|
|
|
| |
Campert, Remco (Wouter)
Nederlands dichter en prozaschrijver ('s-Gravenhage
28.7.1929), zoon van Jan Campert. Hij was redacteur en medeoprichter van het
tijdschrift Braak (1950-1951), redacteur van Podium (1954-1955 en
1960-1969) en Tirade (1957). Verwierf de Reina Prinsen Geerligsprijs
(1953), de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor Gedicht met een
moraal (1955), de Jan Campertprijs (1956), de Novelleprijs van de gemeente
Amsterdam (1959) en de P.C. Hooftprijs 1976 (uitgereikt 1979). In opdracht van
het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen schreef hij een
| | | | lang gedicht Solo (gedeeltelijk gepubliceerd in
Podium, 1962); hij vertaalt veel en schrijft ook kinderboeken. Hij
debuteerde in 1951 als dichter met de bundel Vogels vliegen toch, en in
1961 als romanschrijver met Het leven is verrukkulluk. In december 1961
begon hij in Podium een dagboek, `Uit een schrijversbestaan', en
publiceerde in datzelfde nummer drie surrealistische dramatische schetsjes,
`Half-akters'.
Als dichter is hij de meest gematigde vertegenwoordiger
van de experimentele richting; zijn poëzie treft men aan in de
bloemlezingen Atonaal (1951) en Vijf 5tigers (1955). Rodenko
definieerde haar als `vrije, parlante poëzie', vaak met `een naïeve
openheid'. De verhalen en romans worden gekenmerkt door een lichte en ironische
verteltrant, met een ondergrond van ernst en melancholie. Zijn werk speelt zich
bij voorkeur af binnen artiestenmilieus in Parijs of Amsterdam; vrouwen,
feesten en drank spelen er de hoofdrol in, zonder dat zij aan de hoofdpersonen
een levensvervulling bieden. Campert moraliseert niet, maar de wrangheid is
vaak aangrijpend.
| |
Werken:
Een standbeeld opwinden (1952), p.; Berchtesgaden
(1953), p.; Eendjes voeren (1954), verh.; Het huis waarin ik
woonde (1955), p.; Met man en muis (1955), p.; Alle dagen
feest (1955), verh.; De jongen met het mes (1958), verh.; Bij
hoog en bij laag (1959), p.; Een ellendige nietsnut (1960), verh.;
Dit gebeurde overal (1962), p.; Liefdes schijnbewegingen (1963),
r.; Hoera, hoera (1965), p.; Het gangstermeisje (1965), r.;
Nacht op de kale dwerg (1965), verh.; Mijn leven's liederen
(1968), p.; Fabeltjes vertellen (1968), verh.; Tjeempie! of Liesje in
Luiletterland (1968), r.; Hoe ik mijn verjaardag vierde (1969),
verh.; Betere tijden (1970), p.; Na de troonrede (1980), verh.;
De Harm en Miepje Kurk story (1983), pr.; Scènes in Hotel
Morandi (1983), p.
| |
Uitgaven:
C. compleet (1971), alle verh.; Alle bundels gedichten,
1951-1970 (1976, 19833).
| |
Literatuur:
C. Lennart, in Op schrijvers voeten door Nederland (1955);
P. Rodenko, Tussen de regels (1956); M. Rutten, `R.C. of poëzie als
daad van bevestiging', in De Vl. Gids (1959); P.H. Dubois, in Het
boek van nu (1962); W. Hazeu en C. Holst, in 40+ literaire
radioportretten (1969); E. de Jong en J. Groot, in Schrijversportretten
uit de Haagse Post (1975); M. Dupuis, `Neo-realisme en experiment met
verhaalsvormen: R.C.'s Schijnbewegingen', in Spiegel der Lett. (1975);
F. van Campenhout, R.C. (Grote ontmoetingen, 33, 1979); H. Scholten,
Een aanslag op de ouderdom (1979); De Vl. Gids, 64 (1980),
R.C.-nummer.
[W.J.C. Buitendijk]
|
|
|