Alphen, Hieronymus van

Noordnederlands dichter, criticus en kunsttheoreticus (Gouda 8.8.1746-'s-Gravenhage 2.4.1803). Groeide op te Utrecht, waar hij ook letteren en rechten studeerde, in 1768 promoveerde en tot 1780 als advocaat een teruggetrokken leven leidde. Een zeer ernstige ziekte waaraan hun medestudent Jan Both Hendriksen plotseling leed luidde een ingrijpende gebeurtenis in: de bekering van Van Alphen en zijn vriend Pieter Leonard van de Kasteele omstreeks juli 1767. Voortaan beleed Van Alphen een piëtistisch getint, op orthodoxie gegrond christendom, dat zich het liefst manifesteerde in huisgodsdienstoefeningen. Daarmee liep hij vooruit op de bevindelijke richting van het Nederlandse réveil. Literair gesproken vindt men de eerste vruchten van zijn bekering in de Proeve van stichtelijke

[p. 46]

mengel-poëzij (1771; vervolgbundels: 1772, 1773, 1782), waarmee Van Alphen en Van de Kasteele samen debuteerden.

Een persoonlijker geluid liet Van Alphen horen in de Klaagzang bij het overlijden van zijn eerste vrouw, zuster van de begaafde literator Rijklof Michaël van Goens. Met deze in 1775 geschreven, weldra in de bundel Gedigten en overdenkingen (1777; drie drukken) opgenomen elegie introduceerde Van Alphen de christelijke preromantiek, waarvan Young, Klopstock en Lavater in Europees verband al de nieuwe gevoelstoon en de nieuwe thema's - dood en onsterfelijkheid, godsdienst, deugd en liefde tot één verbond samensmeed - hadden aangegeven. Met zijn verheven, in dezelfde toonaard geschreven oden distantieerde Van Alphen zich van de galante rococopoëzie die indertijd bij de anacreontische dichters nog een late nabloei beleefde.

Als blijvende populariteit een criterium is, dan bereikte van Alphen zijn hoogtepunt als dichter met de publikatie van zijn drie deeltjes Kleine gedigten voor kinderen (1778: 1ste en 2de stukje; 1782: 3de stukje; bij elkaar 66 versjes, sedert 1787 in één bundel). Hieronymus schreef deze voor zijn eigen drie jongens van drie tot vijf jaar, voor wie hij na het overlijden van zijn vrouw de zorg op zich had genomen. Met de uitgave zelf, die mede dank zij de aardige prentjes een groot succes werd, wenste hij geen enkele bemoeienis! Natuurlijk kost het geen moeite de toentertijd moderne pedagogische inzichten (`Mijn speelen is leeren', `Mijn vader is mijn beste vriend') belachelijk te maken. Maar de talloze herdrukken, roofdrukken en imitaties bewijzen hoe zeer de auteur erin was geslaagd de juiste toon te treffen. De opvoedkundige idealen van de verlichting werden hier omgezet in pakkende beelden, pregnante versregels die zich voorgoed in het geheugen van het volk hebben gegrift.

Was Van Alphen met zijn kindergedichten ondanks zich zelf a.h.w. een literaire vernieuwer geworden, niet minder belangrijk was zijn betekenis in literair-theoretisch en kritisch opzicht. Door zijn grote belezenheid zowel wat betreft klassieke en moderne als Engelse en Duitse schrijvers zag hij met groeiende ergernis hoe de Nederlandse literatoren op een aantal fronten de aansluiting bij actuele ontwikkelingen op esthetisch gebied misten. Terwijl in Duitsland een wijsgerige kunsttheorie was ontstaan, die het literaire verschijnsel naar zijn fundamentele geaardheid poogde te verstaan, floreerde in Nederland nog de classicistische verzenlikkerij met haar eindeloze voorschriften en regeltjes. Om deze, door zelfoverschatting gemaskeerde achterstand van de Nederlandse literatuur aan het licht te brengen en tegelijk een remedie aan te wijzen, publiceerde Van Alphen in 1778 en 1780 zijn bewerking van F.J. Riedels Theorie der schoone kunsten en wetenschappen (2 dln.). In een uitvoerige inleiding hekelde hij bij zijn landgenoten het gebrek aan wijsgerige reflectie en het teveel aan vormdogmatisme, hetgeen hem door deze collega-schrijvers niet in dank werd afgenomen.

Hierdoor geenszins ontmoedigd kwam Van Alphen in 1782 voor de dag met zijn Digtkundige verhandelingen, waarin hij met nog meer zelfstandigheid getuigde van het inzicht, dat de dichter geen imitator moet zijn van de buiten hem gelegen werkelijkheid, maar `een mensch, die, door middel der verbeelding of inwendige gewaarwording, harmonisch tot het hart spreekt'. Aldus was de weg vrijgemaakt voor een nieuwe poëzie, die slechts een directe uitspraak van het eigen gemoed wilde zijn. De door Van Alphen geponeerde kunsttheorie vond vooral weerklank onder een aantal Utrechtse student-dichters: Jan Hinlopen, J.P. Kleyn en Jacobus Bellamy.

Intussen was er in Van Alphens positie verandering gekomen. Hij hertrouwde, en werd in 1780 benoemd tot procureur-generaal bij het Provinciale Hof van Utrecht. In 1789 verhuisde hij als stadspensionaris naar Leiden en in 1793 volgde zijn benoeming tot thesaurier-generaal der Unie, zodat een nieuwe verhuizing naar 's-Gravenhage noodzakelijk was. Door al deze, steeds aanzienlijker, functies raakte hij, overigens overtuigd orangist, meer dan hem lief was betrokken bij de heftiger wordende politieke twisten van die dagen. Bij de komst van de Fransen in 1795 nam hij ontslag om de rest van zijn leven als ambteloos burger in Den Haag te slijten.

Na 1787 is Van Alphens rol als literair vernieuwer vrijwel uitgespeeld. Zijn ambtelijke werk liet weinig tijd over voor poëziebeoefening. Wat echter zwaarder woog was zijn steeds duidelijker wordende aversie tegen het moderne paganisme dat hij in de figuur van Voltaire belichaamd zag. Met ontzetting zag hij, hierin gesteund door zijn zwager Van Goens, dat de dreigende ondergang

[p. 47]

van de christelijke kerk aanstaande was. Achter de schermen trachtte hij, vooral na 1795, een evangelische contra-verlichting op gang te brengen, waarmee hij andermaal op het 19de-eeuwse réveil vooruitliep. Dezelfde bedoeling zat voor bij een reeks geschriften die Van Alphen sedert 1787 uitgaf, o.a. De waare volksverlichting met opzigt tot godsdienst en staatkunde beschouwd (1793), Kleine bijdragen tot bevordering van wetenschap en deugd (1796), Predikt het evangelium allen creaturen (1801) en niet te vergeten zijn Proeve van liederen en gezangen voor den openbaaren godsdienst (2 dln., 1801-1802), waaruit menige tekst nadien werd opgenomen in de officiële bundel Evangelische gezangen ten dienste van de Nederlands-Hervormde Kerk (1805). Zo eindigde van Alphens literaire loopbaan zoals zij begon: met stichtelijke poëzie.

Van Alphens plaats in het geestelijke en culturele leven van zijn tijd was in hoge mate paradoxaal. Van nature geneigd alle risico's te vermijden, zelfs op het conservatieve af, heeft hij toch in drieërlei opzicht een vernieuwing ingeluid: als lyricus en kinderdichter, als kunsttheoreticus en als geestelijke vader van het réveil.

Uitgaven:

J.I.D. Nepveu (ed.), Dichtwerken van mr. H.v.A.; volledig verzameld en met een levensbericht van den dichter verrijkt, 3 dln. (1838-1839, 18713); P.J. Buijnsters (ed.), Bloemlezing uit het werk van H.v.A. (z.j. 19722).

Literatuur:

H.J. Koenen, H.v.A., als christen, als letterkundige en staatsman (1844); H. Pomes, Over V.A.'s kindergedichtjes (1908); A.C.S. de Koe, V.A.'s literair-esthetische theorieën (1910); P.J. Buijnsters, H.v.A. (1973), biogr.; Idem, `H.v.A. als briefschrijver', in Spiegel Historiael, 9 (1974).

 

[P.J. Buijnsters]