T

taalbouw

Het streven om de nationale volkstaal op een gelijk niveau met het Latijn te brengen door het standaardiseren van spelling en grammatica. De belangstelling voor de klassieken leidde ertoe dat veel humanisten (humanisme) zich uitsluitend van het Latijn bedienden als taal van kunst en wetenschap; de nationaal gerichte renaissance had - uiteraard het eerst in Italië(Dante, Boccaccio, Petrarca) - waardering voor de moedertaal, die eveneens geschikt bleek voor literaire werken van gehalte. In de 16e en 17e eeuw kreeg de taalbouw voor de West-Europese talen haar beslag, in de Nederlanden vooral in navolging van wat in de kring van de Pléiade reeds bereikt was (J. du Bellay. La deffense et illustration de la langue françoise, 1549).

Vanaf het midden van de 16e eeuw werpen spraakkonstenaren als Joos Lambrecht, Pontus de Heuiter, Christiaen van Heule, Jacob van der Schuere, Petrus Leupenius en anderen zich op de verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands, bijgestaan door invloedrijke wetenschappers (Simon Stevin) en literatoren (Coornhert, Van Hout, Hooft, Vondel). Aan het eind van de 18e eeuw is het taalbouwproces min of meer voltooid: er was toen een vrij algemeen aanvaarde schrijftaal ontstaan. Belangrijke momenten in de taalbouwfase, waarin de zuivering (purisme) van de taal een belangrijke rol speelt, zijn de publicatie van het Nederlandse trivium: de Twee-spraack (1584), het Ruygh-bewerp (1585) en de Rederijck-kunst (1587); het taalkundig overleg tussen Hooft, Vondel, De Hubert en Reael (1622-1625) en tussen de translateurs in het kader van de voorbereiding op de Statenvertaling van de bijbel (1628-1633).

Bloemlezingen waarin belangrijke stukken en uitspraken in verband met de taalbouw zijn uitgegeven, zijn van F.L. Zwaan. Uit de geschiedenis der Nederlandsche spraakkunst (1939) en G.S. Overdiep. Onze Renaissance in proza (1939).

LIT: C.G.N. de Vooys. Geschiedenis van de Nederlandse taal (19525), hoofdstuk III-IV; L. van den Branden. Het streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands in de 16de eeuw (1956); W. Hellinga. Bijdragen tot de geschiedenis van de Nederlandse taalcultuur, ed. P. Tuynman (1968); D.M. Bakker & G.R.W. Dibbets (red.). Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde (1977), hoofdstuk 2-3; G.R.W. Dibbets (ed.). Twe-spraack vande Nederduitsche letterkunst (1584) (1985); L. Peeters. Taalopbouw als renaissance-ideaal (1990); M. van der Wal en C. van Bree. Geschiedenis van het Nederlands (1992), hoofdstuk 7-10; M.J. van der Wal. De moedertaal centraal; standaardisatie-aspecten in de Nederlanden omstreeks 1650 (1995). [P.J. Verkruijsse]

 

taalspel

In algemene zin verstaat men onder taalspel de spelregels die in poëzie gehanteerd worden om aan een tekst een specifiek poëtische functie toe te kennen. De lezer wordt geacht die spelregels te kennen om een tekst als poëzie te lezen (de zogenaamde poëtische leeshouding) en niet als een normale referentiële taaluiting. Wanneer Armando de tekst van een reclamefolder gebruikt in het hier volgende voorbeeld

 de machine is uitgerust met 4 hakborden
 de machine heeft 3 luchtbandwielen
 de machine werkt ook met 3 groepen van 2 borden
 (De Nieuwe Stijl, dl. 1, 1965, p. 97-109)

dan veronderstellen de presentatiewijze en de plaats van publicatie (in een literair tijdschrift) een poëtische leeshouding van de lezer, waardoor de oorspronkelijk referentiële tekst een poëtische wordt.

In engere zin gebruikt men de term ook voor meer specifieke vormen van taalgebruik, zoals het woordenspel of de woordspeling.

LIT: Alphen. [G.J. van Bork]

 

taalzuivering zie purisme

tableau vivant, stomme vertoning of vertoning

Toneelterm voor een uitbeelding door zwijgende personen van een tafereel (allegorisch, bijbels of historisch), hetzij als onderdeel van een toneelspel-1, hetzij als afzonderlijk geheel. Soms worden tableaux vivants door een gesproken tekst verduidelijkt. In de Middeleeuwen komen tableaux vivants voor in de mysteriespelen en moraliteiten. De rederijkers voerden tableaux (toog) mee op wagens tijdens hun optochten. Tijdens de renaissance werden vertoningen ingericht bij belangrijke historische gebeurtenissen als de Vrede van Munster (1648) en bij intochten van staatshoofden als Christina van Zweden in 1656 en Amalia van Solms in 1659.

Ook kunnen vertoningen ingelast worden in de tragedie, al worden die meestal niet expliciet in de tekst aangegeven. Een aantal van de zogenaamde ‘stomme personagien’ die vaak wel aangegeven worden, zal te zien geweest zijn in de vertoningen (bijv. Witte van Haemstede in Vondels Gysbreght). Diverse stukken van Vondel zijn gelardeerd met vertoningen, ontworpen door Jan Vos, bijv. de Gysbreght van Aemstel, Maegden en Gebroeders. In Jan van Arps Chimon worden de vertoningen uitdrukkelijk aangegeven (fol. G4 recto): ‘I. Vertooninghe. Waer Florimondt trouwt Luciana, in Iunoos Tempel door den Priester; II. Vertooninghe. Waer Polidoor trouwt Casandera, als de voorgaende’. Een aantal toneelvertoningen heeft ongetwijfeld als inspiratiebron gediend voor schilderijen van o.a. Rembrandt.

In Amsterdam was het verzorgen van vertoningen opgedragen aan Samuel Coster in de jaren 1618-1648 en aan Jan Vos in de periode 1648-1667. Dat tableaux vivants nog lang tot de toneelpraktijk hebben behoord, bewijst het in 1753 verschenen Verscheide vertooningen, geschikt ter versieringe van eenige tooneelspelen. Ook tegenwoordig nog komen ze voor op praalwagens in allerlei optochten.

LIT: Baldick; Best; Gorp; Metzler; Scott; G. Kalff. ‘Bijdrage tot de geschiedenis van het Amsterdamsch tooneel in de 17e eeuw’, in: Oud-Holland 13 (1895), 1-33; B. Hunningher. Het toneel in de Amsterdamse Schouwburg van 1637 (1959); W.M.H. Hummelen. Inrichting en gebruik van het toneel in de Amsterdamse Schouwburg van 1637 (1967); D.P. Snoep. Praal en propaganda; triumfalia in de Noordelijke Nederlanden in de 16de en 17de eeuw (1975); B. Albach. Langs kermissen en hoven; ontstaan en kroniek van een Nederlands toneelgezelschap in de 17de eeuw (1977); M.B. Smits-Veldt en G. Teusink. Conventies in de mise-en-scène op het toneel van Van Campen (1637-1665); een onderzoek naar de voorstelling van de ‘gespeelde ruimte’ (1978); W. Hoogendoorn. ‘Sieraaden van het tooneel. Iets over vertoningen in de Amsterdamse schouwburgen van 1637 en 1665’, in: In memoriam Dr. W.Ph. Pos. Scenarium (1978), nr. 2, p. 70-82; E. Oey-De Vita. ‘Vertoningen en pantomimes in vroeg-17e-eeuwse toneelstukken (1610-±1620)’, in: Nederlands toneel in de 17de en 18de eeuw. Scenarium (1984), nr. 8, p. 9-25. [W. Kuiper]

 

Tachtigers of Beweging van Tachtig

Beweging van jonge Nederlandse schrijvers die rond 1880 voor het eerst in de openbaarheid traden met poëzie, proza en kritisch proza, en die zich afzetten tegen literatuuropvattingen van hun voorgangers, met name de 19e-eeuwse realisten. In een tweetal publicaties werd met die voorgangers afgerekend. Cornelis Paradijs (= Frederik van Eeden) schreef een parodie op de ‘domineespoëzie’ die de roem van Ten Kate, Beets, Ter Haar, Schaepman e.v.a. deed verkeren in beruchtheid. En vervolgens toonden Kloos en Verwey De onbevoegdheid der Hollandsche literaire kritiek (1886) aan naar aanleiding van de recensies van hun mystificatie Julia, een verhaal van Sicilië (1885), zogenaamd geschreven door Guido.

In hun werk worden de consequenties van het individualisme van de internationale romantiek ten volle serieus genomen. Jacques Perk (1859-1881) werd door de Tachtigers als voorloper gezien. Zijn sonnettenkrans Mathilde (1882) werd uitgegeven door Carel Vosmaer en Willem Kloos, van wie de laatste er een inleiding bij schreef die door de Tachtigers als een poëtisch manifest werd beschouwd. De belangrijkste vertegenwoordigers van de beweging waren Willem Kloos, Albert Verwey, Frederik van Eeden, W.A. Paap, F. van der Goes, Lodewijk van Deyssel, Herman Gorter en Hélène Swarth. Vóór 1885 vonden de Tachtigers publicatiemogelijkheden in De Nederlandsche Spectator en De Amsterdammer, maar in 1885 richtten ze hun eigen tijdschrift op: De Nieuwe Gids. Dit blad kan tot 1894 en in feite alleen voor het literaire deel erin aanspraak maken op het predikaat Tachtiger-tijdschrift.

De Tachtigers concentreerden zich aanvankelijk te Amsterdam, waar onder de herleefde economische bloei een progressieve culturele sfeer ontstond, waarin ook de impressionistische (impressionisme) schilderkunst opkwam. In het begin was de ontmoetingsplaats de sociëteit Flanor in de Kalverstraat.

Het poëtisch programma van Tachtig moet gereconstrueerd worden uit een aantal van hun geschriften. De belangrijkste punten ervan zijn:

1. Kunst is passie. In de inleiding op Perks Gedichten (1882) verwijst Kloos naar Leigh Hunts definitie van poëzie: ‘Poetry is imaginative passion’.

2. De Tachtigers richtten zich vooral op de schoonheid. Het is een esthetische beweging, waarin het moraliserende of nuttige voor de kunst werd afgewezen. Dit is het bekende l'art pour l'art-principe.

3. Het was een individualistische beweging. De kunst moest zijn de ‘allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie’ schreef Kloos in zijn inleiding op Perk en naar aanleiding van Gorters sensitieve verzen.

4. Vorm en inhoud dienden één te zijn, d.w.z. de vorm dient de betekenis en stemming van het gedicht uit te drukken. Kloos formuleert dat in zijn inleiding op Perks' sonnetten als volgt:

Vorm en inhoud bij poëzie zijn één, in zooverre iedere verandering in de woorden een gelijkloopende wijziging in het beeld of de gedachte, en iedere wijziging in deze eene overeenkomstige nuanceering van de stemming aanduidt.
(Jacques Perks Gedichten, ed. Stuiveling, 1958, p. 56).

5. Zintuigelijke waarneming staat - in navolging van het impressionisme in de schilderkunst - voorop. Vandaar dan ook dat kleuren, geuren, geluid en beweging of vermenging van die elementen tot synesthesie bij de Tachtigers een grote rol spelen.

De belangrijkste buitenlandse voorbeelden voor de Tachtigers waren Shelley, Keats, Wordsworth, Hunt, Swinburne, Rossetti en Von Platen voor de poëzie. Voor het proza waren dat vooral de Franse naturalisten: Zola en de gebroeders De Goncourt. De invloed van de Tachtigers op de beweging van Van Nu en Straks in de Zuid-Nederlandse letteren is evident. De Beweging van Tachtig functioneerde slechts kort als een eenheid. Toen de nieuwe poëzie eenmaal geaccepteerd was, konden veel Tachtigers al geen vrede meer hebben met het puur esthetische van de beweging en begonnen de paden uiteen te lopen.

LIT: Best; Buddingh'; Gorp; Laan; MEW; Preminger; A. Verwey. Inleiding tot de nieuwe Nederlandsche dichtkunst (1905); E. d'Oliveira. De mannen van '80 aan het woord (1908); N.A. Donkersloot. De episode van de vernieuwing onzer poëzie (1880-1894) (1929); G. Stuiveling. De Nieuwe Gids als geestelijk brandpunt (1935); W.J.M.A. Asselbergs. Het tijdperk der vernieuwing van de Noordnederlandse letterkunde (Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden, dl. 9, 1951); N.A. Donkersloot. Beeld van Tachtig (1952); J.C. Brandt Corstius. Het poëtisch programma van Tachtig (1968); B. Luger e.a. (red.). De Beweging van Tachtig. Schrijversprentenboek 22 (1982); E. Endt. Het festijn van Tachtig (1990). [G.J. van Bork]

 

tachygrafie of brachygrafie

De oudste vorm van snelschrift, ontwikkeld in de Griekse oudheid; De tiroonse notae (nota-1) die veelvuldig gebruik maakten van abbreviaturen. Van deze notae werd in de Karolingische tijd opnieuw veel gebruik gemaakt. De tachygrafie is later vervangen door de stenografie.

LIT: Brongers. [P.J. Verkruijsse]

 

tafelspel of presentspel

Eenvoudig gelegenheidstoneelstuk behorend tot het rederijkerstoneel, dat voornamelijk in de 15e en 16e eeuw bij een feestelijke gelegenheid voor een tafelend privé-gezelschap werd opgevoerd. In tegenstelling tot de andere toneelvormen van de rederijkers was het tafelspel niet bedoeld om in het openbaar vertoond te worden. Omdat na afloop van het stuk ook wel eens een geschenk werd overhandigd, valt in dit verband soms de term presentspel. Het spel was ca. 200 tot ca. 400 versregels lang en werd gespeeld door maximaal vier acteurs, die met elkaar en (in geval van een monoloog door één acteur) met het publiek discussieerden over een of andere in de gegeven situatie actuele kwestie (bijv. de prioriteitsvraag bij de aan te bieden geschenken).

Het tafelspel is in tegenstelling tot het spotsermoen geen voordracht maar spel, ook als er sprake is van een monoloog door één acteur. Mak heeft het vermoeden uitgesproken dat het genre teruggaat op een dialoog van een zot (nar) met zijn marot. Rechtstreekse aanspraak van en allusies op het feestgezelschap wijzen op het feit dat het publiek direct bij het spel betrokken werd, wat vergemakkelijkt werd doordat er niet op een toneel, maar gewoon tussen het etende gezelschap werd gespeeld. In een groot aantal gevallen werden de stukken expliciet tafelspel genoemd, bijv. het Tafelspel van een personagie genaemt S. Lasant ende is een Pillegrom of het Tafelspel van twee bedelaers. Een deel van het genre gaat echter schuil achter de benamingen van een aantal verwante genres, zoals bruiloftspel en vastenavondspel. Ook onder (es)batementen en kluchten vinden we vertegenwoordigers van het tafelspel.

LIT: Best; Cuddon; Gorp; Laan; MEW; Wilpert; J.J. Mak. De rederijkers (1944), p. 79-89; J.J. Mak. ‘De tafelspelen van Hooft’, in: Uyt ionsten versaemt. Retoricale studieën 1946-1956 (1957), p. 202-210; W.M.H. Hummelen Repertorium van het rederijkersdrama, 1500-ca. 1620 (1968); H. Pleij. Het gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen (19832), p. 81-86; P. Lammens-Pikhaus. Het tafelspel bij de rederijkers, 2 dln. (1988-1989). [H. Struik]

 

tafreel zie scene

t.a.p. zie o.c.

tautologie

Stijlfiguur, door sommigen als voorbeeld van de perifrase aangemerkt, waarbij eenzelfde zaak tweemaal geheel tot uitdrukking wordt gebracht. De bedoeling daarvan kan zijn dat men iets wil benadrukken:

 Hij sprak en zeide
 (G. Gossaert. Experimenten 194911, p. 162).

Ook kunnen tautologieën dienst doen metri causa of als stoplappen vereist worden door rijmdwang. Deze vorm van redundant taalgebruik is verwant aan het pleonasme.

LIT: Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Scott; Wilpert; J.W. Muller. ‘Over tautologiën in het Nederlands’, in: Mélanges (...) Salverda de Grave (1931), p. 218-232. [G.J. Vis/P.J. Verkruijsse]

 

tegenzang zie antistrofe-1

teichoskopie

De teichoskopie (of muurschouw, genoemd naar de passage in het derde boek van Homerus' Ilias waarin Helena, staande op de muur van Troje, de Griekse helden beschrijft die voor Troje gelegerd zijn) is een dramaturgisch hulpmiddel om door middel van een waarnemer op een hoger punt (stadswallen, toren, heuvel) verslag te laten uitbrengen van gebeurtenissen die zich tegelijkertijd elders afspelen en die wel van belang zijn voor de handeling in het drama, maar die niet op het toneel vertoond kunnen worden. Enerzijds kan een element uit de toneeltheorie, bijv. de eenheid van plaats (Aristotelische eenheden) of het verbod tot het afbeelden van gruwelijke gebeurtenissen, een belemmering zijn om iets ten tonele te voeren; anderzijds kunnen technische bezwaren een voorstelling in de weg staan, zoals veld- of zeeslagen.

Vooral het klassieke drama maakt gebruik van teichoskopie. Bij Vondel zijn er voorbeelden van te vinden in de Maeghden (1639), in de Gebroeders (1640), in Koning David herstelt (1660) en in Joseph in Dotan (1640). In Maeghden bijv. klimt de burgemeester van Keulen met de aartsbisschop op de muur om uitzicht te hebben op het leger van Attila en van de maagden:

 Klim zacht, vermoeide Vorst, geeft my uw rechte hand.
 Nu zet u hier, dees trans heeft over 't platte land
 Zijn uitzicht (vss. 875-877).

De teichoskopie is verwant aan het bodeverhaal waarin iemand achteraf verslag doet van gebeurtenissen die zich elders hebben afgespeeld.

LIT: Bantel; Best; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert; J.C. Arens. ‘De teichoscopie uit Euripides’ Phoenissae in Vondels Maeghden’, in: NTg 57 (1964), p. 161-164; M.B. Smits-Veldt. ‘Vondel en de Schouwburg van Jacob van Campen’, in: Visies op Vondel na 300 jaar (1979), p. 247-269. [P.J. Verkruijsse]

 

teken

Term uit de wetenschapsleer als algemene aanduiding voor een onderdeel van een proces (semiotiek) waarin iets verwijst naar iets anders. Het representatieve (symbool) karakter van een teken fungeert binnen een drieledige relatie: (1) met andere tekens, (2) met datgene waarnaar het teken verwijst en (3) met de gebruiker die het interpreteert. Dienovereenkomstig onderscheidt men linguïstisch gezien drie gebieden: syntaxis, semantiek en pragmatiek.

In de literatuurwetenschap is het niet ongebruikelijk om de literaire taal - ten opzichte van de omgangstaal, de taal van alledag in woord en geschrift - als een secundair tekensysteem te zien (vormgevingsprincipes). Zo kan men een vorm van beeldspraak als de metafoor beschouwen als een secundair teken ten opzichte van de tekens van het letterlijk taalgebruik als primair teken dat aan het figuurlijk taalgebruik van de beeldspraak ten grondslag ligt.

LIT: Alphen; Best; Boven/Dorleijn; Gorp; Marouzeau; Shipley; A. van Zoest. Semiotiek (1978), p. 63-97; G.E. Booij e.a. Lexicon van de taalwetenschap (19802); J.J.A. Mooij. Idee en verbeelding (1981), p. 43; J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (19833), p. 57-61. [G.J. Vis]

 

tekst

Reeks taaltekens die gepresenteerd worden als een op enigerlei wijze afgerond geheel. Een tekst kan dus zowel een gedicht, een roman of een toneeltekst zijn, als een dialoog, een krantenbericht of een menukaart in een restaurant. Onder invloed van het modernisme werden allerlei tekstvormen in de literatuur geïntroduceerd die daarvoor niet of nauwelijks een rol speelden. Met name in de collage begonnen reclameteksten, krantenkoppen en soortgelijke tekstvormen een functie te vervullen in de literatuur. Ook bij een beweging als het neorealisme werden in de tijdschriften Barbarber en Gard Sivik teksten opgenomen die ontleend werden aan folders, circulaires, reclamemateriaal etc., de zgn. readymades. Daarmee werd de vraag naar de meerwaarde of ‘het andere’ van de literaire tekst gesteld, een vraag die in feite niet te beantwoorden valt, ook niet door op het aspect van de fictionaliteit (fictie) te wijzen. Blijkbaar is het van de vigerende literatuuropvatting afhankelijk wat men onder literatuur verstaat en het is vooral om die reden dat men in de literatuurwetenschap vaak de voorkeur geeft aan de neutraler term ‘tekst’.

Dat is dan ook één van de redenen waarom in de jaren '60 ook binnen de algemene literatuurwetenschap een subdiscipline tekstwetenschap ontstond.

LIT: Baldick; BDI; Boven/Dorleijn; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; Krywalski; MEW; Wilpert; S.J. Schmidt. Teksttheorie (1976); Teun A. van Dijk. Tekstwetenschap. Een interdisciplinaire inleiding (1978); H. Kalverkämper. Orientierung zur Textlinguistik (1981); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (1981), p. 98-117; W. van Peer. ‘Tekst’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.). Sleutelwoorden (1991), p. 158-165. [G.J. van Bork]

 

tekstanalyse zie analyse

tekstbezorger zie editeur

teksteditie, editietechniek of editiewetenschap

De vereiste wetenschappelijke kennis en technische vaardigheden om te komen tot een verantwoorde wijze van het editeren van teksten. Tot die kennis en vaardigheden behoren tal van (sub)disciplines, zoals de codicologie, de analytische bibliografie, de archivistiek, de paleografie en de heuristiek. Voor een degelijk commentaar is bovendien een grote kennis van de biografie van de auteur, de contemporaine (cultuur)historische situatie en van de historisch-taalkundige aspecten van de tekst noodzakelijk.

Bij de editietechniek zal men doorgaans ook het geïntendeerde publiek van een tekstuitgave in het oog houden, omdat daarvan afhangt voor welk type editie een editeur of tekstbezorger zal kiezen: historisch-kritische editie, studie-editie, schooleditie, leeseditie, facsimile-editie, diplomatische editie, archiefeditie e.d.

Voor een wetenschappelijk verantwoorde wijze van uitgeven is voor al deze editietypen het voorwerk van de historisch-kritische editie vereist. Daarbij is immers nagegaan hoe de verhouding is tussen de verschillende tekststadia en de tekstvarianten die zich in die stadia voordoen. Alleen op die manier is een verantwoorde basistekst voor een uitgave vast te stellen. Bij de meeste tekstuitgaven ontbreekt echter een dergelijke grondslag en dat is dan ook de reden geweest voor de oprichting van het Constantijn Huygens Instituut (CHI).

Dit instituut werd in 1992 onder de naam ‘Constantijn Huygens Instituut voor tekstedities en intellectuele geschiedenis’ opgericht. Het CHI kwam voort uit de fusie van drie bestaande instituten, waarvan het Bureau Basisvoorziening Tekstedities al een langere staat van dienst had op het gebied van de teksteditie. Zo kwamen onder meer de historisch-kritische edities van het werk van Bloem, Leopold en Nijhoff onder auspiciën van dit instituut tot stand, evenals het verzameld werk van Couperus. Op initiatief van het CHI werd tevens in 1995 het standaardwerk over teksteditie uitgegeven dat geschreven werd door M. Mathijsen: Naar de letter. Handboek editiewetenschap.

LIT: Baldick; BDI; Brongers; Cuddon; Feather; Gorp; Hiller; Mathijsen; Metzler; MEW; Ph. Gaskell. From writer to reader. Studies in editorial method (1978); K. Kanzog. Einführung in die Editionsphilologie des neueren deutschen Literatur (1991); G. Martens und W. Woesler (red.). Edition als Wissenschaft (1991); Voortgang en resultaten (jaarverslagen CHI vanaf 1993). [G.J. van Bork/P.J. Verkruijsse]

 

tekstgenese, tekstgeschiedenis of tekstoverlevering

Term uit de editietechniek voor de diachrone ontwikkeling van een tekst door verschillende synchrone, geautoriseerde (autoriseren) stadia heen. De stadia (ontwerp, klad, manuscript-2, typoscript, redactie-2) moeten tekstuele en ontstaansverwantschap vertonen.

Soms bevat een klad elementen voor verschillende gedichten die tekstueel weinig met elkaar te maken hebben; er is dan geen sprake van één tekstontwikkeling hoewel een deel van de genese gemeenschappelijk is. Zo blijken in één kladmanuscript van J.H. Leopold genetische elementen te zitten voor ‘Alsof alleen ik en ontdaan’ en voor gedichten uit de reeks ‘Voor vrouwestem’.

Ook is het mogelijk dat twee gedichten die tekstueel verwantschap vertonen een totaal andere tekstgenese hebben doorlopen. Dat is bijvoorbeeld het geval met Leopolds ‘In de bleeke wangen als violen’ en ‘Dit dan eerst’.

Bestudering van de tekstgenese kan in belangrijke mate bijdragen aan het inzicht in de poëticale opvattingen van een auteur. De verschillende stadia van de tekstgenese worden daartoe in een historisch-kritische editie zodanig geordend en weergegeven (vaak met behulp van diacritische tekens-1 in een variantenapparaat) dat de ontwikkelingsgeschiedenis goed te volgen is. Een voorbeeld van de weergave van de genese van een prozatekst, nl. Willem Elsschots Een ontgoocheling, is A. Kets-Vree: Woord voor woord; theorie en praktijk van de historisch-kritische uitgave van een prozatekst (1983). De tekstgenese van gedichten van J.H. Leopold is te vinden in de historisch-kritische edities van G.J. Dorleijn en H.T.M. van Vliet/ G. Sötemann: Gedichten uit de nalatenschap (2 dln., 1984), respectievelijk Gedichten II: nagelaten poëzie (2 dln. in 3 banden, 1985).

LIT: Gorp; Mathijsen; MEW; Texte und Varianten, ed. G. Martens en H. Zeller (1971), passim; A. Kets-Vree. Woord voor woord (1983), hoofdstuk III; G.J. Dorleijn. ‘Inleiding’, in: J.H. Leopold. Gedichten uit de nalatenschap, dl. 1 (1984), m.n. p. 20-21. [P.J. Verkruijsse]

 

tekstgeschiedenis zie tekstgenese

tekstinterpretatie zie interpretatie

tekstkritiek

Tekstkritiek vormt de basis voor de filologie van de bijbel en de klassieken die alleen in veel latere afschriften waren overgeleverd. De filoloog moest trachten aan de hand van dat gebrekkige materiaal corrupties op te sporen en in een kritische editie het archetype te reconstrueren. De 19e-eeuwse filoloog Karl Lachmann introduceerde de tekstkritische methode ook in de filologie van latere perioden, de neofilogie. Aanvankelijk dacht men dat tekstkritiek van gedrukte bronnen overbodig was, totdat men ontdekte dat ook in exemplaren van drukken varianten voorkwamen (analytische bibliografie).

LIT: Cuddon; Krywalski; Mathijsen; Metzler; Myers/Simms; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]

 

tekstoverlevering zie tekstgenese

tekstreconstructie

Vorm van tekstkritiek die zich niet alleen ten doel stelt transmissiefouten, tijdens het kopiëren of het zetten ontstaan, te herstellen, maar die ook en vooral door middel van close reading corrupte plaatsen en passages tracht op te sporen en in de oorspronkelijke staat terug te brengen.

LIT: A.M. Duinhoven. Bijdragen tot de reconstructie van Karel ende Elegast, 2 dln. (1975-1981). [W. Kuiper]

 

tekstuitgave zie editie

tekstwetenschap

Afstudeerrichting van de algemene literatuurwetenschap (ALW) waarin men zich bezighoudt met de bestudering van structuren en functies van teksten (tekst) in het algemeen. De tekstwetenschap is een interdisciplinaire wetenschap waartoe behalve algemeen literatuurwetenschappelijke problematiek ook de stijlwetenschap, de retorica en de tekstlinguïstiek behoren. Het object van de tekstwetenschap wordt gevormd door teksten in de meest brede zin die daaraan gegeven kan worden: reclameteksten, nieuws, propaganda, literatuur, redevoeringen, toneel etc. De tekstwetenschap tracht theorieën en beschrijvingsmiddelen te ontwikkelen om teksten te kunnen analyseren op verschillende aspecten, nl. zowel wat betreft de structuur als wat betreft de sociale en psychologische werking ervan. Ook de wisselwerking tussen sociaal-historische context, de structuur van de tekst en de werking ervan behoren tot het domein van de tekstwetenschap.

De tekstwetenschap ontwikkelde zich sinds de jaren '60 onder invloed van een aantal factoren. In de eerste plaats trachtte men te ontkomen aan het waardeprobleem van de literatuurwetenschap waarin een literaire tekst opgevat werd als een op een bijzondere wijze gestructureerde of op z'n minst geordende en afgeronde reeks taaluitingen die een autonoom karakter heeft. Daarnaast ging men in de linguïstiek teksten bestuderen (dus ook literaire teksten) als taalgebruikseenheden om zo te komen tot een tekstgrammatica die eveneens meer ‘waardevrij’ zou zijn. In Nederland werd dit onderzoek vooral door T.A. van Dijk ondernomen, o.a. in zijn Some aspects of text grammar (1972). Ook het intertekstualiteitsonderzoek (intertekstualiteit) richt zich op teksten in het algemeen en met name op de onderlinge verwevenheid van teksten. De semiotiek tenslotte vestigde de aandacht op de codes die tekstgebruikers sturen in de perceptie van teksten of elementen daarvan. Daarbij ligt de nadruk vooral op het tekstgebruik.

LIT: Gorp; Herman/Vervaeck; Metzler; T.A. van Dijk. Taal, tekst, teken (1971); Text Grammar and Narrative Structures, spec. nr. van Poetics 3 (1972); T.A. van Dijk. Tekstwetenschap. Een interdisciplinaire inleiding (1978). [G.J. van Bork]

 

telestichon

Soort acrostichon waarbij de eindletters of slotwoorden van een aantal versregels - en dan meestal van onder naar boven - een naam vormen, zoals bijv. aan het slot van het Brusselse handschrift van Reinaerts historie (ed. Hellinga, 1952), waar de kopiist Claes van Aken zijn naam zowel van onder naar boven in de slotletters van de laatste 12 versregels (7794-7805) als in de slotletters van de (binnen)rijmwoorden (mesostichon) vervlochten heeft.

LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley. [W. Kuiper]

 

televisiespel

Dramavorm die speciaal is geschreven om door de televisie te worden uitgezonden. Het televisiespel onderscheidt zich van het toneelstuk door de specifieke mogelijkheden die het medium biedt: o.m. beeldbandopname, waardoor een grotere perfectie bereikt kan worden, en de camera-instelling (bijv. close-up, inzoomen e.d.). Om die reden ligt het televisiespel in de praktijk dan ook dichter bij de film. Een belangrijk verschil met de film is daarentegen de grootte van het scherm, waardoor televisie meer op detailopname gericht is om de betrokkenheid van de kijker te optimaliseren.

Veel auteurs schrijven rechtstreeks voor televisie: Lodewijk de Boer, Dimitri Frenkel Frank e.a. Een aantal auteurs werkte samen aan de VARA-serie Klaverweide. Daarnaast worden ook bekende Nederlandse romans of novellen bewerkt tot televisiespel, zoals Louis Couperus' Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan (1906), H. Teirlincks Maria Speermalie (1940) en Belcampo's verhaal Het grote gebeuren (1958).

LIT: Best; Gorp; Metzler; MEW. [G.J. van Bork]

 

telling

Term uit de verteltheorie of romananalyse voor één van de beide grondvormen van het vertellen; de andere betreft showing. Onder telling verstaat men de manier van vertellen waarbij de verteller ingrijpt in wat hij weergeeft door commentaar te geven, samen te vatten, zijn visie te geven op de geschiedenis etc. Bij deze manier van vertellen is de verteller duidelijk als middelaar tussen de geschiedenis en de lezer aanwezig. Vooral bij de auctoriale vertelwijze komt deze vorm van vertellen aan bod, omdat de bemiddeling geschiedt door een alwetende verteller die meestal zelf buiten het verhaal staat.

LIT: Abrams; Boven/Dorleijn; Prince; W.C. Booth. The rhetoric of fiction (1961); F.C. de Rover. ‘De boodschap van de vent achter de vorm’, in: Spektator 4 (1974-1975), p. 249-268. [G.J. van Bork]

 

temporeel accent zie kwantiteitsaccent

tendensliteratuur of strekkingsliteratuur

Term uit de literaire kritiek voor literatuur waarvan het uiteindelijk belang niet ligt in de literatuur als zodanig, maar daarbuiten. Tendensliteratuur wordt daarbij gezien als middel tot politieke, sociale, religieuze of morele emancipatie en men spreekt in dit verband dan ook over het engagement van de auteur.

Het begrip valt moeilijk nauwkeurig af te grenzen. Tal van andere termen - zoals didactische literatuur, religieuze poëzie, moralistische literatuur, sociale literatuur, politieke literatuur, marxistische literatuur, propagandaliteratuur - benoemen mogelijke vormen van tendensliteratuur. Gewoonlijk rekent men teksten die overwegend of uitsluitend aan hun esthetische functie hun bestaansrecht ontlenen (l'art pour l'art, autonomiebewegingen) niet tot de tendensliteratuur.

Dikwijls hecht men een negatieve connotatie aan de term tendensliteratuur: het zou een mindere soort literatuur zijn. Uiteraard is dat een kwestie van literatuuropvatting in een bepaalde tijd of van een bepaalde persoon. De ruimheid van het begrip en de betrekkelijkheid van het oordeel blijken ook uit wat doorgaans bij tendensliteratuur als voorbeeld wordt genoemd: Uncle Tom's cabin (1852) van H. Beecher-Stowe, Multatuli's Max Havelaar (1860), Herman Heijermans Op hoop van zegen (1900), Herman Gorters Pan (1916) of H. Mulisch' Bericht aan de rattenkoning (1966). Uit deze voorbeelden blijkt tevens dat het verschijnsel zich in verschillende genres kan voordoen.

De toepassing van de term blijkt vaak een kwestie van gradatie: naarmate de auteur duidelijker is in zijn politieke, sociale of andere stellingname(s) is men eerder geneigd van tendensliteratuur te spreken.

Er is een duidelijke verwantschap van deze term met de termen pragmatische literatuur en onzuivere poëzie.

LIT: Bantel; Best; Gorp; Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert; C.M. Bowra. Poetry and politics (1966). [G.J. van Bork]

 

ternio

Term uit de codicologie voor een katern opgebouwd uit drie dubbelbladen; dit is gelijk aan zes bladen of twaalf bladzijden.

LIT: W.Gs Hellinga & P.J.H. Vermeeren. ‘Codicologie en filologie’, in: SpL 5 (1961), p. 300-307. [W. Kuiper]

 

tertiaire literatuur

Term uit de documentaire wetenschap voor díe publicaties die een overzicht geven van bibliografische hulpmiddelen op een bepaald vakgebied. In de neerlandistiek rekent men deze - samen met wat men elders secundaire literatuur noemt - tot het apparaat van de neerlandicus. Het Vermakelijk bibliografisch ganzenbord (19835) van A.M.J. van Buuren, W.P. Gerritsen en A.N. Paasman zou tot de tertiaire literatuur gerekend kunnen worden.

De opvattingen van de neerlandicus en de documentalist verschillen eveneens met betrekking tot wat een bron en wat primaire literatuur is. [P.J. Verkruijsse]

 

tertium comparationis

Term op het gebied van de beeldspraak voor het ‘derde’ van een vergelijking, ook wel ‘punctum comparationis’, het punt van vergelijking, genoemd. Het gaat om datgene in de metaforiek (metafoor) wat gezien kan worden als het punt van overeenstemming tussen het eerste (beeld) en het tweede (verbeelde). Zo is in de zin ‘een boom van een vent’ de grootheid, de lengte het tertium comparationis van het beeld (‘boom’) en het verbeelde (‘vent’).

LIT: Best; Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Lausberg; Wilpert. [G.J. Vis]

 

terugblik zie retroversie

terugverwijzing zie retroversie

terza rima

Dichtvorm (terzine) afkomstig uit Italië waarvan de strofen zijn opgebouwd uit drie vijfjambische (jambe) regels met het rijmschema aba bcb etc. Dante gebruikte deze terzinen in zijn Divina Commedia. In Engeland werd deze vorm toegepast door Milton, Browning en Eliot. Nederlandse letterkundigen die gebruik maakten van het verschijnsel terza rima zijn Potgieter (Florence) en Van Eeden (Het lied van schijn en wezen).

LIT: Abrams; Baldick; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; MEW; Myers/Simms; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]

 

terzet zie terzine

terzine of terzet

Drieregelige strofe (tristichon). Oorspronkelijk had een in terzinen geschreven gedicht een vijfvoetige jambische (jambe) versmaat, vrouwelijk rijm en het rijmschema aba bcb etc., maar later werd hier van afgeweken. Als voorbeeld volgt hier een fragment uit een in terzinen geschreven gedicht van H. Roland Holst-van der Schalk, met een afwijking van de oorspronkelijke vorm (mannelijk rijm naast vrouwelijk rijm):

 Ik geloof aan de waarheid dat is aan
 het onvoorwaardelijk beschapoen wezen
 der dingen, en aan hun volstrekt bestaan.
 Wij zijn het, die hun zin verschillend lezen,
 als naar onze verwijdering en stand
 hoogte en gestalt van bergen schijnt te wezen.
 (Sonnetten en verzen in terzinen geschreven, 19132, p. 81).

LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

terzijde

Onderdeel van het drama waarin een personage een (meestal kort) commentaar geeft op een situatie of het door één of meer andere personages gesprokene, waarbij deze andere personages verondersteld worden dat niet te horen. Eigenlijk is het publiek op dat moment de luisterende partij, waarbij dus in feite de zogenaamde vierde-wandfictie doorbroken wordt, maar zonder dat de tekst het karakter van ad spectatores krijgt. Het terzijde komt veel voor bij het komisch toneel, omdat het in staat stelt tot een komisch contrast, bijv. door de tegenstelling tussen wat op het toneel tegen een ander personage wordt gezegd en wat (met een knipoog) tot het publiek is gericht. In Bredero's Spaanschen Brabander (1617) geeft Robbeknol herhaaldelijk in terzijdes commentaar op zijn meester Jerolimo. Zijn antwoord ‘En hebdy gien swijns-veeren? Daar isser gien in huys’ op Jerolimo's vraag ‘En hedy geen borstel?’ (vss. 491-493) blijkt door Jerolimo's reactie daarop met ‘Maar wat est, dagge al secht?’ een duidelijk terzijde te zijn (vgl. ook vss. 244-248, ed. Stutterheim, 1974).

LIT: Baldick; Bergh; Gorp; Metzler; MEW; C.F.P. Stutterheim. ‘Het conflict der werkelijkheden in het taalkunstwerk’, in: NTg 48(1955), p. 208-220. [G.J. van Bork]

 

testament

Literair genre van de rederijkers, waarschijnlijk ontstaan in navolging van de beweging van de Moderne Devotie. Binnen die kringen ontstond de gewoonte dat een stervende een geestelijk testament opstelde waarmee de nabestaanden vermaand werden. Er zijn zowel serieuze testamenten, bijv. het Testament Rhetoricael (1561) van Eduard de Dene, als satirische testamenten, zoals Jan Splinters testament.

LIT: LdMA; MEW; Ned. Arch.-term.; J.J. Mak. De rederijkers (1944), p. 28, 158-159. [W. Kuiper]

 

tetralogie

Oorspronkelijk Griekse benaming voor een groep van vier toneelspelen, nl. drie samenhangende stukken (trilogie) die samen met een vierde spel, aanvankelijk een saterspel, achter elkaar werden gespeeld in wedstrijdverband. Later verstond men er vier (inhoudelijk) samenhangende literaire werken (meestal toneelstukken of romans) onder. Een voorbeeld van een moderne tetralogie vormt de romancyclus van Raymond Brulez Mijn woningen bestaande uit Het huis te Borgen (1950), Het pakt der Triumviren (1951), De haven (1952) en Het mirakel der rozen (1955). Clem Schouwenaars schreef de tetralogie Emily Beyns (1981-1982).

LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; MEW; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. van Bork]

 

tetrameter

Term uit de klassieke prosodie voor een versregel die uit vier gelijke metrische (metrum) delen bestaat, bijv. vier jambische (jambe), trocheïsche (trochee) of anapestische (anapest) dipodieën. Zulke lange regels bestaan er in de Nederlandse poëzie niet, tenzij men sommige regels twee aan twee achter elkaar zet. Het laatste kan men doen met een fragment uit een gedicht van J. Kinker dat er dan als volgt uit gaat zien:

 Wie slechts met klank of teken speelt/ Is schaarsch met kunstgevoel bedeeld.
 (J. Kinker. Gedichten, dl. 3, 1821, p. 99).

Maar het is duidelijk dat dit hooguit een pseudo-tetrameter genoemd kan worden, omdat het origineel in de vorm van twee regels is aangeboden.

In de knittelverzen van De Schoolmeester vindt men soms een verdwaalde tetrameter, zoals het trocheïsche

 Enfin, ik ver/haal u wat ik/ van mijn kleinzoon/ heb gehoord
 (De gedichten, ed. Van Deel en Mathijsen, 1975, p. 23).

LIT: Alphen; Baldick; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Hobsbaum; Marouzeau; Metzler; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

tetrapodie

Term uit de prosodie voor een viervoetige (versvoet) ritmische eenheid in een metrisch (metrum) gedicht. In het volgende voorbeeld bestaat elke regel uit een (trocheïsche) tetrapodie:

 Ver van huis, in gindsche dreven,
 Waar de lijder lichter zucht
 En aan liefelijker lucht
 Balsem vraagt voor 't kwijnend leven
 (P.A. de Genestet. CG, ed. Oort, 19122, p. 248).

LIT: Best; Cuddon; Gorp; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

tetrastichon

Term uit de Griekse Oudheid, nu in onbruik geraakt, voor een vierregelige strofe. Een bekende vorm van het tetrastichon is het kwatrijn, dat bijv. gebruikelijk is in de eerste strofen van het sonnet.

LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Wilpert. [G.J. Vis]

 

textualis zie littera textualis

textura zie littera textualis

theater-1 of schouwburg

Gebouw waar een publiek-1 samenkomt om een voorstelling van dramatisch karakter (drama, opera, operette, musical, revue, cabaret e.d.) te zien en te horen. Binnen de literatuurwetenschap is het theater van belang voorzover de ruimte medebepalend is voor de vormgeving en interpretatie van dramatische teksten. Het onderzoek naar de geschiedenis en functie van theaters en andere ruimtelijke vormen waarin dramatische voorstellingen gegeven werden of worden, is het terrein van de theaterwetenschap.

Het middeleeuwse toneel maakte gebruik van een breed en ondiep toneel waarop zich verschillende handelingen gelijktijdig konden voltrekken, het zgn. simultaantoneel. Het middeleeuwse toneel kende echter het theater als gebouw niet, maar men speelde toneel in of bij de kerk, aan het hof of op plankiers of wagens in de open lucht.

Het eerste echte Nederlandse theater werd gebouwd op de plaats waar Samuel Coster in 1617 de Nederduytsche Academie had ondergebracht in een houten Academiegebouw dat in 1637 werd gesloopt om op die plaats de Amsterdamsche Schouwburg van Jacob van Campen op te trekken. Op 3 januari 1638 werd dit theater geopend met Vondels Gijsbrecht van Aemstel. Het gebouw stelde een toneelschrijver in staat gebruik te maken van een breed toneel met galerijen, een wolkenlift (voor het optreden van engelen, de deus ex machina e.d.) en een zinkluik (voor de onderwereld, geestverschijningen e.d.). In de loop van de 17e eeuw verandert het theater in die zin dat niet alleen de architecten het toneel bepalen, maar vooral de theateringenieurs die met de meest uiteenlopende toestellen en decors welhaast onmogelijke effecten op het toneel weten te creëren. InNederland is het werk van Jan Vos (bijv. diens Medea (1667) treurspel met ‘konst- en vlieghwerken’) sterk door deze theatermogelijkheden bepaald (vgl. spektakelstuk).

Naast deze theatervormen ontwikkelt zich, vooral in de 18e en 19e eeuw, het vaak speciaal gebouwde operatheater, waar toneel en publiek gescheiden worden door de orkestbak. Nederland heeft op het gebied van de opera weinig traditie. In 1894 komt de Amsterdamse Stadsschouwburg tot stand, maar dit was een theater dat zowel toneel als opera en ballet moest dienen.

Rond de eeuwwisseling ontstaat ook het kamertoneel dat gebruik maakt van een kleine intieme ruimte, waar veel gevergd wordt van de acteurs omdat het publiek ook de kleinste expressiemiddelen kan waarnemen. In diezelfde periode ontstaat het volkstheater.

In de 20e eeuw wordt opnieuw gebruik gemaakt van toneelvormen waarbij het publiek sterker bij de voorstelling wordt betrokken, zoals in het episch drama en het theater waar het publiek rondom de speelvloer zit (theater rondom of ‘theatre-in-the-round’).

Na de Tweede Wereldoorlog heeft het theater een enorme verbreiding gevonden, mede onder invloed van het cultuur- en subsidiebeleid. Bovendien onderging het theater een vorm van specialisatie die ertoe leidde dat allerlei typen theaters ontstonden, vooral in de grotere steden, met een speciale geschiktheid voor bepaalde dramatische vormen (cabarettheater, revuetheater, operatheater e.d.).

LIT: Best; Gorp; Krywalski; LdMA; De Leeuwe/Uitman; Metzler; MEW; Shipley; Wilpert; J.A. Worp. Geschiedenis van het drama en het tooneel in Nederland (2 dln., 1903-1907); B. Hunningher. Een eeuw Nederlands toneel (1949); R. Southern. The seven ages of theatre (1962); B. Albach. Duizend jaar toneel in Nederland (1965); J.L. Styan. Drama, stage and audience (1975); W. Tydeman. The theatre in the middle ages (1978); R.L. Erenstein (hoofdred.). Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen (1996). [G.J. van Bork]

 

theater-2

Verzamelnaam voor alle dramatische vormen die in een schouwburg kunnen worden vertoond. Daaronder vallen dus alle producties waarvoor mensen naar een theater-1 komen: toneel, revue, cabaret, opera, operette, musical, variété etc.

LIT: Best; Gorp; Metzler. [G.J. van Bork]

 

thema

Korte aanduiding van de belangrijkste inhoudelijke elementen van een literair werk, waarbij geabstraheerd wordt van de specifieke tijds- en ruimtelijke aspecten van de tekst. Het thema is dus de noemer waarop een reeks inhoudelijke elementen van een tekst kan worden teruggebracht, zoals bijv. ongelukkige liefde, het opgroeien tot volwassenheid, sociale hervormingen, de wraak etc. Drop definieert het thema dan ook als de ‘kortste aanduiding van het centrale probleem waarover een verhaal gaat’. Men gaat er gewoonlijk van uit dat de motieven van een literaire tekst samen het thema van die tekst vormen of op zijn minst het thema ondersteunen.

Bij het gebruik van de term ‘thema’ doet zich echter een aantal praktische problemen voor. In de eerste plaats is de afgrenzing van begrippen als motief en idee lang niet zo eenvoudig als vaak wordt gesuggereerd. In de praktijk worden ze dan ook nogal eens voor hetzelfde gebruikt. In de Franse literatuurwetenschap blijkt de term ‘thème’ toegepast op dat wat gewoonlijk een motief genoemd wordt. Bovendien geeft o.m. Abrams onder motief voorbeelden (‘carpe diem’-motief) die Maatje als ‘idee’ definieert, terwijl Drop het thema de ‘uiterste abstractie van het concrete verhaal’ noemt, een formulering die bij Maatje nu juist voor ‘idee’ is voorbehouden.

Daar komt nog bij dat het vaststellen van het thema van een literair werk een kwestie van interpretatie is: diachroon blijkt een thema in een tekst niet eenduidig vaststelbaar (vgl. de verschillende interpretaties van Shakespeare's Hamlet), maar ook tijdgenoten kunnen van mening verschillen over de interpretatie van een literair werk (waar de een spreekt over ‘het menselijk tekort’ als thema, ziet de ander ‘sociale problematiek’ als centraal gegeven).

Wil men de term derhalve zinvol gebruiken dan lijkt het geboden om vooraf precies aan te geven in welke zin men ‘thema’ gebruikt en de term nauwkeurig af te grenzen van idee en motief.

LIT: Abrams; Baldick; BDI; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Drop; Dupriez-1; Fowler; Gorp; Lodewick; MEW; Morier; Myers/Simms; Prince; Scott; Shipley; Wilpert; F.C. Maatje. Literatuurwetenschap (1970), p. 203-213; Gerhard P. Knapp. ‘Stoff-Motiv-Idee’, in: Grundzüge der Literatur- und Sprachwissenschaft (Bd. 1, 19806), p. 200-207. [G.J. van Bork]

 

theoretische literatuurwetenschap, literaire theorie of literatuurtheorie

Het geheel van wetenschappelijke disciplines dat op basis van één of meer literaire theorieën tracht te komen tot een sluitend systeem van wetenschappelijk gefundeerde uitspraken over literatuur of over bepaalde deelaspecten daarvan. Tot de theoretische literatuurwetenschap behoren derhalve zowel algemene theorieën over het verschijnsel literatuur, als deeltheorieën die gericht zijn op bepaalde aspecten van de literatuur zoals de verteltheorie of narratologie, de dramatheorie, theorieën over genres, over retorica, over poëtica-1, -2 en -3, de receptie-esthetica en de semiotiek.

Theoretische literatuurwetenschap is onderdeel van de algemene literatuurwetenschap. Soms wordt de term gebruikt als synoniem voor literatuurwetenschap, een toepassing die echter verwarrend is vanwege het ruimere karakter van die laatste term. Om die reden wordt de term hier dan ook niet als synoniem opgenomen.

Theorieën over literatuur zijn al door Aristoteles geformuleerd, maar als wetenschappelijke discipline is de theoretische literatuurwetenschap nog niet zo oud. Pas sinds de 19e eeuw heeft men pogingen ondernomen om de wetenschappelijke bestudering van literatuur theoretisch te funderen. Voordien was de literatuurwetenschap overwegend hermeneutisch (hermeneutiek) en/of filologisch (filologie). In de 19e eeuw spelen twee algemene theorieën een hoofdrol: de positivistische (positivisme) en de geistesgeschichtliche (Geistesgeschichte) literatuurwetenschap. Hoewel Marx en Engels reeds in de 19e eeuw enkele uitspraken deden over literatuur, kan toch pas in de 20e eeuw gesproken worden van een uitwerking van hun (schaarse) ideeën tot wat de marxistische of materialistische literatuurtheorie en de literatuursociologie genoemd wordt.

In de 20e eeuw volgen de scholen en richtingen elkaar in steeds sneller tempo op: formalisme, structuralisme, receptie-esthetica, literatuursociologie, semiotiek, intertekstualiteit etc. De afgelopen decennia kan van een grote toename van het aantal benaderingen of theorieën gesproken worden, in die mate dat sommigen zelfs spreken van een woekering aan theorieën (vgl. A. Mertens in Het literaire klimaat 1970-1985, 1986). De jaren '70 stonden in het teken van een methodenstrijd, waaraan het in breder kring bekend worden van de ideeën van Popper niet vreemd is geweest, maar waarin evenzeer rechtvaardigingen voor een bepaald soort (meestal avant-gardistische) literatuur een rol speelden. Onder invloed van die methodenstrijd is bijvoorbeeld de hermeneutiek of interpretatieleer onder druk komen te staan omdat ze niet aan wetenschappelijke eisen als empirische toetsbaarheid zou kunnen voldoen. Voor sommigen (Verdaasdonk, Van Rees e.a.) betekende het uitgangspunt van de empirische toetsbaarheid van literair-wetenschappelijke uitspraken in laatste instantie dat de literaire tekst zelf geen rol meer diende te spelen in het onderzoek, maar wel de sociale instituties die de literaire canon bepalen, omdat dit type onderzoek wel empirisch wetenschappelijke feiten (statistisch materiaal bijvoorbeeld) oplevert.

Die elkaar snel opvolgende voorstellen voor literatuurwetenschappelijk onderzoek hebben ertoe geleid dat naast elkaar aan de verschillende universiteiten een verscheidenheid aan benaderingen bestaat die elkaar nauwelijks lijken te beïnvloeden of op z'n minst als rechtvaardiging voor het eigen soort onderzoek worden opgeëist. Naast de reeds genoemde richtingen hebben zo inmiddels het deconstructivisme, de literatuurpsychologie, de structurele verhaalanalyse, de tekstgrammatica en andere onderzoeksmethoden opgeld gedaan.

Ook het theoriebegrip zelf is onderwerp van discussie. Maatje bijvoorbeeld formuleerde zijn theoriebegrip nog als een eenvoudig beslissingsmechanisme dat als een computer ware van niet-ware verschijnselen zou kunnen onderscheiden. Heel wat voorzichtiger is later bijvoorbeeld Oversteegen die uitgaat van De Grootstheoriedefinitie: een systeem van logisch samenhangende, met name niet-strijdige beweringen, opvattingen en begrippen betreffende een werkelijkheidsgebied, die zo zijn geformuleerd, dat het mogelijk is er toetsbare hypothesen uit af te leiden. Oversteegen constateert dat het problematische van het werkelijkheidsgebied in deze definitie, de literatuur dus in ons geval, altijd verbonden is met een bepaalde literatuuropvatting. Van eminent belang wordt in zijn voorstellen dan ook deze literatuuropvatting die aan elke theorie een ad hoc karakter verleent.

Van enige dominantie van een bepaalde theorie kan dus vooralsnog niet gesproken worden, eerder van een zekere vorm van symbiose van de verschillende benaderingen, zoals bijvoorbeeld tot uiting komt in een boek als dat van R.T. Segers (red.), Vormen van literatuurwetenschap (1985), waarin ze als gelijkwaardig aan de lezer worden gepresenteerd.

LIT: Best; Gorp; Krywalski; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; W. Kayser. Das sprachliche Kunstwerk (1948); R. Wellek and A. Warren. Theory of literature (1949); Max Wehrli. Allgemeine Literaturwissenschaft (1951); F.C. Maatje. Literatuurwetenschap (1970); W.J.M. Bronzwaer e.a. (red.). Tekstboek algemene literatuurwetenschap (1977); D.W. Fokkema en E. Kunne Ibsch. Theories of literature in the twentieth century. Structuralism, Marxism, Aesthetics of Reception, Semiotics (1977); J.J.A. Mooij. Tekst en lezer (1979); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap (1981); J.J.A. Mooij. Idee en verbeelding (1981); H. Verdaasdonk. ‘Literaire theorievorming en literatuuropvatting’, in: Handelingen 36e Filologencongres (1981), p. 73-83; J.J. Oversteegen. Beperkingen (1982); K. Beekman en F. de Rover (red.). Literatuur bij benadering (1987). [G.J. van Bork]

 

thesaurus-1

Een groot verzamelwerk. De term wordt vaak gebruikt als aanduiding voor een woordenboek waarin in principe de gehele woordenschat van een taal is opgeslagen. Bekend is de Thesaurus Theutonicae linguae, Schat der Nederduytscher spraken, het woordenboek van Cornelis Kiliaen uit 1573. Het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden kent een afdeling Thesaurus die zich bezighoudt met het aanleggen van een woordarchief van de Nederlandse taal met behulp van een computer.

LIT: BDI; Best; Cuddon; Hiller; Metzler; MEW; Scott; De Nederlandse lexicologie tussen handwerk en machine, ed. P.G.J. van Sterkenburg (1976). [P.J. Verkruijsse]

 

thesaurus-2

Als term uit de documentaire informatieverwerking betekent thesaurus een lijst van bij de invoer van informatie in een databank nauwkeurig omschreven trefwoorden met verwijzingen van mogelijke synoniemen en varianten naar de gebruikte termen. Via de thesaurus is het mogelijk ingevoerde informatie ook weer onder de juiste trefwoorden op te roepen. Een thesaurus in deze betekenis is de Thesaurus 1473-1800. Nederlandse boekdrukkers en boekverkopers (1989) van J.A. Gruys en C. de Wolf waarin de voor de STCN gekozen standaardvormen van de namen van de boekproducenten uit de desbetreffende periode zijn aangegeven; er wordt vanaf de variante vormen verwezen naar die standaardvorm.

LIT: BDI; Brongers; Hiller; Metzler; P.S.A. Groot. Documentaire dienstverlening (1981), p. 49-51. [P.J. Verkruijsse]

 

thesis zie daling

threnos

Gelegenheidsgedicht bij de verwoesting van steden, maar vaak ook wordt de term algemener gebruikt voor elegie. De threnos behoort tot de funeraire poëzie als onderdeel van de mortuaire literatuur en behelst daarom de vrijwel altijd daarin voorkomende onderdelen laus, luctus en consolatio (lofprijzing, klacht en vertroosting). J. van den Vondels ‘Klaghte op den ondergangk der Rijcksstede Aken’ (J. van den Vondel, WB-ed., dl. 8, 1935, p. 193-195) uit 1656 is een voorbeeld van een threnos.

LIT: Baldick; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Wilpert; M.A. Schenkeveld-Van der Dussen. ‘Poëzie als gebruiksartikel: gelegenheidsgedichten in de zeventiende eeuw’, in: M. Spies (red.). Historische letterkunde. Facetten van vakbeoefening (1984), p. 75-92. [P.J. Verkruijsse]

 

thriller

Tekst - doorgaans een prozatekst - waarvan de plot draait om een misdrijf waarvan de dreigende verwezenlijking de lezer in constante spanning houdt, mede omdat de lezer weet wie het slachtoffer ervan zal zijn. Het verschil met de detective- of politieroman berust op het feit dat daarin de misdaad die tot opheldering gebracht moet worden reeds heeft plaats gevonden, terwijl in de thriller het misdrijf nog moet plaats vinden en zowel de dader als het slachtoffer doorgaans bekend zijn. In feite zijn deze genres echter niet zo precies meer van elkaar te onderscheiden, omdat ook in de detectiveroman de eerste moord vaak de inleiding vormt tot volgende misdrijven. Het accent is daardoor steeds sterker op het element spanning komen te liggen. Sedert in de eerste helft van de 20e eeuw veel Amerikaanse schrijvers (Raymond Chandler, Dashiell Hammett e.a.) zich toegelegd hebben op de ‘hard-boiled’ detective, werden ook daardoor de grenzen vager. Ook de spionageroman en het griezelverhaal worden vanwege hun spanning tot de thrillers gerekend.

LIT: BDI; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Scott; S. Sutherland. Blood in their ink (1953); J. Symons. Moord en doodslag. Een geschiedenis van het misdaadverhaal (1976). [G.J. van Bork]

 

tintenel

Term uit de codicologie voor niet uit tekst bestaande regelvulling in middeleeuwse handschriften die tot doel had het schriftbeeld en de bladspiegel een volledig rechthoekig uiterlijk te verlenen.

LIT: Vlaamse kunst op perkament; handschriften en miniaturen te Brugge van de 12de tot de 16de eeuw (tentoonstellingscat., 1981), p. 28. [H. Struik]

 

tirade

Lange ononderbroken monoloog, wervend, belerend en soms met een scheldkarakter (filippica), in het toneelspel-2. In de rede wordt de tirade veel gehanteerd in de conclusio van een betoog, een lofrede e.a.

Menige tirade heeft een individualistisch karakter, vandaar de toepasselijkheid van de titel van het gelijknamige in 1957 door Van Oorschot opgerichte tijdschrift Tirade, mogelijk niet zonder zelfspot gekozen.

Soms wordt de term in ongunstige zin gebruikt voor een theatraal (vgl. retorica) uitgesproken en omslachtig geheel van woorden dat op het eerste gehoor indrukwekkend is, maar bij nadere ontleding zonder veel inhoud blijkt te zijn.

LIT: Best; Cuddon; Metzler; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]

 

tiroonse nota zie nota-1

titel

De naam of het opschrift van een object uit de beeldende kunst of van een (onderdeel van) een (literair) geschrift (inclusief software) waardoor het zich identificeert ten opzichte van andere objecten en onder die naam bescherming geniet tegen misbruik en piraterij en plagiaat. Bij (literaire) teksten betreft het titels van boeken, seriewerken, kranten en tijdschriften - vaak voorzien van een ondertitel - en onderdelen daarvan, zoals gedichten, hoofdstukken, verhalen en artikelen. De titel kan in al dan niet ingekorte of gewijzigde vorm op verschillende plaatsen op en in een boek voorkomen: op het titelblad, als rugtitel, omslagtitel, Franse titel of kopregel (‘running title’). In de bibliografie impliceert titelbeschrijving ook het opnemen, naast de titel en ondertitel, van andere elementen als auteursnaam en impressum.

De boektitel is sterk afhankelijk van mode en literaire conventies. Middeleeuwse handschriften (codex) en vroege incunabelen waren nog niet van een titel voorzien; het incipit functioneerde als inhoudsaanduiding (‘Hier beghinnen die epistelen entie ewangelien ...’). De eerste Nederlandse titelpagina met een titel komt voor in een boek uit 1483: Dit is dat boec van Arent Bosman. Behalve ter identificatie van een tekst heeft de literaire titel nog meer functies. Ze kan als eerste element van een literair werk bij de lezer een bepaalde verwachting creëren die tijdens of na lezing herzien dient te worden door de erin aangebrachte polyinterpretabiliteit (S. Vestdijks De ziener blijkt (ook) een voyeur te zijn). Dikwijls samen met de ondertitel plaatst de titel een tekst in een bepaald literair genre en in een literaire traditie (T. Tasso: Aminta, herders bly-eindende treur-spel; S. Vestdijk: De ziener. Roman) en tenslotte heeft ze ook een commerciële functie die eist dat een titel beknopt en pakkend is.

Die eis van beknoptheid is door de eeuwen sterker geworden: veel 16e- tot 19e-eeuwse titels zijn voorzien van een neventitel (bijv. Multatuli's Max Havelaar of De koffijveilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij) of uitvoerige ondertitels (E.G.H [appel]. Huidensdaegsche krygs-roman, vervattende een korte, doch naeuwkeurige, beschrijving deses acht-jarigen laesten oorloogs door Christenrijk, van het jaer 1672. tot het jaer 1680. Nevens een klaer bericht van de gelegentheden der voornaemste landen binnen en buiten Euroop, door een geleerde pen heerlijk beschreven onder de letteren van E.G.H., 1681). De titel van de nouveau roman daarentegen lijkt geen relatie met de inhoud van de tekst te hebben.

LIT: BDI; Best; Brongers; Gorp; Hiller; Metzler; MEW; J. Schoolmeesters. ‘Titel en tekst. Aspecten van een theorie van de literaire titel’, in: SpL 19 (1977), p. 1-20; Y.G. Vermeulen. ‘Tot profijt en genoegen’. Motiveringen voor de produktie van Nederlandstalige gedrukte teksten 1477-1540 (1986), hoofdstuk 1-3; R. de Belser. ‘Conventie en inventie in de naoorlogse Nederlandse romantitel’, in: Verslagen en Mededelingen Kon. Academie voor Nederl. Taal- en Letterk. (1986), p. 291-303. [P.J. Verkruijsse]

 

titelbeschrijving

Term uit de bibliotheekwereld voor het beschrijven van publicaties (waaronder ook muziek, audiovisuele media en kaarten) volgens gestandaardiseerde regels ten behoeve van bibliografieën en catalogi-1. Door de automatisering is het streven naar uniformering op nationaal en mondiaal niveau toegenomen. Desondanks is de uitgebreidheid van een titelbeschrijving sterk afhankelijk van het doel.

Ten behoeve van de catalogi van wetenschappelijke bibliotheken is in Nederlandlange tijd (1924-1975) gebruik gemaakt van de Regels voor de titelbeschrijving, vastgesteld door de Rijkscommissie van advies inzake het bibliotheekwezen. Op onderdelen werden deze regels aangepast aan de eisen van de in 1961 gehouden International Conference on Cataloguing Principles (ICCP) te Parijs. Een ‘voorlopige uitgave’ van nieuwe Regels voor de titelbeschrijving van boeken en periodieken verscheen in 1975. Hierin is rekening gehouden met de inmiddels ontworpen ISBD, de International Standard Bibliographic Description van 1971, respectievelijk de ISBD(M) voor ‘monographic publications’ en de ISBD(S) voor ‘serials’. Pas in 1978 verschenen de ‘definitieve’ Regels, nl. de Beschrijvingsregels voor niet-seriële publikaties en de Beschrijvingsregels voor seriële publikaties, nu onder auspiciën van de FOBID, de Federatie van Organisaties op het gebied van het Bibliotheek-, Informatie- en Dokumentatiewezen.

De titelbeschrijving van een boek vindt sindsdien plaats volgens zogenaamde velden, in een vaste volgorde en gescheiden door nauwkeurig aangegeven interpunctie: titel- en auteursveld (hoofdtitel : ondertitel / eerste auteur ; volgende auteurs), editieveld (. - drukaanduiding), impressumveld (. - plaats van uitgave : uitgever, jaar), collatieveld (. - paginering of aantal delen: illustraties; formaat), reeksveld (. - titel van de reeks ; nummering binnen de reeks), annotatieveld (. - aanvullende noodzakelijke informatie), ISBN-, bindwijze- en prijsveld (. - ISBN bindwijze : prijs).

Voor de internationale uitwisseling van bibliografische gegevens wordt veel gebruik gemaakt van het Amerikaanse MARC-format (Machine Readable Cataloguing) en van UNIMARC, o.a. door het Nederlandse catalogusautomatiseringssysteem Pica.

Voor het oude boek tot ongeveer 1800 gelden afwijkende regels, voortgekomen uit de eisen die de analytische bibliografie-1 stelt. In Nederland hebben de regels die ontworpen zijn voor de STCN in dezen een normatieve werking. Ze zijn vastgelegd in de 2e herziene uitgave van de Handleiding voor de medewerkers aan de STCN (1988). Achtereenvolgens worden genoteerd: het hoofdwoord (auteur of woord uit de anonieme titel), een short title, auteursvermelding, vermelding van uitgave, impressum, collatie (bibliografisch formaat en collatieformule), fingerprint, eventuele annotaties, vindplaatsen (bibliotheeksignaturen). In het dossier dat ten behoeve van de beschrijving wordt aangelegd, wordt bovendien nog een fotokopie van de titelpagina gelegd en worden typografische kenmerken (illustraties, lettertypes e.d.) genoteerd.

LIT: BDI; Brongers; S.W. Hoexum. ‘Titelbeschrijving’, in: Bibliotheek en documentatie. Handboek ten dienste van de opleidingen (19843), p. 195-212; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie (1995), p. 82-86. [P.J. Verkruijsse]

 

titelbibliografie

Een titelbibliografie is een bibliografie waarin de opgenomen werken gealfabetiseerd zijn op het eerste woord en/of op een of meer belangrijke woorden uit de titel. Titelbibliografieën kunnen behulpzaam zijn bij het opsporen van anoniem verschenen werken of van de auteur van een werk waarvan men alleen de titel kent. Voor Nederland is in de vijfjaarlijkse nationale bibliografie, Brinkman's catalogus van boeken en tijdschriften, een dergelijke aparte ‘titelcatalogus’ opgenomen; in de cumulatieve jaardelen, Brinkman's cumulatieve catalogus, daarentegen vormt de titelbibliografie één alfabet met de hoofdwoordenbibliografie en het trefwoordenrepertorium. [P.J. Verkruijsse]

 

titelblad

Term uit de bibliografie voor het blad-2 uit het voorwerk van een boek waarop op de recto-zijde de titelpagina is opgenomen. Aanvankelijk was de verso-zijde van het titelblad blanco, maar vooral ten gevolge van de automatisering en uniformering van bibliografische gegevens is informatie uit het colofon steeds meer naar de verso van het titelblad verplaatst. Tegenwoordig kan men daar aantreffen gegevens over vertalers, oorspronkelijke titels van vertaald werk, illustratoren, medewerkers aan seriewerken, de promotoren in een proefschrift, zet-, druk- en bindwerk, drukken, herdrukken en oplagecijfers, de copyrightformule, de CIP-beschrijving, het ISBN, de UGI-code en SISO- en UDC-classificatie en het D-nummer (depot-nummer).

In werken uit de 16e tot 19e eeuw zit soms een extra titelblad met een titelprent.

LIT: BDI; Hiller; MEW; K.F. Treebus. Tekstwijzer (19832), p. 157. [P.J. Verkruijsse]

 

titelpagina

Term uit de bibliografie voor de recto-zijde van het titelblad waarop zich de titel van het boek bevindt. Bij de titelbeschrijving baseert men zich in eerste instantie op de gegevens zoals die op de titelpagina voorkomen en niet op die van Franse titel, rugtitel of omslag. De titelpagina bevat gewoonlijk de auteursnaam, de titel en ondertitel, gegevens over vertaler of illustrator, de drukvermelding, het drukkersmerk en het impressum met de naam van de uitgever, de plaats en het jaar van uitgave. Titel- en impressumgegevens bevinden zich vaak ook op de titelprent. Serietitels staan gewoonlijk op de verso-zijde van de Franse titel. Als gevolg van de automatisering en standaardisering van bibliografische gegevens zijn langzamerhand steeds meer titelpaginagegevens verhuisd naar de verso-zijde van het titelblad, zoals informatie over vertalers, oorspronkelijke titels van vertaald werk, illustratoren, drukken en herdrukken en oplagecijfers.

De titelpagina is ontstaan na de uitvinding van de boekdrukkunst toen teksten in meer exemplaren en in grotere hoeveelheden beschikbaar kwamen voor een leespubliek. De middeleeuwse codex had geen titelpagina nodig; een incipit was voor de individuele bezitter van het unieke exemplaar voldoende om het van andere codices te onderscheiden. De eerste drukkers bootsten de codices na en brachten de gegevens over plaats en jaar van drukken onder in het colofon. Ten behoeve van een duidelijker presentatie in de boekhandel voor het publiek kwam uiteindelijk de titelpagina tot stand. De eerste Nederlandse titelpagina werd door de Haarlemse drukker Jacob Bellaert in 1483 aangebracht in het boek Dit is dat boec van arent Bosman. Reeds in 1487 doen de meeste drukkers aan deze nieuwe mode mee. In 1501 staat voor het eerst een drukkersnaam (Thielman Kerver) op een Nederlandse titelpagina en in 1520 een volledig impressum (Antwerpen, Claes de Grave, 1520).

Bij de bibliografische beschrijving van boeken uit de periode van de handpers (analytische bibliografie) is lange tijd zeer veel aandacht besteed aan de titelpagina voor de identificatie van drukken en herdrukken. Met de quasi-facsimile-transcriptiemethode werden de diverse lettertypen zo nauwkeurig mogelijk aangegeven. Tegenwoordig acht men het belang van de titelpagina voor dat doel van ondergeschikt belang en hecht men meer aan de fingerprint-methode. Onderzoek naar de titelpagina lijkt vooral ook voor de kunstgeschiedenis en de boekhistorie interessant.

LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962), p. 110-111; K.F. Treebus. Tekstwijzer (19832), p. 156; Y.G. Vermeulen. ‘Tot profijt en genoegen’. Motiveringen voor de produktie van Nederlandstalige gedrukte teksten 1477-1540 (1986), p. 6-9. [P.J. Verkruijsse]

 

titelprent of frontispies

In boeken uit de 16e tot 19e eeuw kan men een titelprent (prent) aantreffen, een afzonderlijk gegraveerd titelblad dat vooraf ging aan de gedrukte titelpagina. De titelprent geeft één of meer scènes weer die betrekking hebben op de inhoud van het werk of ze biedt een emblematische afbeelding (emblematiek). Op de prent is vaak een verkorte titel vermeld, evenals een impressum dat soms afwijkt van dat van de titelpagina. Het komt regelmatig voor dat het jaar van uitgave één jaar verschilt omdat de graveur eerder klaar was dan de drukker of omgekeerd. De titelprent zal vaak als reclamemateriaal gefungeerd hebben voor het raam van de boekhandel waar het boek te koop was.

LIT: BDI; Hiller; Metzler; MEW; Scott; M.A. Becker-Moelands. De juridische titelprent in de 17de eeuw (1985); E.O.G. Haitsma Mulier. ‘Woord en beeld: titelprenten van enkele Nederlandse historische werken uit de 17e en 18e eeuw’, in: Gedrukt in Holland, thema-nr. van Holland 26 (1994), nr. 4/5, p. 274-291. [P.J. Verkruijsse]

 

titeluitgave

Bibliografische term voor een uitgave die alleen van de rest van de druk of oplage afwijkt doordat zij voorzien is van een andere titelpagina, die in de vorm van een cancel is ingeplakt of die samen met de rest van het eerste katern opnieuw gezet is. Titeluitgaven worden meestal op de markt gebracht in geval van boeken die slecht verkocht worden. Als een uitgever met een restant van een oplaag blijft zitten, kan hij in een later stadium proberen het boek weer als nieuw te slijten, voorzien van een recent jaar van uitgave en vaak van een nieuwe drukaanduiding. Ook bij overname van uitgeversrestanten besluit de nieuwe uitgever vaak tot het aanbrengen van gewijzigde titelpagina's, soms slechts tot het overplakken van het impressum.

Een voorbeeld van een titeluitgave met op het gecancelde titelblad de uitermate misleidende vermelding ‘Sijnde desen Nieuwen Druk met meer dan 100 Plaaten vermeerdert, en doorgaans verbetert’ is De Werken van Mars van A.M. Mallet, die in 3 dln. in 1686 bij J. en G.J. van Waasberge in Amsterdam was verschenen en vervolgens door de Leidse boekverkoper Pieter vander Aa op de markt werd gebracht in 1695.

Een recenter voorbeeld waar met een plakstrookje gewerkt wordt, vormen de delen 1-3 van de serie Literaire Tijdschriften in Nederland (LTN), verschenen in 1975 bij uitgeverij Thespa te Amsterdam en in 1981 overgenomen door uitgeverij De Graaf in Nieuwkoop.

LIT: BDI; Brongers; Hiller; MEW; Wilpert; Ph. Gaskell. A new introduction to bibliography (19742), p. 313-316; F.A. Janssen. ‘Notities bij de aanduiding van herdrukken’, in: Spektator 4(1974-1975) 5, p. 275-283. [P.J. Verkruijsse]

 

tmesis zie diacope

toekomstliteratuur

Subgenre van de fantastische literatuur waarin een beeld gegeven wordt van een te verwachten verre toekomst, hetzij als ideaalbeeld van een nastrevenswaardige samenlevingsvorm (utopische literatuur), hetzij als een cultuurvorm die het noodlottige gevolg is van een door de auteur als verwerpelijk geziene politieke, sociale of technologische ontwikkeling (dystopie).

Het onderscheid tussen sciencefiction en toekomstliteratuur is moeilijk vast te stellen. In de praktijk lijkt men teksten waarin de nadruk ligt op toekomstige politieke of sociale omstandigheden die het gevolg zijn van reeds in gang gezette ontwikkelingen toekomstliteratuur te noemen en ligt bij sciencefiction de nadruk veeleer op de technologische ontwikkelingen. Maar vaak zijn die technologische ontwikkelingen in sciencefiction slechts een aanleiding tot het beschrijven van een toekomstige samenlevingsvorm.

Als beroemde voorbeelden van toekomstromans kunnen worden genoemd Zamjàtins My (1922), A. Huxley's Brave new world (1932) en G. Orwell's Nineteen Eighty Four (1949). Nederlandse voorbeelden zijn Betje Wolffs Holland in 't jaar 2440 (1777) en F. Bordewijks Blokken (1931). Verzamelingen van toekomstverhalen werden bijeengebracht door Manuel van Loggem in De nieuwe morgen (1982) en Rob van de Schoor in Voorbije toekomst (1988).

LIT: Best; Gorp; Lodewick; Metzler; R. Reinsma. Van hoop naar waarschuwing (1970). [G.J. van Bork]

 

toekomstverwijzing zie anticipatie-1

toezang zie epode-2

toneel-1 zie drama

toneel-2 zie scène

toneel-3

Speelplaats of ruimte waar de acteurs de toneelhandeling (drama) verrichten. Sinds de renaissance is dat gewoonlijk een ruimte binnen het theater-1, nl. een podium waarvan de ruimte begrensd wordt door de decors en het gordijn. In openluchtvoorstellingen gebruikt men als toneel meestal een verhoging om voor de toeschouwers zichtbaar te zijn. In de Middeleeuwen was dat een plankier op tonnen (‘tonneel’) of ook wel een platte wagen (wagenspel). Bovendien werden middeleeuwse drama's gespeeld in of bij de kerk of aan het hof, waarbij de ruimte in verschillende ‘tonelen’ verdeeld werd, bijv. hemel en hel, of het oosten en het westen. Dit soort toneelindeling maakte ook het middeleeuwse simultaantoneel mogelijk.

Vondel formuleert het in zijn Tooneelschilt of Pleitreede voor het tooneelrecht (1661) (ed. L. Rens, Poëtologisch proza (z.j.), p. 121-122) als volgt: ‘Het tooneel is een verheven plat, toegestelt naer den eisch der rolle van de personaedjen, die elck volgens heuren staet ingekleet, en gelijck vermomt, door stemmen en gebaer uitbeelden eene historie, of waerschijnende verzieringe, of klucht, waerdigh tot stichtigh vermaeck, in het openbaer, gehoort en gezien te worden’.

Het toneel in deze zin is voor de literatuurwetenschap alleen van belang voorzover er uit de gebruikte ruimte tekstuele consequenties voortvloeien. Zo kan het voor de interpretatie van de tekst van belang zijn om te weten of een personage op het toneel aanwezig is of vanuit de zaal opkomt, bijv. als vertegenwoordiger van het publiek. Andere aspecten zijn het onderzoeksterrein van de theaterwetenschap.

Een grote collectie van documentatiemateriaal en attributen op het gebied van het Nederlandse toneel is ondergebracht in het Theater Instituut Nederland (TIN), Herengracht 168,Amsterdam.

LIT: Bantel; Bergh; Gorp; Knuvelder; Metzler; MEW; J.A. Worp. Geschiedenis van het drama en het tooneel in Nederland (2 dln., 1903-1907); R.L. Erenstein (hoofdred.). Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen (1996). [G.J. van Bork]

 

toneelaanwijzing of regieaanwijzing

In het algemeen alle aanwijzingen die door de toneelschrijver worden gegeven in of bij zijn dramatekst om de toneelvoorstelling ervan te realiseren. Die aanwijzingen worden door de regisseur (spelleider) gebruikt voor de regie. Ze betreffen gewoonlijk de dramatis personae, de wijze van handelen van de acteurs (voordracht, mimiek en handeling), de locatie, de kleding, de rekwisieten, de decors, de geluids- en lichteffecten e.d.

Men maakt onderscheid tussen de directe toneelaanwijzingen, zoals die in de neventekst gegeven worden, en de indirecte toneelaanwijzingen, die uit de hoofdtekst afleidbaar zijn. Voor de literatuurwetenschap zijn vooral de aantekeningen van de auteur zelf van belang, zoals hij die in het script verwerkte of daaraan afzonderlijk heeft toegevoegd. In het renaissancetoneel werden dergelijke aanwijzingen slechts schaars gegeven. Vaak schreven regisseurs of spelers regieaanwijzingen bij de toneeltekst, soms ook diende het handschrift van de auteur zelf als regieboek, hetgeen dan onbedoeld leidde tot het overnemen van deze aanwijzingen in de druk wanneer dit materiaal als kopij gebruikt werd (vgl. ook roofdruk).

Later werden de aanwijzingen die de auteur direct aan zijn tekst toevoegde steeds uitgebreider, vooral bij de naturalistische toneelschrijvers. Een auteur als Herman Heijermans gaf precies aan hoe de locatie er uit moest zien en hoe de acteurs dienden te handelen en te spreken. Zijn Dora Kremer (Heijermans 1961, p. 15-16) opent bijv. met een uitvoerige beschrijving van ‘De “goede kamer” van een rijke hereboer’. De dialoog gaat vergezeld van een nauwkeurige aanduiding van handelingen en emoties:

 Dora, gaat naar de whisttafel: Een van de heren nog thee?...
 Haring, kregelig: M'n hele bakje is leeg.

Later ontstaat echter weer de neiging om deze aanwijzingen weg te laten en de regisseur en de acteurs meer ruimte te laten voor een eigen interpretatie van de toneeltekst.

LIT: Cuddon; Metzler; MEW; Scott; A. Dean. Fundamentals of play directory (1960); M. Gallaway. The director in the theatre (1963); H. Schwarz. Regie (1965); E. Meier. Realism and reality (1967); E. Oey-De Vita. ‘Problemen van kopijonderzoek voor toneelstukken uit de zeventiende eeuw’, in: Spektator 3 (1973-74), p. 12-29, 661-679. [G.J. van Bork]

 

toneelbewerking-1

Adaptatie van een tekst die oorspronkelijk niet voor het toneel geschreven werd door hem zodanig te bewerken dat hij gebruikt kan worden voor opvoering op het toneel. Men spreekt dan van het dramatiseren-1 van de tekst. Herman Heijermans bewerkte bijv. zijn schets Dolle Jan's droom tot het toneelstuk Uitkomst (1907), en Hugo Claus zijn novelle Suiker tot het gelijknamige toneelstuk (1958). Van L.P. Boons Menuet werd door de toneelgroep Studio een toneelbewerking gemaakt in 1972.

LIT: Metzler; MEW; Scenarium 4 (1980). [G.J. van Bork]

 

toneelbewerking-2

Bewerking van een bestaande dramatekst voor een ander publiek dan waarvoor deze oorspronkelijk werd geschreven. Meestal betreft het de modernisering van het oorspronkelijke drama door het taalgebruik en soms ook de stof te actualiseren. Een dergelijke bewerking onderging bijv. Sophocles' Oedipus Rex herhaaldelijk. In het Nederlandse taalgebied werden moderne versies van het Oedipusthema geschreven door Hugo Claus en door Harry Mulisch. Van Bredero's Spaanschen Brabander bestaat een moderne toneelbewerking van Erik Vos en Guus Rekers (1969).

In sommige gevallen kan men ook bij vertalingen beter van een toneelbewerking spreken. Dat kan afhankelijk zijn van de mate waarin de vertalende auteur heeft ingegrepen in de oorspronkelijke tekst, bijv. om die aan het eigen publiek aan te passen. Voorbeelden zijn P.C. Hoofts Warenar (1617), die ‘nae 's landts gheleghentheyt verduytschet’ is naar het voorbeeld van Aulularia van Plautus, en Hugo Claus' vrije vertaling van Fernando Rojas' leesdrama La Celestina (1499) tot De Spaanse hoer (1970); een echte vertaling ervan maakte Albert Helman in 1942.

LIT: Metzler; MEW; Scenarium 4 (1980). [G.J. van Bork]

 

toneelspel-1 of spel-1

Sommige auteurs gebruiken de term toneelspel of spel voor een drama dat noch de kenmerken van de tragedie, noch die van het blijspel heeft. De term toneelspel is opgekomen onder invloed van het burgerlijk drama, dat - zoals eerder de tragikomedie - een tussenpositie inneemt tussen de klassieke tragedie en het blijspel, maar als een ernstig toneelstuk moet worden beschouwd dat echter niet per se een noodlottige afloop heeft. We vinden de term later terug bij bijv. Herman Heijermans, die zijn Eva Bonheur (1916) een ‘genoegelijk toneelspel’ noemde. Daar blijkt de term vrijwel samen te vallen met de aanduiding ‘toneelstuk’ die even neutraal is als de term ‘drama’.

LIT: Bantel; BDI; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Shipley. [G.J. van Bork]

 

toneelspel-2 of spel-2

Het acteren van de acteur(s), d.w.z. de combinatie van het uitspreken van de tekst (pronunciatio), de intonatie daarbij, de handeling(en) en de mimiek die samen het uitbeelden van een personage of een situatie uitmaken. Bestaat die uitbeelding uitsluitend uit mimiek en handeling dan spreekt men wel van ‘stil spel’.

LIT: E. Duerr. The length and depth of acting (1963). [G.J. van Bork]

 

toog

In de 15e en 16e eeuw gebruikelijke benaming voor een tableau vivant, een ‘stomme vertoning’, aanvankelijk vooral van een scène uit de heilsgeschiedenis. De toog kon deel uitmaken van een processie, maar ook van een intocht van een vorst, een blijde inkomste. Een van de eerste, wat uitvoeriger beschreven togen is die n.a.v. de intocht van Filips de Goede in Brugge in 1440, toen er te zien waren op

tallen houcke verscheiden chierate, poorten van triumphe ende costelicke tooghen ghemaect van stomme personagien, beeldewijs, metter inscriptie daer toe dienende.
(Chronijke van den lande ende graefscepe van Vlaanderen, van de jaeren 405 tot 1492, ed. De Jonghe, dl. III, 1839, p. 433).

De toog was opgesteld in een van drie zijden ingesloten ruimte op een bepaalde locatie of op een wagen. Doorgaans ging het om een stellage met enkele achterschermcompartimenten en eventueel meer dan één verdieping (speelhuis). De voorstelling kon worden toegelicht door een geschreven tekst, maar ook door een explicateur.

Na verloop van tijd ging de toog meer en meer deel uitmaken van een toneelspel, waarin de personages met pantomime of zelfs met gesproken woord deelnamen aan de gehele voorstelling (toogspelen). In ca. 265 van de ongeveer 600 bewaard gebleven rederijkersspelen (rederijkers, spel van zinne, esbatement) komt een toog voor.

LIT: Gorp; Laan; W.M.H. Hummelen. ‘Het tableau vivant, de “toog” in de toneelspelen van de rederijkers’, in: TNTL 108 (1992), p. 193-222; B.A.M. Ramakers. Spelen en figuren. Toneelkunst en processiecultuur in Oudenaarde tussen Middeleeuwen en moderne tijd (1996). [G.J. van Bork]

 

toop zie topos

top zie heffing

topica zie topiek

topiek of topica

Term uit de retorica voor de leer van de topoi (topos), de voorraad ‘gemeenplaatsen’ uit klassieke auteurs waaruit door iedere redenaar of auteur telkens opnieuw geput kon worden, bijv. ten behoeve van de inleiding of het slot van een betoog. Het oudste werk over deze materie is Aristoteles' Topica; ook Cicero schreef een Topica. De middeleeuwse topiek werd in beeld gebracht door H. Brinkmann en E.R. Curtius.

LIT: Best; LdMA; E.R. Curtius. Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter (19738), m.n. hoofdstuk 5. [P.J. Verkruijsse]

 

topos, toop of locus

Topoi of loci zijn in de retorica de aspecten van een onderwerp waaraan in het kader van de bewijsvoering (argumentatio) bij de inventio argumenten te ontlenen zijn. Omdat die bepaalde aspecten stereotiep geworden waren, was men de stereotiepen zelf - ten onrechte - topoi of loci gaan noemen. Er zijn semantisch verschillende soorten topoi te onderscheiden, nl. door vergelijking (locus a simili), door vergelijking met het tegendeel (locus a contrario) en door vergelijking van het ongelijke (loci a simili impari), nl. door deductie (locus a maiore ad minus) en inductie (locus a minore ad maius). De vragen die te stellen zijn naar de in de loci verborgen ideeën kunnen in de volgende hexameter samengevat worden: ‘Quis, quid, ubi, quibus auxiliis, cur, quomodo, quando?’ (‘Wie, wat, waar, waarmee, waarom, hoe, wanneer?’). Als antwoord vindt men dan de locus a persona, locus a re, locus a loco, locus ab instrumento, locus a causa, locus a modo en locus a tempore.

Bij de dispositio kunnen in het exordium topoi gebruikt worden om de aandacht van het publiek te trekken en vast te houden of om het publiek gunstig te stemmen (attentum parare, docilem parare en benevolum parare). De locus a persona sua bevat dan vaak een bescheidenheidsformule. Zeer veel opdrachten in boeken en bij toneelstukken bevatten zo'n topos. Men kan ook beginnen met het publiek te prijzen door middel van een locus ab auditorum persona. Veelvuldig gebruik van een topos kan leiden tot een locus communis.

Het topos-begrip is door Curtius in de literatuurwetenschap gebracht. Het betekent dan dat bepaalde begrippen die in een bepaalde cultuur door schoolopleiding en literaire traditie gemeengoed geworden zijn door auteurs opnieuw gebruikt worden, nu geactualiseerd; anders verworden ze tot cliché-1, maar ze dienen wel zodanig gebruikt te worden dat ze voor de lezer herkenbaar zijn.

Voorbeelden die veelvuldig in de literatuur voorkomen zijn bijv. de locus amoenus (de standaardbeschrijving van een lustoord), de topos van de ongelijke liefde (jong meisje - oude man; jongeman - oude vrouw), de puer-senex-topos (jeugd-ouderdom-tegenstelling) en de topos van de omgekeerde wereld.

LIT: Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Fowler; Gorp; Lausberg; Metzler; MEW; Myers/Simms; Prince; Wilpert; E.R. Curtius. Europäische Literatur und lateinisches Mittelalter (19738). [P.J. Verkruijsse]

 

toppenvers zie heffingsvers

totaaltheater

Toneelvorm waarin een groot aantal kunstvormen in één voorstelling verenigd wordt. Men spreekt in dit verband ook wel van een Gesamtkunstwerk, omdat het berust op het samengaan van kunstvormen als toneel, mime, muziek, dans, beeldende kunst (decors e.d.), architectuur (bijv. toneelopbouw) en soms ook beeld- of filmprojectie. Hoewel de term vrij nieuw is, vond ook in het klassieke toneel reeds versmelting van verschillende kunstvormen plaats. Toneel, zang en dans vormden al bij de Grieken elementen van één voorstelling. Modernere vormen van totaaltheater werden verwezenlijkt door o.m. Max Reinhardt en Antonin Artaud. In Nederland kan als voorbeeld gelden de opera Labyrint (1966), gebaseerd op Louis Paul Boons De Paradijsvogel en bewerkt door componist Peter Schat in samenwerking met Lodewijk de Boer (tekstschrijver), Koert Stuyf (choreograaf) en Albert Seelen (cinematograaf).

LIT: Cuddon; Gorp; MEW; Wilpert. [G.J. van Bork]

 

totum pro parte

Vorm van metonymische (metonymie) beeldspraak die bestaat uit het noemen van het geheel in plaats van het deel, en als zodanig een vorm van synecdoche: ‘De garage heeft de auto gerepareerd’ (i.p.v. iemand van de garage).

Het tegenovergestelde van totum pro parte is pars pro toto.

LIT: Abrams; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp; Morier; Preminger; Shipley. [G.J. Vis]

 

tragedie of treurspel

Eén van de dramatische genres (volgens de klassieke literaire theorie samen met het epos het meest hoogstaande genre) naast de komedie (blijspel), de tragikomedie en de klucht (klucht-1), inhoudelijk gekenmerkt door fatale gebeurtenissen die de hoofdpersoon, de held, overkomen door het noodlot of die hij over zich afroept door het begaan van een tragische vergissing of door overmoed, en formeel gekenmerkt door een structuur die in grote lijnen volgens een vast stramien verloopt (proloog - drie tot vijf bedrijven, vaak gescheiden door een rei-1 - slotlied).

De klassieke tragedie ontwikkelde zich in Griekenland waarschijnlijk uit de geitenliederen (tragedie = geitenlied) van de Dionysusfeesten via de dithyrambe tot een toneelstuk met steeds meer handelende personen en een steeds minder prominente rol van het koor bij tragedieschrijvers als Aeschylus (invoering tweede acteur), Sophocles (invoering derde acteur) en Euripides in de 5e eeuw v.Chr. De Griekse tragediepraktijk werd vastgelegd door Aristoteles (Poetica), die de tragedie zag als nabootsing (mimesis) door de handelende personen van een handeling, en wel op verheven wijze en in een verheven taal. De tragedie moet medelijden en vrees verwekken bij de toeschouwer, opdat hij een catharsis ondergaat. Kenmerkende elementen zijn: enkelvoudige handeling zonder nevenintriges, die zich bij voorkeur binnen één etmaal afspeelt en die zo waarschijnlijk mogelijk moet zijn; de rei treedt op als één van de personages; een hoogstaande held die door een fout ten val komt; een ommekeer (peripetie); een indeling in proloog - parodos (intredezang van het koor) - vijf episoden (‘bedrijven’) gescheiden door stasima (reien) - exodos.

Uit de Romeinse periode zijn de naar Grieks model gevormde tragedies van Seneca van belang. De inhoud van zijn spelen is echter veel gruwelijker en pathetischer en de strekking is naar voorbeeld van de stoïsche moraalfilosofie ethisch-belerend: de morele les wordt door de reien uitgesproken.

Tijdens humanisme en renaissance wordt de klassieke tragedie herontdekt. Het Neolatijnse schooldrama heeft daarbij waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld. Er zijn in ieder geval duidelijke invloeden van het humanistische retorica-onderwijs te herkennen in de wijze waarop aandacht gegeven wordt aan retorische technieken in afzonderlijke scènes boven die aan de voortgang van de handeling. Met name de bij Seneca aansluitende opvattingen van Julius Caesar Scaliger zijn door diens in Leiden docerende zoon Josephus Justus Scaliger in Nederland verbreid. In de eerste helft van de 17e eeuw zijn dan ook veel gruwelijke gebeurtenissen met hooggeplaatste personen die tot een ongelukkige afloop (exitus infelix) leiden in de tragedie waar te nemen, culminerend in Jan Vos' Aran en Titus (1641), evenals door de reien verwoorde morele lessen die uit de handeling getrokken moeten worden. De Amsterdamse rederijkerskamer D'Eglentier en de Nederduytsche Academie van Samuel Coster hebben begin 17e eeuw een belangrijke rol gespeeld bij de vernieuwing van het toneel. De belangrijkste tragediedichters zijn daaruit voortgekomen: G.A. Bredero met Rodd'rick ende Alphonsus (1616), Griane (1616), Lucelle (1616), Stommen Ridder (1619) en Angeniet (1623), Samuel Coster met Itys (1615), Iphigenia (1617), Isabella (1619) en Polyxena (1619), P.C. Hooft met Geeraerdt van Velsen (1613), Achilles en Polyxena (1614), Theseus en Ariadne (1614), Granida (1615) en Baeto (1626), Abraham de Koningh met o.a. Achab (1618) en Iephthah (1615).

Behalve de Senecaans-Scaligeriaanse traditie is er ook de Aristotelisch-Griekse traditie, hier gepropageerd door D. Heinsius (De tragoediae constitutione, 1611) en G.J. Vossius (Institutiones poeticae, 1647) en in de praktijk gebracht door de belangrijkste Nederlandse tragediedichter Joost van den Vondel. In zijn tragedies gaat het vooral om het innerlijk conflict van de held: de peripetie, het moment waarop geluk in ongeluk verandert, is het centrale moment. De tragedie hoeft ook niet per se een ongelukkige afloop (exitus infelix) te hebben; een gelukkige afloop (exitus felix) leidt niet vanzelf tot een tragikomedie (de Gysbreght van Aemstel heeft een min of meer gelukkige afloop). Evenmin is het nodig dat de morele les in Vondels ‘ideeëndrama's’ door de reien vertolkt wordt; die blijkt voor de toeschouwer uit de handeling zelf. In een aantal voorberichten bij zijn drama's heeft Vondel zich over zijn toneeltheorie uitgelaten; met name het ‘Berecht’ bij Jeptha (1659) is van belang.

De tragedies uit de eerste helft van de 17e eeuw zijn geïnventariseerd door Hubert Meeus in zijn Repertorium van het ernstige drama in de Nederlanden 1600-1650 (1983). Een onderverdeling binnen het genre is geprobeerd door L. Rens en G. van Eemeren in Genres in het ernstige Renaissancetoneel der Nederlanden tot 1625 (1977) en G. van Eemeren en H. Meeus in Genres in het ernstige Renaissancetoneel der Nederlanden 1626-1650 (1988). De door hen onderscheiden groepen, die uiteenlopen van ‘klassieke’ tot ‘archaïsche’ tragedie, worden naar hun stof onderverdeeld in klassiek-mythologische (bijv. Vondels Elektra, 1639), historische (bijv. Vondels Gysbreght, 1637), bijbelse (bijv. Vondels Joseph in Dothan, 1640), romaneske en pastorale (bijv. Vondels Leeuwendalers, 1647) tragedies. Opvoeringsgegevens van tragedies zijn bijeengebracht door W.M.H. Hummelen in Amsterdams toneel in het begin van de Gouden Eeuw (1982) en door E. Oey-De Vita en M. Geesink in Academie en Schouwburg; Amsterdams toneelrepertoire 1617-1665 (1983).

Eind 17e eeuw komt de tragedie in Nederland door het optreden van Nil Volentibus Arduum onder invloed van het Franse classicistische drama van met name Corneille en Racine. De nieuwe eisen werden geformuleerd door Andries Pelsin diens Het gebruik en misbruik des tooneels (1681): o.a. waarschijnlijkheids- en welvoeglijkheidseis; vijf bedrijven; geen bijbelstof; geen gruwelen; vasthouden aan de Aristotelische eenheden van tijd, plaats en handeling; geen reien. Tragedieschrijvers uit de periode van het Frans-classicisme zijn o.a. Lodewijk Meyer (Verloofde Koninksbruidt, 1668), Lucas Rotgans (Eneas en Turnus, 1705) en Balthasar Huydecoper (Achilles, 1719).

In de 19e eeuw verdwijnen langzamerhand de formele kenmerken van de tragedie (geen vijf bedrijven meer; geen Aristotelische eenheden meer) en ook de tragische held verdwijnt: in plaats van het tragische individu als representant van de gehele maatschappij komt de ondergang van een bepaalde sociale groepering. Het toneelwerk van Herman Heijermans is hiervan een voorbeeld. In de 20e eeuw blijft uiteindelijk de tragische ‘held’ nog slechts als individu over.

De ontwikkelingen ten aanzien van de tragedie in de 16e en 17e eeuw in Engeland enSpanje wijken af van die in Frankrijk en Nederland. De Elizabethaanse tragedie (Shakespeare) handelt vooral over heersers en hun lotgevallen (koningsdrama's) en gaat meer in de richting van de tragikomedie doordat er vaak ook komische scènes in weinig verheven taal ingevoegd worden (Hamlet, Macbeth). Ook de Spaanse toneelschrijvers als Lope de Vega (en in diens voetspoor Theodoor Rodenburg in Nederland) en Calderon de la Barca veroorloven zich vrij veel formele vrijheden. De 18e-eeuwse Duitse tragedie van Lessing en de jonge Goethe en Schiller is burgerlijk van karakter en trekt zich eveneens weinig aan van de voorgeschreven vormkenmerken van de klassieke tragedie.

LIT: Abrams; Baldick; Bantel; BDI; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Krywalski; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; J.A. Worp. Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland (2 dln., 1904-1908); A.G. van Hamel. Zeventiende-eeuwsche opvattingen en theorieën over litteratuur in Nederland (1918), p. 82-168; W.A.P. Smit. ‘Inleiding’, in: Van Pascha tot Noah; een verkenning van Vondels drama's naar continuïteit en ontwikkeling in hun grondmotief en structuur (dl. 1, 1956), p. 7-28; W.A.P. Smit. ‘Het Nederlandse Renaissance-toneel als probleem en taak voor de literatuurhistorie’, in: id. Twaalf studies (1968), p. 1-39; S.F. Witstein. Bredero's ridder Rodderick (1975); Joost van den Vondel. Poëtologisch proza, ed. L. Rens [1980]; M.B. Smits-Veldt. Samuel Coster ethicus-didacticus (1986), hoofdstuk II; E.K. Grootes. Het literaire leven in de zeventiende eeuw (19882), p. 65-68; A.J.E. Harmsen. Onderwys in de tooneel-poëzy; de opvattingen over toneel van het Kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum (1989); M.B. Smits-Veldt. Het Nederlandse renaissancetoneel (1991); A.S. de Haas. De wetten van het treurspel. Over ernstig toneel in Nederland, 1700-1772 (1997). [P.J. Verkruijsse]

 

tragikomedie

De tragikomedie is een dramatische genre dat elementen bevat van zowel de tragedie als de komedie (blijspel), maar in de literaire theorie is het nooit gelukt het genre enigszins duidelijk af te scheiden van met name de tragedie omdat een van de belangrijkste kenmerken van de tragikomedie, de gelukkige afloop (exitus felix), ook wel voorkomt bij als tragedie aangeduide stukken. Behalve door de exitus felix wordt de tragikomedie gekenmerkt door het optreden van zowel hoog- als laaggeplaatste personen, door de afwisseling van ernstige en komische scènes en dientengevolge van verheven en ‘gewoon’ taalgebruik. Behalve de term ‘tragikomedie’ (Vondel, Pascha, 1612) zijn in de 16e en 17e eeuw nog andere benamingen gangbaar: tragica-comedia (D.V. Coornhert,