Toorn, Willem Peter vanNederlands dichter en prozaschrijver (Amsterdam 4.11.1935). Opgeleid voor chemisch-analist en onderwijzer en in die laatste functie werkzaam in Dwingeloo. Voorts enige tijd redacteur bij een uitgeverij. Debuteerde in 1959 met de novelle De explosie, in 1960 gevolgd door de novelle De feesten zijn voorbij. In afwisseling met dit proza schreef hij poëzie die gebundeld werd in Terug in het dorp (1960) en Kijkdoos (1962). Van Toorns proza wordt gekenmerkt door een zakelijke stijl en een licht ironische toets. Het duidelijkst komt dit tot uiting in het verhaal De neger (1966), een van de langste verhalen uit de gelijknamige bundel. Veel somberder is echter zijn romandebuut De toeschouwers (1963), dat speelt in de Drentse omgeving waar hij als onderwijzer werkzaam was. Ook Van Toorns poëzie is doortrokken van wat wel genoemd is `liefdevolle ironie'. Daarbij staat het thema zekerheid en de relativering daarvan centraal. In 1977 maakte hij een keuze uit zijn tot dan toe verschenen poëzie in Herhaalde wandeling, gedichten 1960-1975. Ook van een keuze uit zijn verhalen verschenen bundelingen in Een opstand (1980) en Pestvogels en andere verhalen (1980). Zijn poëziebundel Het landleven (1981) werd bekroond met de Jan Campertprijs. Van Toorn vertaalde voorts veel uit het Engels, o.m. werk van Huxley, Isherwood en Updike. Werken:Landschap voor een dode meneer (1968), p.; Twee dagreizen (1969), pr.; Simulatiespel (1973), p.; Bataafsche arcadia (1974), pr.; Aan de rivier (1974), pr.; De lotgevallen van Sebastiaan Terts (1978), pr.; Een kraai bij Siena (1979), p.; Omtrent Kapelaan en andere verhalen (1985). Literatuur:W.A.M. de Moor, in Meester en leerling (1978); J. Diepstraten, Bzzlletin, 10 (1981-1982), interview; Vl. Gids, 66 (1982), W.v.T.-nummer; R. Schouten, in Jan Campertprijzen 1982 (1982).
|