Aafjes, Bertus

Eig. Lambertus Jacobus Johannes, Nederlands dichter en prozaschrijver (Amsterdam 12.5.1914).

Volgde aanvankelijk opleiding tot priester en studeerde vervolgens archeologie te Leuven en te Rome. De drang tot dichten belette hem deze studie te voltooien. Zijn reizen naar Italië inspireerden hem in 1944 tot het omvangrijke gedicht Een voetreis naar Rome (1946), waardoor zijn naam als dichter bekendheid kreeg. Dit werk beleefde een in Nederland nauwelijks eerder voorgekomen oplage. Aafjes werd naar aanleiding hiervan door Nijhoff de jongste der meesters genoemd. Dit sterk romantisch-poëtische reisverslag bezit de charme en de zangerigheid van een lied uit de tijd der troubadours. Voor Aafjes is reizen `'t schoonste godengeschenk'. Antieke culturen en de bijbel hebben hem gefascineerd en geïnspireerd: een reis naar Egypte werd aanleiding tot Het koningsgraf (1948), dat aangrijpende sonnetten bevat. Overpeinzingen over het menselijke tekort en het dichterschap hebben geleid tot het opmerkelijke symbolistische dichtwerk In den beginne (1949), waarin het verhaal van de zondeval wordt gezien als een parallel van de gespletenheid van het dichterschap. De korte gedichten uit de eerste bundels, vooral de gelijknamige cyclus uit Het zanduur van den dood (1941), behoren overigens tot Aafjes' beste poëzie.

Talrijke journalistieke bijdragen over zijn reizen zijn veelal later in bundels bijeengebracht; Aafjes' reizen naar Japan inspireerden hem bovendien tot het schrijven van een aantal fantasieverhalen rondom de aldaar legendarische rechter Ooka (1677-1751), die zowel om zijn scherpzinnigheid als om zijn diepe menselijkheid bekendheid heeft gekregen.

Het proza van Aafjes heeft eveneens een sterk poëtische inslag, is eenvoudig en welluidend, maar niet geheel vrij van een zeker romantisch pathos.

Op late leeftijd schreef hij erotische poëzie, de bundel Deus sive natura (1981).

Werken:

Het gevecht met de muze (1940), p.; Een laars vol rozen (1942), reisschetsen; Gerrit Achterberg, de dichter van de sarcophaag (1943), essay; Per slot van rekening (1944), aforismen; De tooverfluit (1944), vert. p.; Kleine katechismus der poëzie (1944), essay; Omne animal (1944), p.; Elf sonnetten op Friesland (1944), p.; In het atrium der Vestalinnen (1945), p.; Maria Sybilla Merian (1946), p.; De zeemeerminnen (1947), nov.; Circus (1948), pr.; De reis van Sinte-Brandaan (1949), herdichting; Egyptische brieven (1949), pr.; Arenlezen achter de maaiers (1950), pr.; Vorstin onder de landschappen (1952), reisschetsen; De karavaan (1953), p.; Morgen bloeien de abrikozen (1954), reisschetsen; De blinde harpenaar (1955), vert. p.; Logboek van `Dolle Dinsdag' (1956), reisschetsen; Capriccio Italiano (1957), reisschetsen; Vrolijke vaderlandse geschiedenis (1958); De wereld is een wonder (1959), reisschetsen; Goden en eilanden (1959), reisschetsen; Italiaans schetsboek (1959), reisschetsen; Dag van gramschap (1960), reisschetsen; In de schone Helena (1960), reisschetsen; De Italiaanse postkoets (1962), reisschetsen; Odysseus in Italië (1962), reisschetsen; De fazant op de klokketoren (1963); Dooltocht van een Griekse held (1965); Drie (1967), verh.; De denker in het riet (1968); Die te Amsterdam vaak zei: Jeruzalem (1968); Een ladder tegen een wolk (1969), verh.; De rechter onder de magnolia's (1969), verh.; De koelte van een pauweveer (1971), verh.; Mijn ogen staan scheef (1971), reisschetsen; De vertrapte pioenroos (1973), verh.; Een lampion voor een blinde (1973), nov.; De laatste faun (1974), verh.; Limburg, dierbaar oord (1976); In de Nederlanden zingt de tijd (1976); Kleine Isar, de vierde koning (1979); Het rozewonder (1979), verh.

Uitgaven:

Verzamelde gedichten (1948); Het gevecht met de muze. Verzamelde gedichten (1974).

Literatuur:

K. Jonckheere, B.A. De dichter van de poëzie (1952); G. Stuiveling, `Dichterschap als zondeval', in Triptiek (1952); W. Enzinck, `Praten met B.A.', in Periscoop, 20 (1970); A. Westerlinck, in Musica Humana, 4 (1973); J. Daniëls, in Streven, 27 (1974); W. Sinninghe, Damsté en R. Molin, B.A. (1981); H. van de Waarsenburg, `Erotische poëzie van B.A.', in Nieuw. Vl. Tijdschr., 34 (1981); G. Komrij, in Dit hels moeras (1983).

 

[P.H. Dubois en red.]