Bake, AlijtMiddelnederlandse schrijfster (Utrecht of omgeving 13.12.1415-Antwerpen (?) 18.10.1455). Zij trad in in het klooster Galilea in Gent (reguliere kanunnikessen van Augustinus). Als jonge novice bracht haar mystieke verhouding met God haar in conflict met haar overste en met haar omgeving, maar na enkele wonderbare voorvallen sloeg de stemming in het klooster in haar voordeel om. In 1440 werd zij geprofest, in 1445 reeds tot priores gekozen. Enkele jaren later viel zij in ongenade, werd uit het klooster verbannen en stierf in ballingschap. De vier wegen der passie (vóór 1441?) is de uitwerking van een visioen dat zij op hemelvaartsdag had. Het boexken vander passien ons heren (eerste jaren na 1445) verscheen onder de naam van de minderbroeder Frans Vervoort, onder de titel Bruygoms mantelken (na 1554). Kloosteronderrichtingen (1446) zijn preken, gehouden voor de haar toevertrouwde zusters van Galilea: vijf sermoenen voor palmzondag, bedoeld als verklaringen en toevoegingen bij een tweetal preken van Jordanus van Quedlinburg. Autobiografie (1451) beschrijft zeer nauwkeurig haar zieleleven en zo komt het dat over geen andere Dietse auteur zoveel (vooral psychologische) bijzonderheden bekend zijn. Haar stijl in deze autobiografie verraadt minder zorg voor de vorm dan elders in haar werk, maar kenmerkt zich door zijn meeslepende vaart. Literatuur:S. Axters, Gesch. van de vroomheid in de Nederlanden, dl. 3 (1956); R. Lievens, `A.B. van Utrecht', in Nederl. Archief voor Kerkgesch., 42 (1957-1958); E. Persoons, `Enkele nota's over drie hss. van Ruusbroec en A.B.', in Ons Geestelijk Erf, 40 (1966); R. Lievens, `Een vijfde hs. van A.B.'s Vier kruiswegen', in Idem, 40 (1966); B. Spaapen, `Middeleeuwse passiemystiek', in Idem, 40-43 (1966-1969).
|