Abele spelen

Benaming voor vier Middelnederlandse wereldlijke toneelspelen uit de 14e eeuw, bewaard in het zgn. Hulthemsche handschrift (Brussel hs. KB 15.589-623): Esmoreit, Gloriant, Lanseloet van Denemarken, Van den winter ende van den somer.

Over de precieze betekenis van de term abel spel bestaat weinig zekerheid. Het Middelnederlandse woord abel zou in deze context kunnen betekenen: geschikt, handig, schoon of kunstig. Ook over datering en lokalisering, auteurschap, publiek en wijze van opvoeren is weinig bekend. Taalkundige en enkele geografische gegevens kunnen wijzen op een vrij oostelijke plaats van ontstaan (Brabant of Limburg); maar voor het overige is niet eens zeker of de vier spelen aan één auteur moeten worden toegeschreven, al kan de overeenkomst in thematiek (minne), sfeer (hoofse cultuur, exotisme), compositie en stijl niet worden ontkend.

De teksten richten zich tot een gemengd publiek bestaande uit `arme ende rike', `heren vrouwen wijf ende man', maar de enige vermelding van een eigenlijke opvoering is dat op 14 maart 1412 te Aken door de gezellen van Diest een `spel van Lanceloet', wsch. het abel spel, werd vertoond. Enkele tekstuele gegevens impliceren een zittend publiek, andere elementen zouden erop wijzen dat de opvoeringen binnenshuis plaatsvonden, in tegenstelling tot wat tot dan toe voor toneel gebruikelijk was.

Zie ook de afzonderlijke teksten.

Uitgaven:

P. Leendertz (ed.), Middelnederlandsche dramatische poëzie (1907); L. van Kammen, De abele spelen (1969).



[p. 37]

Literatuur:

R. Verdeyen, `Beschouwingen over de abele spelen', in Versl. en Meded. v.d. Kon. Vl. Acad. (1927); F.G. van der Riet, Le théâtre profane sérieux en langue flamande au moyen âge (1936); A. de Mayer, Middeleeuws-romantisch toneel (1942); G. Stellinga, De abele spelen. Zinsvormen en zinsfuncties (1955); G.A. van Es, `Het negeren van tijd en afstand in de abele spelen', in Tijdschr. v. Nederl. Taal- en Letterk., 73 (1955); W. van Eeghem, in Brusselse Post (nov. 1954-feb. 1955); J. van Mierlo, `Is Jan Dille de dichter van onze abele spelen?', in Versl. en Meded. v.d. Kon. Vl. Acad. (1957); G. Stuiveling, `De structuur van de abele spelen', in Vakwerk (1967); W.M.H. Hummelen, `Tekst en toneelinrichting in de abele spelen', in De Nieuwe Taalg., 70 (1977).

 

[J. Reynaert]