|
|
|
| | | |
saffische ode zie
sapfische ode
| |
saffische strofe zie
sapfische strofe
| |
saga
Oorspronkelijk Oudijslands prozaverhaal, meestal anoniem, en te
beschouwen als historie én fictie. De saga ontstond op instigatie van de
kerk, die het volk van ijdele vermaken als dansen en sterke verhalen vertellen
wilde afhouden, en in plaats daarvan meer verantwoord materiaal aanbood. De
oudste saga's gaan over de kolonisatie van IJsland
(Landnámábok), de lotgevallen van de oudste
bewoners en hun onderlinge familierelaties. Maar al snel breidde het genre zich
uit tot de biografieën van vorsten (Heimskringla),
reisverhalen (Vinland saga), fictie en vermaak. De
bloeitijd van de saga ligt tussen 1230 en 1280. Hoogtepunten uit die tijd zijn
de Egils saga, Laxdaela saga en
Njals saga, in welke teksten de bloedwraak een belangrijk
thema is. Wat dichter bij het Middelnederlands liggen de Oudnoorse saga's,
vertalingen van epische stof, zoals Alexanders saga en
Karelmagnus saga.
Tegenwoordig wordt saga gebruikt om daarmee de
familieroman die zich uitstrekt over meer
generaties te kenschetsen, zoals bijv.
John Galsworthy's Forsyte
Saga.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; J. de Vries. ‘Oudgermaanse
letterkunde’, in: Algemene literatuurgeschiedenis, dl. 2 (z.j.),
p. 3-42; H. Borelius. Die nordische Literatur (1961); P. Vermeyden
(vert.). De Saga van Erik de Rode en andere IJslandse saga's over reizen
naar Groenland en Vinland (1980); J. Tucker (red.). Sagas of the
Icelanders: a book of essays (1989). [H. Struik]
| |
sage
Overgeleverd (volks)verhaal, gebaseerd op een historische
gebeurtenis. In tegenstelling tot de
mythe heeft de sage geen religieuze
achtergrond.
Veel sagen zijn gegroepeerd rond koningen en helden als
Alexander de Grote,
Karel de Grote en
Barbarossa, of houden zich bezig met
afwijkende typen als
Blauwbaard en
Faust. Aan de helden worden meestal
bovenmenselijke eigenschappen toegedicht. Bekend zijn de
Nibelungensagen en de verhalen rond de
Zwaanridder.
Sagen zijn zowel voor het godsdiensthistorisch als voor het
psychoanalytisch onderzoek interessant materiaal: vergelijkende studie kan
steeds terugkerende motieven aan het licht brengen. Psychoanalytici menen in de
sagen verhulde wensvervullingen van menselijke driften te zien.
Een uitvoerige inventarisatie van de Nederlandse sagen,
legenden,
sprookjes, mythen enz. is gemaakt door
J.W.R. Sinninghe; deze is ondergebracht
bij het Provinciaal Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen in
's-Hertogenbosch. De kennelijke neerslag van deze inventarisatie
wordt door volkskundigen overigens als achterhaald beschouwd.
LIT: Bantel; Best; Brongers; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW;
Wilpert; K. Wehrhan. Die Sage (1908); J.W.R. Sinninghe. Katalog der
niederländischen Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und
Legendenvarianten (1943); L. Schmidt. Die Volkserzählung
(1963); W. Peuckert (red.). Sagen und ihre Deutung (1965); L.
Röhrich. Sagen (1966); A. Jolles. Einfache Formen
(19684); T. Dekker, J, van der Kooi en Th. Meder (red.). Van
Aladdin tot Zwaan kleef aan. Lexicon van sprookjes: ontstaan, ontwikkeling,
variaties (1997). [H. Struik]
| |
salon
Verschijningsvorm van het sociaal-literaire leven in
Frankrijk in de 17e en 18e eeuw. Vanuit een behoefte aan verzet
van de ‘stad’ tegen het ‘hof’ hebben de
initiatiefneemsters - het waren bijna altijd gastvrouwen en zelden gastheren -
de Italiaanse hofvoorbeelden voor ogen gehad. Kenmerkend voor de literaire
salon is de regelmatige bijeenkomst, vaak op een vaste dag in de week, met
conversatie over literatuur, kunst en filosofie. Er heerst gelijkheid der
seksen. Ook is er in principe gelijkheid van standen, al leidt dit niet tot
democratie. Vriendschap onder de deelnemers is voorwaarde. De gastvrouw staat
boven de deelnemers en is dikwijls het voorwerp van hun lofprijzingen. Een
belangrijke attractie is de beoefening van kunst en spel - woordspel,
kaartspel, muziek, amateurtoneel, improvisatie, voorlezen uit eigen werk -
waarbij men in de loop van de 18e eeuw wetenschappelijke, filosofische en
godsdienstige onderwerpen steeds minder uit de weg gaat.
Bekende salons in Frankrijk zijn die van
Mme de Scudéry,
Mme de Sévigné en
Mme de Staël. In
Nederland zou de
Muiderkring genoemd kunnen worden als
voorbeeld van een salon. Aangezien op dergelijke bijeenkomsten in de 18e eeuw
in Nederland het vrouwelijk element ontbrak, kan men hooguit spreken van
salonachtige clubs in die periode, met name in enkele regentenhuishoudens,
zoals dat van het Heemsteedse buiten van
Cornelis van Lennep.
Naast de
rederijkerskamers zijn de salons van invloed
geweest op het ontstaan van de
dichtgenootschappen en andere
sociaal-culturele gezelschappen in de 18e en 19e eeuw.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Metzler; MEW; Wilpert; M. Magendie.
La politesse mondaine et les théories de l'honnêteté, en
France, au XVIIe siècle, de 1600 à 1660 (2 dln., 1925); H.
Zwager. Waarover spraken zij (1968); W. van den Berg.
‘Sociabiliteit, genootschappelijkheid en de orale cultuur’, in: M.
Spies (red.). Historische letterkunde (1984), p. 151-170. [G.J. Vis]
| |
samengestelde structuur
Aanduiding voor een vertelstructuur van een tekst die gericht
blijkt te zijn op meer dan één thema, of verschillende
‘verhaaldraden’ (Drop) blijkt te bezitten die met elkaar
verstrengeld worden. Ook bij verschil in belang van deze verhaaldraden
(‘hoofd-’ en ‘nevendraden’) blijft men van een
samengestelde
structuur spreken, maar lang niet altijd
valt goed uit te maken of men met een
enkelvoudige of een
samengestelde structuur van doen heeft. Een
duidelijk voorbeeld van een roman met een samengestelde structuur is
Multatuli's Max
Havelaar (1860).
LIT: Bergh; Drop. [G.J. van Bork]
| | | |
samenvattende presentatie zie
tijdverdichting
| |
sapfische ode of saffische ode
Aanduiding voor een
ode van het type zoals oorspronkelijk
geschreven door de Griekse dichteres
Sapfo (7e-6e eeuw v.Chr.). Deze ode is
opgebouwd uit vierregelige
strofen. Men onderscheidt twee hoofdvormen,
de zogenaamde eerste
sapfische strofe en de tweede sapfische
strofe. Reeds in de Oudheid volgde menig dichter dit model, o.a.
Horatius (Horatiaanse
ode). Nederlandse vertalingen zijn van
Jan van der Noot,
D.J. van Lennep,
M. Siegenbeek en
W. Bilderdijken van later tijd o.a. van
J.D. Meerwaldt (in het tijdschrift
Centaur 1, 1946, aug.-sept.) en
W.E.J. Kuiper (in het tijdschrift
Hermeneus 22, 1950-1951, p. 123-137). Dichterlijke bewerkingen van
sapfische oden zijn o.a. geschreven door
Kloos,
Boutens en
Bloem.
LIT: Boven/Dorleijn; Cuddon; MEW; Preminger; Shipley; S.
Kolsteren. ‘Sappho in de negentiende eeuw’, in: Hermeneus 53
(1981), p. 249-269; M. Giebel. Sappho (1993), p. 78-81, 155-165; M.
Peereboom (red.). Fragment 31. Vertalingen van fragment 31 van Sappho
(1995). [G.J. Vis]
| |
sapfische strofe of saffische strofe
Vierregelige
strofe in een vorm zoals die oorspronkelijk
voorkwam in de
sapfische ode uit de Griekse Oudheid. De
strofe kende twee typen. Het meest voorkomende is dat van de z.g. eerste
sapfische strofe. De verzen 1 tot en met 3 volgen het patroon van de
elfsyllabige sapphicus minor (-v/--/-//vv/-v/-v). De vierde regel is een
adonius versus in de vorm van dactylus plus
trochee (-vv/-v). De tweede sapfische strofe heeft een ingewikkelder patroon,
globaal gekenmerkt door een eerste en derde regel van zeven syllaben, en een
vierde regel van vijftien syllaben.
Enkele Nederlandse dichters hebben zich op de sapfische strofe
geïnspireerd. Zo eindigt
Kloos zijn gedicht ‘Sappho’
met een vierregelige strofe, waarvan de eerste en de derde regel een verlengde
sapphicus minor te zien geven, terwijl vs. 2 en vs. 4 een variatie vormen op de
korte regels uit de tweede sapfische stofe:
Mij ook is het licht in de lome ziel gevallen,
Waar 'k in omhelzinge zoet
Zag den eersten straal, hoe hij schuivend door de hallen
Zuilvoet bevloeide na voet.
(W. Kloos. Verzen, 19324, p. 192).
Boutens hield zich wat strenger aan de regels, zoals blijkt uit de
eerste strofe van zijn ‘Gebed aan Afrodita’ (Oden en
fragmenten van Sapfo), waarin hij nauwkeurig het schema volgt van
de eerste sapfische strofe:
Flonkertoonge onsterfelijke Afrodita,
Listenvlechtster, dochter van Zeus, u smeek ik:
Laat mijn hart, ontzagbre, door angst en pijnen
(P.C. Boutens. VW, dl. 3, 1951, p. 323).
Ook
Nijhoff doet dit in zijn
‘Morgengebed’, met de ondertitel ‘Sapphische strophen’,
waarvan de eerste strofe luidt:
Zon, die met uw stralenden wagen opwaarts
Rijdt de steile daag'lijksche baan, uw rondas
Blinkt van blindend licht, in de handen houdt ge
(
M. Nijhoff. VW, dl. 1,
19822, p. 394).
J.C. Bloem paste het
procédé toe in het gedicht ‘Na de bevrijding’ uit de
bundel Sintels (1945).
In het buitenland is de sapfische strofe o.a. gebruikt door
Klopstock, Hölderlin en Ezra Pound.
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Gorp; Metzler;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
sarcasme
Vorm van bijtende spot, veelal met de bedoeling om te kwetsen,
soms indirect, als verhevigde
ironie, soms direct. Het verschijnsel kan in
allerlei genres optreden:
satire,
scheldsonnet, of bepaalde vormen van
kritiek zoals
parodie en
pastiche.
Multatuli, door
Huet de ‘virtuoos van het
sarcasme’ genoemd, zegt over dit verschijnsel in Idee 324: ‘De
hevigste uitdrukking van smart is sarkasme’.
Een voorbeeld van indirect, relativerend sarcasme vindt men in
Elsschots gedicht ‘Moeder’,
waarin de verlepte titelheldin als volgt wordt toegesproken:
Er is niets aan te doen, zoals gij ziet.
Drink dus een borrel bij een passend lied,
daar schele Piet reeds met uw teenen trekt.
Ter vergelijking van dezelfde dichter een voorbeeld van direct
sarcasme, uit ‘Het huwelijk’:
Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard
en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeeren,
hij zag de grootsche zonde in duivelsplicht verkeeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard. [...]
Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wasschen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in eenig ander land.
Andere bekende sarcasten zijn
Van Deyssel,
Ter Braak,
W.F. Hermans en
G. Komrij.
LIT: Abrams; Best; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Laan; Lodewick;
MEW; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
satanisme
Cultivering van opzettelijke goddeloosheid (in het Engels
‘diabolism’ genaamd). Als
motief of
thema manifesteert het zich sinds de
romantiek als het vaak met bewondering of verering presenteren van het moreel
en/of fysiek slechte, het kwaad (sadisme,
gothic novel). Soms treedt dat op in de
gedaante van de duivel, zoals Mephistopheles uit
Goethes Faust. In
sommige werken van
Poe en bij
Baudelaire (Les fleurs du
mal) ziet men de accentuering van het kwade als algemeen
verschijnsel, vooral in zijn contrast met de burgerlijke moraal: ‘de haat
tegen het middelmatige’ (
J.K. Huysmans). Het satanische als
onderdeel van het (vrouwelijk) schone vindt men bij de beeldend kunstenaar
G. Moreau, die veel invloed had op
letterkundigen. Het diabolische is een geliefd thema bij menig
vertegenwoordiger van
symbolisme en
decadentie.
In de Nederlandse letterkunde kan men wijzen op
Slauerhoff als iemand in wiens werk het
kwaad (in de vorm van vergankelijkheid, zinloosheid van het bestaan en
vernietiging) een belangrijke rol speelt. Voor naoorlogse literatuur kan men
G. Reve noemen; zijn creatie van Satan
als tweelingbroer van Christus plaatst hem in de ‘zwarte’ romantiek
en de decadentie.
LIT: LdMA; Metzler; Preminger; Shipley; M. Praz. Lust, dood en
duivel in de literatuur van de Romantiek (1990). [G.J. Vis]
| |
satire of hekeldicht
Aanduiding voor een type literatuur dat gewoonlijk naar zijn vorm,
inhoud of intentie wordt gedefinieerd als een teksttype waarin de auteur door
humor, komische werking of door overdrijving van bepaalde karakteristieke
trekken (vgl.
parodie en
pastiche) een bepaalde zaak, toestand of
menselijke fouten en tekortkomingen belachelijk maakt. Een belangrijke formele
eigenschap van satire is
ironie, meestal van een militante soort.
Satire doet een sterk beroep op de lezer of toehoorder om het
groteske, parodistische of ironische te
onderkennen, vooral omdat de auteur werkt met subtiele dubbelzinnigheden of
bekend veronderstelde omstandigheden of teksten die een soort ‘sous
entendu’ inhouden. Satire verschilt van het komische doordat het laatste
uitsluitend de lachlust nastreeft, terwijl satire tevens een moralistische, een
op verbetering van de menselijke zwakheden of fouten of een op verandering van
normen gerichte doelstelling heeft. Scherp zijn deze grenzen echter niet te
trekken, temeer daar de term een ontwikkeling blijkt te hebben doorgemaakt die
hem ruimer doet zijn dan die van genreaanduiding alleen. Satire kan zich
verbinden met alle formele genres: roman, schets, gedicht, drama, cabarettekst
e.d. Men heeft daarom wel geprobeerd haar als grondhouding of zijnstoestand te
definiëren, maar tegenwoordig prevaleert een beschrijving naar inhoud,
intentie en vorm.
In de klassieke literatuur fungeerde satire nog ten volle als
genrebegrip.
Archilogus,
Aristophanes,
Lucilius,
Juvenalis,
Horatius e.a. schreven satiren en
definieerden satire ook als genre. Men maakte zelfs onderscheid in Juveniaalse
en Horatiaanse satiren. Steeds meer echter ontstaat vermenging van genres. In
de Middeleeuwen blijkt die vermenging bijvoorbeeld uit een tekst als
Van den vos Reinaerde (13e eeuw), een dierenepos met
trekken van de satire. Ook een
standensatire als de Blauwe
Schuit (15e eeuw) is daar een voorbeeld van.
Satire en
hekeldicht liggen dicht bij elkaar vanwege
de intentie, namelijk het belachelijk maken van als onwenselijk beschouwde
omstandigheden, ontwikkelingen, normen e.d. Veelal is het hekeldicht minder
verhuld spottend dan de satire, waarin de schijn van ernst langer wordt
opgehouden. Men vergelijke daartoe de hekeldichten van
Vondel (Rommelpot van 't
Hanekot, 1627 of Roskam, 1630) met
Marnix van St. Aldegondes De
Byenkorf der H. Roomsche Kercke (1569). Een voorbeeld van een
satirische versvertelling uit de 18e eeuw is De menuet en de
domineespruik (1772) van
Betje Wolff. In de 18e eeuw was de satire
zeer geliefd, zoals blijkt uit de talloze satirische tijdschriften (vgl.
P.J. Buijnsters en
C.M. Geerars, ‘Bibliografie van de
18e-eeuwse satirische tijdschriften’, in Documentatieblad Werkgroep
18e Eeuw, nr. 1-10, 1975, p. 126-139). Maar ook in de 19e eeuw ontbreken
satirische elementen niet in de prozaschetsen van
Beets en
Kneppelhout, in de poëzie van De
Schoolmeester en in een tijdschrift als Braga (1842-1844).
Waar satire een bestaande literaire tekst tot uitgangspunt neemt
om die belachelijk te maken, ontstaat parodie. Ook pastiche of
burleske literatuur, vgl.
Cornelis Paradijs'
Grassprietjes (1885), kunnen satirische trekken
hebben.
Het ziet ernaar uit dat het begrip satire een steeds ruimere
betekenis heeft gekregen en andere teksttypen als parodie, burleske, pastiche,
humoristische schets, cabarettekst e.d. in zich heeft verenigd. Dat blijkt
bijvoorbeeld uit satirisch genoemde tv-programma's als Zo is het toevallig
ook nog 'ns een keer en Hadimassa waarin allerlei tekstsoorten naast
elkaar als satirisch voorkomen.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler;
Gorp; Laan; LdMA; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott;
Shipley; Wilpert; G. Highet. The anatomy of satire (1962); C.A. van
Rooy. Studies in classical satire and related literary theory (1965);
H.A. Gomperts. ‘Onder mijn mantel dood ik de koning’, in:
Tirade 13 (1969) 143, p. 14-24; A. Pollard. Satire (1970); W.
Drop e.a. Boos-aardig. Satiren in de Nederlandse literatuur
(19702); C.M. Geerars. ‘De theorie van de satire’, in:
Documentatieblad Werkgroep 18e Eeuw (1972), 15-16, p. 1-41; L. Hutcheon.
A theory of parody (1985), p. 43-63; K.D. Beekman. ‘De literaire
parodie bij benadering’, in: A. Mertens en K.D. Beekman (red.).
Intertekstualiteit in theorie en praktijk (1990), p. 79-97. [G.J. van
Bork]
| |
saudade
Portugees voor het bitterzoete liefdesgevoel dat ontstaat door
verwijdering van de (of het) geliefde in ruimte of tijd en waarvan weemoedige,
maar zoete en fijngevoelige overdenkingen het gevolg zijn. Het woord is
eigenlijk onvertaalbaar, maar is kenmerkend voor een genre poëzie dat -
vaak in navolging van de Portugese dichter
Camões - in de literatuur sterk
opgeld heeft gedaan. In de Nederlandse poëzie werd het genre beoefend door
J.J. Slauerhoff, die een afdeling van
zijn bundel Soleares (1932) de titel
‘Saudades’ gaf en zelfs de hele bundel aanvankelijk zo genoemd
wilde zien.
LIT: MEW; Wilpert; J. van Besselaar. ‘Saudade e
jeito’, in: Lustrumboek van Centro Cultural (1970). [G.J. van
Bork]
| |
saut du même au même of
Augensprung
Term uit de tekstkritiek voor een
continueringsfout die eruit bestaat dat de
kopiist, na het
afschrijven-1 van een aantal zinnen, bij het
hervatten van het lezen van zijn voorbeeldtekst op een andere plaats in de
legger terugkeert, omdat deze ogenschijnlijk
dezelfde is. Twee dezelfde woorden dicht bij elkaar in de voorbeeldtekst kunnen
dan een verspringing veroorzaken, waardoor een deel van de tekst verloren gaat
of juist verdubbeld wordt. Wanneer de kopiist per ongeluk in de verkeerde kolom
zoekt, kunnen zo flinke stukken tekst wegvallen. Als de kopiist zijn fout niet
opmerkt, is de ontbrekende passage voorgoed verloren; een volgende kopiist
heeft immers een tweede, complete tekst nodig om de oorspronkelijke lezing te
kunnen herstellen. In geval van een verdubbeld tekstgedeelte is herstel van de
oorspronkelijke lezing natuurlijk een stuk eenvoudiger.
LIT: A. Dain. Les manuscrits (19753), p. 48-49;
A.M. Duinhoven. Bijdragen tot de reconstructie van de Karel ende Elegast
I (1975), p. 152. [H. Struik]
| |
scanderen
Term uit de
prosodie voor dat onderdeel van de
klankanalyse (klank) dat erop gericht is op grond van
woord- en zinsaccent het verloop van
heffingen en
dalingen vast te stellen en aldus het
ritme te beschrijven. In de praktijk komt
het erop neer dat men probeert de prominentieverhoudingen (klemtonen) binnen de
versregel(s) te vertalen in metrische (metrum) termen
(versvoeten).
Een voorbeeld:
Als Pan het eerste vyer sach opter aerden spelen,
Hy was terstont verlieft, en gingh een kusjen stelen.
(
J. Cats. Sinne- en
minnebeelden, ed.
Bosch, 1960, p. 27).
Gescandeerd wordt dat, op grond van woordaccent:
Als Pan het eerste vyer sach opter aerden
spelen,
Hy was terstont verlieft, en gingh een
kusjen stelen.
Gecombineerd met het zinsaccent levert dat de volgende scansie
op:
Als Pan het eertse vyer sach opter
aerden spelen,
Hy was terstont verlieft, en gingh
een kusjen stelen.
De regels bestaan elk uit zes
jamben.
Of men kieze het volgende fragment:
Zoveel honderd in de maand
(P. van Ostaijen. VW, Poëzie, dl. 1, 1979, p.
11).
Gescandeerd wordt dat, op grond van woordaccent:
Zoveel honderd in de maand
en op grond van woord- en zinsaccent tezamen:
Zoveel honderd in de maand.
Men kan concluderen tot een viertrocheïsch (trochee) thema per vers, opgebouwd uit twee
tweetrocheïsche membra (geledingen) per regel. De term trocheïsch
verdient de voorkeur boven ‘in trocheeën geschreven’, omdat
dit laatste suggereert dat
Van Ostaijenzoals Cats versvoeten
hanteert, hetgeen in strijd is met zijn auteurspoëtica (poetica-3).
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Fowler; Gorp; Laan; Marouzeau; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
scatologie
Strontfolklore of de neiging om de menselijke uitwerpselen tot
komisch onderwerp te maken. Voorbeelden uit de laatmiddeleeuwse literatuur zijn
(Het volksboek van) Ulenspiegel (ed.
Debaene en
Heyns, 1948), het quasi-vertoog ‘Dit
es van den scijtstoel’, dat handelt over het vegen van het achterste, en
het refrein in het sot ‘Nu segt wie heeft den prijs gewonnen’
(De refreinenbundel van Jan van Doesborch, ed.
Kruyskamp, 1940, dl. 2, p. 247-249), dat
een wedstrijd winden laten beschrijft die door drie begijnen wordt gehouden.
Een fraai voorbeeld van een scatologische ballade (ballade-2) over een winden latende non is
Anna Bijns'
't Is beter geveesten dan kwalijk gevaren
('t Is al vrouwenwerk. Refreinen van Anna Bijns, ed.
Pleij, 1987, p. 30-32).
In de 17e en 18e eeuw vinden we nog volop scatologische elementen
in de kluchten, zoals
Jan Vos' De klucht van
Oene (Toneelwerken, ed.
Buitendijk, 1975), en in de poëzie
van ‘drekpoëten’ als
Mattheus Gansneb Tengnagel (Alle
werken, ed.
Oversteegen, 1969) en
Willem Godschalk van Focquenbroch
(Bloemlezing uit de gedichten en brieven, ed.
Kuik, z.j.).
Hedendaagse scatologie vindt men in het werk van
Gerrit Komrij,
Wim T. Schippers en
G.K. van het Reve.
LIT: Baldick; Cuddon; Scott; H. Pleij. Het gilde van de Blauwe
Schuit. Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen
(19832), p. 56-62. [W. Kuiper]
| |
scenario
Tekst met een uitgewerkt schema voor de handeling van een film,
toneelstuk, opera of ballet. Voor film wordt meestal op basis van een scenario
een
draaiboek samengesteld. Soms ontleent men
het scenario aan een bestaand literair werk, zoals bijv. voor de films
Max Havelaar en Als twee druppels
water (naar
W.F. Hermans' De donkere kamer
van Damocles) gebeurde. Sommige auteurs schrijven onmiddellijk voor
film een scenario.
Hugo Claus schreef bijv. het scenario voor
de film Het mes (1960). Ook de auteur-cineast
A. Koolhaas schreef verschillende
filmscenario's. InAmerika worden bekende auteurs vaak door
filmmaatschappijen aangetrokken als vaste scenarioschrijver (
W. Faulkner,
F. Scott Fitzgerald e.a.).
LIT: Baldick; BDI; Cuddon; Gorp; MEW; Scott; D.V. Swain.
Film-scriptwriting (1976); S. Field. Screenplay (1979). [G.J. van
Bork]
| |
scène, taf(e)reel of toneel-2
Kleinste situationele eenheid binnen het drama die gemarkeerd
wordt door de opkomst en het vertrek van de
dramatis personae. De scène wordt dus
bepaald door de gelijke groep spelers op het toneel die verantwoordelijk is
voor een zekere eenheid binnen de handeling. Daarnaast kan decorwisseling
bepalend zijn voor de grenzen van de scène, maar vaak gaat dat ook
gepaard met een wisseling van de bezetting op het toneel.
De scène is in feite een onderdeel van het
bedrijf, maar in het moderne drama kunnen
bedrijven soms plaats maken voor een scenische opbouw van het stuk. Het
vaststellen van wat een scène in een toneelstuk is, kan bemoeilijkt
worden door het ontbreken van toneelaanwijzingen m.b.t. opkomst en vertrek van
personages, of door de opkomst en ‘afgang’ van bijfiguren die
slechts in geringe mate aan de handeling bijdragen. Dat maakt het vaststellen
van de scènes in een stuk een kwestie van interpretatie en dus vaak
subjectief. Sommige toneelschrijvers geven zelf precies aan wat zij tot een
scène rekenen.
Herman Heijermans bijv. spreekt in dit
verband van ‘toneel’, waarbij hij telkens de dramatis personae
precies vermeldt (Toneelwerken, 1961-65).
Hugo Claus gebruikt in zijn stukken in
plaats van ‘scène’ de term ‘tafreel’.
LIT: Baldick; Bantel; Bergh; Gorp; Herman/Vervaeck; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Scott; Wilpert; Steen Jansen. ‘Esquisse d'une théorie
de la forme dramatique’, in: Langages12(1968), p. 71-93; E.K.
Grootes. Dramatische struktuur in tweevoud (1973), p. 106-108. [G.J. van
Bork]
| |
scenische presentatie
Vertelwijze waarbij een verhaal wordt gepresenteerd als een
opeenvolging van afzonderlijke gebeurtenissen die zich per scène op
één plaats afspelen. De scenische presentatie is een
discontinue vertelwijze die zich het best
laat vergelijken met de opbouw van het filmverhaal. Het tijdsverloop per
scène loopt parallel met de tijd die in werkelijkheid nodig zou zijn
voor de gebeurtenis die zo'n scène omvat. Het drama vertoont dan ook
vrijwel steeds een scenische opbouw. Een voorbeeld van een roman die overwegend
scenisch verteld wordt is
L.P. Boons Vergeten
straat (1944).
LIT: Bergh; Boven/Dorleijn; Drop; Gorp; Lodewick. [G.J. van
Bork]
| |
schaakberd of schaakspel
Kunstige, door de rederijkers beoefende dichtvorm die overeenkomt met het ‘échiquier’ van de Frans-Bourgondische rhétoriqueurs. Hierbij werd in elk van de 64 velden van een schaakbordfiguur een versregel geplaatst. Door een aantal systematische leesbewegingen uit te voeren van de ene kant van het bord naar de tegenoverliggende zijde ervan (rechte horizontalen en verticalen, schuine elkaar kruisende bewegingen en de retrograden hiervan) vindt men een groot aantal balladen (ballade-2) met één bepaald rijmschema (ababcdcd of ababbcbc). Het eerste voorbeeld is dat van de vijftiende-eeuwse rederijker Anthonis de Roovere, het bekendste dat van Matthijs de Castelein (Const van Rhetoriken, verschenen in 1555). Beiden werkten in hun gedicht een vernuftig raadsel (raadselvers) in, waarbij onder meer het aantal lettergrepen van de verzen van belang is. De (o.a. door Garmt Stuiveling) voor die raadsels voorgestelde oplossingen die ervan uitgaan dat er gelezen zou moeten worden volgens de bewegingen van de stukken op een schaakbord, kunnen thans onjuist worden genoemd. Het schaakbord lijkt verwant met het Latijnse ‘carmen figuratum’ (eerst bekende schaakbordfiguur: Iacobus Nicolai de Dacia, Liber de distinctione metrorum, 1363). Veel overeenkomst vertoont ook de raadselcanon van de 16de-eeuwse uit Tholen afkomstige en in Napels werkende componist Ghiselin Danckerts.
LIT: G. Stuiveling, ‘Schaken met De Castelein’. In: Spiegel der Letteren 7 (1963-4), p. 161-184. id., ‘Met De Roovere is het moeizaam spelen’. In: id., Vakwerk (1967), p. 102-127. J.P. Westgeest, ‘Casteleins code gekraakt’. In: De Nieuwe Taalgids 80 (1987), p. 111-124. H. Westgeest, ‘Dichterlijk spel op het schaakbord. Over de schaakbordgedichten uit de 15de tot en met de 17de eeuw’. In: Bzzletin 233 (1996), p. 10-19. J.P. Westgeest, ‘Zeven verborgen Marialoven van Anthonis de Roovere’. In: Jaarboek De Fonteine (1996), p. 11-28. H. Westgeest, ‘Ghiselin Danckerts' Ave maris stella: The Riddle Canon Solved’. In: Tijdschrift van de Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis 36 (1986), p. 66-79. D. Geirnaert, ‘Tellende rederijkers? Aanvulling bij de oplossing van Anthonis de Rooveres schaakbordgedicht.’ In: Biekorf 106 (2006), p.226-233. [Hans Westgeest]
| |
schaakspel zie
schaakberd
| |
scharminkelliedje
Een
straatlied, meestal gemaakt op een bekende
wijs, speciaal vervaardigd ter gelegenheid van het scharminkelen, een soort
volksgericht van jongeren begeleid door ketelmuziek, ook
charivari genoemd. Charivari, meestal
georganiseerd naar aanleiding van overspel of ongewenste zwangerschap, kan men
aantreffen vanaf de Middeleeuwen tot heden in besloten
plattelandsgemeenschappen. De liedjes werden soms als vliegende bladen (pamflet-1) verkocht.
LIT: P.J. Meertens. ‘Die Katzenmusik in den
Niederlanden’, in: Die Nachbarn 3 (1962), p. 126-139; H.
Rey-Flaud. Le charivari. Les rituels fondamentaux de la sexualité
(1985); Marc Jacobs. ‘Charivari in Vlaanderen (18de - 20ste eeuw)’,
in: Spiegel Historiael 21 (1986), p. 292-298. [P.J. Verkruijsse]
| |
scheldsonnet
Term voor een
sonnet waarin een of meer personen, al dan
niet met name genoemd, worden uitgescholden. Een bekend schrijver van dit genre
was
W. Kloos in de periode van de
achteruitgang (1893-1894) van De Nieuwe Gids. Men denke bijv. aan het
sonnet ‘Ik zal u allen rechten, huich'lend vee’ (De Nieuwe
Gids, 1894, dl. 1, p. 294).
LIT: Laan; MEW. [G.J. Vis]
| |
schelmenroman zie
picareske roman
| |
schets
Term ontleend aan de beeldende kunst voor een prozatekst met een
voorlopige opzet (een soort vooroefening), waarbij de uitwerking in details in
het vage is gelaten of waarin alleen hoofdzaken worden gegeven. De schets is
doorgaans van beperkte omvang en onderscheidt zich van het
verhaal-1 doordat er nauwelijks sprake is
van enige handeling of van een afgerond geheel. Bij de schets ligt de nadruk op
de beschrijving.
Het genre was bijzonder geliefd bij het
naturalisme en
impressionisme. Typerend voor het
naturalisme is dat veel schetsen ‘studies’ genoemd worden (vgl.
Netschers Studies naar het
naakt model, 1886). Andere voorbeelden van schetsen zijn
C.E. van Koetsvelds Schetsen uit
de pastorij te Mastland (1843) en
Ary Prins' Uit het
leven (1885).
LIT: BDI; Best; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert. [G.J. van
Bork]
| |
schimpschrift zie
pamflet-2
| |
schoncken-sonnetten
De zogenaamde schoncken-sonnetten vormen een literair spel tussen
een aantal 17e-eeuwers. Het begon met een sonnet van
P.C. Hooft aan
Constantijn Huygens uit 1620 met de
beginregel ‘Men voedde Achilles op met merg uit leeuweschoncken’.
Het antwoord van Huygens is een sonnet met dezelfde rijmwoorden aan het eind
van de regels. Daarna volgden sonnetten op dezelfde wijze van Hooft,
Maria Tesselschade,
Anna Roemers,
J. van Brosterhuijsen,
G.R. Doublet, Huygens,
J. van Someren,
J. van Michiels, nogmaals Van Someren,
Johannes Beuken (1651) en van
Anna Roemers aan drukker Moretus die
haar gevraagd had om de schoncken-sonnetten van Hooft en Huygens kopijklaar te
maken. Veel later werd de cyclus afgesloten met een schoncken-sonnet door
Nicolaas Beets, de editeur van het werk
van Anna Roemers.
In 1619 hadden Anna Roemers en Constantijn Huygens al twee
sonnetten met gelijke rijmwoorden uitgewisseld, de zogenaamde Helicon-sonnetten
(ed.
M.C.A. van der Heyden. t' Hoge
Huis te Muiden (1972) P. 18-19). Hooft en Huygens wisselden nog
twee dergelijke sonnetten in 1621, de zogenaamde Arion-sonnetten, en ook zijn
er nog drie gedichten van Huygens en
Sibylle van Griethuysen uit 1648 en van
Catharina Questiers en
Cornelia van der Veer uit 1662-1663 die
gebouwd zijn op gelijke eindrijmen.
LIT: A.T.A. Heyting. Het boek der sonnetten (z.j.), p.
114-121; R. Schenkeveld-Van der Dussen e.a. (red.). Met en zonder
lauwerkrans (1997), p. 256-258, 320, 356-357. [P.J. Verkruijsse]
| |
schooldrama
Benaming voor de (aanvankelijk: Neolatijnse) toneelstukken die
door rectoren van Latijnse en schoolmeesters van Franse scholen werden
geschreven, speciaal om door hun leerlingen opgevoerd te worden. Deze stukken
moesten een belangrijke didactische component bevatten (exemplum), met name in de proloog en epiloog, waartoe vooral
bijbelse geschiedenissen geschikt waren. De bijbelse of historische stof, die
eigenlijk alleen in een tragedie gebruikt kon worden, werd bewerkt tot een
tragikomedie waarin vaak ook zogenaamde
minderemanstonelen werden verwerkt. Een
auteur van Neolatijnse schooldrama's is de Haarlemse rector
Cornelius Schonaeus; Peeter en
Zacharias Heyns schreven Franse en
Nederlandse stukken.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; Wilpert; M.B.
Smits-Veldt. Het Nederlandse renaissancetoneel (1991). [P.J.
Verkruijsse]
| |
schooleditie
Een door een editeur bezorgde
editie van één of meer teksten
speciaal vervaardigd voor het gebruik in het onderwijs. Doorgaans betreft het
een editie van een wat oudere tekst, waarvan men weet dat die een rol speelt in
het literatuuronderwijs en waarbij een
commentaar de leesbaarheid voor leerlingen
kan bevorderen. Om die reden kan ook herspelling en normalisatie van de tekst
wenselijk zijn. De ideale schooleditie is gebaseerd op het voorwerk van een
historisch-kritische editie, maar dat is
maar zelden het geval.
Voorbeelden van schooledities zijn de uitgaven van
J.M. Acket van Hildebrands
Camera obscura (1923) en
Louis Paul Boons
Uitleenbibliotheek (1966) in de Cahiers voor Letterkunde.
Veel van deze edities verschenen in reeksen die lang niet altijd alleen op
scholieren gericht zijn, maar ook op studerenden en geïnteresseerde
lezers. Bekende reeksen zijn in dit verband o.m. De Zwolse herdrukken, De
Klassieke Galerij, de Klassieken uit de Nederlandse letterkunde, de Cahiers
voor Letterkunde en de Griffioen-reeks. Een moderne reeks, speciaal voor het
middelbaar onderwijs, is Tekst in Context.
LIT: BDI; Hiller; Mathijsen. [G.J. van Bork]
| |
schoondruk
Druktechnische term voor de druk die op één zijde
van een blanco
vel wordt aangebracht. Later - nadat de inkt
van de schoondruk gedroogd is - wordt op de
verso-zijde de
weerdruk aangebracht. Het vel is dan
compleet met de
binnen- en
buitenvorm waarna het tot een
katern gevouwen kan worden.
Gewoonlijk zal men voor de schoondruk de binnenvorm op de pers
leggen, omdat die eerder klaar is dan de buitenvorm, maar strikt noodzakelijk
is dat niet. Wanneer men een vel aantreft waarop de weerdruk ontbreekt of waar
de weerdruk slecht
register maakt met de schoondruk, zou men te
maken kunnen hebben met een
proefdruk.
LIT: W.Gs Hellinga. Kopij en druk in de Nederlanden (1962),
p. 141; P.M. van Cleef Jzn. Handboek ter beoefening der boekdrukkunst in
Nederland, ed. F.A. Janssen (1974), p. 84 vlgg.; C. Schook. Handboekje
voor letterzetters, boekdrukkers en correctors, ed. F.A. Janssen (1981), p.
49 vlgg. [P.J. Verkruijsse]
| |
schoonheid
Term uit de kunstbeleving en kunstbeschouwing (esthetica), waarmee globaal wordt aangeduid dat voorwerpen uit
de materiële werkelijkheid zodanige eigenschappen hebben (vorm, kleur,
verhoudingen,
structuur) dat ze de zintuigen (vooral oog
en oor) aangenaam aandoen. Men maakt vaak nadrukkelijk onderscheid tussen
schoonheid in de natuur en die in de kunst. Binnen de kunst pleegt men een
onderscheid te maken tussen de schone en de werktuiglijke (technische) aspecten
van een object. Sinds
I. Kant wordt het specifieke karakter
van de schoonheidservaring omschreven als ‘interesseloses
Wohlgefallen’. De schoonheidsontroering wordt veelal een speciaal soort
ontroering genoemd.
Mede onder invloed van de romantiek en de toenemende vrijheid in
het scheppen en beschouwen van kunst is het ‘aangenaam aandoen’
(het
delectare uit de traditionele
retorica) niet meer het enige criterium voor
schoonheid. Men ziet verschillende tendensen in de schoonheidsopvatting
opkomen. Een ervan is de benadering en beoefening van de kunst omwille van
zichzelf (tegenover het
utile dulci), als esthetisch schone kunst,
los van zaken als
inhoud, menselijke ontroering e.a. In dit
verband kan men wijzen op het
l'art pour l'art, op de Beweging van Tachtig
(Tachtigers) (schoonheid als nieuwe religie), en op de
esoterische ambities van sommige symbolisten (symbolisme), waarin het
estheticisme een grote rol speelde (decadentie). Verder kan men denken aan veel schrijvers uit het
existentialisme, bij wie dikwijls de traditionele schoonheid als waarde op
zichzelf op de achtergrond komt te staan ten gunste van de gedachte dat kunst
primair een manier van handelen is in de vorm van engagement met de wereld die
men wil ontsluiten (
Sartre) of die men, zonder koele
distantie en met waardering voor het irrationele, in al zijn positieve en
negatieve aspecten wil ondergaan. Gedeeltelijk op deze lijn zitten
Vijftigers als Lucebert, voor wie
‘schoonheid haar gezicht verbrand’ heeft.
LIT: Krywalski; Shipley; Wilpert; J.J.A. Mooij. Idee en
verbeelding (1981), p. 66-72 en passim; P. Wakkers. Met ogen van
toen (1982); M. van Nierop e.a. (red.). Mooie dingen. Over de esthetica
van het object (1993). [G.J. Vis]
| |
schotschrift zie
pamflet-2
| |
schrift
Het ontstaan en de ontwikkeling van het schrift gaat gelijk op met
de toenemende specialisatie in de menselijke samenleving. Op verschillende
plaatsen ter wereld zijn op verschillende tijdstippen verschillende soorten
schrift ontstaan en gebruikt voor ruwweg twee doeleinden: voor administratie en
voor religieuze formules en bezweringen. De oorsprong van het schrift ligt in
de semasiografie (semasiogram), het vastleggen door
middel van tekens van een betekenis. De meest eenvoudige vorm daarvan
registreert niet wat, maar dát er onthouden moet worden, bijv. een knoop
in de zakdoek.
Mnemonisch schrift legt vast hoeveel er
onthouden moet worden, bijv. via een kerfstok.
Een ingewikkelder vorm van schrift is de pictografie (pictogram): in een beeld wordt vastgelegd wat men wil
mededelen en onthouden. Tot het pictografisch schrift worden o.a. de
rotstekeningen (petroglief;
petrogram) gerekend. Dit is overigens niet
de enige relatie tussen schriftgeschiedenis en kunstgeschiedenis. Met de
hiërogliefen (die een niet
onbelangrijke rol gespeeld hebben bij het ontstaan van de
emblematiek) en het spijkerschrift voltrekt
zich de overgang van concreet pictografisch naar abstract ideografisch
beeldschrift (ideogram). Het ideografische schrift
verfijnde zich - echter niet in alle schriftsystemen! - van logografisch of
woordschrift (logogram) tot syllabisch of
lettergreepschrift (syllabogram) en consonantisch of
medeklinkerschrift in het Fenicisch rond 1000 v.Chr. tot het door de Grieken
omstreeks 900 v.Chr. uitgevonden fonografische of
alfabetische schrift. Waarschijnlijk via de
Etrusken bereikte het alfabetische schrift de Romeinen.
Omdat de Nederlanden gedurende de eerste eeuwen van onze
jaartelling onder de invloedssfeer van het West-Romeinse rijk verkeerden, heeft
het Latijnse alfabet het runenschrift verdrongen. Rond 800 werd in de
middeleeuwse kloostergemeenschappen een schrifthervorming doorgevoerd die een
uniform boekschrift tot gevolg had, de
Karolingische minuskel, welke
letter aan de basis staat van onze moderne
drukletter, de
romein, en aan het schrift dat momenteel op
school wordt aangeleerd. Vanaf ca. 1200 ondergaat deze letter een verandering,
die neerkomt op ontronding en breking. De humanisten hebben deze letter
pejoratief
gotisch schrift genoemd, en in hun
ad fontes-streven, maar ook om zich te
distantiëren van de duistere Middeleeuwen grepen zij terug op de
littera antiqua (zoals zij de Karolingische
minuskel abusievelijk noemden) om daarmee hun brieven te schrijven en hun
(klassieke) tekstedities mee af te drukken. De gotische of Oudhollandse
drukletter bleef voor teksten in de volkstaal, met name voor religieuze
teksten, tot de Franse tijd in zwang.
Schrift is kunst of vliegwerk: wie duidelijk of mooi (kalligrafie) wil schrijven, schiet niet op; wie snel schrijft,
is gauw onleesbaar. Voor boekdruk (drukkunst) geldt iets
overeenkomstigs: hoe groter de letter, hoe sneller men kan lezen, maar des te
dikker het boek. Vandaar de voortdurende wisselwerking tussen sierschrift
(kalligrafie) en gebruiksschrift (currens,
cursief).
Men onderscheidt
majuskelschrift (hoofdletters) en
minuskelschrift (kleine letters). In de
typografie spreekt men van
kapitaal en
onderkast. Minuskelschrift ontstaat als men
met enige snelheid majuskels aan elkaar vast gaat schrijven zonder het
schrijfinstrument op te tillen. Omdat men majuskels tussen twee lijnen kan
schrijven, noemt men het tweelijnig schrift. Om dezelfde reden heet
minuskelschrift vierlijnig; de stokken van de letters steken immers uit naar
boven en naar beneden.
Gedurende de vroege Middeleeuwen was schrijven (en lezen) het
monopolie van de geestelijkheid. Vooral de middeleeuwse kloosters waren
schrijfcentra. Elk zichzelf respecterend klooster had een
scriptorium, een schrijfzaal, waar
handschriften ten behoeve van de liturgie of de bijbelstudie werden
afgeschreven. Met de renaissance van de 12e eeuw komt het schrift in
lekenhanden door toedoen van mondaine clerici.
In de late Middeleeuwen is het persoonlijk handschrift ontstaan.
Voor die tijd was het schrift betrekkelijk uniform. Men kende een boekletter,
de
littera textualis; een kanselarijschrift
(cancelleresca) dat in de 15e eeuw doordrong in het
boekschrift met als resultaat de
littera cursiva en de
littera hybrida; en een gebruiksschrift, de
littera currens. Hoewel deze schriften op
het oog aanzienlijk van elkaar verschillen, gaat onder het andere uiterlijk
eenzelfde schrijfbeweging (ductus) schuil. Wanneer in de
15e eeuw het papier als schrijfstof populair wordt, ligt het schrijven binnen
het bereik van velen. Voor die tijd werd er op perkament geschreven, wat een
grote vakbekwaamheid vereiste, zodat het schrijven van boeken haast uitsluitend
gebeurde door beroepskopiisten.
Vanaf de 17e eeuw is er georganiseerd en later ook uniform
schrijfonderwijs. Het hedendaagse gebruik van viltstift en balpuntpen alsook
schrijfmachine en tekstverwerker heeft de aandacht voor de leesbaarheid van het
schrift nadelig beïnvloed. Ook het gebruik van de telefoon als
communicatiemiddel in plaats van de
brief heeft niet ten gunste van het
handschrift gewerkt.
De wetenschap die zich met de ontwikkeling van het schrift, de
schriftbenamingen, het schrijfmateriaal, de gebruikte
abbreviaturen, de ontcijfering enz.
bezighoudt, is de
paleografie. De wetenschap die het
handgeschreven boek als materieel object bestudeert, is de
codicologie. Onder
grafistiek verstaat men een overkoepelende
wetenschap die zich richt op de taalcodering door middel van schrift.
Grafologie tenslotte is een subdiscipline
van de toegepaste psychologie die karaktereigenschappen uit handschrift tracht
te destilleren en interpreteren.
Volgens een recente theorie van
Gerrit Noordzij berust de essentie van
het schrift op de verhouding tussen de door de zwarte streken omsloten witte
vlakken in het woordbeeld, niet uitsluitend op het zwart van de letter. Het
verschil tussen het dik en dun van de streken van een schrift is het contrast.
Er zijn drie contrastsoorten te onderscheiden: translatie, rotatie en expansie,
die overheersen in respectievelijk de periode van Oudheid en Middeleeuwen
(inclusief renaissance), van het maniërisme, en van de romantiek (waarbij
inbegrepen barok en classicisme).
LIT: BDI; Best; Brongers; Gorp; Hiller; Marouzeau; Metzler; MEW;
M. Cohen. La grande invention de l'écriture et son
évolution (3 dln., 1958); I.J. Gelb. A study of writing
(19633); ‘Schrift en communicatie’, spec. nr. van
Spiegel Historiael 7 (1972), nr. 3; J.P. Gumbert. Schrift, codex en
tekst (1974); G.E. Booij e.a. Spelling (1979), p. 21-32; J.L. van
der Gouw. Oud schrift in de Nederlanden (19802); D. Jackson.
Van beitel tot vulpen (1981); F. van der Linden. Over letters &
schrift en de beginselen van het schrijven (1983); P. Schneiders.
Papieren geheugen. Boek en schrift in de Westerse wereld (1985); G.
Noordzij. De streek. Theorie van het schrift (1985); B. Engelhart &
J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882). [P.J. Verkruijsse/W.
Kuiper]
| |
schriftuurlijk liedeken of suverlijc lied
Geestelijke liederen uit het begin van de reformatie die als de
oudste protestants-christelijke letterkunde kunnen worden beschouwd. De
schriftuurlijke liedekens verwoorden vaak gemoedsbewegingen die in het
verborgene werden beleefd.
Vanaf ca. 1520 werden de zgn. conventikels gehouden: kleine
bijeenkomsten bij particulieren, waarbij de bijbel door geestelijken en leken
werd gelezen en verklaard, en waar nieuwe liederen werden gezongen. De
bezoekers bezochten op zondag gewoon de mis.
De schriftuurlijke liedekens waren de hele 16e eeuw erg populair.
De oudst bekende druk is Veelderhande liedekensuit 1556.
De liederen dienden als uiting van protest, als medium ter verspreiding van
bijbelkennis en de ideeën van de hervorming, en ze versterkten de
onderlinge band tussen de gelovigen. Het zingen of bezitten van deze teksten
was streng verboden en in strijd met de dogma's van de katholieke kerk.
Boekverbranding, geseling, gevangenis- en doodstraf wegens ketterij waren de
gevolgen. Het is bekend dat doopsgezinden (doopsgezinde
literatuur) hun liederen, behalve bij hun samenkomsten, ook op straat,
in de gevangenis en tijdens terechtstellingen zongen.
De schriftuurlijke liedekens richtten zich inhoudelijk naar de
Schrift; in hun naam wordt hun belangrijkste kenmerk uitgedrukt. De inhoud
bestaat echter niet alleen uit bijbelstof, maar bevat ook oproepen te leven
naar Gods geboden, gebeden, wenken tot praktische vroomheid en het betrachten
van naastenliefde, leer- en vermaanliederen en dank- en lofliederen: in engere
zin zijn zij uitingen waarin de ervaringen van de 16e-eeuwse gelovigen
versmelten met bijbelse elementen. Teksten uit het oude en het nieuwe testament
worden betrokken op eigentijdse gebeurtenissen, het wereldse contemporaine
element wordt ingepast in een bijbels kader. De verschillende bestanddelen
worden in het lied tot een nieuwe eenheid samengesmeed. De schriftuurlijke
liedekens hebben daardoor een vrijere relatie met de bijbel dan de
souterliedekens, die zo getrouw mogelijke
berijmingen van bijbelteksten zijn. Ook deze bevatten wel toespelingen op
eigentijdse gebeurtenissen, maar ze werden slechts tot uiting gebracht voor
zover de bijbelwoorden dat toelieten.
De term ‘suverlijc’ voor ‘mooi’ of
‘schoon’ dient in dit verband opgevat te worden als fraai in
zedelijke zin, zoals in de titel Een suyverlijck ende schriftuerlijck
boecxken.
LIT: Buddingh'; Laan; W.A.P. Smit. Dichters der Reformatie in
de zestiende eeuw (1939); W.J.C. Buitendijk. Nederlandse
strijdzangen (19772); F.C. Wieder. De Schriftuurlijke
Liedekens. De liederen der Nederlandsche Hervormden tot op het jaar 1566
(19772); J. de Gier. Van de souterliedekens tot Marnix.
Stromingen en genres binnen de letterkunde der hervorming in de zestiende
eeuw (1987); B. Hofman. Liedekens vol gheestich confoort. Een bijdrage
tot de kennis van de zestiende-eeuwse Schriftuurlijke lyriek (1993). [H.
Struik]
| |
schrijfboek
Door 16e- en 17e-eeuwse schrijfmeesters (schrijver) geproduceerde boeken met lettervoorbeelden
(‘exemplaer boecken’), vergelijkbaar met de letterproeven van
drukkers. Vooral na de uitvinding van de kopergravure was het mogelijk de
lettervoorbeelden te voorzien van veel en ingewikkeld krulwerk. Het eerste
gedrukte schrijfboek (typografisch schrijfboek) was van
de Italiaan
Ludovico Arrighi (1522). In de
Nederlanden waren het vooral cartografen en Franse schoolmeesters die zich op
de
kalligrafie wierpen, de eersten (
Jodocus Hondius en
Gerard Mercator) om duidelijke letters
te vinden voor gebruik op hun kaarten, de laatsten (
Felix van Sambix,
Jan van den Velde,
Maria Strick,
Abraham van Overbeke) ten behoeve van
het onderwijs.
De schrijfkunst werd in de 17e eeuw tot een rage; de ‘ars
pennae’ werd beschouwd als de tiende muze. Er werden ook wedstrijden in
georganiseerd om de ‘prix de la plume couronnée’.
Schrijfmeesters werden door dichters bezongen (
Van den Velde,
Hendrik Meurs en
Lieven Coppenol door o.a.
Vondel) en door schilders geportretteerd
(
Maria Strick door
Mierevelt,
Coppenol door
Rembrandt), terwijl ook sommige auteurs
zich met kalligrafie bezighielden (bijv.
Anna Roemers Visscher in haar
Letter-Juweel (ed.
De Kruyter, 1971).
Een achttal Nederlandse schrijfboeken is in de serie
Penman's Paradise in facsimile uitgegeven in de jaren
1968-1971, nl. van
Clément Perret,
Jodocus Hondius,
Jan van den Velde (twee schrijfboeken),
Gerardus Mercator, Maria Strick,
David Roelands en
Simon de Vries.
LIT: Hiller; P.H. van Gestel en G.C.F. van der Laan. Schrijven
en schrijfonderwijs (19193), p. 147-169; A.R.A. Croiset van
Uchelen. [‘Recensie facsimile-uitgaven schrijfboeken’], in:
Quaerendo 1 (1971), p. 223-226; A.R.A. Croiset van Uchelen. ‘Dutch
writing-masters and the Prix de la Plume Couronnée’, in:
Quaerendo 6 (1976), p. 319-346; D. Jackson. Van beitel tot vulpen
(1981), p. 118-129. [P.J. Verkruijsse]
| |
schrijver of scriver
Tegenwoordig synoniem met
auteur. Gedurende de Middeleeuwen echter was
de schrijver niet de auteur van een werk, maar de
kopiist, degene die de vervaardiging van het
handschrift als materieel object voor zijn rekening nam. Dat heeft wel eens
problemen opgeleverd bij de identificatie van een werk, maar in de recente
literatuurgeschiedenissen zijn deze fouten hersteld. Van de
Karelroman Willem van
Oringen (13e eeuw) weten we via
Jacob van Maerlants Spiegel
historiael dat
Klaas van Haarlem (Van Haerlem Clays) de
schrijver en in dit geval de auteur is geweest.
Een bijzonder soort schrijver was de schrijfmeester, een
beroepsschrijver die niet verward moet worden met de magister scriptorum die
aan het hoofd stond van een
scriptorium. De schrijfmeester werkte op
bestelling en hing zelfs reclamebladen met schrijfvoorbeelden voor zijn raam om
zo zijn waar aan te prijzen. Van de schrijfmeester
Herman Strepel
uitMünster is zo'n schrijfmeesterblad bewaard gebleven. De
17e-eeuwse schrijfmeesters produceerden
schrijfboeken met lettervoorbeelden.
Soms vermeldt de
proloog of
epiloog de schrijversnaam, al dan niet
verstopt in een
acrostichon of ander letterraadsel.
LIT: BDI; Best; Hiller; Metzler; B. Kruitwagen. ‘De
Münstersche schrijfmeester Herman Strepel (1447) en de schriftsoorten van
de Broeders van het Gemeene Leeven en de Windesheimers’, in:
Laat-Middeleeuwsche Paleografica, Paleotypica, Liturgica, Kalendalia,
Grammaticalia (1942), p. 1-116; D. Hogenelst & F. van Oostrom.
Handgeschreven wereld (1995), p. 61-117; J.W. Klein.
‘(Middelnederlandse) handschriften: produktieomstandigheden, soorten,
functies’, in: Queeste 2 (1995), p. 1-30. [H. Struik]
| |
schuilnaam zie
pseudoniem
| |
schuine-lijntest
Methode uit de
analytische bibliografie om te controleren
of exemplaren van een boek van hetzelfde zetsel gedrukt zijn. Schuin over een
pagina wordt een liniaal gelegd van een bepaald, willekeurig te kiezen, punt
bovenaan naar een dito punt ergens onderaan. Een aantal letters en/of tekens
die door de (denkbeeldige) lijn gesneden worden, wordt genoteerd. Vervolgens
wordt in de te
collationeren exemplaren een liniaal gelegd
tussen dezelfde punten als in het uitgangsexemplaar. Snijdt de lijn dezelfde
letters en tekens, dan kan geconcludeerd worden dat alle gecontroleerde
exemplaren van hetzelfde zetsel gedrukt zijn, dus tot dezelfde druk behoren.
Het spreekt vanzelf dat de schuine-lijntest op een aantal plaatsen in een boek
uitgevoerd moet worden, bij voorkeur in iedere
drukvorm.
Deze methode wordt nauwelijks (meer) toegepast omdat ze erg
omslachtig is. Veel eenvoudiger en minstens even doeltreffend is de controle
van de posities van
katernsignaturen. [P.J. Verkruijsse]
| |
schuitpraatje
Subgenre van de pamflet-literatuur (pamflet-2). Geschriften over actuele politieke en alledaagse
onderwerpen uit de periode vanaf begin 17e tot midden 19e eeuw. De naam is
geïnspireerd op de gesprekken zoals die in de trekschuit tussen passagiers
gevoerd werden om de tijd te doden.
Een voorbeeld is het Schuyt-praetje gehouden tusschen een
Haagenaar, een Middelburger, een Haarlemmer, ende een Utrechts-man [...]
vertoonende alle den handel en wandel van D. Jean de Labadie. Er verschenen
verzamelingen Schuite- en jagt-praatjes (1737) van E.S.
van Burmania en
W. van Itsma en Groninger
schuitpraatjes (1827) en Nieuwe
schuitpraatjes (1836) van G.J. Cool.
LIT: Laan. [P.J. Verkruijsse]
| |
schutblad
Term uit de
codicologie en drukkerswereld voor de
dubbelbladen die aan de voor- en achterzijde het
boekblok met de
boekband verbinden om het gaas en de linten
in de rug en de binnenzijde van de platten aan het oog te onttrekken. Het ene
blad van het
dubbelblad wordt vastgelijmd op het voor-
resp. achterplat en het andere wordt met een randje vastgeplakt aan het eerste
blad van het eerste
katern, respectievelijk het laatste blad van
het laatste katern van het boekblok. Er kan ook meer dan één
schutblad voor- en achterin een boek aangebracht worden.
Normaliter horen schutbladen niet beschreven of bedrukt te worden
en - omdat ze geen onderdeel van het boek als bibliografische eenheid vormen -
ook niet bibliografisch beschreven te worden. Toch kunnen schutbladen voor de
bibliograaf interessante informatie bevatten in de vorm van
ex-libris of andere bezitterskenmerken,
zoals
bibliotheeksignaturen en
olim-signaturen. Ook is het schutblad een
uitgelezen plaats voor een
probatio pennae: de oudste Nederlandse
tekst, Hebban olla vogala, is op die wijze overgeleverd.
LIT: BDI; Feather; Hiller; Scott; Hendrik de Haas. De
boekbinder, ed. J. Storm van Leeuwen (1984), p. 33. [P.J. Verkruijsse]
| |
Schwabacher
De Schwabacher is een tot de gotische letterfamilie behorende
Duitse
bastarda schrijfletter. Als drukletter was
ze voornamelijk in gebruik in Duitsland in de periode 1483 (voor
het eerst in Neurenberg) tot ongeveer 1540.
LIT: Brongers; Hiller; H. Clausz. Die Schwabacher Schrift in
Vergangenheit und Gegenwart (1916); P. Gaskell. A new introduction to
bibliography (1972), p. 18; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de
achttiende eeuw (19852), p. 464; B. Engelhart en J.W. Klein.
50 eeuwen schrift (19882), p. 197. [P.J. Verkruijsse]
| |
Schwulst
Term voor de Duits-nationale variant tijdens de laat-barok (eind 17e eeuw) van het
maniërisme, vergelijkbaar met het
marinisme in Italië, het
gongorisme in Spanje, de
préciosité in
Frankrijk en het
euphuism in Engeland.
LIT; Best; Gorp; Metzler; Wilpert; P. Schwind. Schwulst-Stil.
Historische Grundlagen von Produktion und Rezeption manieristischer
Sprachformen in Deutschland 1624-1738 (1977). [P.J. Verkruijsse]
| |
sciencefiction of SF
Subgenre van de
fantastische literatuur dat zich van
soortgelijke subgenres onderscheidt door de ogenschijnlijke rationaliteit
ervan, waarbij gebruik gemaakt wordt van (natuur)wetenschappelijke kennis,
veelal in zijn gevolgen geëxtrapoleerd in een toekomstige maatschappij
ergens op aarde of ergens in het heelal. In sciencefiction is een tweetal
hoofdtypen te onderscheiden, een groep waarin het heelal als plaats van
handeling wordt gekozen en een groep waarin het verhaal in de toekomst speelt.
Bij beide typen kan het gaan om de gevolgen van nieuwe technologische
ontwikkelingen voor de mensheid die afhankelijk van de toekomstverwachtingen
van de auteur tot een eschatologisch type SF kan leiden: de gehele of
gedeeltelijke ondergang van de beschaving veroorzaakt door de ver doorgevoerde
technologie of een uit de hand gelopen wetenschappelijk experiment. In dat
soort gevallen valt sciencefiction samen met de pessimistische variant van de
utopische literatuur en de
toekomstliteratuur.
De rationaliteit van sciencefiction is in veel gevallen maar
schijn, omdat het genre weliswaar gebruik maakt van natuurwetenschappelijke of
technologische gegevens en begrippen, maar evenzeer van pseudowetenschap en
occultisme. De lezer wordt gesuggereerd dat de beschreven gebeurtenissen in
principe mogelijk zijn, zoals bijvoorbeeld gebeurt met het geliefde thema van
de tijdreiziger waarvoor de auteur gebruik maakt van de relativiteitstheorie en
het zogenaamde zwarte gat.
Hoewel er beschrijvingen van het genre bestaan die sciencefiction
terugvoeren op voorbeelden uit de Griekse Oudheid, lijkt het beter pas van
sciencefiction te spreken op grond van technologische ontwikkelingen die sinds
het midden van de 19e eeuw op gang kwamen.
Jules Verne wordt door veel auteurs over
het genre gezien als de grondlegger van het hier bedoelde type. Diens roman
Voyage au centre de la terre (1864) kan echter tevens
worden opgevat als een
imaginair reisverhaal. Anderen daarentegen
zien in
Mary Shelley's roman
Frankenstein (1818) de eerste SF-roman, waarmee dan
tevens de relatie gelegd kan worden met andere subgenres van de fantastische
literatuur, de
gothic novel en het
griezelverhaal.
De term sciencefiction is vrij jong, namelijk in 1929 voor het
eerst gebruikt door
Hugo Gernsback in diens tijdschrift
Science wonder stories. Lange tijd is sciencefiction behandeld als pulp-
of
triviaalliteratuur en werden slechts enkele
werken tot de literatuur gerekend, o.m. The time machine
(1895) van
H.G. Wells, The Sirens of
Titan (1959) van
George Orwell, Out of a silent
planet (1938) van
Aldous Huxley en A clockwork
orange (1962) van
Anthony Burgess. Er is echter geen enkele
aanleiding om dit type literatuur anders te behandelen dan bijv. andere
fantastische literatuur.
Sinds 1960 is de bestudering ervan sterk toegenomen, mede onder
invloed van een groot aantal SF-fans. Er werden tal van tijdschriften in omloop
gebracht over het genre, in Nederlandbijvoorbeeld
Holland-SF, Essef en SF-Magazine. Een aantal
Nederlandstalige auteurs heeft sciencefictionromans of -verhalen geschreven,
o.m.
Ward Ruyslinck (Het
reservaat, 1964),
Jacques Hamelink (‘De volkomen
verkilling’, in: De rudimentaire mens, 1968),
Leo Vroman (Het
carnarium, 1973) en
Hugo Raes (Reiziger in de
antitijd, 1970 en De verwoesting van
Hyperion, 1978). Een Vlaams auteur die zich op sciencefiction heeft
toegelegd is
Eddy C. Bertin. Een bibliografie van
Nederlandse sciencefiction werd samengesteld door
A. Spaink,
G. Gorremansen
R. Gaasbeek onder de titel
Fantasfeer (1979).
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; BDI; Best; Cuddon; Gorp; Hiller;
Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley; S. Lundwall. Science fiction: an
illustrated history (1978); F. Margill (red.). Survey of science
fiction literature (5 dln., 1979); J.A. Dautzenberg. ‘Science fiction
en literatuurwetenschap: geschiedenis, problemen, bibliografie’, in:
FdL 21 (1980) 1, p. 1-27; P. Nicholls (red.). The science in SF
(1982). [G.J. van Bork]
| |
scriptorium
Middeleeuws schrijfatelier waar handschriften vervaardigd werden
door beroepskopiisten (zie ook
schrijver). Het scriptorium was de
wereldlijke verzelfstandiging van het vroegmiddeleeuwse kloostervertrek, waar
door monniken handschriften werden afgeschreven. Over de scriptoria die in de
Nederlanden gedurende de Middeleeuwen hebben bestaan, is weinig bekend. In
Noord-Nederland waren belangrijk de schrijfateliers van de Broeders des
Gemeenen Levens (Moderne Devotie) en die van de
kartuizers. In de zuidelijke Nederlanden moeten verschillende wereldlijke
scriptoria geweest zijn waar luxe handschriften, met name voor het
Bourgondische hof werden vervaardigd.
LIT: BDI; Brongers; Cuddon; MEW; Scott; De Vlaamse miniatuur.
Het mecenaat van Filips de Goede, 1445-1475 (tentoonstellingscat., 1959);
J.P. Gumbert. Die Utrechter Kartäuser und ihre Bücher im
frühen fünfzehnten Jahrhundert (1974); Het geïllustreerde
boek in het westen van de vroege Middeleeuwen tot heden
(tentoonstellingscat., 1977); A. Derolez. The library of Raphael de
Mercatellis (1979); D. Hogenelst & F. van Oostrom. Handgeschreven
wereld (1995); J.W. Klein. ‘(Middelnederlandse) handschriften:
produktieomstandigheden, soorten, functies’, in: Queeste 2 (1995),
p. 1-30. [W. Kuiper]
| | | | | |
secundaire literatuur
In de neerlandistiek is het de gewoonte om onderscheid te maken
tussen primaire en secundaire literatuur. Onder
primaire literatuur wordt het scheppend werk
verstaan, dat het object van onderzoek van de neerlandicus is. Alles wat over
de primaire literatuur geschreven wordt, is secundaire literatuur. Daaronder
vallen dan monografieën, tijdschriftartikelen e.d. De hulpmiddelen die men
bij het onderzoek van de primaire literatuur nodig heeft, noemt men het
apparaat van de neerlandicus (biografische
naslagwerken, bibliografieën e.d.).
Soms is het onderscheid tussen primaire en secundaire
literatuur arbitrair. Dat kan bijv. het
geval zijn met
essays of
memoires die door hun vormgeving of afkomst
(van een bepaald auteur) - afhankelijk van het gebruik dat men ervan maakte -
óf tot de primaire óf tot de secundaire literatuur gerekend
worden. Men denke bijv. aan de essays van
Ter Braak of de dagboeken van
Hans Warren. In de
objectieve Bibliografie van de Nederlandse Taal-
en Literatuurwetenschap (BNTL) worden dergelijke geschriften
soms als secundaire literatuur beschouwd.
In de exacte wetenschappen en vervolgens ook in de documentaire
wetenschap hanteert men een andere indeling omdat men daar niet te maken heeft
met primaire literatuur in de zin van literaire kunst (het onderzoeksobject
wordt aangeduid als
bron). Daar verstaat men onder secundaire
literatuur díe publicaties die een overzicht geven van primaire
literatuur in de zin van eerste publicatie(s) van onderzoeksresultaten. Tot de
secundaire literatuur horen dan bijv. bibliografieën, recensies en
overzichtsartikelen. Wat in de neerlandistiek apparaat heet, noemt men daar
tertiaire literatuur.
LIT: BDI; Best; Metzler; Wilpert; P.S.A. Groot. Documentaire
dienstverlening (1981), p. 167. [P.J. Verkruijsse/G.J. van Bork]
| |
sedecimo, decimo-sexto of sextodecimo
Term uit de bibliografie voor een
formaat dat verkregen wordt door op een
vel 32 pagina's te drukken, op een zodanige
wijze dat er twee
octavo-katernen met twee katernsignaturen
van ieder 16 pagina's ontstaan. De bibliografische aanduiding voor dit kleine
formaat is 160.
De
kettinglijnen lopen horizontaal.
LIT: BDI; Feather; Hiller; P. Gaskell. A new introduction to
bibliography (1972), p. 85-86; F.A. Janssen. Zetten en drukken in de
achttiende eeuw (19852), p. 308. [P.J. Verkruijsse]
| |
selectieve bibliografie of keuzebibliografie
Hoewel in principe iedere
bibliografie (behalve een
universele bibliografie) selectief is (er
wordt altijd gekozen op grond van bepaalde criteria uit het totaalaanbod aan
literatuur), noemt men bibliografieën met extra keuzecriteria, die dan ook
heel expliciet vermeld dienen te worden, een selectieve bibliografie.
Al beoogt de BNTL (Bibliografie van de Nederlandse Taal-
en Literatuurwetenschap) een zo compleet mogelijke bibliografie te zijn op
het in de titel aangegeven terrein, toch zijn er beperkingen naar de inhoud
(geen publicaties over specifieke populaire literatuur; sommige bloemlezingen
wel, andere niet; sommige schoolboeken niet, andere wel) en de vorm (geen dag-
en weekbladen; minimumgrens van 150 woorden); op die gronden zou deze
bibliografie ook selectief genoemd kunnen worden.
LIT: BDI; Hiller; A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek
bibliografie (1995), p. 68. [P.J. Verkruijsse]
| |
semasiogram
Term uit de schriftgeschiedenis voor de voorlopers van het
schrift (tekeningen) die wel de bedoeling
hebben om voor communicatie te dienen, maar (nog) niet als taaltekens beschouwd
kunnen worden.
LIT: I.J. Gelb. A study of writing (19632).
[P.J. Verkruijsse]
| |
semi-unciaal zie
halfunciaal
| |
semiotiek
Wetenschappelijke benadering die zich richt op de bestudering van
tekens, hun onderlinge relatie en de processen die zich bij het gebruik van
tekens voordoen. Er zijn (globaal) twee hoofdstromingen te onderscheiden die
zich onafhankelijk van elkaar ontwikkeld hebben. De eerste sluit aan op de
taalkundige opvattingen van
Ferdinand de Saussure die de
basisprincipes formuleerde voor een tekenleer die binnen de taalwetenschap met
de term semiologie wordt aangeduid. Deze richting manifesteerde zich vooral in
de structuralistische benadering (Praags structuralisme)
en werd ondermeer uitgewerkt in de studies van Jury
M. Lotman die de codes die literaire
teksten beheersen trachtte vast te stellen.
De tweede richting werd bepaald door de opvattingen van de
Amerikaanse logicus-filosoof
Charles S. Peirce. Zijn uitgangspunten
werden in Nederland overgenomen en uitgewerkt door bijv.
Aart van Zoest.
In deze semiotiek acht men het begrip ‘teken’ bepaald
door drie factoren: 1) de waarneembaarheid ervan, 2) het verwijzend karakter of
de representativiteit en 3) de interpreteerbaarheid tot een nieuw teken door
een interpretant. Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen of klassen van
tekens:
a. Symbolische tekens, d.w.z. tekens die op een afspraak of
conventie berusten. De meeste woorden behoren daartoe, maar ook een gebaar als
jaknikken of wuiven.
b. Iconische tekens (pictogram): tekens die
op een beeld berusten, zoals de aanduidingen die door de NS gebruikt worden om
de uitgang van een station aan te geven of de tekens die op verkeersborden
worden gebruikt.
c. Indexicale tekens. Dit zijn verwijzende tekens die berusten op
wat ‘aangrenzendheid’ of contiguïteit (contigu
verband) genoemd wordt, zoals die ook de basis vormt van
metonymie. Voorbeelden daarvan zijn een aai
voor genegenheid of een voetafdruk voor aanwezigheid.
Aan deze driedeling koppelt Pierce vervolgens subcategorieën
die leiden tot een indeling in tien soorten tekens die samen een
beschrijvingsinstrumentarium bieden. Van Zoest laat d.m.v. een verschijnsel als
‘verlegenheid’ zien hoe een groot aantal verschillende
tekencategorieën samenwerkt tot één interpretatie van gedrag
(bijv. hakkelend spreken, transpireren, frummelen met de handen, een kleur
krijgen etc.).
Ook ideologieën worden gedragen door een specifiek soort
tekengebruik en de semioticus kan zich ten doel stellen de samenstellende delen
van dat tekengebruik bloot te leggen en daarmee de vooronderstellingen die aan
een ideologie ten grondslag liggen. Daarmee wordt ook iets duidelijk over de
ambitie en de veelomvattendheid van de semiotiek, een ambitie die samenhangt
met het algemene karakter van het tekengebruik in de totale communicatie.
Wat betreft de literatuur kan men de literaire tekst als geheel
opvatten als een teken dat op zijn beurt opgebouwd is uit voornamelijk talige
tekens. Voornamelijk, omdat ook niet-talige tekens in het geding zijn, zoals
lay-out, omslag, plaats in de boekwinkel, illustraties, vignetten e.d. Tot de
tekensystemen van literaire teksten behoren zowel de tekens die herleid kunnen
worden tot een periodecode, de code die het afzonderlijke werk, maar ook het
oeuvre van een auteur typeert, de fictionaliteitsindicatoren (fictie), de genrecodes, de symboolwerking, de narratologische
structuren etc. Ook wat betreft de literatuur lijkt de semiotiek vrijwel elk
type onderzoek te omvatten. Dat blijkt ook uit de toepassing van de eerder
gegeven drie categorieën tekens. Als voorbeeld kan gelden dat er drie
typen indexicale tekens te onderscheiden zijn. Er zijn indices die verwijzen
naar de buitentekstuele werkelijkheid, naar andere teksten (intertekstualiteit), en naar elementen binnen de tekst zelf
(autonomiebewegingen). Tot de iconische tekens behoort
zowel het gebruik van de typografische vormgeving (zoals in het gedicht
‘Val’ van
H. Marsman, VW, 1960, p. 28, of
in de concrete poëzie), als de metaforische iconiciteit (metafoor,
parabel,
allegorie). Symbolische tekens zijn niet
alleen de taaltekens van de tekst zelf, maar ook de gebruikte retoricale
middelen of de narratologische structuren. En tenslotte komt ook het gebied van
de
receptie-esthetica, de receptiegeschiedenis
en de tekstinterpretatie binnen het domein van de semiotiek, omdat elke
interpretatie wordt opgevat als een nieuw
teken (interpretant), waaruit een reeks ontstaat die in principe oneindig is.
Semiotici menen echter dat de nadruk dient te liggen op de betekenisgeving en
niet, zoals bij de tekstinterpretatie, op de betekenis van de tekst als
zodanig.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; BDI; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon;
Fowler; Gorp; Metzler; MEW; Myers/Simms; Shipley; A.J.A. van Zoest. ‘De
bruikbaarheid van Peirce's begrip “icon” bij het benoemen van
bepaalde verschijnselen in (bijv.) Franse poëzie’, in:
Handelingen van het 23e Ned. Filologencongres (1974), p. 187-193; U.
Eco. A theory of semiotics (1976); G. Bentele und J. Bystrina.
Semiotik (1978); A. van Zoest. Semiotiek, over tekens, hoe ze werken
en wat we ermee doen (1978); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (1981), p. 58-64; J. Culler. The pursuit of signs.
Semiotics, literature, deconstruction (1981); L.H. Hoek.
‘Literatuursemiotiek’, in: R.T. Segers (red.). Vormen van
literatuurwetenschap (1985), p. 137-170; A.J. Greimas. Analytisch
woordenboek van de semiotiek (dl. 1, 1987); A. Rigney.
‘Semiotiek’, in: W. van Peer en K. Dijkstra (red.).
Sleutelwoorden (1991), p. 151-157. [G.J. van Bork]
| |
semi-paragraafteken
Term uit de paleografie en codicologie voor een speciaal teken,
doorgaans ter structurering van de tekst. In middeleeuwse handschriften komen
twee soorten semi-paragraaftekens voor. De eerste treft men aan in de epische
teksten Ferguut, Walewein en de
Roman van Heinric en Margriete van Limborch. Ze zijn niet
geplaatst door de
kopiist en ook niet door een rubricator (rubricatie), maar door een (voor)lezer-gebruiker. Er is
derhalve geen
representant. Bovendien zijn ze met zwarte
inkt gezet. De tweede soort is wel gerubriceerd. Deze treft men vooral aan in
devote traktaten, waar ze een structurerende functie hebben vergelijkbaar met
die van een gewoon
paragraafteken, zij het dat ze
‘onder’structureren.
LIT: W. Kuiper. ‘Lombarden, paragraaf- en
semiparagraaftekens in Middelnederlandse epische teksten’, in:
Spektator 10 (1980-1981), p. 50-85. [W. Kuiper]
| | | |
senio of sextern
Term uit de codicologie voor een
katern dat samengesteld is uit zes
dubbelbladen (dubbelblad). Senio's treft men vooral aan
in laatmiddeleeuwse papieren en
encarté-handschriften. Een verouderde
benaming is sextern. [W. Kuiper]
| |
sensitivisme
Kortstondig verschijnsel in de Nederlandse literatuur, begonnen in
het laatste decennium van de 19e eeuw waarbij getracht wordt zintuigelijke
indrukken, met uitschakeling van het analyserend verstand, louter door middel
van een verhevigd gevoel te vertalen in woorden (klanken). Het verschijnsel
vindt zijn oorsprong in het
impressionisme en in de doctrine van de
Tachtigers: ‘kunst is
hartstocht’. Naar aanleiding van het verschijnen van
H. Gorters Verzen
(1890) schrijft
Van Deyssel in een bespreking: ‘de
Sensatie (het Sensitivisme) is het zijn vader overtreffende kind van de
Impressie’. Van Deyssel bespreekt in dit stuk de trits
‘observatie-impressie-sensatie’ en acht de sensatie van die drie de
hoogste vorm omdat ze boven de eerste indruk der dingen uitstijgt. Er is in het
sensitivisme een duidelijke voorkeur voor het zintuiglijke, speciaal voor licht
en beweging. In het proza vormt
Van Deyssel zelf de duidelijkste
vertegenwoordiger van het sensitivisme. In het dertiende hoofdstuk van
Een liefde (1898) bepalen de speling van licht en kleuren
in de Gooise natuur de sensaties van de hoofdfiguur Mathilde. Ook de eerder
genoemde Verzen van
Gorter en
Gerrit Jan Hofkers Gedachten en
verbeeldingen (1906) zijn sensitivistisch. Kenmerkend voor het
sensitivisme zijn verschijnselen als vervreemding en raadselachtigheid,
onzegbaarheid van de ondervonden emotie en ruimtelijke sensaties als beweging
van dode zaken en ruimtelijke uitvergroting. Dergelijke geëxalteerde
waarnemingen spreken bijv. uit het volgende strofe van een gedicht van Gorter:
(H. Gorter, Verzen, ed.
Endt, 1977, p. 29).
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; Lodewick; MEW; L. van Deyssel.
‘Herman Gorter’, in: Beschouwingen en kritieken. Verzamelde
werken, dl. 5 (1920), p. 53-63; E. Endt. ‘Van droom naar
werkelijkheid’, in: Weerwerk. Opstellen aangeboden aan professor dr.
G. Stuiveling (1973), p. 213-226; E. Endt. ‘De sensitieve verzen:
liederen van vervulling en tekort’, in: H. Gorter. Verzen (1977),
p. 129-165; M.G. Kemperink. Van observatie tot extase (1988). [G.J. van
Bork]
| | | |
sensus allegoricus-1 of sensus typologicus
Begrip uit de bijbel-exegese en
hermeneutiek. De derde van de
quator sensus scriptorum, de interpretatie
waarbij een bepaalde gebeurtenis uit (meestal) het Oude Testament gezien wordt
als een voorafbeelding van een gebeurtenis in het Nieuwe Testament: Jona die
door God uit de walvis gered wordt (Jona 1, 17 en 2, 1-10), is een
voorafbeelding van Christus' herrijzenis.
LIT: F. Ohly. ‘Vom geistigen Sinn des Wortes im
Mittelalter’, in: Zeitschrift für deutschen Altertum und deutsche
Literatur 89 (1958), p. 1-23; H. de Lubac. Exégèse
médiévale. Les quatres sens de l'Écriture, 4 dln.
(1959-1964); F. Ohly. Schriften zur mittelalterlichen
Bedeutungsforschung (1977), p. 1-31; P. Wackers. Met ogen van toen.
Middeleeuwse kunst: schoonheid en wetenschap (1980), p. 12. [H. Struik]
| |
sensus allegoricus-2 zie
sensus spiritualis
| |
sensus anagogicus
Begrip uit de bijbel-exegese en
hermeneutiek. De laatste van de
quator sensus scriptorum, de interpretatie
in het licht van de uitersten: God vs. duivel, hemel vs. hel, dood vs.
leven.
LIT: H. de Lubac. Exégèse
médiévale. Les quatres sens de l'Écriture, 4 dln.
(1959-1964); P. Wackers. Met ogen van toen. Middeleeuwse kunst: schoonheid
en wetenschap (1980), p. 12. [H. Struik]
| |
sensus litteralis
Begrip uit de bijbel-exegese en de
hermeneutiek. De eerste van de
quator sensus scriptorum, de letterlijke
betekenis.
Jacob van Maerlant vertaalde in zijn
Scholastica, die in de literatuurgeschiedenis is
terechtgekomen als de Rijmbijbel, alleen die boeken die voor letterlijke
interpretatie geschikt waren, nl. de historische boeken.
LIT: Gorp; F. Ohly. ‘Vom geistigen Sinn des Wortes im
Mittelalter’, in: Zeitschrift für deutschen Altertum und deutsche
Literatur 89 (1958), p. 1-23; H. de Lubac. Exégèse
médiévale. Les quatres sens de l'Écriture, 4 dln.
(1959-1964); F. Ohly. Schriften zur mittelalterlichen
Bedeutungsforschung (1977), p. 1-31; P. Wackers. Met ogen van toen.
Middeleeuwse kunst: schoonheid en wetenschap (1980), p. 12. [H. Struik]
| |
sensus moralis of sensus tropologicus
Begrip uit de bijbel-exegese en de
hermeneutiek. De tweede van de
quator sensus scriptorum, de morele
betekenis van de tekst. De sensus moralis is vergelijkbaar met het begrip
zin, zoals dat in de Middeleeuwen wordt
gebruikt om de strekking van een tekst aan te duiden.
LIT: F. Ohly. ‘Vom geistigen Sinn des Wortes im
Mittelalter’, in: Zeitschrift für deutschen Altertum und deutsche
Literatur 89 (1958), p. 1-23; H. de Lubac. Exégèse
médiévale. Les quatres sens de l'Écriture, 4 dln.
(1959-1964); F. Ohly. Schriften zur mittelalterlichen
Bedeutungsforschung (1977), p. 1-31; P. Wackers. Met ogen van toen.
Middeleeuwse kunst: schoonheid en wetenschap (1980), p. 12. [H. Struik]
| |
sensus spiritualis of sensus allegoricus-2
Begrip uit de bijbel-exegese en de
hermeneutiek voor drie van de vier
betekenissen die aan een tekst kunnen worden toegeschreven: de
sensus anagogicus, de
sensus litteralis en de
sensus moralis. Daarnaast is er nog de
sensus typologicus die ook vaak sensus allegoricus wordt genoemd (sensus allegoricus-1).
LIT: H. de Lubac. Exégèse
médiévale. Les quatres sens de l'Écriture, 4 dln.
(1959-1964); P. Wackers. Met ogen van toen. Middeleeuwse kunst: schoonheid
en wetenschap (1980), p. 12. [H. Struik]
| |
sensus tropologicus zie
sensus moralis
| |
sensus typologicus zie
sensus allegoricus-1
| |
sententia, sententie of gnome-1
(Neo)latijn voor een tekst met een ethische of stichtende inhoud.
De sententia is, in tegenstelling tot het
adagium of proverbium, van literaire
oorsprong. Het genre kwam tot grote bloei in de Romeinse Oudheid (bijv.
Juvenalis,
Martialis,
Ovidius en
Tacitus).
Sententiae konden als afzonderlijke tekst verschijnen, maar waren
vaak opgenomen in een groter literair werk. Er werden zelfs verzamelwerken
aangelegd, zoals de Disticha Catonis, zo genoemd omdat het lessen van de
Romeinse wijsgeer
Cato aan zijn zoon zouden zijn. Dit werk
werd in de Middeleeuwen als schoolboek gebruikt en werd vertaald in het
Middelnederlands als de Dietsche Catoen (ed.
Jonckbloet, 1845;
Beets, 1885).
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Dupriez-2; Gorp;
Lausberg; LdMA; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
sentimentalisme, sentimentaliteit of sentimentele
literatuur
Verschijnsel uit de praktijk - en de reflectie daarop - van de
letterkunde uit de tweede helft van de 18e eeuw, de periode van de
‘gevoelige
verlichting’. Kenmerkend is de
overgave aan de zogeheten ‘dierbare droefgeestigheid’.
De term komt al voor bij
L. Sterne (A sentimental
journey, 1768), maar nog eerder vindt men het begrip
‘sentimentaliteit’, namelijk bij
E. Young (Night
thoughts, 1742-1745). Later volgde
Rousseau (Julie ou la nouvelle
Heloïse, 1761) en
Goethe (Die Leiden des jungen
Werthers, 1774).
Feith zegt in verband met zijn roman
Julia (vgl. Julie) van 1783 dat het
sentimentele begeleid wordt door ‘verkwikkelijke, zilte en stille
tranen’. Vooral in zijn
romances domineert het sentimentele volledig.
Beroemd werd zijn ‘Alrik en Aspasia’ (1784), enkele jaren later
geparodieerd door
Kinker. In de discussie over het
verschijnsel mengden zich de tijdgenoten
De Perponcher,
Nieuwland en
Kantelaar.
Wolff en
Deken noemden het een modeziekte.
Bellamy typeerde het als gevoeligheid die
niet tot grote daden leidt. Feith zelf maakte weliswaar een onderscheid tussen
‘ware’ en ‘valse’ sentimentaliteit, maar hij trok de
grens op een andere plaats dan sommige tijdgenoten en lateren.
Afwijzingen van het sentimentalisme in de literatuur blijven nog
tientallen jaren lang opduiken (
De Wacker van Zon,
HaverSchmidt e.a.), terwijl
Huet zich afvraagt wie het ‘fijne
en toch wezenlijke’ onderscheid onder woorden kan brengen tussen
sentiment en sentimentaliteit:
Indien het waar is, hetgeen iemand gezegd heeft, dat de echte
sentimentaliteit gelegen is in de bewustheid der zamenstemming van hetgeen
omgaat in het gemoed met den aanblik der natuur rondom ons, dan is Bellamy een
groot sentimentalist geweest. (Cd. Busken Huet. Litterarische
fantasien en kritieken, dl. 24, 1887, p. 46-47).
Maar sentimenteel ‘in den smadelijken zin des woords’
- zoals
Tollens' debuut Sentimenteele
gedichten en geschriften (1799) - zijn Bellamy's gedichten niet;
legt men Tollens ‘laffe prullen’ daarnaast, dan moet men volgens
Huetconcluderen: ‘Bellamy is niet
sentimenteel, hij is pathetisch’.
Intussen is de vraag van Huet naar het onderscheid tussen
sentiment en sentimentaliteit in de 20e-eeuwse
Van Dale vrij eenvoudig beantwoord:
sentiment is gevoel, sentimentaliteit is overdreven gevoeligheid, maar
voorbeelden worden daar niet bij gegeven en het blijft dan ook een subjectieve
kwestie.
LIT: Abrams; Baldick; Cuddon; Gorp; Knuvelder, dl. 3 (1973), p.
177-179; Laan; MEW; Morier; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; P.J.A.M.
Buijnsters. Tussen twee werelden (1963), p. 31-32; P. Krüger.
Das Zeitalter der Empfindsamkeit (1972); G. Sauder.
Empfindsamkeit, 3 dln. (1974-1980); G.J. Vis. De verlichte muze
(1982), p. 43-81; J. Stouten. Verlichting in de letteren (1984), p.
43-47; B. Paasman. Het boek der verlichting (1986), p. 54. [G.J.
Vis]
| |
sentimentaliteit zie
sentimentalisme
| |
sentimentele literatuur zie
sentimentalisme
| |
septenarius zie
heptameter
| |
septet
Algemene benaming voor een zevenregelige strofe of zevenregelig
gedicht. Het septet is bekend uit de Engelse literatuur (Chaucer, Shakespeare)
in de vorm van het zgn. ‘rhyme royal’: een eenheid van zeven
regels, geschreven in de jambische (jambe)
pentameter, met het rijmschema ababbcc. In
de Nederlandse literatuur vindt men een variant ervan in de zevenregelige
strofen van het gedicht ‘Natuurloop’ (1788) van W. Bilderdijk.
LIT: Alphen; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Lodewick;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
serenade
Lied op het vallen van de avond en ook wel een avondgroet aan de
teerbeminde. De serenade is vergelijkbaar met de
aubade in de ochtend. Als voorbeeld kan
Hoofts ‘Avontsang’ gelden:
Vaert vrij met uw gefloncker
Den avont met sijn doncker
(
P.C. Hooft. Gedichten, ed.
Leendertz-Stoett, dl. 1, 1899, p.
175).
LIT: Best; Cuddon; Gorp; MEW; Scott; Wilpert. [W. Kuiper]
| |
seriatim zetten
Term uit de analytische bibliografie voor het zetten van
bladzijden in hun numerieke volgorde, in
tegenstelling tot het zetten van pagina's per drukvorm (binnen-,
buitenvorm). De vraag of een boek seriatim
of per vorm gezet is, is interessant voor de
analytische bibliografie omdat er
consequenties kunnen zijn voor de tekst. Voor seriatim zetten van bepaalde
bibliografische
formaten moet een werkplaats over meer
letter beschikken dan voor het zetten per
vorm. Bij een boek in
folio-in-zessen bijv. kan er bij seriatim
zetten pas gedrukt worden als er zeven pagina's gezet zijn: dan is nl. pas de
binnenvorm van het derde
vel waarin pagina 6 en 7 zitten compleet.
Doordat er meer pagina's in lood staan, zou er een tekort aan bepaalde letters
kunnen optreden, waarvoor men dan zijn toevlucht neemt tot het gebruik van een
ander lettertype of in plaats van de ‘w’ een dubbele
‘vv’ zet, of zelfs met de spelling kan gaan marchanderen
(‘z’ in plaats van ‘s’ e.d.). Het tekort zal zich
echter allereerst wreken bij de
initialen-1; men treft dan soms een
gekantelde ‘Z’ aan in plaats van een ‘N’ of
omgekeerd.
Als er per vorm gezet zou worden, zou men meteen na voltooiing van
een willekeurige binnen- of buitenvorm de pers aan het werk kunnen zetten. In
het laatste geval is het echter nodig de
kopij voor te berekenen, iets wat niet
zonder risico's is (zeker bij proza, minder bij poëzie en toneelteksten)
omdat bij een verkeerde berekening de kunstgrepen van
uitdrijven of
inwinnen toegepast moeten worden.
Voorberekening van kopij had meer tot doel te bepalen hoeveel papier er bij
gebruik van een bepaalde letter nodig was voor de productie van een boek.
Wanneer in overgeleverde kopij gegevens van voorberekening aangetroffen worden,
hoeft dat nog niet te betekenen dat er ook inderdaad per vorm gezet is. Een
bewijs voor zetten per vorm kan wel zijn het voorkomen van dezelfde initiaal of
beschadigde letter in zowel de binnen- als buitenvorm van een
katern.
De normale gang van zaken lijkt het seriatim zetten geweest te
zijn. Drukken per vorm zou toegepast kunnen zijn bij bepaalde, veel letter
vergende, formaten, in het geval van gelijktijdige productie van meer boeken in
één werkplaats en - het meest voor de hand liggend - bij een
pagina-voor-pagina-herdruk van een boek in hetzelfde
formaat en met dezelfde letter. Er zijn aanwijzingen dat in de incunabelperiode
per vorm gezet is en ook in de drukkerij van Plantijn schijnt het zetten per
vorm toegepast te zijn, echter niet meer na 1565.
LIT: D.F. McKenzie. ‘Printers of the mind: some notes on
bibliographical theories and printing-house practices’, in: Studies in
Bibliography 22 (1969), p. 1-75, m.n. p. 37-41; Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742), p. 40-42; L.
Hellinga-Querido. Methode en praktijk bij het zetten van boeken in de
vijftiende eeuw (1974); F.A. Janssen. ‘Some notes on setting by
formes’, in: Quaerendo 16 (1986), p. 191-197. [P.J.
Verkruijsse]
| |
sermocinatio
Stijlfiguur uit de retorica, nl. één van de
mogelijkheden binnen de
aversio: het zich afwenden door de verteller
van zichzelf (aversio ab oratore) door het inlassen in het verhaal van een aan
een ander in de mond gelegde monoloog of dialoog in de directe rede.
Als voorbeeld kunnen een paar regels uit het gedicht ‘De
olifant’ van De Schoolmeester dienen:
Zoo men aan den schijn het oor woû leenen,
Vroeg men licht: ‘Heeft menheer het water ook in de
beenen?
Want wáár is eigentlijk 't onderscheid tusschen
zijn kuiten en zijn scheenen?’
(De gedichten van den Schoolmeester, ed.
Van Deel/
Mathijsen, 19793, p.
96-97).
LIT: Buddingh'; Gorp; Lausberg; Metzler; Morier. [P.J.
Verkruijsse]
| | | | | |
sextet
Groepje van zes versregels, vooral bekend als onderdeel van het
klassieke
sonnet. Het is het gedeelte volgend op het
octaaf en omvat de verzen 9-14. Soms is het
opgebouwd uit twee
terzinen, soms uit drie disticha, soms uit
een
kwatrijn en een
distichon.
LIT: Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon;
Gorp; Hobsbaum; Laan; Lodewick; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley.
[G.J. Vis]
| | | | | | | |
Shakespeareaans sonnet of Engels sonnet
Term uit de genreleer ter aanduiding van een vijfjambisch
sonnet met als rijmschema ababcdcdefefgg.
Het bestaat uit drie
kwatrijnen en een
distichon. De twee laatste verzen, veelal
ook typografisch van de rest gescheiden, geven vaak een conclusie of toepassing
van het voorafgaande. De wending of
volta valt dan niet, zoals meestal bij het
sonnet, na het tweede kwatrijn, maar na het derde.
Als voorbeeld kan verwezen worden naar de ‘Sonnetten van
Shakespeare’ van
Boutens (P.C. Boutens. Verzamelde
lyriek, dl. 2, 1968, p. 1138-1175).
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Lodewick; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
short story zie
verhaal-1
| |
short title
Term uit de bibliografie voor een in verkorte vorm geciteerde
boektitel (titel) in een
catalogus-1 of
bibliografie. Sinds door de
analytische bibliografie het besef is
doorgedrongen dat
drukken niet goed onderscheiden kunnen
worden door de tekst op de
titelpagina (een
fingerprint is betrouwbaarder), verschijnen
er steeds meer bibliografische naslagwerken met short titles in
gestandaardiseerde vorm, i.p.v. met de volledige
transcriptie van de titelpagina. Voor de
STCN (Short-Title Catalogue, Netherlands)
wordt ‘de kortst mogelijke zin (consistente syntactische structuur) die
uit de boektitel, (...), de aanhef van de titel en de benaming van het werk
bevat’, als short title gehanteerd.
Catalogi met short titles zijn bijv.: Short-title catalogue of
books printed in the Netherlands and Belgium and of Dutch and Flemish books
printed in other countries from 1470 to 1600 now in the British Museum
(1965) en A short-title catalogue of books printed at Hoorn before 1701
(1979).
LIT: BDI; Handleiding voor de medewerkers aan de STCN
(19882), p. 26-31. [P.J. Verkruijsse]
| |
short-title catalogue of stc
Bibliografische aanduiding van een lijst van boeken die in
relatief korte tijd samengesteld kan worden omdat alleen de
allernoodzakelijkste gegevens van de beschreven objecten genoteerd worden. De
volgende elementen dienen minimaal in een stc aanwezig te zijn: auteur,
(verkorte) titel, plaats van uitgave, naam van drukker-uitgever-boekverkoper,
jaar van uitgave, opbouwformule en bewaarplaats van het beschreven exemplaar
(bibliotheeksignatuur).
Voor Nederland is een begin gemaakt met het
samenstellen van een
catalogus-1 van de Nederlandse boekproductie
uit het verleden, de
STCN (Short-Title Catalogue, Netherlands).
Als eerste vrucht daarvan is verschenen de STC Hoorn: A short-title
catalogue of books printed at Hoorn before 1701 (1979). In 1965 verscheen
reeds de Short-title catalogue of books printed in the Netherlands and
Belgium and of Dutch and Flemish books printed in other countries from 1470 to
1600 now in the British Museum.
Als snelle methode voor het onderscheiden van drukken kan een stc
een aantal
katernsignatuurposities noteren (zoals de
STCN) of een zgn. fingerprint samenstellen (zoals in het Engelse LOC-project,
de stc van Londen, Oxford
enCambridge).
LIT: Brongers; Cuddon; Feather; J.A. Gruys en C. de Wolf.
‘Inleiding’, in: A short-title catalogue of books printed at
Hoorn before 1701 (1979); Michael A. Pegg. ‘Short Title Catalogues.
Notes on identity of texts’, in: Flugschriften als Massenmedium der
Reformationszeit (1981), p. 29-41. [P.J. Verkruijsse]
| |
showing
Term uit de
verteltheorie of
romananalyse voor één van de
beide grondvormen van het vertellen; de andere is
telling. Onder showing verstaat men de
presenterende vertelvorm waarbij de verteller uit het verhaal terugtreedt en
zelf geen commentaar of visie op de weergegeven geschiedenis geeft. Vooral bij
de
personale vertelwijze of bij de
ik-vertelwijze is sprake van showing. De
vaak veronderstelde objectiviteit van deze vertelvorm is zeer dubieus, omdat
juist deze vertelvormen zeer veel mogelijkheden bieden tot een
onbetrouwbaar perspectief op het
vertelde.
LIT: Abrams; Boven/Dorleijn; Prince; W.C. Booth. The rhetoric
of fiction (1961); F.C. de Rover. ‘De boodschap van de vent achter de
vorm’, in: Spektator 4 (1974-1975), p. 249-268. [G.J. van
Bork]
| |
sic
Betekent zoveel als: ‘zo staat het er echt!’ Sic wordt
gebruikt om de lezer te attenderen op een bijzonderheid of fout in een
citaat of in een
teksteditie. Meestal staat het tussen ronde
haken: (sic). Hoewel het gebruik sterk afneemt, treft men sic tegenwoordig
terecht vaker aan tussen rechte haken [sic], omdat het een ingreep is door
degene die citeert of editeert.
LIT: Best; Cuddon; Scott. [H. Struik]
| |
sick verse
Vorm van poëzie gekenmerkt door de ‘sick joke’:
de lugubere grap. De teksten in dit genre zijn veelal een product van
melancholie en wanhoop. Thema's zijn ongeluk, dood, ziekte en wreedheid. De
spot is bijtend, sardonisch en sarcastisch (sarcasme):
galgenhumor. Men vindt het verschijnsel al bij
Fr. Villon in zijn ‘Ballade des
pendus’. De moderne letterkunde biedt allerlei voorbeelden,
variërend van
E.A. Poe's ‘The Raven’ tot
Les fleurs du mal (vol ‘spleen’) van
Ch. Baudelaire. In de Nederlandse
literatuur kan men terecht bij
P. Paaltjens' Snikken en
grimlachjes (1867), met als voorbeeld het gedicht ‘De
zelfmoordenaar’.
Sick verse is verwant aan de zwarte humor zoals die voorkomt in
het
absurdisme en de black comedy van
J. Anouilh en
H. Pinter. Verwantschap is er ook met
sommige werken van
Joseph Keller, Günter Grass en
Kurt Vonnegut Jr. op het punt van de
mengeling van het komische met het afschrikwekkende of absurde.
LIT: Cuddon. [G.J. Vis]
| |
sigle-1, initiaal-2 of littera singularis
Term uit de paleografie voor een
abbreviatuur van één letter.
Door middel van
suspensie (afkapping) wordt een woord
afgekort tot slechts de eerste letter overblijft, bijv. d' = daer. Zelf is
sigle een afkorting van ‘littera singularis’.
Een hedendaags voorbeeld van een sigle is ons guldenteken
[florijnteken] (florijn).
LIT: Metzler; Wilpert; A. Cappelli. Dizionario di abbreviature
latine ed italiane (1973); B. Bischoff. Paläographie des
römischen Altertums und des abendländischen Mittelalters
(19862), p. 192-213; J.L. van der Gouw. Oud schrift in
Nederland (19802), p. 61-67; P.J. Horsman, Th.J. Poelstra en
J.P. Sigmond. Schriftspiegel. Nederlandse paleografische teksten van de 13e
tot de 18e eeuw (1984); B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen
schrift (19882), m.n. p. 102-129. [H. Struik]
| |
sigle-2
Term uit de editiewetenschap voor de letters waarmee documentaire
bronnen worden aangeduid. Er wordt onderscheid gemaakt tussen diverse siglen.
Zo zijn er basissiglen voor de bronnen: M voor manuscript, T voor
tijdschriftpublicatie, P voor drukproef, D voor druk, G voor geluidsregistratie
en B voor beeldregistratie. Volgordesiglen geven de ontstaansvolgorde per soort
bron aan: D1 en D2 bijvoorbeeld voor 1e en 2e druk. Men
kan schrijverssiglen gebruiken om diverse handen in een manuscript te benoemen:
zo kan M1Bi bijvoorbeeld de correctielaag van
Binnendijk in een manuscript van
Marsman aangeven. Ook het voorkomen van
diverse inktsoorten e.d. in een manuscript kan door middel van
schrijfstofsiglen aangeduid worden: p = potlood, i = inktpen, b = ballpoint
enz.
LIT: Mathijsen. [P.J. Verkruijsse]
| |
signatuur
Term waarmee twee verschillende zaken worden aangeduid: de
bibliotheeksignatuur en de
katernsignatuur.
LIT: BDI; Best; Cuddon; Feather; Hiller; MEW; Scott. [P.J.
Verkruijsse]
| |
significa
Aanduiding voor de (deels verouderde) wetenschap der menselijke
verstandhouding zoals die zich heeft ontwikkeld sinds de Engelse
Victoria Welby ± 1900 het
initiatief nam voor een onderzoek dat moest leiden tot helderheid en
ondubbelzinnigheid in communicatiemiddelen teneinde misverstand en wantrouwen
tussen mensen en groepen uit te bannen. In Nederland werd haar werk voortgezet
door de in 1922 opgerichte Signifische Kring waartoe o.a. de letterkundige
F. van Eeden en de taalkundige
J. van Ginneken behoorden.
Belangrijk voor de letterkunde is de opvatting in genoemde kring
dat de taaldaad meer kan omvatten dan alleen de aanwijzing van een
verifieerbare werkelijkheid. Dit ‘meer’ hangt o.a. samen met de
houding van de spreker-schrijver (auteursintentie), de
meerduidigheid van de tekst (ambiguïteit) en de
gesteldheid van de recipiënt (receptie-esthetica).
De taaldaad heeft naast een indicatieve ook een emotionele en
‘volitionele’ (wils-)kant, zoals met name in literaire, expressieve
(expressie) of persuasieve teksten het geval kan
zijn.
Onder invloed van het streven van de Signifische Kring naar
duidelijkheid in de onderlinge verstandhouding heeft men (
Vestdijk,
Lodewick) wel gesproken van
significatieve kunst ter aanduiding van teksten met een scherp omlijnde
betekenis (tegenover musische kunst).
LIT: Knuvelder, dl. 4 (1977), p. 193-194; Lodewick; MEW; Shipley;
Encyclopaedisch handboek van het moderne denken (19503), p.
659-662; Elseviers kleine filosofische en psychologische encyclopedie
(1960), p. 204. [G.J. Vis]
| |
significatio
Letterlijk: zingeving. Term uit de middeleeuwse
poëtica-1 voor die wijze van
interpreteren van Gods schepping die ervan uit gaat dat iets niet alleen is wat
het lijkt te zijn, maar daarnaast ook een hogere betekenis in zich heeft en op
analogische wijze (analogie-1) refereert aan de
heilsgeschiedenis. Deze significatio wordt gevoed door de middeleeuwse
bijbelexegese (hermeneutiek), de
quator sensus scriptorum, die uiteenvalt in
een letterlijke betekenis (sensus litteralis) en een
figuurlijke betekenis (sensus allegoricus). Met name in
de middeleeuwse dierenencyclopedieën (bestiarium)
treft men significatio aan, zowel profaan -
Jacob van Maerlant vergelijkt in
Der naturen bloeme (ca. 1270, ed.
Verwijs, 1878, boek III, vs. 2111-2150) de
Vlaamse gaai met de rondtrekkende verhalenverteller (jongleur,
minstreel) - als theologisch.
In de retorica gebruikt men significatio ook in de betekenis van
emfase: het leggen van nadruk door een
pregnante vertelwijze.
LIT: Lausberg; W.P. Gerritsen. ‘De dichter en de leugenaars.
De oudste poëtica in het Nederlands’, in: NTg 85 (1992), p.
2-13. [W. Kuiper]
| |
signum
Term uit de paleografie voor de taalkundige betekenis dragende
elementen (de lettertekens) in een bron. Bij de
transcriptie dienen de signa onderscheiden
te worden van de figurae (figura-2) zoals illustraties
of lijnen en krullen die tekstgeledingen aanbrengen.
LIT: W.Gs Hellinga. ‘Principes linguistiques
d'édition de textes’, in: Lingua 3 (1953), p. 295-308; P.J.
Verkruijsse. ‘Over diplomatisch editeren van handschriften en het gebruik
daarbij van diacritische tekens’, in: Spektator 3 (1973-1974), p.
325-346. [P.J. Verkruijsse]
| |
silbetellend vers zie
isosyllabisch vers
| |
simile
Term uit de
retorica (met name de
elocutio) voor dat deel van de metaforische
(metaforiek) beeldspraak dat het punt van vergelijking
(tertium comparationis) genoemd wordt: het element
waarin beeld en verbeelde overeenstemmen. In de zin ‘hij loopt als een
haas’ is dat de snelheid.
Sommigen gebruiken de term simile eveneens voor het tegendeel van
wat gezegd wordt (dus voor datgene wat feitelijk bedoeld wordt) bij de
ironie. In de - tijdens strenge vorst
uitgesproken - zin ‘het is lekker warm vandaag’ is het simile de
lage temperatuur, de kou.
LIT: Abrams; Baldick; Bronzwaer; Cuddon; Dupriez-2; Gorp;
Lausberg; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
similitudo
Similitudines zijn voor de bewijsvoering (argumentatio), in het kader van de
inventio, voor de redenaar van groot belang.
De betrokken zaak wordt vergeleken met zaken uit de natuur. Met name in de
emblematiek wordt veel gebruik gemaakt van de similitudo. Een breed uitgewerkte
similitudo wordt tot
allegorie; een kort geformuleerde wordt een
metafoor.
Vondel bijv. begint zijn
Inwydinge van het stadthuis t'Amsterdammet een
similitudo. Hij vergelijkt de rijkdom van zijn onderwerp,
Amsterdam, met een rijke graanoogst:
Gelijck nu d'ackerman de zeisen slaet in d'airen,
En heenstreeft, door een zee van gout en goude baren,
Zoo weckt ons Amsterdam, door overvloet van stof,
Om in den vruchtbren oeghst van zijnen rycken lof
Te weiden met de penne, [...].
(WB-ed., dl. 5, p. 857-904, vs. 1-5).
LIT: Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Scott. [P.J.
Verkruijsse]
| |
simulatio
Term uit de retorica voor een vorm van
ironie waarbij voorgewend wordt dat de eigen
mening niet of nauwelijks afwijkt van die van de tegenpartij. Hetzelfde effect
kan verkregen worden door de
dissimulatio: het verbergen van de eigen
mening door zich bijv. tegenover een pocher onwetend voor te doen. Daartoe
geëigende stijlmiddelen zijn de
retorische vraag,
litotes,
emfase en
synecdoche.
Vooral in het
blijspel wordt druk gebruik gemaakt - vaak
in de vorm van
terzijdes - van simulatio, bijv. in
G.A. Bredero's Spaenschen
Brabander in de dialogen tussen Jerolimo en Robbeknol:
J: Wa saydy een drol een: hoe staan nu mayn locken?
R: Sy krullen as een wijngert, seecker sonder jocken.
J: Wat dunckt u van mijn hayr, en ist niet schoon en blont?
R: Ghelijck een Engels Knijn, het wert al moytiens bont.
J: Hoe staet mayn de Bonet, en dese jente vaertjens?
R: Joncker jou hoetjen staet wel netjens op drie haertjens,
J: Hoe past my dese kraach?
R: Joncker is dat een vraegh,
En sou jou goet niet fray, niet wel en aerdich passen,
Jou Moer hetter jou lijf, van joncx na laten wassen.
(1618, ed.
Stutterheim, 1974, p. 194-195).
LIT: Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Leeman/Braet; Ueding.
[P.J. Verkruijsse]
| |
simultaanaspect
Term uit de drama-analyse voor twee van de vijf te onderscheiden
handelingsaspecten in het drama. Het
simultaanaspect ontleent zijn betekenis aan de verhouding tussen een
speelhandeling en een gelijktijdig gebeuren op het toneel of die van de
verhouding tussen speelhandeling en een gelijktijdig gebeuren achter het
toneel.
Een voorbeeld van het eerste is de toneelhandeling in
Eva Bonheur van
Herman Heijermans, waar de benedenkamer
van Jasper voor het publiek tegelijk zichtbaar is met de bovenkamer van Eef,
terwijl Jasper - in tegenstelling tot het publiek - niet ziet wat Eef doet.
Door deze verhouding krijgen sommige
handelingsmomenten beneden voor het publiek
een bepaalde spanning, bijv. in toneel 9 van bedrijf 2 (Heijermans 1965: 2054
e.v.). Een voorbeeld van het tweede is de speelhandeling uit Heijermans'
Op hoop van zegenwaarin Marietje vertelt van haar
angstdroom over Mees, waarin driemaal wordt geklopt en ze bij de derde keer het
bleke gezicht van Mees te zien krijgt. Midden in haar verhaal wordt er geklopt
(simultaan
actiemoment) (Heijermans 1965: 433).
Sommige toneelstukken zijn bij uitstek op deze
simultaneïteit gebouwd; men spreekt dan
van
simultaantoneel.
LIT: Wilpert; J.I.M. van der Kun. Handelingsaspecten in het
drama (19702). [G.J. van Bork]
| |
simultaantoneel
Dramavorm waarin zonder verandering van het decor én in
verschillende locaties én twee handelingen tegelijkertijd kunnen worden
gespeeld. Het simultaantoneel werd in de Middeleeuwen veelvuldig toegepast,
bijv. in de Esmoreit. Men maakte daartoe gebruik van een
lang en ondiep toneel, waarop snelle verplaatsing van de handeling mogelijk was
zonder decorwisseling. In de 20e eeuw maakt men van deze mogelijkheid opnieuw
gebruik. In
Herman Heijermans' Eva
Bonheur (1917) bijv. speelt de handeling zich zichtbaar
gelijktijdig af op twee verdiepingen van een huis. Door sterkere belichting van
een der handelingen kan de regisseur aan het publiek duidelijk maken wat als
hoofdhandeling beschouwd moet worden.
LIT: Bantel; Bergh; Best; Gorp; Metzler; MEW; Wilpert; W. Tydeman.
The theatre in the middle ages (1978). [G.J. van Bork]
| |
simultaneïteit
Specifieke eigenschap van het drama, waarmee wordt aangegeven dat
de handeling en dialoog gelijktijdig of parallel zijn. Voorwaarde is wel dat
handeling en dialoog elkaar aanvullen of ondersteunen. Omdat de handeling mede
bepaald wordt door de regieaanwijzingen, is het niet goed mogelijk
simultaneïteit bij het drama als een tekstgegeven op te vatten. Wel zal
men gewoonlijk door interpretatie van de tekst trachten vast te stellen waar
simultaneïteit in de vertolking noodzakelijk zal zijn. Geeft de dialoog
bijv.: ‘Waarom loop je zo zenuwachtig heen en weer?’, dan zal de
handeling door die vraag mede bepaald worden.
Ook in andere genres wordt gebruik gemaakt van
simultaneïteit. Onder invloed van de film ontstond in de periode tussen
1920 en 1940 een groot aantal romans waarin de gelijktijdigheid van
verschillende gebeurtenissen getracht wordt weer te geven. Ter Braak sprak in
dit verband dan ook van ‘simultaanromans’ (
Ter Braak 1949: 80-81).
Simultaneïteit is een van de verschijnselen die een rol spelen in het
modernisme en het
postmodernisme.
Een goed voorbeeld van een dergelijke simultaanroman is
John Dos Passos' Manhattan
transfer (1925).
LIT: Bantel; Bergh; Best; Boven/Dorleijn; Gorp; Lodewick; Metzler;
Myers/Simms; Prince; W. Hogendoorn. Lezen en zien spelen. Een studie over
simultaneïteit in het drama (1976). [G.J. van Bork]
| |
singularis pro plurali
Term op het gebied van de metonymische (metonymie) beeldspraak voor die vorm van
synecdoche waarbij het enkelvoud wordt
gebruikt in plaats van het meervoud. Dit gebeurt bijv. in situaties waarin het
collectieve, het geheel, domineert boven de individuele delen, zoals in
‘bij en bloem’ (de bijtjes en de bloemetjes).
M. Nijhoff schrijft ‘vreemd
pizzicato’ [i.p.v. pizzicato's] van verre guitaren’ (VW, dl.
1, 19822, p. 21). In het tegenovergestelde geval spreekt men van
pluralis pro singulare.
LIT: Lausberg. [G.J. Vis]
| |
singulier vertellen zie
enkelvoudige structuur
| | | | | |
sinnespel zie
spel van zinne
| |
SISO
Afkorting uit de bibliotheekwereld voor het Schema voor de
Indeling van de Systematische catalogus in Openbare bibliotheken. Dit speciaal
voor de Nederlandse openbare bibliotheken ontworpen decimale systeem is
gebaseerd op en een vereenvoudiging van de
UDC. De indeling van een publicatie gebeurde
op basis van door de uitgever tevoren geleverde gegevens (CIP), zodat het mogelijk was de SISO-codering bij de
CIP-gegevens in het boek af te drukken, hetgeen meestal gebeurde op de
verso-zijde van het titelblad.
LIT: Brongers; P.S.A. Groot. Documentaire dienstverlening
(1981), p. 52. [P.J. Verkruijsse]
| |
skald of skop
Germaanse hofzanger, wiens functie zich het beste laat vergelijken
met de Keltische
bard. De Noord-Germaanse (IJsland,
Skandinavië) benaming is skald, de Zuid-Germaanse skop.
LIT: Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW;
Wilpert; J. de Vries. ‘Oudgermaanse letterkunde’, in: Algemene
literatuurgeschiedenis, dl. 2 (z.j.), p. 3-42. [H. Struik]
| |
sketch
Kort, schetsmatig toneelstukje van vaak niet meer dan
één bedrijf of scène, dat eindigt met een verrassende,
meestal komisch pointe. De sketch komt het meest voor als onderdeel van een
revue of het
cabaret. Bekende auteurs van cabaretsketches
zijn o.a.
Simon Carmiggelt,
Annie M.G. Schmidt en
Guus Vleugel.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Metzler; Scott; Wilpert. [G.J.
van Bork]
| | | |
slaapliedje
Aanduiding voor een bepaald type
kinderlied gezongen bij het slapen gaan. Een
bekend slaapliedje is:
Daarbuiten loopt een schaap;
Een schaap met witte voetjes,
Drinkt zijn melk zo zoetjes;
Schaapje met zijn witte wol,
Kindje drinkt zijn buikje vol’.
(
M. Veldhuyzen. Prisma
liederenboek, 19718, p. 188).
Andere slaapliedjes zijn ‘Do, do, kindje’ en
‘Suze Naanje’ (
D. Kese.a., Kinderzang en
kinderspel, dl. 1, p. 51, 127).
Het slaapliedje is nauw verwant aan het
wiegelied, maar het verschilt ervan doordat
het alleen als
volkslied-1 bekend is, terwijl het wiegelied
ook als
cultuurlied voorkomt.
LIT: Cuddon; Scott; J. van Vloten. Baker- en kinderrijmen
(18743); D. Kes, J. Pollmann en P. Tigges. Kinderzang en
kinderspel, 2 dln. (19619); J. de Vuyst. Bibliografie van het
volkslied van 1800 tot 1965, 2 dln. (1967). [G.J. Vis]
| |
slagrijm
Term uit de prosodie voor die vorm van
eindrijm die het schema aaa heeft.
Bijv.:
Een mooie vrouw is langs me heen gegaan;
Heel even bleef zij staan;
Toen is zij weer haar gang gegaan.
(
P. van Ostaijen. VW
Poëzie, dl. 1, 1979, p. 78).
LIT: Alphen; Best; Buddingh'; Gorp; Lodewick; Marouzeau; Metzler;
Morier; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
slepend rijm zie
vrouwelijk rijm
| |
sleutelroman of roman à clef
Roman waarin de auteur onder verzonnen namen en situaties een
beschrijving geeft van bestaande personen en gebeurtenissen, maar dat op
zodanige wijze doet dat een goed op de hoogte zijnde lezer deze maskering
doorziet. Bepaalde aanwijzingen werken in een dergelijke roman als
‘sleutel’ voor de ontraadseling van het fictieve. Soms wordt deze
‘sleutel’ zelfs afzonderlijk gegeven. De charme van de sleutelroman
bestaat bij de gratie van de door de auteur bedoelde relatie tussen fictieve
personages en bestaande figuren. In een roman als Het land van
herkomst (1935) van
E. du Perron kan men tal van personages
terugvoeren op mensen uit Du Perrons vriendenkring (bijv. Wijdenes =
Ter Braak), maar het is zeer de vraag of
hier niet eerder sprake is van de gebruikelijke fictionalisering van de
werkelijkheid dan van een door de auteur als zodanig bedoelde sleutelroman.
Niemand zal De Kapellekensbaan (1953) van
L.P. Boon een sleutelroman noemen, ook al
weten we bijv. dat achter prof. spothuyzen Prof. Dr.
Herman Uyttersprot schuil gaat. De
auteursintentie speelt blijkbaar een doorslaggevende rol in de benoeming tot
sleutelroman.
Goede voorbeelden van sleutelromans zijn Vincent
Haman (1898) van
W.A. Paap, waarin achter verzonnen namen
veel Tachtigers schuilgaan, De koekoek in de klok (1969) van
Judicus Verstegen over het toenmalige
universitaire milieu, en
J.J. Voskuils Het
Bureau (1996-...) dat speelt op het P.J. Meertens-Instituut.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; BDI; Best; Cuddon; Gorp; Hiller;
Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; J. Grootaers.
Maskerade der muze (1954). [G.J. van Bork]
| |
slinkrijm
Een term die historisch onjuist is, maar bij sommigen gebruikt
wordt voor die vorm van
rijm waarbij een beperkende herhaling van
klanken optreedt, zoals in ‘Blijf bij me, bij me’ (M. Nijhoff.
VG, 1995, p. 142). Slinkrijm is in die zin de tegenhanger van
groeirijm.
LIT: Bronzwaer. [G.J. Vis]
| |
smaadschrift zie
pamflet-2
| |
smaak
Onderscheidingsvermogen ten aanzien van kunst en literatuur
speciaal met betrekking tot het waarderen en scheppen ervan. In de
retorica speelt de smaak een belangrijke
rol, vooral in het onderdeel van de
elocutio. In de 18e en 19e eeuw is smaak een
eigenschap die vooral de esthetische (esthetica)
vormgeving betreft, gezien naast en tegenover het talent of de
genie; bij dit laatste ligt het accent meer
op de innerlijke gesteldheid van de kunstenaar en diens gevoel voor wat men
verheven noemt. De smaak is basis van het
oordeel, waarmee het vaak in
één adem wordt genoemd (canon-1).
Een belangrijke impuls tot het onderzoek van de smaak ging uit van
L.L. Schücking (1878-1964). Hij wees op het subjectieve karakter van alle
oordelen: literatuurgeschiedenis moet derhalve een smaakgeschiedenis worden
(smaaksociologie als onderdeel van de
literatuursociologie). Met zijn vraag
‘Wie las wat en waarom’ liep Schücking vooruit op het latere
onderzoek van G.W. Huygens (1946) en B. Luger (1986), waarin ook veel aandacht
gegeven wordt aan de rol van de
conventie in het literaire verkeer. Recent
onderzoek van P. Bourdieu sluit in zoverre aan bij dat van Schücking dat
ook Bourdieu beweert dat smaak niet is aangeboren maar wordt gevormd in het
sociale verkeer. Hij richt zich vooral op het onderwijs en de uitgeverij als
smaakbepalende instituties.
Voor zover het smaakonderzoek gebruik maakt van
enquêteringstechnieken, is het verwant aan de empirische
receptie-esthetica.
LIT: Fowler; Gorp; Lodewick; Preminger; Shipley; Wilpert; L.L.
Schücking. Die Soziologie der literarischen Geschmacksbildung
(1923; 19613); G.W. Huygens. De Nederlandse auteur en zijn
publiek (1946); P. Bourdieu. La distinction (1979); G. van Bork
& N. Laan (red.). Twee eeuwen literatuurgeschiedenis (1986), p.
33-35; B. Luger. ‘Wie las wat in de negentiende eeuw?’, in: W. van
den Berg en P. van Zonneveld (red.). Nederlandse literatuur van de
negentiende eeuw (1986), p. 46-68; N.Laan. ‘De sociologie van de
literaire smaak’, in: Literatuur 8 (1991), 1, p. 21-29; J.
Oosterholt. ‘De smaak voor het “reële”; opvattingen over
de nationale smaak in een aantal poëtische verhandelingen uit de laatste
decennia van de achttiende eeuw’, in: Nederlandse Letterkunde 2
(1997), p. 338-349; N. Laan. Het belang van smaak. Twee eeuwen academische
literatuurgeschiedenis (1997). [G.J. Vis]
| |
smartlap
Een rijkelijk met sentiment geladen
levenslied. De wat ironische term smartlap
stamt uit de jaren '60 en wordt gebruikt voor elk sentimenteel volks- of
cabaretlied (cabaret). De bekendste Nederlandse zangers
van smartlappen zijn de Zangeres zonder Naam,
Tante Leen,
André Hazes, Gert en Hermien, en
in België
Zwarte Lola.
De smartlap, met thema's als verloren onschuld, de gestorven
moeder, de dronken vader e.d., is veelvuldig gepersifleerd in cabaretteksten
van o.m.
Drs. P.,
Hans Verhage en
Paul van Vliet.
Lucebert schreef speciaal voor de
Zangeres zonder Naam een smartlap.
LIT: Hermine Heijermans. Snikken en smartlapjes (1976).
[G.J. van Bork]
| |
snede
Begrip uit de hoofse lyriek voor de scheiding tussen
kop en
staart in de strofe van een 13e-eeuws hoofs
minnelied-1. De snede maakt evenals de
stol deel uit van het
tripartition, zoals dat in de
Middelnederlandse lyriek werd toegepast door
Hadewijch (zie voor een voorbeeld:
tripartition).
LIT: N. de Paepe. Grondige studie van een Middelnederlandse
auteur. Hadewijch. Strofische gedichten, 2 dln. (19722), deel
Studie, p. 39-43. [H. Struik]
| | | |
snijwit
Term uit de typografie voor de buitenmarge, dus het gedeelte van
de
pagina dat zich op een rechter pagina van
een
opening rechts van de
zetspiegel bevindt en op een linker pagina
links van de zetspiegel. Het snijwit blijft over nadat de binder het boekblok
heeft afgesneden. De andere marges heten
kop-,
rug- en
staartwit.
LIT: BDI; Hiller; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 149-151. [P.J. Verkruijsse]
| |
sociaal lied
Lied of gedicht waarin sprake is van
sociale betrokkenheid. Als zodanig is sociaal lied een benaming voor
verschillende soorten teksten variërend van
kerklied tot protestsong, maar doorgaans
reserveert men de term voor die soort van poëzie waarin mensonwaardige
toestanden bekritiseerd worden. Grote bloei kende dit sociale lied sinds het
laatste kwart van de 19e eeuw, allereerst bij socialistische auteurs als
H. Gorter en
H. Roland Holst-Van der Schalk, later
bij dichters als
K. Speenhoff (levenslied),
J. van der Merwe,
J. Boerstoel,
Freek de Jonge (cabaret) e.a. Een specifieke vorm van het genre is de
arbeiderspoëzie.
Door de maatschappijkritische inhoud is het sociale lied verwant
aan de
sociale roman, maar deze verschilt ondere
andere doordat hij al eerder in de 19e eeuw (
V. Hugo e.a.) tot bloei kwam, voordat de
socialistische beweging in georganiseerde vorm gestalte kreeg.
LIT: Best; Lodewick; Metzler; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
sociale literatuur
Literatuur die inhoudelijk bepaald wordt door het feit dat er een
beschrijving in wordt gegeven van de levensomstandigheden en problemen van de
minder bedeelde klassen van de samenleving met de bedoeling aandacht te vragen
voor die bevolkingsgroepen om verbetering van hun positie te
bewerkstelligen.
Doorgaans spreekt men van sociale literatuur wanneer er geen
duidelijk politiek (socialistisch of communistisch) standpunt in wordt
ingenomen. Dat maakt het begrip sociale literatuur minder tijdgebonden waardoor
men van dit soort literatuur dan ook in de gehele literatuurgeschiedenis
voorbeelden kan aanwijzen. Bovendien komt sociale literatuur in allerlei vormen
voor, zowel in poëzie (sociaal lied) en proza als
in drama.
Niettemin kan men in de 19e eeuw, met de opkomst van het
fabrieksproletariaat en de verpaupering in de grote steden, een sterke toename
van dit type literatuur constateren. Zo wordt het werk van
Charles Dickens tot de sociale
literatuur gerekend en bij ons het werk van
J.J. Cremer, o.a. diens Anna
Rooze (3 dln., 1868) en
Betuwsche novellen (2 dln., 1856),
maar vooral zijn voordracht Fabriekskinderen (1863). Ook
een novelle als Blaauwbes, Blaauwbes! (1845) van
E.J. Potgieter kan als een voorbeeld
gelden. Voor deze 19e-eeuwse literatuur is echter de aanduiding idealistisch of
sociaal-realisme als periodebegrip te preferen.
Met de opkomst van het marxisme en socialisme ontstaat steeds
nadrukkelijker een situatie waarin auteurs politiek stelling nemen. Dat leidt
ertoe dat men het werk van veel marxistische auteurs eerder zal aanduiden met
de term
socialistisch realisme, terwijl het werk van
arbeiders zelf
proletarische literatuur genoemd wordt.
LIT: Best; Laan; Metzler; Wilpert; K. Grafert. Die soziale
Frage in Literatur und Kunst des 19. Jahrhunderts (2 dln., 1973). [G.J. van
Bork]
| |
socialistisch realisme
Literatuuropvatting die gebaseerd is op uitlatingen van
Marx,
Engels en
Lenin over literatuur en
realisme-2 en die uiteindelijk werd
vastgelegd op het Russische schrijverscongres van 1934 in een door de
Communistische Partij algemeen gedragen standpunt.
Opvattingen over literatuur zijn door Marx en Engels maar terloops
en summier geformuleerd. Het duidelijkst op dit punt is wellicht nog Engels
geweest in zijn brief aan
Margaret Harkness: ‘Realisme
betekent, mijns inziens, behalve waarheidsgetrouwheid van de details, ook de
getrouwe weergave van typerende (typische) karakters onder typerende (typische)
omstandigheden’ (april 1888). De nadruk ligt in dit citaat op het
typerende dat uit de werkelijkheid zal moeten worden afgeleid en dat door
latere interpretatoren steeds opnieuw zal worden aangewezen als het meest
elementaire beginsel van het socialistisch realisme. Personages moeten
bijvoorbeeld typerend (= representatief) zijn voor de klasse waartoe zij
behoren en hun handelingen dienen plaats te vinden in de typerende
omstandigheden van een bepaald historisch moment in de ontwikkeling van de
maatschappij.
Voor Marx en Engels, en later voor
Lukàcs, is kunst in principe nog
vrij. Door hen wordt aan de kunst nog geen richtinggevende functie toegekend,
maar veeleer een bewustmakende. Dat verklaart ook waarom Lukàcs een
auteur als
Balzac zo hoog aanslaat. Ondanks zijn
afkomst schreef Balzac op niet-marxistische, maar waarheidsgetrouwe wijze over
klassen van personages, waarbij veel van de maatschappelijke verhoudingen
inzichtelijk wordt voor de lezer.
Bij
Lenin komt de literatuur steeds meer
terecht in een partij-ideologisch kader: ‘De literaire werkzaamheid moet
een bestanddeel worden van het georganiseerde en planmatige, verenigde
sociaal-democratische partijwerk’. Ook bij hem blijkt de partij het meest
gediend met beschrijving van typerende verschijnselen die iets laten zien van
de wetmatigheid van sociale ontwikkelingen.
In de praktijk hebben deze opvattingen geleid tot het uitsluiten
en onderdrukken van tal van literaire ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld die
van het
modernisme (
Chlebnikov,
Majakowski) en van het
Russisch formalisme. Alleen
propagandistische literatuur, met een positieve held, functionerend in de
strijd voor socialistische vooruitgang, kon als socialistisch-realistisch
worden gewaarmerkt.
Pas nadat de communistische partij in de Sovjet Unie
haar totalitaire structuur had gekregen (rond 1927) en daarmee vrijwel alle
levensgebieden in haar greep kreeg, werd ook de literatuur onderworpen aan de
eisen die de partij eraan stelde. Op enkele schrijverscongressen kreeg het
socialistisch realisme steeds meer een voorgeschreven functie. Het begrip
socialistisch realisme werd pas in 1932 door
I. Gromski op het schrijverscongres van
1932 ingevoerd, ongeveer gelijktijdig met Stalins formulering over de schrijver
als ‘ingenieur van de menselijke ziel’. Op het schrijverscongres
van 1934 in Moskou werd het socialistisch realisme als volgt
gedefinieerd: ‘Het socialistisch realisme, dat de essentiële methode
is van de Russische literatuur en literaire kritiek, verlangt van de kunstenaar
waarheidsgetrouwe, historisch concrete weergave van de werkelijkheid in haar
revolutionaire ontwikkeling. Waarheidsgetrouwheid en historische concreetheid
in de weergave door de kunstenaar moet verbonden worden met de ideologische
levenshouding en opvoeding van de werkenden in de geest van het
socialisme’. Aanpassing aan deze normen - en soms zelfs de adaptatie van
vroeger werk - kenmerkt de ontwikkeling van de literatuur in de hierop volgende
jaren in de Sovjet Unie. In feite werd de literatuur hiermee in dienst gesteld
van de partij. Waarheidsgetrouwe voorstelling moet leiden tot een verklaring
van en een oordeel over de beschreven werkelijkheid vanuit een
marxistisch-leninistische beschouwingswijze en moet tevens de onontkoombaarheid
van de toekomstige sociale ontwikkelingen in positieve zin beschrijven. Men
spreekt in het Westen dan ook van ‘vulgair-marxisme’ vanwege het
propagandistische van deze literatuur. Niettemin werd dit Sovjetrussische
standpunt over literatuur ook door de communistische partijen in het Westen
lange tijd gehuldigd. Toch mag men dit standpunt niet identificeren met het
communisme als zodanig. Er zijn tal van communisten geweest die zich tegen deze
literatuuropvatting hebben afgezet en die gezocht hebben naar socialistische
alternatieven. In dit verband moet de methodediscussie genoemd worden tussen
Lukàcs,
Brecht en
Adorno. Brecht huldigde de opvatting dat
men niet naar het verleden moest kijken, maar vooruit. Hij was een voorstander
van een modernistische reactie op de bestaande werkelijkheid. Ook Adorno was
een voorstander van moderne technieken in de literatuur, omdat die beter dan de
bestaande literaire technieken de tekortkomingen van de samenleving konden
blootleggen. Ook binnen de Sovjet Unie bestond kritiek op het voorgeschreven
socialistisch realisme. De schrijver
Andrej Sinjavski (pseud.
Abraham Terts) wees op de impliciete
strijdigheid van een realismeopvatting die zowel de werkelijkheid als
uitgangspunt heeft als de toekomstige heilstaat moet beschrijven. Na het 20e
Communistische Partijcongres schreef hij het essay Wat is
socialistisch realisme? (Nederlandse vertaling 1971), waarin hij de
parallellie met het classicisme aanwees en waarin hij een pleidooi hield voor
het groteske en fantastische. Het kwam hem met zijn andere geschriften op zeven
jaar dwangarbeid te staan wegens anti-Sovjetpropaganda.
In Nederland heeft het socialistisch realisme nauwelijks een rol
van betekenis gespeeld in de literatuur zelf. Wel in de literaire discussie. In
tijdschriften als Nu en Links Richten kan men iets van de
opvattingen over het socialistisch realisme terugvinden, maar in zijn extreme
vorm is het ook daar nooit toegepast. Tijdens de democratiseringsperiode van de
Nederlandse universiteiten (in de jaren '70) speelde het begrip een rol in de
theoretische debatten over de
literatuursociologie als methode.
LIT: Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Krywalski; Metzler; MEW;
Wilpert; G. Lukàcs. Wider den missverstandenen Realismus (1958);
P. Demetz. Marx, Engels und die Dichter (1959); W. Iwanow. Der
sozialistischer Realismus (1965); E. Pracht und W. Neubert (red.).
Sozialistischer Realismus: Positionen. Probleme, Perspektiven. Eine
Einführung (1970); S. Kohl. ‘Der sozialistischer
Realismus’, in: Realismus. Theorie und Geschichte (1977), p.
146-172; M. Schipper. ‘Socialistisch realisme’, in: Realisme, de
illusie van werkelijkheid in literatuur (1979), p. 53-73. [G.J. van
Bork]
| |
Sofortkorrektur
Term uit de editiewetenschap voor een onmiddellijke verbetering in
een codex door een middeleeuwse kopiist tijdens het afschrijven of door een
auteur in een manuscript. In een codex kon de correctie - als de inkt nog niet
opgedroogd was - zonder veel problemen uitgevoerd worden. Zodra de inkt
opgedroogd was, moesten andere correctietechnieken (expungeren,
rasuur) toegepast worden. In een manuscript
is een Sofortkorrektur te herkennen aan het feit dat die direct na het
geschrapte gedeelte óp de regel is toegevoegd en niet als interlineaire
of marginale correctie. [wk/pv]
| |
soldatenlied
Lied door soldaten (vaak tijdens de mars)
gezongen. Een van de onderwerpen is uiteraard het vaderland (vaderlandslied). De toon is soms vrolijk, maar ook vaak
sentimenteel. Een van de oudste voorbeelden is het
volkslied-1 ‘De vier
Aymondskinderen’, beginnend met de regels:
Wat voor vijand durft ons naken,
Vier gebroeders op een peerd!
Iedser moet het vechten staken,
Als wij spelen met ons sweerd.
(Nederlands volkslied, z.j., p. 26 v.).
Een bekend soldatenlied uit de 20e eeuw is ‘Rats, kuch en
bonen; dat is het soldatendiner’.
LIT: Best; Wilpert. [G.J. Vis]
| | | |
soloecismus
Term uit de retorica voor een verkeerde volgorde van elementen in
een zin, een wanordelijke zinsstructuur. Deze kan bijvoorbeeld het gevolg zijn
van
barbarisme, zoals het anglicisme: ‘ik
denk ik ga weg’. Het resultaat is veelal
obscuritas. Soloecismen in bijzonder
taalgebruik kunnen de vorm hebben van
detractio,
adiectio,
gradatio of
transmutatio.
LIT: Best; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Scott;
Shipley; Wilpert. [P.J. Verkruijsse]
| |
somniarium
Contemporaine term voor een middeleeuws boek waarin dromen worden
verklaard. Dromen worden in de Middeleeuwen beschouwd als gevaarlijk en
geassocieerd met heidense riten en demonische verleiding; anderzijds kan een
droom goddelijk geïnspireerd zijn en de toekomst voorspellen. Deze
tweeslachtigheid vinden we terug bij middeleeuwse theologen. Een oorzaak
hiervan is dat de bijbel op een aantal plaatsen de (voorspellende) droom
positief waardeert (bijv.Genesis 37, 40, 41 en Daniel 2,
4, 7-8, 10-12), maar zich elders negatief over dromen uitspreekt
(Deuteronomium 18: 9-12).
Op basis van hun inhoud en wijze van verklaring zijn drie typen
somniaria te onderscheiden: 1) het eigenlijke somniarium waarbij de
voorspellingen gebaseerd zijn op de inhoud van de droom zelf: een bepaalde
droom voorspelt, onder alle omstandigheden en voor iedereen, dezelfde
gebeurtenis, bijv. als in een droom je tanden uitvallen, betekent dat de dood
van een verwant; 2) het droomalfabet, waarbij de mogelijke betekenissen
gekoppeld zijn aan de letters van het alfabet. De interpretatie van de droom
wordt bepaald door een willekeurig proces, ongeacht de inhoud van de droom:
vaak wordt de lezer gevraagd om de Vader, de Zoon en de Heilige Geest aan te
roepen en vervolgens het boek op een willekeurige bladzijde te openen. De
verklaring bij de letter op die bladzijde geldt voor alle dromen; 3) het
droomlunarium, waarbij de inhoud van de droom eveneens totaal
onbelangrijk is. De enige sleutel tot de betekenis van de droom is de maanstand
in de nacht van de droom: in die nacht betekenen alle dromen hetzelfde.
De oudste somniaria in het Latijn dateren uit de 9e eeuw; in de
11e eeuw verschijnen de eerste in de volkstaal. Een van de populairste
droomboeken in Europa was de Somniale
Danielis. Een Middelnederlands droomboek is het
Sompniarys van
Jacob van Maerlant, waarvan we het bestaan
alleen kennen omdat Van Maerlant het in de Historie van
Troyen als zijn werk vermeldt.
Somniaria zijn in handschriften en oude drukken vaak gecombineerd
met andere voorspellende teksten (prognosticatie), zoals
horoscopen, lijsten van gelukkige en ongelukkige dagen en voorspellingen die
gebaseerd zijn op de dag van de week waarop Nieuwjaar valt. Tegenwoordig wordt
het genre gerekend tot de
artes-literatuur.
LIT: S.F. Kruger. Dreaming in the Middle Ages (1992); F.P.
van Oostrom. ‘Sompniarys: Maerlants dromen geduid?’, in: H. van
Dijk e.a. (red.). In de zevende hemel. Opstellen voor P.E.L. Verkuyl over
literatuur en kosmos (1993), p. 63-67; F. van Oostrom. Maerlants
wereld (1996), p. 162-170. [H. Struik]
| |
sonnet, klinkdicht, klinker(d)(t) of
tuyter(t)
Term uit de leer van de dichtvormen voor een gedicht van veertien
verzen opgebouwd uit een
octaaf (vs. 1-8) en een
sextet (vs. 9-14). In de Italiaanse
renaissance ontstaat het ‘klassieke sonnet’, waarbij het octaaf is
opgebouwd uit twee
kwatrijnen en het sextet uit twee
terzinen. Tussen octaaf en sextet ligt de
volta, een overgangspunt tussen twee
tegengestelde delen. Zo kan het octaaf een beeld geven (figuurlijk) van datgene
wat in het sextet verbeeld wordt (letterlijk). Ook kan het sextet de uitwerking
geven van datgene wat in het octaaf geponeerd wordt.
Het
Italiaanse sonnet is geschreven in
elflettergrepige verzen en het heeft twee rijmklanken (a en b), het sextet twee
(c en d) of drie (c,d,e) andere. Het oorspronkelijke
rijmschema is abba abba cdc dcd. Later ging
men op allerlei wijzen variëren, vooral in het sextet.
In Frankrijk ontstond het Ronsard-type, dat onder
meer verschilde van het Italiaanse sonnet (Petrarca-type) doordat de regel
twaalfsyllabig was (alexandrijn).
Een speciale vorm heeft het
Shakespeareaans sonnet. Daarnaast
onderscheidt men het
Miltoniaans sonnet en het
Spenseriaans sonnet.
De oudste Nederlandstalige sonnetten vindt men in de 16e eeuw
(o.a.
Van der Noot en
Van Mander). In de 17e eeuw bouwt men
voort op de Franse traditie:
Vondel (hij spreekt van
‘klinkert’),
Hooft en
Roemer Visscher (die de term tuyter of
tuytert gebruikt) hanteren de alexandrijn. In de 18e eeuw raakt het genre in
onbruik, maar tijdens de romantiek bloeit het weer op. De Tachtigers maken er
een ware cultus van. Ze grijpen terug naar het Italiaanse type en vervangen de
alexandrijn door de vijfvoetige
jambe.
Kloos werd bekend door zijn
scheldsonnetten.
Sommige reeksen van sonnetten vormen een
sonnettencyclus of een
sonnettenkrans.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn;
Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Hobsbaum; Laan;
Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley;
Wilpert; W. Mönch. Das Sonett (1955); J. Fuller. The Sonnet
(1972). [G.J. Vis]
| |
sonnettencyclus
Reeks van samenhangende
sonnetten, soms in de vorm van een
sonnettenkrans.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Laan; Lodewick; MEW; Wilpert. [G.J.
Vis]
| |
sonnettenkrans
Aanduiding voor een bepaald soort
sonnettencyclus. Deze wordt gevormd door een
vijftiental
sonnetten. De beginregel van het tweede
sonnet is gelijk aan de slotregel van de eerste, de slotregel van het tweede is
gelijk aan de beginregel van het derde sonnet enz. Het vijftiende sonnet
bestaat uit de beginregels van de veertien eraan voorafgaande sonnetten.
Sommige dichters gebruiken de term sonnettenkrans in ruimere
betekenis voor elke
sonnettencyclus, zoals
J. Perk voor Een Helle-en
Hemelvaart (1881), bestaande uit tien sonnetten.
De sonnettenkrans in strikte zin is zeldzaam. Een sonnettencyclus
van
Fiore del Campo kreeg de titel
Een echte sonnettenkrans (1980), maar die
titel was niet terecht. Een echte sonnettenkrans is bijv. Koning van
Rome van
F.L. Bastet
(Catacomben, 1980, p. 8-22).
LIT: Best; Buddingh'; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Wilpert;
A.T.A. Heijting. Het boek der sonnetten (1911). [G.J. Vis]
| | | |
sotternie of sotheit
Contemporaine benaming voor een kort, kluchtig middeleeuws
toneelstuk. De gemiddelde lengte bedraagt ca. 200 versregels. Het is de vraag
of we sotheit en sotternie als een genreaanduiding moeten opvatten. Het ligt
meer voor de hand om er een aanduiding van de aard van de
stof in te zien (vgl. het
genus humile of de sermo humilis,
volkspreek, sermoen of
preek), zoals dat ook het geval lijkt te
zijn met abel en met
boerde. De term sotternie (sotheit) kennen
we alleen uit het handschrift-Van Hulthem, waarin de sotternieën, als
komische uitsmijter, volgen op de zgn.
abele spelen: Esmoreit
en Lippijn, Gloriant en
Die buskenblazer, Lanseloet en
Die hexe, Winter ende someren
Rubben. Deze verbinding moet, in ieder geval sinds de
opname in het handschrift-Van Hulthem, ook in de uitvoeringspraktijk bestaan
hebben, getuige het slot van de Gloriant:
1140
Nu swicht ende maect een ghestille
Men sal u ene sotternie spelen gaen.
en van de Lanseloet van Denemerken:
950
Nu biddic u allen dat gi wilt swigen
Ons voerspel dat es ghedaen
Men sal u ene sotheit spelen gaen.
Qua thematiek (huwelijk, ontrouw, overspel, geweld, rolpatronen,
sexualiteit e.d.) vertonen sotternieën grote overeenkomst met de boerden.
Zoals de boerde beschouwd kan worden als de ‘dorperse’ spiegel ten
opzichte van de
ridderroman, zo kan de sotternie gelden als
de niet-aristocratische tegenhanger van het hoofse, aristocratische abele spel.
Een jongere benaming, wél een genre-aanduiding, is clute, cluyt of
klucht (klucht-1).
LIT: Gorp; Laan; Metzler; MEW; C. Kruyskamp. De
middelnederlandse boerden (1957); De abele spelen, ed. L. van Kammen
(19692); F. van Meurs. ‘De abele spelen en de navolgende
sotternieën als thematisch tweeluik’, in: Literatuur 5
(1988), p. 149-156. [W. Kuiper/H. Struik]
| |
souter, psalter, psalterium of zouter
Gedurende de Middeleeuwen was het boek der Psalmen (psalm; Middelnederlands: souter of zouter; middeleeuws Latijn:
psalterium) het meest gelezen boek totdat het in de loop van de 14e eeuw door
het
getijdenboek verdrongen werd. Tot die tijd
was het psalter niet alleen voor geestelijken het belangrijkste gebedenboek -
wekelijks werden alle 150 psalmen op de vaste liturgische uren (de getijden)
gelezen of gezongen - ook voor leken was dit het geval, vandaar dat de psalmen
als een der eerste bijbelboeken in de volkstaal werden overgezet. De oudste
(Oudnederlandse) vertaling is die van de zgn. Wachtendonckse psalmen (ed.
Gysseling, in: Corpus van
Middelnederlandse teksten tot en met het jaar 1300, reeks II, dl.
I, 1980, p. 43-111). Andere vertalingen worden wel vermeld, maar zijn niet
bewaard gebleven. De oudste overgeleverde Middelnederlandse vertaling dateert
van ca. 1250-1300. Rond 1360 werden de psalmen voor een tweede keer integraal
in het Middelnederlands vertaald door de ‘vertaler van 1360’. Onder
invloed van de
Moderne Devotie vertaalde Johannes Scutken
omstreeks 1390 de psalmen voor een derde maal.
LIT: BDI; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Hiller; Laan; LdMA;
Metzler; MEW; Scott; Wilpert; Het psalter van Leningrad, ed. J.G.
Heymans (1973); A.S. Korteweg. Liturgische handschriften uit de Koninklijke
Bibliotheek (1983). [W. Kuiper]
| |
souterliedekens
Psalmberijmingen op bekende wereldlijke
melodieën uit de 16e eeuw, vooral bedoeld als
kerklied. Samensteller-vertaler was jonkheer
Willem van Zuylen van Nyevelt. De
liederen zijn zo getrouw mogelijke berijmingen van bijbelteksten en bevatten
slechts toespelingen op eigentijdse gebeurtenissen voor zover de bijbelwoorden
dat toelieten. Zij zijn een mengeling van oud en nieuw, met de nadruk op het
laatste. In 1540 werden de souterliedekens kerkelijk goedgekeurd en in
1556-1557 werden ze opgenomen in de Musyk-boecxkens van
Tielmann Susato.
De liederen werden in toenemende mate door de katholieke kerk
gewantrouwd vanwege het algemene gebruik door hervormingsgezinden, maar nooit
op de lijst van verboden boeken (index librorum
prohibitorum) geplaatst.
Van calvinistische zijde had men bezwaren tegen de souterliedekens
omdat de corresponderende bijbeltekst uit de Vulgaat-vertaling naast de
liederen werd afgedrukt en omdat men de binding met de bijbelteksten te zwak
vond. Bij hen verschenen dan ook nieuwe psalmberijmingen voor gemeentezang. De
eerste waren die van
Utenhove en
Datheen (1566), later gevolgd door de
vertaling van
Marnix (1580). De berijming van Datheen
werd door de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619) tot officiële
versie benoemd en was dit tot 1773. De meest behoudende stromingen binnen de
gereformeerde kerk (en dan vooral in Zeeland) gebruiken de
berijming van Datheen nog steeds.
Naast de souterliedekens circuleerden de zogenaamde
schriftuurlijke liedekens, die een
uitgesproken hervormd karakter hadden.
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; MEW; F. Scheurleer. De
souterliedekens. Bijdrage tot de geschiedenis der oudste Nederlandsche
psalmberijming (1898); E. Mincoff-Marriage (ed.). Zestiende-eeuwsche
Dietsche volksliedjes (19392); J. de Gier. Van de
souterliedekens tot Marnix. Stromingen en genres binnen de letterkunde der
hervorming in de zestiende eeuw (1987), p. 25-28, p. 103-132. [H.
Struik]
| |
spanning
Psychisch effect veroorzaakt door een reeks van aspecten die een
lezer of toeschouwer op zodanige wijze manipuleren dat er een sterke
betrokkenheid bij het vertelde of getoonde ontstaat en de lezer of toeschouwer
zo geboeid raakt in het verloop van de handeling dat hij of zij per se de
afloop ervan wil kennen. Spanning kan vaak worden toegeschreven aan
tegengestelde belangen of aan conflicten die in een tekst worden
beschreven.
Een van de manipulatietechnieken is het oproepen van vragen die
pas geleidelijk, soms pas aan het slot, beantwoord worden. In het bijzonder in
de
detectiveroman of de
thriller wordt de lezer in spanning gehouden
over de vraag wie de dader van een misdrijf is en wat de motieven en
omstandigheden van die daad geweest zijn. Maar ook het onder moeilijke
omstandigheden voldoen aan een opdracht kan spanning bij een lezer veroorzaken.
Hetzelfde geldt voor de vraag of twee gelieven elkaar uiteindelijk zullen
krijgen, of het goede zal worden beloond, of een vondeling zijn ouders
terugvindt e.d.
Spanning ontstaat vooral onder invloed van vermoedens van de lezer
over de mogelijke afloop. De onzekerheid over een verhoopte of gevreesde afloop
dragen tot de spanning bij en de auteur kan daartoe allerlei middelen
aanwenden. Hij kan informatie voorlopig achterhouden of vertraagd en gedoseerd
verstrekken (suspense), maar hij kan ook spanning
opbouwen door juist op bepaalde feiten vooruit te lopen met suggestieve
mededelingen van het type: ‘pas na enkele weken zou hij begrijpen wat
haar vertrek voor hem betekende’.
Ook door middel van het vertelperspectief kan spanning worden
veroorzaakt. Wanneer de lezer via het perspectief van één van de
personages meer over een gegeven situatie weet dan bijv. de hoofdpersoon,
ontstaat
dramatische ironie. Dat gebeurt bijv. in de
situatie waarin de inspecteur de lezer over de stand van zijn onderzoek heeft
geïnformeerd, maar de dader-hoofdpersoon nog niet weet wat de politie
inmiddels heeft achterhaald. Het perspectief roept ook in andere zin spanning
op. Het perspectief kan immers bepalend zijn voor het personage waarmee de
lezer zich het sterkst identificeert. De angstige onzekerheid over het lot van
dat personage wordt de angstige onzekerheid van de lezer, die dus in spanning
raakt.
Ook tijd en ruimte kunnen aan de spanning bijdragen.
Vertraging of retardering en vooruitwijzing
(anticipatie-1) zijn al ter sprake gekomen. Maar ook de
bekende race tegen de klok kan spanning opleveren, evenals het middernachtelijk
uur in
spookverhalen. Dat geldt ook voor
ruimtelijke verschijnselen als een verlaten landhuis of het verscholen liggende
klooster in de
gothic novel of de te overbruggen afstand
naar een reddingbrengend ontsnappingspunt in de
spionageroman.
Uiteraard spelen ook de taal en de stijl een rol in het
veroorzaken van spanning. Men hoeft daarbij maar te denken aan suggestief
taalgebruik of een gejaagde stijl in bepaalde tekstfragmenten. Het is niet goed
mogelijk een uitputtende opsomming te geven van spanningverwekkende elementen
in de literatuur, omdat ze daarvoor te talrijk zijn. Bovendien is spanning een
subjectief gegeven.
Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat spanning zich vooral
voordoet in epiek en drama, terwijl lyriek zich door gebrek aan tijdsverloop en
een eenzijdig perspectief minder leent voor het verwekken van spanning.
LIT: Abrams; Anbeek/Fontijn; Bergh; Boven/Dorleijn; Cuddon;
Fowler; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Prince; Scott; Shipley; Wilpert; W.J.M.
Bronzwaer. Tense in the novel (1970). [G.J. van Bork]
| |
spectator
Tijdschrift, meestal een weekblad, uit de
18e eeuw met - in het kader van de
verlichting - een
burgerlijk-didactisch-moraliserend karakter. Anders dan de daarvoor reeds
bestaande geleerdentijdschriften uit de
Republiek der Letteren en de nieuwsbladen en
satirische tijdschriften richten de spectatoriale geschriften zich op de
volksopvoeding. Dat gebeurt door middel van de fictieve figuur van de
Spectator, de beschouwende, filosofisch ingestelde, relativerende en amuserende
bedaagde vrijgezel die via (meestal fictieve) ingezonden brieven en
zedenschilderingen zijn publiek onderhoudt.
De spectator als genre ontstaat naar het voorbeeld van de Engelse
Tatler (1709-1711), Spectator (1711-1712) en Guardian
(1712-1713) van
Richard Steele en
Joseph Addison. In
Duitsland - waar de eerste spectator reeds in 1713-1714
verschijnt, nl.
Matthesons Vernünftler -
worden de spectatoriale geschriften ‘Moralische Wochenschriften’
genoemd. In Frankrijk heten ze ‘spectateur’, bijv.
Le Spectateur Français (1722). De eerste Nederlandse spectator is
wellicht de Examinator (1719-1721); de meest bekende is De
Hollandsche Spectator van
Justus van Effen die in 360 nummers
verscheen in de jaren 1731-1735 en herdrukt werd in 6 delen in 1756
(bloemlezing: Ernst en boert uit den Hollandschen Spectator van
Justus van Effen, z.j.; reprint dl. 1, ed.
Buijnsters, 1984).
In Nederland verschenen in de 18e eeuw meer dan honderd originele,
vertaalde en vreemdtalige spectatoriale geschriften, bijv. De Philosooph
van
Cornelis van Engelen, De Denker,
de Examinator van
Willem van Ranouw, De
Philanthrope, De Algemeene Spectator, De Babbelaar, De
Koopman, De Vrouwelijke Spectator. Een aantal daarvan fungeert als
een soort verenigingsblad van in die tijd opgerichte genootschappen van gegoede
burgers waarin de koffiehuisdiscussies over actuele (echter geen politieke,
maar wel ethisch-religieuze) onderwerpen aan de orde komen. De spectators
hebben een maatschappijbevestigende functie; het lezerspubliek moet dan ook
onder de bourgeoisie gezocht worden. Omstreeks 1780 wordt de rol van de
spectator overgenomen door enerzijds de moraliserende
roman en anderzijds door meer politiek
geïnteresseerde patriottische bladen.
LIT: Gorp; Laan; MEW; Scott; J. Hartog. De spectatoriale
geschriften van 1741-1800 (18902); P.J. Buijnsters.
Spectatoriale geschriften (1991). [P.J. Verkruijsse]
| | | |
speelhandeling
Term uit de dramaturgie, waarmee men één van de twee
aspecten van de
handeling aanduidt, nl. de afzonderlijke
gebeurtenissen op het toneel zoals die door de acteurs worden voltrokken, dus
het spreken, de mimische handelingen, het verplaatsen van attributen etc. Tot
de speelhandeling behoren niet de typisch materiële gebeurtenissen op het
toneel, zoals het rinkelen van de bel of het voorbijrijden van een trein.
Speelhandelingen vormen de delen van het zich concreet voltrekkende verloop van
het drama. De speelhandeling is afgesloten als de handeling haar resultaat
heeft bereikt of wanneer ze door een andersgerichte handeling wordt
gevolgd.
LIT: J.I.M. van der Kun. Handelingsaspecten in het drama
(19702). [G.J. van Bork]
| |
speelhuis
Begrip uit de
dramaturgie voor een aan alle vier de zijden
(meestal met gordijnen) afgesloten ruimte op het toneel van de
rederijkers. Het speelhuis is kleiner dan
het platform en er zodanig op geplaatst dat ervóór, en vaak ook
ernaast, ruimte overblijft. Als het toneelstuk dat vereiste, was het speelhuis
voorzien van een bovenverdieping.
Het speelhuis had verschillende functies: als een
allegorisch
spel van zinne een
toog (tableau vivant)
bevatte, werd deze in het speelhuis opgesteld. Daarnaast werd het speelhuis
gebruikt om 1) aan de handeling op het voortoneel een tweede toe te voegen die
zich tegelijkertijd, maar op een andere plaats afspeelde; 2) om het spel te
laten verspringen naar een andere plaats van handeling en daar voort te zetten
met (grotendeels) andere personages, of 3) om het voortoneel te vergroten door
er een compartiment aan toe te voegen dat er aanvankelijk geen deel van
uitmaakt; tussen beide ruimtes bestaat dan continuïteit, zodat de
personages de grens in woord en daad kunnen overschrijden.
LIT: W.M.H. Hummelen. ‘Typen van toneelinrichting bij de
rederijkers’, in: Studia Neerlandica 1 (1970-1971), p. 59-109;
W.M.H. Hummelen. ‘Het tableau vivant, de “toog”, in de
toneelspelen van de rederijkers’, in: TNTL 108 (1992), p. 193-222;
B.A.M. Ramakers. Spelen en figuren (1996). [H. Struik]
| |
speelmanspoëzie
Verzamelnaam voor een groep Duitse epische gedichten uit de 12e en
13e eeuw. Het genre neemt een eigen plaats in tussen de geestelijke literatuur
en hoofse romans door de aanwezigheid van bepaalde stofelementen, motieven en
stilistische kenmerken en een lossere structuur. Kenmerkend zijn bovendien een
wereldse houding, de aanwezigheid van humor en een nauwere band tussen dichter
en publiek. Als men zich bij de definiëring niet beperkt tot de 12e en 13e
eeuw, valt ook de poëzie van
Aernoutsbroeders en
vaganten onder de speelmanspoëzie.
LIT: Best; Buddingh'; Laan; Metzler; MEW; W.J. Schröder
(red.). Spielmannsepik (1977). [H. Struik]
| |
spektakelstuk
Dramavorm waarin het accent sterk op het spectaculaire van de
handeling ligt. Door technische hulpmiddelen kan een snelle decorwisseling
bereikt worden en met
kunst en vliegwerk kunnen de meest
ingewikkelde vertoningen gerealiseerd worden. Ook inhoudelijk worden deze
stukken bepaald door het spectaculaire: gruwelijkheden, rampen, sterke
tegenstellingen e.d. bepalen de hoofdinhoud. De term wordt vanwege het
effectbejag van dit soort drama vaak in pejoratieve zin gebruikt. In feite is
het een literair-kritische term.
Een van de bekendste Nederlandse auteurs van spektakelstukken is
Jan Vos. Diens
Medea (1667), treurspel met ‘Konst- en
Vliegh-werken’ zoals de uitgever postuum aan de titel toevoegde, kon pas
gespeeld worden nadat de Amsterdamse schouwburg in 1665 verbouwd was en
geschikt gemaakt was voor toneel ‘à grande spectacle’ in
Italiaanse stijl.
LIT: Best; Wilpert; W.J.C. Buitendijk. Jan Vos toneelwerken
(1975), p. 343-347. [G.J. van Bork]
| | | | | |
spel van zinne, sinnespel of zinnespel
Overkoepelende benaming voor de drie typen belerende spelen uit de
15e en 16e eeuw die de
rederijkers beoefenden:
moraliteit,
mirakelspel en
mysteriespel. Het spel van zinne heeft zijn
naam te danken aan de
zinspreuk-1 waarin de boodschap (zin) die in het stuk besloten lag, was samengevat.
De rederijkers zelf duidden met spel van zinne alleen die stukken
aan, waarin geen bijbelse figuren of heiligen optraden zoals in het
mysteriespel of het mirakelspel, en die ook wat minder religieus getint waren.
Deze stukken worden meestal aangeduid als moraliteit. De term moraliteit komt
echter niet voor in manuscripten of drukken van de spelen, wel in andere
bronnen.
Kenmerkend voor het spel van zinne is een
allegorie waarin eigenschappen
gepersonifieerd worden. Aanvankelijk betreft de allegorie vaak concrete zaken,
maar in de 16e eeuw treden abstracte begrippen, zoals ‘Ghelove’,
‘Duecht’, ‘Waerheijt’ en ‘Licht’, steeds
vaker gepersonifieerd op de voorgrond. Vaak zijn de personificaties
zinnekens: zinnebeeldige figuren met een
negatief karakter, die handelend optreden en die de hoofdpersoon beproeven.
Het spel van zinne krijgt in de loop van de 16e eeuw een min of
meer vaste vorm: een oneven aantal taferelen of bedrijven, in de regel
voorafgegaan door een
proloog. Meestal bevat een zinnespel ook een
tableau vivant (toog), soms meer.
LIT: Gorp; Laan; Metzler; J.J. Mak. De rederijkers (1944),
p. 45-78; J.B. Drewes. ‘Het interpreteren van godsdienstige spelen van
zinne’, in: Jaarboek ‘De Fonteine’ 29 (1978-1979), dl.
1, p. 5-124; W.M.H. Hummelen. ‘The dramatic structure of the Dutch
morality’, in: The medieval drama of the Low Countries, spec. nr.
van Dutch Crossing (1984) 22 (april), p. 17-26; D. Coigneau.
‘Rederijkersliteratuur’, in: M. Spies (red.). Historische
letterkunde. Facetten van vakbeoefening (1984), p. 35-57; M. Spies.
‘“Op de questye ...”: Over de structuur van 16e-eeuwse
zinnespelen’, in: NTg 83 (1990), p. 139-150; A. van Elslander.
‘Letterkundig leven in de Bourgondische tijd. De Rederijkers’, in:
Terugblik (1986), p. 9-25; B.A.M. Ramakers. Spelen en figuren
(1996). [H. Struik]
| | | |
Spenseriaans sonnet
Sonnet geschreven in de vijfvoetige
jambe met het
rijmschema ababbcbccdcdee, voor het eerst
toegepast door
Edmund Spenser in The faerie
queene (1590).
Octaaf en
sextet, niet door een witregel gescheiden,
worden dus door een rijmklank (c) verbonden.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Morier; Myers/Simms; Preminger;
Scott. [G.J. Vis]
| |
Spenseriaanse stanza
Dichtvorm verwant aan de
stanza voor het eerst toegepast door
Edmund Spenserin The faerie
queene (1590). De strofe bestaat uit negen regels: de eerste acht
vijfjambisch (jambe), de laatste regel zesjambisch. Het
rijmschema is ababbcbcc. Een van de zeldzame
voorbeelden in de Nederlandse letterkunde is de Spenseriaanse stanza van
W. Kloos toegepast in zijn, uit twintig
strofen bestaande, gedicht ‘Dieper levensinkijk’, waarvan de
slotstrofe luidt:
Alles scheen weg te zullen vagen, wat
Ons leven was naast Liefde en Kunst. O, Ware,
Ja, kalm-waar-Groote, Leven-mijn, Gij Schat,
Om 't diep-in-Schoone van Uw Zielzijn, Klare,
Die voelend zaagt àl dingen als zij waren....
Laat mij U wijden - 'k heb niet veel - dit kleen
Geschenk - het is mijns levens beste - en varen
We dan weer verder, zooals steeds, getwêen
Naar 't blijde scheemren, hoop ik, verrer Toekomst heen.
(
K.H. de Raaf. Willem
Kloos, 1934, p. 268).
LIT: Abrams; Baldick; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
speurdersroman zie
detectiveroman
| |
spiegel of speculum
Contemporaine benaming voor de didactisch-moraliserende
(laat)middeleeuwse literaire tekst die tot doel heeft de (zelf)kennis van de
mens te vergroten (didactische literatuur).
In de 13e en 14e eeuw is een spiegel een didactisch werk waarin op
begrijpelijke wijze behandeld wordt wat leken over onderwerpen als
geschiedenis, theologie en zedenleer moeten weten, bijv.
Jacob van Maerlants Spiegel
historiael (ed.
De Vries en
Verwijs, 1861-1879) en
Jan van Boendales Der Leken
Spieghel (ed. De Vries, 1844-1848).
Vanaf de 15e eeuw wordt het begrip vooral gehanteerd ter
aanduiding van werken die het zelfinzicht van de mens moeten vergroten. In
theorie kan deze ‘ken u zelf’-gedachte leiden tot zelfverachting en
zelfs wereldverachting, maar in de praktijk fungeert dit denkbeeld voornamelijk
als tegenwicht tegen de hoogmoed, die vaak als de grootste van de zeven
doodzonden wordt gezien. De mens wordt in de spiegel-teksten niet opgeroepen
tot zelfverachting of wereldverachting, maar tot het relativeren van het eigen
handelen; met andere woorden om te leven en te werken binnen de grenzen van het
redelijke en rechtvaardige. Het einddoel hierbij is het bereiken van het
hemelse geluk.
Geschriften met het woord ‘spiegel’ in de titel werden
in de 15e en 16e eeuw zo populair, dat bijna elk belerend of stichtelijk werk
zo kwam te heten, bijv. de Spiegel der minnenvan
Colijn van Rijssele (ed.
Immink, 1913) en Den spieghel
der salicheit van Elckerlijc (ed.
Vos, 1967). Enkele 14e-eeuwse werken die
tegenwoordig bekend zijn onder een dergelijke titel, zoals
Jan Praets Spieghel der
wijsheit (ed.
Bormans, 1872) of de anonieme
Spieghel der sonden (ed.
Verdam, 1900-1901) danken hun naam vaak
aan latere uitgevers.
De term spiegel wordt tot aan het einde van de 17e eeuw gebruikt,
bijv. de Spiegel van 't menschelyc bedryf (1694) van
Jan Luyken.
LIT: Best; Brongers; Laan; Metzler; Wilpert; P. Bange. Spiegels
der christenen. Zelfreflectie en ideaalbeeld in laat-middeleeuwse
moralistisch-didactische tractaten (1986). [H. Struik]
| |
spiegeltekst zie
mise-en-abyme
| | | |
spionageroman
Roman gewijd aan een al dan niet fictief geval van spionage,
meestal gesitueerd in een land waarmee op het moment van ontstaan werkelijk
vijandelijkheden bestaan of bestaan hebben. De
spanning van deze romans berust op het feit
dat de spion zijn missie - meestal het verkrijgen van inlichtingen - op
vijandelijk grondgebied dient uit te voeren en dus aan voortdurend gevaar
onderhevig is. Vanwege de aldus opgeroepen spanning rekent men de spionageroman
wel tot de
thrillers. In feite zijn het tevens
avonturenromans, waarvoor voorbeelden
gevonden kunnen worden in
Anthony Hope's The prisoner of
Zenda (1894) en
Baroness Orczy's The scarlet
Pimpernel (1905). Bekende schrijvers van spionageromans en verhalen
zijn
Len Deighton en
John le Carré.
InNederland schreef
H.J. Oolbekkink spionageromans met een
ironisch accent: Gifbeker voor een wereldstad (1966) en
Afrekening voor een tiran (1966).
LIT: BDI; Cuddon; Gorp; J. Symons. Moord en doodslag. Een
geschiedenis van het misdaadverhaal (1976). [G.J. van Bork]
| |
spondee of spondeus
Term uit de prosodie voor een tweelettergrepige
versvoet die in de
hexameter of
pentameter op sommige plaatsen kan voorkomen
ter vervanging van de
dactylus. In principe zijn beide syllaben
van de spondee even prominent (accent). Het is de vraag
of er een tweesyllabig Nederlands woord bestaat dat aan deze klankverhouding
beantwoordt, maar men zou wellicht kunnen denken aan het woord
‘tweeklank’.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh';
Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Wilpert. [G.J.
Vis]
| | | |
spookverhaal
Bijzondere vorm van de
fantastische literatuur waarin
bovennatuurlijke verschijningen, meestal geesten van overledenen, een
belangrijke rol spelen. Soms worden dergelijke verschijningen uiteindelijk
binnen de tekst rationeel verklaard, maar meestal gebeurt dat niet.
Er zijn twee typen spookverhalen, de (mondeling) overgeleverde of
folkloristische verhalen en de creatieve spookverhalen (vgl. in dit verband de
tegenstelling tussen volkssprookje en cultuursprookje). Het folkloristische
spookverhaal kent een lange traditie die berust op het geloof aan
bovennatuurlijke verschijningsvormen, zoals monsters, duivels, heksen,
spookdieren (vampiers, weerwolven e.d.), vuurmannen etc. Deze verhalen zijn
doorgaans anoniem en berusten op onverklaarbare of onverklaarde historische
gebeurtenissen. Een beroemd en veel bewerkt folkloristisch spookverhaal is dat
over de Vliegende Hollander, door talloze kunstenaars bewerkt of verwerkt tot
creatief spookverhaal (
Coleridge,
Captain Mareyat,
Longfellow,
Hauff,
Heine,
Wagner e.a.). In Nederland maakten o.m.
Marsman,
Vestdijk, Last en
Biesheuvel gebruik van het gegeven.
Cultuur- of creatieve spookverhalen spelen een rol in het werk van
Shakespeare
(Hamlet, MacBeth, Richard
III) en
Hooft (Geraerdt van
Velsen, 1613). Met de opkomst van de romantiek ontstond het
literaire klimaat waarin het spookverhaal een nieuwe impuls kreeg. Niet alleen
werden tal van folkloristische spookverhalen verzameld en opgetekend, maar
bovendien legden veel auteurs zich op het genre toe:
Hoffmann,
Hauff,
Dickens e.v.a. Er is bovendien een
duidelijke relatie met de opkomst van de
gothic novel. Het decor voor deze verhalen
wordt evenals in het spookverhaal gevormd door de oorspronkelijke
verblijfplaats van een vermoorde, een galgenveld of andere angst of huiver
oproepende omgevingen. Bovendien is het middernachtelijk uur dikwijls het
geijkte moment voor de verschijning van geesten (vgl.
K.H. Spiesz. Het spook, of de
klok om middernacht, 1819).
In het begin van de 19e eeuw werden veel oorspronkelijke of
vertaalde spookverhalen uitgegeven. Van
S.C. Wagener verscheen
Spookerijen. Korte vertellingen uit het rijk der waarheid
(vertaald uit het Duits, 6 dln., 1798-1803, herdrukt in 1810). Van
Alexander Dumas werd in 1849 in vertaling
Duizend en een spookverschijningen in 2 delen uitgegeven.
Oorspronkelijk Nederlands is van
A. Cramer Het
Rijnspook (1832). Een zekere populariteit kregen de bloemlezingen
van
B. Jessurun Lobo: Voor en na
middernacht (1949) en Nacht en ontij
(1956).
LIT: Best; Metzler; MEW; ‘Fantastische literatuur’,
spec. nr. van De Revisor 8 (1981) 5, met bibl. [G.J. van Bork]
| |
spotlied
Lied met satirische inhoud waarin afwijkend menselijk gedrag wordt
geridiculiseerd en bekritiseerd. Het spotlied maakt in de Middeleeuwen deel uit
van het repertoire voor de
vastelavondviering (spotmandement,
spotsermoen) en is een uiting van de zich
sinds de 14e eeuw ontwikkelende burgermoraal, die alles wat daarmee niet in
overeenstemming is, onderbrengt in een omgekeerde, zotte wereld. Een van de
middelen daartoe is de
standensatire, waarin als standen verbeelde
onmaatschappelijke groeperingen worden afgekeurd of op ironische wijze
geprezen. Ook spotliederen gaan vaak over als groep of als individu
gepersonifieerde ondeugden, waarbij bijv. geile monniken of meisjes van lichte
zeden het moeten ontgelden. Een bekend spotlied is Het Kerelslied,
waarin de boeren belachelijk worden gemaakt (in: De Nederlandse
poëzie van de 12de tot en met de 16de eeuw in 1000 en enige
bladzijden, ed.
Komrij, 1994, p. 222-224).
Het middeleeuwse spotlied heeft dikwijls de vorm van een
refrein-2.
De rederijkers plaatsen refreinen in het zotte tegenover refreinen
in het vroede; scherts tegenover ernst. Bij refreinen in het zotte zijn de
geestelijk belastende, maar regulerende religieuze en morele conventies die in
het dagelijks leven noodzakelijk zijn, uitgeschakeld. Ook zijn er liedteksten
die het zotte zelf als onderwerp hebben en expliciet de werkelijkheid als
zotheid beoordelen, waardoor het zotte een ernstige ondertoon krijgt.
Na de Middeleeuwen krijgen door
marskramers en liedjeszangers als
pamflet-2 verspreide spotliederen een meer
persoonlijk karakter. Het blijkt altijd weer te gaan om smaad en belediging
binnen het vigerende systeem van eer en schande, zoals in het waarschijnlijk in
1633 te Dordrecht werkelijk gebeurde geval dat
Jacob Cats behandelt in
Liefdes vossevel, of de affaire in 1661 in
Amsterdam tussen
Gabriel de Lalande en de haar trouwbelofte
brekende
Elisabeth l'Estevenon, of de ruzie tussen
de twee medici
Boekelman en
Dortmont die vanaf 1656 tot 1678 in
Amsterdam wordt uitgevochten.
LIT: Hiller; Laan; MEW; D. Coigneau. Refreinen in het zotte bij
de Rederijkers. 3 dln. (1980-1983); H. Pleij. Het gilde van de Blauwe
Schuit. Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen
(19832); J.W. Bonda. ‘Zotheid in muziek. Composities met zotte
tekst in de zestiende eeuw’, in: F. Willaert e.a. (red.). Een zoet
akkoord. Middeleeuwse lyriek in de lage landen (1992), p. 268-286; L.P.
Grijp. ‘Spotliederen in de Gouden Eeuw’, in: A. Keunen en H.
Roodenburg (red.). Schimpen en schelden. Eer en belediging in Nederland, ca.
1600-ca. 1850, thema-nr. van Volkskundig Bulletin 18 (1992), nr. 3.
[H. Struik/P.J. Verkruijsse]
| |
spotmandement
Laatmiddeleeuwse parodie op een
oorkonde, edict, statuut, mandement enz.:
alle kerkelijke en wereldlijke rechtshandelingen kunnen geparodieerd worden.
Het genre is een vast onderdeel van de
vastelavondviering: met een spotmandement
wordt de tijdelijke omverwerping van de gevestigde orde door de vorming van een
zottenrijk tijdens de vastelavondfeesten bekrachtigd. De zottenvorst begroet
zijn onderdanen, maakt zijn hofhouding bekend en kondigt wetten en
verordeningen af die een gedrag vereisen dat het tegenovergestelde is van het
gewenste gedrag in de normale, geordende samenleving. De Eedt van
Meester Oom (1551) is een goed voorbeeld van de spelvormen die deze
teksten vertegenwoordigen: alle betrokkenen krijgen in het spotrijk een nieuwe
functie.
Het spotmandement wordt ook gebruikt om de statuten vast te leggen
van quasi-orden als het gilde van de Blauwe Schuit. In het mandement worden
nieuwe leden uitgenodigd om toe te treden tot het gilde. Die leden moeten wel
alles doen wat in het normale leven liederlijk en onproductief en daarom
bedreigend voor de geordende samenleving is: zuipen, vreten, nachtbraken,
gokken, vreemdgaan, luieren etc. Degenen die echt ernstige misdaden begaan
(bijv. dieven en moordenaars), worden echter uitgesloten. In deze spelvorm is
het spotgilde tijdens de vastelavondviering tijdelijk aan het bewind om
spanningen te ontladen, angsten uit te bannen, nieuwe regels te testen en
kritiek uit te oefenen door middel van de omkering van de bestaande normen en
waarden. De burgerij speelt de verbanning van alles wat haar bestaan bedreigt
door deze te personificeren als dwazen die vertrekken per schip, zoals:
verpauperde adel, corrupte geestelijken, brassende rijkeluiszoontjes, geile
nonnen en oude vrijsters.
LIT: H. Pleij. Het gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur,
volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen (19832);
De Blauwe Schuit, ed. H. Pleij (19812). [H. Struik]
| |
spotprognosticatie
Parodie op de
prognosticatie, de gedrukte jaarvoorspelling
die in de 15e en 16e eeuw enorm populair is. Vanaf 1480 zijn er
spotprognosticaties in het buitenland bekend; de oudste overgeleverde
Nederlandse versie dateert uit ca. 1528.
Het genre heeft zijn wortels in de
vastelavondviering, de volksfeesten waarbij
de tijdelijke omkering van de geordende maatschappij centraal staat. Het doel
van deze omkering is de bevestiging van de traditionele normen en waarden en de
versterking van de geordende maatschappij.
De opbouw van de spotprognosticatie komt in hoge mate overeen met
de serieuze jaarprognosticaties, zij het dat de inhoud daarvan geparodieerd en
belachelijk gemaakt wordt door bijvoorbeeld het profeteren van alledaagse
dingen die te allen tijde zullen gelden, zoals in de voorspelling Van
die regerende heeren des jaers uit de prognosticatie van
Ulenspieghel:
Venus en Mars sullen dit jaer meest regneren
1:
Mars in 't oorloghen en Venus in 't boeleren
2.
Ende in de winter comender noch drie in 't lant:
Monsieur Blaeubeck, Druypnuese en Clippertant.
Die niet en wil betalen, schabbeken is goet pant
3.
(ed.
Van Kampen,
Pleij,
Stumpel, 1980, p. 63).
De teksten bevatten vaak sterk tijds- en plaatsgebonden grappen en
grollen, waardoor ze enigszins doen denken aan het maatschappijkritische
cabaret in onze tijd: wat twintig jaar geleden het publiek deed gillen van het
lachen wordt door ons vaak nauwelijks nog begrepen of leuk gevonden.
In de 17e en 18e eeuw handhaaft het genre zich, maar verliezen de
spotprognosticaties geleidelijk aan hun functie als parodie op hun serieuze
voorbeeld en groeien ze uit tot moppen- en anekdotenbundels waarin informatie
en flauwekul naast elkaar gepresenteerd worden.
LIT: Het zal koud zijn in 't water als 't vriest.
Zestiende-eeuwse parodieën op gedrukte jaarvoorspellingen, ed. H. van
Kampen, H. Pleij, B. Stumpel [e.a.] (1980); H. Pleij. Het gilde van de
Blauwe Schuit. Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late
middeleeuwen (19832). [H. Struik]
| |
spotsermoen
Laatmiddeleeuwse parodie op de officiële
preek. Het genre is een vast onderdeel van
de
vastelavondviering: in een spotsermoen roept
een quasi-prediker zijn toehoorders op ironische wijze op zich immoreel te
gedragen en precies het omgekeerde te doen van wat in het dagelijks leven van
hen verwacht wordt. Het doel van deze omkering is de bevestiging van de
traditionele normen en waarden en de versterking van de geordende maatschappij.
Hierbij worden alle aspecten van de serieuze preek geparodieerd, waarbij men
bij voorkeur een levensbeschrijving geeft van een zogenaamde heilige, wiens
naam verschijnselen uitdrukt die de laatmiddeleeuwse maatschappij bedreigden en
daarom bezworen moesten worden, bijv.
Sint Reynuyt (Sint Alles-op, ter
bezwering van de altijd dreigende hongersnood en armoede) en
Sanctus Drincatibus (Sint Drankorgel,
drankmisbruik als bedreiging van de geordende maatschappij).
In het spotsermoen wordt veelvuldig gebruik gemaakt van stront- en
sexgrappen, waarmee angsten voor het lijfelijke en de sexualiteit op een zeer
aardse manier worden aangepakt. Een voorbeeld hiervan is Dit es van
den scijtstoel, waarin de heilige
Snottolf (Druipneus) ten tonele wordt
gevoerd. Deze heilige heeft zich gespecialiseerd in het reinigen van de anus na
de stoelgang, en allerlei voorwerpen waarmee die handeling verricht kan worden,
worden besproken.
LIT: H. Pleij. Het gilde van de Blauwe Schuit. Literatuur,
volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen (19832); D.
Kaiser. ‘Het laatmiddeleeuwse spotsermoen’, in: Spektator 13
(1983-1984), p. 105-127. [H. Struik]
| |
spraakkonstenaren
Onder spraakkonstenaren verstaat men de grammatici vanaf de tweede
helft van de 16e tot in de 18e eeuw die onder invloed van renaissance,
hervorming en opkomend nationalisme de verheerlijking, zuivering en opbouw van
het Nederlands in hun spraakkonst of grammatica ter hand namen (taalbouw). De bekendste spraakkonstenaren zijn
Joos Lambrecht (Nederlandsche
spellijnghe, 1550),
Pontus de Heuiter (Nederduitse
orthographie, 1581),
Christiaen van Heule,
Jacob van der Schuere,
Petrus Leupenius,
Petrus Montanus,
A. de Hubert,
S. Ampzing, en
D.V. Coornhert en
H.L. Spiegel, welke twee laatsten
betrokken waren bij de totstandkoming van het Nederlandse
trivium: de Twee-spraack
(1584), het Ruygh-bewerp (1585) en de
Rederijck-kunst (1587). In de 18e eeuw beijverden de
dichtgenootschappen zich voor het uitgeven van
zeer sterk gereglementeerde spraakkonsten.
LIT: Laan; Metzler; C.G.N. de Vooys. Geschiedenis van de
Nederlandse taal (19525), hoofdstuk III-V; L. van den Branden.
Het streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands in
de 16de eeuw (1956); W. Hellinga. Bijdragen tot de geschiedenis van de
Nederlandse taalcultuur, ed. P. Tuynman (1968), m.n. p. 621-630; D.M.
Bakker & G.R.W. Dibbets (red.). Geschiedenis van de Nederlandse
taalkunde (1977), hoofdstuk 2-4; L. Peeters. Taalopbouw als
renaissance-ideaal (1990). [P.J. Verkruijsse]
| |
spreekkoor
Lyrisch onderdeel van een drama bestaande uit een tekst die veelal
in versregels is geschreven. De tekst wordt voorgedragen (declamatie) door een groep, dikwijls onder leiding van een
‘dirigent’. De term spreekkoor duidt soms ook deze groep aan. Een
specifieke vorm is de
rei-1 in de tragedie. In de 20e eeuw is het
B. Brecht die spreekkoren in zijn
theaterwerk opnam. In de Nederlandse letterkunde is het spreekkoor (soms tot
twee personen beperkt) gebruikt in het
lekenspel.
LIT: Dale; MEW. [G.J. Vis]
| |
spreekwoord
Formulering van een erkende of op ervaring berustende waarheid of
wijsheid in de vorm van een
gezegde of
spreuk-1.
LIT: Baldick; Best; Brongers; Cuddon; Gorp; Laan; Metzler; MEW;
Wilpert; A. Huizinga. Nederlandse zegswijzen (1965); F.A. Stoett &
C. Kruyskamp. Nederlandse spreekwoorden en gezegden (19749);
K. ter Laan. Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen
(19768). [G.J. Vis]
| |
spreekwoordelijk gezegde zie
gezegde
| | | |
sprekende naam
Aanduiding voor een bijzondere vorm van naamgeving aan personages
in de literatuur, waarbij de auteur ernaar gestreefd heeft de naam zo te kiezen
dat hij typerend is voor het uiterlijk, de afkomst en/of bepaalde
karaktertrekken van het personage. Goede voorbeelden van sprekende namen zijn
te vinden bij
Wolff en
Deken,
Beets,
Multatuli en
Boon: Sara Burgerhart, Pieter Stastok,
Slijmering, meester Pennewip, Kramiek. Reeds in de Middeleeuwen werd gebruik
gemaakt van sprekende namen, vgl. koning Nobel en Cuwaert uit Van den
vos Reinaerde. Sommige sprekende namen blijken zo gelukkig gekozen
dat ze gemeengoed zijn geworden in het spraakgebruik ter typering van bepaalde
mensen: Jan Salie (
Potgieter), Nurks (
Beets), Droogstoppel (
Multatuli), Flierefluiter (
A.M. de Jong).
LIT: Boven/Dorleijn; MEW. [G.J. van Bork]
| | | | | | | |
spreuk-3
Aanduiding voor een
gnome-2 die ontleend is aan de bijbel.
Bekend zijn de spreuken uit het Boek der Spreuken uit het Oude Testament.
Bijv.:
Ga tot de mier, gij luiaard! Zie haar wegen, en word wijs.
( Spreuken 6:6).
De spreuk komt vaak voor als
rijmspreuk.
LIT: Gorp; MEW. [G.J. Vis]
| |
sproke
Middelnederlandse benaming voor kort, rijmend verhaal van 180 tot
200 versregels, met een benedengrens van ca. 10 verzen en een bovengrens van
ca. 700 verzen. Het genre is nauw verwant aan
exempel,
parabel en
preek en was vooral in de 14e eeuw
populair.
Sproken werden door rondreizende
sprooksprekers voorgedragen en waren voor
het publiek op het gehoor te volgen.
De inhoud is zowel verhalend als betogend van karakter en mist
vaak een lyrische inslag. Meestal dient de sproke impliciet of expliciet een
moraalfilosofisch of didactisch doel: de nadruk ligt hierbij op morele
waarheden en christelijke of wereldlijke ethiek.
De meeste bewaard gebleven sproken stammen uit de literaire wereld
rondom het Hollands-Beierse hof (ca. 1350 - ca. 1400) en zijn van
Willem van Hildegaersberch (ed.
Bisschop en
Verwijs, 1870, ongew. herdr. 1981).
Sommige sproken worden ook wel
notabel genoemd, hoewel het niet duidelijk
is of er verschillen tussen beide zijn.
LIT: Buddingh'; Gorp; Laan; MEW; F.P. van Oostrom.
‘Achtergronden van een nieuwe vorm: de kleinschalige epiek van Willem van
Hildegaersberch’, in: Vorm en functie in tekst en taal (1984), p.
48-72; F.P. van Oostrom: Het woord van eer. Literatuur aan het Hollandse hof
omstreeks 1400, p. 46-85; T. Meder. Sprookspreker in Holland. Leven en
werken van Willem van Hildegaersberch (ca. 1400) (1991); Dini Hogenelst.
Sproken en sprekers. Inleiding op en repertorium van de Middelnederlandse
sproke (2 dln., 1997). [H. Struik]
| |
sprookje
Prozavertelling die gewoonlijk door mondelinge overlevering is
blijven bestaan en waarin fantastische, wonderbaarlijke of metafysische feiten
en gebeurtenissen het genre bestemmen tot een overwegend fictionele tekst
(fictie). Heksen, sprekende dieren (dierensprookje) of dingen, kabouters, feeën, draken,
trollen, tovenarij etc. vormen de elkaar afwisselende bestanddelen van het
sprookje. Daarom wordt het genre ook tot de
fantastische literatuur gerekend. Sprookjes
laten tal van oude cultuurresten zien op het gebied van rechtspraak, geloof,
bruidwerving, huwelijksceremonieel e.d. die uit verschillende cultuurperioden
stammen, maar in de overlevering zijn samengesmolten. Er zijn relaties met de
sage, de
fabel-1 en de
legende (vgl. respectievelijk De
ridder met de zwaan, Roodkapje en de wolf en
St. Joris en de draak). Vroeger werden sprookjes dan ook
beschouwd als verbleekte heidense
mythen, tegenwoordig rekent men het sprookje
tot een oudere fase in de geestelijke ontwikkeling van de mens. In
tegenstelling tot de mythe is het sprookje niet religieus, in tegenstelling tot
de legende en de sage mist het een historische achtergrond. Al is over de
oorsprong en de betekenis van het sprookje nog onvoldoende bekend, duidelijk is
wel dat het veelal een symbolische of allegorische rol heeft gespeeld. Er zijn
ook theorieën over de psychologische rol van het sprookje.
Kenmerkend voor het sprookje lijken de stereotiepe structuur,
zinsbouw en karaktertekening te zijn. Begin en einde kennen dikwijls vaste
formuleringen (‘Er was eens ...’; ‘En ze leefden nog lang en
gelukkig’). Deugd wordt beloond en kwaad wordt gestraft, d.w.z. dat deugd
en kwaad in een duidelijke zwart-wit-verhouding staan en dus goed herkenbaar
zijn. In de structuur van de vertelling komt dit tot uitdrukking in het
patroon: opdracht - tegenstand (van het kwaad) - overwinning op het kwade -
happy end (overwinning van het goede). Ook de zinsbouw is over het algemeen
eenvoudig. Die eenvoud van structuur en zinsbouw maakt het sprookje zo geschikt
als
kinderliteratuur, hoewel het daar
oorspronkelijk niet voor bedoeld was en de inhoud vaak een gruwelijk karakter
heeft.
Uit de 9e eeuw stamt de Arabische sprookjesverzameling
Duizend-en-een-nacht, waarin de verhalen in een
kadervertelling tot één geheel
zijn verenigd.
Al in de 17e eeuw werd door
Perrault een verzameling van sprookjes
aangelegd in Contes de ma mère l'oye (1697). Maar
pas in de romantiek ontstond er belangstelling op groter schaal, vooral onder
invloed van de idee dat op die manier een bijdrage geleverd zou kunnen worden
aan de reconstructie van de ‘volksgeest’. Onderzoekers legden toen
de sprookjes vast die eeuwenlang mondeling (orale
literatuur) overgeleverd waren. Beroemd zijn de Kinder- und
Hausmärchen (1812-1814), verzameld door Jacob en
Wilhelm Grimm. In België
werden verzamelingen aangelegd door
Amaat Joos (Vertelsels van het
Vlaamsche volk, 4 dln., 1889-1892) en door
Victor de Meyere (Vlaamsche
vertelschat, 4 dln., 1925-1933). Nederlandse sprookjesverzamelingen
werden onder meer aangelegd door
Cornelis Bakker
(Noord-Holland),
Dam Jaarsma en
Ype Poortinga (Friesland).
Een onmisbaar hulpmiddel bij het onderzoek naar sprookjes is de zgn.
Aarne-Thompson-typenindex.
Het onderscheid in literaire genres dat de literatuurwetenschap
maakt op grond van kenmerkende eigenschappen is voor de middeleeuwse situatie
enigszins problematisch: in de Middeleeuwen maakte men zo'n onderscheid in
genres niet. Men kan hetzelfde thema of motief tegenkomen in een verhaal dat we
nu een sprookje noemen, in een fabel, een legende, een sage, een
dierenverhaal of een
ridderroman; vaak worden die dan
veralgemeniserend sprookjesmotieven genoemd. In veel Middelnederlandse teksten
komen sprookjes in geadapteerde vorm voor (bijv. Roman van
Walewein, Torec, Parthonopeus van
Bloys, Lanceloet en het hert met de witte
voet en Karel ende Elegast). Wij stellen dan
dat sprookjesmotieven zijn verwerkt in de toen populaire vorm van de
ridderroman, maar dreigen te vergeten dat men in de Middeleeuwen dit
onderscheid in genres niet maakte en dat wij deze motieven meestal alleen maar
kennen in de vorm waarin zij de laatste paar honderd jaar zijn verzameld,
opgetekend en ingedeeld.
Naast het volkssprookje onderscheiden we het kunst- of
cultuursprookje. Het gaat dan om sprookjes
die niet uit de overlevering zijn opgetekend, maar naar het voorbeeld van
volkssprookjes zijn geschreven en deze soms in hun verhaaltrant dicht
benaderen, zoals bij de sprookjes van
Hans Christian Andersen (1805-1875) en
Godfried Bomans
(Sprookjes, 1946), maar hierin ook vaak erg verschillen (
Louis Couperus,
Psyche, 1898 en Fidessa,
1899).
LIT: Baldick; Bantel; BDI; Best; Cuddon; Gorp; Krywalski; Laan;
Lodewick; Metzler; MEW; Scott; Shipley; Wilpert; J. de Vries. Het
sprookje (1929); J.W.R. Sinninghe. Katalog der Niederländische
Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und Legendenvarianten (1943); S.
Thompson. The folktale (1946); M. Ramondt. Sprookjesvertellers en hun
wereld. Van Primitivisme tot Symbolisme. Vier sprookjesstudiën (1948);
S. Thompson. Motif-index of folkliterature (6 dln., 1955-1958); W.
Hasselblatt. Das Wesen des Volksmärchens und des modernen
Kunstmärchens (1956); A.A. Aarne. The types of the folktale
(19612); V. Propp (red.). Morphologie du conte (1970); A.M.E.
Draak. Onderzoekingen over de roman van Walewein (19752);
T.W.R. de Haan. Nederlandse volkssprookjes (1977); Sprookjesnummer van
Bzzlletin 92 (1982); T. Dekker, J. van der Kooi en Th. Meder. Van
Aladdin tot Zwaan kleef aan; lexicon van sprookjes: ontstaan, ontwikkeling,
variaties (1997). [G.J. van Bork/H. Struik]
| |
sprookspreker of spreker
Contemporaine Middelnederlandse benaming voor een rondreizend
voordrager van relatief korte teksten (sproken). De
bekendste sprookspreker uit de Middelnederlandse literatuur is meester
Willem van Hildegaersberch, wiens
carrière tussen 1383 en 1408 gedateerd kan worden.
LIT: Laan; T. Meder. Sprookspreker in Holland. Leven en werken
van Willem van Hildegaersberch (ca. 1400) (1991); Dini Hogenelst.
Sproken en sprekers. Inleiding op en repertorium van de Middelnederlandse
sproke (2 dln., 1997). [W. Kuiper]
| |
squib of spierinkje
Term (letterlijke betekenis ‘voetzoeker’ of
‘schotschrift’) uit de Amerikaanse linguïstiek voor een korte
beschouwing over taalkundige feiten die een probleem vormen voor de bestaande
theorieën of die nog niet bestudeerd zijn. De redactie van het tijdschrift
Spektator heeft de term ‘squib’ ook van toepassing verklaard
op de letterkunde en de literatuurwetenschap en heeft na een taalkundig
squib-nummer (jrg. 6, nr. 7/8) twee afleveringen met letterkundige squibs
gevuld (jrg. 10, nr. 6 en jrg. 18, nr. 5). Het voorstel van
A. Sassen om in het Nederlands de term
‘spierinkje’ te gebruiken, vond navolging in:
W.P. Gerritsen,
A. van Gijsen en
O.S.H. Lie (red.). Een school
spierinkjes. Kleine opstellen over Middelnederlandse
artes-literatuur (1991).
LIT: Baldick; Redaktie Spektator. ‘Voorwoord’, in:
Spektator 6 (1976-1977), p. 377; F.C. de Rover. ‘Voorwoord’,
in: Spektator 10 (1980-1981), p. 489. [P.J. Verkruijsse]
| |
staand rijm zie
mannelijk rijm
| |
staand schrift
Term uit de paleografie voor een schrifttype dat gekenmerkt wordt
door losse, niet aaneengeschreven letters, een enkele
ligatuur daargelaten. Staand schrift is
sierschrift;
gebruiksschrift noemt men lopend schrift of
cursief. De Middelnederlandse boekletter bij
uitstek, de
littera textualis, is een staand
schrift.
LIT: B. Engelhart en J.W. Klein. 50 eeuwen schrift
(19882). [P.J. Verkruijsse]
| |
staande uitdrukking zie
gezegde
| |
staart, Abgesang of queu
Begrip uit de hoofse lyriek voor het slot van een strofe van een
hoofs
minnelied-1, door een
snede gescheiden van de
kop. De staart is een vast onderdeel van het
tripartition. Het dichten met kop en staart
werd overgenomen in de Middelnederlandse lyriek, bijv. door Hadewijch (zie
tripartition voor een voorbeeld).
LIT: Bantel; Best; Metzler; MEW; Wilpert; N. de Paepe. Grondige
studie van een Middelnederlandse auteur. Hadewijch. Strofische gedichten, 2
dln. (19722), deel Studie, p. 39-43. [H. Struik]
| |
staartrijm, cauda of rime couée
Term uit de prosodie voor die vorm van
eindrijm die, optredend in een groepje van
drie of meer regels, telkens de laatste, kleinere regel van het groepje afsluit
en zo het eind van elk groepje releveert. Bijv.:
God van de liefde, hoor mij aan:
De dood - ach - moge tot mij gaan
Mijn dagen heb ik slecht verdaan.
Maar liefde doet mij ondergaan
(
M. Nijhoff. VW, dl. 1,
19822, p. 22).
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Scott; Shipley. [G.J. Vis]
| |
staartwit of voetwit
Term uit de typografie voor de benedenmarge, dus het gedeelte van
de
pagina dat zich onder de
zetspiegel bevindt. In het staartwit kan de
paginanummering geplaatst worden en bij boeken uit de periode van de handpers
treft men er de
katernsignatuur en de
custode aan. De andere marges heten
kop-,
rug- en
snijwit.
LIT: BDI; Hiller; K.F. Treebus. Tekstwijzer
(19832), p. 149-150. [P.J. Verkruijsse]
| |
staat
Bibliografische term voor de
varianten die kunnen ontstaan tussen
exemplaren van een
druk,
oplage of
uitgave tijdens het drukproces, met name in
de periode van de handpers. Het corrigeren in een
drukvorm werd ook tijdens het drukken
voortgezet, zodat exemplaren kunnen voorkomen, bestaande uit katernen met meer
of minder gecorrigeerde drukvormen. Drukvormen met de
correctie op de pers vertegenwoordigen een
andere, latere staat dan exemplaren daarvan zonder de correctie. De variant
hoeft niet altijd de correctie van een
zetfout te betreffen; het kan ook om een
wijziging door de auteur gaan of om een persvariant door ingrijpen van de
censuur, soms in de vorm van een
cancel.
Een voorbeeld van een druk met vier staten in de binnenvorm van
het **-katern is
Vondels
Herscheppinge van 1671. Op fol. **1verso hoort
‘luisters’ te staan en op fol. **3verso ‘van’. Deze
combinatie komt in 7 van de 22 gecollationeerde exemplaren voor; in 11 andere
exemplaren staan de zetfouten ‘lusters’ respectievelijk
‘dan’, in 1 exemplaar staat ‘luisters’ en
‘dan’ en in 3 exemplaren ‘luisters’ in combinatie met
de Verschlimmbesserung ‘den’ (Kopij en druk in de
Nederlanden, 1962, p. 149-150).
LIT: BDI; Feather; MEW; Ph. Gaskell. A new introduction to
bibliography (19742), p. 313-316; F.A. Janssen. ‘Notities
bij de aanduiding van herdrukken’, in: Spektator 4 (1974-1975) 5,
p. 275-283. [P.J. Verkruijsse]
| |
stafrijm, Germaans rijm of letterrijm
Vorm van
alliteratie zoals die als
beginrijm voorkomt in het Oudgermaanse vers.
Kenmerkend is de medeklinkerherhaling (medeklinkerrijm)
in de eerste en tweede
heffing van de eerste regel en in de eerste
heffing van de derde regel (volgens het schema a a / a x). Op deze manier
worden beide regels met elkaar verbonden. Een zuiver voorbeeld hiervan vindt
men nog in
Gezelle's Sint Jans
vier:
(G. Gezelle. Volledige werken, dl. 6, ed.
Baur, 1936, p. 17).
LIT: Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Bronzwaer; Cuddon;
Gorp; Laan; Metzler; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
standcatalogus
Bibliotheekterm voor een registratievorm van het bezit van een
bibliotheek waarbij de catalogus de volgorde aanhoudt van de plaats die de
verschillende publicaties in de bibliotheek innemen. De standcatalogus bestaat
gewoonlijk uit een eenvoudig kaartsysteem, een systeem van microfiches of een
computerbestand met titelbeschrijvingen waarbij de
bibliotheeksignaturen uit een cijfer en/of
lettercombinatie bestaan. De ordening van de catalogus volgt deze
bibliotheeksignaturen die naar een plaats (‘stand’) in de
bibliotheek verwijzen.
De standcatalogus heeft tot doel om een snelle controle op het
aanwezige bezit mogelijk te maken. Een nevenfunctie van dit type catalogus kan
zijn dat bij een onderwerpsgewijze rangschikking in een bibliotheek de
standcatalogus voor de gebruiker functioneert als onderwerpscatalogus.
LIT: BDI; Bibliotheek en documentatie. Handboek ten dienste van
de opleidingen (19792). [G.J. van Bork]
| |
standenleer
Stichtend traktaat uit de Middeleeuwen, waarin de opbouw van de
maatschappij in de standen (adel, geestelijkheid, burgers en boeren) en de
geledingen binnen die standen behandeld worden. Een standenleer bevat, evenals
een
spiegel, leefregels en schrijft ideaal
gedrag voor. Naast teksten die het gewenste gedrag van de standen afzonderlijk
uiteenzetten, zoals de
vorstenspiegel, bestaat de alles omvattende
standenleer. Een voorbeeld hiervan is Dat scaecspel
ghemoraliseert (ed.
Van Schaick Avelingh, 1912), in de 14e
eeuw bewerkt naar de Ludus scaccorum van
Jacobus de Cessolis (eind 13e eeuw). In
dit werk worden de standen vergeleken met schaakstukken: hun rechten en
plichten worden afgeleid uit de mogelijkheden die de stukken op het bord
hebben.
LIT: LdMA; H. Pleij. Het gilde van de Blauwe Schuit.
Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen
(19832), p. 127-186; J. van Herwaarden. ‘Dat scaecspel. Een
profaan-ethische verkenning’, in: J. Reynaert [e.a.]. Wat is wijsheid?
Lekenethiek in de Middelnederlandse letterkunde (1994), p. 304-321. [H.
Struik]
| |
standenpoëzie
Verzamelnaam voor (laat)middeleeuwse teksten die als distinctief
kenmerk hebben de opbouw van de maatschappij in standen en de geledingen van
die standen. Deze teksten vallen grofweg uiteen in
standenleer, de oudste en een ideaal gedrag
voorschrijvende tekst, en de
standensatire, die veeleer beschuldigend en
hekelend is.
LIT: Laan; Metzler; MEW; Wilpert; H. Pleij. Het gilde van de
Blauwe Schuit. Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late
middeleeuwen (19832), p. 127-186. [W. Kuiper]
| |
standenrevue zie
standensatire
| |
standensatire of standenrevue
(Laat)middeleeuwse hekeldicht waarin de specifieke zonden van de
verschillende standen op de korrel worden genomen. De standensatire hekelt de
gebreken der standen bij het uitoefenen van de hun opgelegde taak en de wijze
waarop ze hun specifieke positie in de maatschappij misbruiken ten koste van de
andere standen, bijv. machtsmisbruik door de adel of simonie door de
geestelijkheid. Meestal is de standensatire een klacht tegen de tijdgeest; als
de standen zich zo blijven gedragen zal de wereld ten onder gaan.
De kritiek kon op verschillende manieren worden verpakt: hekelend
zoals
Willem van Hildegaersberchs
Van mer (ed.
Bisschop en
Verwijs. Gedichten van Willem
van Hildegaersberch, 1981 2, p. 40-42), ironisch zoals
in het
Doctrinael des tijts (ed.
Schuyt, 1946), via schijnpelgrimages zoals
in Van dat Luye leckerlant en soortgelijke gedichten uit
de 16e-eeuwse bundel Veelderhande geneuchlijcke dichten, tafelspelen
ende refereynen (ed. Mij. van Ned. Letterk., 1971), in het kader
van de
vanitas zoals in
Anthonis de Rooveres Vander
mollenfeeste (ed.
Mak, 1955, p. 294-299), of binnen de
vastelavondviering, zoals in De
Blauwe Schuit.
LIT: Wilpert; H. Pleij. Het gilde van de Blauwe Schuit.
Literatuur, volksfeest en burgermoraal in de late middeleeuwen
(19832), p. 127-186. [H. Struik]
| |
stanza, ottava rima of stanze
Octaafstrofe als onderdeel van een gedicht dat is opgebouwd uit
een veelvoud van octaafstrofen. In de oorspronkelijke klassieke Italiaanse vorm
telde elke regel elf syllaben, later werd deze vijfjambisch (jambe). De stanza had drie
vrouwelijke rijmen; het
rijmschema was abababcc. De Nederlandse
stanzen hebben zelden deze vorm. Zo bevat
N. Beets' De
maskerade (1835)
mannelijk en
vrouwelijk rijm door elkaar.
De Genestets De
Sint-Nikolaasavond heeft hetzelfde kenmerk en is bovendien
geschreven in zesvoetige jamben met het rijmschema aabbccdd.
Verwant aan deze stanza is de
Spenseriaanse stanza, terwijl de
elegische stanza (een
kwatrijn) alleen de naam ermee gemeen
heeft.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Hobsbaum; Laan; Metzler; MEW; Myers/Simms; Scott; Wilpert; E. Häublein.
The stanza (1978). [G.J. Vis]
| | | |
stapelspel
Stapelspelen horen tot het niet-klassieke drama van de
renaissance. Een stapelspel is een op een
novelle gebaseerd meerdelig toneelstuk, een
dramatische cyclus van verscheidene delen onder één titel,
waarbij elk deel een eigen titelpagina, een eigen lijst van personages en soms
een eigen genreaanduiding heeft. De eerste delen hebben altijd een open eind;
pas in het slotdeel worden de verhaaldraden afgehecht. In
Nederland is dit genre beoefend door
Theodore Rodenburgh met zijn
Keyser Otto den derden, en Galdrada (1616),
Melibea (1618), Hertoginne van Savoye, en Don
Juan de Mendossa (1619), Hoecx en Cabeliauws
(1628), Sigismund en Manuella (1635).
LIT: W. Abrahamse. Het toneel van Theodore Rodenburgh
(1574-1644) (1997). [P.J. Verkruijsse]
| |
statische bouw
Term uit de dramatheorie voor een dramaopbouw waarbij de handeling
weinig of geen ontwikkeling vertoont omdat het gegeven conflict niet tot een
bepaalde oplossing wordt gebracht. Het slot van de handeling verschilt
nauwelijks of niet van de beginsituatie. Een dergelijke bouw kan bij uitstek in
het absurdistisch drama (absurdisme) van
Ionesco of
Becket worden aangetroffen. In
Nederland komt het voor in stukken van
Lodewijk de Boer. In die gevallen draagt
de bouw bij aan het gegeven van de onmogelijkheid tot communicatie en de
zinloosheid van het bestaan.
LIT: Van den Bergh; R. Schechner. ‘Twee vormen van
toneelconstructie’, in: Euros Theater (1966), p. 29-48. [G.J. van
Bork]
| |
status causae
Term uit de retorica voor het vaststellen van de zaak waarom het
gaat. Het begrip stamt oorspronkelijk uit het
genus iudiciale. Het hoort bij de
inventio, de eerste taak van de redenaar
(officia oratoris). Bijv.: een spreker of auteur kondigt
aan dat hij het zal hebben ‘over de Nederlandse letterkunde’.
LIT; Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
status coniecturalis
Term uit de retorica voor de vraag naar het al of niet
problematische van een zaak, die men wil behandelen (status
causae). Ingeval van een
quaestio infinita moet het antwoord gegeven
worden op de vraag ‘an sit?’ (is het er wel?). Een voorbeeld van
een status coniecturalis na de status causae ‘Over Nederlandse
letterkunde’ vormt de vraag ‘Is er wel Nederlandse
letterkunde?’.
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
status definitionis zie
status finitionis
| |
status finitionis of status definitionis
Term uit de retorica voor een nadere definiëring van de zaak
die men wil behandelen (status causae). In geval van een
queastio infinita moet er antwoord gegeven
worden op de vraag ‘quid sit?’ (wat is het dan wel?). Een voorbeeld
van een status finitionis na de status causae ‘Over Nederlandse
letterkunde’ vormt de vraag ‘Hoe ziet de Nederlandse letterkunde er
dan wel uit; hoort de zgn. Vlaamse letterkunde er bijvoorbeeld ook
bij?’.
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
status qualitatis
Term uit de retorica voor een nadere qualificatie van een zaak die
men wil behandelen (status causae). Bij een
quaestio infinita moet antwoord gegeven
worden op de vraag ‘quale sit?’ (hoedanig is het dan wel?). Een
voorbeeld van een status qualitatis na de status causae ‘over Nederlandse
letterkunde’ en de
status finitionis ‘Hoort de zgn.
Vlaamse letterkunde er bijvoorbeeld ook bij?’ vormt de vraag ‘Is
het spreken over de Vlaamse letterkunde wel terecht?’
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
STCN
De Short-Title Catalogue, Netherlands (STCN) is een project dat
als doel heeft het vervaardigen van de retrospectieve Nederlandse
nationale bibliografie. Aanvankelijk was het
de bedoeling de productie uit de periode 1540-1800 te beschrijven, maar
inmiddels is besloten ook de in ander verband beschreven
incunabelen en
postincunabelen aan het bestand toe te
voegen en de 18e eeuw erbij te betrekken. Het project, dat in 1982 onder de
vleugelen van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen van start
ging en in 1988 door de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag is
overgenomen, wil in een periode van dertig jaar de geraamde productie van
ongeveer 300.000 titels uit alle Nederlandse en een aantal buitenlandse
openbare collecties beschrijven in de vorm van een
short-title catalogue.
De gegevens van de STCN worden automatisch verwerkt via het
Pica-catalogiseersysteem, zodat het mogelijk
is om antwoorden te krijgen op de meest diverse vraagstellingen (uitgaande van
auteursnaam, titel, drukker-uitgever, plaats van drukken, bibliografisch
formaat, lettertype, chronologie,
fingerprint of combinaties daarvan). Er
worden alleen boeken beschreven, dus geen
plano's, kaarten en prenten, en wel: boeken
gedrukt binnen de huidige grenzen vanNederland, ongeacht de taal,
en boeken in de Nederlandse taal, gedrukt buiten Nederland.
Als eerste proeve van het STCN-project verscheen van
J.A. Gruys en
C. de Wolf A short-title
catalogue of books printed at Hoorn before 1701 (1979), waarin ook
de werkwijze uiteengezet wordt. In 1995 verscheen onder redactie van J.A. Gruys
en
J. Bos t'Gvlde iaer 1650 in de
Short-title Catalogue, Netherlands.
LIT: B. van Selm. ‘Boeken gedrukt in Hoorn
vóór 1701’, in: TNTL 98 (1982), p. 150-179; J.A.
Gruys, P.C.A. Vriesema en C. de Wolf. ‘Dutch National Bibliography
1540-1800: the STCN’, in: Quaerendo 13 (1983), p. 149-160, ook in:
Dokumentaal 12 (1983), p. 107-116; P.C.A. Vriesema. ‘De
STCN-vingerafdruk’, in: Dokumentaal 15 (1986), p. 55-61; J. Bos en
J.A. Gruys (eindred.). Vingerafdrukken. Mengelwerk van medewerkers bij tien
jaar Short-title Catalogue, Netherlands (1993). [P.J. Verkruijsse]
| |
stedendicht
Het stedendicht, als genre vooral populair in de renaissance, is
een
lofdicht op een stad of dorp waarin de
desbetreffende plaats meestal gepersonifiëerd als maagd optreedt.
Regelmatig terugkerende onderdelen (topos) die in
stedendichten aandacht krijgen, zijn de gunstige ligging van de plaats (vaak
aan een rivier), de etymologie van de naam, de stichting en historie, de
vergelijking met machtige steden uit het verleden (Rome), de grote
daden en deugden van de inwoners. De personificatie tot maagd leidt met name in
het subgenre van het
emporicum (lofdicht op handelsstad) tot
seksuele metaforen.
Stedendichten treft men veelvuldig aan in het
voorwerk van atlassen en topografische
literatuur. Een hele reeks van stedendichten is vervaardigd door
Constantijn Huygens:
Stede-stemmen en dorpen (ed.
De Kruyter, 1981).
LIT: Wilpert; E.R. Curtius. Europäische Literatur und
lateinisches Mittelalter (19738), p. 166-167; C.W. de Kruyter.
‘Inleiding’, in: C. Huygens. Stede-stemmen en dorpen (1981),
p. 3-29; A.J. Gelderblom. ‘De maagd en de mannen. Psychokritiek van de
stadsuitbeelding in de zeventiende en achttiende eeuw’, in: id. Mannen
en maagden in Hollands tuin (1991), p. 79-93. [P.J. Verkruijsse]
| |
steekdicht
Een door
Jan Vos ter onderscheiding van het
gewone
puntdicht gehanteerde aanduiding voor een
satirisch (satire)
epigram. Hij schrijft over de
‘Eigenschap van Punt- en Steekdicht’:
Een Punt- en Steekdicht zyn van ongelyke kracht.
Dit kittelt ons het oor; dat weet in 't hart te steeken.
Het leeven van den mensch wordt na 't bedryf geacht.
Het Puntdicht roemt de deugdt. het Steekdicht wraakt gebreeken.
(J. Vos. Alle de gedichten, dl. 1, 1726, p. 399).
LIT: J.D.P. Warners. Het vierregelig gedicht in de Nederlandse
letterkunde sinds de Renaissance (1947), p. 52. [G.J. Vis]
| |
steendruk of lithografie
Vlakdruktechniek waarbij op gepolijst
kalksteen met krijt of inkt tekst of illustraties worden aangebracht. De steen
wordt licht geëtst met salpeterzuur en bedekt met een laagje Arabische gom
die zowel het beeld vasthoudt als het wateropnemend vermogen van de kalksteen
vergroot. Voordat de drukinkt aangebracht wordt, wordt de steen bevochtigd
waarna alleen de be-tekende delen van de steen via een speciale lithografische
pers een afdruk op het papier achterlaten. Steendruk is ook mogelijk met behulp
van andere materialen: zink, aluminium of metaal.
De lithografie is in 1798 uitgevonden door
Alois Senefelder, samen met het
lithografisch kalkeerpapier dat het overbodig maakte om tekst in spiegelbeeld
op de steen te tekenen. In de 19e eeuw is het steendrukprocédé
vaak gebruikt voor het vervaardigen van
facsimile-uitgaven.
Het was ook mogelijk meerkleurensteendrukken te vervaardigen, de
zgn. chromolithografie. Daartoe moet de tekening gekalkeerd worden op een zgn.
contourensteen en vervolgens moeten er evenveel zgn. toonstenen gemaakt worden
als er kleuren zijn. Later komt ook de fotochromolithografie.
LIT: BDI; Brongers; Feather; Hiller; Scott; H. van Krimpen.
Boek over het maken van boeken (1986), p. 75-81; J.A.A.M. Biemans.
‘Lithografische facsimile's van twee Spiegel Historiael-fragmenten;
enkele opmerkingen over de vervaardiging en betrouwbaarheid van vroege
steendruk-reprodukties van Middelnederlandse handschriften’, in:
Miscellanea neerlandica; opstellen voor Dr. Jan Deschamps t.g.v. zijn 70e
verjaardag (1987), dl. 1, p. 145-165. [P.J. Verkruijsse]
| |
stemma
Term uit de editiewetenschap en
tekstkritiek voor de schematische weergave
in de vorm van een boomdiagram van de onderlinge verwantschap van documentaire
bronnen (handschrift,
codex,
druk), waarin een tekst bewaard is gebleven.
Het opstellen van het stemma speelt een belangrijke rol bij het bezorgen van
een editie.
Het vaststellen van de onderlinge verwantschap van middeleeuwse
bronnen vindt plaats aan de hand van overeenkomstige fouten, de zogenaamde
Lachmann-methode: twee verschillende kopiisten kunnen nooit onafhankelijk van
elkaar op dezelfde plaats dezelfde fout maken. Men gaat er daarbij vanuit dat
de oudste tekst de beste is, en dat alle handschriften uiteindelijk teruggaan
op een oerhandschrift, het
archetype. In de praktijk slaagt men er
zelden of nooit in een stemma op te stellen dat uitmondt in het archetype; men
blijft voortdurend steken in tweesprongen, de zogenaamde ‘fatale
vorken’. Tegenwoordig gaat men uit van het inzicht, dat het een van de
wezenskenmerken van (middeleeuwse) literaire teksten is dat ze niet (altijd)
slaafs gekopieerd werden, maar regelmatig werden aangepast aan hun nieuwe
gebruikssituatie. Daarnaast weten we dat veel teksten een oraal verleden (orale literatuur) hebben gehad voordat ze op schrift gesteld
werden.
Voor de periode na de Middeleeuwen, wanneer de editeur ook te
maken heeft met geautoriseerde bronnen (autoriseren),
dienen in een stemma zowel manuscripten als drukken een plaats te krijgen.
LIT: Best; Brongers; Gorp; Mathijsen; Metzler; MEW; A. Dees.
‘Over stambomen van handschriften’, in: FdL 18 (1977), p.
63-78; A. Dees, M. Dekker en M. Mulder. ‘Een voorbeeld van
stamboomreconstructie: Karel ende Elegast’, in: Spektator 18
(1988-1989), p. 96-118; A.M. Duinhoven. ‘Stamboomreconstructie:
rekenkunde of tekststudie?’, in: Spektator 18 (1988-1989), p.
119-123; B. Salemans. ‘Van Lachmann tot Hennig: Cladistische
tekstkritiek’, in: Gramma 11 (1987), p. 191-224; B. Salemans.
‘Varianten als bouwstenen van stemma's: een pleidooi voor eenvoud en
openheid bij het opstellen van tekststambomen’, in: Wat duikers vent
is dit! Opstellen voor W.M.H. Hummelen (1989), p. 319-343; B. Salemans.
‘Text genealogical remarks on Lachmann, Bédier, Greg and
Dearing’, in: LB 79 (1990), p. 427-468. [H. Struik]
| | | |
stenografie
Schrijfmethode waarmee men sneller kan schrijven dan met gewoon
schrift. Reeds in de klassieke Oudheid waren methodes voor
tachygrafie ontwikkeld, waarvan de tiroonse
notae (nota-1) de bekendste is. Vanaf de 17e eeuw werden
nieuwe stenografische methoden ontwikkeld. Het bekendste Nederlandse systeem is
dat van
A.W. Groote dat dateert van eind 19e
eeuw.
LIT: BDI; Brongers. [P.J. Verkruijsse]
| |
stereotypie
Procédé waarbij in kartonachtig materiaal op een
speciale pers een afdruk gemaakt wordt van loodzetsel. Van deze zogenaamde
styps kon - als ze in een oven verhard waren
- steeds weer opnieuw een gehele pagina zetsel gegoten worden. Deze wijze van
zetten was vooral aantrekkelijk in geval van teksten die voortdurend in
ongewijzigde
oplagen op de markt gebracht konden worden,
zoals edities van de klassieken of de bijbel.
Of reeds in 1673 in Nederland door
Joseph Athias een bepaalde vorm van
stereotypie uitgevonden werd voor bijbeldruk is zeer de vraag; hij kan ook van
staand zetsel gedrukt hebben. Begin 18e eeuw zijn er duidelijker aanwijzingen
voor stereotypie door
Johann Müller die samenwerkte met
de Leidse drukker
Luchtmans. In de 19e eeuw volgde een
heruitvinding van de stereotypie inEngeland en
Frankrijk, waarbij gebruik gemaakt werd van gips, later van
karton.
De stereotypie bood het voordeel dat in nieuwe oplagen geen nieuwe
zetfouten zoals bij herdrukken konden optreden, dat zetsel niet meer in
pastei kon vallen en dat de styps weinig
opslagruimte vergden. Het was wel mogelijk correcties in de stereotypie-teksten
aan te brengen door in de clichés nieuw gezette stukken in te lassen of
gehele pagina's opnieuw in lood te zetten en daarvan een nieuwe styp te maken.
Omdat er vaak twee styps gemaakt werden van zetsel, één om te
gebruiken en één om te bewaren, kunnen bibliografisch gezien
ondoorzichtige situaties optreden: een late oplage kan gemaakt worden van een
niet-gecorrigeerde styp uit het magazijn en dus chronologisch gezien een oudere
redactie-2 vertegenwoordigen dan een eerdere
oplage.
In de 19e eeuw zijn tal van literaire werken via stereotypie tot
stand gekomen, bijv.
J.J. Cremer,
I. da Costa,
De Genestet en
De Schoolmeester. De stereotypie is
inmiddels geheel verdrongen door de
offset.
LIT: BDI; Feather; Hiller; Scott; Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742), p. 201-205; H. Carter
& G. Buday. ‘Stereotyping by Joseph Athias. The evidence of Nicholas
Kis’, in: Quaerendo 5 (1975), p. 312-320; F.A. Janssen. Zetten
en drukken in de achttiende eeuw (19862), p. 386-387; H. van
Krimpen. Boek over het maken van boeken (19862), p. 108-109;
K. Gnirrep. ‘Staand zetsel of stereotypie in de zeventiende eeuw’,
in: Van pen tot laser; 31 opstellen over boek en schrift aangeboden aan
Ernst Braches (1996), p. 100-120. [P.J. Verkruijsse]
| |
sterfboek zie
ars moriendi
| |
sterkteaccent zie
dynamisch accent
| |
stichische poëzie
Aanduiding voor een gedicht waarvan de opbouw gekenmerkt wordt
door het ontbreken van
strofen. Er worden geen groepen versregels
(vers-1) onderscheiden door
wit; ze vormen dus visueel een gesloten
geheel. Schoolvoorbeelden zijn de Ilias en de
Odyssee van
Homerus. Menige Nederlandse
Homerusvertaling bestaat uit stichische verzen. De meeste studies geven het
isosyllabische karakter van de verzen als
specifiek kenmerk van dit type poëzie. Volgens die opvatting is het
doorsnee
Shakespeareaans sonnet een voorbeeld van
stichische poëzie.
LIT: Baldick; Best; Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Marouzeau;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
stichomythie
Bijzondere vorm van de dialoog in het (klassieke) versdrama,
waarbij de personages telkens afwisselend een versregel uitspreken.
Stichomythie wordt vaak toegepast om een versnelling of een grotere
levendigheid van de
dialoog te bewerkstelligen in situaties die
een zekere heftigheid moeten tonen. Dikwijls laten de personages elkaar in
dergelijke dialogen niet uitspreken. Goede voorbeelden ervan kunnen worden
aangetroffen in
Vondels Gebroeders
(ed.
Porteman, 1975, vss. 867-920) en
Bredero's Spaanschen
Brabander (Werken, 1974, p. 277-278, vs. 1723-1726).
Soortgelijke vormen zijn de
distichomythie (afwisselend twee regels) en
de
hemistichomythie (afwisselend een halve
regel). Vergelijkbaar is ook de
altercatio.
LIT: Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Metzler; MEW;
Morier; Myers/Simms; Scott; Shipley; Wilpert; J.L. Hancock. Studies in
stichmythia (1917); J.L. Myres. The structure of stichomythia in Greek
tragedy (1950). [G.J. van Bork]
| | | |
stilus
Metalen schrijfstift waarmee op
wastafeltjes werd geschreven. Ze waren aan
een kant puntig (om mee te schrijven) en aan de andere kant breed en plat (om
de was weer glad te strijken). Ze konden klein zijn, maar ook groot genoeg om
als (zelfmoord)wapen gebruikt te worden. Volgens
Suetonius verdedigt
Caesar zich met zijn stilus als hij in
de senaat wordt aangevallen. Floris wil met de door Blanchefloer aan hem
gegeven stilus bij haar graf zelfmoord plegen (Floris ende
Blancefloer, ed.
Mak, 19703, vs. 1205-1226).
LIT: Scott; J. Deschamps. Middelnederlandse handschriften uit
Europese en Amerikaanse bibliotheken (19722); J. Stiennon.
Paléographie du moyen age (1973). [W. Kuiper]
| |
stock, keervers, stockregel of stok
Repeterende slotregel(s) die, als een refrein, iedere strofe van
een strofisch gedicht afsluit(en). De stockregel is een kenmerkend verschijnsel
in de
ballade-2 of het
refrein-2 van de
rederijkers. Refreinen met een stock van
twee regels komen ook voor, maar ze zijn vrij zeldzaam. Een enkele keer komt
ook een stock van een halve regel voor.
De stockregel bevat het thema van het gedicht, soms in de vorm van
een
zinspreuk of een
motto-1, en is identiek aan de titel van het
gedicht. Bij de zogenaamde refreinfeesten van de rederijkers werd de stock vaak
van te voren als opdracht opgegeven, zoals gebeurde bij het refreinfeest
vanGent (1539) voor een refrein ‘int amoureuze’:
‘Och moghticze spreken, ic ware ghepaeyt’.
Een voorbeeld van een enkele stokregel is:
O dood, hoe bitter is uw gedinken
('t Is al vrouwenwerk. Refreinen van Anna
Bijns, ed.
Pleij, 1994, p. 104-108).
Een voorbeeld van een dubbele stokregel bij
Jan van Doesborch is:
Laet ons drincken laet ons storten,
Al mindert ons goet ons dagen die corten.
(ed.
Kruyskamp, 1940, dl. 2, p.
212-213).
Een modern refrein werd geschreven door
Drs. P., waarvan de stok luidt:
Nu ja, gezondheid is toch ook iets waard.
(Drs. P. en I. de Wijs. Het rijmschap
compleet, 1984, p. 26-30).
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Laan; MEW;
Myers/Simms; J.J. Mak. De rederijkers (1944), p. 29; A. Bourquet.
‘De “stok” van het referein’, in: Tijdschrift voor
Levende Talen (1946), p. 95-106; A. van Elslander. Het refrein in de
Nederlanden tot 1600 (1953); A. van Elslander. ‘Letterkundig leven in
de Bourgondische tijd. De Rederijkers’, in: Terugblik (1986), p.
9-25. [H. Struik]
| | | |
stof, materia, materie of matière
De term materia is ontleend aan de antieke retorica waarmee de
stof, het bouwmateriaal, het feitenmateriaal voor een werk werd aangeduid,
waarin de redenaar als taak heeft (officia oratoris)
ordening aan te brengen (dispositio). Een vraagstuk uit
de Oudheid was of de stof, de totale materia artis rhetoricae, begrensd of
onbegrensd was. De minimalisten waren van mening dat de stof zich beperkte tot
het terrein van politiek en ethiek; de maximalisten zagen geen enkele
beperking.
Het begrip matière dankt zijn grootste bekendheid aan de
Oudfranse auteur
Chrétien de Troyes (tweede helft
12e eeuw), die het koppelde aan de ‘sen’ (zin), de betekenis van een literair werk en de
‘conjointure’, de (gekunstelde) structuur (Doppelweg-structuur).
In de Franse literatuurgeschiedenis onderscheidt men de
matière de Bretagne
(Brits-Keltische roman) van de matière de France
(chanson de geste) en de matière
deRome (klassieke roman).
In de prologen van Middelnederlandse literaire teksten komt men
het begrip ‘materien’ veelvuldig tegen, bijv.:
Ware vrouwe ocht here die vrien woude,
Hoemen dit boec heten soude:
Die Rose seggic dat heten sal,
Want daer es in besloten al
35
Die art van minnen geellike.
Die materie es scone ende rike.
(
Heinric. Die
Rose, ed.
Verwijs, 19762, vs.
31-36).
Het onderzoek naar de stof of stofgeschiedenis ontleent zijn
belang vooral aan het feit dat het gebruikte inhoudelijke materiaal in hoge
mate conventioneel (conventie) bepaald blijkt te zijn.
Zo kan voor de renaissance gewezen worden op het gebruik van klassieke of
bijbelse stof (bijv. in het
bijbels drama of de
pastorale-2). Maar ook bij bepaalde
literaire genres is de stof sterk conventioneel bepaald, zoals in het
sprookje, de
gothic novel, de
mythe en de
sage.
In de romantiek komt de nadruk te liggen op de
‘stofvinding’, waarvoor het dichterlijk
genie verantwoordelijk wordt gesteld. Stof
is dan de bekleding of het materiaal waarin de dichter zijn ideeën
uitdrukt en dat stoffelijke omhulsel ‘vindt’ de dichter in de
natuur (waarbij eerder aan ‘Umwelt’ gedacht moet worden, dan aan
ons begrip ‘natuur’). Daar ligt ook de relatie tussen stof en
idee, omdat tot de stof behorende motieven
en thema's (motief;
thema) de idee helpen uitdrukken. Stof is
dan het inhoudelijke feitenmateriaal dat de schrijver gebruikt om een bepaalde
idee tot uitdrukking te brengen. De rangschikking of vormgeving van de stof
bepaalt de betekenis of de idee ervan en deze zienswijze leidt uiteindelijk tot
de bekende Tachtiger doctrine: vorm en inhoud zijn één.
In de literatuurwetenschap gebruikt men de termen
fabel-2 en
plot om het verband aan te geven tussen
respectievelijk de feitelijke gegevens van het verhaal (de stof) en de
samenhang die tot stand wordt gebracht door de vormgeving.
Er is veel onderzoek gedaan naar stofgeschiedenis, in het
bijzonder vanuit de
vergelijkende literatuurwetenschap. Dat
onderzoek heeft geresulteerd in een aantal inventarisaties van motief- en
stofgebruik door de eeuwen heen. Voorbeelden hiervan zijn: E. Frenzel.
Stoffe der Weltliteratur (19703); F.A. Schmitt. Stoff- und
Motivgeschichte der deutschen Literatur (1965); H. Hunger. Lexikon der
griechischen und römischen Mythologie, mit Hinweisen auf Fortwirken
antiker Stoffe und Motive in der bildende Kunst, Literatur und Musik des
Abendlandes bis zur Gegenwart (19696).
LIT: Best; Gorp; Lausberg; Metzler; MEW; Wilpert; E. Frenzel.
Stoff- und Motivgeschichte (1966); F.C. Maatje.
Literatuurwetenschap (1970), p. 203-207; G.P. Knapp.
‘Stoff-Motiv-Idee’, in: Grundzüge der Literatur- und
Sprachwissenschaft (Bd. 1, 19806), p. 200-207. [G.J. van
Bork]
| | | |
stol
Begrip uit de hoofse lyriek voor de benaming van de twee
verstechnische eenheden, van elkaar gescheiden door een
vore, die samen de
kop van een 13e-eeuws hoofs
minnelied vormen. De stollen maken deel uit
van het
tripartition. Een Middelnederlands voorbeeld
van een dergelijk lied met kop en
staart kan worden aangetroffen in de
strofische gedichten van
Hadewijch (zie tripartition).
LIT: Bets; Metzler; N. de Paepe. Grondige studie van een
Middelnederlandse auteur. Hadewijch. Strofische gedichten, 2 dln.
(19722), deel Studie, p. 39-43. [H. Struik]
| |
stomme vertoning zie
tableau vivant
| |
stoplap
Hedendaagse benaming voor een (correctie)techniek om door middel
van versvulling een correct rijm of ritme te verkrijgen. Een auteur maakte
gebruik van een stoplap om een goed lopend verspaar te verkrijgen. De ene
dichter zal meer stoplappen gebruikt hebben dan de ander, maar de
lezer/onderzoeker moet ervoor waken om - afgaand op een hedendaags esthetisch
oordeel - overal stoplappen te zien: als een dichter een vers afsluit met de
mededeling ‘naer waerhede’, is dat dan een stoplap om te kunnen
rijmen op ‘mede’, of wil hij echt benadrukken dat het vertelde waar
is?
Daarnaast hanteerden
kopiisten stoplappen om een, in hun
legger aangetroffen, onvolledig rijm (weesrijm-1) te herstellen. Zij beschikten hiervoor over een
uitgebreide verzameling
pleonasmen,
tautologieën, tussenwerpsels en niets-
of weinigzeggende woorden en uitdrukkingen zoals metter vaert, oec
mede en saen, maar ook over langere zinsneden die hun
oorspronkelijke betekenis grotendeels verloren hebben en aan het verhaal niets
toevoegen.
Ook in de spreektaal worden veel stoplappen gebruikt. Zij hebben
dan het doel om de luisteraar niet teveel informatie ineens te geven en om de
spreker tijd te geven om na te denken.
LIT: Buddingh'; Gorp; MEW; A.M. Duinhoven. Bijdragen tot de
reconstructie van de Karel ende Elegast I (1975), p. 406-408. [H.
Struik]
| | | |
straatlied
Een sinds de 16e eeuw voorkomend
lied, bij allerlei openbare gelegenheden
gezongen, zoals jaarmarkten. Het werd verkocht door
marskramers of liedjeszangers op losse
bladen (vgl.
vliegende bladen), later ook in bundeltjes.
Onderwerpen waren veelal actuele gebeurtenissen, zoals moorden, misgeboorten,
ongelukkige liefdes, natuurrampen, en uiteraard ook politieke actualiteiten
zoals de Tiendaagse Veldtocht, de Eerste Wereldoorlog e.a. Ook volksverhalen
leverden stof voor het straatlied, zoals het verhaal van de twee
koningskinderen en de geschiedenis van de wandelende jood.
Een bekende straatzanger is
Klein Jan (
Pieter de Vos), van wie veel bewaard is
gebleven, o.a. Kleyn Jans Konkelpotje, of het Pleysierige en
vermakelyke Vossenburgje, gerymt door Pieter de Vos of de zogenaamde Kleyn
Jan (1714), waarin men bijv. het bekende lied ‘Altijd is
Kortjakje ziek’ aantreft.
Sinds de 19e eeuw ziet men een verandering optreden door
ontleningen aan
opera's en
operettes, en later film en
cabaret. Daaruit ontwikkelde zich de
schlager. Omgekeerd werd het straatlied soms gebruikt door schrijvers van
opera's en zangspelen, zoals blijkt uit de Dreigroschenoper (1928) van
B. Brecht. Een typisch voorbeeld van het
straatlied is het
scharminkelliedje.
Gelet op de gemakkelijke toegankelijkheid van inhoud en vorm is er
verwantschap met sommige voorbeelden van het
volkslied-1 en het
kinderlied. Kijkt men naar het triviale
karakter van menig straatlied dan kan men verwantschap zien met de wereld van
de
kitsch.
Belangrijke verzamelingen van straatliederen vindt men o.a. in de
Stadsbibliotheek vanAntwerpen en in de KB's van
Brussel en Den Haag.
LIT: Cuddon; Gorp; MEW; D. Wouters en J. Moorman. Het
straatlied, 2 dln. (1933-1934); F.K.H. Kossmann. De Nederlandsche
straatzanger en zijn liederen in vroeger eeuwen (1941); J.J.A. Mooij.
Idee en verbeelding (1981), p. 12-15; R. Dekker en L. van der Pol.
‘“Wat hoort men niet al vreemde dingen...”’, in:
Spiegel Historiael 17 (1982), p. 486-494; F. Martin. ‘De
liedjeszanger als massamedium: straatzangers in de achttiende en negentiende
eeuw’, in: Tijdschr. voor Geschiedenis 97 (1984), p. 422-446.
[G.J. Vis]
| |
stream of consciousness
Term uit de psychologie die van toepassing is op de weergave in de
literatuur van de ononderbroken stroom van gedachten, herinneringen, bewuste en
halfbewuste gevoelens, associaties e.d. die het kenmerk zijn van het mentale
proces van de mens. De stream of consciousness is vergelijkbaar met de directe
monologue intérieure, omdat ook
daarin het innerlijk van een personage beschreven wordt zonder, of vrijwel
zonder interventie van een verteller. Een kenmerk van de stream of
consciousness is het ongeordende en fragmentarische ervan en vaak het ontbreken
van grammaticaliteit.
Het beroemdste voorbeeld van stream of consciousness komt voor in
James Joyce's
Ulysses (1922), waarin zowel Molly als Leopold Bloom
voortdurend weergegeven worden in bewustzijnsmonologen. Ook
Proust in A la recherche du
temps perdu (1913-27) maakt van dit procédé gebruik.
Een goed Nederlands voorbeeld is te vinden in Meneer Vissers
hellevaart (1936) van
S. Vestdijk. In tal van moderne
Nederlandse romans kan men stream of consciousness als element terugvinden in
de weergave van wat een personage innerlijk beweegt, bijv. bij
Maarten 't Hart,
Oek de Jong en
Hugo Raes.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Cuddon; Fowler;
Metzler; MEW; Myers/Simms; Prince; Scott; Shipley; Wilpert; M. Friedman.
Stream of consciousness, a study in literary method (1955); R. Humphrey.
Stream of consciousness in the modern novel (1959). [G.J. van Bork]
| |
streekliteratuur of regionale literatuur
Literatuur die wordt gekenmerkt door de beschrijving van een
bepaalde landelijke streek en de bewoners daarvan. De nadruk ligt daarbij op
het eigene van de beschreven regio, waarbij de sociale verhoudingen binnen een
kleine gemeenschap de hoofdrol spelen, maar ook dialect en folklore die de
eigen aard van de streek tot uitdrukking brengen, al is het maar vanwege de
couleur locale. Ook de wisselwerking tussen
mens en omgeving krijgt in de regionale literatuur een sterk accent.
Uiteraard zijn er allerlei grensgevallen in de literatuur
aanwijsbaar die weliswaar de genoemde kenmerken bezitten, maar desondanks niet
of niet uitsluitend tot de streekliteratuur gerekend worden. Vaak is er dan
sprake van een problematiek die het typisch streekgebondene overstijgt (vgl.
John Steinbecks The grapes of
wrath, 1939 en
Richard Llewellyns How green was
my valley, 1939). Veel streekromans zijn tevens
familieromans waarin het conflict van de
generaties die elkaar opvolgen zich afspeelt in een milieu van boeren,
landarbeiders of soortgelijke regionale beroepsgroepen.
De streekliteratuur bestaat voornamelijk uit streekromans, maar
andere vormen van regionale literatuur komen evenzeer voor (novelle, verhaal,
poëzie). Het type is evenmin aan een bepaalde tijd gebonden, al wordt de
term vooral gebruikt voor de sinds de 19e eeuw tot bloei gekomen streekromans
en -novellen. De dorpsnovellen van
Hendrik Conscience en van
J.J. Cremer gaven nog een romantisch en
geïdealiseerd beeld van de samenleving op het platteland. Later wordt dat
beeld realistischer, mede onder invloed van het naturalisme. Na 1900 ontstaat
door de toenemende verstedelijking en het verzet tegen de als decadent ervaren
grotestadsmentaliteit een nieuwe stroom regionale literatuur die een groot
lezerspubliek trekt. Belangrijke auteurs van streekliteratuur zijn dan
Stijn Streuvels (De
Vlaschaard, 1907),
Herman de Man (Het wassende
water, 1926),
Antoon Coolen
(Peelwerkers, 1930),
Anne de Vries
(Bartje, 1935).
Onder invloed van het fascisme en de daarmee gepaard gaande Blut
und Boden-literatuur kwam de regionale literatuur in een kwade reuk te staan.
Maar ook wanneer deze literatuur daarmee weinig van doen had, zoals bij
Coolen, De Man en De Vries
ontegenzeggelijk het geval is, beschouwde de literaire kritiek streekliteratuur
al vrij snel als tweederangs lectuur, vanwege de stereotiepe en
clichématige thematiek ervan. Toch zijn tal van regionale romans
doorgedrongen tot de
canon van de Nederlandstalige literatuur,
zoals
Theun de Vries' Stiefmoeder
aarde (1936) en Gerard Walschaps Houtekiet
(1939).
Door het gebruik van streektaal is er verwantschap met de
dialectliteratuur, maar dit laatste type
literatuur wordt gewoonlijk gedefinieerd naar locale herkomst en niet naar
inhoud.
LIT: BDI; Best; Cuddon; Gorp; Laan; Lodewick; MEW; Scott; Shipley;
Wilpert; P.J. Meertens. De lof van de boer. De boer in de Noord- en
Zuidnederlandsche letterkunde van de middeleeuwen tot 1880 (1942); A.
Feitsma, H. Entjes e.a. (red.). Literatuur in sociaal perspectief
(1976). [G.J. van Bork]
| |
strepologie
Achttiende-eeuwse misprijzende kwalificatie voor het overmatig
gebruik maken van
aandachtsstreepjes en
beletseltekens, zoals in de
Julia (1783) van
Rhijnvis Feith (ed. Kloek en
Paasman, 1982). [W. Kuiper]
| |
stripverhaal of beeldverhaal
Verhaal waarbij tekst en afbeeldingenreeks elkaar zodanig
aanvullen dat ze niet zonder elkaar kunnen of waarbij de beeldenreeksen
(doorgaans tekeningen) zelf het verhaal vertellen. Er bestaan drie typen
strips. Het eerste type geeft reeksen tekeningen met daaronder bijpassende
reeksen teksten. Het bekendste voorbeeld daarvan is
Marten Toonders Tom Poes-strip.
Het tweede type geeft de tekst in de tekeningen zelf verwerkt als balonnen,
alsof ze door de stripfiguren wordt uitgesproken als een toneeltekst. Deze vorm
is het bekendst van de beeldverhalen van
Willy van der Steens Suske en
Wiske. In het derde type tenslotte ontbreekt de tekst geheel, zodat
de beeldenreeks geheel voor zichzelf dient te spreken, zoals in de Professor
Pi-strips van
Bob van den Born. Dit laatste type ligt
het dichtst bij de ‘cartoon’.
De beide laatste typen stripverhalen zijn van recenter datum dan
de strips met beeldenreeksen en ondergeschreven teksten. Oudere voorbeelden van
Nederlandse stripverhalen zijn
J.J.A. Goeverneurs 19e-eeuwse vertaling
van de Reizen en avonturen van mijnheer Prikkebeen (1858)
met de originele tekeningen van
R. Töpffer, en
A.M. de Jongs Bulletje en
Bonestaak met tekeningen van
G. van Raemdonck die van 1924 tot 1935 in
Het Volk verscheen.
LIT: BDI; Best; Brongers; MEW; K. en E. Kousemaker. Wordt
vervolgd (1979). [G.J. van Bork]
| |
strofe
Onderdeel van een
gedicht bestaande uit een groepje van een of
meer versregels dat door
wit gescheiden is van de overige (groepjes
van) versregels.
Stichische poëzie kent geen
strofen.
Het volgende fragment uit het gedicht ‘Voetbalmatch’
bestaat uit vier strofen:
Paarswitte lijnen en roodzwarte
(
P. van Ostaijen. VW
Poëzie, dl. 2, 1979, p. 177).
De strofe in een
lied noemt men
couplet. Wanneer men spreekt van
‘strofische opbouw’ (bijv. in verband met de
Horatiaanse ode) dan bedoelt men altijd dat
het gaat om strofen met identieke structuur (regellengte en -aantal, metrum,
rijmschema).
In sommige situaties gebruikt men voor strofe de term
vers-3.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn;
Bronzwaer; Buddingh'; Dupriez-1; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Morier;
Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
stroming of beweging
Begrip uit de cultuurgeschiedenis ter aanduiding van een
periode-1 of een in die periode overheersend
stelsel van normen of opvattingen. Men gebruikt stromingenaanduidingen als
periodebegrip bij de indeling van de cultuurgeschiedenis in tijdvakken: barok,
verlichting, romantiek, modernisme e.d.
Het definiëren van stromingen of het beschrijven ervan is
uitermate problematisch. Niet alleen zijn de gebruikte begrippen uit
verschillende gebieden van de cultuur afkomstig en daardoor onderling volstrekt
onvergelijkbaar (vgl. bijvoorbeeld het bredere begrip romantiek met een
aanduiding als kubisme of de levensbeschouwelijke term humanisme met de
aanduiding neorealisme), maar bovendien bestaat over de inhoud ervan nauwelijks
of geen overeenstemming. Er zijn verschillende voorstellen gedaan om stromingen
nader te definiëren of te omschrijven, bijvoorbeeld door middel van het
vaststellen van een periodecode (periodisering).
Tegenwoordig is men geneigd een stromingenconcept op te vatten als een mentale
constructie, d.w.z. als een voorstel van onderzoekers om tot een ordening van
het literair- of cultuurhistorisch materiaal te komen vanuit een bepaalde
optiek. Een voorbeeld van een boek waarin de moderne Nederlandse literatuur
wordt beschreven vanuit een poëticaal stromingenconcept is Twee
eeuwen literatuurgeschiedenis (1987).
Stromingenbegrippen blijken in de praktijk ook veel te worden
gebruikt op een wat oneigenlijke manier, namelijk om er bepaalde werken mee te
karakteriseren. Dat gebeurt dan vaak geheel los van de ermee aangeduide
periode, vgl. een ‘romantisch boek’ of een ‘barokke
voorstelling’.
LIT: Gorp; Scott; Shipley; Wilpert; R. Wellek. ‘Periods and
movements in literary history’, in: English Institute Annual
(1940), p. 89 e.v.; H.P.H. Teesing. Das Problem der Perioden in der
Literaturgeschichte (1948); E. Kunne-Ibsch. ‘Periodiseren: De
historische ordening van literaire teksten’, in: W.J.M. Bronzwaer e.a.
(red.). Tekstboek algemene literatuurwetenschap (1977), p. 284-297.
[G.J. van Bork]
| |
stroomdicht
Lofdicht op een rivier, alsmede op de aan
die rivier liggende steden, dorpen en buitenplaatsen. Temidden van allegorische
passages en historische uitweidingen bevolken tal van mythologische stroomgoden
en waternimfen het stroomdicht, dat vooral populair was in de 17e en 18e eeuw.
De bekendste stroomdichten zijn De Roemster van den
Aemstel (1627) van
M. van Velden, De
Rynstroom (1629 of 1630) van
J. van den Vondel, De
Ystroom (1671) van
J. Antonides van der Goes,
IJselstroom, de roem der Overysselsteeden (1693) van
Jan Norel, De
Rottestroom (1750) van
Dirk Smits, De
Amstelstroom (1755) van
N.S. van Winter en als laat specimen
De Maasstroom (1842) van
Abraham des Amorie van der Hoeven.
LIT: Buddingh'; Laan; MEW; J. Ruland. ‘Vondels Rijnstroom.
Elemente zu einer Topik des Rheinlobs’, in: TNTL 74 (1956), p.
151-188. [P.J. Verkruijsse]
| |
structuralisme
Het structuralisme is een wetenschapsopvatting die gebaseerd is op
Ferdinand de Saussure's Cours
de linguistique générale (1916).
De Saussure gaat ervan uit dat individuele
taaluitingen (‘parole’) onderworpen zijn aan een systeem van
vastliggende regels (‘langue’) waarvan de gebruikers zich doorgaans
niet bewust zijn. Het succes van De Saussure's benadering in de taalkunde wekte
de verwachting dat diens ideeën ook toepasbaar zouden zijn in de andere
menswetenschappen. De cultureel-antropoloog
Claude Lévi-Strauss paste De
Saussure's structuurbeginsel toe op cultuurverschijnselen in het algemeen,
ervan uitgaande dat wanneer bepaalde regels aan taalgebruik ten grondslag
liggen ook andere teken- en betekenissystemen door regels beheerst worden. Voor
hem is het structuralisme een methode om sociale feiten uit onze
ervaringswerkelijkheid te interpreteren binnen een theoretisch model, waarin
niet alleen die afzonderlijke feiten maar ook hun onderlinge relaties bepalend
zijn voor hun betekenis. Het is de opdracht van de structuralist het netwerk
van die onderlinge relaties bloot te leggen.
Uitgangspunt voor de structuralistische literatuurbeschouwer is
dat literatuur is op te vatten als een bijzondere vorm van taalgebruik waarin
eigen wetten en regels heersen. Literatuur dient dan ook als zodanig te worden
geanalyseerd. Het begrip structuur kan voor de literatuurwetenschap misschien
het best worden gedefinieerd als een onbewuste constructie van talige elementen
die de samenhang van de tekst bewerkstelligt en er de literairheid van
uitmaakt. Structuuronderzoek richt zich in de praktijk onder meer op
vertelstructuren (zoals die bijvoorbeeld door
Gérard Genette zijn onderzocht),
op tekstgrammatica (waarnaar o.m.
Teun van Dijk onderzoek heeft gedaan) en
op verschijnselen als klank, metrum en semantiek in teksten. In tegenstelling
tot het Franse structuralisme heeft het
Praags of Tsjechisch structuralisme meer
aandacht voor de historische processen die van invloed zijn op
structuurwijzigingen. De Praagse structuralist
Mukarovsky was van mening dat, hoewel
het afzonderlijke kunstwerk een gestructureerd geheel is, die structuur mede
bepaald wordt door historische processen die ervoor zorgen dat esthetische
normen telkens opnieuw worden doorbroken. Hij spreekt in dit verband over
esthetische normen en esthetische waarden die van invloed zijn op het
esthetisch object. De door Mukarovsky
gebruikte terminologie is een belangrijke rol gaan spelen in de
receptie-esthetica. In tal van opzichten
zijn er aanwijsbare overeenkomsten met de uitgangspunten van het
Russisch formalisme, waarvan enkele
aanhangers terecht kwamen in de kring van de Praagse structuralisten.
Bij de op genre of op historische ontwikkelingen gerichte
structuralistische benaderingen gaat het doorgaans om structuren die omschreven
zouden kunnen worden als regelsystemen of procédés die een genre
of een bepaalde periode uit de literatuurgeschiedenis hebben bepaald. Als
voorbeeld van een genrebeschrijving in deze zin kan
Vladimir Propps Morfologie van
het sprookje (1928) genoemd worden. Een Nederlandstalig voorbeeld
is dat van
H. van Gorps Inleiding tot de
picareske verhaalkunst (1978).
Een probleem dat zich bij een benadering als het structuralisme
voordoet, is dat het structuurbegrip geënt is op
De Saussure's opvattingen over de
zinsstructuur en dat in zijn werk deze structuur nergens die van de
grammaticale zin te boven gaat. Het is zeer de vraag of het structuurbegrip
eenduidig te interpreteren valt bij het gebruik voor grotere tekstgehelen.
Bovendien: is de samenhang binnen een tekst objectief vast te stellen?; is er
inderdaad zoiets als een esthetisch object en hoe is dat eenduidig te
onderscheiden van andere teksten?
Er zijn inmiddels wel tal van literatuurbenaderingen die
schatplichtig zijn aan het structuralisme. Behalve de al eerder genoemde
receptie-esthetica zijn ook de ideeën van de literatuursocioloog
Lucien Goldmann (literatuursociologie), de opvattingen van
J. Derrida met betrekking tot het
deconstructivisme en de ontwikkelingen rond
de
intertekstualiteit zonder het structuralisme
niet goed denkbaar.
Belangrijke structuralisten, behalve de reeds genoemden, zijn:
Tzvetan Todorov,
Jury M. Lottman,
Roland Barthes,
Pierre Macherey,
A.J. Greimas en
Julia Kristeva. De laatste heeft zich
vooral gericht op de transformationeel-generatieve analyse van teksten.
InNederland gold
Teun A. van Dijk enige tijd als
vertegenwoordiger van de generatieve poëtica.
Een aantal teksten van structuralisten kan men in vertaling
aantreffen in
W.J.M. Bronzwaer e.a. (red.),
Tekstboek algemene literatuurwetenschap (1977).
LIT: Abrams; Baldick; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck; Metzler; MEW;
Myers/Simms; Shipley; Günther Schiwy. Der französische
Strukturalismus (1969); J.M. Broekman. Structuralisme.
Moskou-Praag-Parijs (1973); Robert Scholes. Structuralism in literature:
an introduction (1974); Philip Pettit. The concept of structuralism: a
critical analysis (1975); E. Berns e.a. (red.). Denken in Parijs. Taal
en Lacan, Foucault, Althusser, Derrida (1979); H. Gallas.
‘Strukturalismus in der Literaturwissenschaft’, in: H.L. Arnold und
V. Sinemus (red.). Grundzüge der Literatur- und Sprachwissenschaft
(1980); Kvetoslav Chvatik. Tschechoslowakischer Strukturalismus. Theorie und
Geschichte (1981); M. Frank. Was ist Neostrukturalismus? (1984); M.
van Buuren. ‘Structuralisme’, in: Filosofie van de algemene
literatuurwetenschap (1988), p. 80-89. [G.J. van Bork]
| |
structurele metafoor zie
impliciete metafoor
| |
structuur
Basisbegrip van het
structuralisme waarmee de relaties tussen
klassen van verschijnselen en hun functie in een tekst worden aangeduid. Aan de
hand van een nauwkeurige analyse van een tekst kan de onderzoeker dergelijke
vaste relaties als zich herhalende patronen beschrijven. Vaste relaties kunnen
worden beschreven aan de hand van klassen van verschijnselen als typen
personages, vertelaspecten, tijds- en ruimtelijke gegevens, maar ook de
fonetische, syntactische of semantische elementen van een tekst.
Men maakt soms onderscheid tussen de micro- en macrostructuur van
een tekst. Men kan aan de onderdelen van een tekst microstructurele betekenis
toekennen die pas zinvol wordt wanneer deze ingepast kan worden in de structuur
van de gehele tekst, de macrostructuur.
De term structuur is niet onomstreden, o.m. vanwege de
subjectiviteit van de keuze voor bepaalde structurerende elementen. De
onderzoeker zal bepaalde onderdelen van een tekst als belangrijker beschouwen
voor de structuur dan andere. Bovendien gaat de onderzoeker uit van de
vooronderstelling dat een tekst een structurele eenheid vertoont, een
uitgangspunt dat nogal eens wordt gekritiseerd en dat kan leiden tot
geforceerde interpretaties om bepaalde delen van de tekst in het geheel in te
passen.
Structuurstudies werden geschreven door o.m.
W. Blok over Van oude mensen,
de dingen die voorbij gaan van
Louis Couperus (1960) en
A.L. Sötemann over de Max
Havelaar van
Multatuli (1966).
H. van Gorp beschreef de structuur van de
picareske verhaalkunst (1978).
LIT: Abrams; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp; Herman/Vervaeck;
Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Prince; Shipley; Wilpert; G.
Schiwy. Der französischer Strukturalismus (1969); J. Piaget.
Strukturalisme (1969); H. Gallas (red.). Strukturalismus als
interpretatives Verfahren (1972); J. Broekman. Structuralisme
(1973); J. Culler. Structuralist poetics (1975); J. van Luxemburg e.a.
Inleiding in de literatuurwetenschap (1981), p. 47-64; P.V. Zima.
‘Tsjechoslowaaks structuralisme’, in: R.T. Segers (red.). Vormen
van literatuurwetenschap (1985). [G.J. van Bork]
| |
strijdlied of strijdzang
Aanvankelijk verzamelnaam voor die oorlogs- en
martelaarspoëzie waarvan de oudste bewaard gebleven specimina uit de 16e
eeuw stammen. Doordat ze overgenomen werden door een collectiviteit en daarmee
als wapen in de strijd fungeerden, hadden ze vaak een agressief karakter. Een
van de eerste voorbeelden is de anonieme ‘Historie van een martelaar
verbrand’ uit 1525 (ed.
Buitendijk, 1954, p. 31). Tot het genre
behoren ook de
geuzenliederen en veel
spotliederen. Ook het Wilhelmus, later het
volkslied-2 van Nederland geworden, rekent
men wel tot de strijdliederen. Bekende dichters van dit soort poëzie zijn
A. Bijns,
D.V. Coornhert,
J. Revius en
A. Valerius.
Latere voorbeelden vindt men o.a. in de politiek getinte
Vaderlandsche gezangen (1783) van
Zelandus (
J. Bellamy), in sommige liederen uit de
socialistische beweging (bijv. ‘Morgenrood’), maar ook in het
cabaret (
J. van de Merwe.
't Oproer kraait. Geïllustreerd gezangboek voor
rebellen (1969) en soortgelijke bronnen). In de kerkelijke bundel
Evangelische gezangen (1806) leest men: ‘'t Is zijn
strijd en zegelied: “Die in Hem blijft zondigt niet”’ (p.
195). Maar men vindt het strijdlied ook in de kaatsbond, en bij
interlandvoetbalwedstrijden hoort men strijdliederen als ‘Hup, Holland,
hup!’.
Men kan het strijdlied in verschillende gedaanten tegenkomen,
bijvoorbeeld als
vaderlandslied, als
psalm, of in de vorm van
verzetsliteratuur. Het strijdlied is verwant
aan het
levenslied. Het strijdgedicht verschilt van
het strijdlied doordat het een twistgesprek is en voornamelijk voorkomt in de
Middeleeuwen.
LIT: BDI; Best; Hiller; Metzler; MEW; W.J.C. Buitendijk.
Nederlandse strijdzangen uit de 16e en de eerste helft der 17e eeuw
(1954). [G.J. Vis]
| |
strijdzang zie
strijdlied
| |
studentenlied
Lied dat vanouds door studenten gezongen
werd (vgl.
volkslied-1) dan wel speciaal voor hen werd
geschreven, bedoeld om hun wereld te typeren en eventueel door hen gezongen te
worden (vgl.
cultuurlied). Voorbeelden van de eerste
groep zijn het Latijnse ‘Io vivat’ en het Nederlandse ‘De
noga wordt apart gezet’. Tot de tweede categorie behoren teksten als
‘Epikurisch feestgezang’ van
P.A. de Genestet (Complete
gedichten ed.
Oort, 19122, p. 63 v.).
Enkele bundels zijn die van
J. Vuylsteke, Uit het
studentenleven en andere gedichten (1868);
F.R. Coers, Studenten-Liederboek
van Groot-Nederland (1896); Lyra maior Alberti Magni:
liederenbundel voor de R.K.S.V. ‘Albertus Magnus’, ed.
Knol (1983).
LIT: Best; Laan; Metzler; Wilpert; J. Dyserinck. Het
studentenleven in de literatuur (1908); A.C.J. de Vrankrijker. Vier
eeuwen Nederlands studentenleven (1939); Lyra maior Alberti Magni,
ed. E. Knol (1983), p. 33-35 (bibl.) en 319-327 (dichters). [G.J. Vis]
| |
studie-editie
Een door een editeur bezorgde
editie van één of meer teksten
die bestemd is voor studerenden of voor beroepsmatig geïnteresseerde
lezers. In de studie-editie wordt de wetenschappelijke stand van zaken met
betrekking tot de uitgegeven tekst of teksten aan de gebruiker ervan
doorgegeven. Dat betekent dat deze editie altijd een verantwoorde leestekst
biedt die gebaseerd is op een
historisch-kritische editie. Bovendien wordt
een verantwoording gegeven van de gekozen basistekst en tevens een uitgebreide
commentaar. De editie wordt afgesloten met
een bibliografie met betrekking tot de uitgegeven tekst(en).
In het Nederlandse taalgebied bestaat nauwelijks enige traditie
met betrekking tot studie-edities. Pas sedert de oprichting van het Constantijn
Huygens Instituut in Den Haag zijn echte studie-edities tot stand
gekomen, zoals bijv. de editie van de poëzie van
J. Six van Chandelier in
Gedichten (ed.
Jacobs, 2 dln., 1991). De grenzen tussen
een studie-editie, een
schooleditie en een
leeseditie zijn in de praktijk niet altijd
duidelijk aan te geven.
LIT: Mathijsen. [G.J. van Bork]
| |
stuiversroman
Roman die tot de
triviaalliteratuur gerekend wordt en die,
vanwege het publiek waarop dit type
lectuur zich vroeger richtte, voor slechts
enkele stuivers te koop was. De materiële verzorging van deze uitgaven is
zo eenvoudig mogelijk: goedkoop papier, goedkope druk en gebrocheerd of geniet.
In het Engels wordt het inhoudelijke en materiële aspect ervan uitstekend
gekenschetst in de aanduiding ‘penny dreadful’.
LIT: BDI; Cuddon; Scott; Shipley. [G.J. van Bork]
| |
Sturm und Drang
Oorspronkelijk aanduiding voor een periode in de Duitse
cultuurgeschiedenis van 1770 tot ongeveer 1780 die voorafging aan de
romantiek en in die zin vergelijkbaar is met
de
preromantiek. InDuitsland
ontstond rond 1770 een groep jonge dichters die zich afzette tegen het naar hun
idee te sterk benadrukken van de ratio in de literatuur van de
verlichting. Zij wilden naast het
verstandelijke meer aandacht voor het gevoel en vooral voor de mens als
individu. Tot deze Sturm und Drang-beweging behoorde een groep Göttinger
studenten (de dichters
Hôlty,
Voss,
Von Stollberg,
Bürger en
Leisewitz) en een groep rond de jonge
Goethe, van wie
Herder en
Schiller de belangrijkste auteurs
zijn.
Vooral in toneel en lyriek hebben de standpunten van de auteurs
van de Sturm und Drang gestalte gekregen; in de lyriek in het
individueel-subjectieve van hun poëzie en in het toneel in het
burgerlijk drama, met name in de sterk
kritische houding ten opzichte van de vooroordelen over de bestaande
standenmaatschappij.
LIT: Baldick; Cuddon; Gorp; MEW; Shipley; Wilpert; R. Pascal.
Der Sturm und Drang (1963); A. Sauer (red.). Stürmer und
Dränger (3 dln, 19702). [G.J. van Bork]
| |
stijgend metrum of stijgend ritme
Term uit de prosodie waarmee dat ritmische (ritme) verloop van een versregel wordt aangeduid waarvan de
constituerende
versvoet begint met een
daling, gevolgd door een of twee
heffingen. Deze versvoeten zijn
respectievelijk de
jambe en de
anapest. Regels met een stijgend
metrum zijn de
alexandrijn en de vijfvoetige jambe,
bijv.:
De bl oemen st aan in 't d onker b
ed
Als p orcel einen sch erven
(M. Nijhoff. VW, dl. 1, 19822, p. 14).
LIT: Baldick; Buddingh'; Hobsbaum; Morier; Preminger. [G.J.
Vis]
| |
stijgend ritme zie
stijgend metrum
| |
stijl
Algemene benaming voor uiterlijke kenmerken van een schrijf- of
spreekwijze (elocutio), zoals
stijlfiguren, structuurprincipes (structuur) en andere organisatievormen van een tekst.
Vanuit de klassieke retorica worden in de Middeleeuwen en
renaissance de
virtutes dicendi (stijldeugden) als
belangrijkste eisen voor een correcte stijl beschouwd, te weten de zuiverheid
(puritas), helderheid (perspicuitas), passendheid (aptum) en
opgesierdheid (ornatus). De stijldeugden worden, in
navolging van
Cicero, verbonden met de stijlniveaus
(genera elocutionis). Zo werd van teksten in de lage
stijl (genus humile) verlangd - zoals bijvoorbeeld
blijkt uit de ‘Wel-Rymens Wet’ in
D. Camphuysens Stichtelycke
rymen (1624) - dat zij weinig opgesierdheid en een grote mate van
eenvoud en helderheid bevatten. Door deze vereisten was het goed mogelijk de
stijlniveaus met de taken van de redenaar-dichter te verbinden: de lage
stijlsoort met het beleren (docere), de middenstijl met
het vermaken (delectare) en de hoge of verheven stijl
met bewegen en ontroeren (movere). Het gebruikte
stijlniveau werd echter vooral bepaald door de ‘verhevenheid’ van
het behandelde onderwerp. Bij
Johannes Garlandus (ca. 1180-1252) werden
deze ideeën op de zgn. ‘rota Virgilii’ overgebracht. In dit
‘wiel’ werd het gebruik van de drie stijlhoogten in de
Aeneis, Georgica en
Bucolica niet alleen afgestemd op sociaal of
maatschappelijk bepaalde bevolkingsgroepen, maar ook krijgen mythologische
figuren, bomen en dieren, er een vaste plaats. Na de 15e eeuw correspondeert de
gehanteerde stijl soms niet meer met het niveau van de
stof, wanneer zij wordt afgestemd op de stijl
van een (klassiek) voorbeeld dat al dan niet in hetzelfde genre had
uitgeblonken. Ook is er in dat geval volop plaats voor meer individueel
bepaalde stijleigenschappen, hoewel auteurs die zich opvallend buiten de
grenzen van de ‘virtutes dicendi’ begaven, veelvuldig aan kritiek
onderhevig waren.
Al sinds de Oudheid heerst de opvatting dat er een zekere
overeenstemming bestaat tussen de uitdrukkingswijze van de mens en zijn
karakter. In de Romeinse tijd (Cicero,
Quintilianus) wordt daar het vir
bonus dicendi peritus-ideaal van afgeleid: een mens kan pas een goede
redenaar zijn indien hij in moreel opzicht goed is. Ook in de late Middeleeuwen
en vroege renaissance komen we veelvuldig het beeld tegen dat gesproken of
geschreven taal een beeld of afspiegeling van de ziel is. Deze visie staat
overigens geenszins het standpunt in de weg dat men zijn eigen stijl kan en
dient te verbeteren en bij sommige auteurs zelfs dat men ernaar moet streven in
verschillende stijlen (stijlniveaus) te kunnen schrijven, zodat men ook
verschillende genres goed kon beoefenen.
In de Middeleeuwen koppelde men, via de ‘rota
Virgilii’, bepaalde genres aan verschillende stijlniveaus. In de
renaissance ontstond een ware hiërarchie van hoogstaande genres, verbonden
met een hoge stijl, afdalend naar lage genres met een dito stijl. Tot de meest
verheven genres rekende men in die tijd
epos en
tragedie, tot de laagste
proza en
klucht-1.
Het gebruik van de stijl als een van de middelen van een schrijver
om zijn doel te bereiken, kan liggen op allerlei niveaus, zoals vertelfunctie
(verteller in de roman),
klank (in de poëzie),
handelingsaspecten (in het drama),
ars persuadendi (in de
rede).
Stijl is soms een historisch ordeningsprincipe (stijlperiode). Vaak is bij kunstenaars en interpretatoren het
begrip stijl sterk in verband gebracht met de begrippen
vorm en
inhoud en hun onderlinge relatie. Daarnaast
nam, vooral in de 20e eeuw, de behoefte toe, bij schrijvers en onderzoekers, om
stijl in verband te brengen met de werking en de functie van tekstsoorten (vgl.
receptie-esthetica). Zo kunnen persuasieve
teksten, bedoeld om gevoelens en handelingen van de lezer te beïnvloeden,
een specifieke stijl vertonen die ontleend is aan het pragmatische doel. Bij
reclameteksten is dat goed te zien: de stijl is sterk bepaald door de inhoud
van het aan te prijzen product dan wel de strategie van de verkopende zakenman
(vgl.
stijlsoort).
Een veel verbreide opvatting is die van stijl als variatie, d.w.z.
als een geheel van transformaties (zoals toevoeging of
herhaling; omzetting; vervanging;
weglating), die op alle niveaus van de tekst kunnen worden toegepast. Er
bestaan allerlei indelingswijzen van de stilistische middelen. Zo rekenen
sommigen alle stijlverschijnselen (syntactisch, semantisch, structureel) tot de
stijlfiguren. Anderen doen dat niet en zien bijvoorbeeld de
tropen-1 als een aparte groep. Dit alles is
object van de
stijlleer.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Cuddon; Fowler; Gorp;
Krywalski; Lausberg; Lodewick; Marouzeau; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger;
Scott; Shipley; Wilpert; W.G. Müller. Topik des Stilbegriffs. Zur
Geschichte des Stilverständnisses von der Antike bis zur Gegenwart
(1981); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de literatuurwetenschap
(19833), p. 149-151; M.A. Schenkeveld-Van der Dussen.
‘Camphuysen en het genus humile’, in: H. Duits e.a. (red.). Eer
is het Lof des Deuchts. Opstellen over renaissance en classicisme aangeboden
aan dr. Fokke Veenstra (1986), p. 141-153. [G.J. Vis]
| |
style indirect libre, erlebte Rede, verschleierte
Rede of vrije indirecte rede
Tussenvorm van de
directe rede en
indirecte rede, waarbij de auteur de woorden
of gedachten van een personage weergeeft in de woordvolgorde van de directe
rede, maar in de derde persoon en vaak gevolgd door een imperfectum of een
verleden-tijdsvorm. Bijv.: ‘(Hij dacht,) hij zou haar maar niet meer
schrijven’ of ‘(Hij dacht,) hij schreef haar maar niet’.
Zoals uit de voorbeelden blijkt, leent de style indirect libre zich goed voor
de
monologue intérieur.
LIT: Anbeek/Fontijn; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn; Gorp;
Lodewick; Metzler; Prince; Wilpert. [G.J. van Bork]
| |
stijlfiguren of figurae
Term uit de
stijlleer voor een groep retorische (retorica) kunstgrepen die dienen ter verfraaiing van de tekst
en als zodanig behoren tot de
ornatus, onderdeel van de
elocutio. Ze worden niet alleen gebruikt in
de
rede, maar ook in andere tekstsoorten, zoals
lyriek en drama. Gebruikelijk was vanouds de driedeling van
woord- en zinfiguren,
gedachtefiguren en
klankfiguren. Men vindt echter ook andere
indelingswijzen met een beperkter opvatting van het begrip stijlfiguur. Zo komt
het voor dat men de
tropen-1, onderdeel van de gedachtefiguren,
van de stijlfiguren afzondert en als aparte categorie beschouwt.
LIT: Best; Boven/Dorleijn; Gorp; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW;
Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis/P.J. Verkruijsse]
| |
stijlleer, stijlstudie of stilistiek
Aanduiding voor het onderdeel van de
algemene literatuurwetenschap en de
theoretische literatuurwetenschap dat zich
bezighoudt met de
stijl. De terreinen waarop men zijn
stilistisch onderzoek kan richten, zijn nogal uiteenlopend: een bepaald werk
(bijv.
Couperus' Van oude
mensen zoals in
Blok, 1960), het oeuvre (of een deel
ervan) van een auteur (bijv.
Van de Woestijne zoals in
Westerlinck, 1956), een
genre (bijv. het sonnet zoals in Mönch,
1955), een
periode-1 (bijv. het classicisme), of een
combinatie van twee of meer van deze onderwerpen. Men kan zich bezighouden met
stijlverschijnselen als zodanig, hetzij inventariserend (bijv.
Lausberg, 1963,
Stutterheim, 1947), hetzij theoretisch
(bijv.
Van Luxemburg, 1983), hetzij didactisch
(bijv.
Acket, 1960). Problematisch bij dit alles
is de status van de terminologie. Deze is immers voor een deel ontleend aan
auteursuitspraken, bijvoorbeeld in essays (vgl.
poëtica-3), voor een deel aan de antieke
retorica en de latere
literatuurwetenschap.
LIT: Abrams; Baldick; Best; Cuddon; Gorp; Lausberg; Lodewick;
Metzler; MEW; Preminger; Shipley; Wilpert; L. Spitzer. Stilstudien
(1928); C.F.P. Stutterheim. Stijlleer (1947); A. Westerlinck.
Stijlgeheimen van Karel van de Woestijne (1956); J.M. Acket en C.F.P.
Stutterheim. Stijlstudie en stijloefening (196011); W. Blok.
Verhaal en lezer (1960); J. van Luxemburg e.a. Inleiding in de
literatuurwetenschap (19833), p. 149 v. [G.J. Vis]
| |
stijlperiode
Begrip uit de cultuurgeschiedenis ter aanduiding van een bepaalde
periode door middel van de
stijl die in dat tijdvak overheersend wordt
geacht. Zo spreekt men van de stijlperiode van de barok of van de art nouveau.
In de literatuurgeschiedenis geeft men doorgaans de voorkeur aan de ruimere
term
stroming bij het periodiseren (periodisering).
LIT: G.S. Overdiep en G.A. van Es. Stijl en
literatuurgeschiedenis (1945); L. Spitzer. Stylistics and literary
history (1948); H. Wölfflin. Stijlbegrippen in de
kunstgeschiedenis (1960). [G.J. van Bork]
| |
stijlsoort
Aanduiding van een groep stijlverschijnselen (stijl) die kenmerkend is voor de code van een tekst, het
oeuvre van een auteur, een
genre of een
periode-1. Het aantal onderscheidingen dat
men hierbij maakt, is legio:
Lausberg (p. 818) geeft een lijst van
meer dan 150 stijlkwalificerende adjectiva zoals die de eeuwen door gehanteerd
zijn;
Jacob Geeldrijft de spot met
stijlaanduidingen in zijn Nieuwe karakter-verdeeling van de
stijl (1838).
Voor een deel zijn stijlonderscheidingen moeilijk controleerbaar,
zoals expressieve stijl, overtuigende stijl, Franse tegenover Duitse stijl e.d.
Andere zijn, op grond van afspraken, wat eenduidiger van betekenis, zoals de
classicistische stijl (classicisme), de
impressionistische stijl (impressionisme), de
redenaarsstijl (vgl.
retorica).
In het algemeen kan men stellen dat de opvattingen over
stijlsoorten vanaf de Oudheid tot en met de periode van het classicisme
strakker en normatiever waren dan daarna, uitwaaierend van de oorspronkelijke
drie stijlniveaus (genera elocutionis) naar de
individuele stijl van een auteur of tekst.
LIT: Best; Gorp; Krywalski; Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW;
Preminger; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis/P.J. Verkruijsse]
| |
stijlstudie zie
stijlleer
| |
styp
Term uit de drukkerswereld voor een ten behoeve van de
stereotypie vervaardigde afdruk van
loodzetsel in kartonachtig materiaal. Deze styps werden gebruikt voor de
vervaardiging van compact gegoten pagina's of drukvormen. Voor nieuwe
oplagen kon zo steeds opnieuw identiek
zetsel verkregen worden.
LIT: BDI; Hiller; H. van Krimpen. Boek over het maken van
boeken (19862), p. 108-109. [P.J. Verkruijsse]
| |
subiunctio of subnexio
Term uit de retorica voor het zonder verbindingswoorden toevoegen
van één of meer verduidelijkende of versterkende zinnen aan een
voorgaande zin, bijv.:
Ik heb u geschapen... ge zijt opgegroeid tot een monster onder
mijn pen... ik walg van mijn eigen maaksel: stik in koffie en verdwijn!
(Multatuli. Max Havelaar,
1955, p. 300).
LIT: Lausberg. [P.J. Verkruijsse]
| |
subjectieve anachronie
Onechte of valse
anachronie in de vertelwijze die een
verwijzing naar de toekomst (anticipatie) of het
verleden (retroversie) inhoudt, die in het bewustzijn
van een der personages ligt. Met name de bewustzijnsinhoud zelf, zoals die
bijv. in de
stream of consciousness voorkomt, bevat
voortdurend subjectieve anachronie. Wordt bijv. in een roman meegedeeld:
‘Hij dacht dat hij daar vroeger niet toe in staat geweest zou
zijn’, dan ligt de denkactie in het heden en dus binnen de chronologie
van het vertelde, maar de denkinhoud in het verleden en men spreekt daarom van
valse of subjectieve anachronie. Tegenover subjectieve anachronie staat echte
of
objectieve anachronie.
LIT: Bal. [G.J. van Bork]
| |
subjectieve bibliografie
Bibliografie die de beschrijvingen bevat
van de door een bepaald persoon geproduceerde publicaties of van de
primaire literatuur met betrekking tot een
bepaald onderwerp, in tegenstelling tot een bibliografie van de
secundaire literatuur die
objectieve bibliografie heet.
Een voorbeeld van een subjectieve
persoonsbibliografie is
J.H.W. Unger, G.Az. Brederoo.
Eene bibliographie (1884); een subjectieve onderwerpsbibliografie
is
P.P. Schmidt, Zeventiende-eeuwse
kluchtboeken uit de Nederlanden (1986).
LIT: A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie
(19953), p. 68. [P.J. Verkruijsse]
| | | |
subliteratuur zie
triviaalliteratuur
| | | |
subplot
Term uit de dramatheorie voor een in het drama verweven
ondergeschikte
plot die de eigenlijke intrige ondersteunt
of ermee contrasteert. In het
classicistisch drama met zijn streven naar
eenheid van handeling werden dergelijke
subplots zoveel mogelijk vermeden. Niettemin komen ze in het classicistisch
blijspel veelvuldig voor, zoals bijvoorbeeld in
Pieter Langendijks Het
wederzijds huwelijksbedrog (1714), waarin de hoofdplot weerspiegeld
wordt in de vrijage van de knecht en de meid van de hoofdrolspelers. In minder
aan de
Aristotelische eenheden gebonden toneelvormen,
zoals in het Elizabethaanse drama of het moderne toneel is de subplot echter
veel gebruikelijker.
LIT: Abrams; Baldick; Cuddon; Prince; Scott; Shipley. [G.J. van
Bork]
| |
subscriptio
Term uit de emblematiek voor het onderschrift onder de
pictura. Subscriptio, pictura en motto
(motto-2) vormen samen de drie-eenheid van het
emblema. Het onderschrift kan gesteld worden
in de vorm van een
dialoog over het thema van de pictura, van
een probleemstelling die vervolgens opgelost wordt, van de
apostrofe die zich in de tweede persoon tot
de pictura of tot de lezer richt, of als een
prosopopoeia.
De meeste subscriptiones vertonen een tweeledigheid: beschrijving
van de pictura en uitleg. Overigens kan de lengte van de subscriptio
variëren van epigram (opschrift) tot uitgebreide
uitleg in poëzie en proza. Zeer kunstig zijn de onderschriften in de
driedelige bundel van
Jacob Cats Silenus Alcibiadis
sive Proteus (1618), waarin bij driemaal dezelfde prent drie
subscriptiones staan met respectievelijk amoureuze, morele en religieuze uitleg
en dan nog in drie talen: Nederlands, Frans en Latijn. In 1627 publiceerde
Cats de bundel Sinne- en
minnebeelden waarin de drie explicaties samen onder
één prent geplaatst werden.
LIT: K. Porteman. Inleiding tot de Nederlandse
emblemataliteratuur (1977), p. 54-55, 91-92. [P.J. Verkruijsse]
| |
substantives
Term uit de analytische bibliografie voor de door de auteur met
opzet aangebrachte
varianten, die voor de
copy-text belangrijk zijn. De niet
belangrijk geachte varianten noemt men
accidentals. Het onderscheid tussen
accidentals en substantives berust niet alleen op het al dan niet geautoriseerd
(autoriseren) zijn van bepaalde varianten. Met name in
de periode van de handpers vindt uniformering van spelling, interpunctie en
hoofdlettergebruik plaats door de zetter, niet door de auteur.
LIT: Mathijsen; W.W. Greg. ‘The rationale of
copy-text’, in: Studies in Bibliography 3 (1950-1951), p. 19-36;
Fr. Bowers. ‘Multiple authority: new problems and concepts of
copy-text’, in: The Library 5th series, 27 (1972), p. 81-115; V.E.
Dearing. ‘Concepts of copy-text old and new’, in: The
Library 5th series, 28 (1973), p. 281-293; Ph. Gaskell. A new
introduction to bibliography (19742), p. 338-343; G.Th.
Tanselle. ‘Greg's theory of copy-text and the editing of american
literature’, in: Studies in Bibliography 28 (1975), p. 167-229; M.
Spies. ‘Verantwoording’, in: J. van den Vondel. Twee
zeevaart-gedichten, dl. 2 (1987), p. 1-10. [P.J. Verkruijsse]
| |
substitutie
Term uit de prosodie voor het inlassen van een andere
versvoet (antimetrie)
dan die welke het metrum eigenlijk zou vereisen.
Stuiveling (1934) gebruikte hiervoor de
term ‘omzetting’. Zo begint in vs. 10 van het vijfjambische gedicht
van
W. Kloos‘Ik droomde van een
kalmen, blauwen nacht’ (De Nieuwe Gids, 1885, 1, p. 138) niet met
een
jambe, maar met een
trochee:
Ave Maria! ruiste 't door mijn
ziele.
LIT: Baldick; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Scott; G. Stuiveling.
Versbouw en rhythme in den tijd van '80 (1934), p. 23. [G.J. Vis]
| | | | | |
summa facti
Opsomming van de belangrijkste gebeurtenissen van een verhaal die
in de
narratio uitgebreid aan de orde zullen
komen. De summa facti was heel gebruikelijk in de middeleeuwse literatuur en
maakte vaak deel uit van de
proloog. Een voorbeeld van een
Middelnederlandse literaire tekst met een uitvoerige summa facti is de
Historie van Troyen van
Jacob van Maerlant. Deze tekst heeft de
vormgeving van een roman en is niet opgedeeld in hoofdstukken, boeken of
partieën, zoals wel het geval is in Alexanders
Geesten, de Spiegel Historiael of de
Roman van Heinric en Margriete van Limborch. Om een
gewenste passage te kunnen vinden, was een summa facti onontbeerlijk. Met de
opkomst van de (inhouds-)tafel en de
foliëring verloor de summa facti haar
onmisbaarheid.
LIT: Best. [H. Struik]
| | | |
surpluse
Verlenging van een woord. In de prosodie komt de surpluse vaak
voor in de vorm van een
epenthesis:
Nu is van Kalifornies goud de tijd;
De sterr evende zon vergaart
(
P. van Ostaijen. VW
Poëzie, dl. 1, 1979, p. 68).
Gelet op de vormverandering van het woord is de surpluse verwant
aan de
enallage.
LIT: Buddingh'; Morier. [G.J. Vis]
| |
surrealisme
Beweging in de kunst die na 1923 voortkwam uit het
dadaïsme dat door
Tristan Tzara in dat jaar dood werd
verklaard. Evenals het dadaïsme heeft het surrealisme sterk
antiburgerlijke trekken en hetzelfde revolutionaire elan. Het streefde naar een
mentaliteitsverandering waarin ruimte zou zijn voor de irrationele kanten van
de mens, het onder- of onbewuste, de intuïtie, de droom. Een centrale
figuur in de beweging was
André Breton die een steeds
wisselende groep kunstenaars om zich heen verzamelde in Parijs. Breton was
betrokken bij de surrealistische tijdschriften La Révolution
Surréaliste (1924-1929), Le Surréalisme au
Service de la Révolution (1929-1933) en
Minotaure (1933-1939). Belangrijke leden van deze groep
waren o.m.
Aragon,
Artaud,
Mirò,
Dali,
Soupault en
Vitrac.
Een belangrijk facet van het revolutionaire denken van de
surrealisten was de esthetiek van het menselijk handelen. Tegenover de als
burgerlijk beschouwde trits ‘kerk, gezin en vaderland’ werd
‘liefde, poëzie en vrijheid’ gesteld. In het surrealistisch
manifest van
Breton (1924) worden o.m. de volgende
punten aan de orde gesteld:
- Terugkeer naar de jeugd als periode waarin de mens nog niet door
nut, rede en conventie is bedorven.
- Een zo groot mogelijke vrijheid van de verbeelding waarbij elk
maatschappelijk nut wordt afgewezen.
- Freuds ontdekking van de onbekende kracht van het onbewuste en
de droom.
- De voorkeur voor het wonderlijke en magistrale.
- Het automatisch schrijven, omdat taalvormen zich aan de
schrijver spontaan aanbieden, evenals beelden, zonder inmenging van de
ratio.
- Ruimte voor het absurde (absurdisme).
Breton definieert het surrealisme in dit manifest als volgt:
‘Puur psychisch automatisme waarmee men zich voorneemt in woord en
geschrift of op welke andere manier dan ook, de werkelijke wijze van
functioneren van het denken tot uitdrukking te brengen. Dictee van het denken,
zonder controle van de rede, in welke vorm dan ook, vrij van esthetische of
ethische vooringenomenheid.’ Vanuit hun voorliefde voor het onbewuste,
dat vooral in de droom tot uitdrukking komt, komen de surrealisten tot andere
procédés in hun taalscheppingen. Ze hadden grote belangstelling
voor het automatisch schrift (écriture
automatique) dat gebaseerd was op het dictaat van het onbewuste denken.
Breton stelde ook veel belang in de voortbrengselen van mensen die aan
enigerlei vorm van hersenbeschadiging leden. Een belangrijk middel was de vrije
associatie die tot ketens van woorden leidde
die als een stroom uit het onderbewuste opwelden. De vermenging van droom en
werkelijkheid, intuïtie en logica behoorde tot de menselijke natuur en men
diende zich daar opnieuw bewust van te maken om als mens compleet te kunnen
zijn.
Deze opvattingen leidden tot tal van experimenten, in de
literatuur bijvoorbeeld tot de
cadavre exquis. Daarnaast speelt het
woordenspel een belangrijke rol. In hun
taalexperimenten koppelen ze traditionele vormen en betekenissen los om er
nieuwe vormen en betekenissen mee te creëren. Taal wordt daardoor opnieuw
productief in het scheppen van een relatie tot de werkelijkheid, bijvoorbeeld
door de wijze waarop droombeelden als model voor de werkelijkheid gegeven
worden.
In Nederland heeft het surrealisme aanvankelijk
weinig weerklank gevonden.
E. du Perron was er kortstondig van
onder de indruk, maar blijkens zijn verhandeling ‘Surrealistische Franse
letteren’ in Den Gulden Winckel (1928) keerde hij
er zich al spoedig weer van af. Een van de weinige Nederlandse auteurs die echt
positief waren over het surrealisme, was
Theo van Doesburg, die ook zelf onder het
pseudoniem
I.K. Bonset automatisch geschreven proza
uitgaf in Het andere gezicht (1926). Niettemin is ook in
het werk van andere auteurs invloed van het surrealisme bespeurbaar (bijv. in
dat van
Paul van Ostaijen,
Hendrik de Vriesen
F. Bordewijk). Pas na de Tweede
Wereldoorlog komt het surrealisme in het werk van de
Vijftigers opnieuw tot uiting. In
Vlaanderen zijn het dan vooral
Louis Paul Boon en enkele andere auteurs
rond het tijdschrift Tijd en Mens die het surrealisme herontdekken.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Fowler;
Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert;
A.E. Balakian. Literary origins of surrealism (1947); A. Balakian.
Surrealism. The road to the absolute (1959); C.W.E. Bigsby. Dada and
surrealism (1972); M. Nadau. Histoire du surréalisme
(19762); D. van Berlaer-Hellemans. ‘Surrealisme en/of
avant-garde buiten Frankrijk’, in: Voornaamste hedendaagse
letterkundige stromingen. De surrealistische beweging en de avant-garde in de
20ste eeuw (1976), p. 67-92; M. Mariën. L'activité
surréaliste en Belgique (1924-1950) (1979); F. Drijkoningen.
‘Waarom surrealisten automatisch schreven’, in: De Revisor 8
(1981) 4, p. 22-32; P. Bürger (red.). Surrealisme (1982); F.
Drijkoningen. ‘Het surrealisme’, in: F. Drijkoningen en J. Fontijn
(red.). Historische avantgarde (1982), p. 275-371; F. Drijkoningen.
‘Esoterische aspecten van het surrealistische wereldbeeld’, in:
De Revisor 10 (1983) 6, p. 24-29; A. Balakian. ‘Le
surréalisme’, in: J. Weisgerber (red.). Les avant-gardes
littéraires au XXe siècle, vol. I (1984), p. 394-407. [G.J.
van Bork]
| |
suspense
Tijdens de afwikkeling van de
plot in een literair werk vormt de lezer of
toeschouwer bepaalde verwachtingen over de toekomstige ontwikkeling van de
gebeurtenissen en de ontknoping ervan. De
spanning die ontstaat door de inleving van
de lezer of toeschouwer met één of meer personages en hun lot en
de gespannen verwachting over de inlossing der vermoedens op grond van eerdere
gegevens van het verhaal, noemt men suspense. Worden de verwachtingen niet
ingelost dan vormt dat een verrassingselement, hetgeen echter niet afdoet aan
de suspense. Suspense kan bijv. opgewekt worden door
dramatische ironie, waarbij de lezer of
toeschouwer over meer gegevens beschikt dan een der personages en deze dan
vanuit onwetendheid ziet handelen. Speciaal in
misdaadromans en met name in
detectiveromans of
politieromans wordt veel gebruik gemaakt van
suspense, waardoor de lezer van de ene verdenking in de andere geleid
wordt.
LIT: Abrams; Boven/Dorleijn; Cuddon; Gorp; Prince; Scott; Shipley.
[G.J. van Bork]
| |
suspensie
Term uit de paleografie voor de meest gebruikelijke manier van
afkorten om schrijfmateriaal te besparen, waarbij van een woord waarvan de
betekenis duidelijk is, aan het einde een deel wordt afgekapt en weggelaten. De
suspensie kan variëren van het weglaten van één letter tot
het niet weergeven van alle letters op één na (sigle-1). De niet geschreven letters worden vervangen door een
streepje boven het afgekorte woord of een apostrof erachter om aan te geven dat
de lezer te maken heeft met een
abbreviatuur, bijv. com = comen; e = ende;
voorw' = voorwaer.
Minder gebruikelijk dan suspensie is afkorting door middel van
contractie-2.
LIT: A. Cappelli. Dizionario di abbreviature latine ed
italiane (1973); B. Bischoff. Paläographie des römischen
Altertums und des abendländischen Mittelalters (19862), p.
192-213; J.L. van der Gouw. Oud schrift in Nederland (19802),
p. 61-67; J. Stiennon. Paléographie du Moyen Age (1973), p. 126;
P.J. Horsman, Th.J. Poelstra en J.P. Sigmond. Schriftspiegel. Nederlandse
paleografische teksten van de 13e tot de 18e eeuw (1984); B. Engelhart en
J.W. Klein. 50 eeuwen schrift (19882), m.n. p. 102-129. [H.
Struik]
| | | |
syllabogram
Term uit de geschiedenis van het
schrift voor een lettergreepteken. Een
syllabisch of consonantisch schriftsysteem, waarin dus één
schriftteken staat voor een lettergreep, is bijv. het Hebreeuws.
LIT: I.J. Gelb. A study of writing (19632).
[P.J. Verkruijsse]
| | | |
syllogisme
Term uit de retorica voor een bewijsvoering die bestaat uit twee
of meer premissen waaruit noodzakelijkerwijs een conclusie volgt. Omdat het
nogal wat breedvoerigheid vereist om alle premissen die tot een conclusie
leiden te noemen en omdat zowel premissen als conclusie uitspraken dienen te
zijn die alleen betrekking mogen hebben op categorieën (‘alle
mensen’, ‘alle Nederlanders’ enz.), wordt in de retorische
praktijk meestal gebruik gemaakt van verkorte syllogismen (enthymema).
Een voorbeeld van een syllogisme is:
Alle boeken zijn brandbaar.
Alle lexica zijn brandbaar.
LIT: Baldick; Cuddon; Lausberg; LdMA; Myers/Simms; Scott; F.H. van
Eemeren, R. Grootendorst en T. Kruiger. Argumentatietheorie
(19812), p. 76-80. [P.J. Verkruijsse]
| |
symbolisme
Stroming in de kunst waarin de als chaotisch ervaren waarneembare
wereld gezien wordt als afschaduwing van een wereld in eenheid, de hogere
wereld der ideeën (platonisme). De verschijnselen
van de reële wereld zijn symbolen van een wereld van hogere orde waarin
alles met elkaar in verband gebracht is. De kleinste materiële voorwerpen
hebben hun ‘correspondentie’ in de geestelijke of transcendente
wereld. Het is uit de gebruikte formuleringen duidelijk dat het symbolisme een
platonische, sterk metafysisch gerichte stroming is, die voor veel van haar
aanhangers dan ook godsdienstige, theosofische of wijsgerige implicaties heeft
(
Huysmans,
Toorop,
Maeterlinck,
Villiers de l'Isle Adam,
Dèr Mouw,
Achterberge.a.).
In cultuurhistorische zin zet het symbolisme zich af tegen het
positivisme van de 19e eeuw en het rationele kapitalisme van de
bourgeoismaatschappij. Literair gezien betekent dit het aanvaarden van het
l'art pour l'art-beginsel en het afwijzen
van het
naturalisme. Er is een sterke verwevenheid
met het
estheticisme, waarbij de kunst los wordt
gezien van elk maatschappelijk nut en alleen zichzelf (de Schoonheid als het
hogere) tot doel heeft. Ook de relatie tot de
decadentie is duidelijk aanwezig (
Oscar Wilde,
J.K. Huysmans e.a.).
Een precieze begrenzing in de tijd is voor het symbolisme moeilijk
te geven. Er zijn relaties met idealistische opvattingen zoals die voor het
eerst in de
romantiek werden geformuleerd of in praktijk
gebracht (
Kant,
Schlegel,
Novalis,
Blake e.a.). Gewoonlijk ziet men als
beginpunt van het symbolisme in Frankrijk Gautiers opvattingen over het
estheticisme (1835) en in Engeland het optreden van de
pre-raphaëlieten (1848). Auteurs als
Baudelaire,
Mallarmé,
Verlaine in Frankrijk en
Swinburne,
Wilde en
Pater in Engeland worden
tot de symbolisten gerekend. Pas in 1886 schrijft
Jean Moréas in de
Figaroeen stuk onder de titel ‘Le Symbolisme’
(18 september) dat beschouwd wordt als een eerste manifest van de beweging en
waarin hij het symbolisme tot taak stelt ‘de idee te bekleden met een
tastbare vorm’. Het is de eerste keer dat de naam symbolisme voor de
nieuwe beweging gebruikt wordt.
Het noemen van een eindpunt voor het symbolisme is zo mogelijk nog
moeilijker. De doorwerking van de symbolistische opvattingen kan tot ver in de
20e eeuw worden aangewezen bij auteurs als
Elliot,
Apollinaire,
Benn,
Trakl,
Yeats en
Proust. In Nederland zijn de invloeden
ervan aanwijsbaar in het werk van
Achterberg,
Roland Holst,
Vasalis,
Hoornik,
Gerhardt,
Van Geel e.a. Voor de Nederlandse
situatie geldt dat het symbolisme er pas laat tot bloei kwam. Pas rond 1890 kan
men van symbolisme spreken bij auteurs als
Leopold,
Boutens,
Van de Woestijne en
Verwey. Met name Verwey zal in zijn
tijdschrift De Beweging (1905-1919) de voornaamste woordvoerder en
stimulator van de stroming worden en er de wijsgerige en literaire implicaties
van verwoorden. Belangrijke dichters (het symbolisme is steeds overwegend een
poëtische stroming geweest) zijn dan
Alex Gutteling,
P.N. van Eyck,
Nico van Suchtelen,
Maurits Uyldert,
Aart van der Leeuw en
Ary Prins.
Kenmerkend voor de symbolistische poëzie is het zoeken naar
een hogere eenheid van de waarneembare verschijnselen, zoals die bijv. tot
uiting komt in het gebruik van de
synesthesie, in het verwijzen met concrete
symbolen naar abstracte waarden (vgl.
Guttelings‘De
mattenklopper’, 1910), het verwijzen naar het tijdelijke om het eeuwige
te bevestigen (vgl. ‘Een druppel wijn...’, in:
J.H. Leopold. Verzamelde verzen,
dl. 1, 1982, p.87-89), het beschrijven van beweging als cyclische tijd (vgl.
Leopolds ‘De molen’ in: J.H. Leopold. Verzamelde verzen, dl.
1, 1982, p.87-89) e.d. In de thematiek kan die eenheid tot uiting komen in de
ongebrokenheid, bijv. van het licht, gesymboliseerd in het doorzichtige of
glasachtige (glas, druppel water, azuur e.d.) en soms in het alles opheffende
Niets.
Sommige auteurs over dit onderwerp zijn van mening dat alleen van
symbolisme gesproken kan worden wanneer die verbanden of een hogere eenheid
gesuggereerd worden en niet expliciet verwoord.
De neiging om de samenhang der dingen in het vers te tonen, komt
ook tot uiting in het streven naar het concipiëren van samenhang tussen de
gedichten onderling door het bewust creëren van cycli in vorm en
thematiek. Implicatie van dit eenheidsstreven is de tendens te komen tot een
eenheid der kunsten in het
Gesamtkunstwerk. Grote invloed ging in heel
West-Europa daarop uit van het werk van
Richard Wagner, die met zijn opera's in
de ogen van veel symbolisten het absolute drama had gerealiseerd. De invloed
van Wagner kan men bij ons duidelijk terugvinden in het proza van
Couperus en de vroege
Van Schendel.
Een ander belangrijk facet van het symbolisme is het feit dat de
poëzie de eigenschap heeft een sterk gesloten karakter te vertonen. Dat
komt doordat de symbolisten hun taal trachtten op te laden met een breed veld
van betekenissen, hetgeen een grote
ambiguïteit oplevert, maar
tegelijkertijd de gewenste samenhang van alles met alles bewerkstelligt.
Bovendien zijn daarbij experimenten met syntactische regels, met verschillende
versvormen, met gewaagde of weinig voor de hand liggende beeldspraak en een
groot vertoon van eruditie door impliciete verwijzingen naar reeds bestaande
teksten niet zeldzaam; het zijn evenzovele bewijzen dat de symbolist geen
concessies aan de lezer doet. En tenslotte vormt ook het esoterische van de
leer zelf vaak een struikelblok voor de toegankelijkheid ervan. Interpretatie
van deze hermetische poëzie levert dan ook vaak grote problemen op. Het
autonome karakter van deze poëzie is misschien wel het meest kenmerkende
aspect ervan, omdat in het symbolistische gedicht het onzichtbare zichtbaar
gemaakt dient te worden en daartoe een eigen ideële wereld gecreëerd
wordt via het symbool. De poëtica van de symbolisten droeg ertoe bij dat
men ook in de literatuurwetenschap lange tijd van het taalkunstwerk als
autonoom object is uitgegaan, zoals bijv. in de
autonomiebewegingen en die van de
New Criticism.
LIT: Abrams; Baldick; Bantel; Best; Buddingh'; Cuddon; Gorp;
Lodewick; Metzler; MEW; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert; A.
Zijderveld. ‘De poëzie der Tachtigers in het licht van het
symbolisme’, in: TNTL 14 (1935), p. 183-209; C.M. Bowra. The
heritage of symbolism (1943); A. Balakian. The symbolist movement
(1967); J. Kamerbeek Jr. ‘Op zoek naar een definitie van het
symbolisme’, in: Levende Talen (1970), p. 767-777; Ch. Chadwick.
Symbolism (1971); H. van den Bergh. ‘Roland Holst als
super-symbolist’, in: Maatstaf12(1973), 4, p. 816-827; H. Peyre.
Qu'est-que le symbolisme? (1974); S. Dresden. Symbolisme (1980);
E. Wilson. Axels burcht. Creatieve literatuur van 1870-1930 (1982; vert.
van Axel's castle, 1931); T. Anbeek. Geschiedenis van de Nederlandse
literatuur tussen 1885 en 1985 (1990), p. 76-94. [G.J. van Bork]
| |
symbool
Aanduiding voor de literaire tekst, delen daarvan, passages of
woorden, als dragers van een betekenis met een meerwaarde. Volgens sommige
interpretatoren is de tekst van
Hermans' De donkere kamer van
Damocles (1958) als symbool te zien van de principiële
onkenbaarheid van de werkelijkheid en het menselijk handelen. Stijlfiguren als
metafoor en
metonymia fungeren als symbolen waarnaar,
respectievelijk door overeenkomst en
contigu verband, verwezen wordt. Zo is de
roskam uit
Vondels gelijknamige werk (1630) als
symbool beschouwd van hekeling en scherpe veroordeling (i.c. van de baatzucht
der regenten). Sommige symbolen leiden een lang leven, zoals het zwaard als
symbool van de gerechtigheid of de roos als symbool van de liefde.
Na de Middeleeuwen werd de symboliek langzamerhand van haar
gecanoniseerde karakter ontdaan. In de renaissance is zeer veel symboliek aan
te treffen in de
emblemata (met name in de
pictura). Vanaf de romantiek werden symbolen
steeds individueler en ongrijpbaarder. Veel romantische kunstenaars zagen de
artistieke schepping als symbool van een diepere of hogere werkelijkheid, zoals
men kan constateren bij
Bilderdijk (religieus-metafysisch) en
Kinker (wijsgerig-idealistisch). Bij de
nadering van het
symbolisme is het gebruikelijk om het
kunstwerk of onderdelen daarvan te zien als afspiegelingen van een andere
(niet-materiële) werkelijkheid, bijvoorbeeld van de kunstenaarsziel (vgl.
W. Kloos'‘Ik ben een god’:
dichtkunst vervangt religie). In de symbolistische poëzie geeft het
gedicht vaak een suggestie van een stemming via een natuurbeschrijving. Zo is
het suggestieve stemmingsgedicht van
Leopold ‘Staren door het
raam’ (Verzamelde verzen, dl. 1, 1982, p. 64) te zien als een
verwijzing naar het schrijven: het gedicht is symbool van een aanzet tot
poëzie die blijft steken. Bij
Verwey en
Boutens verwijst het gedicht vaak naar
een ideeënwereld buiten de kunstenaar. In het
modernisme is het symbool bij uitstek drager
van wisselende betekenissen.
Men maakt wel onderscheid tussen universele symbolen (bijv. slaap
voor dood), cultureel gebonden symbolen (bijv. de duivekater voor
scheenbeenoffer in koekvorm) en individuele symbolen (bijv. het eiland der
gelukzaligen van
A. Roland Holst voor de gedroomde
werkelijkheid van een buitenaards rijk ‘voorbij de wegen’).
Verzamelingen van symbolen vindt men in
J. Chevaliers Dictionnaire des
symboles (1969), in
A. de Vries' Dictionary of
symbols and imagery (19762), in
H. Biedermanns Prisma van de
symbolen (19912) en in
J. Hall's
Hall's iconografisch handboek (19932).
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn;
Brongers; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp;
Lausberg; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms; Preminger; Shipley;
Wilpert; W.Y. Tindall. The literary symbol (1955); J.C. Brandt Corstius.
Tussen emblema en symbool (1960); E. Frenzel. Stoff-, Motiv- und
Symbolforschung (1963); J.J.M. Timmers. Christelijke symboliek en
iconografie (19742); M. Lurker. Bibliographie zur
Symbolkunde (1964-1968). [G.J. Vis/P.J. Verkruijsse]
| |
symmetrie
Term uit de esthetica voor de harmonische onderlinge verhouding
van delen ten opzichte van elkaar en van een deel ten opzichte van een geheel.
De hoofdvorm van een symmetrische verhouding is altijd het spiegelbeeld. Men
verwarre deze harmonische verhouding niet met die van een
parallellisme, zoals
J. van Mierlo deed met betrekking tot
Maerlants poëzie (Uit de strophische gedichten van Jacob van
Maerlant, 1954, p. 11).
In de literatuur vindt men talloze voorbeelden van symmetrie. Zo
kan het
cyclisch gedicht symmetrisch genoemd worden.
Romans en drama's die zijn opgebouwd volgens het schema ABBA eveneens. Gevallen
van symmetrie in de stijlleer zijn
omarmend rijm en
chiasme.
LIT: Marouzeau; MEW; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
symploce
Term uit de versleer voor die vorm van
herhaling waarbij zowel het begin als het
eind van een regel of zin terugkeert. De symploce is dus een combinatie van
anafoor en
epifoor.
Zo schrijft
P. van Ostaijen in het gedicht
‘Nachtelijke optocht’:
Kadans van lichtende lampen
Kadans van laaiende lampen
en
(VW Poëzie, dl. 2, 1979, p. 162 v.).
LIT: Best; Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Lausberg; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
symposium
In het oude Griekenland was een symposium een eet- en drinkgelag
met vrolijke conversatie of met een serieuze discussie over een bepaald thema.
Onder invloed van het Symposion van
Plato werd het symposium een nieuw
literair genre: een
dialoog ter verduidelijking van een thema.
Tegenwoordig is symposium vrijwel synoniem aan
congres en
colloquium.
In de oude betekenis is symposium gebruikt door
G. Stuiveling: ‘Het nieuwe
geuzenlied; een symposion in het najaar van 1945’, in:
Steekproeven (1950), p. 229-254.
LIT: Cuddon; Gorp; Metzler; MEW; Scott; Wilpert. [P.J.
Verkruijsse]
| |
synaerese
Term uit de prosodie voor de samentrekking van twee klinkers,
behorend tot twee verschillende syllaben binnen een woord, tot
één syllabe: ‘ste- re- o-tiep’ wordt
‘ste-r eo-tiep’. Een dergelijk procédé kan
worden toegepast in metrische poëzie wanneer
maat,
rijm of
isosyllabie zoiets vereisen. Een voorbeeld
daarvan zijn de rijmwoorden ‘hoon’ en ‘doon’ [= doden]
in
S. Costers
Polyxena (1619; ed.
G. van Eemeren, 1980, vs. 1461-1462). Het
verschijnsel is verwant aan de
syncope.
LIT: Baldick; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon; Gorp; Marouzeau;
Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
synalefa
Term uit de prosodie voor contractie door middel van
elisie: twee klinkers - de slotklinker van
het ene woord en de beginklinker van het direct daarop volgende woord - worden
tot één klinker gereduceerd. Het verschijnsel is bekend uit de
metrische (metriek) poëzie, zoals in het volgende
voorbeeld:
Het water van de gracht is grijs
Als de oogen van de schemering .
(
M. Nijhoff. VW, dl. 1,
19822: 97).
Door samentrekking (via
apocope van ‘de’) van beide
klinkers tot één behoudt de regel het juiste aantal (i.c. acht)
syllaben dat voor deze isosyllabische regel nodig is. In dit soort gevallen
wordt ook vaak een apostrof gebruikt (d'oogen).
De synalefa is verwant aan de
synaerese en aan de
syncope.
LIT: Best; Buddingh'; Cuddon; Lausberg; Marouzeau; Myers/Simms;
Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
synchronie
Term uit de dramatheorie waarmee de gelijktijdigheid van die
handelingen op het toneel wordt aangeduid die niet als zinvol voor elkaar
kunnen worden aangemerkt. Is dat wel het geval en vullen parallelle handelingen
of tekst en handeling elkaar aan, dan spreekt men van
simultaneïteit.
LIT: Bergh; Best; Gorp; W. Hogendoorn. Lezen en zien spelen.
Een studie over simultaneïteit in het drama (1976). [G.J. van
Bork]
| |
syncope
Term uit de prosodie ter aanduiding van die vorm van
elisie die een klinker binnen een woord
betreft, naast
apocope (eind van een woord) of
aphaeresis (begin van een woord): bijv.
‘kindren’ in plaats van ‘kinderen’. In dit soort
gevallen wordt ook vaak een apostrof gebruikt (kind'ren).
LIT: Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Bronzwaer; Buddingh'; Cuddon;
Gorp; Lausberg; Marouzeau; Metzler; Myers/Simms; Scott; Wilpert; G.E. Booij
e.a. Lexicon van de taalwetenschap (19802). [G.J. Vis]
| |
synecdoche
Term op het gebied van de
beeldspraak voor die vorm van
metonymie waarbij het deel genoemd wordt in
plaats van het geheel (pars pro toto) of het
tegenovergestelde (totum pro parte). Bij uitbreiding
wordt het woord synecdoche door sommigen ook wel gebruikt voor andere vormen
van metonymie.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Best; Boven/Dorleijn; Buddingh';
Cuddon; Bronzwaer; Dupriez-1; Dupriez-2; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Metzler;
Morier; Myers/Simms; Preminger; Scott; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
synesthesie
Term uit de stijlleer voor die vorm van metaforisch (metafoor) taalgebruik waarbij ervaringen uit verschillende
zintuiglijke gebieden (bijv. oog en tastzin) met elkaar worden verbonden. In
het
symbolisme, dat veelal de neiging had alles
met alles te verbinden, functioneerde de synesthesie op een specifieke manier.
Kloos schrijft in zijn sonnet
‘Madonna’ over ‘Den zilvren toon, die van twee lippen
vliet’ (De Nederlandsche Spectator, 11/12/1882, p.
49). Ook het modernisme biedt menig voorbeeld, zoals:
Van kleuren, die rillen in d'adem
(
P. van Ostaijen. VW
Poëzie, dl. 1, 1979, p. 44).
De Vijftiger
Lucebert spreekt van het
‘oorverdovend zonlicht’ aan het slot van zijn bekende ‘Ik
tracht op poëtische wijze’ (
G. Komrij. De Nederlandse
poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige
gedichten (1979), p. 838).
Uiteraard vindt men deze stijlvorm ook in het dagelijks
taalgebruik. Sommige gevallen zijn zo afgesleten dat men de beeldspraak niet
meer als zodanig ervaart, zoals in het cliché ‘klankkleur’
ter aanduiding van het begrip timbre (vgl.
rijm).
Een specifieke vorm van de synesthesie is de
audition colorée.
LIT: Abrams; Alphen; Baldick; Bantel; Best; Boven/Dorleijn;
Bronzwaer; Buddingh'; Gorp; Lodewick; Metzler; MEW; Morier; Myers/Simms;
Preminger; Scott; Shipley; Wilpert. [G.J. Vis]
| |
synoniem
Een synoniem is een woord dat wat betreft betekenisinhoud ongeveer
gelijk is aan een of meer andere naar vorm verschillende woorden. In de
retorica worden synoniemen gebruikt om herhaling van hetzelfde woord te
vermijden of ter versterking van een mededeling.
Vooral in de literatuur van de rederijkers komen veel synoniemen
voor, bijv. bij
Anthonis de Roovere in ‘Hoordt nae
my ghy spitters ghy deluers’ (in: De gedichten, ed.
Mak, 1955, p. 341-343):
1
Hoordt nae my ghy spitters ghy deluers
Die daghelijcx moet int werck labueren
33
Hoordt ghy sleypers ende ghy draghers
Die daghelijcx groot last heffen ende voeren
37
Schost brost ende wilt de kanne roeren
45
Schouwet ende vreest altoos
practijcken.
In de literaire theorie is het probleem van de synonymie een
aantal malen aan de orde geweest, bijv. reeds bij de Romeinen (
Crassus versus
Quintilianus) in relatie tot de
mogelijkheid, respectievelijk toelaatbaarheid van parafraseren (parafrase), omdat het gebruik van synoniemen toch nooit de
inhoud van de te parafraseren tekst kan dekken. In de bewegingen van het
Russisch formalisme en van de
New Criticism uit de eerste helft van de 20e
eeuw keert deze discussie terug:
Cleanth Brooks heeft het in zijn
The well wrought urn (19472) over ‘the
heresy of paraphrase’.
Voor het Nederlands zijn de volgende synoniemenwoordenboeken
verschenen:
P. Weiland en
G. Landré. Woordenboek
der Nederduytsche synonymen (3 dln., 1821-1825);
E. Spanoghe. Synonymia
Latino-Teutonica; Latijnsch-Nederlandsch woordenboek der XVIIe eeuw
(3 dln., 1889-1902);
Charivarius. Een ander
woord (1946);
J. Cauberghe. Nederlandsche
taalschat (1946);
J.A. Meijers. Kies uw
woord;
P. Hendriks. Nederlandse
synoniemen (1958);
L. Brouwers. Het juiste
woord (1973). Tekstverwerkingsprogramma's zijn tegenwoordig
voorzien van synoniemenlijsten.
LIT: Alphen; Baldick; Bantel; BDI; Best; Bronzwaer; Cuddon;
Dupriez-1; Dupriez-2; Fowler; Gorp; Lausberg; Marouzeau; Myers/Simms; Scott;
Shipley; Wilpert; D. Geeraerts en G. Janssens. Wegwijs in woordenboeken
(1982), p. 71-76. [P.J. Verkruijsse]
| |
synopsis
Samenvatting van een tekst, ook wel een uittreksel genoemd. De
synopsis heeft tot doel om de hoofdzaken die in een tekst behandeld worden op
een overzichtelijke wijze samen te brengen om ze op die manier makkelijker te
memoriseren of om de lezing van de oorspronkelijke tekst te structureren. Het
spreekt vanzelf dat daar altijd een interpretatie van die tekst aan ten
grondslag ligt.
Speciaal voor het middelbaar onderwijs zijn tal van boekjes
gemaakt die de leerlingen samenvattingen bieden van teksten die voor het
eindexamen gelezen kunnen worden. Voorbeelden van dit soort uittrekselboekjes
zijn de Memo-reeks, het Prisma Uittrekselboek (waarvan in
1997 een 5de deel verscheen) en Boek in - Boek uit (1996)
van
Jacoline van Weelden.
LIT: Baldick. [G.J. van Bork]
| |
synoptische editie
Term uit de editiewetenschap voor een
teksteditie waarin de verschillende
redacties (redactie-2) van een tekst parallel naast
elkaar afgedrukt worden om aldus optimaal inzicht te geven in de
varianten. Bekende synoptische edities zijn
Van den Vos Reynaerde, dl. 1: Teksten (ed.
Hellinga, 1952) en Karel ende
Elegast. Diplomatische uitgave van de Middelnederlandse teksten en de tekst uit
de Karlmeinet-compilatie (ed.
Duinhoven, 1969) en De geschiedenis
van Beatrijs, dl. 2 (ed. Duinhoven, 1989). Synoptische edities zijn
doorgaans
diplomatische edities.
De term synoptische editie wordt ook gebruikt voor edities waar de
verschillende redacties per regel onder elkaar afgedrukt worden, maar die
kunnen beter aangeduid worden als
partituureditie.
LIT: Gorp; Mathijsen; W.Gs Hellinga. ‘Principes
linguistiques d'édition de textes’, in: Lingua3
(1952-1953), p. 295-308; H.M. Hermkens. ‘Teksteditie’, in:
NTg 56 (1963), p. 79-83; E. Höpker-Herberg.
‘Überlegungen zum synoptischen Verfahren der
Variantenverzeichnung’, in: Texte und Varianten (1971), p. 219-232
(m.n. 219, nt. 1); A. Kets-Vree. Woord voor woord; theorie en praktijk van
de historisch-kritische uitgave van een prozatekst, gedemonstreerd aan Een
ontgoocheling van Willem Elsschot (1983), p. 40-42. [P.J. Verkruijsse/W.
Kuiper]
| |
synthetisch ritme
Term uit de prosodie voor het opvullen van een tekstgedeelte met
vaak nietszeggende syllaben of nonsenswoorden omwille van het
metrum, bijv.
isochronie. Men vindt het vaak in
balladen-1 en
volksliederen-1, maar ook in de eerste regel
van het volgende ‘Olleke bolleke’ die uit twee
dactylen moet bestaan:
(Drs. P. Ons knutselhoekje, 1975, p. 25).
LIT: Cuddon; Preminger; Shipley. [G.J. Vis]
| |
synthetisch rijm
Aanduiding voor taalvrijheden die de dichter zich veroorlooft op
het gebied van het rijm door woorden zo te ‘vervormen’, bijv. door
accentverschuiving, dat er toch rijm ontstaat. Dikwijls heeft dit een
humoristisch (humor) effect. Zo laat
Daan Zonderland de volgende twee regels
op elkaar rijmen:
Met het bericht dat zijn toewijding
Beloond was met gezinsuitbreiding
(Redeloze rijmen, 1960, p. 40).
Nog duidelijker is het volgende voorbeeld:
Johanna een meisje van 17 jaren, bedrijvig als een
hen
Diende bij een gegoede familie, als meisje voor halve dag
en
De taalvrijheid die de dichter zich in het laatste geval
veroorlooft, is gelegen in het feit dat hij het woordaccent van
‘dagen’ geweld aandoet door de tweede syllabe, van nature
onbeklemtoond, te laten rijmen op het beklemtoonde ‘hen’.
LIT: Cuddon; Shipley; Preminger. [G.J. Vis]
| |
systematische bibliografie of enumeratieve
bibliografie
Bibliografie die zich tot doel stelt publicaties die vanuit een
bepaalde optiek bijeen horen systematisch op te sporen, volgens vastgestelde
regels te beschrijven (titelbeschrijving) en in een
bepaalde orde te rangschikken, hetzij alfabetisch, chronologisch of
systematisch. Het resultaat wordt meestal kortweg
bibliografie genoemd.
De systematische bibliografie houdt zich dus in principe niet
bezig met onderzoek op het terrein van de
analytische bibliografie, hoewel bepaalde
vragen van de systematisch-bibliograaf alleen na analytisch-bibliografisch
onderzoek beantwoord kunnen worden.
LIT: BDI; L.N. Malclès. Manuel de bibliographie
(19763); A.O. Kouwenhoven (red.). Handboek bibliografie
(19953), p. 15. [P.J. Verkruijsse]
|
3is er altijd wel iets te
verpanden
|
|