S
saffische ode zie sapfische odesaffische strofe zie sapfische strofesagaOorspronkelijk Oudijslands prozaverhaal, meestal anoniem, en te beschouwen als historie én fictie. De saga ontstond op instigatie van de kerk, die het volk van ijdele vermaken als dansen en sterke verhalen vertellen wilde afhouden, en in plaats daarvan meer verantwoord materiaal aanbood. De oudste saga's gaan over de kolonisatie van IJsland (Landnámábok), de lotgevallen van de oudste bewoners en hun onderlinge familierelaties. Maar al snel breidde het genre zich uit tot de biografieën van vorsten (Heimskringla), reisverhalen (Vinland saga), fictie en vermaak. De bloeitijd van de saga ligt tussen 1230 en 1280. Hoogtepunten uit die tijd zijn de Egils saga, Laxdaela saga en Njals saga, in welke teksten de bloedwraak een belangrijk thema is. Wat dichter bij het Middelnederlands liggen de Oudnoorse saga's, vertalingen van epische stof, zoals Alexanders saga en Karelmagnus saga. Tegenwoordig wordt saga gebruikt om daarmee de familieroman die zich uitstrekt over meer generaties te kenschetsen, zoals bijv. John Galsworthy's Forsyte Saga. LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; J. de Vries. ‘Oudgermaanse letterkunde’, in: Algemene literatuurgeschiedenis, dl. 2 (z.j.), p. 3-42; H. Borelius. Die nordische Literatur (1961); P. Vermeyden (vert.). De Saga van Erik de Rode en andere IJslandse saga's over reizen naar Groenland en Vinland (1980); J. Tucker (red.). Sagas of the Icelanders: a book of essays (1989). [H. Struik]
sageOvergeleverd (volks)verhaal, gebaseerd op een historische gebeurtenis. In tegenstelling tot de mythe heeft de sage geen religieuze achtergrond. Veel sagen zijn gegroepeerd rond koningen en helden als Alexander de Grote, Karel de Grote en Barbarossa, of houden zich bezig met afwijkende typen als Blauwbaard en Faust. Aan de helden worden meestal bovenmenselijke eigenschappen toegedicht. Bekend zijn de Nibelungensagen en de verhalen rond de Zwaanridder. Sagen zijn zowel voor het godsdiensthistorisch als voor het psychoanalytisch onderzoek interessant materiaal: vergelijkende studie kan steeds terugkerende motieven aan het licht brengen. Psychoanalytici menen in de sagen verhulde wensvervullingen van menselijke driften te zien. Een uitvoerige inventarisatie van de Nederlandse sagen, legenden, sprookjes, mythen enz. is gemaakt door J.W.R. Sinninghe; deze is ondergebracht bij het Provinciaal Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen in 's-Hertogenbosch. De kennelijke neerslag van deze inventarisatie wordt door volkskundigen overigens als achterhaald beschouwd. LIT: Bantel; Best; Brongers; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; K. Wehrhan. Die Sage (1908); J.W.R. Sinninghe. Katalog der niederländischen Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und Legendenvarianten (1943); L. Schmidt. Die Volkserzählung (1963); W. Peuckert (red.). Sagen und ihre Deutung (1965); L. Röhrich. Sagen (1966); A. Jolles. Einfache Formen (19684); T. Dekker, J, van der Kooi en Th. Meder (red.). Van Aladdin tot Zwaan kleef aan. Lexicon van sprookjes: ontstaan, ontwikkeling, variaties (1997). [H. Struik]
salonVerschijningsvorm van het sociaal-literaire leven in Frankrijk in de 17e en 18e eeuw. Vanuit een behoefte aan verzet van de ‘stad’ tegen het ‘hof’ hebben de initiatiefneemsters - het waren bijna altijd gastvrouwen en zelden gastheren - de Italiaanse hofvoorbeelden voor ogen gehad. Kenmerkend voor de literaire salon is de regelmatige bijeenkomst, vaak op een vaste dag in de week, met conversatie over literatuur, kunst en filosofie. Er heerst gelijkheid der seksen. Ook is er in principe gelijkheid van standen, al leidt dit niet tot democratie. Vriendschap onder de deelnemers is voorwaarde. De gastvrouw staat boven de deelnemers en is dikwijls het voorwerp van hun lofprijzingen. Een belangrijke attractie is de beoefening van kunst en spel - woordspel, kaartspel, muziek, amateurtoneel, improvisatie, voorlezen uit eigen werk - waarbij men in de loop van de 18e eeuw wetenschappelijke, filosofische en godsdienstige onderwerpen steeds minder uit de weg gaat. Bekende salons in Frankrijk zijn die van Mme de Scudéry, Mme de Sévigné en Mme de Staël. In Nederland zou de Muiderkring genoemd kunnen worden als voorbeeld van een salon. Aangezien op dergelijke bijeenkomsten in de 18e eeuw in Nederland het vrouwelijk element ontbrak, kan men hooguit spreken van salonachtige clubs in die periode, met name in enkele regentenhuishoudens, zoals dat van het Heemsteedse buiten van Cornelis van Lennep. Naast de rederijkerskamers zijn de salons van invloed geweest op het ontstaan van de dichtgenootschappen en andere sociaal-culturele gezelschappen in de 18e en 19e eeuw. LIT: Baldick; Best; Cuddon; Metzler; MEW; Wilpert; M. Magendie. La politesse mondaine et les théories de l'honnêteté, en France, au XVIIe siècle, de 1600 à 1660 (2 dln., 1925); H. Zwager. Waarover spraken zij (1968); W. van den Berg. ‘Sociabiliteit, genootschappelijkheid en de orale cultuur’, in: M. Spies (red.). Historische letterkunde (1984), p. 151-170. [G.J. Vis]
samengestelde structuurAanduiding voor een vertelstructuur van een tekst die gericht blijkt te zijn op meer dan één thema, of verschillende ‘verhaaldraden’ (Drop) blijkt te bezitten die met elkaar verstrengeld worden. Ook bij verschil in belang van deze verhaaldraden (‘hoofd-’ en ‘nevendraden’) blijft men van een samengestelde structuur spreken, maar lang niet altijd valt goed uit te maken of men met een enkelvoudige of een samengestelde structuur van doen heeft. Een duidelijk voorbeeld van een roman met een samengestelde structuur is Multatuli's Max Havelaar (1860). LIT: Bergh; Drop. [G.J. van Bork]
samenspraak zie dialoogsamenvattende presentatie zie tijdverdichtingsapfische ode of saffische odeAanduiding voor een ode van het type zoals oorspronkelijk geschreven door de Griekse dichteres Sapfo (7e-6e eeuw v.Chr.). Deze ode is opgebouwd uit vierregelige strofen. Men onderscheidt twee hoofdvormen, de zogenaamde eerste sapfische strofe en de tweede sapfische strofe. Reeds in de Oudheid volgde menig dichter dit model, o.a. Horatius (Horatiaanse ode). Nederlandse vertalingen zijn van Jan van der Noot, D.J. van Lennep, M. Siegenbeek en W. Bilderdijken van later tijd o.a. van J.D. Meerwaldt (in het tijdschrift Centaur 1, 1946, aug.-sept.) en W.E.J. Kuiper (in het tijdschrift Hermeneus 22, 1950-1951, p. 123-137). Dichterlijke bewerkingen van sapfische oden zijn o.a. geschreven door Kloos, Boutens en Bloem. LIT: Boven/Dorleijn; Cuddon; MEW; Preminger; Shipley; S. Kolsteren. ‘Sappho in de negentiende eeuw’, in: Hermeneus 53 (1981), p. 249-269; M. Giebel. Sappho (1993), p. 78-81, 155-165; M. Peereboom (red.). Fragment 31. Vertalingen van fragment 31 van Sappho (1995). [G.J. Vis]
sapfische strofe of saffische strofeVierregelige strofe in een vorm zoals die oorspronkelijk voorkwam in de sapfische ode uit de Griekse Oudheid. De strofe kende twee typen. Het meest voorkomende is dat van de z.g. eerste sapfische strofe. De verzen 1 tot en met 3 volgen het patroon van de elfsyllabige sapphicus minor (-v/--/-//vv/-v/-v). De vierde regel is een adonius versus in de vorm van dactylus plus trochee (-vv/-v). De tweede sapfische strofe heeft een ingewikkelder patroon, globaal gekenmerkt door een eerste en derde regel van zeven syllaben, en een vierde regel van vijftien syllaben. Enkele Nederlandse dichters hebben zich op de sapfische strofe geïnspireerd. Zo eindigt Kloos zijn gedicht ‘Sappho’ met een vierregelige strofe, waarvan de eerste en de derde regel een verlengde sapphicus minor te zien geven, terwijl vs. 2 en vs. 4 een variatie vormen op de korte regels uit de tweede sapfische stofe:
Boutens hield zich wat strenger aan de regels, zoals blijkt uit de eerste strofe van zijn ‘Gebed aan Afrodita’ (Oden en fragmenten van Sapfo), waarin hij nauwkeurig het schema volgt van de eerste sapfische strofe:
Ook Nijhoff doet dit in zijn ‘Morgengebed’, met de ondertitel ‘Sapphische strophen’, waarvan de eerste strofe luidt:
J.C. Bloem paste het procédé toe in het gedicht ‘Na de bevrijding’ uit de bundel Sintels (1945). In het buitenland is de sapfische strofe o.a. gebruikt door Klopstock, Hölderlin en Ezra Pound. LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
sarcasmeVorm van bijtende spot, veelal met de bedoeling om te kwetsen, soms indirect, als verhevigde ironie, soms direct. Het verschijnsel kan in allerlei genres optreden: satire, scheldsonnet, of bepaalde vormen van kritiek zoals parodie en pastiche. Multatuli, door Huet de ‘virtuoos van het sarcasme’ genoemd, zegt over dit verschijnsel in Idee 324: ‘De hevigste uitdrukking van smart is sarkasme’. Een voorbeeld van indirect, relativerend sarcasme vindt men in Elsschots gedicht ‘Moeder’, waarin de verlepte titelheldin als volgt wordt toegesproken:
Ter vergelijking van dezelfde dichter een voorbeeld van direct sarcasme, uit ‘Het huwelijk’:
Andere bekende sarcasten zijn Van Deyssel, Ter Braak, W.F. Hermans en G. Komrij. LIT: Abrams; Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Laan; Lodewick; MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
satanismeCultivering van opzettelijke goddeloosheid (in het Engels ‘diabolism’ genaamd). Als motief of thema manifesteert het zich sinds de romantiek als het vaak met bewondering of verering presenteren van het moreel en/of fysiek slechte, het kwaad (sadisme, gothic novel). Soms treedt dat op in de gedaante van de duivel, zoals Mephistopheles uit Goethes Faust. In sommige werken van Poe en bij Baudelaire (Les fleurs du mal) ziet men de accentuering van het kwade als algemeen verschijnsel, vooral in zijn contrast met de burgerlijke moraal: ‘de haat tegen het middelmatige’ ( J.K. Huysmans). Het satanische als onderdeel van het (vrouwelijk) schone vindt men bij de beeldend kunstenaar G. Moreau, die veel invloed had op letterkundigen. Het diabolische is een geliefd thema bij menig vertegenwoordiger van symbolisme en decadentie. In de Nederlandse letterkunde kan men wijzen op Slauerhoff als iemand in wiens werk het kwaad (in de vorm van vergankelijkheid, zinloosheid van het bestaan en vernietiging) een belangrijke rol speelt. Voor naoorlogse literatuur kan men G. Reve noemen; zijn creatie van Satan als tweelingbroer van Christus plaatst hem in de ‘zwarte’ romantiek en de decadentie. LIT: LdMA; Metzler; Preminger; Shipley; M. Praz. Lust, dood en duivel in de literatuur van de Romantiek (1990). [G.J. Vis]
satire of hekeldichtAanduiding voor een type literatuur dat gewoonlijk naar zijn vorm, inhoud of intentie wordt gedefinieerd als een teksttype waarin de auteur door humor, komische werking of door overdrijving van bepaalde karakteristieke trekken (vgl. parodie en pastiche) een bepaalde zaak, toestand of menselijke fouten en tekortkomingen belachelijk maakt. Een belangrijke formele eigenschap van satire is ironie, meestal van een militante soort. Satire doet een sterk beroep op de lezer of toehoorder om het groteske, parodistische of ironische te onderkennen, vooral omdat de auteur werkt met subtiele dubbelzinnigheden of bekend veronderstelde omstandigheden of teksten die een soort ‘sous entendu’ inhouden. Satire verschilt van het komische doordat het laatste uitsluitend de lachlust nastreeft, terwijl satire tevens een moralistische, een op verbetering van de menselijke zwakheden of fouten of een op verandering van normen gerichte doelstelling heeft. Scherp zijn deze grenzen echter niet te trekken, temeer daar de term een ontwikkeling blijkt te hebben doorgemaakt die hem ruimer doet zijn dan die van genreaanduiding alleen. Satire kan zich verbinden met alle formele genres: roman, schets, gedicht, drama, cabarettekst e.d. Men heeft daarom wel geprobeerd haar als grondhouding of zijnstoestand te definiëren, maar tegenwoordig prevaleert een beschrijving naar inhoud, intentie en vorm. In de klassieke literatuur fungeerde satire nog ten volle als genrebegrip. Archilogus, Aristophanes, Lucilius, Juvenalis, Horatius e.a. schreven satiren en definieerden satire ook als genre. Men maakte zelfs onderscheid in Juveniaalse en Horatiaanse satiren. Steeds meer echter ontstaat vermenging van genres. In de Middeleeuwen blijkt die vermenging bijvoorbeeld uit een tekst als Van den vos Reinaerde (13e eeuw), een dierenepos met trekken van de satire. Ook een standensatire als de Blauwe Schuit (15e eeuw) is daar een voorbeeld van. Satire en hekeldicht liggen dicht bij elkaar vanwege de intentie, namelijk het belachelijk maken van als onwenselijk beschouwde omstandigheden, ontwikkelingen, normen e.d. Veelal is het hekeldicht minder verhuld spottend dan de satire, waarin de schijn van ernst langer wordt opgehouden. Men vergelijke daartoe de hekeldichten van Vondel (Rommelpot van 't Hanekot, 1627 of Roskam, 1630) met Marnix van St. Aldegondes De Byenkorf der H. Roomsche Kercke (1569). Een voorbeeld van een satirische versvertelling uit de 18e eeuw is De menuet en de domineespruik (1772) van Betje Wolff. In de 18e eeuw was de satire zeer geliefd, zoals blijkt uit de talloze satirische tijdschriften (vgl. P.J. Buijnsters en C.M. Geerars, ‘Bibliografie van de 18e-eeuwse satirische tijdschriften’, in Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw, nr. 1-10, 1975, p. 126-139). Maar ook in de 19e eeuw ontbreken satirische elementen niet in de prozaschetsen van Beets en Kneppelhout, in de poëzie van De Schoolmeester en in een tijdschrift als Braga (1842-1844). Waar satire een bestaande literaire tekst tot uitgangspunt neemt om die belachelijk te maken, ontstaat parodie. Ook pastiche of burleske literatuur, vgl. Cornelis Paradijs' Grassprietjes (1885), kunnen satirische trekken hebben. Het ziet ernaar uit dat het begrip satire een steeds ruimere betekenis heeft gekregen en andere teksttypen als parodie, burleske, pastiche, humoristische schets, cabarettekst e.d. in zich heeft verenigd. Dat blijkt bijvoorbeeld uit satirisch genoemde tv-programma's als Zo is het toevallig ook nog 'ns een keer en Hadimassa waarin allerlei tekstsoorten naast elkaar als satirisch voorkomen. LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; G. Highet. The anatomy of satire (1962); C.A. van Rooy. Studies in classical satire and related literary theory (1965); H.A. Gomperts. ‘Onder mijn mantel dood ik de koning’, in: Tirade 13 (1969) 143, p. 14-24; A. Pollard. Satire (1970); W. Drop e.a. Boos-aardig. Satiren in de Nederlandse literatuur (19702); C.M. Geerars. ‘De theorie van de satire’, in: Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw (1972), 15-16, p. 1-41; L. Hutcheon. A theory of parody (1985), p. 43-63; K.D. Beekman. ‘De literaire parodie bij benadering’, in: A. Mertens en K.D. Beekman (red.). Intertekstualiteit in theorie en praktijk (1990), p. 79-97. [G.J. van Bork]
saudadePortugees voor het bitterzoete liefdesgevoel dat ontstaat door verwijdering van de (of het) geliefde in ruimte of tijd en waarvan weemoedige, maar zoete en fijngevoelige overdenkingen het gevolg zijn. Het woord is eigenlijk onvertaalbaar, maar is kenmerkend voor een genre poëzie dat - vaak in navolging van de Portugese dichter Camões - in de literatuur sterk opgeld heeft gedaan. In de Nederlandse poëzie werd het genre beoefend door J.J. Slauerhoff, die een afdeling van zijn bundel Soleares (1932) de titel ‘Saudades’ gaf en zelfs de hele bundel aanvankelijk zo genoemd wilde zien. LIT: MEW; Wilpert; J. van Besselaar. ‘Saudade e jeito’, in: Lustrumboek van Centro Cultural (1970). [G.J. van Bork]
saut du même au même of AugensprungTerm uit de tekstkritiek voor een continueringsfout die eruit bestaat dat de kopiist, na het afschrijven-1 van een aantal zinnen, bij het hervatten van het lezen van zijn voorbeeldtekst op een andere plaats in de legger terugkeert, omdat deze ogenschijnlijk dezelfde is. Twee dezelfde woorden dicht bij elkaar in de voorbeeldtekst kunnen dan een verspringing veroorzaken, waardoor een deel van de tekst verloren gaat of juist verdubbeld wordt. Wanneer de kopiist per ongeluk in de verkeerde kolom zoekt, kunnen zo flinke stukken tekst wegvallen. Als de kopiist zijn fout niet opmerkt, is de ontbrekende passage voorgoed verloren; een volgende kopiist heeft immers een tweede, complete tekst nodig om de oorspronkelijke lezing te kunnen herstellen. In geval van een verdubbeld tekstgedeelte is herstel van de oorspronkelijke lezing natuurlijk een stuk eenvoudiger. LIT: A. Dain. Les manuscrits (19753), p. 48-49; A.M. Duinhoven. Bijdragen tot de reconstructie van de Karel ende Elegast I (1975), p. 152. [H. Struik]
scanderenTerm uit de prosodie voor dat onderdeel van de klankanalyse (klank) dat erop gericht is op grond van woord- en zinsaccent het verloop van heffingen en dalingen vast te stellen en aldus het ritme te beschrijven. In de praktijk komt het erop neer dat men probeert de prominentieverhoudingen (klemtonen) binnen de versregel(s) te vertalen in metrische (metrum) termen (versvoeten). Een voorbeeld:
Gescandeerd wordt dat, op grond van woordaccent:
Gecombineerd met het zinsaccent levert dat de volgende scansie op:
De regels bestaan elk uit zes jamben. Of men kieze het volgende fragment:
Gescandeerd wordt dat, op grond van woordaccent:
en op grond van woord- en zinsaccent tezamen:
Men kan concluderen tot een viertrocheïsch (trochee) thema per vers, opgebouwd uit twee tweetrocheïsche membra (geledingen) per regel. De term trocheïsch verdient de voorkeur boven ‘in trocheeën geschreven’, omdat dit laatste suggereert dat Van Ostaijenzoals Cats versvoeten hanteert, hetgeen in strijd is met zijn auteurspoëtica (poetica-3). LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Marouzeau; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
scatologieStrontfolklore of de neiging om de menselijke uitwerpselen tot komisch onderwerp te maken. Voorbeelden uit de laatmiddeleeuwse literatuur zijn (Het volksboek van) Ulenspiegel (ed. Debaene en Heyns, 1948), het quasi-vertoog ‘Dit es van den scijtstoel’, dat handelt over het vegen van het achterste, en het refrein in het sot ‘Nu segt wie heeft den prijs gewonnen’ (De refreinenbundel van Jan van Doesborch, ed. Kruyskamp, 1940, dl. 2, p. 247-249), dat een wedstrijd winden laten beschrijft die door drie begijnen wordt gehouden. Een fraai voorbeeld van een scatologische ballade (ballade-2) over een winden latende non is Anna Bijns' 't Is beter geveesten dan kwalijk gevaren ('t Is al vrouwenwerk. Refreinen van Anna Bijns, ed. Pleij, 1987, p. 30-32). In de 17e en 18e eeuw vinden we nog volop scatologische elementen in de kluchten, zoals Jan Vos' De klucht van Oene (Toneelwerken, ed. Buitendijk, 1975), en in de poëzie van ‘drekpoëten’ als Mattheus Gansneb Tengnagel (Alle werken, ed. Oversteegen, 1969) en Willem Godschalk van Focquenbroch (Bloemlezing uit de gedichten en brieven, ed. Kuik, z.j.). Hedendaagse scatologie vindt men in het werk van Gerrit Komrij, Wim T. Schippers en G.K. van het Reve. LIT: Baldick; Cuddon; Scott; H. Pleij. Het gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen (19832), p. 56-62. [W. Kuiper]
scenarioTekst met een uitgewerkt schema voor de handeling van een film, toneelstuk, opera of ballet. Voor film wordt meestal op basis van een scenario een draaiboek samengesteld. Soms ontleent men het scenario aan een bestaand literair werk, zoals bijv. voor de films Max Havelaar en Als twee druppels water (naar W.F. Hermans' De donkere kamer van Damocles) gebeurde. Sommige auteurs schrijven onmiddellijk voor film een scenario. Hugo Claus schreef bijv. het scenario voor de film Het mes (1960). Ook de auteur-cineast A. Koolhaas schreef verschillende filmscenario's. InAmerika worden bekende auteurs vaak door filmmaatschappijen aangetrokken als vaste scenarioschrijver ( W. Faulkner, F. Scott Fitzgerald e.a.). LIT: Baldick; BDI; Cuddon; Gorp; MEW; Scott; D.V. Swain. Film-scriptwriting (1976); S. Field. Screenplay (1979). [G.J. van Bork]
scène, taf(e)reel of toneel-2Kleinste situationele eenheid binnen het drama die gemarkeerd wordt door de opkomst en het vertrek van de dramatis personae. De scène wordt dus bepaald door de gelijke groep spelers op het toneel die verantwoordelijk is voor een zekere eenheid binnen de handeling. Daarnaast kan decorwisseling bepalend zijn voor de grenzen van de scène, maar vaak gaat dat ook gepaard met een wisseling van de bezetting op het toneel. De scène is in feite een onderdeel van het bedrijf, maar in het moderne drama kunnen bedrijven soms plaats maken voor een scenische opbouw van het stuk. Het vaststellen van wat een scène in een toneelstuk is, kan bemoeilijkt worden door het ontbreken van toneelaanwijzingen m.b.t. opkomst en vertrek van personages, of door de opkomst en ‘afgang’ van bijfiguren die slechts in geringe mate aan de handeling bijdragen. Dat maakt het vaststellen van de scènes in een stuk een kwestie van interpretatie en dus vaak subjectief. Sommige toneelschrijvers geven zelf precies aan wat zij tot een scène rekenen. Herman Heijermans bijv. spreekt in dit verband van ‘toneel’, waarbij hij telkens de dramatis personae precies vermeldt (Toneelwerken, 1961-65). Hugo Claus gebruikt in zijn stukken in plaats van ‘scène’ de term ‘tafreel’. LIT: Baldick; Bantel; Bergh; Gorp; Herman/Vervaeck; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Wilpert; Steen Jansen. ‘Esquisse d'une théorie de la forme dramatique’, in: Langages12(1968), p. 71-93; E.K. Grootes. Dramatische struktuur in tweevoud (1973), p. 106-108. [G.J. van Bork]
scenische presentatieVertelwijze waarbij een verhaal wordt gepresenteerd als een opeenvolging van afzonderlijke gebeurtenissen die zich per scène op één plaats afspelen. De scenische presentatie is een discontinue vertelwijze die zich het best laat vergelijken met de opbouw van het filmverhaal. Het tijdsverloop per scène loopt parallel met de tijd die in werkelijkheid nodig zou zijn voor de gebeurtenis die zo'n scène omvat. Het drama vertoont dan ook vrijwel steeds een scenische opbouw. Een voorbeeld van een roman die overwegend scenisch verteld wordt is L.P. Boons Vergeten straat (1944). LIT: Bergh; Boven/Dorleijn; Drop; Gorp; Lodewick. [G.J. van Bork]
schaakberd of schaakspelKunstige, door de rederijkers beoefende dichtvorm die overeenkomt met het ‘échiquier’ van de Frans-Bourgondische rhétoriqueurs. Hierbij werd in elk van de 64 velden van een schaakbordfiguur een versregel geplaatst. Door een aantal systematische leesbewegingen uit te voeren van de ene kant van het bord naar de tegenoverliggende zijde ervan (rechte horizontalen en verticalen, schuine elkaar kruisende bewegingen en de retrograden hiervan) vindt men een groot aantal balladen (ballade-2) met één bepaald rijmschema (ababcdcd of ababbcbc). Het eerste voorbeeld is dat van de vijftiende-eeuwse rederijker Anthonis de Roovere, het bekendste dat van Matthijs de Castelein (Const van Rhetoriken, verschenen in 1555). Beiden werkten in hun gedicht een vernuftig raadsel (raadselvers) in, waarbij onder meer het aantal lettergrepen van de verzen van belang is. De (o.a. door Garmt Stuiveling) voor die raadsels voorgestelde oplossingen die ervan uitgaan dat er gelezen zou moeten worden volgens de bewegingen van de stukken op een schaakbord, kunnen thans onjuist worden genoemd. Het schaakbord lijkt verwant met het Latijnse ‘carmen figuratum’ (eerst bekende schaakbordfiguur: Iacobus Nicolai de Dacia, Liber de distinctione metrorum, 1363). Veel overeenkomst vertoont ook de raadselcanon van de 16de-eeuwse uit Tholen afkomstige en in Napels werkende componist Ghiselin Danckerts. LIT: G. Stuiveling, ‘Schaken met De Castelein’. In: Spiegel der Letteren 7 (1963-4), p. 161-184. id., ‘Met De Roovere is het moeizaam spelen’. In: id., Vakwerk (1967), p. 102-127. J.P. Westgeest, ‘Casteleins code gekraakt’. In: De Nieuwe Taalgids 80 (1987), p. 111-124. H. Westgeest, ‘Dichterlijk spel op het schaakbord. Over de schaakbordgedichten uit de 15de tot en met de 17de eeuw’. In: Bzzletin 233 (1996), p. 10-19. J.P. Westgeest, ‘Zeven verborgen Marialoven van Anthonis de Roovere’. In: Jaarboek De Fonteine (1996), p. 11-28. H. Westgeest, ‘Ghiselin Danckerts' Ave maris stella: The Riddle Canon Solved’. In: Tijdschrift van de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis 36 (1986), p. 66-79. D. Geirnaert, ‘Tellende rederijkers? Aanvulling bij de oplossing van Anthonis de Rooveres schaakbordgedicht.’ In: Biekorf 106 (2006), p.226-233. [Hans Westgeest]
schaakspel zie schaakberdscharminkelliedjeEen straatlied, meestal gemaakt op een bekende wijs, speciaal vervaardigd ter gelegenheid van het scharminkelen, een soort volksgericht van jongeren begeleid door ketelmuziek, ook charivari genoemd. Charivari, meestal georganiseerd naar aanleiding van overspel of ongewenste zwangerschap, kan men aantreffen vanaf de Middeleeuwen tot heden in besloten plattelandsgemeenschappen. De liedjes werden soms als vliegende bladen (pamflet-1) verkocht. LIT: P.J. Meertens. ‘Die Katzenmusik in den Niederlanden’, in: Die Nachbarn 3 (1962), p. 126-139; H. Rey-Flaud. Le charivari. Les rituels fondamentaux de la sexualité (1985); Marc Jacobs. ‘Charivari in Vlaanderen (18de - 20ste eeuw)’, in: Spiegel Historiael 21 (1986), p. 292-298. [P.J. Verkruijsse]
scheldsonnetTerm voor een sonnet waarin een of meer personen, al dan niet met name genoemd, worden uitgescholden. Een bekend schrijver van dit genre was W. Kloos in de periode van de achteruitgang (1893-1894) van De Nieuwe Gids. Men denke bijv. aan het sonnet ‘Ik zal u allen rechten, huich'lend vee’ (De Nieuwe Gids, 1894, dl. 1, p. 294). LIT: Laan; MEW. [G.J. Vis]
schelmenroman zie picareske romanschetsTerm ontleend aan de beeldende kunst voor een prozatekst met een voorlopige opzet (een soort vooroefening), waarbij de uitwerking in details in het vage is gelaten of waarin alleen hoofdzaken worden gegeven. De schets is doorgaans van beperkte omvang en onderscheidt zich van het verhaal-1 doordat er nauwelijks sprake is van enige handeling of van een afgerond geheel. Bij de schets ligt de nadruk op de beschrijving. Het genre was bijzonder geliefd bij het naturalisme en impressionisme. Typerend voor het naturalisme is dat veel schetsen ‘studies’ genoemd worden (vgl. Netschers Studies naar het naakt model, 1886). Andere voorbeelden van schetsen zijn C.E. van Koetsvelds Schetsen uit de pastorij te Mastland (1843) en Ary Prins' Uit het leven (1885). LIT: BDI; Best; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]
schimpschrift zie pamflet-2schoncken-sonnettenDe zogenaamde schoncken-sonnetten vormen een literair spel tussen een aantal 17e-eeuwers. Het begon met een sonnet van P.C. Hooft aan Constantijn Huygens uit 1620 met de beginregel ‘Men voedde Achilles op met merg uit leeuweschoncken’. Het antwoord van Huygens is een sonnet met dezelfde rijmwoorden aan het eind van de regels. Daarna volgden sonnetten op dezelfde wijze van Hooft, Maria Tesselschade, Anna Roemers, J. van Brosterhuijsen, G.R. Doublet, Huygens, J. van Someren, J. van Michiels, nogmaals Van Someren, Johannes Beuken (1651) en van Anna Roemers aan drukker Moretus die haar gevraagd had om de schoncken-sonnetten van Hooft en Huygens kopijklaar te maken. Veel later werd de cyclus afgesloten met een schoncken-sonnet door Nicolaas Beets, de editeur van het werk van Anna Roemers. In 1619 hadden Anna Roemers en Constantijn Huygens al twee sonnetten met gelijke rijmwoorden uitgewisseld, de zogenaamde Helicon-sonnetten (ed. M.C.A. van der Heyden. t' Hoge Huis te Muiden (1972) P. 18-19). Hooft en Huygens wisselden nog twee dergelijke sonnetten in 1621, de zogenaamde Arion-sonnetten, en ook zijn er nog drie gedichten van Huygens en Sibylle van Griethuysen uit 1648 en van Catharina Questiers en Cornelia van der Veer uit 1662-1663 die gebouwd zijn op gelijke eindrijmen. LIT: A.T.A. Heyting. Het boek der sonnetten (z.j.), p. 114-121; R. Schenkeveld-Van der Dussen e.a. (red.). Met en zonder lauwerkrans (1997), p. 256-258, 320, 356-357. [P.J. Verkruijsse]
schooldramaBenaming voor de (aanvankelijk: Neolatijnse) toneelstukken die door rectoren van Latijnse en schoolmeesters van Franse scholen werden geschreven, speciaal om door hun leerlingen opgevoerd te worden. Deze stukken moesten een belangrijke didactische component bevatten (exemplum), met name in de proloog en epiloog, waartoe vooral bijbelse geschiedenissen geschikt waren. De bijbelse of historische stof, die eigenlijk alleen in een tragedie gebruikt kon worden, werd bewerkt tot een tragikomedie waarin vaak ook zogenaamde minderemanstonelen werden verwerkt. Een auteur van Neolatijnse schooldrama's is de Haarlemse rector Cornelius Schonaeus; Peeter en Zacharias Heyns schreven Franse en Nederlandse stukken. LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; Wilpert; M.B. Smits-Veldt. Het Nederlandse renaissancetoneel (1991). [P.J. Verkruijsse]
schooleditieEen door een editeur bezorgde editie van één of meer teksten speciaal vervaardigd voor het gebruik in het onderwijs. Doorgaans betreft het een editie van een wat oudere tekst, waarvan men weet dat die een rol speelt in het literatuuronderwijs en waarbij een commentaar de leesbaarheid voor leerlingen kan bevorderen. Om die reden kan ook herspelling en normalisatie van de tekst wenselijk zijn. De ideale schooleditie is gebaseerd op het voorwerk van een historisch-kritische editie, maar dat is maar zelden het geval. Voorbeelden van schooledities zijn de uitgaven van J.M. Acket van Hildebrands Camera obscura (1923) en Louis Paul Boons Uitleenbibliotheek (1966) in de Cahiers voor Letterkunde. Veel van deze edities verschenen in reeksen die lang niet altijd alleen op scholieren gericht zijn, maar ook op studerenden en geïnteresseerde lezers. Bekende reeksen zijn in dit verband o.m. De Zwolse herdrukken, De Klassieke Galerij, de Klassieken uit de Nederlandse letterkunde, de Cahiers voor Letterkunde en de Griffioen-reeks. Een moderne reeks, speciaal voor het middelbaar onderwijs, is Tekst in Context. LIT: BDI; Hiller; Mathijsen. [G.J. van Bork]
schoondrukDruktechnische term voor de druk die op één zijde van een blanco vel wordt aangebracht. Later - nadat de inkt van de schoondruk gedroogd is - wordt op de verso-zijde de weerdruk aangebracht. Het vel is dan compleet met de binnen- en buitenvorm waarna het tot een katern gevouwen kan worden. Gewoonlijk zal men voor de schoondruk de binnenvorm op de pers leggen, omdat die eerder klaar is dan de buitenvorm, maar strikt noodzakelijk is dat niet. Wanneer men een vel aantreft waarop de weerdruk ontbreekt of waar de weerdruk slecht register maakt met de schoondruk, zou men te maken kunnen hebben met een proefdruk. LIT: W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962), p. 141; P.M. van Cleef Jzn. Handboek ter beoefening der boekdrukkunst in Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p. 84 vlgg.; C. Schook. Handboekje voor letterzetters, boekdrukkers en correctors, ed. F.A. Janssen (1981), p. 49 vlgg. [P.J. Verkruijsse]
schoonheidTerm uit de kunstbeleving en kunstbeschouwing (esthetica), waarmee globaal wordt aangeduid dat voorwerpen uit de materiële werkelijkheid zodanige eigenschappen hebben (vorm, kleur, verhoudingen, structuur) dat ze de zintuigen (vooral oog en oor) aangenaam aandoen. Men maakt vaak nadrukkelijk onderscheid tussen schoonheid in de natuur en die in de kunst. Binnen de kunst pleegt men een onderscheid te maken tussen de schone en de werktuiglijke (technische) aspecten van een object. Sinds I. Kant wordt het specifieke karakter van de schoonheidservaring omschreven als ‘interesseloses Wohlgefallen’. De schoonheidsontroering wordt veelal een speciaal soort ontroering genoemd. Mede onder invloed van de romantiek en de toenemende vrijheid in het scheppen en beschouwen van kunst is het ‘aangenaam aandoen’ (het delectare uit de traditionele retorica) niet meer het enige criterium voor schoonheid. Men ziet verschillende tendensen in de schoonheidsopvatting opkomen. Een ervan is de benadering en beoefening van de kunst omwille van zichzelf (tegenover het utile dulci), als esthetisch schone kunst, los van zaken als inhoud, menselijke ontroering e.a. In dit verband kan men wijzen op het l'art pour l'art, op de Beweging van Tachtig (Tachtigers) (schoonheid als nieuwe religie), en op de esoterische ambities van sommige symbolisten (symbolisme), waarin het estheticisme een grote rol speelde (decadentie). Verder kan men denken aan veel schrijvers uit het existentialisme, bij wie dikwijls de traditionele schoonheid als waarde op zichzelf op de achtergrond komt te staan ten gunste van de gedachte dat kunst primair een manier van handelen is in de vorm van engagement met de wereld die men wil ontsluiten ( Sartre) of die men, zonder koele distantie en met waardering voor het irrationele, in al zijn positieve en negatieve aspecten wil ondergaan. Gedeeltelijk op deze lijn zitten Vijftigers als Lucebert, voor wie ‘schoonheid haar gezicht verbrand’ heeft. LIT: Krywalski; Shipley; Wilpert; J.J.A. Mooij. Idee en verbeelding (1981), p. 66-72 en passim; P. Wakkers. Met ogen van toen (1982); M. van Nierop e.a. (red.). Mooie dingen. Over de esthetica van het object (1993). [G.J. Vis]
schotschrift zie pamflet-2schriftHet ontstaan en de ontwikkeling van het schrift gaat gelijk op met de toenemende specialisatie in de menselijke samenleving. Op verschillende plaatsen ter wereld zijn op verschillende tijdstippen verschillende soorten schrift ontstaan en gebruikt voor ruwweg twee doeleinden: voor administratie en voor religieuze formules en bezweringen. De oorsprong van het schrift ligt in de semasiografie (semasiogram), het vastleggen door middel van tekens van een betekenis. De meest eenvoudige vorm daarvan registreert niet wat, maar dát er onthouden moet worden, bijv. een knoop in de zakdoek. Mnemonisch schrift legt vast hoeveel er onthouden moet worden, bijv. via een kerfstok. Een ingewikkelder vorm van schrift is de pictografie (pictogram): in een beeld wordt vastgelegd wat men wil mededelen en onthouden. Tot het pictografisch schrift worden o.a. de rotstekeningen (petroglief; petrogram) gerekend. Dit is overigens niet de enige relatie tussen schriftgeschiedenis en kunstgeschiedenis. Met de hiërogliefen (die een niet onbelangrijke rol gespeeld hebben bij het ontstaan van de emblematiek) en het spijkerschrift voltrekt zich de overgang van concreet pictografisch naar abstract ideografisch beeldschrift (ideogram). Het ideografische schrift verfijnde zich - echter niet in alle schriftsystemen! - van logografisch of woordschrift (logogram) tot syllabisch of lettergreepschrift (syllabogram) en consonantisch of medeklinkerschrift in het Fenicisch rond 1000 v.Chr. tot het door de Grieken omstreeks 900 v.Chr. uitgevonden fonografische of alfabetische schrift. Waarschijnlijk via de Etrusken bereikte het alfabetische schrift de Romeinen. Omdat de Nederlanden gedurende de eerste eeuwen van onze jaartelling onder de invloedssfeer van het West-Romeinse rijk verkeerden, heeft het Latijnse alfabet het runenschrift verdrongen. Rond 800 werd in de middeleeuwse kloostergemeenschappen een schrifthervorming doorgevoerd die een uniform boekschrift tot gevolg had, de Karolingische minuskel, welke letter aan de basis staat van onze moderne drukletter, de romein, en aan het schrift dat momenteel op school wordt aangeleerd. Vanaf ca. 1200 ondergaat deze letter een verandering, die neerkomt op ontronding en breking. De humanisten hebben deze letter pejoratief gotisch schrift genoemd, en in hun ad fontes-streven, maar ook om zich te distantiëren van de duistere Middeleeuwen grepen zij terug op de littera antiqua (zoals zij de Karolingische minuskel abusievelijk noemden) om daarmee hun brieven te schrijven en hun (klassieke) tekstedities mee af te drukken. De gotische of Oudhollandse drukletter bleef voor teksten in de volkstaal, met name voor religieuze teksten, tot de Franse tijd in zwang. Schrift is kunst of vliegwerk: wie duidelijk of mooi (kalligrafie) wil schrijven, schiet niet op; wie snel schrijft, is gauw onleesbaar. Voor boekdruk (drukkunst) geldt iets overeenkomstigs: hoe groter de letter, hoe sneller men kan lezen, maar des te dikker het boek. Vandaar de voortdurende wisselwerking tussen sierschrift (kalligrafie) en gebruiksschrift (currens, cursief). Men onderscheidt majuskelschrift (hoofdletters) en minuskelschrift (kleine letters). In de typografie spreekt men van kapitaal en onderkast. Minuskelschrift ontstaat als men met enige snelheid majuskels aan elkaar vast gaat schrijven zonder het schrijfinstrument op te tillen. Omdat men majuskels tussen twee lijnen kan schrijven, noemt men het tweelijnig schrift. Om dezelfde reden heet minuskelschrift vierlijnig; de stokken van de letters steken immers uit naar boven en naar beneden. Gedurende de vroege Middeleeuwen was schrijven (en lezen) het monopolie van de geestelijkheid. Vooral de middeleeuwse kloosters waren schrijfcentra. Elk zichzelf respecterend klooster had een scriptorium, een schrijfzaal, waar handschriften ten behoeve van de liturgie of de bijbelstudie werden afgeschreven. Met de renaissance van de 12e eeuw komt het schrift in lekenhanden door toedoen van mondaine clerici. In de late Middeleeuwen is het persoonlijk handschrift ontstaan. Voor die tijd was het schrift betrekkelijk uniform. Men kende een boekletter, de littera textualis; een kanselarijschrift (cancelleresca) dat in de 15e eeuw doordrong in het boekschrift met als resultaat de littera cursiva en de littera hybrida; en een gebruiksschrift, de littera currens. Hoewel deze schriften op het oog aanzienlijk van elkaar verschillen, gaat onder het andere uiterlijk eenzelfde schrijfbeweging (ductus) schuil. Wanneer in de 15e eeuw het papier als schrijfstof populair wordt, ligt het schrijven binnen het bereik van velen. Voor die tijd werd er op perkament geschreven, wat een grote vakbekwaamheid vereiste, zodat het schrijven van boeken haast uitsluitend gebeurde door beroepskopiisten. Vanaf de 17e eeuw is er georganiseerd en later ook uniform schrijfonderwijs. Het hedendaagse gebruik van viltstift en balpuntpen alsook schrijfmachine en tekstverwerker heeft de aandacht voor de leesbaarheid van het schrift nadelig beïnvloed. Ook het gebruik van de telefoon als communicatiemiddel in plaats van de brief heeft niet ten gunste van het handschrift gewerkt. De wetenschap die zich met de ontwikkeling van het schrift, de schriftbenamingen, het schrijfmateriaal, de gebruikte abbreviaturen, de ontcijfering enz. bezighoudt, is de paleografie. De wetenschap die het handgeschreven boek als materieel object bestudeert, is de codicologie. Onder grafistiek verstaat men een overkoepelende wetenschap die zich richt op de taalcodering door middel van schrift. Grafologie tenslotte is een subdiscipline van de toegepaste psychologie die karaktereigenschappen uit handschrift tracht te destilleren en interpreteren. Volgens een recente theorie van Gerrit Noordzij berust de essentie van het schrift op de verhouding tussen de door de zwarte streken omsloten witte vlakken in het woordbeeld, niet uitsluitend op het zwart van de letter. Het verschil tussen het dik en dun van de streken van een schrift is het contrast. Er zijn drie contrastsoorten te onderscheiden: translatie, rotatie en expansie, die overheersen in respectievelijk de periode van Oudheid en Middeleeuwen (inclusief renaissance), van het maniërisme, en van de romantiek (waarbij inbegrepen barok en classicisme). LIT: BDI; Best; Brongers; Gorp; Hiller; Marouzeau; Metzler; MEW; M. Cohen. La grande invention de l'écriture et son évolution (3 dln., 1958); I.J. Gelb. A study of writing (19633); ‘Schrift en communicatie’, spec. nr. van Spiegel Historiael 7 (1972), nr. 3; J.P. Gumbert. Schrift, codex en tekst (1974); G.E. Booij e.a. Spelling (1979), p. 21-32; J.L. van der Gouw. Oud schrift in de Nederlanden (19802); D. Jackson. Van beitel tot vulpen (1981); F. van der Linden. Over letters & schrift en de beginselen van het schrijven (1983); P. Schneiders. Papieren geheugen. Boek en schrift in de Westerse wereld (1985); G. Noordzij. De streek. Theorie van het schrift (1985); B. Engelhart & J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882). [P.J. Verkruijsse/W. Kuiper]
schriftuurlijk liedeken of suverlijc liedGeestelijke liederen uit het begin van de reformatie die als de oudste protestants-christelijke letterkunde kunnen worden beschouwd. De schriftuurlijke liedekens verwoorden vaak gemoedsbewegingen die in het verborgene werden beleefd. Vanaf ca. 1520 werden de zgn. conventikels gehouden: kleine bijeenkomsten bij particulieren, waarbij de bijbel door geestelijken en leken werd gelezen en verklaard, en waar nieuwe liederen werden gezongen. De bezoekers bezochten op zondag gewoon de mis. De schriftuurlijke liedekens waren de hele 16e eeuw erg populair. De oudst bekende druk is Veelderhande liedekensuit 1556. De liederen dienden als uiting van protest, als medium ter verspreiding van bijbelkennis en de ideeën van de hervorming, en ze versterkten de onderlinge band tussen de gelovigen. Het zingen of bezitten van deze teksten was streng verboden en in strijd met de dogma's van de katholieke kerk. Boekverbranding, geseling, gevangenis- en doodstraf wegens ketterij waren de gevolgen. Het is bekend dat doopsgezinden (doopsgezinde literatuur) hun liederen, behalve bij hun samenkomsten, ook op straat, in de gevangenis en tijdens terechtstellingen zongen. De schriftuurlijke liedekens richtten zich inhoudelijk naar de Schrift; in hun naam wordt hun belangrijkste kenmerk uitgedrukt. De inhoud bestaat echter niet alleen uit bijbelstof, maar bevat ook oproepen te leven naar Gods geboden, gebeden, wenken tot praktische vroomheid en het betrachten van naastenliefde, leer- en vermaanliederen en dank- en lofliederen: in engere zin zijn zij uitingen waarin de ervaringen van de 16e-eeuwse gelovigen versmelten met bijbelse elementen. Teksten uit het oude en het nieuwe testament worden betrokken op eigentijdse gebeurtenissen, het wereldse contemporaine element wordt ingepast in een bijbels kader. De verschillende bestanddelen worden in het lied tot een nieuwe eenheid samengesmeed. De schriftuurlijke liedekens hebben daardoor een vrijere relatie met de bijbel dan de souterliedekens, die zo getrouw mogelijke berijmingen van bijbelteksten zijn. Ook deze bevatten wel toespelingen op eigentijdse gebeurtenissen, maar ze werden slechts tot uiting gebracht voor zover de bijbelwoorden dat toelieten. De term ‘suverlijc’ voor ‘mooi’ of ‘schoon’ dient in dit verband opgevat te worden als fraai in zedelijke zin, zoals in de titel Een suyverlijck ende schriftuerlijck boecxken. LIT: Buddingh'; Laan; W.A.P. Smit. Dichters der Reformatie in de zestiende eeuw (1939); W.J.C. Buitendijk. Nederlandse strijdzangen (19772); F.C. Wieder. De Schriftuurlijke Liedekens. De liederen der Nederlandsche Hervormden tot op het jaar 1566 (19772); J. de Gier. Van de souterliedekens tot Marnix. Stromingen en genres binnen de letterkunde der hervorming in de zestiende eeuw (1987); B. Hofman. Liedekens vol gheestich confoort. Een bijdrage tot de kennis van de zestiende-eeuwse Schriftuurlijke lyriek (1993). [H. Struik]
schrijfboekDoor 16e- en 17e-eeuwse schrijfmeesters (schrijver) geproduceerde boeken met lettervoorbeelden (‘exemplaer boecken’), vergelijkbaar met de letterproeven van drukkers. Vooral na de uitvinding van de kopergravure was het mogelijk de lettervoorbeelden te voorzien van veel en ingewikkeld krulwerk. Het eerste gedrukte schrijfboek (typografisch schrijfboek) was van de Italiaan Ludovico Arrighi (1522). In de Nederlanden waren het vooral cartografen en Franse schoolmeesters die zich op de kalligrafie wierpen, de eersten ( Jodocus Hondius en Gerard Mercator) om duidelijke letters te vinden voor gebruik op hun kaarten, de laatsten ( Felix van Sambix, Jan van den Velde, Maria Strick, Abraham van Overbeke) ten behoeve van het onderwijs. De schrijfkunst werd in de 17e eeuw tot een rage; de ‘ars pennae’ werd beschouwd als de tiende muze. Er werden ook wedstrijden in georganiseerd om de ‘prix de la plume couronnée’. Schrijfmeesters werden door dichters bezongen ( Van den Velde, Hendrik Meurs en Lieven Coppenol door o.a. Vondel) en door schilders geportretteerd ( Maria Strick door Mierevelt, Coppenol door Rembrandt), terwijl ook sommige auteurs zich met kalligrafie bezighielden (bijv. Anna Roemers Visscher in haar Letter-Juweel (ed. De Kruyter, 1971). Een achttal Nederlandse schrijfboeken is in de serie Penman's Paradise in facsimile uitgegeven in de jaren 1968-1971, nl. van Clément Perret, Jodocus Hondius, Jan van den Velde (twee schrijfboeken), Gerardus Mercator, Maria Strick, David Roelands en Simon de Vries. LIT: Hiller; P.H. van Gestel en G.C.F. van der Laan. Schrijven en schrijfonderwijs (19193), p. 147-169; A.R.A. Croiset van Uchelen. [‘Recensie facsimile-uitgaven schrijfboeken’], in: Quaerendo 1 (1971), p. 223-226; A.R.A. Croiset van Uchelen. ‘Dutch writing-masters and the Prix de la Plume Couronnée’, in: Quaerendo 6 (1976), p. 319-346; D. Jackson. Van beitel tot vulpen (1981), p. 118-129. [P.J. Verkruijsse]
schrijver of scriverTegenwoordig synoniem met auteur. Gedurende de Middeleeuwen echter was de schrijver niet de auteur van een werk, maar de kopiist, degene die de vervaardiging van het handschrift als materieel object voor zijn rekening nam. Dat heeft wel eens problemen opgeleverd bij de identificatie van een werk, maar in de recente literatuurgeschiedenissen zijn deze fouten hersteld. Van de Karelroman Willem van Oringen (13e eeuw) weten we via Jacob van Maerlants Spiegel historiael dat Klaas van Haarlem (Van Haerlem Clays) de schrijver en in dit geval de auteur is geweest. Een bijzonder soort schrijver was de schrijfmeester, een beroepsschrijver die niet verward moet worden met de magister scriptorum die aan het hoofd stond van een scriptorium. De schrijfmeester werkte op bestelling en hing zelfs reclamebladen met schrijfvoorbeelden voor zijn raam om zo zijn waar aan te prijzen. Van de schrijfmeester Herman Strepel uitMünster is zo'n schrijfmeesterblad bewaard gebleven. De 17e-eeuwse schrijfmeesters produceerden schrijfboeken met lettervoorbeelden. Soms vermeldt de proloog of epiloog de schrijversnaam, al dan niet verstopt in een acrostichon of ander letterraadsel. LIT: BDI; Best; Hiller; Metzler; B. Kruitwagen. ‘De Münstersche schrijfmeester Herman Strepel (1447) en de schriftsoorten van de Broeders van het Gemeene Leeven en de Windesheimers’, in: Laat-Middeleeuwsche Paleografica, Paleotypica, Liturgica, Kalendalia, Grammaticalia (1942), p. 1-116; D. Hogenelst & F. van Oostrom. Handgeschreven wereld (1995), p. 61-117; J.W. Klein. ‘(Middelnederlandse) handschriften: produktieomstandigheden, soorten, functies’, in: Queeste 2 (1995), p. 1-30. [H. Struik]
schuilnaam zie pseudoniemschuine-lijntestMethode uit de analytische bibliografie om te controleren of exemplaren van een boek van hetzelfde zetsel gedrukt zijn. Schuin over een pagina wordt een liniaal gelegd van een bepaald, willekeurig te kiezen, punt bovenaan naar een dito punt ergens onderaan. Een aantal letters en/of tekens die door de (denkbeeldige) lijn gesneden worden, wordt genoteerd. Vervolgens wordt in de te collationeren exemplaren een liniaal gelegd tussen dezelfde punten als in het uitgangsexemplaar. Snijdt de lijn dezelfde letters en tekens, dan kan geconcludeerd worden dat alle gecontroleerde exemplaren van hetzelfde zetsel gedrukt zijn, dus tot dezelfde druk behoren. Het spreekt vanzelf dat de schuine-lijntest op een aantal plaatsen in een boek uitgevoerd moet worden, bij voorkeur in iedere drukvorm. Deze methode wordt nauwelijks (meer) toegepast omdat ze erg omslachtig is. Veel eenvoudiger en minstens even doeltreffend is de controle van de posities van katernsignaturen. [P.J. Verkruijsse]
schuitpraatjeSubgenre van de pamflet-literatuur (pamflet-2). Geschriften over actuele politieke en alledaagse onderwerpen uit de periode vanaf begin 17e tot midden 19e eeuw. De naam is geïnspireerd op de gesprekken zoals die in de trekschuit tussen passagiers gevoerd werden om de tijd te doden. Een voorbeeld is het Schuyt-praetje gehouden tusschen een Haagenaar, een Middelburger, een Haarlemmer, ende een Utrechts-man [...] vertoonende alle den handel en wandel van D. Jean de Labadie. Er verschenen verzamelingen Schuite- en jagt-praatjes (1737) van E.S. van Burmania en W. van Itsma en Groninger schuitpraatjes (1827) en Nieuwe schuitpraatjes (1836) van G.J. Cool. LIT: Laan. [P.J. Verkruijsse]
schutbladTerm uit de codicologie en drukkerswereld voor de dubbelbladen die aan de voor- en achterzijde het boekblok met de boekband verbinden om het gaas en de linten in de rug en de binnenzijde van de platten aan het oog te onttrekken. Het ene blad van het dubbelblad wordt vastgelijmd op het voor- resp. achterplat en het andere wordt met een randje vastgeplakt aan het eerste blad van het eerste katern, respectievelijk het laatste blad van het laatste katern van het boekblok. Er kan ook meer dan één schutblad voor- en achterin een boek aangebracht worden. Normaliter horen schutbladen niet beschreven of bedrukt te worden en - omdat ze geen onderdeel van het boek als bibliografische eenheid vormen - ook niet bibliografisch beschreven te worden. Toch kunnen schutbladen voor de bibliograaf interessante informatie bevatten in de vorm van ex-libris of andere bezitterskenmerken, zoals bibliotheeksignaturen en olim-signaturen. Ook is het schutblad een uitgelezen plaats voor een probatio pennae: de oudste Nederlandse tekst, Hebban olla vogala, is op die wijze overgeleverd. LIT: BDI; Feather; Hiller; Scott; Hendrik de Haas. De boekbinder, ed. J. Storm van Leeuwen (1984), p. 33. [P.J. Verkruijsse]
SchwabacherDe Schwabacher is een tot de gotische letterfamilie behorende Duitse bastarda schrijfletter. Als drukletter was ze voornamelijk in gebruik in Duitsland in de periode 1483 (voor het eerst in Neurenberg) tot ongeveer 1540. LIT: Brongers; Hiller; H. Clausz. Die Schwabacher Schrift in Vergangenheit und Gegenwart (1916); P. Gaskell. A new introduction to bibliography (1972), p. 18; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de achttiende eeuw (19852), p. 464; B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), p. 197. [P.J. Verkruijsse]
SchwulstTerm voor de Duits-nationale variant tijdens de laat-barok (eind 17e eeuw) van het maniërisme, vergelijkbaar met het marinisme in Italië, het gongorisme in Spanje, de préciosité in Frankrijk en het euphuism in Engeland. LIT; Best; Gorp; Metzler; Wilpert; P. Schwind. Schwulst-Stil. Historische Grundlagen von Produktion und Rezeption manieristischer Sprachformen in Deutschland 1624-1738 (1977). [P.J. Verkruijsse]
sciencefiction of SFSubgenre van de fantastische literatuur dat zich van soortgelijke subgenres onderscheidt door de ogenschijnlijke rationaliteit ervan, waarbij gebruik gemaakt wordt van (natuur)wetenschappelijke kennis, veelal in zijn gevolgen geëxtrapoleerd in een toekomstige maatschappij ergens op aarde of ergens in het heelal. In sciencefiction is een tweetal hoofdtypen te onderscheiden, een groep waarin het heelal als plaats van handeling wordt gekozen en een groep waarin het verhaal in de toekomst speelt. Bij beide typen kan het gaan om de gevolgen van nieuwe technologische ontwikkelingen voor de mensheid die afhankelijk van de toekomstverwachtingen van de auteur tot een eschatologisch type SF kan leiden: de gehele of gedeeltelijke ondergang van de beschaving veroorzaakt door de ver doorgevoerde technologie of een uit de hand gelopen wetenschappelijk experiment. In dat soort gevallen valt sciencefiction samen met de pessimistische variant van de utopische literatuur en de toekomstliteratuur. De rationaliteit van sciencefiction is in veel gevallen maar schijn, omdat het genre weliswaar gebruik maakt van natuurwetenschappelijke of technologische gegevens en begrippen, maar evenzeer van pseudowetenschap en occultisme. De lezer wordt gesuggereerd dat de beschreven gebeurtenissen in principe mogelijk zijn, zoals bijvoorbeeld gebeurt met het geliefde thema van de tijdreiziger waarvoor de auteur gebruik maakt van de relativiteitstheorie en het zogenaamde zwarte gat. Hoewel er beschrijvingen van het genre bestaan die sciencefiction terugvoeren op voorbeelden uit de Griekse Oudheid, lijkt het beter pas van sciencefiction te spreken op grond van technologische ontwikkelingen die sinds het midden van de 19e eeuw op gang kwamen. Jules Verne wordt door veel auteurs over het genre gezien als de grondlegger van het hier bedoelde type. Diens roman Voyage au centre de la terre (1864) kan echter tevens worden opgevat als een imaginair reisverhaal. Anderen daarentegen zien in Mary Shelley's roman Frankenstein (1818) de eerste SF-roman, waarmee dan tevens de relatie gelegd kan worden met andere subgenres van de fantastische literatuur, de gothic novel en het griezelverhaal. De term sciencefiction is vrij jong, namelijk in 1929 voor het eerst gebruikt door Hugo Gernsback in diens tijdschrift Science wonder stories. Lange tijd is sciencefiction behandeld als pulp- of triviaalliteratuur en werden slechts enkele werken tot de literatuur gerekend, o.m. The time machine (1895) van H.G. Wells, The Sirens of Titan (1959) van George Orwell, Out of a silent planet (1938) van Aldous Huxley en A clockwork orange (1962) van Anthony Burgess. Er is echter geen enkele aanleiding om dit type literatuur anders te behandelen dan bijv. andere fantastische literatuur. Sinds 1960 is de bestudering ervan sterk toegenomen, mede onder invloed van een groot aantal SF-fans. Er werden tal van tijdschriften in omloop gebracht over het genre, in Nederlandbijvoorbeeld Holland-SF, Essef en SF-Magazine. Een aantal Nederlandstalige auteurs heeft sciencefictionromans of -verhalen geschreven, o.m. Ward Ruyslinck (Het reservaat, 1964), Jacques Hamelink (‘De volkomen verkilling’, in: De rudimentaire mens, 1968), Leo Vroman (Het carnarium, 1973) en Hugo Raes (Reiziger in de antitijd, 1970 en De verwoesting van Hyperion, 1978). Een Vlaams auteur die zich op sciencefiction heeft toegelegd is Eddy C. Bertin. Een bibliografie van Nederlandse sciencefiction werd samengesteld door A. Spaink, G. Gorremansen R. Gaasbeek onder de titel Fantasfeer (1979). LIT: Abrams; Baldick; Bantel; BDI; Best; Cuddon; Gorp; Hiller; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley; S. Lundwall. Science fiction: an illustrated history (1978); F. Margill (red.). Survey of science fiction literature (5 dln., 1979); J.A. Dautzenberg. ‘Science fiction en literatuurwetenschap: geschiedenis, problemen, bibliografie’, in: FdL 21 (1980) 1, p. 1-27; P. Nicholls (red.). The science in SF (1982). [G.J. van Bork]
scriptoriumMiddeleeuws schrijfatelier waar handschriften vervaardigd werden door beroepskopiisten (zie ook schrijver). Het scriptorium was de wereldlijke verzelfstandiging van het vroegmiddeleeuwse kloostervertrek, waar door monniken handschriften werden afgeschreven. Over de scriptoria die in de Nederlanden gedurende de Middeleeuwen hebben bestaan, is weinig bekend. In Noord-Nederland waren belangrijk de schrijfateliers van de Broeders des Gemeenen Levens (Moderne Devotie) en die van de kartuizers. In de zuidelijke Nederlanden moeten verschillende wereldlijke scriptoria geweest zijn waar luxe handschriften, met name voor het Bourgondische hof werden vervaardigd. LIT: BDI; Brongers; Cuddon; MEW; Scott; De Vlaamse miniatuur. Het mecenaat van Filips de Goede, 1445-1475 (tentoonstellingscat., 1959); J.P. Gumbert. Die Utrechter Kartäuser und ihre Bücher im frühen fünfzehnten Jahrhundert (1974); Het geïllustreerde boek in het westen van de vroege Middeleeuwen tot heden (tentoonstellingscat., 1977); A. Derolez. The library of Raphael de Mercatellis (1979); D. Hogenelst & F. van Oostrom. Handgeschreven wereld (1995); J.W. Klein. ‘(Middelnederlandse) handschriften: produktieomstandigheden, soorten, functies’, in: Queeste 2 (1995), p. 1-30. [W. Kuiper]
scriver zie schrijversecentismo zie marinismesecundaire literatuurIn de neerlandistiek is het de gewoonte om onderscheid te maken tussen primaire en secundaire literatuur. Onder primaire literatuur wordt het scheppend werk verstaan, dat het object van onderzoek van de neerlandicus is. Alles wat over de primaire literatuur geschreven wordt, is secundaire literatuur. Daaronder vallen dan monografieën, tijdschriftartikelen e.d. De hulpmiddelen die men bij het onderzoek van de primaire literatuur nodig heeft, noemt men het apparaat van de neerlandicus (biografische naslagwerken, bibliografieën e.d.). Soms is het onderscheid tussen primaire en secundaire literatuur arbitrair. Dat kan bijv. het geval zijn met essays of memoires die door hun vormgeving of afkomst (van een bepaald auteur) - afhankelijk van het gebruik dat men ervan maakte - óf tot de primaire óf tot de secundaire literatuur gerekend worden. Men denke bijv. aan de essays van Ter Braak of de dagboeken van Hans Warren. In de objectieve Bibliografie van de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap (BNTL) worden dergelijke geschriften soms als secundaire literatuur beschouwd. In de exacte wetenschappen en vervolgens ook in de documentaire wetenschap hanteert men een andere indeling omdat men daar niet te maken heeft met primaire literatuur in de zin van literaire kunst (het onderzoeksobject wordt aangeduid als bron). Daar verstaat men onder secundaire literatuur díe publicaties die een overzicht geven van primaire literatuur in de zin van eerste publicatie(s) van onderzoeksresultaten. Tot de secundaire literatuur horen dan bijv. bibliografieën, recensies en overzichtsartikelen. Wat in de neerlandistiek apparaat heet, noemt men daar tertiaire literatuur. LIT: BDI; Best; Metzler; Wilpert; P.S.A. Groot. Documentaire dienstverlening (1981), p. 167. [P.J. Verkruijsse/G.J. van Bork]
sedecimo, decimo-sexto of sextodecimoTerm uit de bibliografie voor een formaat dat verkregen wordt door op een vel 32 pagina's te drukken, op een zodanige wijze dat er twee octavo-katernen met twee katernsignaturen van ieder 16 pagina's ontstaan. De bibliografische aanduiding voor dit kleine formaat is 160. De kettinglijnen lopen horizontaal. LIT: BDI; Feather; Hiller; P. Gaskell. A new introduction to bibliography (1972), p. 85-86; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de achttiende eeuw (19852), p. 308. [P.J. Verkruijsse]
selectieve bibliografie of keuzebibliografieHoewel in principe iedere bibliografie (behalve een universele bibliografie) selectief is (er wordt altijd gekozen op grond van bepaalde criteria uit het totaalaanbod aan literatuur), noemt men bibliografieën met extra keuzecriteria, die dan ook heel expliciet vermeld dienen te worden, een selectieve bibliografie. Al beoogt de BNTL (Bibliografie van de Nederlandse Taal- en Literatuurwetenschap) een zo compleet mogelijke bibliografie te zijn op het in de titel aangegeven terrein, toch zijn er beperkingen naar de inhoud (geen publicaties over specifieke populaire literatuur; sommige bloemlezingen wel, andere niet; sommige schoolboeken niet, andere wel) en de vorm (geen dag- en weekbladen; minimumgrens van 150 woorden); op die gronden zou deze bibliografie ook selectief genoemd kunnen worden. LIT: BDI; Hiller; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995), p. 68. [P.J. Verkruijsse]
semasiogramTerm uit de schriftgeschiedenis voor de voorlopers van het schrift (tekeningen) die wel de bedoeling hebben om voor communicatie te dienen, maar (nog) niet als taaltekens beschouwd kunnen worden. LIT: I.J. Gelb. A study of writing (19632). [P.J. Verkruijsse]
semi-unciaal zie halfunciaalsemiotiekWetenschappelijke benadering die zich richt op de bestudering van tekens, hun onderlinge relatie en de processen die zich bij het gebruik van tekens voordoen. Er zijn (globaal) twee hoofdstromingen te onderscheiden die zich onafhankelijk van elkaar ontwikkeld hebben. De eerste sluit aan op de taalkundige opvattingen van Ferdinand de Saussure die de basisprincipes formuleerde voor een tekenleer die binnen de taalwetenschap met de term semiologie wordt aangeduid. Deze richting manifesteerde zich vooral in de structuralistische benadering (Praags structuralisme) en werd ondermeer uitgewerkt in de studies van Jury M. Lotman die de codes die literaire teksten beheersen trachtte vast te stellen. De tweede richting werd bepaald door de opvattingen van de Amerikaanse logicus-filosoof Charles S. Peirce. Zijn uitgangspunten werden in Nederland overgenomen en uitgewerkt door bijv. Aart van Zoest. In deze semiotiek acht men het begrip ‘teken’ bepaald door drie factoren: 1) de waarneembaarheid ervan, 2) het verwijzend karakter of de representativiteit en 3) de interpreteerbaarheid tot een nieuw teken door een interpretant. Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen of klassen van tekens: a. Symbolische tekens, d.w.z. tekens die op een afspraak of conventie berusten. De meeste woorden behoren daartoe, maar ook een gebaar als jaknikken of wuiven. b. Iconische tekens (pictogram): tekens die op een beeld berusten, zoals de aanduidingen die door de NS gebruikt worden om de uitgang van een station aan te geven of de tekens die op verkeersborden worden gebruikt. c. Indexicale tekens. Dit zijn verwijzende tekens die berusten op wat ‘aangrenzendheid’ of contiguïteit (contigu verband) genoemd wordt, zoals die ook de basis vormt van metonymie. Voorbeelden daarvan zijn een aai voor genegenheid of een voetafdruk voor aanwezigheid. Aan deze driedeling koppelt Pierce vervolgens subcategorieën die leiden tot een indeling in tien soorten tekens die samen een beschrijvingsinstrumentarium bieden. Van Zoest laat d.m.v. een verschijnsel als ‘verlegenheid’ zien hoe een groot aantal verschillende tekencategorieën samenwerkt tot één interpretatie van gedrag (bijv. hakkelend spreken, transpireren, frummelen met de handen, een kleur krijgen etc.). Ook ideologieën worden gedragen door een specifiek soort tekengebruik en de semioticus kan zich ten doel stellen de samenstellende delen van dat tekengebruik bloot te leggen en daarmee de vooronderstellingen die aan een ideologie ten grondslag liggen. Daarmee wordt ook iets duidelijk over de ambitie en de veelomvattendheid van de semiotiek, een ambitie die samenhangt met het algemene karakter van het tekengebruik in de totale communicatie. Wat betreft de literatuur kan men de literaire tekst als geheel opvatten als een teken dat op zijn beurt opgebouwd is uit voornamelijk talige tekens. Voornamelijk, omdat ook niet-talige tekens in het geding zijn, zoals lay-out, omslag, plaats in de boekwinkel, illustraties, vignetten e.d. Tot de tekensystemen van literaire teksten behoren zowel de tekens die herleid kunnen worden tot een periodecode, de code die het afzonderlijke werk, maar ook het oeuvre van een auteur typeert, de fictionaliteitsindicatoren (fictie), de genrecodes, de symboolwerking, de narratologische structuren etc. Ook wat betreft de literatuur lijkt de semiotiek vrijwel elk type onderzoek te omvatten. Dat blijkt ook uit de toepassing van de eerder gegeven drie categorieën tekens. Als voorbeeld kan gelden dat er drie typen indexicale tekens te onderscheiden zijn. Er zijn indices die verwijzen naar de buitentekstuele werkelijkheid, naar andere teksten (intertekstualiteit), en naar elementen binnen de tekst zelf (autonomiebewegingen). Tot de iconische tekens behoort zowel het gebruik van de typografische vormgeving (zoals in het gedicht ‘Val’ van H. Marsman, VW, 1960, p. 28, of in de concrete poëzie), als de metaforische iconiciteit (metafoor, parabel, allegorie). Symbolische tekens zijn niet alleen de taaltekens van de tekst zelf, maar ook de gebruikte retoricale middelen of de narratologische structuren. En tenslotte komt ook het gebied van de receptie-esthetica, de receptiegeschiedenis en de tekstinterpretatie binnen het domein van de semiotiek, omdat elke interpretatie wordt opgevat als een nieuw teken (interpretant), waaruit een reeks ontstaat die in principe oneindig is. Semiotici menen echter dat de nadruk dient te liggen op de betekenisgeving en niet, zoals bij de tekstinterpretatie, op de betekenis van de tekst als zodanig. LIT: Abrams; Alphen; Baldick; BDI; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Fowler; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Shipley; A.J.A. van Zoest. ‘De bruikbaarheid van Peirce's begrip “icon” bij het benoemen van bepaalde verschijnselen in (bijv.) Franse poëzie’, in: Handelingen van het 23e Ned. Filologencongres (1974), p. 187-193; U. Eco. A theory of semiotics (1976); G. Bentele und J. Bystrina. Semiotik (1978); A. van Zoest. Semiotiek, over tekens, hoe ze werken en wat we ermee doen (1978); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (1981), p. 58-64; J. Culler. The pursuit of signs. Semiotics, literature, deconstruction (1981); L.H. Hoek. ‘Literatuursemiotiek’, in: R.T. Segers (red.). Vormen van literatuurwetenschap (1985), p. 137-170; A.J. Greimas. Analytisch woordenboek van de semiotiek (dl. 1, 1987); A. Rigney. ‘Semiotiek’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.). Sleutelwoorden (1991), p. 151-157. [G.J. van Bork]
semi-paragraaftekenTerm uit de paleografie en codicologie voor een speciaal teken, doorgaans ter structurering van de tekst. In middeleeuwse handschriften komen twee soorten semi-paragraaftekens voor. De eerste treft men aan in de epische teksten Ferguut, Walewein en de Roman van Heinric en Margriete van Limborch. Ze zijn niet geplaatst door de kopiist en ook niet door een rubricator (rubricatie), maar door een (voor)lezer-gebruiker. Er is derhalve geen representant. Bovendien zijn ze met zwarte inkt gezet. De tweede soort is wel gerubriceerd. Deze treft men vooral aan in devote traktaten, waar ze een structurerende functie hebben vergelijkbaar met die van een gewoon paragraafteken, zij het dat ze ‘onder’structureren. LIT: W. Kuiper. ‘Lombarden, paragraaf- en semiparagraaftekens in Middelnederlandse epische teksten’, in: Spektator 10 (1980-1981), p. 50-85. [W. Kuiper]
senarius zie trimetersenio of sexternTerm uit de codicologie voor een katern dat samengesteld is uit zes dubbelbladen (dubbelblad). Senio's treft men vooral aan in laatmiddeleeuwse papieren en encarté-handschriften. Een verouderde benaming is sextern. [W. Kuiper]
sensitivismeKortstondig verschijnsel in de Nederlandse literatuur, begonnen in het laatste decennium van de 19e eeuw waarbij getracht wordt zintuigelijke indrukken, met uitschakeling van het analyserend verstand, louter door middel van een verhevigd gevoel te vertalen in woorden (klanken). Het verschijnsel vindt zijn oorsprong in het impressionisme en in de doctrine van de Tachtigers: ‘kunst is hartstocht’. Naar aanleiding van het verschijnen van H. Gorters Verzen (1890) schrijft Van Deyssel in een bespreking: ‘de Sensatie (het Sensitivisme) is het zijn vader overtreffende kind van de Impressie’. Van Deyssel bespreekt in dit stuk de trits ‘observatie-impressie-sensatie’ en acht de sensatie van die drie de hoogste vorm omdat ze boven de eerste indruk der dingen uitstijgt. Er is in het sensitivisme een duidelijke voorkeur voor het zintuiglijke, speciaal voor licht en beweging. In het proza vormt Van Deyssel zelf de duidelijkste vertegenwoordiger van het sensitivisme. In het dertiende hoofdstuk van Een liefde (1898) bepalen de speling van licht en kleuren in de Gooise natuur de sensaties van de hoofdfiguur Mathilde. Ook de eerder genoemde Verzen van Gorter en Gerrit Jan Hofkers Gedachten en verbeeldingen (1906) zijn sensitivistisch. Kenmerkend voor het sensitivisme zijn verschijnselen als vervreemding en raadselachtigheid, onzegbaarheid van de ondervonden emotie en ruimtelijke sensaties als beweging van dode zaken en ruimtelijke uitvergroting. Dergelijke geëxalteerde waarnemingen spreken bijv. uit het volgende strofe van een gedicht van Gorter:
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; Lodewick; MEW; L. van Deyssel. ‘Herman Gorter’, in: Beschouwingen en kritieken. Verzamelde werken, dl. 5 (1920), p. 53-63; E. Endt. ‘Van droom naar werkelijkheid’, in: Weerwerk. Opstellen aangeboden aan professor dr. G. Stuiveling (1973), p. 213-226; E. Endt. ‘De sensitieve verzen: liederen van vervulling en tekort’, in: H. Gorter. Verzen (1977), p. 129-165; M.G. Kemperink. Van observatie tot extase (1988). [G.J. van Bork]
sensus zie zinsensus allegoricus-1 of sensus typologicusBegrip uit de bijbel-exegese en hermeneutiek. De derde van de quator sensus scriptorum, de interpretatie waarbij een bepaalde gebeurtenis uit (meestal) het Oude Testament gezien wordt als een voorafbeelding van een gebeurtenis in het Nieuwe Testament: Jona die door God uit de walvis gered wordt (Jona 1, 17 en 2, 1-10), is een voorafbeelding van Christus' herrijzenis. LIT: F. Ohly. ‘Vom geistigen Sinn des Wortes im Mittelalter’, in: Zeitschrift für deutschen Altertum und deutsche Literatur 89 (1958), p. 1-23; H. de Lubac. Exégèse médiévale. Les quatres sens de l'Écriture, 4 dln. (1959-1964); F. Ohly. Schriften zur mittelalterlichen Bedeutungsforschung (1977), p. 1-31; P. Wackers. Met ogen van toen. Middeleeuwse kunst: schoonheid en wetenschap (1980), p. 12. [H. Struik]
sensus allegoricus-2 zie sensus spiritualissensus anagogicusBegrip uit de bijbel-exegese en hermeneutiek. De laatste van de quator sensus scriptorum, de interpretatie in het licht van de uitersten: God vs. duivel, hemel vs. hel, dood vs. leven. LIT: H. de Lubac. Exégèse médiévale. Les quatres sens de l'Écriture, 4 dln. (1959-1964); P. Wackers. Met ogen van toen. Middeleeuwse kunst: schoonheid en wetenschap (1980), p. 12. [H. Struik]
sensus litteralisBegrip uit de bijbel-exegese en de hermeneutiek. De eerste van de quator sensus scriptorum, de letterlijke betekenis. Jacob van Maerlant vertaalde in zijn Scholastica, die in de literatuurgeschiedenis is terechtgekomen als de Rijmbijbel, alleen die boeken die voor letterlijke interpretatie geschikt waren, nl. de historische boeken. LIT: Gorp; F. Ohly. ‘Vom geistigen Sinn des Wortes im Mittelalter’, in: Zeitschrift für deutschen Altertum und deutsche Literatur 89 (1958), p. 1-23; H. de Lubac. Exégèse médiévale. Les quatres sens de l'Écriture, 4 dln. (1959-1964); F. Ohly. Schriften zur mittelalterlichen Bedeutungsforschung (1977), p. 1-31; P. Wackers. Met ogen van toen. Middeleeuwse kunst: schoonheid en wetenschap (1980), p. 12. [H. Struik]
sensus moralis of sensus tropologicusBegrip uit de bijbel-exegese en de hermeneutiek. De tweede van de quator sensus scriptorum, de morele betekenis van de tekst. De sensus moralis is vergelijkbaar met het begrip zin, zoals dat in de Middeleeuwen wordt gebruikt om de strekking van een tekst aan te duiden. LIT: F. Ohly. ‘Vom geistigen Sinn des Wortes im Mittelalter’, in: Zeitschrift für deutschen Altertum und deutsche Literatur 89 (1958), p. 1-23; H. de Lubac. Exégèse médiévale. Les quatres sens de l'Écriture, 4 dln. (1959-1964); F. Ohly. Schriften zur mittelalterlichen Bedeutungsforschung (1977), p. 1-31; P. Wackers. Met ogen van toen. Middeleeuwse kunst: schoonheid en wetenschap (1980), p. 12. [H. Struik]
sensus spiritualis of sensus allegoricus-2Begrip uit de bijbel-exegese en de hermeneutiek voor drie van de vier betekenissen die aan een tekst kunnen worden toegeschreven: de sensus anagogicus, de sensus litteralis en de sensus moralis. Daarnaast is er nog de sensus typologicus die ook vaak sensus allegoricus wordt genoemd (sensus allegoricus-1). LIT: H. de Lubac. Exégèse médiévale. Les quatres sens de l'Écriture, 4 dln. (1959-1964); P. Wackers. Met ogen van toen. Middeleeuwse kunst: schoonheid en wetenschap (1980), p. 12. [H. Struik]
sensus tropologicus zie sensus moralissensus typologicus zie sensus allegoricus-1sententia, sententie of gnome-1(Neo)latijn voor een tekst met een ethische of stichtende inhoud. De sententia is, in tegenstelling tot het adagium of proverbium, van literaire oorsprong. Het genre kwam tot grote bloei in de Romeinse Oudheid (bijv. Juvenalis, Martialis, Ovidius en Tacitus). Sententiae konden als afzonderlijke tekst verschijnen, maar waren vaak opgenomen in een groter literair werk. Er werden zelfs verzamelwerken aangelegd, zoals de Disticha Catonis, zo genoemd omdat het lessen van de Romeinse wijsgeer Cato aan zijn zoon zouden zijn. Dit werk werd in de Middeleeuwen als schoolboek gebruikt en werd vertaald in het Middelnederlands als de Dietsche Catoen (ed. Jonckbloet, 1845; Beets, 1885). LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; LdMA; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
sententie zie sententiasentimentalisme, sentimentaliteit of sentimentele literatuurVerschijnsel uit de praktijk - en de reflectie daarop - van de letterkunde uit de tweede helft van de 18e eeuw, de periode van de ‘gevoelige verlichting’. Kenmerkend is de overgave aan de zogeheten ‘dierbare droefgeestigheid’. De term komt al voor bij L. Sterne (A sentimental journey, 1768), maar nog eerder vindt men het begrip ‘sentimentaliteit’, namelijk bij E. Young (Night thoughts, 1742-1745). Later volgde Rousseau (Julie ou la nouvelle Heloïse, 1761) en Goethe (Die Leiden des jungen Werthers, 1774). Feith zegt in verband met zijn roman Julia (vgl. Julie) van 1783 dat het sentimentele begeleid wordt door ‘verkwikkelijke, zilte en stille tranen’. Vooral in zijn romances domineert het sentimentele volledig. Beroemd werd zijn ‘Alrik en Aspasia’ (1784), enkele jaren later geparodieerd door Kinker. In de discussie over het verschijnsel mengden zich de tijdgenoten De Perponcher, Nieuwland en Kantelaar. Wolff en Deken noemden het een modeziekte. Bellamy typeerde het als gevoeligheid die niet tot grote daden leidt. Feith zelf maakte weliswaar een onderscheid tussen ‘ware’ en ‘valse’ sentimentaliteit, maar hij trok de grens op een andere plaats dan sommige tijdgenoten en lateren. Afwijzingen van het sentimentalisme in de literatuur blijven nog tientallen jaren lang opduiken ( De Wacker van Zon, HaverSchmidt e.a.), terwijl Huet zich afvraagt wie het ‘fijne en toch wezenlijke’ onderscheid onder woorden kan brengen tussen sentiment en sentimentaliteit: Indien het waar is, hetgeen iemand gezegd heeft, dat de echte sentimentaliteit gelegen is in de bewustheid der zamenstemming van hetgeen omgaat in het gemoed met den aanblik der natuur rondom ons, dan is Bellamy een groot sentimentalist geweest. Maar sentimenteel ‘in den smadelijken zin des woords’ - zoals Tollens' debuut Sentimenteele gedichten en geschriften (1799) - zijn Bellamy's gedichten niet; legt men Tollens ‘laffe prullen’ daarnaast, dan moet men volgens Huetconcluderen: ‘Bellamy is niet sentimenteel, hij is pathetisch’. Intussen is de vraag van Huet naar het onderscheid tussen sentiment en sentimentaliteit in de 20e-eeuwse Van Dale vrij eenvoudig beantwoord: sentiment is gevoel, sentimentaliteit is overdreven gevoeligheid, maar voorbeelden worden daar niet bij gegeven en het blijft dan ook een subjectieve kwestie. LIT: Abrams; Baldick; Cuddon; Gorp; Knuvelder, dl. 3 (1973), p. 177-179; Laan; MEW; Morier; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; P.J.A.M. Buijnsters. Tussen twee werelden (1963), p. 31-32; P. Krüger. Das Zeitalter der Empfindsamkeit (1972); G. Sauder. Empfindsamkeit, 3 dln. (1974-1980); G.J. Vis. De verlichte muze (1982), p. 43-81; J. Stouten. Verlichting in de letteren (1984), p. 43-47; B. Paasman. Het boek der verlichting (1986), p. 54. [G.J. Vis]
sentimentaliteit zie sentimentalismesentimentele literatuur zie sentimentalismeseptenarius zie heptameterseptetAlgemene benaming voor een zevenregelige strofe of zevenregelig gedicht. Het septet is bekend uit de Engelse literatuur (Chaucer, Shakespeare) in de vorm van het zgn. ‘rhyme royal’: een eenheid van zeven regels, geschreven in de jambische (jambe) pentameter, met het rijmschema ababbcc. In de Nederlandse literatuur vindt men een variant ervan in de zevenregelige strofen van het gedicht ‘Natuurloop’ (1788) van W. Bilderdijk. LIT: Alphen; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Lodewick; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
serenadeLied op het vallen van de avond en ook wel een avondgroet aan de teerbeminde. De serenade is vergelijkbaar met de aubade in de ochtend. Als voorbeeld kan Hoofts ‘Avontsang’ gelden:
LIT: Best; Cuddon; Gorp; MEW; Scott; Wilpert. [W. Kuiper]
seriatim zettenTerm uit de analytische bibliografie voor het zetten van bladzijden in hun numerieke volgorde, in tegenstelling tot het zetten van pagina's per drukvorm (binnen-, buitenvorm). De vraag of een boek seriatim of per vorm gezet is, is interessant voor de analytische bibliografie omdat er consequenties kunnen zijn voor de tekst. Voor seriatim zetten van bepaalde bibliografische formaten moet een werkplaats over meer letter beschikken dan voor het zetten per vorm. Bij een boek in folio-in-zessen bijv. kan er bij seriatim zetten pas gedrukt worden als er zeven pagina's gezet zijn: dan is nl. pas de binnenvorm van het derde vel waarin pagina 6 en 7 zitten compleet. Doordat er meer pagina's in lood staan, zou er een tekort aan bepaalde letters kunnen optreden, waarvoor men dan zijn toevlucht neemt tot het gebruik van een ander lettertype of in plaats van de ‘w’ een dubbele ‘vv’ zet, of zelfs met de spelling kan gaan marchanderen (‘z’ in plaats van ‘s’ e.d.). Het tekort zal zich echter allereerst wreken bij de initialen-1; men treft dan soms een gekantelde ‘Z’ aan in plaats van een ‘N’ of omgekeerd. Als er per vorm gezet zou worden, zou men meteen na voltooiing van een willekeurige binnen- of buitenvorm de pers aan het werk kunnen zetten. In het laatste geval is het echter nodig de kopij voor te berekenen, iets wat niet zonder risico's is (zeker bij proza, minder bij poëzie en toneelteksten) omdat bij een verkeerde berekening de kunstgrepen van uitdrijven of inwinnen toegepast moeten worden. Voorberekening van kopij had meer tot doel te bepalen hoeveel papier er bij gebruik van een bepaalde letter nodig was voor de productie van een boek. Wanneer in overgeleverde kopij gegevens van voorberekening aangetroffen worden, hoeft dat nog niet te betekenen dat er ook inderdaad per vorm gezet is. Een bewijs voor zetten per vorm kan wel zijn het voorkomen van dezelfde initiaal of beschadigde letter in zowel de binnen- als buitenvorm van een katern. De normale gang van zaken lijkt het seriatim zetten geweest te zijn. Drukken per vorm zou toegepast kunnen zijn bij bepaalde, veel letter vergende, formaten, in het geval van gelijktijdige productie van meer boeken in één werkplaats en - het meest voor de hand liggend - bij een pagina-voor-pagina-herdruk van een boek in hetzelfde formaat en met dezelfde letter. Er zijn aanwijzingen dat in de incunabelperiode per vorm gezet is en ook in de drukkerij van Plantijn schijnt het zetten per vorm toegepast te zijn, echter niet meer na 1565. LIT: D.F. McKenzie. ‘Printers of the mind: some notes on bibliographical theories and printing-house practices’, in: Studies in Bibliography 22 (1969), p. 1-75, m.n. p. 37-41; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 40-42; L. Hellinga-Querido. Methode en praktijk bij het zetten van boeken in de vijftiende eeuw (1974); F.A. Janssen. ‘Some notes on setting by formes’, in: Quaerendo 16 (1986), p. 191-197. [P.J. Verkruijsse]
sermocinatioStijlfiguur uit de retorica, nl. één van de mogelijkheden binnen de aversio: het zich afwenden door de verteller van zichzelf (aversio ab oratore) door het inlassen in het verhaal van een aan een ander in de mond gelegde monoloog of dialoog in de directe rede. Als voorbeeld kunnen een paar regels uit het gedicht ‘De olifant’ van De Schoolmeester dienen:
LIT: Buddingh'; Gorp; Lausberg; Metzler; Morier. [P.J. Verkruijsse]
sermoen zie preeksextern zie seniosextetGroepje van zes versregels, vooral bekend als onderdeel van het klassieke sonnet. Het is het gedeelte volgend op het octaaf en omvat de verzen 9-14. Soms is het opgebouwd uit twee terzinen, soms uit drie disticha, soms uit een kwatrijn en een distichon. LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
sextodecimo zie sedecimoSF zie sciencefictionsfeer zie atmosfeerShakespeareaans sonnet of Engels sonnetTerm uit de genreleer ter aanduiding van een vijfjambisch sonnet met als rijmschema ababcdcdefefgg. Het bestaat uit drie kwatrijnen en een distichon. De twee laatste verzen, veelal ook typografisch van de rest gescheiden, geven vaak een conclusie of toepassing van het voorafgaande. De wending of volta valt dan niet, zoals meestal bij het sonnet, na het tweede kwatrijn, maar na het derde. Als voorbeeld kan verwezen worden naar de ‘Sonnetten van Shakespeare’ van Boutens (P.C. Boutens. Verzamelde lyriek, dl. 2, 1968, p. 1138-1175). LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Lodewick; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
short story zie verhaal-1short titleTerm uit de bibliografie voor een in verkorte vorm geciteerde boektitel (titel) in een catalogus-1 of bibliografie. Sinds door de analytische bibliografie het besef is doorgedrongen dat drukken niet goed onderscheiden kunnen worden door de tekst op de titelpagina (een fingerprint is betrouwbaarder), verschijnen er steeds meer bibliografische naslagwerken met short titles in gestandaardiseerde vorm, i.p.v. met de volledige transcriptie van de titelpagina. Voor de STCN (Short-Title Catalogue, Netherlands) wordt ‘de kortst mogelijke zin (consistente syntactische structuur) die uit de boektitel, (...), de aanhef van de titel en de benaming van het werk bevat’, als short title gehanteerd. Catalogi met short titles zijn bijv.: Short-title catalogue of books printed in the Netherlands and Belgium and of Dutch and Flemish books printed in other countries from 1470 to 1600 now in the British Museum (1965) en A short-title catalogue of books printed at Hoorn before 1701 (1979). LIT: BDI; Handleiding voor de medewerkers aan de STCN (19882), p. 26-31. [P.J. Verkruijsse]
short-title catalogue of stcBibliografische aanduiding van een lijst van boeken die in relatief korte tijd samengesteld kan worden omdat alleen de allernoodzakelijkste gegevens van de beschreven objecten genoteerd worden. De volgende elementen dienen minimaal in een stc aanwezig te zijn: auteur, (verkorte) titel, plaats van uitgave, naam van drukker-uitgever-boekverkoper, jaar van uitgave, opbouwformule en bewaarplaats van het beschreven exemplaar (bibliotheeksignatuur). Voor Nederland is een begin gemaakt met het samenstellen van een catalogus-1 van de Nederlandse boekproductie uit het verleden, de STCN (Short-Title Catalogue, Netherlands). Als eerste vrucht daarvan is verschenen de STC Hoorn: A short-title catalogue of books printed at Hoorn before 1701 (1979). In 1965 verscheen reeds de Short-title catalogue of books printed in the Netherlands and Belgium and of Dutch and Flemish books printed in other countries from 1470 to 1600 now in the British Museum. Als snelle methode voor het onderscheiden van drukken kan een stc een aantal katernsignatuurposities noteren (zoals de STCN) of een zgn. fingerprint samenstellen (zoals in het Engelse LOC-project, de stc van Londen, Oxford enCambridge). LIT: Brongers; Cuddon; Feather; J.A. Gruys en C. de Wolf. ‘Inleiding’, in: A short-title catalogue of books printed at Hoorn before 1701 (1979); Michael A. Pegg. ‘Short Title Catalogues. Notes on identity of texts’, in: Flugschriften als Massenmedium der Reformationszeit (1981), p. 29-41. [P.J. Verkruijsse]
showingTerm uit de verteltheorie of romananalyse voor één van de beide grondvormen van het vertellen; de andere is telling. Onder showing verstaat men de presenterende vertelvorm waarbij de verteller uit het verhaal terugtreedt en zelf geen commentaar of visie op de weergegeven geschiedenis geeft. Vooral bij de personale vertelwijze of bij de ik-vertelwijze is sprake van showing. De vaak veronderstelde objectiviteit van deze vertelvorm is zeer dubieus, omdat juist deze vertelvormen zeer veel mogelijkheden bieden tot een onbetrouwbaar perspectief op het vertelde. LIT: Abrams; Boven/Dorleijn; Prince; W.C. Booth. The rhetoric of fiction (1961); F.C. de Rover. ‘De boodschap van de vent achter de vorm’, in: Spektator 4 (1974-1975), p. 249-268. [G.J. van Bork]
sicBetekent zoveel als: ‘zo staat het er echt!’ Sic wordt gebruikt om de lezer te attenderen op een bijzonderheid of fout in een citaat of in een teksteditie. Meestal staat het tussen ronde haken: (sic). Hoewel het gebruik sterk afneemt, treft men sic tegenwoordig terecht vaker aan tussen rechte haken [sic], omdat het een ingreep is door degene die citeert of editeert. LIT: Best; Cuddon; Scott. [H. Struik]
sick verseVorm van poëzie gekenmerkt door de ‘sick joke’: de lugubere grap. De teksten in dit genre zijn veelal een product van melancholie en wanhoop. Thema's zijn ongeluk, dood, ziekte en wreedheid. De spot is bijtend, sardonisch en sarcastisch (sarcasme): galgenhumor. Men vindt het verschijnsel al bij Fr. Villon in zijn ‘Ballade des pendus’. De moderne letterkunde biedt allerlei voorbeelden, variërend van E.A. Poe's ‘The Raven’ tot Les fleurs du mal (vol ‘spleen’) van Ch. Baudelaire. In de Nederlandse literatuur kan men terecht bij P. Paaltjens' Snikken en grimlachjes (1867), met als voorbeeld het gedicht ‘De zelfmoordenaar’. Sick verse is verwant aan de zwarte humor zoals die voorkomt in het absurdisme en de black comedy van J. Anouilh en H. Pinter. Verwantschap is er ook met sommige werken van Joseph Keller, Günter Grass en Kurt Vonnegut Jr. op het punt van de mengeling van het komische met het afschrikwekkende of absurde. LIT: Cuddon. [G.J. Vis]
sigle-1, initiaal-2 of littera singularisTerm uit de paleografie voor een abbreviatuur van één letter. Door middel van suspensie (afkapping) wordt een woord afgekort tot slechts de eerste letter overblijft, bijv. d' = daer. Zelf is sigle een afkorting van ‘littera singularis’. Een hedendaags voorbeeld van een sigle is ons guldenteken [florijnteken] (florijn). LIT: Metzler; Wilpert; A. Cappelli. Dizionario di abbreviature latine ed italiane (1973); B. Bischoff. Paläographie des römischen Altertums und des abendländischen Mittelalters (19862), p. 192-213; J.L. van der Gouw. Oud schrift in Nederland (19802), p. 61-67; P.J. Horsman, Th.J. Poelstra en J.P. Sigmond. Schriftspiegel. Nederlandse paleografische teksten van de 13e tot de 18e eeuw (1984); B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), m.n. p. 102-129. [H. Struik]
sigle-2Term uit de editiewetenschap voor de letters waarmee documentaire bronnen worden aangeduid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen diverse siglen. Zo zijn er basissiglen voor de bronnen: M voor manuscript, T voor tijdschriftpublicatie, P voor drukproef, D voor druk, G voor geluidsregistratie en B voor beeldregistratie. Volgordesiglen geven de ontstaansvolgorde per soort bron aan: D1 en D2 bijvoorbeeld voor 1e en 2e druk. Men kan schrijverssiglen gebruiken om diverse handen in een manuscript te benoemen: zo kan M1Bi bijvoorbeeld de correctielaag van Binnendijk in een manuscript van Marsman aangeven. Ook het voorkomen van diverse inktsoorten e.d. in een manuscript kan door middel van schrijfstofsiglen aangeduid worden: p = potlood, i = inktpen, b = ballpoint enz. LIT: Mathijsen. [P.J. Verkruijsse]
signatuurTerm waarmee twee verschillende zaken worden aangeduid: de bibliotheeksignatuur en de katernsignatuur. LIT: BDI; Best; Cuddon; Feather; Hiller; MEW; Scott. [P.J. Verkruijsse]
significaAanduiding voor de (deels verouderde) wetenschap der menselijke verstandhouding zoals die zich heeft ontwikkeld sinds de Engelse Victoria Welby ± 1900 het initiatief nam voor een onderzoek dat moest leiden tot helderheid en ondubbelzinnigheid in communicatiemiddelen teneinde misverstand en wantrouwen tussen mensen en groepen uit te bannen. In Nederland werd haar werk voortgezet door de in 1922 opgerichte Signifische Kring waartoe o.a. de letterkundige F. van Eeden en de taalkundige J. van Ginneken behoorden. Belangrijk voor de letterkunde is de opvatting in genoemde kring dat de taaldaad meer kan omvatten dan alleen de aanwijzing van een verifieerbare werkelijkheid. Dit ‘meer’ hangt o.a. samen met de houding van de spreker-schrijver (auteursintentie), de meerduidigheid van de tekst (ambiguïteit) en de gesteldheid van de recipiënt (receptie-esthetica). De taaldaad heeft naast een indicatieve ook een emotionele en ‘volitionele’ (wils-)kant, zoals met name in literaire, expressieve (expressie) of persuasieve teksten het geval kan zijn. Onder invloed van het streven van de Signifische Kring naar duidelijkheid in de onderlinge verstandhouding heeft men ( Vestdijk, Lodewick) wel gesproken van significatieve kunst ter aanduiding van teksten met een scherp omlijnde betekenis (tegenover musische kunst). LIT: Knuvelder, dl. 4 (1977), p. 193-194; Lodewick; MEW; Shipley; Encyclopaedisch handboek van het moderne denken (19503), p. 659-662; Elseviers kleine filosofische en psychologische encyclopedie (1960), p. 204. [G.J. Vis]
significatioLetterlijk: zingeving. Term uit de middeleeuwse poëtica-1 voor die wijze van interpreteren van Gods schepping die ervan uit gaat dat iets niet alleen is wat het lijkt te zijn, maar daarnaast ook een hogere betekenis in zich heeft en op analogische wijze (analogie-1) refereert aan de heilsgeschiedenis. Deze significatio wordt gevoed door de middeleeuwse bijbelexegese (hermeneutiek), de quator sensus scriptorum, die uiteenvalt in een letterlijke betekenis (sensus litteralis) en een figuurlijke betekenis (sensus allegoricus). Met name in de middeleeuwse dierenencyclopedieën (bestiarium) treft men significatio aan, zowel profaan - Jacob van Maerlant vergelijkt in Der naturen bloeme (ca. 1270, ed. Verwijs, 1878, boek III, vs. 2111-2150) de Vlaamse gaai met de rondtrekkende verhalenverteller (jongleur, minstreel) - als theologisch. In de retorica gebruikt men significatio ook in de betekenis van emfase: het leggen van nadruk door een pregnante vertelwijze. LIT: Lausberg; W.P. Gerritsen. ‘De dichter en de leugenaars. De oudste poëtica in het Nederlands’, in: NTg 85 (1992), p. 2-13. [W. Kuiper]
signumTerm uit de paleografie voor de taalkundige betekenis dragende elementen (de lettertekens) in een bron. Bij de transcriptie dienen de signa onderscheiden te worden van de figurae (figura-2) zoals illustraties of lijnen en krullen die tekstgeledingen aanbrengen. LIT: W.Gs Hellinga. ‘Principes linguistiques d'édition de textes’, in: Lingua 3 (1953), p. 295-308; P.J. Verkruijsse. ‘Over diplomatisch editeren van handschriften en het gebruik daarbij van diacritische tekens’, in: Spektator 3 (1973-1974), p. 325-346. [P.J. Verkruijsse]
silbetellend vers zie isosyllabisch verssimileTerm uit de retorica (met name de elocutio) voor dat deel van de metaforische (metaforiek) beeldspraak dat het punt van vergelijking (tertium comparationis) genoemd wordt: het element waarin beeld en verbeelde overeenstemmen. In de zin ‘hij loopt als een haas’ is dat de snelheid. Sommigen gebruiken de term simile eveneens voor het tegendeel van wat gezegd wordt (dus voor datgene wat feitelijk bedoeld wordt) bij de |