|
|
|
| | | |
quadrivium
Het quadrivium (de viersprong) maakt met het
trivium (grammatica,
dialectica en
retorica) deel uit van de
artes liberales, de zeven vrije kunsten, en
bevat de volgende wetenschappen: arithmetica (rekenkunde), geometrica
(landmeetkunde), astronomia (sterrenkunde) en musica (muziek).
LIT: Best; Cuddon; Laan; LdMA; Metzler; Scott; Wilpert; P.
Abelson. The seven liberal arts (1906); J. Koch (red.). Artes
liberales. Von der antiken Bildung zur Wissenschaft des Mittelalters
(1959). [P.J. Verkruijsse/H. Struik]
| |
quaestio
Term uit de retorica voor de vraag waarom het gaat en die in het
kader van de
inventio, het
dubium onder woorden brengt. Men kan zich
daarbij op verschillende standpunten stellen, verschillende vragen stellen aan
het object, de
status causae.
LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; M. Spies.
‘“Op de questye...”: over de structuur van 16e-eeuwse
zinnespelen’, in: NTg 83 (1990), p. 139-50. [P.J. Verkruijsse]
| |
quaestio finita
Term uit de retorica voor een praktisch vraagstuk van bijzondere
aard waarin een redenaar een
dubium onder woorden kan brengen in het
kader van de
inventio. Bijv.:
Moeten Van Bork, Struik, Verkruijsse en Vis een letterkundig
lexicon samenstellen?
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
quaestio infinita
Term uit de retorica voor een vraagstuk van algemeen-theoretische
aard waarin een redenaar een
dubium onder woorden kan brengen in het
kader van de
inventio. Bijv.:
Moet er een letterkundig lexicon worden samengesteld?
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
quasi-facsimile-transcriptie
Methode in de
bibliografie van het beschrijven van
titelpagina's uit de periode dat de
fotografie nog in de kinderschoenen stond en de bibliografen nog overdreven
veel waarde hechtten aan een zo nauwkeurig mogelijke nabootsing van de tekst en
beschrijving van ander typografisch materiaal van de titelpagina. Met behulp
van allerlei soorten onderstrepingen werden verschillende lettertypen
aangegeven; regeleindes werden met een verticale lijn aangeduid enz. Hoewel het
maken van facsimile's tegenwoordig bijzonder eenvoudig is, blijkt de
quasi-facsimile-methode hardnekkig. Voor het identificeren van
drukken is ze echter vrijwel waardeloos;
daartoe is het noteren van
katernsignatuurposities veel
efficiënter gebleken. In een bibliografische beschrijving kan men dan ook
beter óf een echt facsimile afdrukken óf een sterk vereenvoudigde
transcriptie, beide aangevuld met een aantal andere elementen, waaronder
signatuurposities.
LIT: F. Bowers. Principles of bibliographical description
(1949), p. 135-184; D.F. Foxon. Thoughts on the history and future of
bibliographical description (1970); Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 322-328; P.S. Dunkin. Bibliography.
Tiger or fat cat? (1975), p. 18-22; P.J. Verkruijsse. Mattheus
Smallegange (1624-1710) (1983), p. 41-43. [P.J. Verkruijsse]
| | | | | |
quaternio of quatern
Term uit de codicologie voor een
katern van 4
dubbelbladen; dit is gelijk aan 8
bladen of 16 bladzijden.
De benaming quaternio werd in de Middeleeuwen voor meer begrippen
gebruikt: voor het bovengenoemde katern van 4 dubbelbladen, maar ook voor
katern in het algemeen; in dat geval is een katern met bijv. 3 dubbelbladen
(ternio) tevens een quaternio. Tenslotte werd de term
ook gebruikt voor een klein, later ook wel voor een groot, ongebonden boek.
Katernen van 4 of 5 dubbelbladen (quinio)
komen het meeste voor in middeleeuwse handschriften. Het is overigens niet
noodzakelijk dat alle katernen in een handschrift of boek een gelijk aantal
bladen hebben.
LIT: Hiller; W.Gs. Hellinga & P.J.H. Vermeeren.
‘Codicologie en filologie’, in: SpL 5 (1961), p. 300-307; L.
Gilissen. Prolégomènes à la codicologie (1977), p.
14-125. [H. Struik]
| |
quator sensus scriptorum
Begrip uit de
exegese en de
hermeneutiek voor de vier manieren waarop
een tekst te verklaren is. De theorie over de
zin en betekenis van woorden is hecht
gefundeerd in de meerledige interpretatie van de bijbel sinds de kerkvaders
hiervoor de ‘quator sensus scriptorum’ formuleerden. Naast de
letterlijke betekenis - er staat wat er staat - onderscheidt men de figuurlijke
of overdrachtelijke betekenis: er staat niet wat er staat. Het schoolvoorbeeld
in deze is Jeruzalem: in de letterlijke zin van het woord (sensus litteralis) de stad Jeruzalem, in de morele zin (sensus moralis) de ziel van de mens, in de typologische zin
(sensus allegoricus-1, waarbij een bepaalde gebeurtenis
uit het Oude Testament gezien wordt als een voorafbeelding van een gebeurtenis
in het Nieuwe Testament), de kerk, en in de anagogische zin (sensus anagogicus, waarbij alles beschouwd wordt vanuit de
vier uiterste eindbestemmingen van de mens - hemel, God, hel, duivel) de
hemel.
LIT: F. Ohly. ‘Vom geistigen Sinn des Wortes im
Mittelalter’, in: Zeitschrift für deutschen Altertum und deutsche
Literatur 89 (1958), p. 1-23; F. Ohly. Schriften zur mittelalterlichen
Bedeutungsforschung (1977), p. 1-31; H. Pleij. ‘Over de betekenis van
Middelnederlandse teksten’, in: Spektator 10 (1980-81), p.
299-339; P. Wackers. Met ogen van toen. Middeleeuwse kunst: schoonheid en
wetenschap (1980); U. Eco. Kunst en schoonheid in de middeleeuwen
(1989). [H. Struik]
| |
queeste of queste
Langdurige en gevaarlijke zoektocht naar een persoon of een
object, waarbij een vaak eenzame held een opdracht krijgt om een bepaalde zaak
tegen allerlei hindernissen in tot een goed einde te brengen. Doorgaans hebben
queestes een vast stramien: een bestaand evenwicht dreigt verstoord te worden
door krachten van buitenaf (bijv. een wereld waarin chaos heerst of de zgn.
Andere wereld). Vervolgens krijgt de held de
opdracht om een bepaald object of een persoon van zijn zoektocht mee terug te
nemen. De held wordt tijdens de uitvoering van zijn opdracht opgehouden,
tegengewerkt en aan één of meer krachtproeven onderworpen.
Tenslotte overwint hij de hem gestelde problemen, keert terug en krijgt
erkenning voor zijn daden. Daardoor is een nieuw evenwicht ontstaan. Een
queeste is dikwijls een vorm van initialisatie. De vaak jonge held dient
tijdens zijn zoektocht een proeve van bekwaamheid af te leggen of tot een zeker
inzicht te komen en zo aan te tonen dat hij zijn plaats als volwaardig lid van
de gemeenschap heeft verdiend.
Queestes komen voor in
sprookjes, zoals het sprookje van
De gouden vogel en de zogenaamde
‘drakendoder-sprookjes’, en zijn karakteristiek voor de
Arturroman. Bekend zijn Waleweins queeste naar
het zwevende schaakspel in de Roman van Walewein en
Ferguuts queeste naar Galiene in de Ferguut. Het tweede
deel van de Haagse Lancelot-compilatie, de Queeste van den
Grale, beschrijft de zoektocht van de ridders van koning Artur naar
de graal (Roman van Lancelot, ed.
W.J.A. Jonckbloet, 2 dln., 1846-1849). Een
modern voorbeeld van een roman met een queeste is
J.R.R. Tolkiens In de ban van de
ring (3 dln., 1954-1955). Bij uitgebreider toepassing van de term
kan men de zoektocht in
W.F. Hermans' Nooit meer
slapen (1966) een queeste noemen.
LIT: Laan; MEW; J.D. Janssens. ‘Constanten en variaties in
de Middelnederlandse “episodische” Arturroman’, in:
Handelingen van de Koninklijke Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en
Letterkunde en Geschiedenis (1981), p. 177-186; J. Kruithof.
‘Daarheen en weer terug’, in: Bzzlletin 10 (1981-1982) 92,
p. 100-104; F. Brandsma. ‘Lancelot’, in: W.P. Gerritsen en A.G. van
Melle (red.). Van Aiol tot zwaanridder. Personages uit de middeleeuwse
verhaalkunst en hun voortleven in literatuur, theater en beeldende kunst
(1993), p. 203-217; D. Hogenelst en F. van Oostrom. Handgeschreven
wereld (1995), p. 203-212; B. Besamusca en F. Brandsma (red.). De kunst
van het zoeken. Studies over ‘avontuur’ en
‘queeste’ in de middeleeuwse literatuur (1996). [G.J. van
Bork/H. Struik]
| |
quem quaeritis-troop
Ingevoegd muzikaal-dramatisch onderdeel (troop-1) in een bestaand liturgisch gezang dat op eerste
paasdag tijdens de mis gezongen werd. De oorspronkelijke paastroop is
waarschijnlijk geschreven door de monnik
Tutilo van St. Gallen (+ 912): drie
monniken beelden de vrouwen uit die, volgens het Evangelie, op de morgen van
Pasen naar het graf van Christus zijn gegaan om Zijn lichaam te balsemen. Bij
het Maria-altaar is een graf gemaakt, waarbij twee monniken staan die engelen
verbeelden. De hele dialoog luidt, vertaald uit het Latijn, als volgt:
Wie zoekt gij in het graf, o vereersters van Christus?
Jezus van Nazareth die gekruisigd is, o hemelbewoners.
Hij is niet hier, Hij is opgestaan, zoals Hij had voorspeld.
Gaat heen, verkondigt dat hij is opgestaan, en zegt:
de Heer is opgestaan uit het graf.
Daarna wordt door het hele koor het Te Deum gezongen,
terwijl de klokken luiden; de vastentijd van veertig dagen is voorbij.
Dit kleine onderdeel van de paasviering, dat slechts enkele
minuten in beslag nam, wordt wel gezien als de bakermat van het geestelijk
drama in de Middeleeuwen. In de loop der eeuwen werden daar steeds meer
elementen aan toegevoegd. Wat oorspronkelijk een symbolische uitbeelding was
van één essentieel moment, groeide uit tot een volledige
dramatisering van het hele paasverhaal (paasspel).
Volgens deze inmiddels achterhaalde, maar hardnekkige theorie zou
het geestelijk drama zich via het liturgisch drama ontwikkeld hebben uit deze
in de kerk gezongen tropen, nadat er eeuwen geen toneel gespeeld was. Het ligt
echter voor de hand te veronderstellen dat er altijd toneel gespeeld is, hoewel
daarvan voor de periode van de 5e tot de 10e eeuw weinig bewijzen zijn
overgeleverd. Dit toneel is uiteindelijk ook weer een rol in de kerk gaan
spelen om het vertelde aanschouwelijk te maken. De volgorde van opvoering van
de
mysteriespelen werd daarbij aanvankelijk
voor een groot deel bepaald door de indeling van het liturgische jaar.
LIT: Cuddon; LdMA; B. Hunningher. The origin of the theater
(1955); H. Pleij. ‘Volksfeest en toneel in de middeleeuwen’, dl.
II, in: De Revisor 4 (1977) 1, p. 34-41; C. Vellekoop. ‘Het
paasspel van Egmond’, in: Floris V. Leven, wonen en werken in Holland
aan het einde van de dertiende eeuw (1979), p. 51-63; R.L. Erenstein.
‘Het liturgisch drama Ordo Stellae wordt gekopieerd te
Munsterbilzen’, in: id. (red.). Een theatergeschiedenis der
Nederlanden (1996), p. 2-9. [H. Struik/G.J. van Bork]
| | | |
questie
Zestiende-eeuwse benaming voor het thema dat werd opgegegeven aan
de
rederijkerskamers die deelnamen aan een
wedstrijd toneelschrijven (landjuweel), bijv.
‘Waardoor wordt de stervende mens het meest getroost?’, de questie
van het Gentse rederijkersfeest van 1539. Op het Antwerpse landjuweel van 1561,
georganiseerd door De Violieren, mochten geen religieuze of politieke
vraagstukken worden aangeroerd en daarom diende de questie ‘Dwelck den
mensch aldermeest verwect tot consten’ beantwoord te worden.
LIT: J.J. Mak. De rederijkers (1944), p. 96. [H.
Struik/G.J. van Bork]
| | | |
quick
Speciale aanduiding (‘kwinkslagen’) bij
Pieter Roemer Visscher voor zijn
puntdichten, uitgegeven in de bundel
Brabbeling (1614). De ruim vierhonderd quicken zijn
verdeeld in zeven door hem zo genoemde ‘schocken’
(zestigtallen).
LIT: Laan. [W. Kuiper]
| | | |
quinarius
Term uit de prosodie voor een vijfsyllabige versregel, gewoonlijk
toegepast in combinatie met regels van andere lengte. Vanouds is de quinarius
bekend als afsluitende vierde regel van de zgn. eerste
sapfische strofe, in de vorm van
dactylus plus
trochee: -vv/-v.
Maar ook in de vrijere vormgeving van de dichtkunst tijdens het
modernisme kan men de quinarius nog tegenkomen, al zullen sommigen deze nagalm
van de quinarius niet meer als zodanig herkennen. Men denke aan de
vijfsyllabige strofe-afsluitende regel in strofen van het gedicht
‘Music-hall’ van
Paul van Ostaijen (VW,
Poëzie, dl. 1, 1979, p. 8-10).
LIT: Buddingh'; Cuddon; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
quinio of quintern
Term uit de codicologie voor een
katern van 5
dubbelbladen; dit is gelijk aan 10
bladen of 20 bladzijden. Katernen van 4
(quaternio) of 5 dubbelbladen komen het meeste voor in
middeleeuwse handschriften. Papieren katernen bestaan vaak uit quinionen;
papier is vaak dunner dan perkament en kan daardoor zonder schade meer dan acht
bladen in een katern hebben. Het is overigens niet noodzakelijk dat alle
katernen in een handschrift of boek een gelijk aantal bladen hebben.
LIT: W.Gs. Hellinga & P.J.H. Vermeeren. ‘Codicologie en
filologie’, in: SpL 5 (1961), p. 300-307; L. Gilissen.
Prolégomènes à la codicologie (1977), p. 14-125.
[H. Struik]
| | | |
quiproquo of quidproquo
Geliefd toneelprocédé in
klucht-1 of komedie (blijspel) dat erop gericht is om door middel van
dubbelzinnigheid (ambiguïteit) misverstanden te
veroorzaken tussen personages. Meestal gaat het erom dat personages eenzelfde
woord op verschillende manieren interpreteren, maar het kan ook gaan om
situaties die verschillend kunnen worden opgevat of om personages die zich voor
een ander laten doorgaan (travestie).
Een goed voorbeeld van zo'n misverstand op het toneel is te vinden
in het vierde toneel van de Warenar (1617) van
P.C. Hooft.
Ritsert verkeert in de veronderstelling
dat
Warenar staat te schelden en te klagen
omdat hij erachter is gekomen dat zijn dochter ongehuwd zwanger is geworden,
terwijl het Warenar gaat om zijn gestolen pot met goud. Ritsert zegt dan
‘Ic hebt gedaen, ic kent’ (vs. 1096). Hij bedoelt dat hij Claertje
zwanger heeft gemaakt, maar Warenar vat dit op als de bekentenis van de
diefstal.
Een voorbeeld in de vorm van travestie komt voor in
Thomas Asselijns Jan Klaasz of
gewaande dienstmaagt (1682).
LIT: Best; Cuddon; Gorp; H. van den Bergh. Konstanten in de
komedie (1972), p. 156-190. [G.J. van Bork]
| |
quodlibet
Bijzondere vorm van de
disputatio, een bijbelexegetische
schooldiscussie, die tussen 1250 en 1320 haar bloeiperiode beleefde aan de
theologische faculteit van Parijs, en die ook op teksten in de volkstaal een
zekere invloed uitoefende, bijv. op de Eerste Martijn van
Jacob van Maerlant.
LIT: Best; LdMA; Wilpert; P.L. van Veldhuijsen. ‘Wat is het
sterkste, de wijn, de vrouw, de koning of de waarheid? Een quodlibetale kwestie
van Thomas van Aquino’, in: Millennium 2 (1988), p. 144-149; P.
Berendrecht. ‘Maerlants Eerste Martijn: een “leer-rijk”
quodlibet?’, in: Spektator (1990), p. 369-385. [W. Kuiper]
|
|
|