P

 

paasspel

Vorm van liturgisch drama ontstaan uit de tijdens de liturgie gezongen quem queritis-troop. Dit kleine onderdeel van de paasviering wordt wel gezien als de bakermat van het geestelijk drama in de Middeleeuwen. In de loop der eeuwen werden daar steeds meer elementen aan toegevoegd. Wat oorspronkelijk een symbolische uitbeelding van één essentieel moment van het hele gebeuren was, groeide uit tot een volledige dramatisering van het hele paasverhaal.

Volgens deze inmiddels achterhaalde, maar hardnekkige theorie zou het geestelijk drama zich via het liturgisch drama ontwikkeld hebben uit de in de kerk gezongen tropen-2, nadat er eeuwen geen toneel gespeeld was. Waarschijnlijker is echter dat er altijd toneel gespeeld is, zij het dat daar voor de periode van de 5e tot de 10e eeuw weinig bewijzen van zijn overgeleverd. Dit toneel is uiteindelijk ook weer een rol in de kerk gaan spelen om het vertelde te veraanschouwelijken.

Van het (semi-)liturgische paasspel moeten wel 500 lezingen bekend zijn geweest in de 10e tot 12e eeuw. In de 14e en 15e eeuw wordt het Latijnse paasdrama nog veel gespeeld, na 1500 neemt het aantal opvoeringen af, maar het spel handhaaft zich tot in de 18e en 19e eeuw.

Een voorbeeld van een semi-liturgisch paasspel van Nederlandse bodem is het Latijnse Maastrichts paasdrama (ed. Smits van Waesberghe, [19532]), p. 63-85) uit de 12e of 13e eeuw. Men moet dit stuk niet verwarren met het Nederduitse Maastrichtse paasspel (ca. 1350) dat in de buurt vanKeulen is ontstaan, maar zijn naam dankt aan het feit dat het handschrift uit een klooster bij Maastricht afkomstig is.

De paasspelen gaven aanleiding tot het ontstaan van de kerstspelen, die soms woordelijk aan de eerste herinneren. In plaats van de bij het graf gezongen tekst: Quem queritis in sepulchro?, luidt de zang dan bijvoorbeeld ‘Quem queritis in praesepe?’ (praesepe = kribbe).

Vanwege de inhoud, waarin het lijden van Christus centraal staat, is er een duidelijk verband met het passiespel.

Ook later werden nog paasspelen geschreven. Zo publiceerde M. Nijhoff in Het heilige hout (1950) een paasspel onder de titel De dag des heren.

LIT: Best; Laan; LdMA; Metzler; Wilpert; J. Smits van Waesberghe. Muziek en drama in de Middeleeuwen [19532]; B. Hunningher. The origin of the theater (1955); W.N.M. Hüsken. ‘In Dendermonde wordt in de Paasdagen een Verrijzenisspel gespeeld; kerkelijk drama in de volkstaal’, in: R. Erenstein (hoofred.). Een theatergeschiedenis der Nederlanden (1996), p. 24-29. [H. Struik]

 

pagina zie bladzijde

paginering

De nummering van de bladzijden in een (gedrukt) boek. In het middeleeuwse handgeschreven boek (codex) was het de gewoonte de bladen-2 te nummeren (foliëring). Deze laatste methode werd in de beginperiode van de boekdrukkunst ook nog toegepast, maar verdwijnt geleidelijk in de 16e eeuw.

Bij het pagineren worden de recto-zijden van een blad oneven genummerd en de verso-zijden even, zodat in een opening een even pagina altijd links zit en een oneven pagina altijd rechts. De plaats van de paginering op de pagina vertoont grote verschillen: de nummers kunnen in de kopregel worden opgenomen, zowel links als rechts als in het midden, of op dezelfde posities in het staartwit.

In de periode dat de katernen van katernsignaturen voorzien worden, besteedt men in de zetterij duidelijk minder aandacht aan een correcte paginering: in zeer veel boeken uit de handpersperiode wemelt het van onjuiste paginanummers. Deze afwijkingen dienen door de analytisch bibliograaf in een paginaformule gesignaleerd te worden, waarbij niet-gepagineerde bladzijden uit het voorwerk tussen rechte haken worden opgenomen en niet geplaatste cijfers uit de paginareeks cursief worden gezet. De formule: [8] 1-4 5-60, betekent dat er 8 ongenummerde pagina's voorafgaan aan de paginareeks van 60 bladzijden waarvan de eerste vier cijfers niet geplaatst zijn.

Vanaf de 18e eeuw wordt het de gewoonte het voorwerk te nummeren met romeinse cijfers.

LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 52, 332; K.F. Treebus. Tekstwijzer (19832), p. 166-167; H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (19862), p. 361-362. [P.J. Verkruijsse]

 

paleografie

De wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van oud schrift en oude lettervormen (letter). Aan de hand van door oefening verworven kennis is de paleograaf in staat oud schrift te ontcijferen (transcriptie), de opeenvolgende stadia te herkennen en vervolgens dat schrift te dateren en localiseren. Binnen de neerlandistiek is de paleografie van belang voor de tekstgenese en als zodanig een onderdeel van de codicologie en de manuscriptologie.

De paleografie ontstond in de 17e eeuw als nevenproduct van de diplomatiek of oorkondeleer door de publicatie van Jean Mabillon, De re diplomatica (1681). B. de Montfaucon bouwde deze wetenschap verder uit in zijn Palaeographica graeca (1708). Vanaf 1821 vindt de paleografie tal van vooraanstaande beoefenaars aan de Parijse École des Chartes. Ludwig Traubebracht begin 20e eeuw de paleografie in een breder cultuur- en kunsthistorisch kader. Daardoor is binnen de codicologie het accent steeds meer komen te liggen op de studie van randversieringen en op grond daarvan te onderscheiden schrijfscholen en minder op het schrift. Niettemin is op dat laatste terrein het werk van Léon Gilissen, L'expertise des écritures médiévales (1973), van groot belang.

Voor de periode na de Middeleeuwen valt de aandacht meer op de kalligrafie van de 16e- tot 18e-eeuwse schrijfmeesters dan op het gewone gebruiksschrift. Alleen het handschrift van Constantijn Huygens is diepgaand bestudeerd door H.M. Hermkens: Handleiding bij het lezen van Huygens' schrift (gewijzigde uitgave (1984) als bijlage bij de uitgave van Constantijn Huygens' Trijntje Cornelis).

De Bibliotheca Neerlandica Manuscripta (BNM) van Willem de Vreese is voor de middeleeuwse paleografie een onvoltooid maar een niet te overschatten apparaat. De zogenaamde paleografische a.l.s.en kan men zien als een poging het Nederlandse schrift in zijn ontwikkeling te tonen.

LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Hiller; MEW; Scott; W. Lampen. De betekenis der palaeographie als wetenschap (1932); J.L. van der Gouw. ‘Enige problemen van de Nederlandse palaeografie’, in: Nederlands Archievenblad 62 (1957-1958), p. 17-28; G.I. Lieftinck. Paleografie en handschriftenkunde (1963); A. Gruijs. Codicologie of boek-archeologie? Een vals dilemma (1971); J.P. Gumbert. Schrift, codex en tekst. Een rondgang door paleografie en codicologie (1974); J.L. van der Gouw. Oud schrift in Nederland (19802); B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (1988); J.A.A.M. Biemans. ‘Willem de Vreese en de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta’, in: Literatuur 6 (1989), p. 93-101. [P.J. Verkruijsse]

 

paleotypie

Specialisme binnen de analytische bibliografie dat zich bezighoudt met de bestudering van de drukletter (letter) uit de periode vanaf de prototypografie, incunabel en postincunabel tot in de 18e eeuw. De inventarisatie en classificatie van het oude letter- en siermateriaal kan het mogelijk maken drukwerk uit die periode aan een bepaalde drukkerswerkplaats toe te schrijven. Voor de 15e en 16e eeuw is dit werk verricht door respectievelijk W. en L. Hellinga en H.D.L. Vervliet.

LIT: B. Kruitwagen. Laat-middeleeuwsche paleografica, paleotypica, liturgica, kalendalia, grammaticalia (1942); W. & L. Hellinga. The fifteenth-century printing types of the Low Countries (1966); H.D.L. Vervliet. Sixteenth century printing types of the Low Countries (1968); Ch. Enschedé. Typefoundries in the Netherlands (19782); H. Borst, C. van der Kogel, P. Koopman e.a. ‘Wonen in het Woord - Leven in de letter; analytische bibliografie en literatuurgeschiedenis’, in: Literatuur 5 (1988), p. 332-341. [P.J. Verkruijsse]

 

palilogie

Vorm van repetitio waarbij een woord of een zinsdeel wordt herhaald om er de nadruk op te leggen. Woord- en zinsdeelherhaling vindt men respectievelijk in vers 1 en vers 3 van de volgende strofe van P. van Ostaijen:

 Danseresje, danseresje,
 Zoveel honderd in de maand,
 Word prinsesje, word prinsesje
 Tegen zoveel in de maand.
 (VW Poëzie, dl. 1, 1979, p. 11).

Soms heeft de palilogie de vorm van een anadiplosis.

LIT: Buddingh'; Cuddon; Lausb.; Preminger; Wilpert. [G.J. Vis]

 

palimpsest

Opnieuw beschreven perkament nadat de inkt verwijderd is door die af te wassen dan wel af te krabben (rasuur). Vaak ging het hierbij om toendertijd waardeloos geachte teksten, bijv. oude liturgische teksten na een hervorming, of rechtsteksten die verouderd waren. Men herhaalde bij deze behandeling een deel van het proces dat bij de productie van perkament gehanteerd werd. Men maakte het perkament wat vochtig, schuurde het met puimsteen en wreef het in met kalk. Hierna was het perkament weer geschikt om te beschrijven.

In de Middeleeuwen werd een palimpsest ‘charta rasa’ of ‘charta deletica’ genoemd. Dergelijke palimpsestbladen werden gedurende de hele Middeleeuwen gebruikt en men heeft er belangrijke, verder geheel verloren gegane teksten op teruggevonden, omdat met behulp van infrarood- en ultraviolet licht de verwijderde tekst vaak nog leesbaar te maken is.

LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Metzler; Scott; Shipley; Wilpert; W. Wattenbach. Das Schriftwesen im Mittelalter (19584), p. 299-317; J.M.M. Hermans & G.C. Huisman. De descriptione codicum (19813), p. 18-20. [H. Struik]

 

palindroom

Woord of zin die ook van achteren naar voren gelezen kan worden zonder dat er iets aan de betekenis verandert. Woordvoorbeelden zijn: lepel, pop, parterretrap. Voorbeelden van zinnen: ‘Taai gal, plagiaat’ of ‘Koot, mannen, nam ei; Bie, mannen, nam 't ook’. Sommigen rekenen er ook omkeerbare woorden of zinnen onder waarbij wel betekenisverandering optreedt, zoals ‘neger’ en ‘regen’.

Vergelijkbaar met het palindroom is het kreeftgedicht.

LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; Drs. P. Ons knutselhoekje (1975); Battus. ‘Mooi dit idioom’, in: Hollands Maandblad (1978-1979) 373, p. 15-17. [G.J. van Bork]

 

palinodie

Aanduiding voor een gedicht waarin een auteur herroept wat hij in een eerder gedicht heeft gezegd. Als vorm van zelfkritiek (poëtica-3) kan een dergelijk gedicht in allerlei gedaanten voorkomen, bijv. in die van de parodie, zoals het geval is met Kinkers werk De menschheid in 't Lazarushuis (1801) waarin hij zijn Eeuwfeest (1801) belachelijk maakt. Soms is het bedoelde verworpen gedicht gefingeerd of in ieder geval niet concreet aanwijsbaar, zoals in ‘De schrijver’:

 Op deze plek heeft een gedicht gestaan.
 't Beviel me niet. Toen ik het op wou knappen
 toen bleef er, toen mijn pen begon te schrappen,
 per slot van rekening geen woord van staan.
 [...]
 Het was vooral triest door de trieste grappen.
 Neen, het was goed noch slecht, er was niets aan.
 ( M. Nijhoff. VG, 19744, p. 406).

LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

Palmerijnromans

Cyclus van Spaanse 16e-eeuwse ridderromans rondom de figuur van Palmerin, geschreven naar het voorbeeld van de Amadisromans. De eerste Palmerijnroman, Palmerin de Oliva, verscheen in 1511. Via de Franse navolging Amadis de Gaule is de Palmerijnstof waarschijnlijk in de Nederlanden doorgedrongen: de oudst bekende druk verscheen in 1613 teArnhem bij Ian Ianszen: Een seer schoone ende ghenoechelicke historie vanden alder-vroomsten ende vermaertsten ridder Palmerijn van Olijve. Bredero ontleende er zijn stof aan voor Rodd'rick ende Alphonsus (nl. caput 105), Griane (caput 1-11, 89-91, 94-96 en 98) en Stommen Ridder (caput 68-79).

LIT: MEW; J.J. O'Connor. Amadis de Gaule and its influence on Elizabethan literature (1970). [P.J. Verkruijsse]

 

pamflet-1, vliegende bladen of vlugschrift

Algemeen verspreid geschrift dat een concreet feit, dat tot op één jaar nauwkeurig bepaald kan worden, beschrijft of bespreekt of dat in nauw verband met een zodanig feit gedrukt of op een andere manier vermenigvuldigd en uitgegeven is in de tijd waarin genoemd feit voorviel.

Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst was het mogelijk om snel en op grote schaal actuele berichten te verspreiden in beknopte vorm, dus voor een geringe prijs. Deze pamfletten, vlugschriften of vliegende bladen waren vaak op plano-vellen gedrukt, verschenen dikwijls anoniem (tenzij het een min of meer officiële overheidspublicatie betrof) en zonder drukkersadres en werden op straat uitgevent door marskramers. Het pamflet met actualiteitswaarde (bekendmakingen van de overheid, nieuwsberichten) is de voorloper van het dagblad. Al vrij snel krijgt het pamflet behalve een actuele ook een polemische (polemiek) inhoud (pamflet-2).

Grote collecties pamfletten bevinden zich in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag (catalogus door W.P.C. Knuttel, 19782), de Universiteitsbibliotheek Gent (de collectie- Meulman, gecatalogiseerd door J.K. van der Wulp, 1866-1867), in de Thysiana en de Universiteitsbibliotheek Leiden(catalogus door L.D. Petit en H.J.A. Ruys, 1882-1934), in de boekerij van de Remonstrantse Kerk te Amsterdam (catalogus door H.C. Rogge, 1862-1866), in de Universiteitsbibliotheek Groningen (catalogus door G. van Alphen, 1944), in de Universiteitsbibliotheek Utrecht(catalogus door J.F. van Someren, 1915-1922), in de Provinciale BibliotheekMiddelburg (catalogus door W.C. Zijlstra, 1994) en in de Bibliotheek Arnhem (catalogus door M.W. Huiskamp, P.J. Boon en R.L.M.M. Camps, 1995). P.A. Tiele beschreef de verzameling van Frederik Muller in de Bibliotheek van Nederlandse pamfletten (1858-1861).

LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Laan; Metzler; MEW; Scott; Wilpert; P. Fredericq. Het Nederlandsche proza in de 16e-eeuwsche pamfletten uit den tijd der beroerten (1907); N.B. Tenhaeff. Pamfletten. Engelsch-Hollandsche waardeering in de 17e eeuw. Een parallel tot moderne oorlogslitteratuur (1917); O. Giraldo. ‘Van pamflet en traktaat tot vlugschrift: een oud probleem opnieuw belicht’, in Handelingen van het 26e Vlaamse Filologencongres (1967), p. 536-546; P.A.M. Geurts. De Nederlandse opstand in de pamfletten 1566-1584 (19833); C.E. Harline. Pamphlets, printing and political culture in the early Dutch Republic (1987). [P.J. Verkruijsse]

 

pamflet-2, libel, paskwil, schimpschrift, schotschrift of smaadschrift

De vernieuwingsbewegingen van na de uitvinding van de boekdrukkunst ontdekten al snel dat de drukpers ook voor propagandistische doeleinden gebruikt kon worden. Verspreiding op grote schaal van nieuwe ideeën was mogelijk door middel van goedkoop en weinig omvangrijk drukwerk, dus via pamfletten. Het pamflet (pamflet-1) ontwikkelde zich tot schotschrift, waarin vaak uiterst felle polemieken gevoerd werden over met name godsdienstige en politieke onderwerpen in de 16e tot en met 18e eeuw. In de 19e eeuw neemt de brochure (brochure-2) de plaats in van het pamflet; in de 20e eeuw leeft het weer op door politieke (wereldoorlogen) en maatschappelijke (Provo) gebeurtenissen.

Het pamflet kan nu eens lijken op een traktaat, dan weer op een hekeldicht of satire of een politieke prent. Ook de grens met de gelegenheidspoëzie is soms niet scherp te trekken. De dialoog leent zich bijzonder goed voor het leveren van kritiek; populair waren de zgn. schuitpraatjes. De omvang blijft vaak niet beperkt tot een plano, maar kan uitdijen tot één of meer katernen.

Veel pamfletten zijn - zoals meer gelegenheidsdrukwerk - niet of in slechts weinige exemplaren bewaard gebleven.

Grote collecties pamfletten bevinden zich in openbaar bezit (zie onder pamflet-1).

LIT: Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Laan; Metzler; MEW; Wilpert; P. Fredericq. Het Nederlandsche proza in de 16e-eeuwsche pamfletten uit den tijd der beroerten (1907); N.B. Tenhaeff. Pamfletten. Engelsch-Hollandsche waardeering in de 17e eeuw. Een parallel tot moderne oorlogslitteratuur (1917); O. Giraldo. ‘Van pamflet en traktaat tot vlugschrift: een oud probleem opnieuw belicht’, in Handelingen van het 26e Vlaamse Filologencongres (1967), p. 536-546; P.A.M. Geurts. De Nederlandse opstand in de pamfletten 1566-1584 (19833); C.E. Harline. Pamphlets, printing and political culture in the early Dutch Republic (1987). [P.J. Verkruijsse]

 

panegyriek zie lofrede

panoramische vertelwijze

Term uit de verteltheorie voor een tekstuele presentatie van een groot ruimtelijk overzicht van de materiële situatie waarin de lezer zich dient te verplaatsen. De panoramische presentatie is een vorm van het fysisch perspectief, evenals de scenische presentatie. Van deze laatste verschilt de panoramische vertelwijze doordat het niet om een eenmalige gebeurtenis gaat. Men zou ook kunnen zeggen: de panoramische vertelwijze is, door het ontbreken van de factor vertelde tijd, verwant aan de schets, terwijl de scenische vertelwijze dichter bij het verhaal-1 staat. De panoramische vertelwijze wordt bij voorkeur gebruikt bij de auctoriale vertelwijze, omdat de alwetende verteller bij uitstek in staat is om een totaalblik op de situatie te geven. Een goed voorbeeld ervan treft men aan in Hildebrands novelle Teun de Jager (1840), waarin een panorama van het Hollandse duinlandschap geschilderd wordt waarin de tragedie zich zal voltrekken.

LIT: Bergh; Boven/Dorleijn; Cuddon; Herman/Vervaeck; Lodewick; Scott. [G.J. Vis]

 

pantoen zie pantoum

pantomime

Dramatische voorstelling waarbij spelers zonder woorden hun rol door beweging van gelaat en lichaam tot uitdrukking brengen. In het 17e-eeuwse Frankrijk waren de pantomimen balletten, uitgevoerd door gemaskerde personages. Pantomimen werden soms gebruikt als basis voor zangspelen. In de 20e eeuw nemen ballet, revue en stomme film elementen van de pantomime over.

Sommigen beschouwen pantomime synoniem met mime. Anderen wijzen op het feit dat mime zich beperkt tot kluchtig gebarenspel, weer anderen benadrukken in de moderne Franse mime (school van Decroux) het belang van het lichaam (handen en gezicht zijn bijzaak) en het feit dat de pantomime een nabootsing is, tegenover de mime als zelfstandige kunstvorm.

LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Gorp; De Leeuwe/Uitman; MEW; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]

 

pantoum, pantoen of pantoun

Term uit de genreleer ter aanduiding van een van oorsprong Maleise dichtvorm bestaande uit kwatrijnen. Elke strofe wordt voor de helft in de volgende herhaald en wel zo dat vs. 2 en vs. 4 van de eerste strofe fungeren als vs. 1 en vs. 3 van de tweede strofe, enz. In het laatste kwatrijn is de tweede regel dezelfde als vs. 3 van strofe 1, en is de slotregel gelijk aan vs. 1 van strofe 1. Het is dus een cyclisch gedicht.

Het genre vertoont verwantschap met het ketendicht en enigermate ook met de sonnettenkrans. Wat de klank betreft heeft het twee kenmerken: het rijmschema is abab/bcbc etc., en binnen de regels vindt men vaak assonance. In de Nederlandse letterkunde is het genre o.a. beoefend door Pol de Mont, Hélène Swarth en Theodor Holman.

Als voorbeeld volgt hier het begin van het gedicht ‘Pantoum voor Drs. P’ van Holman (waarbij de assonanties overigens ontbreken):

 Het is toch zo'n aardige man.
 Graag maak ik voor hem een pantoum.
 Ik weet wel dat ik het niet kan,
 maar misschien verschaft het mij roem.
  
 Graag maak ik voor hem een pantoum,
 Al is het wel erg veel gezwoeg.
 Maar misschien verschaft het mij roem
 En houdt het mij ook uit de kroeg.
 (Een feestelijk cahier voor Drs. P., 1979, p. 8).

LIT: Buddingh; Cuddon; Gorp; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

pantoun zie pantoum

paper

Term uit de wereld van de wetenschappelijke congressen, waarmee gewoonlijk een vrij korte verhandeling wordt aangeduid die gehouden wordt, al dan niet in parallelsessies, tussen de meer belangrijke lezingen door. Vaak dient een paper (op papier!) tevoren aangemeld en opgestuurd te worden aan de congresorganisatie. [P.J. Verkruijsse]

 

paperback

Gebrocheerd (brocheren) of genaaid boek waarbij het omslag tegen de rug geplakt is (lumbecken), dat door die productiewijze en door zijn grote oplage goedkoop is, dat gewoonlijk deel uitmaakt van een serie en dat niet kleiner mag zijn dan ongeveer 20 x 12,5 cm. Is het formaat kleiner dan spreekt men van een pocketboek. Het terminologisch onderscheid is typisch Nederlands, maar wordt ook hier niet altijd strikt aangehouden: zo zijn de Literaire Reuzenpockets van de Bezige Bij eigenlijk paperbacks.

Bekende paperbackreeksen zijn verder de Grote ABC van de Arbeiderspers, de serie Meulenhoff Editie, de Grote Manteau Paperbacks, de Born Paperbacks en Nijgh & Van Ditmar's Paperbacks.

LIT: BDI; Best; Brongers; Feather; Gorp; Hiller; MEW; P. Schreuders. Paperbacks, U.S.A. (1981); H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (1986), p. 204-205; S. Hubregtse. ‘Nederlandse pockets verzamelen’, in: De Boekenwereld 3 (1986-1987), p. 79-90. [P.J. Verkruijsse]

 

papier

Door kunstmatige vervilting uit plantaardige vezels vervaardigde substantie. De uitvinding van het papier maken moet gesitueerd worden in de 1e eeuw in China en heeft zich in de 8e eeuw via de Arabieren verbreid tot in Spanje in de 12e eeuw. Er kwamen vervolgens papiermolens in Italië (vanaf 1270), Frankrijk (1348),Duitsland (1390) en de Nederlanden (Hoei 1405;Dordrecht pas in 1586). Door de uitvinding van de boekdrukkunst nam de vraag naar papier sterk toe. De Nederlandse papierindustrie concentreerde zich uiteindelijk in deZaanstreek en op de Veluwe.

Papier werd gemaakt van in stukken gesneden lompen, die met toevoeging van water fijngestampt worden. De zo ontstane pulp komt in een grote kuip terecht waaruit de papiermaker met een schepvorm schept. Op de van metaaldraadgaas vervaardigde bodem van de vorm (deze draden leveren de kettinglijnen in het papier), waarin ook het watermerk wordt gevlochten, blijven de vezels achter terwijl het water wegloopt. Door op de juiste manier de vorm te schudden ontstaat een hecht vel. Het vel wordt op een stuk vilt gelegd en zo wordt om en om met vellen vilt en papier een stapel gemaakt van ongeveer 120 vel die onder de papierpers van water ontdaan wordt. Daarna worden de vellen te drogen gehangen en na het drogen in een lijmbad gedompeld en gesatineerd (gladgeklopt).

Midden 19e eeuw vond Friedrich Keller een oplossing voor het zo langzamerhand nijpende grondstoffentekort: het bleek mogelijk papier te maken uit lompen en houtslijpsel. In 1866 ontdekte Benjamin Tilghman dat het gebruik van lompen niet meer nodig was: hout kon worden omgezet in cellulose door het te koken in een zwavelkalkoplossing. De laatste tijd blijkt dat het 19e-eeuwse houthoudende papier sterk aan verval onderhevig is waardoor gehele collecties verloren dreigen te gaan. Naast hout werden stro en espartogras belangrijke papiergrondstoffen. Het vervaardigen van papier in talrijke soorten, gewichten en formaten is na 1801 geheel gemechaniseerd via langzeefpapiermachines die tot 1000 meter papier per minuut produceren, opgerold op grote rollen. Voor de drukker is de looprichting van de papierbaan van grote betekenis; die moet evenwijdig zijn aan de rug van het boek i.v.m. uitzetten en krimpen bij vochtig worden.

In de analytische bibliografie is de papierbeschrijving het meest problematische onderdeel, omdat watermerken vaak slecht te herkennen zijn en de afmetingen van een vel slechts bij benadering te reconstrueren.

Belangrijke papiercollecties zijn de Labarre-collectie in de UniversiteitsbibliotheekAmsterdam en de collectie-Voorn in de Koninklijke Bibliotheek Den Haag. In Nederland zijn nog papiermolens in bedrijf in het Openluchtmuseum te Arnhem en in molen De Schoolmeester te Zaandijk.

LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; A. Blum. Les origines du papier, de l'imprimerie à la gravure (1935); Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 57-77, 214-230; C.F.J. Schriks. Neem nou papier...; een kleine historie over de uitvinding van het papier (1983); A.C. Schuytvlot. Papier in de U.B.A. (1984); H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (1986), p. 44-63. [P.J. Verkruijsse]

 

parabel, gelijkenis of parabola

Vorm van epiek bestaande uit een verhaal-1 dat in de vorm van een vergelijking of allegorie een les (didactische literatuur) wil geven. De oudste en meest bekende voorbeelden van parabels vindt men in de bijbel (gelijkenis van de zaaier, gelijkenis van de barmhartige Samaritaan e.v.a.). Gedurende de Middeleeuwen werd de parabel nagevolgd in de vorm van het exempel. Erasmus (1466?-1536) publiceerde na zijn succusvolle spreekwoordenverzameling Adagia in 1514 een bundel vergelijkingen, de Parabolae.

Een bekend voorbeeld uit de Nederlandse letterkunde is de parabel van de Japanse steenhouwer van Multatuli.

Als ‘voorbeeldgeval’ is de gelijkenis verwant aan het exemplum. Als vorm van wijsheidsliteratuur is de parabel vergelijkbaar met de gnome-2, de fabel-1 en de sententia.

LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Gorp; Laan; Lausberg; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

parabola zie parabel

paradox

Stijlfiguur, afkomstig uit de logica, behorend tot de gedachtefiguren, waar een tweeledigheid (vgl. contentio) als tegenstelling (antithese) is ingebouwd. De paradox heeft de vorm van een tegenstrijdigheid, maar deze is oplosbaar (vgl. oxymoron). Een voorbeeld van zo'n schijnbare tegenstrijdigheid is het bijbelse ‘niets hebbende, alles bezittende’ (2 Cor. 6:10). De paradox kan ook voorkomen als hoofdthema van een (deel van een) literair werk. Zo is Erasmus' Lof der zotheid (1509) gebaseerd op het principe dat de meest dwaze mens ook de meest wijze is. In de romantiek - met zijn voorkeur voor individuele vormgeving van individuele gevoelens en fantasieën - floreerde de paradox in allerlei genres en situaties, o.a. bij Multatuli:

Ieder ziet hier dat ik geen schrijver ben.
(Ideën, dl. II, 1880, 6, p. 85).

Bij Menno ter Braak is de paradox een geliefd stijlmiddel om aan de ‘gefixeerde’ of ‘versteende’ vormen die aan taal eigen zijn te ontkomen. In zijn werk zijn dan ook tal van paradoxen aan te wijzen. Zo legt hij zijn fictieve gesprekspartner in Van oude en nieuwe christenen de volgende paradox in de mond:

Gijsbertus. Ik kan mij dus veroorloven je met geklets te vervelen, want mijn geklets zal je beste inspiratie en de verveling zal je amusement zijn. Wat denk je van déze paradox?
(VW, dl. 3, 1949, p. 197).

LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.J. Oversteegen. De redelijke natuur. Multatuli's literatuuropvatting (1987), p. 38 e.v.; R. Landheer. ‘Wat is het specifieke van lexicale paradoxen?’, in: Corpusgebaseerde woordanalyse (1987), p. 125-135. [G.J. Vis/G.J. van Bork]

 

parafrase

Term uit de retorica voor een oefening in het met andere woorden weergeven van een voorbeeldtekst, ook in een ander genre, bijv. het overbrengen van poëzie naar proza of omgekeerd. De redenaar of auteur kon hiervan voordeel hebben bij de inventio en elocutio en de parafraseoefening kon bijdragen aan de beheersing van een vrijere vorm van imitatio.

In de renaissance zijn veel parafrases gemaakt op de Spreuken van Salomo en de Psalmen, bijv. door Johan de Brune de Oude: Proverbia, of, de spreucken van Salomon: nu eerst uyt de Hebreeusche in onse Neder-duytsche tale over-gheset, ende in alle duystere plaetsen uyt-gheleght, ende verklaert (1619).

Later heeft parafrase uitsluitend de betekenis gekregen van het in andere woorden weergeven van een moeilijke tekst om die te verduidelijken.

Reeds bij de Romeinen was er een discussie ( Crassus versus Quintilianus) over de mogelijkheid, respectievelijk toelaatbaarheid van parafraseren, omdat het gebruik van synoniemen toch nooit de inhoud van de te parafraseren tekst kan dekken. In de beweging van de New Criticism uit de eerste helft van de 20e eeuw keert deze discussie terug: Cleanth Brooks heeft het in zijn The well wrought urn (19472) over ‘the heresy of paraphrase’.

LIT: Baldick; Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]

 

paragoge

Term uit de retorica voor een van de mogelijkheden van metaplasmus, nl. het toevoegen van letters of een lettergreep aan het eind van een woord ten behoeve van het juiste metrum in poëzie of een welluidender formulering in proza, bijv. de verbogen vorm ‘zonne’ in vs. 78 van Vondels Lucifer (1654, WB-ed., 1931, dl. 5, 601-696), die hij hier omwille van het metrum gebruikt in tegenstelling tot de normale vorm ‘zon’:

 De dau ververschtze ‘s nachts. het ryzen en het dalen
 Der zonne weet zijn maet, en matight zoo haer stralen

LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Metzler; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]

 

paragraaf

Een van de hiërarchische, organisatorische niveaus waarop een prozatekst onderverdeeld kan worden, van groot naar klein: volume, deel, hoofdstuk, paragraaf, alinea, zin enz. Een paragraaf wordt in de tekst meestal weergegeven door een regel wit, soms door een apart typografisch teken in de marge (paragraafteken). De alinea is gewoonlijk een deelstructuur van de paragraaf.

LIT: BDI; Brongers; Cuddon; Dupriez-2; Gorp; LdMA; Metzler; Shipley; Wilpert; J. Renkema. Schrijfwijzer (19936), p. 45. [H. Struik]

 

paragraafteken

Term uit de paleografie en codicologie. In middeleeuwse handschriften treft men regelmatig paragraaftekens aan, meestal in de gedaante van een hoofdletter C met een verticale streep er doorheen (¶). Hun oorspronkelijke functie is die van ondersteuning van de voordracht geweest, met name door het markeren van de directe rede op plaatsen waar een voorlezer gemakkelijk in de fout zou kunnen gaan. Toen men er meer en meer toe overging zelf te lezen, kreeg het paragraafteken een structurerende functie, vergelijkbaar met die van de lombarde. Waar het paragraafteken strikt structurerend gebruikt wordt, komt ook wel het semiparagraafteken voor. In eenvoudige handschriften zette de kopiist de rode paragraaftekens doorgaans zelf. In meer luxueuze codices was het de rubricator (rubricatie) die de rode of afwisselend rood-blauwe paragraaftekens zette aan de hand van door de kopiist geplaatste representanten. Tegenwoordig gebruikt men het paragraafteken (§) in combinatie met een doorlopende nummering vooral in handboeken en in juridische en wetenschappelijke teksten.

LIT: BDI; W. Kuiper. ‘Lombarden, paragraaf- en semiparagraaftekens in middelnederlandse epische teksten’, in: Spektator 10 (1980-1981), p. 50-85. [W. Kuiper]

 

paragram

Opzettelijke verschrijving - vaak met schertsende bedoeling - door verandering van een of meer letters in een woord. Zo omschreef de rechtse pers het duo Van Kooten en De Bie als ‘Van Klooten en Debiel’. Maar er zijn ook nettere voorbeelden zoals ‘modermisme’ (modernisme).

Anders dan bij het anagram hoeven bij het paragram in de herschikking niet alle letters van het origineel terug te keren. Dit biedt mogelijkheden in de richting van contaminatie en portemanteau.

LIT: Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

paraleipsis zie praeteritio

paralipomena

Dat wat vergeten of weggelaten werd. Onder deze aanduiding publiceert men wel aanvullingen bij reeds eerder verschenen werk. De naam wordt bijv. gebruikt in de bijbel (Septuagint) voor de publicatie van de Kronieken die als aanvulling op het boek Koningen worden beschouwd. Harry Mulisch publiceerde een verhaal ‘Paralipomena Orphica’ in de bundel van die naam (1970).

In de editiewetenschap gebruikt men de term voor ‘eenheden die in een zekere, hetzij tekstuele, hetzij productionele relatie staan tot de teksten die tot de ontwikkelingsgeschiedenis van een werk behoren, maar die geen stadium vormen binnen de tekstontwikkeling vanwege het ontbreken van "productionele" dan wel tekstuele verwantschap’ (Dorleijn). Gewoonlijk betreft het werkaantekeningen (klad) van een auteur.

LIT: Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Hiller; Mathijsen; Metzler; MEW; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse]

 

parallellie

Term uit de literatuurwetenschap door sommigen gebruikt als synoniem van Jakobsons begrip equivalentie. Men verwarre dit begrip niet met het parallellisme, dat een mogelijke vorm is van equivalentie, en dus een onderdeel van parallellie.

LIT: Boven/Dorleijn; K. Beekman en F. de Rover. Literatuur bij benadering (1987), p. 35. [G.J. Vis]

 

parallellisme

Term uit de stilistiek voor die vorm van herhaling waarbij twee zinnen of zinsdelen in syntactisch opzicht gelijk lopen, vaak ondersteund door andersoortige herhalingsvormen, bijvoorbeeld de repetitio, of vormen van klankherhaling (in ritme of rijm):

 Looft, alle volken, looft den Heer, / roemt, alle naties, roemt zijn eer
 (Liedboek voor de kerken, 1973, p. 202).

Kern van het parallellisme is de herhaling van de grammaticale structuur (hier: persoonsvorm, aangesproken persoon, object). Ondersteuning op andere niveaus vindt men in dit geval door de semantische correspondentie tussen ‘looft’ en ‘roemt’ en tussen ‘volken’ en ‘naties’, door de repetitio van ‘alle’, door de ritmische herhaling (-, -.-., -.-) en door het rijm (’Heer’/‘eer’).

LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

parenthese

Aanduiding voor een stilistisch verschijnsel behorend tot de woord- en zinfiguren, bestaande uit een tussenzin, in het bijzonder die welke buiten het syntactisch verband is geplaatst, vaak tussen streepjes of haakjes.

Bijv.:

 Ik zorg - want het is stil en de straat nauw - gelijke tred met Awater te houden
 ( M. Nijhoff. VG, 19744, p. 221).

Sommigen beschouwen de parenthese als een gedachtefiguur. In afgeleide zin wordt het woord parenthese ook wel gebruikt voor de streepjes of haakjes waartussen de ingevoegde zin geplaatst is.

LIT: Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Lausberg; Metzler; Myers/Simms; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]

 

parlandopoëzie of praatvers

Type gedicht dat als genre opgang maakte in de eerste helft van de 20e eeuw. Prosodisch gezien heeft het praatvers trekken van de poésie parlante (vrij vers-2) en van het dynamisch vers. Als reactie op de klassieke dichtkunst is parlandopoëzie gekenmerkt door het ontbreken van traditionele vormen van beeldspraak en andere stijlfiguren. Als reactie op sommige taalexperimenten uit het modernisme streeft men in dit genre naar eenvoud en begrijpelijkheid, met een voorkeur voor de anekdote.

Parlandopoëzie is beoefend in de kring van het tijdschrift Forum (1932-1935). Bekend is de bundel Parlando (1930) van E. du Perron. Latere beoefenaars van deze dichtvorm zijn o.a. J. Bernlef en K. Schippers (vgl. neorealisme).

LIT: Bronzwaer; Gorp; MEW; Wilpert. [G.J. Vis]

 

parnastaal

Term ontleend aan de 17e-eeuwse literaire kritiek ter aanduiding van hoogdravende dichterlijke taal (de Parnassos is de berg waarop Apollo en de Muzen zetelden). Door toedoen van theorie en praktijk van het classicisme wordt parnastaal in de 19e eeuw de negatieve aanduiding voor een type literair taalgebruik dat de ware verhevenheid heeft ingeruild voor quasi-verhevenheid. De oorzaak ervan zou zijn dat men op een - in de tijd der romantiek als ‘slaafs’ ervaren - wijze de wet volgt. Daaruit zou resulteren dat de retorica plaats maakt voor retoriek en dat originaliteit verdwijnt.

Het begrip parnastaal leeft, al dan niet met handhaving van de term, voort tot in de 20e eeuw. Zo zou men - gelet op Ter Braaks afkeer van epigonisme - diens kritiek op Binnendijk in de vorm-of-vent-discussie als een late uiting van ongenoegen over de parnastaal kunnen beschouwen.

LIT: Laan; A. van Strien. De schoonste paerel aen Apolloos lauwerkroon: Huygens in de ogen van tijdgenoten (1997). [G.J. Vis]

 

parodie

Spottende nabootsing van een literair werk, veelal met de bedoeling het werk belachelijk te maken of te bekritiseren. Een veel toegepast procédé is dat waarbij het origineel op de voet wordt gevolgd terwijl de parodist hier en daar woorden of zinnen weglaat, toevoegt of vervangt. De parodie is te vergelijken met de karikatuur: de kop van een bepaalde persoon, bijv. een politicus, wordt tot uitgangspunt genomen en daarin gaat de karikaturist vervolgens veranderingen aanbrengen zodat vervorming optreedt. De parodie is verwant aan de pastiche; beide genres worden ook wel aangeduid met de term persiflage.

Als voorbeeld van parodiëring volgt hier de eerste strofe van J. Kinkers parodie op het gedicht ‘Alrik en Aspasia’ van R. Feith:

 


Feith: Kinker:
In ouden tijd in Frankenland In ouden tijd in Frankenland
Een goelijk Maagdske leefde, Een goelyk Maagdske leefde,
Die al de maagdskens van het land Die al de Maagdskens van het land
In schoonheid overstreefde. In schoonheid over - (zegt de Kwant, Hy meent, te boven) streefde. Dat zei die kwant. (bis)

 

(J. Kinker. De verlichte muze, ed. Vis, 1982, p. 52-53).

Een geliefde vorm van de parodie is de travestie.

LIT: Baldick; Bantel; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.G. Riewald. ‘Parody as criticism’, in: Neophilologus 50 (1966), p. 125-148; B. Müller (ed.). Parody. Dimensions and perspectives (1997). [G.J. Vis]

 

paroniem

Vergaande overeenkomst in klank en schrift van woorden die in betekenis van elkaar verschillen, zoals ‘besteedbaar’ en ‘bekleedbaar’ of ‘onderwijs’ en ‘onderwijl’. Paronymie wordt vaak gebruikt als vorm van woordenspel (vgl. calembour), bv. in cabaretlied (cabaret) of puntdicht.

Huygens maakt er gebruik van in zijn puntdicht:

 Jan eiste een matras, al was het bedde zochter:
 Neel nam 't voor een maitres en zei: Heer, neem mijn dochter.
 Nee, zei hij, goê waardin, gij neemt mijn mening mis,
 ik eis een matras die onbeslapen is.
 (Dichten op de knie, ed. Hellinga, 1956, p. 151).

LIT: Cuddon; Gorp; Marouzeau; Shipley. [G.J. van Bork]

 

paronomasia, annominatio of pun

Term uit de retorica voor een pseudo-etymologisch woordenspel dat een betekenisspanning teweegbrengt tussen twee woorden door klankverandering. Verwante woordspelingen zonder het element van klankverandering zijn polyptoton en figura etymologica. Paronomasia kan bereikt worden door het toevoegen, weglaten of wijzigen van een klank bij woorden die organisch samenhangen (bijv.: ‘je moet niet tekenen, maar iets betekenen’), maar ook zonder zo'n samenhang is het spel mogelijk, bijv. door het omzetten van letters (bijv.: ‘die dans is een half gare rage’).

LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]

 

pars pro toto

Vorm van beeldspraak waarbij een deel in plaats van het geheel genoemd wordt (synecdoche, metonymie), bijv. ‘kiel’ voor ‘schip’ zoals in:

 Hy wenckt ons toe alreede, en blyft versekeraer
 Te vryen onsen kiel van schipbreuck, en gevaer.
 ( J. van den Vondel. Het lof der zee-vaert, 1623, WB-ed., dl. 2, 1929, p. 432).

Het tegenovergestelde van een pars pro toto is het totum pro parte.

LIT: Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp; Metzler; Morier; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

partie

Middelnederlandse benaming voor een deel, afdeling of hoofdstuk van een boek. De aanduiding ‘partie’ wordt doorgaans gevolgd door een opeenvolgende nummering. Zo schreef Jacob van Maerlant drie partieën van zijn magnum opus Spiegel historiael, waaraan Filip Utenbroeke de tweede berijmde partie toevoegde en later Lodewijk van Velthem de resterende boeken van de vierde partie en de volledige vijfde partie.

In zijn boek Maerlants wereld (1996) nam F. van Oostrom de term over voor de hoofdstukindeling van zijn biografie.

LIT: MNW. [G.J. van Bork]

 

partitio

Term uit de retorica voor een opsomming (enumeratio) van de in het betoog te behandelen punten. De partitio staat dan gewoonlijk in het exordium, maar ze kan ook als een soort tussenevaluatie aan het eind van de narratio geplaatst worden. Als de enumeratio als algemeen overzicht om het geheugen op te frissen aan het slot van een betoog (in de conclusio) staat, noemt men dat recapitulatio.

LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Ueding. [P.J. Verkruijsse]

 

partituureditie

Term uit de editietechniek (teksteditie) voor een editievorm waar de verschillende redacties (redactie-2) uit de geschreven en gedrukte bronnen per regel onder elkaar - hetzij chronologisch, hetzij contrachronologisch - afgedrukt worden om aldus een goed inzicht in de varianten mogelijk te maken. Een partituureditie is daarom ook vrijwel altijd een diplomatische editie. Wanneer in één manuscript veel wijzigingen en doorhalingen voorkomen, kan voor de weergave van de tekstgenese binnen een regel ook voor een partituurweergave gekozen worden.

In plaats van de term partituureditie wordt ook wel synoptische editie gebruikt, maar het is beter die te reserveren voor edities waar de verschillende redacties naast elkaar in kolommen gegeven worden.

Een voorbeeld van een partituureditie van een prozatekst is die door A. Kets-Vreevan Willem Elsschots Een ontgoocheling.

LIT: Mathijsen (i.v. synoptische editie); P. Gerbenzon. ‘Teksteditie anders’, in: NTg 56 (1963), p. 328-333; E. Höpker-Herberg. ‘Überlegungen zum synoptischen Verfahren der Variantenverzeichnung’, in: Texte und Varianten (1971), p. 219-232 (m.n. 219, nt. 1); A. Kets-Vree. Woord voor woord; theorie en praktijk van de historisch-kritische uitgave van een prozatekst, gedemonstreerd aan Een ontgoocheling van Willem Elsschot (1983), p. 40-42. [P.J. Verkruijsse]

 

paskwil zie pamflet-2

passie

Het lijdensverhaal van Christus of de marteldood van een heilige. Gedurende de Middeleeuwen werden de passies bijeengebracht in het Passionaal, een legendeverzameling, vergelijkbaar met het martyrologium (martelaarsboek).

LIT: LdMA; Lodewick; MEW; Scott; Wilpert. [W. Kuiper]

 

passiespel

Benaming voor een mysteriespel waarin het lijden van Christus het hoofdthema vormt. De passiespelen zijn een populariserend-dramatische voortzetting in de volkstaal van de (semi-)liturgische paasspelen (liturgisch drama) in het kerkgebouw. In 1394 moet een passiespel opgevoerd zijn op de Brink in Deventer; in 1443 is in Nieuwpoortsprake van een wedstrijd in het ten tonele voeren van passiespelen. In de 16e eeuw kwam als gevolg van de reformatie en de contrareformatie een einde aan de opvoering van deze passiespelen.

Het passiespel, zoals dat heden ten dage nog bekend is, herleefde in 1634 in het Beierse plaatsje Oberammergau. Dit heeft elders in Europa navolging gevonden, onder andere in het Nederlandse Tegelen en het Belgische Mariekerke.

LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; R. Bergmann. Studien zur Entstehung und Geschichte der deutschen Passionsspiele des 13. und 14. Jahrhunderts (1972); E. Roy. Le mystère de la Passion en France du XIVe au XVIe siècle. Étude sur les sources et le classement des mystères de la Passion (1974); H. Schillings. Toneel en Theater in Limburg in de 19de en 20ste eeuw (1976); W.N.M. Hüsken. ‘In Dendermonde wordt in de Paasdagen een Verrijzenisspel gespeeld; kerkelijk drama in de volkstaal’, in: R. Erenstein (hoofred.). Een theatergeschiedenis der Nederlanden (1996), p. 24-29. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]

 

passim

Latijns woord dat letterlijk ‘verspreid’ betekent en gebruikt wordt in literatuurverwijzingen en noten of in een index in die gevallen waarin het desbetreffende woord op zoveel plaatsen in een publicatie voorkomt dat het zinloos zou zijn om alle afzonderlijke pagina's te noteren. [P.J. Verkruijsse]

 

passionaal

Middeleeuwse verzameling lijdensverhalen (passie) en marteldoden (martelaarsboek) van heiligen. De bekendste is de Legenda Aurea van Jacobus de Voragine (1298), dat door de auteur bescheiden Legenda sanctorum werd genoemd. De Legenda aurea bevat 182 hoofdstukken waarvan er ongeveer 20 niet aan heiligen, maar aan kerkelijke feestdagen zijn gewijd. In de 14e en 15e eeuw was het werk erg populair en is het in het Middelnederlands vertaald, waarbij een aantal levens van lokale heiligen is toegevoegd.

Het passionaal is vergelijkbaar met het legendarium (verzameling van heiligenlevens of hagiografieën).

LIT: Best; Cuddon; LdMA; Scott; Wilpert; J. Deschamps. ‘De Middelnederlandse vertalingen van de Legenda aurea van Jacobus de Voragine’, in: Handelingen van het 22ste Nederlands Philologencongres (1952), p. 21-22; J. Deschamps. Catalogus van Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken (19762), p. 197-201. [H. Struik]

 

pastei

Term uit de drukkerswereld voor zetsel dat in wanorde is geraakt. In pastei gevallen zetsel betekent een flinke schadepost omdat het lettermateriaal eigenlijk alleen nog geschikt is voor de smeltpot. Het kan niet opnieuw gedistribueerd worden over de letterkasten, want dat gebeurt immers op basis van het lezen van het zetsel en niet door ieder letterstaafje afzonderlijk te identificeren.

LIT: BDI; Brongers; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962), p. 241; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de 18e eeuw (19862), p. 292-293, 324; H. van Krimpen. Boek over het maken van boeken (19862), p. 37. [P.J. Verkruijsse]

 

pastiche

Persiflage van de stijl van een auteur of generatie, of van een literair genre, met de bedoeling deze belachelijk te maken of te bekritiseren. Zo persifleerde G. van de Linde het heldendicht (epos) in zijn onder ‘epische poëzy’ opgenomen ‘Proeve van dichterlijke vlucht’ (De gedichten van den schoolmeester, ed. Van Deel en Mathijsen, 1975, p. 3-14). De pastiche is vergelijkbaar met de cartoon waarin toestanden, gewoonten of menselijke eigenschappen door overdrijving belachelijk worden gemaakt. Tot in de 19e eeuw werd daarvoor meestal de term burleske literatuur gebruikt, zoals Te Winkel doet ten aanzien van sommige gedichten uit de bundel Gedichten (1851) van J. van Lennep. Het soort persiflages waarbij verhalen uit de mythologie belachelijk worden gemaakt, sterft in de 19e eeuw uit. Misschien is dit de reden waarom de daarna tot bloei komende nieuwe vorm van bespotting, die het vooral moet hebben van het persifleren van de stijl van een bepaalde auteur of groep auteurs - zoals Grassprietjes (1885) van C. Paradijs - niet meer met de term burleske wordt aangeduid, maar, vooral in latere studies, pastiche wordt genoemd.

Een ander terminologisch probleem schuilt in het feit dat tot in de 20e eeuw de term pastiche ook wel gebruikt wordt voor datgene wat wij nu meestal parodie noemen, en omgekeerd.

LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.G. Riewald. ‘Parody as criticism’, in: Neophilologus 50 (1966), p. 125-148. [G.J. Vis]

 

pastorale-1 of herdersdicht

In de Middeleeuwen is de pastorale een subgenre binnen de hoofse lyriek, waarin de liefde gethematiseerd wordt aan de hand van een ontmoeting ergens in het open veld tussen een hoofs ridder met een niet-hoofs herderinnetje (= pastorele). De ridder zet ogenblikkelijk zijn zinnen op het meisje en tracht met loze praatjes en beloften, desnoods met geweld, zijn wellust terstond en ter plekke te bevredigen.

De Oudfranse literatuur kent tal van pastorales, het Middelnederlands niet of nauwelijks. In de buurt komt het vijfde Gruuthuselied:

 Het was een rudder wael ghedaen,
 Voer spelen doer sijn lant.
 Hi vant in zinen weghe staen
 Een joncfrauwe achemant  1  .
 Hi namse bi der witzer hant  2  .
 Hi seide: ‘vrouwe mijn, Nu wilwi trueren avelaen  3  
 Ene altoos vroilic zijn.’
 (Gruuthuse-handschrift, ed. Heeroma en Lindenburg, 1966, p. 16, vss. 1-8).

In de renaissance is het herdersdicht de lyrische vorm van de bucolische literatuur waarin - in navolging van Vergilius' Bucolica - het eenvoudige landleven wordt geïdealiseerd als tegenhanger van het verdorven hofleven. Het gouden-eeuw-motief en de locus amoenus komen er regelmatig in voor, evenals muziek en dans. Uit de vaak in dialogen geschreven herderspoëzie ontwikkelde zich de dramatische vorm van de bucolische literatuur, de pastorale-2; de epische vorm is de arcadia. Er zijn ook relaties met de georgische poëzie.

Veel Nederlandse herdersdichten zijn vertaalde of bewerkte fragmenten uit Tasso's Il pastor fido. Gedichten waarin klassieke herdersnamen als Amaril, Chloris, Coridon, Myrtil, Philemon of Tytirus voorkomen, horen vaak tot dit genre, bijv. Simon van Beaumonts ‘Liet’ in de Zeeusche nachtegael (1623; ed. Meertens en Verkruijsse (1982), p. 46). De bekendste dichter van herdersdichten is J.B. Wellekens, die ook een Verhandeling van het herdersdicht (1715; ed. Warners, 1965) schreef. Zijn poëzie, bestaande uit ‘herders-, hoef- en veldgezangen’ is uitgegeven als Dichtlievende uitspanningen (1710).

LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Lodewick; MEW; Morier; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; P.E.L. Verkuyl. Battista Guarini's Il Pastor Fido in de Nederlandse dramatische literatuur (1971); J.L.P. Blommendaal. De zachte toon der herdersfluit; de pastorale poetica van Jan Baptista Wellekens (1987). [P.J. Verkruijsse/W. Kuiper]

 

 1  aantrekkelijk
 2  witte
 3  aflaten

pastorale-2 of herdersspel

De pastorale is de dramatische vorm van bucolische literatuur, een variant op de tragikomedie: een herdersspel, waarin het eenvoudige landleven wordt geïdealiseerd als tegenhanger van het verdorven hofleven. Het gouden-eeuw-motief en de locus amoenus komen er regelmatig in voor, evenals de travestie en muziek en dans. In dat laatste opzicht is de pastorale een voorloper van de opera. De grote voorbeelden voor alle latere navolgingen in dit genre zijn Tasso's Aminta (1573) en Il pastor fido (1589). Nederlandse pastorales - volgens sommigen niet in zuivere vorm - zijn P.C. Hoofts Granida (1605; ed. Zaalberg, [1975]), Cats' Koningklyke herderin Aspasia (1643/44?) en J. van den Vondels Leeuwendalers (1647; ed. Alphenaar e.a., 1987).

Naast de pastorale is er het herdersdicht (pastorale-1) en als epische vorm de arcadia. Er zijn ook relaties met de georgische poëzie.

LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; MEW; Preminger; J.B. Wellekens. Verhandeling van het herdersdicht (1715; ed. J.D.P. Warners 1965); M.I. Gerhardt. La pastorale; essai d'analyse littéraire (1950); P.E.L. Verkuyl. Battista Guarini's Il Pastor Fido in de Nederlandse dramatische literatuur (1971); D.J.M. ten Berge. ‘Het Nederlandse pastorale spel’, in: NTg 69 (1976), p. 33-38; J.L.P. Blommendaal. De zachte toon der herdersfluit; de pastorale poetica van Jan Baptista Wellekens (1987); S. Brinkkemper en I. Soepnel. Apollo en Christus (1989), p. 13-14. [P.J. Verkruijsse]

 

pastorale literatuur zie bucolische literatuur

pathetic fallacy

Term uit de Engelse literaire kritiek, vooral bekend geworden door J. Ruskin (1856), voor die vormen van personificatie die meer zeggen over een bepaalde geestesgesteldheid van de schrijver dan over het ‘objectieve’ karakter van het beschrevene. Het verschijnsel gaat vaak gepaard met een soort animisme, d.w.z. het geloof in een actief universum gevuld met leven dat sterker is dan de mens.

Zinsneden als ‘huilende bergen’, ‘zingende winden’ en ‘lachende velden’ zijn voorbeelden van pathetic fallacy, maar dan steeds als uitvloeisels van een bepaalde geestesgesteldheid veroorzaakt door de subjectieve impressie die men bij deze natuurverschijnselen ondergaat.

LIT: Abrams; Baldick; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; R. Wellek. A history of modern criticism, dl. 3 (1965), p. 146 v. [G.J. Vis]

 

pathos

Term uit de retorica voor de emoties die bij publiek of lezer opgewekt worden. Bepaalde stijlmiddelen als exclamatio en hyperbool worden vaak gebruikt om pathos teweeg te brengen. Vooral in het renaissancedrama komt het vaak tot spectaculaire uitbarstingen van emoties en hartstochten. Overdrijving kan leiden tot een negatieve waardering van pathos, tot pathetiek, hetgeen vooral gebeurde in en ten aanzien van de literatuur van het sentimentalisme.

Aristoteles onderscheidde naast het pathos als overtuigingsmiddelen het ethos (het eigen karakter van de redenaar) en de logos (de eigenlijke argumenten).

LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.W.H. Konst. Woedende wraakghierigheidt en vruchtelooze weeklachten. De hartstochten in de Nederlandse tragedie van de zeventiende eeuw (1993). [P.J. Verkruijsse]

 

patristiek

De theologische wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van het geloofsgetuigenis, de geloofsbezinning en de geloofsverkondiging van de kerkvaders.

Anders dan bij de patrologie, de literatuurgeschiedenis van de christelijke oudheid, is de doelstelling van de patristiek niet descriptief maar prescriptief van aard. Bij het ontstaan van de patristiek als zelfstandige theologische wetenschap rond 1800 werd de methode sterk door een leerstellige vraagstelling bepaald; zeker in katholieke kring streefde men ernaar om de wording en ontwikkeling van de christelijke leerstellingen te tonen en de continuïteit in de dogmageschiedenis te bewijzen. Ter ondersteuning van de kerkelijke dogma's en traditionele theologische waarheden werd in de geschriften van de kerkvaders gezocht naar argumenten voor en aanzetten van die leerstukken die later meer expliciet waren geformuleerd in theologische geschriften en pauselijke uitspraken.

Tegenwoordig doet de patristiek onderzoek naar de oorspronkelijke zin en samenhang van levende en op de achtergrond geraakte christelijke geloofswaarheden, geestelijke stromingen, gebedsteksten, riten en praktijken.

LIT: LdMA; Wilpert; A.G. Hamman. Études patristiques: méthodologie, liturgie, histoire, théologie (1991); H. Kraft. Einführung in die Patrologie (1991). [H. Struik]

 

patrologie

De historische wetenschap die zich bezighoudt met het leven en de werken van de kerkvaders en de oudchristelijke auteurs in het algemeen. De patrologie is de literatuurgeschiedenis van de christelijke oudheid en heeft als voornaamste onderdelen de biografie van de auteurs, de kritische vaststelling van de authenticiteit van de teksten, de analyse en typering van de inhoud van de teksten en de bestudering van de taal en de stijl van de auteurs.

De patrologie verschilt van de patristiek door haar beschrijvende karakter en van de profane literatuurgeschiedenis door de benadering van haar object: de theologische en filosofische relevantie van de auteurs en de inhoudelijke waarde van hun werk is belangrijker dan hun literaire betekenis en kwaliteit.

LIT: MEW; Wilpert; A. Hamman. Praktische gids voor de patrologie (1971); A.M. Malingrey & J. Fontaine. De oudchristelijke literatuur (1972); H. Kraft. Einführung in die Patrologie (1991). [H. Struik]

 

patronage

Bescherming van kunsten en wetenschappen door gezag en autoriteit zonder financiële bijdragen zoals dat met het mecenaat het geval is. Een auteur die in zijn werk enigszins afwijkende opvattingen wil uitdragen, kan zich tevoren verzekeren van de steun van een erkende autoriteit op het desbetreffende terrein, hetgeen zijn publicatiemogelijkheden kan vergroten en hem kan beschermen tegen kritiek of zelfs censuur. Een dergelijk patronage zal de auteur in een voorwoord of opdracht niet onvermeld laten.

In 1604 bijvoorbeeld draagt Wallich Sywaertsz zijn Roomsche mysterien op aan Jacobus Arminius uit dankbaarheid voor ‘U.E. goede affectie, hartelijck mede dooghen ende Pastorale sorghe’ die hij had ervaren toen zijn vrouw kwam te overlijden:

Daerbenevens aen U.E. ootmoedelijc versoekende, dit mijn slecht onghestileert Opusculum, teghens alle Iniurien, Calumnien en quade opspraecken die het onderworpen sal zijn, te willen Patrocineren: aenghesien U.E. [...] bevinden sal, dat van mij daerinne niet voortgebracht en is, twelc teghens de ghesonde Leere, teghens de Historische waerheyt, ende Politique eerbaerheyt is strijdende.

Het patronage moet onderscheiden worden van het verwerven van privilege of approbatie (approbatur), een procedure die de aanvrager gewoonlijk geld kost.

LIT: Baldick; Cuddon; Scott; P.J. Verkruijsse. ‘Het boekenmecenaat in de zeventiende eeuw’, in: Cultuur en economie, thema-nr. De Zeventiende Eeuw 6 (1990), p. 137-143; S. Stegeman. Patronage en dienstverlening. Het netwerk van Theodorus Janssonius van Almeloveen (1657-1712) in de Republiek der Letteren (1996). [P.J. Verkruijsse]

 

pauze zie rust

pennenproef zie probatio pennae

pentameter

Term uit de prosodie voor een metrisch (metrum) patroon dat men zou kunnen beschouwen als een variant van de hexameter. De derde en de zesde versvoet zijn namelijk catalectisch, waardoor het volgende schema ontstaat:

 

-../-../-//-../-../-

 

In de Nederlandse letterkunde komt de pentameter zelden onvermengd voor. Zo zou men de laatste regel van het zesjambische (jambe) gedicht ‘De zuiderling’ van Gossaert als een pentameter kunnen lezen:

 En mij be/zwijmt de / geur / van eene er/inne/ring
 (G. Gossaert. Experimenten, 194911, p. 95).

Nederlandse dichters die Homerus en Vergilius hebben vertaald, bieden nog wel eens voorbeelden van deze versmaat, ter afwisseling van de hexameter. Boutens en Vosmaer behoren tot de bekendsten onder hen.

LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

pentapodie

Term uit de prosodie voor een vijfvoetige ritmische (ritme) eenheid in een metrisch (metrum) gedicht. Een veel voorkomende vorm is die van de vijfvoetige jambe, zoals in het volgende fragment:

 Mijn moe/derken, / ik kan / het niet / verkrop/pen
 dat gij gekromd, verdroogd zijt en versleten,
 zooals een pop waarin een hart zou kloppen,
 door 't volk bij 't heengaan in een huis vergeten.
 ( W. Elsschot. VW, 1960, p. 729).

LIT: Best; Cuddon; Gorp; Morier; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

pentastichon

Dichtvorm bestaande uit een strofe of gedicht van vijf regels. Als strofe komt hij minder vaak voor dan het distichon, het tristichon en het tetrastichon. Een voorbeeld van een gedicht dat uit pentasticha is opgebouwd is ‘Allerzielen’ van G. Gossaert (Experimenten, 194911, p. 44). Als zelfstandig gedicht is het o.a. toegepast door Achterberg in ‘Brons’, luidend:

 Sombere sparren, wij zijn gedood,
 Uw kerkhof is over ons.
 Langzaam worden wij brons
 en beelden, reuzengroot.
 Tombe van wind en bos.
 (G. Achterberg. VG, 19745, p. 431).

 

LIT: Cuddon; Gorp; Myers/Simms; Preminger; Shipley. [G.J. Vis]

 

penwerk

Term uit de codicologie voor een vorm van boekverluchting die bestaat uit met een pen getrokken lijnen in, om of aan een initiaal-1 of lombarde, soms abstract, soms figuratief. In de (Noordelijke) Nederlanden kende deze vorm van randversiering zijn grootste bloeiperiode gedurende de 15e eeuw.

Penwerk wordt uitgevoerd met een harde pen, die overal een dunne lijn van gelijke breedte voortbrengt (dit in tegenstelling tot de geschreven tekst die door het gebruik van een brede pen afhankelijk van de schrijfrichting lijnen van verschillende dikte laat zien). De uitvoering ervan vindt vooral plaats in rode en blauwe inkt (soms in zwart), soms worden andere kleuren gebruikt ter verfraaiing of ter opvulling van de achtergrond (vaak met groen). De kleur van het penwerk contrasteert altijd met die van de initiaal: blauwe initialen krijgen rood penwerk, rode krijgen blauw penwerk. Bij een in twee kleuren uitgevoerde initiaal (een zgn. ‘duplexletter’) sluit blauw penwerk aan op de rode gedeelten en rood penwerk op de blauwe gedeelten.

De omvang van het penwerk hangt af van de grootte van de initiaal, zijn plaats in de hiërarchie en het decoratieprogramma van het handschrift; een kleine lombarde in het midden van een tekst krijgt hooguit een klein sierrandje en aan het begin van een regel vaak niet meer dan enkele eenvoudige lijnen. Bij grotere initialen is het penwerk gewoonlijk gecompliceerder van opbouw.

LIT: BDI; J.M.M. Hermans (red.). Middeleeuwse handschriftenkunde in de Nederlanden 1988. Verslag van de Groningse Codicologendagen 28-29 april 1988 (1988), p. 13-122; S. Scott-Fleming. Pen flourishing in thirteenth-century manuscripts (1989); J.P. Gumbert. The Dutch and their books in the manuscript age (1990); A.S. Korteweg (red.). Kriezels, aubergines en takkenbossen. Randversiering in Noordnederlandse handschriften uit de vijftiende eeuw (1992). [H. Struik]

 

percursio

Term uit de retorica voor het vluchtig en zonder enige detaillering over een onderwerp heenlopen, hetgeen zich vaak uit in het gebruik van asyndetische hoofdzinnen en in de stijlfiguur van de enumeratio bijv. regel 4 van het ‘Grafschrift’ door P.G. Witsen Geysbeek (in: G. Komrij, De Nederlandse poëzie van de 17e en 18e eeuw in 1000 en enige gedichten, 1986, p. 1292):

 Hier ligt Simplicius: men kan al zijn bedrijven,
 En 't lot, dat hij in 't eind' verwierf,
 Gemaklijk met vier woorden schrijven:
 Hij sliep, hij at, hij dronk, en stierf.

Het tegenovergestelde van percursio is evidentia.

LIT: Gorp; Lausberg; Ueding. [P.J. Verkruijsse]

 

peregrinatio academica

In tijden dat er nog maar weinig universiteiten waren, gingen studenten op studiereis naar buitenlandse universiteiten. Vanaf de 16e eeuw hebben de universiteiten ook een religieuze kleur, waardoor men gedwongen werd soms ver van huis te gaan studeren, maar ook de faam van een bepaalde instelling kon ertoe leiden om juist daar te gaan studeren. Veel vorsten vaardigen vanaf de 16e eeuw verboden uit op de peregrinatie om de eigen instellingen van hoger onderwijs voor leegloop te beschermen. De studenten van elders aan buitenlandse universiteiten verenigden zich in de zogenaamde naties.

De Leidse universiteit oefende na de oprichting ervan in 1575 al spoedig grote aantrekkingskracht uit op niet-katholieke studenten uit Oost-Europa.

Behalve de inschrijfregisters, de matrikels, geven ook de alba amicorum (album amicorum) inzicht in waarheen de peregrinatio ging.

Vanaf de 17e eeuw, wanneer het netwerk aan universiteiten groter wordt, neemt de grand tour de plaats in van de peregrinatio.

LIT: A. Frank-Van Westrienen. De Groote Tour. Tekening van de educatiereis der Nederlanders in de zeventiende eeuw (1983); H. Bots en W.Th.M. Frijhoff. ‘Academiereis of educatiereis? Noordbrabantse studenten in het huitenland, 1550-1750’, in: Batavia Academica1 (1983), p. 13-30; S. Kiedro. ‘Poolse studenten in Leiden in de 16de en de 17de eeuw’, in: S. Prdota (red.). Studia Neerlandica et Germanica (1992), p. 189-204; P. Vandermeersch en H. de Ridder-Symoens. ‘Verbod op studiereizen in de Spaanse Nederlanden’, in: Spiegel Historiael 31 (1996), p. 172-178. [P.J. Verkruijsse]

 

perifrase

Stijlfiguur waarbij men een woord vervangt door een omschrijving. Voorbeelden hiervan zijn het adynaton en de antonomasie-1, maar ook de antoniem wordt wel als een vorm van perifrase beschouwd. In ruimere zin vallen ook het pleonasme en de tautologie er onder.

Een voorbeeld is te vinden in J. van den Vondel, Inwydinge van 't Stadthuis t'Amsterdam, vss. 1-2 (ed. S. Albrecht, O. de Ruyter e.a., 1982, p. 21): in plaats van ‘zoals de boer de gouden aren ploegt’ schrijft Vondel:

 ‘Gelijck nu d'ackerman de zeissen slaet in d'airen,
 En heenstreeft, door een zee van gout en goude baren...’

LIT: Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Morier; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

periode-1 of tijdvak

Term uit de literatuurgeschiedschrijving die betrekking heeft op een af te grenzen tijdsbestek. In feite is een periode vergelijkbaar met een stroming en op te vatten als een mentale constructie die de literatuurhistoricus gebruikt om tot een ordening en afbakening te komen op grond van literair-historisch feitenmateriaal. Het stelt hem in staat dat feitenmateriaal in een grotere samenhang te presenteren. Daarbij wordt in de praktijk gebruik gemaakt van periodeaanduidingen als renaissance, barok, verlichting, romantiek, naturalisme, modernisme e.d. voor de zgn. periodisering van de literatuurgeschiedenis. De aanduidingen van de perioden zijn van verschillende oorsprong, nl. ontleend aan een literaire, kunsthistorische, wijsgerige of levensbeschouwelijke stroming die in het ermee aangeduide tijdvak overheersend zou zijn geweest.

LIT: Best; Cuddon; Gorp; MEW; Shipley; Wilpert; R. Wellek. ‘Periods and movements in literary history’, in: English Institute Annual (1940), p. 89 e.v.; H.P.H. Teesing. Das Problem der Perioden in der Literaturgeschichte (1948); E. Kunne-Ibsch. ‘Periodiseren: De historische ordening van literaire teksten’, in: W.J.M. Bronzwaer e.a. (red.). Tekstboek algemene literatuurwetenschap (1977), p. 284-297. [G.J. van Bork]

 

periode-2 zie periodus-1

periodebibliografie

Objectieve bibliografie van publicaties die betrekking hebben op een bepaalde periode. Voorbeelden zijn de International medieval bibliography en de Bibliographie internationale de l'Humanisme et de la Renaissance. Een bibliografie die de werken uit een bepaalde periode beschrijft, bijvoorbeeld de incunabelperiode, is een retrospectieve subjectieve bibliografie.

LIT: BDI; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995), p. 68. [P.J. Verkruijsse]

 

periodecode

De term ‘code’ in deze samenstelling is afkomstig uit de semiotiek en betekent zoveel als een systeem van symbolen dat door onderlinge overeenstemming (conventie) tussen zender (spreker, schrijver) en ontvanger (luisteraar, lezer) informatie kan overdragen. Onder een periodecode wordt dan een systeem van conventies verstaan die in een bepaalde periode-1 in (literaire) teksten een belangrijke rol spelen en door lezers als zodanig herkend worden. Zo zou men de periodecode van de romantiek of van het modernisme kunnen vaststellen door de dominante codes van teksten uit die perioden op te sporen. Een voorbeeld daarvan is te vinden bij D.W. Fokkema in diens artikel in Forum der Letteren (20, 1979, p. 1-10), waarin hij de periodecode van het modernisme tracht te achterhalen.

Een probleem bij het vaststellen van een periodecode is dat het begrip ‘code’ onvoldoende gedefinieerd is om een werkbaar criterium te zijn. Onduidelijk blijft bovendien of codes in de hier bedoelde zin niet afhankelijk zijn van de interpretatie van de onderzoeker en van verschil van inzicht in de dominantie van de verschillende codes.

LIT: U. Eco. Einführung in die Semiotik (1972); W.J.M. Bronzwaer, D.W. Fokkema en E. Kunne-Ibsch (red.). Tekstboek algemene literatuurwetenschap (19802); P.F. Schmitz, ‘De codemode in de literatuurwetenschap’, in: Forum der Letteren 21 (1980) 4, p. 283-295. [G.J. van Bork]

 

periodiek zie tijdschrift

periodisering

Indeling van de geschiedenis in tijdvakken om tot een ordening van het historisch materiaal te komen. Vooral in de kunst- en literatuurgeschiedenis is het gebruikelijk deze tijdvakken te benoemen met namen die nu eens een tijdsaanduiding betreffen, dan weer aan een bepaalde stijl zijn ontleend en in andere gevallen een wijsgerig of godsdienstig stelsel aanduiden. Zo spreken we van Middeleeuwen, humanisme en renaissance, barok, verlichting, romantiek, naturalisme, impressionisme, symbolisme, modernisme etc. zonder er ons om te bekommeren dat hier indelingscriteria in het geding zijn die een volstrekt verschillende oorsprong hebben. Een dergelijke indeling is dan ook vanuit een wetenschappelijk standpunt bezien tamelijk arbitrair. In de eerste plaats is er een merkwaardige discrepantie in de omvang van de verschillende perioden: de Middeleeuwen enige eeuwen, het naturalisme slechts enkele decennia. In de tweede plaats is het een indeling waarbij perioden benoemd worden met stijlbegrippen waarover vaak nauwelijks overeenstemming bestaat als het erom gaat wat er precies onder dient te worden verstaan (vgl. barok, rococo, art nouveau, neoromantiek e.d.). Om uit de problemen te komen zijn er verschillende voorstellen gedaan.

Sommige literatuurwetenschappers ( Stuiveling, Sicking e.a.) gaan voor de periodisering uit van generaties van auteurs. Ze behandelen de literatuurgeschiedenis als een opeenvolging van groepen auteurs die van ongeveer dezelfde leeftijd zijn. Hoe exact een dergelijke ordening ook moge lijken, een bezwaar ertegen is dat auteurs van zeer verschillende werken in één groep worden ondergebracht. Bij deze werkwijze is de auteur het criterium en niet het werk zelf.

Een ander voorstel ( Wellek, Teesing e.a.) gaat uit van de werken zelf. Hierbij gaat het erom de dominante factoren die een reeks werken kenmerken in een bepaalde tijd op te sporen en zo wat men noemt een ‘periodecode’ vast te stellen. De dominantie van zo'n periodecode zou dan bepalend zijn om van een bepaald tijdvak te spreken, terwijl de afsluiting ervan bepaald wordt door de afname van de tot die code behorende factoren. Schematisch zou men het als volgt kunnen voorstellen: werken met de eigenschappen a-b-c-d-e-f behoren tot de periode X, en werken met de eigenschappen d-e-f-g-h-i-j niet meer, maar wel tot periode Y. Uit het gegeven voorbeeld wordt dan tevens duidelijk dat er van een zekere overlapping in opeenvolgende perioden sprake kan zijn, dus van een zekere geleidelijkheid.

In andere publicaties over dit onderwerp ( Tynjanov, Kunne-Ibsche.a.) worden deze periodecodes gezien als een periodiek systeem met een cyclisch karakter (opkomst-hoogtepunt-navolging-bestrijding-alternatief-opkomst-etc.), waarbij duidelijk sprake is van een dialectisch proces. Aflossing van het bestaande periodesysteem betekent niet noodzakelijk de uitschakeling van het gehele systeem, maar kan bijv. incorporatie inhouden van oudere dominante factoren, die dan vaak ondergeschikt gemaakt worden aan de nieuwe eigenschappen.

Sinds Jauss is hierin ook wel de verwachtingshorizon van de lezer betrokken. Lezers lezen een tekst met een bepaalde verwachting t.a.v. de literaire codes die zo'n tekst kunnen beheersen. Doorbreking van die verwachtingen kan op den duur leiden tot nieuwe verwachtingen, zodat een nieuw literair procédé, dat aanvankelijk perifeer begon, geleidelijk terrein kan winnen. Bovendien, schrijvers zijn zelf ook lezers van literaire teksten waarop zij in hun werken dan weer kunnen reageren door zich ertegen af te zetten of bepaalde procédés over te nemen (intertekstualiteit).

Ook op dit soort opvattingen over periodisering is inmiddels kritiek gekomen. Zo wordt bijv. gesteld dat het begrip ‘code’ in de genoemde theorieën nauwelijks gedefinieerd wordt. Hoe verhouden zich bijv. de verschillende factoren die tot een periodecode behoren; zijn ze van dezelfde importantie bij onderlinge vergelijking? Zijn dezelfde codes in verschillende perioden van gelijke importantie? Deze en dergelijke vragen verhinderen intussen niet dat men gewoonlijk blijft werken met de eerder genoemde periodebegrippen, maar wel in het besef van het voorlopige en discutabele karakter ervan.

LIT: Gorp; MEW; H.P.H. Teesing. Das Problem der Perioden in der Literaturgeschichte (1948); R. Wellek. Concepts of criticism (1963); E. Kunne-Ibsch. ‘Periodiseren: de historische ordening van literaire teksten’, in: W.J.M. Bronzwaer e.a. (red.). Tekstboek algemene literatuurwetenschap (1977), p. 284-297; D.W. Fokkema. ‘Het modernisme: overwegingen bij de beschrijving van een periodecode’, in: FdL 20(1979), p. 1-10; P.F. Schmitz. ‘De codemode in de literatuurwetenschap’, in: FdL 21(1980), p. 283-295; J.M.J. Sicking. ‘Periodiseren door middel van generaties’, in: FdL 23(1982), p. 46-59. [G.J. van Bork]

 

periodus-1 of periode-2

Term uit de klassieke poëtica voor een zinsdeel dat bestaat uit een reeks van grammatisch met elkaar verbonden zinnen die samen een geheel vormen en dat wordt afgerond met een puntkomma (periodus-2). Tegenwoordig duidt periodus een volzin aan, die uit meer voor-, tussen-, en/of nazinnen bestaat, en wordt afgesloten met een punt.

LIT: Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Scott; B. Bischoff. Paläographie des römischen Altertums und des abendländischen Mittelalters (19862), p. 214-219; J. Greidanus. Beginselen en ontwikkeling van de interpunctie in 't biezonder in de Nederlanden (1926), p. 51. [H. Struik]

 

periodus-2

Middeleeuws interpunctieteken in de vorm van een puntkomma (;) dat gebruikt werd om een lange rust aan te geven. De periodus dateert uit de Romeinse tijd en maakte deel uit van een interpunctiesysteem waarbinnen de volzin (periodus-1) werd afgesloten met een puntkomma (periodus-2), de bijzin (colon) met een punt (punctus) en de deelzin (comma) met een virgula (/). Na de Middeleeuwen is de periodus van naam en functie veranderd in de huidige puntkomma.

LIT: J. Greidanus. Beginselen en ontwikkeling van de interpunctie in 't biezonder in de Nederlanden (1926). [H. Struik]

 

peripetie

In het klassieke drama onderscheidt men vijf fasen (achtereenvolgens expositie, intrige-2, climax-2, catastrofe en peripetie) die gewoonlijk samenvallen met de vaste opeenvolging van vijf bedrijven. De peripetie vormt in het drama de beslissende wending ten goede of ten kwade, veelal ten gevolge van een bodeverhaal, een ontmoeting of een herkenning (agnitio) die de protagonist tot inzicht brengen. De peripetie wordt gevolgd door de catharsis en is de inleiding tot de uiteindelijke ontknoping en de afwikkeling van het drama.

In Vondels Gijsbreght van Aemstel (1637) zorgt de aartsengel Rafaël in het vijfde bedrijf voor een beslissende wending. Gijsbreght buigt voor deze gezant van God en legt tenslotte het harnas af om met Badeloch te vertrekken (vss. 1823-1877).

LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; B. Verhagen. Dramaturgie (19632). [G.J. van Bork]

 

perkament

Verzamelnaam voor tot schrijfmateriaal verwerkte huid van kalveren (vellum) of van schapen of geiten (pergamenum). In het Middelnederlandse taalgebied worden de benamingen perkament, vellum of velijn en francijn door elkaar gebruikt.

Perkament ontstaat door de dierenhuid een aantal dagen te logen in kalk; er worden geen looistoffen gebruikt. Daarna spant men de huid op een raam en krabt men de haren en onregelmatigheden zoveel mogelijk weg. In deze opgespannen toestand laat men de huid vervolgens drogen. Voordat het aldus ontstane perkament beschreven kan worden, schraapt men het oppervlak nog eens af en maakt men het glad met puimsteen en krijt (pomsen).

Deze behandeling maakt niet dat perkament een volmaakt schrijfmateriaal is: gebreken in de huid blijven altijd zichtbaar. Omdat perkament een vrij kostbaar materiaal was, zorgde men er niet altijd voor dat scheurtjes, gaatjes (ontstaan door littekens van steken) en de dikkere stukken aan de rand van de huid buiten het te beschrijven blad bleven. Scheurtjes werden vaak dichtgenaaid: als de draad er niet meer is, zijn de gaatjes waardoor deze geregen was er nog. Om gaatjes schreef men meestal heen. Ook plakte men scheuren en gaatjes wel dicht met een strookje.

Het uiterlijk van perkament verschilt naar periode en streek en is bovendien afhankelijk van de wijze waarop het geprepareerd is. In de 13e eeuw werd het bereidingsprocédé verbeterd, waardoor het lukte om het perkament veel dunner en witter dan vroeger te maken.

De kwaliteit van het perkament bepaalde voor een belangrijk deel de kwaliteit van het te maken boek. Een goed blad moest aan de volgende eisen voldoen: het moest soepel, licht van kleur en vrij van scheuren, gaatjes en andere onregelmatigheden zijn.

De toestand van perkament kan door de inwerking van licht, temperatuur en vochtigheid verslechteren: het perkament kan vlekken krijgen, verkleuren en krimpen.

Bij tot perkament bewerkte huid blijven de haarzijde en de vleeszijde altijd zichtbaar. Het verschil tussen haar- en vleeszijde is een middel om inzicht te verkrijgen in de wijze waarop een codex is opgezet. In de 19e eeuw heeft Gregory ontdekt dat in een opening (dit zijn de twee bladzijden die men ziet als men een boek openslaat) vrijwel altijd twee haarzijden of twee vleeszijden naast elkaar liggen. Dit is altijd zo als het katern is ontstaan door een vel perkament een aantal malen te vouwen en vervolgens de bladen los te snijden.

Vanaf ca. 1400 wordt perkament als schrijfmateriaal verdrongen door papier. Het wordt dan alleen nog gebruikt voor luxueuze boeken en voor boeken die heel veel worden gebruikt.

LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; W. Wattenbach. Das Schriftwesen im Mittelalter (19584), p. 113-39; R. Reed. The nature and making of parchment (1975); J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum (19813), p. 17; P. Rück. Pergament. Geschichte, Struktur, Restaurierung, Herstellung (1991). [H. Struik]

 

peroratio zie conclusio

perseveratie zie analogie-2

persiflage

Spottende nabootsing van een bestaande, meestal bekende en gewaardeerde, tekst, of van een bepaald teksttype of genre. In het eerste geval is de persiflage een parodie; in het tweede geval hebben we te maken met een burleske of pastiche. Een persiflage is vaak een aanwijzing voor het feit dat een bepaalde literatuuropvatting of stroming achterhaald is. Een voorbeeld van een persiflage is Dieuwertje Diekema (1943, illegaal) van Kees Stip, waarin J.W.F. Werumeus Bunings Maria Lécina (1932) wordt gepersifleerd.

LIT: Best; Buddingh'; Dupriez-2; Gorp; Laan; Metzler; MEW; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]

 

persona poëtica zie impliciete auteur

personage of karakter

Persoon die een rol speelt in een literair werk en daarin door de dialoog, de actie of de beschrijving wordt gekarakteriseerd of getypeerd. Soms zijn de ‘personages’ dieren of zaken, die dan echter menselijke eigenschappen krijgen. Om die reden wordt door M. Bal bij voorkeur over acteur of actant gesproken, terwijl Drop de voorkeur geeft aan de term ‘figuren’.

In E.M. Forsters Aspects of the novel (1927) wordt voor het eerst onderscheid gemaakt tussen een flat character en een round character, waarmee een aanduiding wordt gegeven van wat tot dan toe gewoonlijk werd aangeduid met de tegenstelling type en karakter. De personages zijn in feite de middelen die door hun handelingen en uitspraken de plot bewerkstelligen. Het aantal personages dat in een literair werk voorkomt, kan sterk uiteenlopen, maar men maakt onderscheid tussen hoofdfiguren, die minder talrijk zijn, en bij- of nevenfiguren. De karaktertekening van de hoofdfiguren is gewoonlijk uitvoeriger dan die van de bijfiguren. In het drama worden de dramatis personae vaak aangeduid met de termen protagonist, antagonist (deuteragonist) en tritagonist.

LIT: Abrams; Anbeek/Fontijn; Baldick; Bergh; Boven/Dorleijn; Cuddon; Drop; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; MEW; Prince; Scott; W.J. Harvey. Character and the novel (19662); K.D. Beekman en J. Fontijn. ‘Romanfiguren’, in: Spektator (1971-72) 7/8, p. 406-414; M. Bal (red.). Mensen van papier (1979); A. van Assche (red.). Karakters en personages in de literatuur (1989). [G.J. van Bork]

 

personale vertelwijze

Vertelvorm waarin het perspectief ligt bij één of meer personages van de tekst over wie in de derde persoon wordt verteld. Bij de personale vertelvorm lijkt de verteller volledig afwezig te zijn. De gebeurtenissen worden gezien vanuit het gezichtspunt van één (of meer) personage(s). Wanneer een roman consequent geschreven is vanuit de visie van één personage spreekt men wel van de ‘verhulde ik-vorm’, omdat in dat geval ik-vertelwijze en personale vertelwijze zeer dicht bij elkaar komen te liggen. De auctoriale vertelwijze en de personale zijn elkaars uitersten. Toch is het zelden zo dat een tekst uitsluitend personaal verteld wordt. Vrijwel steeds zullen ingrepen van de verteller herkenbaar zijn, bijv. in samenvatting van gebeurtenissen, typering van personages, verdichting van tijd e.d. Maar in een overwegend personale roman zal wel het rechtstreeks toespreken van de lezer ontbreken.

Evenals aan de ik-vertelwijze is aan de personale vertelvorm inherent dat er sprake kan zijn van een onbetrouwbaar perspectief. De lezer volgt immers het standpunt van vaak slechts één personage en is volledig van diens visie afhankelijk. Die combinatie van onbetrouwbaar perspectief en personale vertelwijze vormt onderdeel van de plot van bijv. De donkere kamer van Damocles (1958) van W.F. Hermans. Een ander voorbeeld van een personale roman is Oek de Jongs Opwaaiende zomerjurken (1979).

LIT: Anbeek/Fontijn; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Gorp; Herman/Vervaeck; Lodewick; Metzler; Prince; N. Friedman. ‘Point of view in fiction’, in: PMLA 70(1955), p. 1160-1184; F.K. Stanzel. Typische Formen des Romans (19673); F. van Rossum-Guyon. ‘Point de vue ou perspective narrative’, in: Poétique 1(1970), p. 476-497; A.G.H. Anbeek v.d. Meijden. De schrijver tussen de coulissen (1978). [G.J. van Bork]

 

personificatie of persoonsverbeelding

Vorm van beeldspraak waarbij zaken menselijk worden voorgesteld. Aangezien dit altijd gebeurt op grond van overeenkomst is de personificatie een vorm van metaforisch taalgebruik (metafoor). Zo schrijft Jotie T'Hooft over de winter ‘met vingers die mij vouwen’, waarmee de winter wordt gepersonifieerd (J. T'Hooft. Junkieverdriet, 1976, p. 47).

Een goed voorbeeld van personificatie is te vinden in het gedicht ‘Holland’ van M. Nijhoff:

 Het avondlicht zinkt door de vensters binnen.
 De bruine meubels denken aan elkaar,
 Een stervend woord wil overal beginnen -
 (VG, 19632, p. 27).

Ook het Spreeckende Houte Gebouw Op den Burgh in 't Bosch van Hofwyck in het voorwerk van Huygens' Hofwyck is een duidelijk geval van personificatie.

De personificatie is tegengesteld aan de materialisatie, waarbij mensen als dingen worden voorgesteld. Zo is in het gegeven citaat van T'Hooft de ik-figuur (‘mij’) gematerialiseerd doordat deze wordt voorgesteld als iets (bijv. een stuk papier) dat gevouwen kan worden.

Verwant aan de personificatie is de animalisatie (door sommigen eveneens personificatie genoemd), waarbij het gaat om dieren of levende wezens in het algemeen. Dezelfde T'Hooft schrijft over het woord ‘Dat muis is knagend’ enz. (a.w., p. 45).

Men vindt de personificatie in de pathetic fallacy en in menige invocatio. Ook in genres als de allegorie en het spel van zinne treedt personificatie op.

LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

persoonsbibliografie

Bibliografie waarin alle publicaties van (subjectieve bibliografie) en/of over (objectieve bibliografie) een bepaald persoon worden beschreven. Is de persoon een auteur, dan spreekt men ook wel van auteursbibliografie. Een voorbeeld van een subjectieve persoonsbibliografie is G.Az. Brederoo. Eene bibliographie (1884) van J.H.W. Ungeren van een objectieve persoonsbibliografie Objectieve persoonsbibliografie van G.A. Bredero 1618-1969 (1986) door E.K. Grootes, P.C. Punten P.J. Verkruijsse.

LIT: BDI; Hiller; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995), p. 59. [P.J. Verkruijsse]

 

persoonsverbeelding zie personificatie

perspectief, point of view of vertelwijze

Term uit de romananalyse voor het punt van waarneming van waaruit een tekst of tekstgedeelte blijkt te worden verteld. Dit punt van waarneming is essentieel voor de wijze waarop de lezer van de tekst kan worden geïnformeerd over de gebeurtenissen of personages die erin worden gepresenteerd. Het perspectief bepaalt in feite de visie op die gebeurtenissen of personages en manipuleert op die wijze de lezer. Omdat de termen ‘point of view’ en ‘perspectief’ vaak zowel deze visie als de verteller zelf aanduiden, geeft Bal de voorkeur aan de van Genette afkomstige term focalisatie voor de relatie tussen de gepresenteerde elementen en de visie van waaruit deze worden gepresenteerd. De wijze van presentatie van de tekst wordt algemeen gezien als een element van de structuur van het literaire werk en men spreekt bij de romananalyse dan ook van structuuraspecten bij de vaststelling van het perspectief.

Men kan onderscheid maken tussen het fysisch perspectief en het psychisch perspectief. Het fysisch perspectief bepaalt de kijk van de lezer op de materiële en ruimtelijke voorstelling van de tekst, d.w.z. op dat wat concreet kan worden waargenomen. Het psychisch perspectief bepaalt de wijze waarop de lezer de personages van een verhaal ziet in psychische zin; het geeft de lezer een blik op het karakter, de drijfveren e.d. van de personages. Het psychisch perspectief kan weer onderverdeeld worden in het ‘perspectief van binnenuit’ en het ‘perspectief van buitenaf’. In het eerste geval presenteert een personage zichzelf met zijn gedachten, gevoelens, etc. In het tweede geval wordt het personage gepresenteerd door één of meer andere personages die zijn gedachten en gevoelens niet echt kennen en dus hun toevlucht moeten nemen in uiterlijke beschrijvingen als ‘hij kreeg een kleur’ of ‘hij werd driftig’, waaruit de lezer toch een indruk krijgt van de gevoelens van dat personage.

Drop vermeldt voorts nog een ‘perspectief op de totale handeling’, waarmee hij een dominerend perspectief bedoelt dat de lezer in staat stelt het gehele verhaal te structureren, bijv. door middel van een personage dat als centraal blikpunt fungeert en zo de samenhang van verschillende perspectieven of de dominantie van een bepaalde problematiek bewerkstelligt.

Uitgaande van de belangrijkste verteller(s) spreekt men in het point of view-onderzoek van verschillende verteltypen: de auctoriale vertelwijze, de personale vertelwijze, de ik-vertelwijze en het meervoudig perspectief. In het bijzonder de personale vertelwijze en de vertelvorm met een ik-verteller kunnen een onbetrouwbaar perspectief opleveren, omdat de lezer volledig afhankelijk kan zijn van de visie van één van de personages en het niet altijd duidelijk is of de waarheid gesproken wordt of dat er sprake is van dromen, hallucinaties, wensvoorstellingen, leugens e.d. Het onbetrouwbaar perspectief is een belangrijk middel tot ironie.

Vrij uitzonderlijk is het perspectief vanuit een tweede persoon enkelvoud. Een van de weinige voorbeelden hiervan vormt H. Teirlincks Zelfportret of Het galgemaal (1955), waarin overigens naast een gij-standpunt ook een hij-standpunt voorkomt.

LIT: Abrams; Anbeek/Fontijn; Bal; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Drop; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Prince; Scott; Shipley; N. Friedman. ‘Point of view in fiction’, in: PMLA 70(1955), p. 1160-1184; W.C. Booth. The rhetoric of fiction (1961); F.K. Stanzel. Typisch Formen des Romans (19673); E. Lämmert. Bauformen des Erzählens (19683); H. van Gorp. Het optreden van de verteller in de roman (1970); F. van Rossum-Guyon. ‘Point de vue ou perspective narrative’, in: Poetique 1(1970), p. 476-497; T. Anbeek. ‘De romantypologie van Franz Stanzel’, in: FdL 11(1970), p. 170-181. [G.J. van Bork]

 

perspicuitas

Term uit de retorica voor één van de vier stijldeugden binnen de elocutio, nl. de helderheid en begrijpelijkheid, het vermijden van ambiguïteit en duister taalgebruik.

LIT: Gorp; Lausberg; J. Jansen, ‘“Helderheid” (perspicuitas) in enige renaissancistische drama-voorredes’, in: Spektator 24 (1995), p. 202-215. [P.J. Verkruijsse]

 

persuasio

Term uit de retorica voor het overreden, het aanzetten tot handelen, van het publiek door de redenaar, waarna eventueel bij het publiek begrip gecreëerd kan worden, het publiek van iets overtuigd kan worden. Het persuasieve doel kan bereikt worden door docere, delectare en movere.

LIT: Gorp; Lausberg; Shipley; F.H. van Eemeren, R. Grootendorst & T. Kruiger. Argumentatietheorie (19812), p. 252-253. [W. Kuiper]

 

persvariant zie correctie op de pers

persvrijheid

Vrijheid van drukpers. Het grondrecht om zonder voorafgaande toestemming (preventieve censuur) of censurerende maatregelen achteraf (repressieve censuur) het geschreven of gedrukte woord in de openbaarheid te brengen. Dit grondrecht werd in België in 1831 en inNederland in 1848 wettelijk vastgelegd. Daarvoor werden verschillende maatregelen gebruikt om de persvrijheid te beperken. De overheid kon bijv. bepalen dat uitgaven aan een bepaald privilege onderworpen dienden te zijn, het zgn. toelatingsoctrooi. De kerkelijke of wereldlijke overheden onderwierpen uitgaven aan een approbatur, een goedkeuring vooraf, vóór tot drukken kon worden overgegaan (evulgetur, imprimatur, nihil obstat). Bovendien kon censuur achteraf blijken uit het op de Index plaatsen van boeken die men niet verspreid wenste te zien. In de 19e eeuw werkte het dagbladzegel nog als een vorm van persbreideling (in België afgeschaft in 1848, in Nederland in 1869). In oorlogstijden is steeds opnieuw sprake geweest van beperking van de persvrijheden, bijv. tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Duitse bezetter d.m.v. de Kultuurkamer en de papierdistributie. In feite heeft de persvrijheid niet alleen betrekking op het geschreven of gedrukte woord, maar ook op andere media (radio, tv, film etc.).

LIT: BDI; Brongers; MEW; H.A. Enno van Gelder. Vrijheid en onvrijheid in de republiek. Geschiedenis der vrijheid van drukpers en godsdienst van 1572 tot 1798. I: van 1572 tot 1619 (1947); M.C. Burkens. Beperkingen van grondrechten (1971); H.A. Enno van Gelder. Getemperde vrijheid (1972). [G.J. van Bork]

 

Perzisch kwatrijn of oosters kwatrijn

Term uit de genreleer voor een type kwatrijn dat in de Nederlandse letterkunde beoefend is naar het voorbeeld van Perzische kwatrijnen, speciaal die welke zijn toegeschreven aan de (wellicht legendarische) figuur van Omar Khayyam (11e eeuw). Bekende Nederlandse bewerkers respectievelijk vertalers zijn Boutens, Leopold en J.I. de Haan.

Het Perzisch kwatrijn geeft een levenswijsheid, zoals het gedicht ‘Dwaasheid’ van De Haan:

 Hij zegt: ‘Omar Khayyam heeft niet geschreven,
 Alle kwatrijnen, die op zijn naam staan’
 Geleerde Dwaas: heeft het Lied minder leven,
 Omdat de Naam des Dichters is vergaan?
 (J.I. de Haan. Kwatrijnen, 1924, p. 174).

In het algemeen is de inhoudelijke opbouw van het gedicht zo, dat de twee eerste verzen de grondgedachte van het gedicht weergeven, het derde vers er een wending aan geeft, en het laatste een oplossing geeft. Hiermee corresponderend treft men vaak het rijmschema aaba erin aan, dat als gesloten vorm de inhoud ondersteunt. Nijhoff zei hierover:

De eerste twee regels, bij Khayyam, rijmen op elkaar, om terstond het thema in zo kort mogelijk bestek aan te geven, de derde regel houdt in zijn rijmloosheid de uitzwaai der gedachte nog even onbeslist, verhardt daarmee de kern van het eerste paar, maar verlengt tevens als aanloop de kracht van de vierde regel, die, het rijm verder opnemend, het kwatrijn tot een om zichzelf ster-snel wentelend, licht-spattend en kristal-hard geheel maakt
(M. Nijhoff, VW, dl. 2, 1982, p. 190).

Bijvoorbeeld:

 Wij gaan en komen en de winst is waar?
 en weven draden en het kleed is waar?
 In ‘s hemels welving zijn tot stof verbrand
 vele weldenkenden; hun rook is waar?
 ( J.H. Leopold. Kwatrijnen van Omar Khayyam, 1981, p. 27).

LIT: Boven/Dorleijn; Buddingh'; MEW; Preminger; Shipley; Wilpert; J.D.Ph. Warners. Het vierregelig gedicht in de Nederlandse letterkunde sinds de Renaissance (1947). [G.J. Vis]

 

petrarkisme

Onder petrarkisme wordt verstaan de navolging van de liefdespoëzie van Petrarca (1304-1374) vanaf de 14e eeuw, via de diverse maniëristische stromingen van de renaissance tot in de barok.

Het kenmerk van Petrarca's poëzie, meest liefdessonnetten, is de aanbidding van een geïdealiseerde maar onbereikbare vrouw. De liefde veroorzaakt dientengevolge zowel geluk als smart: de minnaar is een gespleten persoon met zelfmoordneigingen, hetgeen tot uiting komt in paradoxale beeldspraak: hij is vuur, zij is ijs; hij is vrij én gevangen. De lichamelijke schoonheid wordt standaard beschreven in het zgn. petrarkistisch vrouwenportret: blond haar, ogen als sterren, tanden als parels enz.

De petrarkistische kenmerken stammen voor een deel uit de troubadourslyriek. Door toedoen van Pietro Bembo (begin 16e eeuw) wordt het petrarkisme steeds rigider, strakker en maniëristischer. Dit leidt zelfs tot anti-petrarkisme, waarvan ‘Aen Mejuffr. N.N.’ van W.G. van Focquenbroch een goed voorbeeld is:

 O schoone! siet ghy niet dat ick geheel op 't lest loop?
 Sint ghy myn vryheyt hebt door uw gesicht ontrooft,
 't Geen u met heldre glans soo glinstert in het hooft
 Gelyck een doove-kool in een bescheete mest-hoop?
 Ick stae gelyck vervoert, wanneer u aessems geur,
 Die door twee lipjes vloeyt, die alle daegh vervellen,
 My alsoo aengenaem de geesten komt ontstellen,
 Als een benaude lucht, uyt Goossens achterdeur.
 (...)
 ( G. Komrij. De Nederlandse poëzie van de 17de en 18de eeuw in duizend en enige gedichten (1986), p. 576.)

Belangrijke petrarkistische dichters zijn Guarini in Italië, Montemayor in Spanje, de Pléiade-dichters inFrankrijk en De Harduwijn en Hooft inNederland.

LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; C. Ypes