik al zei, woorden nodig, waarmee de dingen konden worden aangeduid die wij voor de leraar uit het hoofd moesten kunnen opzeggen.
(Constantijn Huygens. Mijn jeugd, ed. C.L. Heesakkers1987, p. 43).

LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]

 

memoriaal

Dagboek waarin in chronologische volgorde lopende zaken opgetekend worden. Als term uit de archivistiek is het een dagboek waarin men de handelingen en voorvallen boekt die veranderingen veroorzaken in de grootte van het vermogen en die niet in een ander dagboek worden opgetekend.

Een wat bijzonder voorbeeld van een memoriaal in de eerste betekenis is het Memoriaal van Bredero, documentaire van een dichterleven, samengesteld door Garmt Stuiveling (1970), dat chronologisch alle bekende feiten met betrekking tot het leven van Bredero geeft.

LIT: Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]

 

mengelpoëzie

Aanduiding voor dichtwerken, bundels of delen daarvan, die een gemengde inhoud hebben. Zo bevatte Willem Bilderdijks Mengelpoëzy (1799) naast vertalingen van Ossian ook romancen, gelegenheidsgedichten, anacreontische poëzie e.a. De term is in de 20e eeuw in onbruik geraakt.

LIT: Buddingh'; Laan. [G.J. Vis]

 

mesostichon

Soort acrostichon waarbij de letters die een naam vormen in het midden van de versregel staan, en niet aan het begin of aan het slot (telestichon), zoals bijv. aan het einde van Anthonis de Rooveres Van pays en oorloghe:

 O Heere der heren, Raemt doch hier raet toe,
 ende toont Ontfermenisse in dese landouwe,
 soo dat Ons orloghe niet meer quaet doe,
 maer dat paeys Volghe, ghy weet den staet hoe,
 't herte dies Es lijdende rouwe.
 Gi zijt die Riviere, vol alder trouwe,
 dies bidd'ick Eerweerdighe Heere crachtich.,
 (ed. Mak, 1955, p. 390).

Een contaminatie van een mesostichon en een telestichon bevindt zich in de epiloog van Reinaerts historie (ed. De Keyser, 1938), waarin Claes van Aken, de kopiist van het handschrift, zijn naam op vernuftige wijze verwerkt heeft.

LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Scott; Wilpert. [W. Kuiper/H. Struik].

 

metafoor

Vorm van beeldspraak behorend tot de metaforiek. De metafoor in ruimere zin is een vergelijking-met-als (soms met verzwijging van ‘als’), zoals in:

 Ik ben een blomme
 en bloeie vóór uwe oogen
 ( G. Gezelle. Laatste verzen, 1936, p. 143).

Hierbij kan men tussen ‘ben’ en ‘een’ het woord ‘als’ denken.

De metafoor in engere zin geeft het beeld zonder het verbeelde (impliciete metafoor), zoals in:

 Laat ons de blaren
 van alle leed vergaren.
 ( P. van Ostaijen. VW, Poëzie, dl. 1, 1979, p. 102).

Hier staat het woord ‘blaren’ figuurlijk voor iets als ‘tekens’ of ‘overblijfselen’. Vooral de 20e-eeuwse poëzie bevat veel voorbeelden van metaforen in engere zin.

Soms behandelt men de metafoor als onderdeel van de troop.

LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; Laan; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott; Shipley; Wilpert; G.N. Leech. A linguistic guide to English poetry (1969); W.A. Shibles. Metaphor: an annotated bibliography and history (1971); J.J.A. Mooij. A study of metaphor (1976); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (19833), p. 238-241; J. von der Thüsen. ‘Metafoor’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.). Sleutelwoorden (1991), p. 105-111. [G.J. Vis]

 

metaforiek

Aanduiding voor een van de twee vormen van beeldspraak. Anders dan de metonymie berust de metaforiek op overeenkomst tussen het beeld en het verbeelde. Zo gebruikt men het woord ‘lente’ als beeld voor de ‘jeugd’. Tussen beeld en verbeelde bestaat een punt van vergelijking, het zogenaamde punctum comparationis, in dit geval het begin van een ontwikkeling in de levende natuur. Men onderscheidt hierbij de metafoor in engere zin en die in ruimere zin. Bekende vormen van metaforische beeldspraak zijn, behalve de metafoor, de allegorie en de personificatie. Het verschil met de metonymie bestaat hierin dat deze laatste berust op contigu verband.

LIT: Boven/Dorleijn; Gorp; J. van Luxemburg e.a. Over literatuur (1996), p. 99-106. [G.J. Vis]

 

metanoia

Vorm van de correctio bestaande uit het plotseling terugnemen dan wel het verzachten van datgene wat gezegd is. Men vindt beide elementen in de volgende passage:

 Hij aarzelt - neen, hij aarzelt niet, -
  Ten minste niet heel lang
 ( P. Paaltjens. Snikken en grimlachjes ed. Nieuwenhuys, 1967, p. 29).

LIT: Best; Cuddon; Lausberg; Shipley. [G.J. Vis]

 

metaplasmus

Term uit de retorica voor de in normaal taalgebruik niet geoorloofde syntactische omzetting of wijziging van woorden ten behoeve van het juiste metrum in poëzie of een welluidender formulering in proza. Dit kan bereikt worden door prothesis, epenthesis, paragoge, aphaeresis, syncope, apocope en diaeresis.

LIT: Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Lausberg; Marouzeau; Metzler; Ueding; Wilpert. [W. Kuiper]

 

metatesis-1 zie inversie

metatesis-2 zie Distanzstellung

metoniem zie metonymia

metonymia of metoniem

Vorm van beeldspraak die ontstaat bij toepassing van metonymie.

LIT: Boven/Dorleijn; Lausberg. [G.J. Vis]

 

metonymie

Toepassing van die vorm van beeldspraak die gekenmerkt wordt door het feit dat het verbeelde wordt aangeduid met een vorm van figuurlijk taalgebruik die berust op contigu verband (dit in tegenstelling tot de beeldspraak van de metaforiek). Zo kan men de jeugd uit een bepaalde straat aanduiden met de naam van die straat, bijv. in het zinnetje ‘De Vossiusstraat verloor van de P.C. Hooftstraat met 1-0’. In dit geval is het contigu verband van ruimtelijke aard. Maar het kan ook van temporele aard zijn, zoals in het geval waarin men het overlijdensjaar noemt in plaats van de gestorvene: ‘Laten we 1715 (Lodewijk XIV) niet vergeten’.

Een bekend voorbeeld van ruimtelijke metonymie is de pars pro toto of synecdoche, zoals in het bekende zinnetje ‘de bemanning bestond uit dertien koppen’. Causale metonymie (bijv. maker in plaats van het product) vindt men in het zinnetje ‘gisteren is er een Rembrandtgeveild’. Andere verwisselingsmogelijkheden op basis van contigu verband zijn het materiaal en het voorwerp dat ervan gemaakt is (‘het leer verdween in de touwen’), het voorwerp dat iets bevat en de inhoud ervan (‘geef me nog een glas’), en het geheel in plaats van het deel (‘ Nederland verloor met 3-2’), de zogenaamde totum pro parte.

LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Herman/Vervaeck; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott; Shipley; Wilpert; J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (19833), p. 241 v. [G.J. Vis]

 

metriek

Term uit de prosodie voor de theorie en de praktijk van die klankverschijnselen (klank) die behoren tot het gebied van het ritme, met name wanneer dit ritme metrisch (metrum) is.

LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Laan; Marouzeau; Metzler; Morier; Preminger; Shipley; Wilpert; ENSIE, dl. 2 (1947), p. 53-58; A.P. Braakhuis. De thematische structuur van de versregel (1962); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (19833), p. 255-257; W. Bronzwaer. Lessen in lyriek (1993), p. 51-105. [G.J. Vis]

 

metrisch patroon

Term uit de prosodie voor het geabstraheerde schema van het ritmisch (ritme) verloop van een vers-1 of een aantal bij elkaar horende verzen. Dit schema wordt meestal benoemd met behulp van termen uit de leer van de metra (metrum). Het patroon van een strofe of van een gedicht kan anders zijn dan de patronen van de afzonderlijke samenstellende regels ervan doen vermoeden. Men zie bijv. de tweede strofe uit het gedicht ‘Aan mijn kind’ van M. Nijhoff, die luidt:

 Hij had de beenen onder zich gekruist,
 Zijn oud gelaat was van rimpeltjes vol,
 Maar mond en oogen lachten. In zijn vuist
 Hield hij den steel van een parasol. (VG, 19744, p. 55).

De eerste regel van deze strofe is jambisch (jambe), de tweede is polymetrisch, namelijk jambisch-anapestisch (anapest), de derde is overwegend jambisch, de vierde echter overwegend dactylisch (dactylus). Gaat men, na het scanderen volgens de regels van de klankanalyse, de gegevens statistisch verwerken, dan krijgt men als schema van de gehele strofe een patroon dat overwegend jambisch is.

LIT: A.P. Braakhuis. De thematische structuur van de versregel (1962), p. 169. [G.J. Vis]

 

metrisch proza

Term uit de prosodie en de genreleer ter aanduiding van die soort ritmisch (ritme) proza die een metrisch (metrum) patroon als grondslag heeft, en die daarmee gerekend kan worden tot het genre van het prozagedicht. Ter illustratie zie men het volgende fragment uit een prozatekst van Lodewijk van Deyssel, waarvan de eerste zin, na scansie (scanderen), jambisch (jambe) genoemd kan worden en de tweede zin polymetrisch (afwisselend anapest en jambe):

Gij zijt ook zoo afgrijselijk verstandig. Gij wilt niet, dat dat de mannen langer aan tafel zitten om elkaâr de vleeschbrokken af te grissen [...].
(Verzamelde opstellen dl. 6, 1901, p. 79).

LIT: Bronzwaer; Morier; Preminger; Shipley. [G.J. Vis]

 

metrische afwijking zie antimetrie

metrische poëzie

Term uit de prosodie voor die soort poëzie-1 die gekenmerkt wordt door een metrisch (metrum) patroon. Metrische poëzie komt vaker voor dan metrisch proza. Het treedt dikwijls op in de vorm van isosyllabische verzen. In de perioden van renaissance en classicisme bestond er geen andere poëzie dan metrische. Sinds de romantiek, en in de Nederlandse letterkunde vooral sinds de Beweging van Tachtig (bijv. bij Gorter), is niet alle poëzie meer metrisch. Het vrije vers-1 was, in het symbolisme en het modernisme en ook in de naoorlogse dichtkunst, een aantrekkelijk alternatief. Maar het toepassen van metrum is tot op heden niet in onbruik geraakt. Het procédé is kennelijk geliefd, getuige het feit dat ook in de gedichten die geschreven zijn tijdens en na de experimenten van Vijftigers en Zestigers, menig metrisch vers te vinden is.

LIT: Bronzwaer; Buddingh'; Dupriez-1; Morier; Shipley. [G.J. Vis]

 

metrische variaties

Term uit de prosodie die betrekking heeft op het metrum van een vers-1, strofe of gedicht. Wanneer men antimetrie toepast, heeft dit tot gevolg dat men een variatie aanbrengt op een metrisch schema.

Zo is in het volgende fragment de tweede regel een metrische variatie op de eerste:

 De mantel dood is om mij heen.
 De wind ontwaakt b uit en de muur.
 ( G. Achterberg. VG, 1974, p. 124).

Door de plaats en het woordaccent van ‘buiten’ krijgt de lezer hier niet het te verwachten motief van de jambe te horen, maar een trochee. Een dergelijke variatie kan leiden tot contrapunt.

LIT: Alphen; Bronzwaer; Cuddon. [G.J. Vis]

 

metrum, maat of versmaat

Term uit de prosodie voor een georganiseerde ritmische (ritme) eenheid die gevormd wordt door accentverloop (accent): een bepaalde afwisseling van heffingen en dalingen (versvoet). De meest voorkomende voeten in het Nederlandse vers zijn de jambe, de anapest (beide stijgend metrum), de trochee, de dactylus (beide dalend metrum), de spondee en de amfibrachus. Op basis hiervan kan men dipodieën, tripodieën en tetrapodieën vormen, en kunnen er ook vaste formaties gemaakt worden, zoals de alexandrijn, de hexameter, de pentameter, de tetrameter en de trimeter.

Door het optreden van een bepaald ritmisch patroon kan een cadans ontstaan. Dit gebeurt met name bij isometrische verzen. Om een goed lopend metrisch geheel te krijgen moet de lezer soms elisie, contractie-1, hiaat of syncope realiseren. In de poëzie die stoelt op de vormgevingsprincipes van renaissance en classicisme is deze leeswijze bij conventie geregeld.

Combinatie van twee of meer verschillende metra leidt tot polymetrie. Afwijkingen van het accentverloop binnen de toepassing van een bepaald metrum leiden tot antimetrie. Metrum kan ondersteund worden door rijm (bijv. eindrijm, of alliteratie).

Metrum is abstract, een schema, in tegenstelling tot ritme, dat een concrete invulling is door middel van gerealiseerde spraakklanken.

Men kan het eventuele metrum van een stuk poëzie op het spoor komen door, met behulp van technieken van de klankanalyse, de regel(s) te scanderen.

LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; A.P. Braakhuis. De thematische structuur van de versregel (1962); G.S. Fraser. Metre, rhyme and free verse (1970); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (19833), p. 255-257. [G.J. Vis]

 

mezzotint zie zwartekunst

Middeleeuwen

Periode-aanduiding voor dat tijdvak van de Europese geschiedenis dat doorgaans begrensd wordt door de val van het West-Romeinse rijk (476) en de ontdekking van Amerika(1492), of, ruimer geformuleerd, de periode tussen de Klassieke Oudheid en de renaissance (ca. 500-1500). Anderen laten het eindpunt van de Middeleeuwen samenvallen met de uitvinding van de boekdrukkunst (ca. 1455).

Voor de literatuurgeschiedenis laat men de Middeleeuwen beginnen met de vroegste teksten uit de cultuurgeschiedenis die in de volkstaal zijn overgeleverd. Voor de Nederlandse literatuurgeschiedenis zijn dat teksten in het Middelnederlands, al kon toen nog niet van een eenheidstaal geproken worden. Die vroege teksten stammen uit de 12e eeuw, maar er is ongetwijfeld een lange orale traditie (orale literatuur) aan deze geschreven teksten voorafgegaan. Wel is er een probatio pennae bewaard gebleven uit de 11e eeuw (mogelijk zelfs aanzienlijk ouder), maar men laat de Nederlandstalige middeleeuwse literatuur toch beginnen met de auteur Hendrik van Veldeke die rond 1170 zijn Leven van Sint Servaesdichtte.

In de literatuurgeschiedenis wordt voor de Middeleeuwen gewoonlijk de volgende indeling gehanteerd: Vroege Middeleeuwen (ca. 1150-1300), Late Middeleeuwen (ca. 1300-1450) en rederijkerstijd (ca. 1450-1575). De hierbij genoemde jaartallen variëren per land. Zo begon de renaissance in Italië aanzienlijk vroeger dan in onze streken.

Wat betreft de Middelnederlandse literatuur worden ook andere indelingen gebruikt. Zo spreekt men o.m. van voorhoofse en hoofse literatuur, van geestelijke en wereldlijke literatuur, van rederijkersliteratuur (rederijkers), etc. De meeste Middelnederlandse literatuur is anoniem en een groot deel ervan is ook niet oorspronkelijk, maar vormt een bewerking of vertaling van teksten uit andere taalgebieden, zoals bij veel ridderromans het geval is (vgl. de Aiol of de Lancelot-cyclus). Toch zijn er wel degelijk teksten in het Nederlandse taalgebied ontstaan. Zo veronderstelt men dat Van den Vos Reinaerde oorspronkelijk van Vlaamse afkomst is en dat geldt evenzeer voor de gedichten van Hadewych en vele anderen.

Oorspronkelijkheid is overigens een eis die in de Middeleeuwen voor literatuur niet gold. Het is zelfs de vraag of men wel van ‘literatuur’ moet spreken, want teksten werden in die tijd vanuit allerlei doelstellingen geschreven. Het gaat in feite om verschillende typen gebruiksteksten die een rol speelden in de educatie, in de kerk of daarbuiten in de verbreiding van christelijke opvattingen en in het algemeen in het beschavingsoffensief.

Het merendeel van de geschreven middeleeuwse literatuur ontstond aanvankelijk in kloosters, met name in de scriptoria (scriptorium). Omdat het vooral geestelijken waren die het schrijven machtig waren, werden de meeste teksten geschreven door kloosterlingen. Naarmate de steden zich steeds sterker ontwikkelden en steeds meer leken leerden schrijven, kwamen aan het eind van de Middeleeuwen steeds meer teksten in omloop die door gewone burgers vervaardigd werden. Dat geldt in het bijzonder voor de vele rederijkersteksten aan het eind van de Middeleeuwen.

LIT: Algemeen: A. van Houtte e.a. (red.). Algemene geschiedenis der Nederlanden. 12 dln (1949-1958); H.P.H. Jansen. Algemene geschiedenis der middeleeuwen (1964); J. le Goff. De cultuur van middeleeuws Europa (1987). Literatuur: W.J.A. Jonckbloet. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Dl. 1 en 2 (1888-18894); G. Kalff. Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Dl.1 (1906); J. van Mierlo. De letterkunde der Middeleeuwen (19492); G. Knuvelder. Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde. Dl. 1 (19572); J. te Winkel. De ontwikkelingsgang der Nederlandse letterkunde. Dl. II (19732); H. Pleij. Het literaire leven in de middeleeuwen (1984); H. Pleij. Nederlandse literatuur van de late middeleeuwen (1990); D. Hogenelst en F. van Oostrom. Handgeschreven wereld. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen (1995); M.A. Schenkeveld-van der Dussen (red.). Nederlandse literatuur, een geschiedenis (19982), p. 1-164. [G.J. van Bork]

 

Middelnederlands

De taalfase van het Nederlands die ruwweg begrensd wordt door enerzijds het begin van de schriftelijke overlevering in de 12e eeuw ( Sint Servaeslegende van Hendrik van Veldeke, ca. 1170) en anderzijds het doordringen van de renaissance rond 1500.

Taalkundig markeert men de overgang van het Oudnederlands naar het Middelnederlands wel met de reductie van ‘gekleurde’ vocalen in zwak beklemtoonde lettergrepen tot sjwa (bijv. Oudnederlands ‘heb ban’, Middelnederlands ‘heb ben’), hoewel er aanwijzingen zijn dat deze overgang al eerder heeft plaatsgevonden.

Het Middelnederlands was geen eenheidstaal, maar bestond uit verschillende dialecten: Middelvlaams, Middelbrabants enz. Ook de laatmiddeleeuwse Saksische dialecten vanGroningen, Drenthe, Overijssel en Oost-Gelderland worden in de praktijk tot het Middelnederlands gerekend. Evenmin was er een duidelijke taalgrens tussen het Middelnederlandse en het Middelduitse taalgebied; de verschillende dialecten binnen het continentaal Germaans dialectcontinuüm vloeien geleidelijk in elkaar over. Aardig is in dit verband de nog altijd durende strijd over de vraag of het oeuvre van Hendrik van Veldeke nu tot de Nederlandse of tot de Duitse literatuur behoort. Dit probleem is nog lang niet opgelost, maar uit recent onderzoek is gebleken dat Veldeke bij het schrijven van zijn Eneide de rijmwoorden zo selecteerde, dat zij zowel voor een Hoogduits (Thürings-Hessisch) als voor een Middelnederlands (Maaslands) publiek aanvaardbaar waren.

De overgang van Middelnederlands naar Nieuwnederlands rond 1500 valt niet duidelijk te markeren; veel deskundigen beschouwen de 16e eeuw als een overgangsperiode. Het Middelnederlands is uitvoerig beschreven; als standaardwerken kunnen worden beschouwd: het Middelnederlandsch woordenboek (MNW) van E. Verwijs en J. Verdam (1885-1952) en het Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW; voltooid in 1998); J.J. Mak. Rhetoricael Glossarium (1959); F.A. Stoett. Middelnederlandsche spraakkunst, syntaxis (19233); A. van Loey. Middelnederlandse spraakkunst, dl. 1: Vormleer (19809) en dl. 2: Klankleer (19767); J. Deschamps. Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken (19762); M. Gysseling en W. Pijnenburg. Corpus van Middelnederlandse teksten tot en met het jaar 1300 (1977-).

LIT: Laan; LdMA; G. Schieb. Henric van Veldeken, Heinrich von Veldeke (1965); Th. Klein. ‘Heinrich von Veldeke und die mitteldeutschen Literatursprachen, Untersuchungen zum Veldeke-Problem’, in: Th. Klein en C. Minis. Zwei Studien zu Veldeke und zum Straßburger Alexander (1985), p. 1-121; M.J. van der Wal en C. van Bree. De geschiedenis van het Nederlands (1992); J.W. de Vries, R. Willemijns en P. Burger. Het verhaal van een taal. Negen eeuwen Nederlands (1993). [H. Struik]

 

middenrijm

Term uit de prosodie voor het feit dat rijmvrager en rijmgever, voorkomend in verschillende regels, niet, zoals bij eindrijm, dienen ter afsluiting van de regels, maar geplaatst zijn midden in de regel, bijv.

 T en syn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
 Noch die verradelijck u togen voort gericht,
 Noch die versmadelyck u spogen int gesicht,
 Noch die u knevelden, en stieten u vol puysten.
 ( J. Revius. Overysselsche Sangen en Dichten, ed. Smit, dl. 1, 1930, p. 222).

Het middenrijm lijkt op het binnenrijm doordat beide niet aan het eind van de regel optreden. Het verschil zit in de horizontale plaatsing van het binnenrijm tegenover de verticale van het middenrijm (in twee of meer regels, vaak op vergelijkbare plaats, zoals bij Revius in de tweede, derde en vierde voet van de alexandrijn).

LIT: Alphen; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Lodewick; Marouzeau; MEW; Morier; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

Miltoniaans sonnet

Term uit de genreleer voor een door Milton in Engeland geïntroduceerd sonnet dat qua vorm praktisch gelijk is aan het Italiaanse sonnet, met dit verschil dat het geen witregel heeft tussen octaaf en sextet.

LIT: Buddingh'; Cuddon; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; [G.J. Vis]

 

mimesis

Nabootsing, weerspiegeling of weergave van de zintuigelijk waarneembare werkelijkheid in de kunst. Het begrip mimesis wordt vaak in verband gebracht met de termen inventio, fictie en realisme-2.

Al vanaf de introductie in de Oudheid is het begrip mimesis omstreden geweest. Plato gaf er een normatieve inhoud aan: het kunstwerk moet niet de empirisch waarneembare werkelijkheid uitbeelden, maar de ‘idee’ daarachter. Niet de handelingen in het drama zijn belangrijk, maar de geïmpliceerde deugden of ondeugden die ze uitdrukken. In feite constateert Plato dat kunst slechts een afschaduwing geeft van de reële wereld, die op haar beurt slechts een afschaduwing is van de goddelijke werkelijkheid. Bij Aristoteles is de rol van de kunst positiever geformuleerd, ook al verwacht hij er geen fotografisch realisme van. Aristoteles is van mening dat de kunst door nabootsing openbaring van het universele geeft. Voor hem is kunst herschepping van het leven. In feite is daarmee de tegenstelling gegeven die eeuwenlang de interpretatie van het begrip mimesis beheerst heeft.

Historisch gezien heeft men beurtelings op de nabootsing of op de creatie of inventie de nadruk gelegd. In de renaissance lag het accent op de Aristotelische opvatting, maar daarnaast trachtte het neoplatonisme de ideeën van Plato en Aristoteles te integreren: kunst als weerspiegeling van de werkelijkheid om een hogere waarheid te tonen. En omdat de klassieken daarin zo uitnemend geslaagd waren, lag het voor de hand hun voorbeeld te volgen, wat leidde tot imitatio, een begrip dat niet met mimesis verward mag worden.

Met de opkomst van de romantiek wordt de mimesisgedachte geleidelijk naar de achtergrond gedrongen, ten gunste van de opvatting dat het kunstwerk een oorspronkelijke schepping is met geheel eigen wetten. De kunstenaar bemiddelt door zijn unieke eigenschappen (genie) tussen het eindige en oneindige, tussen stof en geest. Literatuur bootst de natuur niet na, maar schept haar eigen natuur: de dichter als schepper, als god. Deze opvatting is duidelijk van metafysische aard en steunt weer meer op de uitgangspunten van Plato.

Sindsdien hebben de accenten nu eens op het realisme (bijv. naturalisme), dan weer op het ideële (bijv. symbolisme) gelegen. Tegen de romantische kunstopvatting is vooral binnen de marxistisch georiënteerde literatuursociologie verzet gekomen, in het bijzonder tegen de idee van de autonomie van het kunstwerk. Opnieuw ging de weerspiegelingstheorie een rol spelen, maar nu in het bewustzijn dat de werkelijkheid in de kunst altijd vergezeld gaat van een al dan niet uitgesproken ideologie.

Hoe problematisch de term mimesis is, blijkt wanneer men tracht vast te stellen wat nu precies nabootsing of weerspiegeling inhoudt. Wat verstaat men onder de werkelijkheid die weerspiegeld wordt? Steeds duidelijker werd dat het mimesisbegrip sterk bepaald wordt door de literatuuropvattingen van een bepaalde auteur of groep auteurs. Het is de auteur die uit de zichtbare werkelijkheid kiest wat beschreven wordt en bovendien geeft hij die werkelijkheid weer door middel van taalvormen die in feite tijdgebonden en beperkte ‘symbolen’ zijn voor de beschreven verschijnselen.

LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Prince; Scott; Shipley; Wilpert; E. Auerbach. Mimesis (1946); W.J. Verdenius. Mimesis (1949); M.H. Abrams. The mirror and the lamp (1958); J.D. Boyd. The function of mimesis and its decline (1968); A. Bolckmans en R. Vervliet (red.). ‘Creatio versus mimesis?’ in: Nieuw Vlaams Tijdschrift 28 (1975), p. 693-755; P. Macherey. ‘Problemen rond het begrip “weerspiegeling”’, in: Gebroken spiegel. Over de realistische illusie (1981); P. Claes. Echo's echo's (1988), p. 28-37; S. Brinkkemper en I. Soepnel. Apollo en Christus. Klassieke en christelijke denkbeelden in de Nederlandse renaissance-literatuur (1989), p. 40-51; S. IJsseling. Mimesis: on appearing and being (1997). [G.J. van Bork]

 

minderemanstonelen

Komische entr'actes met laaggeplaatste personen, voorkomend in de beginfase van het Nederlandse ernstige renaissancedrama (tragikomedie, schooldrama). Voorbeelden kan men aantreffen in G.A. Bredero's Rodd'rick ende Alphonsus (1616) en in de stukken van Abraham de Koningh tussen ca. 1610 en 1619.

LIT: M.B. Smits-Veldt. Het Nederlandse renaissancetoneel (1991). [P.J. Verkruijsse]

 

miniatuur

Benaming voor geschilderde voorstellingen in handschriften of incunabelen. Miniaturen werden na het afschrijven-1 van de tekst in het handschrift aangebracht, vaak door een specialist: de miniaturist.

Om de waarde van het boek te vergroten ging men er vanaf de 13e eeuw toe over boeken niet alleen te verluchten (boekverluchting, decoratie), maar ook te illustreren, een ontwikkeling die samenhangt met het zelfstandig lezen in plaats van voorgelezen worden. Dit is de belangrijkste reden waarom de overgeleverde Middelnederlandse literaire teksten nauwelijks illustraties bevatten; ze waren bijna allemaal bedoeld om uit voor te lezen. Getijdenboeken daarentegen zijn vaak rijk verlucht; zij waren bedoeld om gelezen te worden.

Decoratie zegt echter niet alleen veel over de waarde van het handschrift - hoe kostbaarder de decoratie des te duurder de codex -, maar ook over het belang van de tekst. Binnen de decoratietechnieken zijn rangordes aan te wijzen: het belangrijkst zijn de miniaturen, dan volgen initialen-1, dan lombarden en tenslotte de rubricatie. De lezer werd op die wijze op belangrijke tekstpassages gewezen: de aanwezigheid van een miniatuur (of een grote initiaal) wijst op een belangrijk stuk tekst.

Een miniatuur kan een deel van een tekstkolom beslaan of een paginagrote afbeelding zijn van een tekstpassage. Als een illustratie in de beginletter is verwerkt, spreekt men evenwel van een gehistorieerde initiaal.

Van miniaturen voorziene handschriften uit de Nederlanden va