R
raadsel of enigmaMet opzet duister geformuleerde vraagstelling, meestal bestaande uit de omschrijving (eventueel in de vorm van een vertelling) van een begrip, een voorwerp of een gebeurtenis, zodanig dat de luisteraar of lezer uit het meegedeelde het bedoelde zal kunnen opmaken. De aankomst van een gast was bij de Germanen aanleiding tot het verzinnen en opgeven van raadsels; de gastheer zou zo de naam, de status en andere gegevens van zijn gast willen ontdekken, maar het is onbeleefd om dat rechtstreeks te vragen, dus probeerde hij zijn doel te bereiken door een reeks van raadsels en strikvragen op te geven. Van zijn kant probeerde de gast de gastheer in slimheid te overtreffen en de vragen te ontduiken of zo goed mogelijk te beantwoorden. In de Oudnoorse Edda komen raadselwedstrijden voor tussen de reus Wafthrudnir en Odin en tussen de dwerg Alwis en Thor (Edda: goden en heldenliederen uit de Germaanse oudheid. Vert.- De Vries, 19888, p. 56-63, 73-77). Raadsels behoren tot de oudste vormen van de poëzie: bij de Grieken was het enigma of griphos buitengewoon populair en had het een nauwe relatie met de gnomische poëzie en de orakelspreuk. Raadsels werden dan ook meestal opgeschreven in hexameters. Veel Nederlandse raadsels zijn eveneens in versvorm overgeleverd (raadselvers). Een aantal ervan is te vinden, overigens zonder oplossingen, in J. van Vlotens Nederlandsche baker- en kinderrijmen (18944, p. 163-169). Tegenwoordig is het mythische karakter van het raadsel geheel verdwenen; wat rest aan het moderne raadsel is de recreatieve functie: hoewel het verstand wordt gescherpt, is de amusementswaarde primair. LIT: Best; Cuddon; Dupriez-1; Gorp; Metzler; MEW; Scott; Wilpert; A. Aarne. Vergleichende Rätselforschungen, 3 dln. (1918-1920); A. Taylor. A bibliography of riddles (1939); A. Taylor. The literary riddle before 1600 (1948); D.E. van der Poel. ‘De minneraadsels uit Een niev Clucht Boecxken (ca. 1600) en enkele verwante teksten’, in: NTg 84 (1991), p. 431-477. [H. Struik]
raadselversOp een raadsel gebaseerd gedichtje dat tot doel heeft om op recreatieve wijze het verstand te scherpen, zoals het volgende voorbeeld uit de 15e eeuw:
(Het antwoord is: Caïn. Zijn vader en moeder (Adam en Eva) zijn niet verwekt en geboren. Caïn was de eerste die als landbouwer de aarde ontgon (de grootmoeder) en hij vermoordde zijn broer Abel, één van de vier mensen die toen op aarde leefden). Een bijzondere, middeleeuwse vorm van het raadselvers is de minnevraag. Discussiëren over minnevragen was een vorm van hoofs vermaak (hoofse liefde). Een samenhangende verzameling van deze vragen werd wel bijeengebracht in een koningsspel; een vraag- en antwoordspel waarin jonge mensen van verschillende sekse elkaar persoonlijke en soms pikante vragen over de liefde stellen die naar waarheid beantwoord moeten worden. Behalve het spelelement, hebben deze minnevragen ook een didactisch element in zich: de hoofse beginselen zijn in een vraag- en antwoordvorm gegoten met belering als doel. Een dichter van raadselverzen uit de renaissance is Johan de Brune de Oude, die in de Zeeusche nachtegael (1623) een aantal ‘Corte, scherp-sinnighe beschrijvinghen, die voor gheraedsels connen ghebruyckt werden’ (p. 48-53) heeft opgenomen. In de Nederlandsche baker- en kinderrijmen (18944, p. 163-169), uitgegeven door J. van Vloten, wordt een aantal raadselverzen uit de jeugdliteratuur opgenomen, zoals:
De antwoorden bij deze raadselverzen ontbreken echter. LIT: Buddingh'; MEW; G. Kalff. Het lied in de Middeleeuwen (1883), p. 480-484; D.E. van der Poel. ‘Minnevragen in de Middelnederlandse letterkunde’, in: F. Willaert e.a. (red.). Een zoet akkoord. Middeleeuwse lyriek in de lage landen (1992), p. 207-218. [H. Struik/P.J. Verkruijsse]
|
1 verwekte
2 verwekt
3 zijzelf gedragen was
4 die de maagdelijkheid van mijn grootmoeder
nam
5 die onverdraagzaam was
|
raamvertelling zie kadervertellingradiospel zie hoorspelrandversieringBegrip uit de codicologie voor met pen en inkt of penseel en dekverf aangebrachte versieringen (boekverluchting) in de marges van middeleeuwse handschriften en incunabelen. Beide soorten zijn ontstaan in de 13e eeuw in Frankrijk. Randversiering is nooit een losstaand verschijnsel, maar treedt in principe slechts op in combinatie met een initiaal-1 of miniatuur. Bij bestudering moeten rand en initiaal dan ook als een eenheid worden beschouwd. De geschilderde verluchting, die gemaakt werd met kostbaardere materialen, vormt ten opzichte van de met pen aangebrachte (penwerk) het hogere niveau. Ze is bestemd voor openingsbladen en belangrijke onderdelen, terwijl kleinere teksteenheden een penwerkdecoratie krijgen. Er zijn echter ook kostbare handschriften waarin de hele decoratie geschilderd is, zoals er ook zijn met alleen penwerkversiering. In alle gevallen echter wordt de hiërarchie binnen de tekst aangegeven door het verschil in grootte van de initialen en de omvang van de daarbij horende margedecoratie. Penwerk heeft een uitzonderlijke bloei gekend in de noordelijke Nederlanden en was tot in de 16e eeuw een goedkoop middel om geleding en versiering in de tekst aan te brengen. Zowel het penwerk als de geschilderde randversiering verschilt sterk per periode en per plaats van ontstaan, zodat het een goed hulpmiddel is bij het dateren en lokaliseren van handschriften. Bij incunabelen echter valt de plaats waar het boek gedrukt werd vaak niet te rijmen met de stijl van de versiering. LIT: J.M.M. Hermans (red.). Middeleeuwse handschriftenkunde in de Nederlanden 1988. Verslag van de Groningse Codicologendagen 28-29 april 1988 (1988), p. 13-122; S. Scott-Fleming. Pen flourishing in thirteenth-century manuscripts (1989); J.P. Gumbert. The Dutch and their books in the manuscript age (1990); A.S. Korteweg (red.). Kriezels, aubergines en takkenbossen. Randversiering in Noordnederlandse handschriften uit de vijftiende eeuw (1992). [H. Struik]
rapiariumVerzameling vluchtig en puntsgewijs, door de schrijver voor eigen gebruik op schrift gezette aantekeningen (uit het Latijn ‘rapere’ = snel grijpen, snel opnemen), kenmerkend voor de spiritualiteit van de Moderne Devotie. Naast het schrijven, als broodwinning of ter uitbreiding van de kloosterbibliotheek, hielden de leden van de Moderne Devotie zich ook bezig met meditatie. Behalve uit bidden, bestond deze meditatie uit het bestuderen en overdenken van geestelijke teksten. Men las tot een punt dat bijzonder veel indruk maakte en overdacht dat tot men hierover het volledige inzicht had verkregen. De punten die bij deze meditatie een belangrijke rol speelden, werden opgeschreven. Kenmerkend voor een rapiarium zijn dan ook de brokkelige, puntsgewijs opgestelde teksten, de indeling in korte hoofdstukken, de opeenvolging van verwante thema's en een eerder associatieve dan redenerende gedachtegang. Een rapiarium kon bestaan uit een schriftje, maar ook uit losse snippers papier of perkament of uit leitjes of wastafeltjes. Meestal werd het rapiarium van een broeder na zijn dood vernietigd, een enkele maal werd het geordend en gepubliceerd, zoals het hoofdwerk van de mysticus Gerlach Pieters ( 1411). Thomas a Kempis ( 1471) heeft zelf zijn rapiaria omgewerkt tot de Imitatio Christi. LIT: Moderne Devotie. Figuren en Facetten. [Catalogus van de] Tentoonstelling ter herdenking van het sterfjaar van Geert Grote (1384-1984) (1984), p. 153-157; D. Hogenelst & F. van Oostrom. Handgeschreven wereld (1995), p. 165-168. [H. Struik]
rariorumTerm uit het veilingwezen voor een zeldzaam voorwerp. In (de veelal Engelstalige) auctie- en antiquariaatscatalogi worden boeken al snel als rariora (‘rare’) aangemerkt als ze niet in de geraadpleegde, maar vaak verouderde bibliografische standaardwerken voorkomen, of als ze daarin reeds als zelden voorkomend beschreven worden. Een dergelijke verkoopbevorderende aanduiding blijkt vaak onterecht als de recent beschikbare bibliotheekcatalogi geraadpleegd worden. Overigens hoeft de relatief frequente aanwezigheid van ‘rariora’ in openbaar bezit niet in tegenspraak te zijn met de zeldzaamheid van het aanbod van hetzelfde werk op veilingen. LIT: Brongers; P.J. Buijnsters. Het verzamelen van boeken. Een handleiding (19922), p. 10-12. [P.J. Verkruijsse]
rasuurCorrectiewijze om op perkament een schrijffout te herstellen: de foute letters werden met een schrijfmes weggekrabd (uitraderen) en de correctie kon in de aldus ontstane ruimte ‘op rasuur’ aangebracht worden, als de tekst tenminste niet groter was dan de verwijderde fout. In tegenstelling tot een palimpsest, waarbij de inkt meestal van een heel blad werd afgewassen, is bij een rasuur de oorspronkelijke tekst meestal vernietigd. Door verschillende redacties-2 van dezelfde tekst te vergelijken, kan echter een oudere lezing achterhaald worden op de plaats waar de correctie of wijziging op rasuur is aangebracht. Een beroemd voorbeeld hiervan is de eerste versregel van Van den vos Reynaerde (ed. Lulofs, 19852) in het Comburgse handschrift: Willem die vele bouke maecte. ‘Vele bouke’ staat (dicht opeengeschreven) op rasuur. Net als in andere overgeleverde Reynaert-redacties stond hier oorspronkelijk ‘Madocke’, maar dit was rond 1400 al een onbegrepen of onbekende titel geworden. LIT: LdMA; W. Wattenbach. Das Schriftwesen im Mittelalter (19584), p. 113-139; B. Bischoff. Paläographie des römischen Altertums und des abendländischen Mittelalters (19862), p. 23-24; J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum (19813), p. 57. [H. Struik]
ratiocinatio zie enthymemarationalismeTerm uit de geschiedenis van de wijsbegeerte voor een stroming in de 17e en 18e eeuw met Descartes, Leibniz en Spinoza als belangrijkste vertegenwoordigers. Kern van het rationalisme is het geloof in de kenbaarheid en beheersbaarheid van de fysische en metafysische werkelijkheid door het verstand. Het 17e-eeuwse rationalisme is nieuw ten opzichte van voorafgaande rationalistische stromingen doordat het steunt op ontdekkingen in de wiskunde en toepassingen van de wiskunde op de empirische werkelijkheid, met name de natuurkunde (menig ‘filosoof’ had een fysisch laboratorium!). Dit kenniselement leidde tot de veelgenoemde activiteiten van de encyclopedisten. Het leidde tevens tot vormen van atheïsme alsook tot de 17e-/18e-eeuwse stroming van het deïsme. Laatstgenoemde richting, vooral inEngeland en Frankrijk te vinden, verwerpt het geloof in de openbaring en kent een natuurlijke religie; God is oergrond van de wereld maar grijpt niet in. Voor de literatuurgeschiedenis is het rationalisme van belang als stroming die het classicisme heeft bevorderd. Voor de cultuurgeschiedenis is deze denkrichting onlosmakelijk verbonden met de verlichting, die er onmiddellijk uit is voortgevloeid. Gevoelsfilosofen uit de romantiek ( Shaftesbury, Jacobi, Hamann, Hegel en Nietzsche) en uit het reveil ( Bilderdijk) verzetten zich vaak hevig tegen de kern van het rationalisme. LIT: Best; Cuddon; Krywalski; Shipley; Wilpert; F. Sassen. Geschiedenis van de wijsbegeerte in Nederland (1959), p. 217-268; R. Schmidt Degener e.a. Het rationalisme (1960); R. Wellek. A History of modern criticism, dl. 1 (1981), p. 12-30; W.W. Mijnhardt (red.). Kantelend geschiedbeeld (1983), p. 162-205; J. Stouten. Verlichting in de letteren (1984), p. 5-6; B. Paasman. Het boek der verlichting (1986), p. 3-7; A.J. Hanou. Sluiers van Isis, dl. 1 (1988), p. 234. [G.J. Vis]
readymadeTerm die afkomstig is uit de plastische kunsten ten tijde van de historische avant-garde, geïnitieerd door Marcel Duchamp (1915). Hij hechtte grote waarde aan het toeval als stimulans voor artistieke creatie (objet trouvé). Binnen de literatuur echter kreeg het genre pas bekendheid met de Barbarber-groep, die Duchamp als ‘peetvader’ beschouwde. Kenmerkend voor de ideeën achter het genre is de opvatting dat men kunst uit de verheven sfeer wil halen naar de wereld van alledag met een tweeledig doel: psychologisch (leren waarnemen) en literair (een nieuw type tekst). Door isolering van gevonden teksten wil men een andere realiteitsgewaarwording opwekken. Achterliggende gedachte was ook dat persoonlijke smaak geen rol speelt (‘doe maar gewoon dan doe je gek genoeg’) en dat men gewone woorden voor gewone dingen wil gebruiken. De cultus rond het kunstwerk moest worden doorbroken met massaproducten; het materiaal is herhaalbaar, het vinden niet. Voorbeelden vindt men o.a. bij K. Schippers in zijn bundel Een klok en profil (1965) en in Bermtoerisme (1968) van J. Bernlef. Folder- en reclameteksten (etiketliteratuur), flarden radiogesprekken en allerlei andere bestaande teksten dienen deze dichters als materiaal. Zo geeft Armando aan zijn ‘agrarische cyclus’ in De nieuwe stijl (1965) een technische handleiding annex reclamefolder als basis:
Men kan overigens nogal wat traditionele stijlfiguren in deze poëzie tegenkomen, zoals (in het geciteerde) anafora, repetito en parallellisme. LIT: Buddingh'; Gorp; MEW; Myers/Simms; J. Bernlef & K. Schippers. Een cheque voor de tandarts (1967); G. van Bork & N. Laan (red.). Twee eeuwen literatuurgeschiedenis (19902), p. 265-268. [G.J. van Bork]
realisme-1Periodeaanduiding voor een stroming die doorgaans globaal gesitueerd wordt tussen romantiek en naturalisme, meer precies tussen 1830 en 1870. Het periodebegrip is omstreden omdat sommigen de term realisme willen reserveren voor een meer algemeen gebruik, namelijk voor het werkelijkheidsgehalte van de literatuur (realisme-2). Ook over de afbakening ten opzichte van de romantiek zijn de meningen verdeeld. Enerzijds ziet men in het realisme verzet tegen de verbeelding en het sterk doorgevoerde individualisme van de romantiek, anderzijds wijst men erop dat de aandacht voor het individu en voor het unieke dat de romantiek kenmerkt juist een grote aandacht voor het realistische impliceert. Aanhangers van het stromingenbegrip ‘realisme’ karakteriseren het als een periode waarin in de literatuur gestreefd wordt naar een objectieve weergave van de sociale werkelijkheid. Daarbij bestaat een voorkeur voor een niet-selectieve uitbeelding van de toenmalige realiteit, in het bijzonder van de lagere sociale milieus die in eerdere literaire conventies niet of nauwelijks aan de orde gesteld werden. Het lelijke of ‘zedeloze’ werd daarbij niet geschuwd, hetgeen voor de kritiek uit deze periode vaak een steen des aanstoots was. Opvallend is voorts de voorkeur voor het proza: schetsen, novellen en romans. Hoewel het de bedoeling was een zo objectief mogelijk beeld te geven van de sociale werkelijkheid, is het 19e-eeuwse realisme sterk ideëel gekleurd. De meeste auteurs zijn van oordeel dat de werkelijkheidsweergave middel is om begrip en sympathie te kweken voor de lagere klassen, vaak ook opdat er langs die weg verbetering van hun positie bereikt kan worden. Het streven naar realisme staat overwegend in het teken van ethische doelstellingen. Daarom heeft men het 19e-eeuwse realisme wel gekarakteriseerd als idealistisch-realisme. Het onderscheidt zich wat dat betreft ook van het erop volgende naturalisme dat veel duidelijker positivistische (positivisme), wetenschappelijke uitgangspunten aanvaardde zoals die tot uiting komen in de bekende trits ‘race-milieu-moment’, in het bijzonder in de erfelijkheidstheorieën van die tijd. Hoewel er duidelijk nationale en individuele verschillen zijn, worden o.m. de volgende auteurs tot het realisme gerekend: Stendhal, Dickens, Thackeray, Fontane, Flaubert, Dostojewski en Tolstoi. Het Nederlandse realisme is sterk beïnvloed door Dickens. Van Balzac is de voorkeur afkomstig om typenbeschrijvingen of fysiologieën te geven. Belangrijke vertegenwoordigers van het realisme in het Nederlandse taalgebied zijn Nicolaas Beets (Camera obscura, 1839), Johannes Kneppelhout (Studenten-typen, 1841), C.E. van Koetsveld (Schetsen uit de pastorij te Mastland, 1843) en Tony (= Anton Bergmann, Ernest Staas, 1874). Een eigentijdse zedenroman schreef Jacob van Lennep (De lotgevallen van Klaasje Zevenster, 1865-66). Van sociaal belang is voorts het werk van J.J. Cremer geweest Betuwsche novellen, 1856). Cd. Busken Huet vormt met zijn roman Lidewyde (1868) min of meer de afsluiting van het Nederlandse realisme, maar misschien is het beter in hem een overgangsfiguur te zien tussen realisme en naturalisme. LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Krywalski; Laan; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G. Pellisier. Le réalisme du romantisme (1912); E. Auerbach. Mimesis. Dargestellte Wirklichkeit in der abendländischen Literatur (1946); R. Wellek. ‘The concept of realism in literary scholarship’, in: Concepts of criticism (1963), p. 222-255; R. Brinkmann (red.). Begriffsbestimmung des literarischen Realismus (1969); D. Grant. Realism (1970); S. Kohl. Realismus: Theorie und Geschichte (1977); W. Preisendanz. Wege des Realismus. Zur Poetik und Erzählkunst im 19. Jahrhundert (1977); M. Schippers. Realisme. De illusie van werkelijkheid in literatuur (1979); R. Lauer (red.). Europäischer Realismus, in dl. 17 van Neues Handbuch der Literaturwissenschaft (1980); U. Schöning. Literatur als Spiegel. Zur Geschichte eines kunsttheoretischen Topos in Frankreich von 1800 bis 1860 (1984); T. Streng. ’Realisme’ in de kunst- en literatuurbeschouwing in Nederland tot 1875 (1995). [G.J. van Bork]
realisme-2Met het niet-periodegebonden begrip realisme duidt men in de literatuurwetenschap het werkelijkheidsgehalte van literaire teksten aan. Hoe meer een literaire tekst naar de werkelijkheid verwijst, hoe meer men geneigd is die tekst realistisch te noemen. Onder werkelijkheid verstaat men dan doorgaans: waargenomen verschijnselen die onafhankelijk van onze wil of voorstelling bestaan. In die zin staat het begrip tegenover fictie, fantasie of verbeelding (gevoel en verbeelding). Het problematische van werkelijkheid in teksten is dat het weergeven ervan geschiedt door middel van de tekens van de taal, een code die de plaats van de werkelijkheid inneemt en op zijn beurt door de lezer geïnterpreteerd dient te worden. Empirische werkelijkheid en werkelijkheid in taal vallen dan ook allerminst samen. Werkelijkheid in taal is altijd een subjectieve werkelijkheid: de schrijver kiest niet alleen wat hij beschrijft, maar ook hoe hij het beschrijft, en vervolgens interpreteert de lezer zijn tekst op basis van zijn kennis van de werkelijkheid. In feite gebruikt de schrijver de werkelijkheidsweergave om een zo groot mogelijke waarschijnlijkheid op te bouwen die de lezer dient te overtuigen van de echtheid van het vertelde. Daarmee kan hij bereiken dat de optiek van waaruit hij de werkelijkheid beschrijft als waar wordt ervaren en om deze waarheid gaat het de schrijver doorgaans. Hieruit blijkt dat het werkelijkheidsgehalte van literatuur opgevat kan worden als een van de vele retorische procédés, bijvoorbeeld om de lezer tot acceptatie te brengen van bepaalde opvattingen of tot twijfel aan eigen uitgangspunten. Het gebruik van de werkelijkheid is dus blijkbaar een literaire conventie waarbij auteurs via een code de ‘illusie van werkelijkheid’ scheppen. Hoezeer realisme op te vatten is als conventie valt op te maken uit de vergelijking van het idealistische realisme-1 van de 19e eeuw met het als wetenschappelijk en objectief bedoelde realisme van het naturalisme of met het realisme van de reportageroman. Het pragmatische karakter van realismeopvattingen komt tot uiting in de mimesis-theorieën: bij het scheppen van de illusie van werkelijkheid kan de doelstelling zijn het ophouden van een spiegel waarin de mens zijn bestaan en de condities ervan weerspiegeld ziet opdat hij er lering uit kan trekken. Een soortgelijke doelstelling vindt men terug in de opvattingen over het sociaal-realisme en het socialistisch realisme. Bij de eerder gegeven definitie van werkelijkheid wordt gesproken over ‘waargenomen verschijnselen die onafhankelijk van onze wil of voorstelling bestaan’. Men zou de vraag kunnen stellen of andere verschijnselen, bijv. verschijnselen die meer aan het innerlijk van de mens ontspruiten, zoals ideeën, dromen, gedachten, associaties e.d., niet of minder reëel zijn dan gegevens uit de ‘buitenwereld’. Dat die vraag gerechtvaardigd is, blijkt uit samenstellingen als magisch realisme of surrealisme, waarin deze innerlijke menselijke processen een niet onaanzienlijke rol spelen. Vooral in de 20e eeuw nam het besef toe dat de werkelijkheid in de literatuur geen objectieve weergave van de ‘feiten’ kan zijn (objectief realisme), maar een door een individu waargenomen en geïnterpreteerde werkelijkheid (subjectief realisme) betreft. Deze en soortgelijke opvattingen maken dat steeds weer nieuwe groepen schrijvers hun verhouding tot de werkelijkheid in steeds weer nieuwe realismeconcepten formuleren, zoals dat bijv. bij het neorealisme en bij het postmodernisme gebeurd is. LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Krywalski; Laan; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; M.H. Abrams. The mirror and the lamp (1953); E. Auerbach. Mimesis. Dargestellte Wirklichkeit in der abendländischen Literatur (1946); P. Demetz. ‘Zur Definition des Realismus’, in: Literatur und Kritik 16/17 (1967), p. 333-345; D. Grant. Realism (1970); J.P. Stern. On realism (1973); S. Kohl. Realismus. Theorie und Geschichte (1977); M. Schipper. Realisme. De illusie van werkelijkheid in literatuur (1979); T. Streng. ‘Realisme’ in de kunst- en literatuurbeschouwing in Nederland tot 1875 (1995). [G.J. van Bork]
rebusVorm van beeld- en raadselliteratuur (raadsel) waarbij de namen van de afgebeelde voorwerpen, al dan niet gewijzigd door het weglaten of toevoegen van aangegeven letters of lettergrepen, tot een vers of een zin (niet zelden een spreekwoord) leiden. De term is ontleend aan het Latijnse ‘rebus’ (= door dingen [uitgedrukt]). De rebus is verwant met de hiërogliefen uit de emblematiek, maar onderscheidt zich daarvan doordat hij toegankelijk is voor alle deelhebbers aan dezelfde taalgemeenschap, terwijl de hiërogliefen alleen aan ingewijden bekend zijn. De rebus was vooral populair bij de rederijkers die hem vaak opnamen als bijschrift op hun blazoen. Sinds het Antwerpse landjuweel van 1561 bestond er een speciale prijs voor rebusblazoenen. Bekende vervaardigers van rederijkersrebussen zijn Peeter en Zacharias Heyns en Willem van Haecht. In de 18e eeuw heeft Willem Bilderdijk nog brieven in rebusvorm geschreven: Speels vernuft: rebusbrieven en bedriegers (ed. Bosch, 1981). Ook in de kinderliteratuur komt de rebus voor, o.a. in De kleine print-bybel, waar in door verscheide af-beeldingen een meenigte van Bybelsche spreuken verklaart worden (1772). Tegenwoordig worden rebussen vrijwel uitsluitend gebruikt voor prijsvragen, bijv. ‘Wie lost deze Brief in rijmspraak op?’ (in: Spektator 1, 1971-1972, p. 202-203). LIT: Best; Gorp; Metzler; C.P. Burger. ‘De rebus van onze oude rederijkers’, in: Het Boek14 (1925), p. 145-192; K. Porteman. Inleiding tot de Nederlandse emblemataliteratuur (1977), p. 29; A. Keersmaekers. ‘Rederijkers-rebusblazoenen in de zestiende-zeventiende eeuw’, in: H. Vekeman & J. Müller Hofstede. Wort und Bild in der niederländischen Kunst und Literatur des 16. und 17. Jahrhunderts (1984), p. 217-219. [P.J. Verkruijsse]
recapitulatioTerm uit de retorica voor een enumeratio een opsomming bij wijze van algemeen overzicht om het geheugen op te frissen aan het slot van een betoog (in de conclusio). Als de opsomming van te behandelen punten aan het begin van een betoog gegeven wordt of ter afsluiting van de narratio, heet dat partitio. LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet. [P.J. Verkruijsse]
recensie of boekbesprekingTerm uit de wereld van de kritiek voor een voornamelijk kritische beoordeling van een (literair) werk in een dag- of weekblad, in een tijdschrift, of ook wel voor radio en tv. Het zwaartepunt ligt hierbij niet op de wetenschappelijke aanpak, maar op de subjectieve mening van de recensent. Dit sluit niet uit dat menige recensie tevens informatief van aard is, hetgeen samenhangt met de actualiteit, die zelfs het hoofdkenmerk van de recensie genoemd kan worden. De dag- en weekbladpers heeft veelal zijn vaste rubrieken voor recensies. De dagbladen hebben er vaak vaste dagen voor, waarop specifieke bijlagen met o.a. boekbesprekingen uitkomen (zoals de bijlagen van NRC/Handelsblad en De Volkskrant). De term recensie beperkt zich niet tot het terrein van de letterkunde, maar strekt zich ook uit tot andere kunsten, alsook tot manifestaties daarvan in de ruimste zin, zoals toneelvoorstellingen, concerten e.a. LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; J.J.A. Mooij. ‘Problemen rondom literaire waardeoordelen’, in: De Gids 136 (1973), p. 461-473; H.T. Boonstra. ‘Van waardeoordeel tot literatuuropvatting’, in: De Gids 142 (1979), p. 242-253; J.J.A. Mooij. Idee en verbeelding (1981), p. 54-58. P.F. Schmitz. Kritiek en criteria (1979). [G.J. Vis]
recensioTerm uit de tekstkritiek voor de eerste fase die voorafgaat aan de (re)constructie van het archetype: 1) het opbouwen van de keten van onderlinge verwantschappen, 2) het genereren van een stemma uit deze keten, 3) het (re)construeren van de tekst van het archetype. De recensio gaat vooraf aan de emendatio. LIT: Mathijsen; B.J.P. Salemans. ‘Text genealogical remarks on Lachmann, Bédier, Greg and Dearing’, in: LB 79 (1990), p. 427-468. [H. Struik]
receptie-estheticaMet deze term duidt men een verzameling disciplines aan die gedeeltelijk liggen op het terrein van het onderzoek van kunst en literatuur, gedeeltelijk op dat van het sociaal-wetenschappelijk onderzoek. De literatuurwetenschappelijke tak is vooral sterk ontwikkeld in de jaren zestig van deze eeuw in de toenmalige Bondsrepubliek Duitsland. Daar waren het H.R. Jauss (Literaturgeschichte als Provokation, 1970) en W. Iser (Die Appelstruktur der Texte, 1970) die een nieuwe, op de lezer gerichte literatuurwetenschappelijke onderzoeksmethode introduceerden (‘Konstanzer Schule’). De beoefenaar van de receptie-esthetica onderzoekt de literaire tekst vanuit het standpunt van de lezer, daarbij onderscheid makend tussen ideale lezer, reële lezer, impliciete lezer en expliciete lezer. Deze stroming is gedeeltelijk een reactie op de ergocentrische literatuurbenadering, waarbij analyse en interpretatie centraal staan, en richt zich niet primair op het artefact maar op het esthetisch object. Binnen de receptie-esthetica zijn er diverse richtingen. Zo is er een stroming die meer tekstgericht is (met aandacht voor open plek), en een stroming die meer gericht is op de lezer als individuele persoon en/of als sociaal of cultureel bepaald wezen (met aandacht voor verwachtingshorizon). In het eerste geval zal de aandacht o.a. gericht zijn op het effect van tekstuele (bv. stilistische) gegevens op de lezer (denk aan W.C. Booth en diens The rhetoric of fiction, 1961). In het laatste geval zal het onderzoek meer van sociaal-wetenschappelijke aard zijn, en gericht op de vraag naar de achtergronden die verantwoordelijk zijn voor het soort uitspraken dat de recipiënt doet naar aanleiding van het lezen (en door onderzoekers gestelde vragen daarover) van een tekst. Scheiding van lezer en onderzoeker is bij dit type onderzoek essentieel en de opvatting lijkt veld te winnen dat empirisch receptie-onderzoek als wetenschappelijke activiteit op solider uitgangspunten is gebaseerd dan de traditionele interpretatie. Daar staat echter tegenover dat sommige onderzoekers binnen de empirische richting, bijv. A. van Assche, van mening zijn dat het vooralsnog niet mogelijk is op empirische wijze houdbare uitspraken te doen over de literaire tekst zelf. LIT: Abrams; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Brongers; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; Krywalski; Metzler; MEW; H. Link. Rezeptionsforschung (1976); N. Groeben. Rezeptionsforschung als empirische Literaturwissenschaft (1977); R.T. Segers. Het lezen van literatuur (1980); R.T. Segers (red.). Lezen en laten lezen (1981); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (19822), p. 110, 117; D.H. Schram. Norm en normdoorbreking (1985), p. 96; E. Andringa & D. Schram (red.). Literatuur in functie. Empirische literatuurwetenschap in didaktisch perspectief (1990); J.J. Kloek. ‘Receptie’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.). Sleutelwoorden (1991), p. 144-150. [G.J. Vis]
recipiëntTerm uit de receptie-esthetica voor degene die het kunstwerk ondergaat als esthetisch object, al dan niet met weergave van zijn schriftelijke of mondelinge reacties. In de literaire receptie-esthetica is dit de reële lezer (tekstextern), onderscheiden van de (tekstinterne) impliciete lezer en expliciete lezer. LIT: H. Link. Rezeptionsforschung (1976); R. Segers. Het lezen van literatuur (1980). [G.J. Vis]
reclamant zie custodereclame zie custoderecto-zijdeBibliografische term voor de voorzijde van een blad of vel; de keerzijde heet verso-zijde. Bij boeken uit de handschriften- en handpersperiode verwijst men in plaats van naar pagina's naar de recto- en verso-zijde van een door middel van de katernsignatuur aangeduid blad. Als pagina 1 en 2 zich op het eerste blad van het A-katern bevinden, worden die aangeduid als respectievelijk folio A 1 recto en A 1 verso, gewoonlijk afgekort tot A1r, A1v. In sommige bibliografische literatuur worden recto en verso ook aangeduid met een superieur geschreven a en b. In een opening van een boek bevindt zich links altijd een verso-pagina met een even paginanummer en rechts altijd een recto-pagina met een oneven paginanummer. LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Cuddon; Hiller; Scott; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 329-330. [P.J. Verkruijsse]
redactie-1Een of meer personen die verantwoordelijk zijn voor de inhoud en samenstelling van een bundel, naslagwerk, een tijdschrift, een krant e.d. De redacteur of de leden van de redactie kiezen uit het voorhanden zijnde materiaal dat wat het meest in overeenstemming is met hun doelstelling of ze nodigen bepaalde auteurs uit om bijdragen te leveren voor de uitgave(n) waarvan zij de redactie voeren. In feite bepaalt de redactie dus het beleid van een uitgave voor zover het de inhoud betreft. Dat beleid wordt vaak verwoord in een redactionele bijdrage die, wanneer het bijv. periodieken betreft, het karakter heeft van een (literair) programma. Een goed voorbeeld daarvan vormt het ‘Ter inleiding’ van het tijdschrift Forum (jrg. 1, 1932, nr. 1) van de redacteuren Ter Braak, Du Perron en Roelants. Soms is er sprake van een redactieraad naast of boven de redactie die al dan niet bindende adviezen kan geven over het te voeren beleid, over afzonderlijke bijdragen, over de samenstelling van de redactie etc. Voorts kent men rubrieksredacteuren en gastredacteuren, die uiteraard een beperkte bevoegdheid hebben. Voor omvangrijke ondernemingen als encyclopedieën e.d. bestaat vaak een bureauredactie die meestal betaald wordt door en in opdracht werkt van een uitgever en dan ook bij de uitgeverij is ondergebracht. LIT: Baldick; BDI; Best; Brongers; Hiller; Scott; Wilpert. [G.J. van Bork]
redactie-2Term uit de editietechniek voor een variante (variant) lezing van een tekst die een andere tekstinterpretatie toelaat. In de opeenvolgende stadia van de tekstgenese kunnen verschillende redacties ontstaan, hetzij door het aanbrengen van varianten in een codex of manuscript, hetzij in de verschillende fasen van het productieproces van een boek (kopij, drukproef, uitgave, herdruk). Niet alle varianten leiden noodzakelijkerwijs tot een nieuwe redactie, bijv. het wijzigen van de ‘ae’- in de ‘aa’-spelling in een tekst. Bij middeleeuwse teksten noemt men een tekst een bewerking of een versie als hij ten opzichte van de voorbeeldtekst matig afwijkt; als de afwijkingen ingrijpend zijn, spreekt men van een omwerking of remaniement. Als een tekst in meer dan één redactie of versie bewaard is gebleven, kan de onderlinge verwantschap (recensio, filiatie) worden onderzocht en kan aan de hand van een stemma de tekst worden ge(re)construeerd die het dichtst bij het archetype of het origineel staat. Een voorbeeld van een gedicht waarvan door het aanbrengen van enkele open varianten en het toevoegen van een slotstrofe in het manuscript twee redacties ontstaan, is P.C. Hoofts ‘Chanson a Madame’ (UB Amsterdam, hs. II C 14, p. 249-250; zie P.C. Hooft. Uit Hoofts lyriek, ed. Zaalberg, 19815, p. 22-24). Vs. 29-31 en vs. 33 hebben de volgende varianten:
Samen met de toevoeging van de ‘Diego’-slotstrofe verplaatsen de varianten het gedicht vanuit de autobiografische Venetië-entourage naar de Pyreneeën. LIT: Baldick; Gorp; Metzler; MEW; A. Dees. ‘Over stambomen van handschriften’, in: FdL18 (1977), p. 63-78; M. Dekker en M. Mulder. ‘Een voorbeeld van stamboomreconstructie: Karel ende Elegast’, in: Spektator 18 (1988-1989), p. 96-118; A.M. Duinhoven. ‘Stamboomreconstructie: rekenkunde of tekststudie?’, in: Spektator 18 (1988-1989), p. 119-123; B. Salemans. ‘Varianten als bouwstenen van stemma's: een pleidooi voor eenvoud en openheid bij het opstellen van tekststambomen’, in: Wat duikers vent is dit! Opstellen voor W.M.H. Hummelen (1989), p. 319-343. [P.J. Verkruijsse]
redactiereeksEen in principe oneindige reeks werken van verschillende auteurs die onder redactie van een commissie en onder een reekstitel bij een bepaalde uitgever worden uitgegeven. In veel gevallen betreft het secundaire literatuur of tekstedities, in tegenstelling tot werken in een uitgeversreeks, waarin veelal primaire literatuur zonder redactiebegeleiding wordt uitgegeven. In de neerlandistiek komt in de reekstitel vaak het woord ‘bibliotheek’ voor (bibliotheek-2), bijv. de Bibliotheek voor Middelnederlandsche Letterkunde bij uitgeverij Wolters in 1869 opgezet onder leiding van H.E. Moltzer, later ook met o.a. Jan te Winkel, W.J.A. Jonckbloet, J. Verdam en M. de Vries in de redactie. Enkele andere redactiereeksen op het gebied van de neerlandistiek waren, respectievelijk zijn: Klassieken uit de Nederlandse letterkunde, uitgegeven in opdracht van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden (uitgeverij Tjeenk Willink); Zwolse drukken en herdrukken voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden (Tjeenk Willink); Zwolse reeks van taal- en letterkundige studies (Tjeenk Willink); Klassiek Letterkundig Pantheon (KLP; Roelants en Thieme); Synthese (Wetenschappelijke Uitgeverij); Facsimile-edities der Lage Landen (FELL; Sub Rosa); Nijhoffs Nederlandse Klassieken (Nijhoff). LIT: Regels voor de titelbeschrijving (196811), p. 31; M.B. Geers-Meulenbroek en H. Labots. ‘Klassiek letterkundig pantheon: een check-list’, in: Dokumentaal 9 (1980), p. 111-124; L. Kuitert. Het ene boek in vele delen. De uitgave van literaire series in Nederland, 1850-1900 (1993). [P.J. Verkruijsse]
redditioTerm uit de retorica voor een vorm van repetitio, nl. de herhaling van gelijke woorden aan het begin en het eind van een zin of versregel, hetzij in dezelfde, hetzij in tegengestelde volgorde, bijv. ‘Wit is de vrouw, en haar knecht is wit’ in het gedicht ‘Buurvrouw kwam thuis, en de knecht was daar’ van Hendrik de Vries (in: G. Komrij. De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten, 1979, p. 605). LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
rede, oratio of redevoeringMondelinge voordracht van een tekst door één persoon, gericht tot een bepaald publiek. In het huidige medialand hoeft dat publiek niet meer lijfelijk aanwezig te zijn, maar dat was anders in de tijd van ontstaan van het literaire genre van de redevoering, de Klassieke Oudheid. Op basis van de theorieën uit de Griekse Oudheid en van de ideeën in Cicero's De oratore onderscheidt men de pleitrede (genus iudiciale), de politieke rede (genus deliberativum) en de gelegenheidstoespraak (genus demonstrativum), waarnaast in later tijd de gewijde rede (preek; sermoen) als apart genre werd toegevoegd. In het retoricaonderwijs richtte men zich in het bijzonder op de pleitrede, omdat men vond dat ieder die zich op dit uiterst belangrijke terrein van de rechtspraak retorisch goed ontwikkeld had, zich ook op andere gebieden en in andere situaties als terzake kundig zou kunnen manifesteren, wanneer hij daar het woord zou moeten voeren. Bij de voorschriften onderscheidt men een leer van de stof (materia) en een leer van de verwerking (tractatio) van de stof. Tot de materia behoort de vraag naar de feitelijke situatie (quaestio) alsmede het punt van de geloofwaardigheid of waarschijnlijkheid, kortom: het geheel van feiten en meningen. Tot de tractatio behoren de inventio, dispositio, elocutio, memoria en pronunciatio; er is vooral tussen de eerste drie een nauwe samenhang: ze gelden voor geschreven en gesproken teksten. Vanaf de romantiek worden de voorschriften minder streng. De in zijn tijd invloedrijkste redenaar en theoreticus van de welsprekendheid, J.H. van der Palm (1763-1840), legde zich vooral toe op het goed verzorgde taalgebruik (puritas) en hij paste alle hem ten dienste staande stijlfiguren toe (ornatus). Hij streefde naar helderheid (perspicuitas), eenvoud en levendigheid, maar bezat nog niet het karakteristieke woord, de bondigheid en bewogenheid die na hem bij velen in zwang kwamen. Beziet men op dit punt de 19e eeuw dan valt er voor 1850 nog weinig verandering te bespeuren in de normatieve opstelling terzake. Men ziet dat vooral in de academische welsprekendheidsleer; de Groningse hoogleraar B.H. Lulofs (1787-1849) wordt terecht de Vossius (1577-1649) van de 19e eeuw genoemd. Volgt men de praktijk van de vorige eeuw in haar verdere ontwikkeling dan kan men zien dat er in een stuk als de rede tot de hoofden van Lebak (in Multatuli's Max Havelaar, hoofdstuk 8) een zekere tweesporigheid valt waar te nemen. Enerzijds is er nog iets van de oude retorische plechtstatigheid (vgl. ‘luisterend naar de woorden van mijn mond’ e.d.) gecombineerd met een grote hoeveelheid traditionele stijlfiguren, anderzijds doet de toespraak tamelijk modern aan door de directheid, de emotionele inslag en de inbedding in de vertelsituatie die het betoog van onderbrekingen voorziet. Men ziet hier een verschil tussen deze (geschreven) literaire vorm van iemand als Multatuli en de oorspronkelijke orale vorm van de pleitrede e.a. uit Oudheid en renaissance. Het is symptomatisch voor de romantiek dat er enerzijds een terugdringing valt waar te nemen van de invloed der retorica en dat er anderzijds een diversiteit van traditionele stijlmiddelen gehandhaafd wordt. Dit laatste blijft kenmerkend voor de rede tot in de tweede helft der 20e eeuw: zo heeft de kerkelijke preek in de laatste decenniën eigenschappen die men een combinatie zou kunnen noemen van de Van der Palm-stijl met die van Multatuli. Hetzelfde geldt voor politieke toespraken, populair-wetenschappelijke causerieën e.a., waarin men het 19e-eeuwse erfgoed variërend, uitbreidend en combinerend voortzet. In dit verband denke men ook aan een revival van de oude ‘voorlezing’ in culturele centra e.d. Varianten van de oratio zijn te vinden in de causerie, de lezing-1, de voordracht, de speech, de tafelrede en de lijkrede; soms is dat ook het geval bij de apologie en de oratio pro domo. LIT: Gorp; Knuvelder, dl. 3 (1973), p. 229-230; Lausberg; Metzler; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G.J. Vis. ‘Van Groningen tot Luik: de beginjaren van het academisch handboek voor Nederlandse letterkunde en welsprekendheid’, in: De Negentiende Eeuw 12 (1988), p. 180-204. [G.J. Vis]
redekunst zie retoricarederijkersVerzamelnaam voor zowel de actieve als de passieve leden van een rederijkerskamer, een stedelijk literair gilde dat zijn grootste bloei bereikte tussen ca. 1450 en 1570, maar tot op de dag van vandaag nog niet helemaal verdwenen is, zij het in de vorm van zich rederijkers noemende lokale toneelverenigingen. In het algemeen waren de rederijkers afkomstig uit de burgerij. Ze traden aanvankelijk vooral op om godsdienstige en andere plechtigheden meer luister bij te zetten: ze gaven vertoningen en droegen speciaal voor de gelegenheid vervaardigd werk voor en leverden de personen voor de tableaux vivants (toog). Daarvoor kregen ze van de stedelijke overheid een vergoeding, een enkele keer zelfs een jaarlijkse vaste toelage. Soms was een rederijker bij de overheid in dienst, zoals bijv. Anthonis de Roovere vanaf 1465 in Brugge. Aanvankelijk werkten de rederijkerskamers samen met kerk en geestelijkheid, later bleken veel rederijkers openlijk belangstelling en sympathie voor de hervorming te hebben. In het geval van het spel van zinne Welc den mensche stervende meesten troost es leidde dat ertoe dat de uitgave ervan in de Spelen van Gent (1539) op de lijst van verboden boeken (Index librorum prohibitorum) terechtkwam. Een rederijker die zich echter fel verzette tegen de hervorming was Anna Bijns (1493-1575), van wie veel anti-lutherse poëzie bewaard is. De genres die door de rederijkers het meest beoefend werden, zijn het toneel (rederijkerstoneel) en de poëzie (ballade-2, refrein-2, rondeel). De literatuur van de rederijkers is formeel laatmiddeleeuws met vormen en motieven die grotendeels ontleend zijn aan de ridderlijk-hoofse traditie. Matthijs de Casteleins Const van rhetoriken (1555) wordt beschouwd als de ars poëtica (poetica-1) van de rederijkers. Met name door enkele gekunstelde dichtvormen, bijv. de retrograde of kreeftdicht, heeft de dichtkunst van de rederijkers de denigrerende betiteling rederijkerij gekregen. LIT: Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Preminger; Wilpert; J.J. Mak. De rederijkers (1944); M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. ‘Bestudering en waardering van de rederijkers in de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw’, in: NTg 65 (1972), p. 460-470; E. Freyne-De Moor en A. Frits-Gelaude. ‘Lijst van verhandelingen op het gebied van de rederijkersstudie’, in: Opstellen voor A. van Elslander, spec. nr. van Jaarboek ‘De Fonteine’ 32 (1980-81), dl. 2, p. 7-28; D. Coigneau. ‘Rederijkersliteratuur’, in: M. Spies (red.). Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening (1984), p. 35-57; W.M.H. Hummelen. ‘The dramatic structure of the Dutch morality’, in: The medieval drama of the Low Countries, spec. nr. van Dutch Crossing (1984) 22 (april), p. 17-26; A. van Elslander. ‘Letterkundig leven in de Bourgondische tijd. De Rederijkers’, in: id. Terugblik (1986), p. 9-25; H. Pleij. ‘De laatmiddeleeuwse literatuur als vroeg-humanistische overtuigingskunst’, in: De Nederlandse literatuur van de late middeleeuwen (1990), p. 158-191; B.A.M. Rademakers. Spelen en figuren (1996). [H. Struik]
rederijkersballade zie ballade-2rederijkerskamer of kamer van retorikeBenaming voor een dichtgenootschap van burgers (rederijkers) in de 15e en 16e eeuw. Deze rederijkerskamers zijn ontstaan uit de kamers van retorike, verenigingen die de feesten van schuttersgilden verzorgden en die de kerk bijstonden in het organiseren van kerkelijk toneel, vastenavondspelen, ommegangen etc. Deze verenigingen waren al in de 14e eeuw ontstaan, maar pas in de 15e eeuw gaat men zich erop toeleggen poëzie en toneelwerk te vervaardigen. Men neemt aan dat rederijkerskamers oorspronkelijk een soort kerkelijke verenigingen waren, die geestelijken assisteerden bij processies en toneelvoorstellingen. Het is echter goed mogelijk dat meer wereldlijk ingestelde verenigingen die zich met toneel of literatuur bezighielden, hiervan de harde kern hebben gevormd. Dergelijke wereldlijke genootschappen bestonden al in de 12e eeuw inNoord-Frankrijk. En daar vinden we ook de eerste ‘chambres de rhétorique’. De term ‘kamer van retorike’ wordt meestal alleen gebruikt voor de voorlopers van de rederijkerskamers zoals die zich in de 15e eeuw ontwikkelden. Het onderscheid tussen deze kamers van retorike, die een nauwe band met de kerk hadden, en de rederijkerskamers, die soms nog lang een godsdienstige inslag behielden, is echter niet precies aan te geven. De inrichting van de rederijkerskamers doet denken aan die van een gilde. De leiding berustte bij dekens of overlieden. Er was ook een prins of keizer, wiens functie vergelijkbaar is met die van beschermheer tegenwoordig. De prins was het hoofd van de kamer. Hij bepaalde de stock (het refrein-2) waar de refreinen over moesten gaan en hij loofde de prijzen uit. Aan hem werd vaak de laatste strofe (prince, envoi) van een refrein opgedragen. De vaandrig en de nar waren spectaculaire figuren bij de intochten van de groots opgezette rederijkersfeesten, de zogenaamde landjuwelen, waarop kamers uit verschillende delen van de Nederlanden met elkaar wedijverden in het leveren van de beste literaire en dramatische prestaties. De factor (= maker) was als dichter-regisseur vaak niets minder dan de geestelijk leider van de vereniging. Alle rederijkerskamers hebben een wapenschild (blazoen) met een zinspreuk-2, vaak godsdienstig van karakter, bijv. de Amsterdamse kamer ‘De Eglentier’: ‘In Liefde Bloeyende’ (verwijzend naar het lijden van Christus én naar de bloei van de eglantier). De rederijkerskamers waren zeker tot het midden van de 16e eeuw elitaire gezelschappen waarvan handwerkslieden vrijwel uitgesloten waren. Er bestond in de regel een zware ballotage, terwijl aan het lidmaatschap hoge financiële verplichtingen van zowel periodieke alsook incidentele aard verbonden waren. De rederijkers onderhielden nauwe banden met de stedelijke, maar vaak ook met de landelijke overheid. De kamers werden voor hun activiteiten - het opluisteren van plechtigheden en feesten - rijkelijk gesubsidieerd door de overheid. Vanaf het begin van de 15e eeuw gaan de rederijkerskamers wedstrijden in het schrijven en spelen van toneel met elkaar aan, waaraan men op uitnodiging deelnam (haagspel, landjuweel). In 1496 organiseerde Antwerpen een rederijkersfeest, waarbij liefst 28 kamers vertegenwoordigd waren, terwijl ook het laatste, meest prachtvolle landjuweel in 1561 te Antwerpen plaatsvond. De bloei van rederijkerskamers ligt in de 15e en 16e eeuw, wanneer ze nog voornamelijk in de zuidelijke Nederlanden voorkomen. In de tweede helft van de 16e eeuw raakt de vrijheid van de kamers meer beperkt als gevolg van de godsdiensttwisten en de daaruit voortvloeiende Tachtigjarige Oorlog. Uit de zuidelijke Nederlanden gevluchte dichters richtten nieuwe rederijkerskamers op in het Noorden, die hebben bestaan tot ver in de 18e, sommige tot in 19e eeuw. De bloei van de rederijkerskamers is echter voorbij, hoewel de grotere kamers zich weten te handhaven. De Amsterdamse kamer ‘De Eglentier’ beleeft pas aan het einde van de 16e en begin 17e eeuw zijn grootste bloei; deze kamer wordt met leden als P.C. Hooft, G.A. Bredero en S. Coster het centrum van de opkomende renaissance-idealen. De dichtgenootschappen die in de 17e en 18e eeuw worden opgericht, zoals Nil Volentibus Arduum (1669), nemen voor een deel de rol van de rederijkerskamers over. Tussen 1860 en 1870 komen de zogenaamde ‘rederijkerskamers voor uiterlijke welsprekendheid’ tot grote bloei; de mondelinge voordracht van poëzie was de voornaamste doelstelling van deze genootschappen. Een enkele rederijkerskamer bestaat ook nu nog, hoewel de doelstelling en functie totaal veranderd is; een voorbeeld hiervan is de Gentse kamer De Fonteine, die zich concentreert op het onderzoek naar de rederijkersliteratuur en de resultaten daarvan jaarlijks in het Jaarboek ‘De Fonteine’laat verschijnen. LIT.: Buddingh'; Laan; MEW; P. van Duyse. De rederijkkamers in Nederland, dl. 1 (1900); J.J. Mak. De rederijkers (1944), p. 9-11; A. van Elslander. ‘Lijst van Nederlandse rederijkerskamers uit de XVe en XVIe eeuw’, in: Jaarboek ‘De Fonteine’ 18 (1968), p. 29-60; A. van Elslander. ‘Letterkundig leven in de Bourgondische tijd. De Rederijkers’, in: id. Terugblik (1986), p. 9-25; E.K. Grootes. ‘De ontwikkeling van de literaire organisatievormen tijdens de zeventiende eeuw in Noordnederland’, in: De Zeventiende Eeuw8 (1992), p. 53-65; D. Coigneau. ‘9 December 1448: Het Gentse stadsbestuur keurt de statuten van de rederijkerskamer De Fonteine goed. Literaire bedrijvigheid in stads- en gildeverband’, in: M.A. Schenkeveld-Van der Dussen (red.). Nederlandse literatuur; een geschiedenis (1993), p. 102-108; B.A.M. Rademakers. Spelen en figuren (1996). [H. Struik]
rederijkerstoneelAanduiding voor de verschillende typen toneel die door de rederijkers, dichters uit burgerlijke kring (ca. 1450-1570), zijn vervaardigd. Toneel is het door de rederijkers meest beoefende literaire genre. Al in de 15e eeuw vervaardigden ze mysterie- en mirakelspelen en moraliteiten, die ze ook zelf opvoerden. Uit het mirakelspel ontwikkelde zich het spel van zinne, het rederijkersgenre bij uitstek, dat vooral bloeide in de 16e eeuw. Er zijn ruim 200 spelen van zinne bewaard gebleven. Daarnaast behoren tot het rederijkerstoneel: het esbatement, een meestal komisch toneelstuk, dat zich heeft ontwikkeld uit de middeleeuwse klucht (klucht-1), en het tafelspel, gelegenheidstoneel dat voor een tafelend gezelschap werd opgevoerd. In tegenstelling tot de andere genres was het tafelspel niet bedoeld om in het openbaar vertoond te worden. Beroemde rederijkersstukken uit de 15e eeuw zijn de moraliteit Spieghel der salicheyt van Elckerlijc (eind 15e eeuw) en de mysteriespelen Die Eerste Bliscap van Maria en Die Sevenste Bliscap van Onser Vrouwen (ed. Beuken, 1973). LIT: Laan; MEW; W.M.H. Hummelen. Repertorium van het rederijkersdrama 1500-ca. 1620 (1968), p. 2-13; H. Pleij. ‘De sociale functie van humor en trivialiteit op het rederijkerstoneel’, in: Spektator 5 (1975-1976), p. 108-127; W.M.H. Hummelen. ‘Sporen van gebruik in handschriften van rederijkersspelen’, in: H. Heestermans (red.). Opstellen door vrienden en vakgenoten aangeboden aan Dr. C.H.A. Kruyskamp (1977), p. 108-123; W.M.H. Hummelen. ‘Types and methods of the Dutch “Rhetoricians” theater’, in: The T'harde Globe (1981), p. 164-189, 233-235, 252, 253; A. van Elslander. ‘Letterkundig leven in de Bourgondische tijd. De Rederijkers’, in: id. Terugblik (1986), p. 9-25; R.L. Erenstein (hoofdred.). Een theatergeschiedenis der Nederlanden (1996); B.A.M. Rademakers. Spelen en figuren (1996). [H. Struik]
rederijkerijDenigrerende kwalificatie van rederijkersliteratuur, waarmee men wil uitdrukken dat alle aandacht naar de gekunstelde vorm is uitgegaan in plaats van naar vorm én inhoud. Latere generaties dichters, geleerden en critici hebben zich vaak geërgerd aan de verstechnische capriolen zoals die bijv. voorkomen in acrostichon, aldicht, dobbelsteert, kreeft(ge)dicht, refrein-2 en schaakberd. Ook het veelvuldig gebruik van Bourgondische bastaardwoorden en de ongebonden lengte van de versregels wekte ergernis op. De term werd ook gebruikt voor tekstvormen uit andere perioden die een gekunstelde indruk maken. Tegenwoordig wordt het begrip rederijkerij weer in algemene, niet-negatieve zin gebruikt ter aanduiding van rederijkersliteratuur. LIT: Buddingh'; P. van Duyse. De rederijkkamers in Nederland, dl. 1 (1900); J.J. Mak. De rederijkers (1944); M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. ‘Bestudering en waardering van de rederijkers in de zeventiende en het begin van de achttiende eeuw’, in: NTg 65 (1972) 6, p. 460-470; B.A.M. Ramakers. ‘Het eeuwige leven van de rederijkerij’, in: Madoc 10 (1996), p. 277-285. [H. Struik]
redevoering zie rederedundantieTerm uit de stijlleer voor een vorm van herhaling bestaande uit het geven van niet strikt noodzakelijke uitweidingen. Redundant taalgebruik dient veelal als hulpmiddel voor de begrijpelijkheid in mondelinge en schriftelijke exposés. Redundantie kan de vorm hebben van een perifrase of amplificatio. LIT: Bergh; Best; Bronzwaer; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Lausberg; Morier; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
reduplicatio zie anadiplosisreële lezer of werkelijke lezerTerm uit de receptie-esthetica voor de persoon (of groep van personen) die zich interpreterend en evaluerend uitspreekt over een literaire tekst. De reële lezer is dus per definitie een andere persoon dan de onderzoeker, dit in tegenstelling tot het geval van de ideale lezer, waarbij de onderzoeker zelf ook lezer is. Het onderzoek naar de lezersreacties van de werkelijke lezer kan in tweeën worden verdeeld. Enerzijds is er het empirisch onderzoek naar leesreacties van levende personen die via bevraging (door enquêteringstechnieken) verkregen zijn, anderzijds het onderzoek naar onafhankelijk van de onderzoeker tot stand gekomen schriftelijke reacties van lezers uit heden en verleden op literatuur (recensies, dagboeknotities e.a.). LIT: H. Link. Rezeptionsforschung (1976); R.T. Segers. Het lezen van literatuur (1980). [G.J. Vis]
referein zie refrein-2reflexioTerm uit de retorica voor een in een dialoog gebruikte distinctio, nl. een semantisch verschil tussen het normale gebruik van een woord en een door de andere spreker herhaald nadrukkelijk en bijzonder gebruik van hetzelfde woord. De reflexio is verwant aan paronomasia, anadiplosis en polyptoton. Een geval van reflexio kan men aantreffen in G.A. Bredero's Spaenschen Brabander (1618, ed. Stutterheim, 1974, p. 158), waar het woord ‘Heer’ in een dialoog tussen Jerolimo en Robbeknol een geheel andere inhoud heeft: J: Want ons Heer heet ou verleent een goey mester an mijn. R: En ick sal jou, mijn Heer, een goede dienaar zijn. LIT: Lausberg; Scott; Ueding; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
reformatie of hervormingOnder reformatie wordt gewoonlijk verstaan de hervormingsbeweging van Maarten Luther, in gang gezet door het aanslaan van zijn 95 stellingen aan de kerk van Wiitenberg tegen de aflaathandel van de rooms-katholieke kerk op 31 oktober 1517. Eerdere hervormingsbewegingen binnen de kerk hebben minder gevolgen gehad dan die van Luther, die gesteund werd door andere factoren als staatkundige veranderingen, opkomst van de steden en de burgerij, de uitvinding van de boekdrukkunst en de vernieuwingen van renaissance en humanisme. Latere 16e-eeuwse hervormers als Zwingli en Calvijn en de dopers verzoorzaakten verdere afsplitsingen binnen de reformatie. De rooms-katholieke tegenbeweging van de Contrareformatie werd in gang gezet door het Concilie van Trente (vanaf 1545). De reformatorische ideeën drongen al snel door in de literatuur: zo ontstaat er enige consternatie rondom de rederijkersspelen te Gent in 1540 en op het landjuweel teAntwerpen van 1561. Een fel antikatholiek geschrift dat veel stof deed opwaaien, was Marnix van St. Aldegondes Byencorf der heilige Roomsche kercke (1569). Daarna wordt de literatuur tijdens de Opstand en het hervormingsproces in de Nederlanden het middel bij uitstek om over theologische onderwerpen te discussiëren. De verschillende stromingen, richtingen en sekten binnen de hervorming (zie doopsgezinde en piëtistische literatuur) getuigen van hun geloof of bestrijden elkaar in later eeuwen via poëzie (religieuze poëzie; strijdlied), proza en toneel. LIT: H.A. Enno van Gelder. The two reformations in the 16th century; a study of the religious aspects and consequences of renaissance and humanism (19642); S.B.J. Zilverberg. Geloof en geweten in de zeventiende eeuw (1971); S. Brinkkemper & I. Soepnel. Apollo en Christus (1989); M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. Nederlandse literatuur in de tijd van Rembrandt (1994), p. 50-70. [P.J. Verkruijsse]
refrein-1 of keerrijmTerm uit het grensgebied van prosodie en genreleer voor een of meer woorden of versregels (in het laatste geval een strofe vormend) die geregeld terugkeren in een gedicht. Bijv.:
Een speciale vorm van het refrein is de stock, als onderdeel van het refrein-2. LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
refrein-2 of refereinLyrisch gedicht uit de tijd van de rederijkers, niet bedoeld om gezongen te worden, vaak met een sterk didactische inslag. Het refrein lijkt in veel opzichten op de rederijkersballade (ballade-2); het gedicht heeft eveneens een repeterende sluitregel (stock) en een slotstrofe met aanhef (prince). Sterker dan de ballade is het refrein echter gebonden aan dezelfde hoeveelheid versregels per strofe, terwijl het aantal strofen gewoonlijk meer dan drie bedraagt. Het rijmschema van de strofen is doorgaans identiek. Iedere strofe wordt afgesloten door een meestal één- of tweeregelig refrein-1, dat het thema van het gedicht aangeeft: de stock. Gewoonlijk is de slotstrofe opgedragen aan het hoofd van een rederijkerskamer, de prins, en wordt dan ook prince genoemd. Soms is deze regel aan iemand anders opgedragen, bijv. de geliefde of de koningin, die dan met ‘princesse’ wordt aangesproken. Er wordt onderscheid gemaakt tussen refreinen ‘int vroede’ (religieuze en didactische stukken), ‘int zotte’ (komische stukken) en ‘int amoureuze’. Die laatste zetten nog enigszins de traditie van de hoofse minnelyriek (minnelied-1) voort. Refreinen werden vaak speciaal vervaardigd voor wedstrijden tussen rederijkerskamers (landjuweel), waarbij de stock, het rijmschema en het aantal versregels van te voren werden opgegeven. De resultaten van zulke refreinfeesten werden vaak vastgelegd in refreinbundels. Verder zijn er refreinbundels overgeleverd van Anna Bijns (ed. Pleij. 't Is al vrouwenwerk. Refreinen van Anna Bijns, 1987), Anthonis de Roovere en Jan van Styevoort. De bloeitijd van het refrein, dat als het rederijkersgenre bij uitstek wordt beschouwd, valt samen met de bloeitijd van de rederijkerskamers: de tweede helft van de 15e en de 16e eeuw. Tegen het eind van de 16e eeuw begint de belangstelling ervoor af te nemen en in de 17e eeuw wordt het refrein als veel te streng verworpen. Sinds de 19e eeuw wordt het genre weer beoefend, o.m. door Prudens van Duyse, Karel van de Woestijne en Bert Decorte. Die laatste stelde ook een bloemlezing samen van balladen en refreinen onder de titel In 't zot, in 't vroed, in 't amoureus (1970). LIT: Alphen; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Preminger; A. van Elslander. Het refrein in de Nederlanden tot 1600 (1953); D. Coigneau. Refreinen in het zotte bij de rederijkers, 3 dln. (1980-1983); A. van Elslander. ‘Letterkundig leven in de Bourgondische tijd. De Rederijkers’, in: id. Terugblik (1986), p. 9-25; A. van Elslander. ‘Refreinen “Int Amoureuze”’, in: id. Terugblik (1986), p. 27-53. [H. Struik]
refutatioTerm uit de retorica voor dat gedeelte van de argumentatio waarin de argumenten van de opponent weerlegd worden. LIT: Dupriez-2; Gorp; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
regeleindeAnders dan bij proza het geval is, wordt bij poëzie het regeleinde niet bepaald door technisch-materiële factoren zoals de beschikbare schrijf- of drukruimte op de bladzijde, maar door de lengte van het vers-1. Een eerste - visueel onmiddellijk herkenbaar - gevolg hiervan is het feit dat de lengte van de versregels aan de rechterzijde meestal ongelijk is, en dat men er dus geen rechte neerwaartse lijn in kan zien. Door een regel op een andere plaats te laten beginnen of eindigen dan bij de kantlijn (zoals bij proza gebruikelijk is) heeft de auteur een middel in handen om elementen van een tekst of tekstgedeelte te releveren. In de periode van renaissance en classicisme viel het gereleveerde tekstgedeelte van de regel als een eenheid samen met een eenheid op het niveau van de klank, geconstitueerd door metrum en rijm. Uiteraard is het eindrijm een zeer markante en opvallende vorm van relevering van vers en verseinde, zo markant dat sommige knittelverzen daaraan hun direct hoorbare eenheid ontlenen. Men denke bij voorbeeld aan regels als
Naast de mogelijkheid in het algemeen om de regel als eenheid te releveren, heeft het regeleinde een specifieke functie bij het verschijnsel van het enjambement. Deze heeft twee kanten. Daar is enerzijds het formele aspect van de doorbreking van de cadans bij geteld-metrische poëzie met eindrijm. Anderzijds valt een meer inhoudelijke kant te onderkennen, namelijk het betrekken van noties op elkaar (i.c. het laatste woord van de ene regel en het eerste woord van de direct daarop volgende regel). In de praktijk van het editeren wordt het regeleinde vaak aangegeven door middel van de Duitse komma (/) dan wel de verticale streep. LIT: Cuddon; Myers/Simms; Preminger. [G.J. Vis]
regestTerm uit de archivistiek en editietechniek voor de beknopte weergave van de inhoud van een akte-1 of brief. Een regestenlijst geeft in chronologische volgorde regesten, waarin minimaal opgenomen zijn de datum, de naam van degene van wie de akte is uitgegaan, de naam van de handelende partij en een korte beschrijving van de rechtshandeling. In brievenedities, met name die van omvangrijke correspondenties, treft men vaak van de minder interessante brieven een regest aan met datum, namen van afzender en geadresseerde en korte samenvatting van de inhoud. Oorkonden in regestvorm zijn uitgegeven door G. Brom: Regesten van oorkonden betreffende het Sticht Utrecht (2 dln., 1908). Een brieveneditie waarin sommige brieven in regestvorm weergegeven zijn, is die van G.J. Hooykaas: De briefwisseling van J.R. Thorbecke. LIT: Best; Hiller; Ned. Arch.-term.; M. Mathijsen-Verkooijen. De brieven van De Schoolmeester; documentair-kritische uitgave. Dl. 3: Verantwoording (1987), p. 31-32; G.J. Hooykaas. ‘Epistolaria’, in: Spektator 18 (1988-1989), p. 365-367; M. Mathijsen. ‘Het blozen van brievenediteurs; een reactie op G.J. Hooykaas’ ‘epistolaria’, in: Spektator 18 (1988-1989), p. 375-379. [P.J. Verkruijsse]
regieDe spelleiding bij het instuderen van een dramatisch werk om de vertoning of verklanking (hoorspel) daarvan mogelijk te maken. De regisseur geeft op grond van de toneelaanwijzingen van de auteur in hoofd- en neventekst een eigen interpretatie van de bedoelingen van het stuk door middel van de toneeltechnische vormgeving: enscenering, decor, speelwijze, kostuums, belichting, geluidseffecten e.d. Sommige auteurs speelden een rol bij de regie van hun eigen stukken. In Nederland regisseerden bijv. Herman Heijermans, Ary den Hertog en Lodewijk de Boer eigen toneelwerk. LIT: Gorp; Metzler; MEW; Wilpert; A. Winds. Geschichte der Regie (1925); H. Schwarz. Regie (1965). [G.J. van Bork]
regieaanwijzing zie toneelaanwijzingregionale literatuur zie streekliteratuurregister zie index-1register makenDrukkersterm voor het op de juiste wijze tegenover en op elkaar staan van de drukregels op recto- en verso-zijde van een blad. Om de schoon- en weerdruk goed register te laten maken, dient het formaatmaken van binnen- en buitenvorm nauwkeurig te hebben plaatsgevonden. Vervolgens is het nodig dat het vel voor de weerdruk precies op dezelfde plek wordt vastgeprikt. LIT: BDI; Feather; Hiller; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962), p. 152; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 128-129; P.M. van Cleef. Handboek ter beoefening der boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p. 140-141; C. Schook. Handboekje voor letterzetters, boekdrukkers en correctors, ed. F.A. Janssen (1981), p. 114-115; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de achttiende eeuw (19862), p. 351-352. [P.J. Verkruijsse]
registratuurplanTerm uit de archivistiek voor een ordeningsplan voor de indeling van een te vormen archief en de rangschikking van de bestanddelen daarvan. In Nederland is het in het begin van de 20e eeuw door de Zaandamse gemeentesecretaris J.A. Zaalberg ontworpen registratuurplan overgenomen door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Het op basis van de UDC vervaardigde systeem rangschikt de dossiers zaaksgewijs, niet onderwerpsgewijs, dus niet alle stukken over cultuur bij elkaar, maar bijv. alleen over de poëzieprijs van de desbetreffende gemeente. LIT: BDI; Ned. Arch.-term.; W.J. Formsma en F.C.J. Ketelaar. Gids voor de Nederlandse archieven (19813), p. 61-63. [P.J. Verkruijsse]
regressioTerm uit de retorica voor een verduidelijkende repetitio van elementen van een eerder genoemd geheel. Een voorbeeld vindt men in Jan van Houts rede ‘Tot het gezelschap’ aan de Leidse universiteit van 1575, waarin hij - ter verduidelijking van de stelling dat de massa onkundig is op het terrein van de kunstkritiek - repeterend een aantal voorbeelden aanhaalt: een redenaar, een musicus, een beeldhouwer en een dichter over wie het publiek totaal verkeerd oordeelt (Jan van Hout. Voorrede tot het gezelschap, ed. K.J.S. Bostoen, S. Gabriëls en J. Koppenol, 1993, p. 9). LIT: Best; Dupriez-1; Lausberg; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
rei-1Rei is de renaissancistische term voor koor uit de Griekse tragedie. P.C. Hooft is wellicht de eerste die in Granida (1605) de term ‘rey’ gebruikte. De rei is een groep dansende toneelspelers die gezamenlijk een onderdeel van een toneelstuk zingen of reciteren. Dat gedeelte van de tekst dat door de rei wordt gezongen (het betreft altijd lyrische gedeelten) heet vervolgens ook rei. De rei onderscheidt zich van het in de handeling betrokken koor doordat ze tussen de bedrijven door de moraliserende commentaar van de ideale toeschouwer verwoordt. In de Griekse tragedie is het koor altijd in de gebeurtenissen betrokken met óf handelingsgebonden functies (samenvatten, verslag doen, voorspellen e.d.) óf niet-handelingsgebonden functies (moralisatie, meditatie). In de klassieke tragedie van de Nederlandse renaissance valt een ontwikkeling waar te nemen van koor naar rei bij drama-auteurs als Abraham de Koning, P.C. Hooft, Samuel Coster en Joost van den Vondel. In Hoofts vroegste drama's Achilles en Polyxena en Theseus en Ariadne worden de reien koren genoemd; in het iets jongere Granida reien. In Vondels eerste tragedie Het Pascha (1610) komen zowel koren als reien voor, de eerste als anoniem ‘choor’ en moraliserend na ieder bedrijf, de tweede binnen het vierde en vijfde bedrijf als ‘Reye der Egyptenaren’ en ‘Reye der Israeliten’. Een enkele auteur gebruikt ook de term ‘zang’ of ‘tussenspraak’ in plaats van rei. In het classicistisch drama is geen plaats voor de rei omdat die zondigt tegen de regel van de waarschijnlijkheid. In later tijd zijn er nog incidenteel reien te vinden bij Bilderdijk, Boutens en Henriëtte Roland Holst. LIT: Bantel; Best; Buddingh'; Gorp; Laan; MEW; L. van Gemert. Tussen de bedrijven door? De functie van de rei in Nederlandstalig toneel 1556-1625 (1990). [P.J. Verkruijsse]
rei-2 of hovedansTerm voor een vorm van dansmuziek (vaak met blaasinstrumenten: ‘pipers’) die in de tweede helft van de 14e eeuw aan het Franse en Engelse hof in zwang kwam, maar van oorsprong uit het Maas- en Rijnland afkomstig is. Deze muziek werd ook gebruikt voor teksten die gezongen werden, meer speciaal voor balladen met refrein (virelai-balladen) die tot de minnelyriek (liefdeslied) gerekend kunnen worden. Veel van deze teksten zijn verloren gegaan omdat ze vaak snel en voor de gelegenheid vervaardigd werden en nauwelijks opgetekend zijn. Een voorbeeld van een hovedans is de virelai-ballade ‘Eyn lyedekin’ in het Haagse liederenhandschrift (Die Haager Liederhandschrift, ed. Kossmann, 1940, nr. 48, p. 64-65). LIT: Best; F. Willaert. ‘Het minnelied als danslied. Over verspreiding en functie van een balladeachtige dichtvorm in de late middeleeuwen’, in: F.P. van Oostrom e.a. (red.). De studie van de Middelnederlandse letterkunde: stand en toekomst (1989), p. 71-91; F. Willaert. ‘Minneliederen en hofdansen in de veertiende eeuw’, in: Literatuur 9 (1992), p. 8-14; F. Willaert. ‘Het zingende hof’, in: F. Willaert e.a. Een zoet akkoord. Middeleeuwse lyriek in de Lage Landen (1992), p. 109-123. [H. Struik]
reisbeschrijving zie reisverslagreisgids zie itinerariumreisverhaalLiterair subgenre dat inhoudelijk bepaald wordt door het feit dat reiservaringen en de entourage van vreemde landen en volkeren er de belangrijkste elementen van vormen. Ook wanneer het reizen gebeurt in symbolische zin, bijv. als een levensfase of als een menselijke pelgrimstocht of queeste, blijft men spreken van reisliteratuur of een reisverhaal (vgl. de Reis van Sinte Brandaen). Berust het reisverhaal op fictieve gebeurtenissen en wekt het alleen de schijn van een werkelijk ondernomen reis dan spreekt men van een imaginair reisverhaal. Betreft het een verslag van een werkelijke reis dan spreekt men van een (scheeps-)journaal of reisverslag. Tot de beroemde reisverhalen behoren o.m. Homerus' Odyssee, Vergilius' Aeneis, The pilgrim's progress (1678) van John Bunyan, L. Sterne's A sentimental journey through France and Italy (1768), Heinrich Heine's Harzreise (1826) en E.M. Forsters A passage to India (1924). Uit deze voorbeelden blijkt al min of meer dat er een grote variëteit bestaat aan reisverhalen. Die diversiteit beweegt zich tussen twee uitersten. Enerzijds de fictieve reisverhalen waarin het uiteindelijk niet gaat om het reizen zelf, maar om symbolische, educatieve, satirische of moralistische doeleinden. Anderzijds reisverhalen waarin een werkelijk door de auteur of het opgevoerde personage ondernomen reis uitgangspunt is en waarin soms gestreefd wordt naar een literaire vormgeving van het verslag van die reis, en soms het reisverslag als zodanig vanwege de taal of vormgeving tot de literatuur gerekend wordt. Voorbeelden van het eerste type zijn Swifts Gulliver's travels (1726) of Reize door het Aapenland (1788) van J.A. Schasz. Een voorbeeld van het laatste type is Bontekoes Journaal ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe van de Oost-Indische reyse (1646). Moderne voorbeelden van Nederlandse reisverhalen zijn Een voetreis naar Rome (1946) van Bertus Aafjes en Voorbije passages (1981) van Cees Nooteboom. LIT: BDI; Best; Cuddon; Gorp; Hiller; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; M. Link. Das Reisebericht als literarische Kunstform von Goethe bis Heine (1963); K. Jonckheere. ‘Auteurs op reis’, in: Snoecks 72 48 (1971), p. 259-279; K. Snoek. ‘Lijst van reisverhalen 1834-1844’, in: Documentatieblad Werkgroep 19e Eeuw 2 (1978), p. 105-117; P.H. Pott. ‘De Nederlander en de vreemde medemens in de 18e eeuw’, in: Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw (1979-1980), p. 17-32. [G.J. van Bork]
reisverslag of reisbeschrijvingVerslag (egodocument) van een al dan niet werkelijk ondernomen reis waarin op een zo natuurgetrouw mogelijke manier een beschrijving wordt gegeven van de wederwaardigheden van de reiziger, de bezochte landen, plaatsen en volkeren. Het reisverslag kan de vorm hebben van een itinerarium of een journaal, maar ook van een reportage, roman of gedicht. Het reisverslag is niet altijd duidelijk te onderscheiden van het reisverhaal of van het imaginaire reisverhaal, omdat sommige reisverslagen de indruk wekken gebaseerd te zijn op een werkelijk gemaakte reis, terwijl ze in feite niet bestaande landen en volkeren beschrijven. Soms ook worden werkelijkheid en fantasie met elkaar vermengd (vgl. De reis van Jan van Mandeville, 1357). De oudste reisverslagen zijn reisbeschrijvingen van pelgrimstochten, vooral die naar bijv. Jeruzalem. Beroemde reisbeschrijvingen zijn die van Marco Polo en Columbus. Nederlandse voorbeelden zijn de reisjournalen van Jan Huygen van Linschoten, de zgn. Itinerario (1579-1592) en Olivier van Noorts De reis om de wereld (1598-1601). Veel reisverslagen uit de 16e tot 18e eeuw betreffen educatiereizen (grand tour). Latere voorbeelden van reisverslagen zijn Goethes Italienische Reise (1816-1817), Byrons Childe Harolds Pilgrimage (1812-1818) en Heines Reisebilder (1826-1831). In Nederland o.m. Louis Couperus in Reisimpressies (1894), de brieven van G.K. van het Reve in Op weg naar het einde (1963) en Nader tot U (1966), en A. Kossmann in Reislust (1963). LIT: Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Ned. Arch.-term.; Wilpert; J.N. Jacobsen Jensen. Reizigers te Amsterdam (1919); R. Lindeman, Y. Scherf en R.M. Dekker. Reisverslagen van Noord-Nederlanders van de zestiende tot begin negentiende eeuw; een chronologische lijst (1994); thema-nr. Reizen van Opossum, tijdschrift voor historische en kunstwetenschappen 4 (1994), nr. 13/14. [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse]
rekest, request of requisitieTerm uit de archivistiek voor een verzoekschrift aan een met gezag bekleed persoon of instelling. Rekesten werden gewoonlijk via een notaris in de juiste vorm gegoten. Zo kan men in de notariële archieven tal van verzoekschriften van boekverkopers aantreffen die privilege aanvragen voor door hen uit te geven boeken. Bijv.: Op 13 juli 1661 vraagt de Amsterdamse graveur Jacobus van Meurs via de notaris octrooi voor zijn uitgave Afbeelding van 't oude Romen en Afbeeldinge van 't nieu Romen aan de Staten van Holland: Geeft met aller behoorlijcker eerbiedinge te kennen, Iacobus van Meurs plaetsnijder binnen Amsterdam, U Edele Grootmogende ootmoedige Suppliant, hoe dat hij heeft bij den anderen compleet gesoght ende verkregen, oock doen drucken de beschrijvinge ende verhandelinge van out ende nieut Romen [...] LIT: Ned. Arch.-term. [P.J. Verkruijsse]
relatio zie anaforareligieuze poëzieVerzamelnaam voor alle poëzie die een religieus, godsdienstig karakter heeft, veelal kerkelijk gebonden. Voor de Middeleeuwen spreekt men doorgaans van geestelijke lyriek. Daaronder valt in die periode een aantal subgenres, zoals het Marialied, het kerstlied, het devotielied, de schriftuurlijke liedekens en de souterliedekens. Ook de mystieke poëzie, zoals veel strofische gedichten van Hadewijch, valt onder deze noemer. De renaissance heeft veel protestants-christelijke poëzie opgeleverd en ook in de 19e eeuw werd veel religieuze poëzie geschreven. Op muziek gezet fungeert menig religieus gedicht als kerklied. In 1819 schreef bijv. A.C.W. Staring een reeks Kerkgezangen bij het feest van Jezus' geboorte, Jezus' opstanding en Jezus' hemelvaart (Gedichten, ed. Beets, 1861, p. 303-317). Veel 19e-eeuwse teksten worden ook nu nog gebruikt blijkens het Liedboek voor de kerken (1973), zoals bijv. ‘Daar is uit 's werelds duistere wolken’ van N. Beets, op muziek gezet door J.G. Bastiaans. Ook teksten van J.P. Heije en J.J.L. ten Katekomen in deze gezangbundel voor. In de 20e eeuw schreef H. Oosterhuis Dertig liederen voor een Nederlandse liturgie (1964) die door Bernhard Huijbers getoonzet werden. Religieuze poëzie komt voor in het oratorium en in de passie. Afhankelijk van de inhoud kan men deze poëzie ook aantreffen in genres als de cantate, de hymne, de ode, het kerstlied, de spiritual en de spreuk-3. LIT: Bantel; Laan; Preminger; Wilpert; M. van der Plas (red.). Religieuze poëzie der Nederlanden (1959); G. Puchinger. Christen en kunst (1971); A. van Wilderode (red.). En het woord was bij God - Vijfhonderd religieuze gedichten uit de Nederlandse letterkunde (1979); H. Oosterhuis. ‘Wat is religieuze poëzie?’, in: Werkschrift: uitgave van de Stichting Leerhuis en Liturgie5 (1984-85), 2-3, p. 61-64; M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. Nederlandse literatuur in de tijd van Rembrandt (1994), p. 50-70. [G.J. Vis/G.J. van Bork]
remaniement zie omwerkingrenaissanceRenaissance wordt als algemene term gehanteerd voor een opbloei, een ‘wedergeboorte’ of ‘Gouden Eeuw’, van verschijnselen of ideeën op enigerlei terrein na een periode van (vermeend) verval. Zo spreekt men van de renaissance der natuurwetenschappen, de renaissance der beeldhouwkunst, de Karolingische renaissance enz. Het wederopbloei-idee in het 15e-eeuwse Italië was gebaseerd op de toenmalige overtuiging dat er in de oertijd ook zo'n Gouden Eeuw bestaan had. Meer specifiek gebruikt, is renaissance de aanduiding voor een stroming in de West-Europese cultuurgeschiedenis die ook als periodebegrip (periode-1) is gaan fungeren en die - met allerlei nationale varianten sinds het ontstaan in Italië tot de laatste bloei in deNederlanden - begrensd wordt tussen de 13e en 18e eeuw. Het periodebegrip is als vakterm in gebruik na publicatie van het standaardwerk van Jacob Burckhardt, Die Kultur der Renaissance in Italien (1860), waarin hij sterk de nadruk legde op de door de Italiaanse renaissancisten zelf geponeerde interne samenhang van de renaissance. Dit stringente periodebegrip is in de 20e eeuw afgezwakt: diverse ‘typisch renaissancistische’ kenmerken worden nu meer gezien als afzonderlijke ontwikkelingen die vanuit de Middeleeuwen doorlopen. In zijn algemeenheid is de renaissance dan de periode waarin een nieuwe tijd zich profileert ten opzichte van de eraan voorafgaande Middeleeuwen door diepgaande structurele veranderingen op politiek (vorming van nieuwe staten, val van Constantinopel in 1453), economisch (ontdekkingsreizen, opkomst van de handel en het geldwezen) en sociaal (opkomst van de steden en de burgerij) terrein en op het gebied van kunsten en wetenschappen waar aanvankelijk de vernieuwing aangeduid wordt met de term humanisme. Het eerst ontstaat dit nieuwe concept (universeler, rationeler, individueler, anthropocentrischer dan dat van ‘de’ Middeleeuwen) in Italië in de 13e eeuw waar Dante in taalkundig opzicht de literaire renaissance inluidt met zijn ideeën over een beschaafde nationale taal als tegenhanger van het klassiek Latijn op het moment dat in de Nederlanden Jacob van Maerlant zijn ideeën op middeleeuwse wijze vormgeeft. De renaissancistische opvattingen verbreiden zich vooral na de uitvinding van de boekdrukkunst in snel tempo naar Spanje, dat nauwe politieke relaties had metNoord-Italië, naar Portugal, Frankrijk, deNederlanden en Engeland. De literaire nationale varianten hebben in de literatuurgeschiedenis ook aparte benamingen gekregen. In Italië onderscheidt men de stroming van het petrarkisme die vanaf midden 14e eeuw een grote invloed gaat uitoefenen op de literatuur inWest-Europa. In de 15e eeuw ontstaan in Italië twee stromingen, een filosofische, aangeduid als neoplatonisme, die christendom en platonisme tracht te verenigen, en een maniëristische (maniërisme) stroming waaronder later in Italië het marinisme gerangschikt kan worden en die in Spanje aangeduid wordt met gongorisme, inFrankrijk met préciosité, in Engeland met euphuism en inDuitsland met Schwulst. De situatie wordt extra gecompliceerd doordat vanaf ongeveer 1520 de reformatie in bepaalde gebieden van Europa invloed gaat uitoefenen tegelijk met het doordringen van de renaissance én doordat vanaf de tweede zitting (1551-1552) van het Concilie van Trente (1545-1563) de Contrareformatie op gang komt, welke laatste beweging in verband gebracht wordt met de barok. Deze factoren hebben wellicht tot gevolg gehad dat Duitsland de renaissance als het ware heeft ‘overgeslagen’. In de noordelijke Nederlanden vindt het humanisme een goede voedingsbodem in de beweging van de Moderne Devotie: eind 15e eeuw vallen de filologische, Latijntalige activiteiten van o.a. Erasmus. In het Zuiden is omstreeks 1500 een typografische renaissance te onderscheiden door toedoen van Dirk Martens en Joannes Grapheus die daar de romeinse en cursieve drukletter introduceren ter vervanging van de ‘middeleeuwse’ gotische letter. De renaissance in de schilder- en tekenkunst kan gesitueerd worden vanaf 1520 ( Quinten Matsijs, Pieter Coecke van Aalst; Jan van Scorel, Maarten van Heemskerck) en die in de architectuur en wetenschap vanaf ongeveer 1540 (de eerste Nederlandse Vitruvius-editie verscheen in 1539; Gemma Frisius; Mercator). In literair opzicht laat men de Nederlandse renaissance vaak beginnen in 1567, het jaar waarin de eerste echt-renaissancistische poëziebundel ontstond: Jan vander Noots Het Bosken. De Nederlandse renaissanceliteratuur staat door de aanwezigheid van het Franstalige Bourgondische hof te Brussel sterk onder invloed van de Franse Pléiade-beweging die de moraalfilosofie van het humanisme gecombineerd had met de schoonheidsidealen van het neoplatonisme en de vormen van het petrarkisme. Kenmerkend voor de renaissanceliteratuur is het teruggrijpen op klassieke teksten: in formeel opzicht het hernieuwde gebruik van de klassieke genres als tragedie, blijspel, epos, ode en epigram, bepaalde stijlfiguren (woord- en zinsfiguren) en van de klassieke versmaten als de jambe. Inhoudelijke kenmerken zijn vormen van beeldspraak (gedachtefiguren) en motieven uit de Klassieke Oudheid (mythologie en geschiedenis). Naarmate de renaissance zich verbreidt, worden ook elementen en genres van de voorgaande nationale renaissancistische bewegingen overgenomen, zoals het petrarkisme in de Pléiade en vervolgens Pléiade-elementen in de Nederlandse en Engelse renaissance, of zoals de emblematiek, die met name in de Nederlanden tot grote bloei komt. Zestiende-eeuwse Zuid-Nederlandse rederijkers die klassieke elementen verwerken, zijn o.a. Jan Baptist Houwaert en Lucas de Heere. Met de reeds genoemde Jan vander Noot breekt de renaissance echt door, echter niet in het Zuiden dat door de politieke ontwikkelingen van de Tachtigjarige Oorlog onder Spaanse invloed blijft. De nieuwe ontwikkelingen zetten door in humanistisch-universitaire kring in Leiden waar Jan van der Does en Jan van Hout actief zijn, inHaarlem waar zich een schilders-dichterskring rond Karel van Mander heeft geformeerd en vooral in Amsterdam waar zich vanuit Haarlem ook Van Mander en Coornhert vestigen. Binnen de Amsterdamse rederijkerskamers De Eglantier en de Brabantse kamer Het Wit Lavendel voltrekt zich de literaire vernieuwing die leidt tot de productie van bijvoorbeeld de komedies van G.A. Bredero, de tragedies van Samuel Coster, P.C. Hooft en J. van den Vondel, de petrarkistische liefdespoëzie van Hooft, de emblemata van J. Cats, het geschiedkundig proza van P.C. Hooft. In de tweede helft van de 17e eeuw krijgen ook hier de strakke opvattingen van het Frans-classicisme de overhand. De oprichting van het Kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum in 1669 wordt beschouwd als het einde van de Nederlandse renaissance. LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Knuvelder, dl. 1 (1970), p. 313-351, 514-519; dl. 2, (1971), p. 1-76; Krywalski; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J. Burckhardt. De cultuur der Renaissance in Italië (1860; Nederl. vert. 2 dln. Prisma, 1960); A.G. van Hamel. Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over litteratuur in Nederland (1918); H. Baeyens. Begrip en probleem van de Renaissance (1952); P.O. Kristeller. Renaissance thought (2 dln., 1955-1965); J. Huizinga. Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw (19633); J.A. Mazzeo. Renaissance and revolution; the remaking of European thought (1965); H. Levin. The myth of the Golden Age in the Renaissance (1969); L.W. Spitz. The Renaissance and Reformation movements (1971); J.L. Price. Nederlandse cultuur in de gouden eeuw (1976); M. Spies. Des mensen op- en nedergang; literatuur en leven in de noordelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw (1985); H.D.L. Vervliet. ‘Humanisme en typografie: de introductie van de romein en cursief in de Nederlanden (1483-ca. 1540)’, in: Boek, bibliotheek en geesteswetenschappen; opstellen door vrienden en collega's van dr. C. Reedijk geschreven t.g.v. zijn aftreden als bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage (1986), p. 316-330; De smaak van de elite; Amsterdam in de eeuw van de beeldenstorm, [tentoonstellingscatalogus Amsterdams Historisch Museum] o.r.v. R. Kistemaker en M. Jonker (1986); E.K. Grootes. Het literaire leven in de zeventiende eeuw (19882); P. Burke. De Renaissance (19902); M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. Nederlandse literatuur in de tijd van Rembrandt (1994); H.M. Beliën, A.Th. van Deursen en G.J. van Setten (red.). Gestalten van de Gouden Eeuw; een Hollands groepsportret (1995). [P.J. Verkruijsse]
repertoireOpgave van de stukken of nummers die door een uitvoerend kunstenaar of door een (toneel)gezelschap voor het publiek kunnen worden uitgevoerd. Meestal beperkt men het repertoire tot de reeks uitvoeringen of opvoeringen die voor één seizoen op het programma staan bij een bepaald (toneel)gezelschap of bij een bepaald theater. Van sommige stukken zegt men dat ze ‘repertoire houden’, waarmee men bedoelt dat ze regelmatig worden opgevoerd omdat er steeds weer belangstelling voor blijkt te bestaan. LIT: Gorp; J.R. Taylor. A dictionary of the theatre (19755). [G.J. van Bork]
repertoriumTerm uit de bibliografie voor een bibliografisch naslagwerk voor een bepaald wetenschapsgebied of met betrekking tot een bepaald onderwerp, bijv. B. Besamusca. Repertorium van de Middelnederlandse Karelepiek (1983), id. Repertorium van de Middelnederlandse Arturepiek (1985), en uit de archivistiek voor een index met analyses van de teksten waarnaar wordt verwezen. Toch wordt in de archiefwereld de term repertorium ook wel in de eerste betekenis gebruikt, bijv. voor W.J. Formsma en B. van 't Hoff, Repertorium van inventarissen van Nederlandse archieven (19652) en E.A. van Beresteyn, Genealogisch repertorium (nieuwe uitg. 1972). Van belang voor de neerlandistiek zijn o.a. het Repertorium van het rederijkersdrama (1968) van W.M.H. Hummelen, het Repertorium van het ernstige drama in de Nederlanden 1600-1650 (1983) van H. Meeus, het Repertorium doctoraalscripties 1981-1985: neerlandistiek en kunstgeschiedenis (1988), het Repertorium van het oude boekenbezit in België (1989) en het Repertorium van de Middelnederlandse artes-literatuur van R. Jansen-Sieben (1989). LIT.: BDI; Best; Brongers; Hiller; Laan; Metzler; Ned. Arch.-term; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
repetitioStijlfiguur die berust op het principe van de herhaling en die, evenals het parallellisme, een van de meest voorkomende herhalingsfiguren in onze letterkunde is. De repetitio berust op herhaling van de woordvorm en is daarmee in feite meestal identiek met rime riche of gelijk rijm. Bijv.:
Dit voorbeeld bevat zelfs een meerledige repetitio, en tevens laat het zien hoe een repetitio kan zijn ingebed in een parallellisme door de syntactische herhaling van het subject (‘De stenen’) en de bepaling (‘uit’). De repetitio kent allerlei verschijningsvormen: anafora, iteratio, ploce, epanalepsis. Ook battologie en dittografie kunnen hierbij genoemd worden. Het cyclisch gedicht bestaat bij de gratie van de repetitio. De stijlfiguur kan de vorm hebben van een chiasme. Zij speelt een specifieke rol in de climax-1. LIT: Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Herman/Vervaeck; Lausberg; LdMA; Lodewick; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
reportageMondeling, schriftelijk of beeldverslag door een verslaggever, auteur of filmer van een bepaalde gebeurtenis of situatie waarbij hij in persoon aanwezig is of is geweest. Terwille van de waarheid zal de verslaggever de indruk willen wekken het waargenomene zo feitelijk mogelijk weer te geven, wat niet wegneemt dat het hem vrij staat zijn subjectieve commentaar daaraan toe te voegen. Geen verslaggever ontkomt bij een voetbalwedstrijd aan het vermelden van de doelpunten, maar de wijze waarop ze gemaakt zijn en zijn commentaar erop zal o.m. bepaald worden door de kant waar ze vallen. In feite berust de reportage dan ook op waarneming, interpretatie daarvan, kritische reactie en verwoording van die drie elementen. Een literaire vorm van de reportage is de reportageroman, maar ook in experimenteel proza wordt wel gebruik gemaakt van de reportage. Een speciale vorm van de reportage vormt het reisverslag. Veel literatoren hebben reportages geschreven. Het maandblad Avenue heeft bijv. verschillende auteurs ingeschakeld voor het schrijven van reportages over landen of gebeurtenissen die zij bezocht, respectievelijk bijgewoond hebben ( C. Nooteboom, H. Mulisch, R. Rubinstein e.a.). Bekend zijn ook de reportages van Godfried Bomans en Jan Wolkers van hun verblijf opRottumerplaat. LIT: Bantel; Best; Gorp; Hiller; Metzler; MEW; Scott; Wilpert. [G.J. van Bork]
reportageromanRoman waarin op een zo feitelijk en zakelijk mogelijke manier gebeurtenissen, situaties of ontwikkelingen worden beschreven door een auteur die zich daarbij opstelt alsof hij een verslaggever is. De realistische weergave, de vaak vergaande vermelding van feitelijke gegevens (maten, getallen, tijden etc.), het gebruik van journalistiek proza en soms ook telegramstijl wekken de indruk van een hoge mate van objectiviteit. Daarnaast worden procédés toegepast die aan de film ontleend zijn, zoals simultaneïteit en scenische presentatie. De meeste reportageromans werden in Nederland geschreven tussen 1930 en 1940. Daarbij blijkt vooral Ilja Ehrenburgs roman 10PK. Das Leben der Autos (1930) van grote invloed geweest te zijn. Nederlandse voorbeelden zijn 8.100.000 M3 zand (1932) en Gelakte hersens (1934) van M. Revis, Stad (1932) van B. Stroman, Zuiderzee (1934) van Jef Last. Deze reportageromans worden tot de nieuwe zakelijkheid gerekend. LIT: H. Marsman. ‘De aesthetiek der reporters’, in: Verzameld Werk (1960), p. 403-410; H. Anten. Van realisme naar zakelijkheid (1982), p. 88-121. [G.J. van Bork]
representant of lettre d'attenteBegrip uit de codicologie voor een klein loodslettertje in de marge van een tekst, waarmee de kopiist aangaf dat er op de opengelaten plaats door de rubricator nog paragraaftekens of andere tekststructurerende elementen moesten worden aangebracht. In luxueuze middeleeuwse handschriften behoorde het niet tot de taak van de kopiist de gekleurde initialen, lombarden en paragraaftekens neer te zetten, maar werd dat door de rubricator gedaan. Om deze in staat te stellen de juiste letter in te vullen, zette de kopiist bij wijze van representant een klein lettertje in de marge vóór de plaats (of op de plaats zelf) waar de uiteindelijke letter moest komen. Ook rubrieken (rubricatie) werden op deze manier aangegeven. Vaak gebruikte men voor representanten een ander schrift (bijv. littera cursiva) en veel afkortingen (abbreviaturen). Een paragraafteken werd gerepresenteerd door twee puntjes of twee schuine evenwijdige streepjes. Representanten waren bedoeld om later te worden verwijderd, hetzij door middel van rasuur, hetzij door wegsnijden bij het binden. Als een representant in de vouw van een blad wordt aangetroffen, is het een aanwijzing dat de codex op ongevouwen bladen is geschreven. Juist deze kleine aantekeningen die weggehaald hadden moeten worden, kunnen ons veel leren over de manier van werken in een scriptorium. De gewoonte om initialen en lombarden te representeren werd overgenomen door de eerste boekdrukkers (incunabel). LIT.: W. Kuiper. ‘Lombarden, pragraaf- en semiparagraaftekens in Middelnederlandse epische teksten’, in: Spektator 10 (1980-1981), p. 50-85; J.M.M. Hermans en G.C. Huisman. De descriptione codicum (19813), p. 39; D. Hogenelst & F. van Oostrom. Handgeschreven wereld (1995), p. 32-34. [H. Struik]
reprint of anasta(l)tische uitgaveTerm uit de editietechniek (teksteditie) voor het door een uitgever fotografisch reproduceren van een eerder verschenen druk, gewoonlijk zonder (nieuwe) inleiding of verantwoording door een editeur. Reprint moet dus duidelijk onderscheiden worden van herdruk, waarvoor nieuw zetsel vervaardigd moet worden; een reprint is in principe een nieuwe oplage. Deze vorm van de facsimile-editie is snel en goedkoop en wordt toegepast op zowel primaire als secundaire literatuur. De grote hoeveelheid reprints, met name in de decennia 1960 en 1970, van vooral complete tijdschriften, naslagwerken en zeldzame primaire teksten valt toe te schrijven aan het oprichten van tal van nieuwe bibliotheken en de indertijd toenemende studentenaantallen. Reeds in het midden van de 19e eeuw bestond een geheel ander anastatisch procédé waarbij de gedrukte tekst van zijn oorspronkelijke drager via een chemisch proces overgebracht werd op een metalen plaat, hetgeen meestal beschadiging van het origineel tot gevolg had. Ten behoeve van de neerlandistiek zijn tal van reprints op de markt gebracht, zoals alle embleembundels van Jan Luyken in 1977, de Kleine gedichten voor kinderen van Van Alphen (1973) of de 2e druk van het zevendelige handboek De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde (1922-1927) van J. te Winkel in 1973. De serie met de dus in principe onjuiste naam Utrechtse Herdrukken van HES Publishers bracht reprints van o.a. R. Jacobsens studie over Karel van Mander, van W. Drops Verbeelding en historie en van A.G. van Hamels Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over litteratuur in Nederland. LIT: BDI; Best; Brongers; Hiller; MEW; E. Cockx-Indestege en C. Lemaire. Handschriften en oude druk |