Eekhout, Jan Hendrik

Nederlands dichter en prozaschrijver (Sluis 10.1.1900-Amsterdam 6.3.1978). Behoorde als protestants-christelijk schrijver met zijn vroege poëzie tot de kring van Opwaartsche wegen. Debuteerde met de bundel Louteringen (1927). Dreef in de jaren dertig steeds meer in de richting van het nationaal-socialisme. Schreef in die tijd vooral `volks' proza, waarin een zwakke afschaduwing van `Blut und Boden'-theorieën een rol speelt. Daarbij richtte hij zich als Zeeuwsvlaming vooral op de Vlaamse gebieden, getuige de roman Leven en daden van Pastoor Poncke van Damme in Vlaanderen (1941) en zijn bewerking van De waarachtige historie van Tijl Uilenspiegel in Vlaanderen (1940). In de oorlog werd hem de Meesterprijs 1941 voor zijn proza toegekend. Intussen werd hij beschuldigd van plagiaat en raakte in een felle polemiek verwikkeld met G.H. 's-Gravesande.



[p. 189]

Na de oorlog trachtte hij zich te rehabiliteren in Vlucht naar de vijand (1954), waarmee hij de jarenlange stilte rond zijn persoon verbrak.

Werken:

Doodendansen (1929), p.; Jaspis en Jade (1929), p.; Machten (1930), pr.; Wijn (1930), p.; Branding (1931), p.; Doolagiën (1932), p.; Drieluik der zonde (1932), nov.; Gilgamesj (1933), p.; De boer zonder God (1933), pr.; Geuzen (1934), nov.; Patriciërs (1935), pr.; Osmaansche strofen (1936), p.; Aarde en brood (1936), pr.; Warden, een koning (1937), pr.; Magie der aarde (1938), p.; Wit bericht aan de wereld (1938); Klein tusschenspel (1938); Hafische strofen (1938), p.; Harmonica (1938); De anti-christ (1939), p.; Kalevala (1940), p.; Solaas (1940), p.; Ainyahita (1942), p.; Noorderlicht (1942), p.; De zanger van de nacht (1942), p.; De ondergang van de Waerdijcke (1957), pr.; Eiland in ballingschap (1957), pr.

Literatuur:

B. Delfgaauw, `J.H.E.', in De Gemeenschap, 14 (1938); M. Gijsen in Verzameld werk, dl. 6 (1977).

 

[G.J. van Bork]