De Nederlandse en Vlaamse auteurs


auteur: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse


bron: G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Elsschot, Willem

Ps. van Alfons Jozef de Ridder, Vlaams prozaschrijver en dichter (Antwerpen 7.5.1882-ald. 31.5.1960). Groeide op in Antwerpen waar hij, na enkele jaren atheneum, werd opgeleid aan het Hoger Handelsgesticht. Daarna werkzaam op kantoren in Parijs (1907), Rotterdam (1908-1910) en Brussel. Na wo i stond hij aan het hoofd van een eigen reclamebureau.

Zijn belangstelling voor literatuur, al in zijn schooltijd ontstaan, blijkt o.m. uit het feit dat hij in 1901 deel uitmaakte van de jongerengroep rondom het blad De Alvoorder. Ook gedurende zijn actief bestaan als zakenman bleef hij schrijven. Er ontstond een aantal werken met een eigen, onmiddellijk te herkennen cachet, waarin achter de laconieke en wrange humor een sterke bewogenheid schuilgaat. Het is alsof de hardheid van het menselijke lot en van de wereld, zoals hij dit uit de praktijk had leren kennen, hierin wordt afgereageerd. Zijn romans, die zich gewoonlijk in de zakenwereld of in het huiselijk milieu afspelen, zijn meestal door eigen belevingen geïnspireerd. Maar deze zijn gesublimeerd tot een unieke vormgeving in een geconcentreerde stijl waarmee in de verte slechts de humor te vergelijken is uit het latere werk van Gijsen of Brulez. Uit het werk spreekt zijn medegevoel met de kleine man, zijn gebondenheid aan het eigen gezin en een grote verering voor de moeder en de toegewijde vrouw. Dit gevoel ligt verscholen achter een laconieke constatering van de werkelijkheid.

Reeds in zijn Parijse en Rotterdamse periode schreef hij enkele gedichten; ze werden bewaard door zijn vriend Ary Delen en in Forum gepubliceerd. Wonderlijk genoeg sloten ze aan bij de literaire stijl van `dertig'. Als Verzen van vroeger werden ze in 1934 gebundeld, later uitgebreid en herdrukt als Verzen (1943).

Even onafhankelijk van de heersende literaire mode als de gedichten van 1908 was ook de in 1910 geschreven en in 1913 gepu-

[p. 192]

bliceerde roman Villa des Roses. Herinneringen uit zijn Parijse tijd vormen de achtergrond van deze geschiedenis van gefrustreerde levens in een pension.

Pas in 1921 publiceerde hij weer twee romans: Een ontgoocheling (geschreven in 1914) behandelt het dubbele fiasco van een burgerman wiens zoontje op school mislukt (zoals Elsschot op het atheneum, zij het minder catastrofaal), en die zelf wordt uitgerangeerd als voorzitter van een kaartclub. De verlossing behandelt de noodlottige vete tussen twee keiharde karakters: een winkelier-vrijdenker en een dorpspastoor, met als triest naspel het verdere leven van de bigotte dochter die voor de zonden van haar vader wil boeten. Met Lijmen (1924) beginnen de ik-romans, waarin de schrijver zich vertoont in de gedaante van de schuchtere, in de grond fatsoenlijke Frans Laarmans, met als zijn alter-ego de doorgewinterde zakenman Boorman. Hoewel de literaire waarde van Lijmen tegenwoordig niet meer wordt betwijfeld, was de weerklank ten tijde van de publikatie gering.

Lange tijd deed de auteur niet meer van zich horen, totdat hij tien jaar later op instigatie van Greshoff tot nieuw werk kwam. Vooral door de invloed van het tijdschrift Forum kreeg hij van toen af de waardering die hij verdiende. Met Kaas (1933) herleefde de verteller Laarmans als de eenvoudige handelscorrespondent die zich een agentuur laat aanleunen. De roman is een kostelijke persiflage op de snobistische, maar in wezen zo beperkte bonvivants die de zakenwereld bevolken, de vriendenkring van Schoonbeke. Een jaar later volgde Tsjip, waarin Laarmans' dochter (evenals die van Elsschot) na veel hindernissen trouwt met een Poolse jongen. Laarmans kan zijn geluk niet op als dan zijn kleinzoon, die hij `Tsjip' noemt, komt logeren. Pensioen (1937) verhaalt op wrange wijze de misplaatste liefde van een moeder voor haar krijgsgevangen zoon die, ironie van Elsschot, in den vreemde aan griep sterft, waarna verwikkelingen volgen rond een pensioentje tussen haar en de ongehuwde moeder van haar kleinkind.

Het aan Menno ter Braak opgedragen Het been (1938) sluit aan bij Lijmen, zoals De leeuwentemmer (1940) een vervolg genoemd kan worden op Tsjip. In de novelle Het tankschip (1942) zien we hoe het uitbreken van wo ii rijkdom brengt aan een commercieel aangelegde zwager van Laarmans.

Met de novelle Het dwaallicht (tijdens de oorlog geschreven, in 1946 uitgegeven) besloot de auteur zijn literaire werk, dat ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag in 1957 werd bijeengebracht in het Verzameld Werk, en dat sindsdien enkele malen werd herdrukt.

Elsschot werd onderscheiden met de Letterkundige prijs van de provincie Antwerpen (1934), de Interprovinciale prijs (1938), de Driejaarlijkse staatsprijs voor het proza (1948) en de Constantijn Huygensprijs (1951). Zijn werken werden vertaald o.a. in het Duits, Frans, Tsjechisch en Deens.

Uitgave:

A. Kets-Vree (ed.), Zwijgen kan niet verbeterd worden (1979), autobiog. in briefvorm.

Literatuur:

G.H. 's-Gravesande, Sprekende Schrijvers (1935); F. Smits, W.E. (1942, verm. herdr. 1952); F. Butens, W.E. (1951); G. Stuiveling, W.E. (1960); A. van der Veen, `W.E. tussen Boorman en Laarmans', in Rotterdams Accent (1961); Bibeb, `Walter de Ridder: ik heb mijn vader nooit uitbundig horen lachen', in Bibeb en Vip's (1965); H. Lampo, `W.E., of van miskenning tot onaantastbare waarde', in De Ring van Möbius (1969); Kijk, W.E. De schrijver in beeld (1970); K. Jonckheere, `W.E. De geloogde romanticus', in Toon mij hoe je schrijft (1972); E. Jong en J. Groot, `De echte Laarmans en Boorman', in Schrijversportretten uit de Haagse Post (1974); S. Carmiggelt, Notities over W.E. (1975); B. Samson, `Boormans ware aard', in Tirade, 20 (1976); Ph. Muysson, e.a., Bzzlletin, 5 (1976-1977), W.E.-nummer; B.F. van Vlierden, W.E. Grote Ontmoetingen, 16 (19772); G. Marks-van Lakerveld, Over `Lijmen/Het been' van W.E. (1977); R. Vervliet, Het dwaallicht achterna (1977); R.A. Cornets de Groot, `Over Greshoff en E.', in De kunst van het falen (1978); V. van de Reijt, in Aarts' letterkundige almanak voor het W.E. jaar 1982 (1981); A. Kets-Vree (ed.), Over W.E. (1982).

 

[G.W. Huygens]