De Nederlandse en Vlaamse auteurs


auteur: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse


bron: G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 233]

Groot, Hugo de

Ook Hugo Grotius, Noordnederlands dichter, prozaschrijver, jurist, theoloog, filoloog, historicus en staatsman (Delft 10.4.1583-Rostock 28.8.1645). Zijn activiteiten en publikaties (in het Grieks, Neolatijn en Nederlands) bestrijken een breed terrein en vormen de reflectie van een levenslange brede belangstellingssfeer. Deze is niet slechts de vrucht van zijn rijke en veelzijdige talenten, maar evenzeer van de humanisten-paideusis, die een brede ontwikkeling beoogde en daarbij sterk literair was gericht. Grotius' specifieke talenten sloten zeer wel aan bij deze benadering. Begeleid door de beste leermeesters heeft hij optimaal kunnen profiteren van de hem geboden kansen. Als literator en wetenschapsmens past hij in het beeld van zijn tijd: bij polyhistoren als J.J. Scaliger en G.J. Vossius, die uitzonderlijke eruditie paarden aan grote werkkracht en een zeer getraind geheugen aan rijke belezenheid. Hun manier van werken richtte zich echter eerder op inventarisatie, systematisering en analyse van het vele ongeordende, dan op het ontsluiten van nieuwe terreinen.

Ook Grotius was niet primair een vernieuwer. Zijn veelzijdig vernuft evenwel deed hem streven naar het al-omvattende op versch. terreinen: het samenbrengen van alle hem bekende rechtstradities binnen een universeel geldend systeem, dat de betrekkingen tussen de volkeren regelde (De jure belli ac pacis, 1625), de hereniging der kerken op basis van de leer der kerkvaders (De veritate religionis christianae, 1627; Via ad pacem ecclesiasticam, 1642), en de ontsluiting van de klassieke Griekse literatuur voor het Europese humanisme (Excerpta ex tragoediis et comoediis Graecis, 1626; Anthologia Graeca). Ambitieus in alles wat hij ondernam, stelde hij zich hoge idealen, werkend vanuit de ambtelijke en politieke realiteit. Dit streven naar hervorming werkte hij nagenoeg gelijktijdig uit vanuit een coherent mens- en maatschappijbeeld, wsch. vooral gegroeid in de periode van zijn gevangenschap (1618-1621), die ontegenzeggelijk een verdieping van zijn denken heeft betekend. Na 1620 vertonen zijn werken een programmatische aanpak die vóór die tijd niet concreet aanwijsbaar is, hoewel versch. elementen reeds eerder aanwezig zijn, bijv. in De jure praedae, waarin het Mare liberum (geschreven 1604-1608), in talrijke beden voor vrede in zijn jeugdpoëzie en in de vele vertalingen van Griekse lyriek uit zijn jeugd. Met name het tussen 1600 en 1604 geschreven Parallelon Rerumpublicarum, een groots opgezette vergelijking van de Griekse, Romeinse en Hollandse maatschappij (slechts gedeeltelijk bewaard) vormt een vroege blijk van zijn maatschappijfilosofie.

Een wezenlijk element bij zijn publikaties was de vormgeving van het werk. Uit al zijn geschriften spreekt de literator: in de ordening van de stof, de zeer verzorgde en heldere stijl, de virtuositeit van uitdrukking, maar ook bijv. in de toepassing van klassieke citaten en beelden. Vaak laat hij zich leiden door concrete modellen en genretradities, in zijn poëzie vooral door de laat-antieke dichters. Voor zijn hoofdwerk op historisch terrein, de Annales et Historiae (uitg. 1657), waarin hij de opstand der noordelijke gewesten beschrijft tot het bestand (1609), koos hij (evenals Hooft voor diens Historiën) Tacitus als model. Zijn gehele leven schaafde hij aan de stilering van dit werk. Deze zeer geslaagde imitatio toont Grotius' meesterschap als historicus en literator. Ook zijn juridische en theologische traktaten geven blijk van een bij uitstek literaire benadering. In zijn Nederlandstalige juridische geschriften verrichtte hij bovendien baanbrekend werk voor de vorming van een Nederlandse rechtstaal (Inleiding tot de Hollandsche rechtsgeleertheyd, 1631). Aan de Leidse universiteit (1594-1598) volgde hij colleges van Scaliger, Vulcanius en Fr. Junius. Heinsius, Meursius, Scriverius, Baudius en de Dousa's waren zijn vrienden; Frederik Hendrik en C. van der Myle naaste collega's. Met de Haagse kringen rond Maurits en Oldenbarneveldt onderhield hij vanuit zijn familietraditie nauwe contacten. Grotius' eerste publikaties zijn de vrucht van zijn literaire en filologische scholing. In 1599 verzorgde hij een kritische tekstuitgave van het Satyricon, een in de me populaire kosmologische verhandeling van de laat-antieke compilator Martianus Capella. Een jaar later volgden de Phaenomena, astronomische fragmenten van de Griekse dichter Aratus. Hij vertaalde Simon Stevins Havenvinding in het Latijn (Limenheuretike, 1601).

Ook als dichter maakte hij in deze jaren opgang. Hij vervaardigde veel gravure-poëzie voor allegorische, bijbelse en militaire prenten van J. de Gheyn, de gebroeders Dolendo en F. Balthasar. De politieke ont-

[p. 234]

wikkelingen volgde hij nauwgezet in zijn Scutum Auriacum (1597), Pontifex (1598) en Mirabilia (1600). In 1601 verscheen een eerste bundel poëzie (Sacra), waaronder de bijbelse tragedie Adamus exul, die getuigt van zijn streven het humanistendrama te vernieuwen; dit in nauwe samenwerking met Daniël Heinsius, wiens eerste drama Auriacus het jaar daarop verscheen.

De afsluiting van zijn universitaire opleiding vormde een `promotie' in de rechten eind 1598 in Orléans (waar Grotius vertoefde in het gevolg van een gezantschap onder Oldenbarnevelt), een niet ongebruikelijk eerbewijs voor talentvolle én voorname jongelieden. Veel gerichte juridische studie lijkt aan dit doctoraat niet te zijn voorafgegaan. In 1599 vestigde Grotius zich op instigatie van zijn vader Jan de Groot als advocaat in Den Haag. In zijn poëzie en correspondentie uit die tijd spreekt hij dikwijls over de sleur van het werk en de povere vakethiek onder zijn collega's. Op voordracht van Oldenbarneveldt werd Grotius eind 1601 benoemd tot historieschrijver der Staten, om de geschiedenis van de opstand te beschrijven. Vijf jaar werkte hij aan deze opdracht, die resulteerde in zijn Parallelon, De antiquitate (1610) en de Annales et Historiae. Uit zijn jeugdperiode zijn dit wsch. de vruchtbaarste jaren geweest.

In zijn gedichten reageert hij op versch. politieke, sociale en familiegebeurtenissen: lofdichten op Maurits (Genealogia Nassovii, 1601; Mauritsepigrammen, 1599-1603; Mathematica principis, 1603) en op Jacobus i van Engeland (Inauguratio, 1603), huwelijkspoëzie voor vrienden (De Bie, Martini, Van Kinschot, Van der Myle, Brederode, Potteii, Boreel) en epicedia, o.m. de aangrijpende verzen bij het overlijden van zijn broer Frans en de troostrede daarbij voor zijn vader (1604). Hij schreef in deze periode zeer veel epigrammen, vaak in reeksen: het Instrumentum Domesticum (112 disticha op het huishouden, 1602-1603), de Zeilwagenpoëzie (1603), de kwatrijnen op Maurits' veldtochten en de Erotopaegnia Catulliana (1606-1608). Vrijwel alles wat hij in deze jaren schrijft is speels, vol humor en uiterst vernuftig: zijn briljante correspondentie met Heinsius, zijn poëzie, en met name gedeelten uit zijn Parellelon. De stijl is overwegend sententieus, vol antithese en woordspel.

Aan deze periode komt een einde in 1608-1609. Eind 1607 wordt hij benoemd tot advocaat-fiscaal bij de Staten, in de zomer van 1608 treedt hij in het huwelijk met Maria van Reigersberch. Klachten over gebrek aan tijd en rust worden deze jaren frequenter, de correspondentie wordt zakelijker, de poëzie valt nagenoeg weg. De tragedie Christus patiens die hij in 1608 aan zijn vrouw opdraagt kan worden beschouwd als het sluitstuk van deze levensfase, tevens een der hoogtepunten in zijn poëtische oeuvre. Het is een leesdrama in senecaanse trant, geschreven vanuit een diepe bewogenheid, verfijnd van stilering en structuur. Het stuk geeft blijk van de literair-theoretische studie die hij met Heinsius in de voorgaande jaren had gemaakt, door Heinsius neergelegd in De tragica constitutione (1611).

Zich distantiërend van zijn jeugdige `lusus' en de vrijblijvende gelegenheidspoëzie verzette hij zich zelfs eind 1615 tegen het plan van zijn broer Willem en G.J. Vossius zijn jeugdpoëzie gebundeld uit te geven. Slechts de overtuiging dat deze anders buiten zijn medeweten (en dan wsch. verminkt) toch zou verschijnen, deed hem tenslotte instemmen met de Poemata Collecta 1617 (eind 1616 verschenen). Van de licht vermeerderde latere uitgaven van 1639 en 1645 heeft hij zich gedistantieerd. In de jaren 1604-1608 schreef Grotius ook zijn eerste juridische traktaten De jure praedae (gedrukt in 1868) en het daaruit omgewerkte hoofdstuk Mare liberum, dat in 1609 afzonderlijk verscheen. Hij ondernam deze in zijn functie van advocaat der Verenigde Oostindische Compagnie, ter zake van de geschillen die het opbrengen van Spaanse en Portugese kraken met zich bracht en die tot principiële uitspraken inzake de vrijheid van handel op de wereldzeeën noopten. Grotius' overtuigingskracht in woord en geschrift maakte hem vanaf dat moment tot de ideale pleitbezorger voor de politiek der Staten. In 1613 werd hij aan het hoofd gesteld van een missie die Jacobus i van Engeland voor de politiek der Staten tegen de Spaanse agressor moest winnen. Grotius bepleitte bij deze gelegenheid tevens een initiatief van de koning tot een kerksynode. Bij terugkeer wachtte hem het pensionarisschap van Rotterdam (1613), een functie die hem definitief aan de Staten van Holland en aan de persoon van Oldenbarnevelt bond.

De vóór het bestand van 1609 sluimerende en sedertdien toenemende kerkelijke twisten eisten daarna al zijn aandacht. In

[p. 235]

samenwerking met zijn vriend, de theoloog G.J. Vossius, streed Grotius in menig geschrift voor het bijleggen van de geschilpunten (Decretum ordinum, 1614; Bona fides Lubberti, 1614; Verclaringhe van de Staten, 1617; Defensio fidei, 1617). Naarmate evenwel de geschillen duidelijker politieke implicaties kregen, ondermijnde juist Grotius' politieke gebondenheid - zeker sedert zijn lidmaatschap der Gecommiteerde Raden (1617) - zijn overtuigingskracht (vgl. de afloop der gebeurtenissen, mede verhaast door de `scherpe resolutie' der Staten in 1617). Op 29 augustus 1618 werd hij gearresteerd, op 18 mei 1619 tot levenslange gevangenschap veroordeeld met verbeurdverklaring van zijn bezittingen en naar de staatsgevangenis Loevestein overgebracht. Daarmee zette een periode van intense bezinning en religieuze verdieping in.

Tijdens zijn gevangenschap (hij ontsnapte op 22 maart 1621) richtte hij zich op de Nederlandse gewijde poëzie. Hij schreef zijn Bewys van den waren godsdienst, een apologie van het christendom voor de zeeman die met hem vreemde godsdiensten in aanraking kwam, een gedicht dat grote furore maakte en in veel talen (zelfs in het Arabisch, Hongaars en Welsh) werd vertaald; voorts de T'samensprake over den doop (1618), later in het Latijn omgezet tot Baptizatorum puerorum institutio (1635), de Christelijcke betrachtinghe des lijdens Christi (1619) en vele bijbelparafrasen en gebeden, w.o. het Vader-ons (1619). Zijn befaamde Inleiding tot de Hollandsche rechtsgeleertheyd werd eveneens in deze jaren geschreven. Voor vele latere uitgaven (Stobaeus, 1623; Excerpta, 1626; Anthologica Graeca) legde hij de grondslag.

Na zijn ontsnapping woonde hij bijna tien jaar in Parijs, vergeefs wachtend op eerherstel. Uit deze jaren dateren zijn belangrijkste geschriften: zijn magnum opus De jure belli ac pacis (1625) en De veritate religionis christianae (1627), prozabewerking van het Bewijs. In 1626 verschenen de Excerpta van de Griekse toneeldichters en in 1630 zijn tekstuitgaven en Latijnse vertaling van Euripides' Phoenissae, voorzien van een theoretische inleiding die zijn definitieve overgang van de senecaanse leer naar de Griekse toneelopvatting markeert. Broederstrijd en ballingschap vormen het thema van dit stuk, dat Grotius als het hoogtepunt van de klassieke toneelliteratuur zag.

In 1630 waagde Grotius de terugkeer naar het vaderland. Verkenningen van zijn vrouw Maria, de invloed van vrienden (Vossius, Vondel, Hooft) en de oude band met Frederik Hendrik, wiens militaire successen hij in zijn historisch traktaat Grollae obsidio (1629) had geprezen, leken daartoe de weg geëffend te hebben. De stemming onder de contraremonstrantse leiders bleek echter nog te verbeten en na een half jaar moest Grotius het land opnieuw, en nu voorgoed, verlaten. In Hamburg bracht hij de moeilijkste jaren van zijn leven door. Hij schreef er zijn derde tragedie, Sophompaneas, over Jozef in Egypte. Het stuk werd nog datzelfde jaar door zijn zoon Pieter in het Nederlands vertaald en door Vondel bewerkt.

In 1635 aanvaardde Grotius de functie van ambassadeur voor de Zweedse kroon in Parijs. Tien jaar lang beijverde hij zich op deze post voor herstel van de vrede in Europa en voor de hereniging der kerken (Votum pro pace ecclesiastica, 1642). Naast exegetische werken (Annotationes Novi Testamenti, 1641 en 1646, Annotata ad Vetus Testamentum, 1644, Uitlegginghe sentbriefs Ioannes, 1644) schreef hij juridische traktaten (Florum sparsio Justiniani, 1642), verrichtte hij filologische arbeid (Lucanus, 1636 en 1643, herziening van de uitg. 1614; Tacitus, 1640; De fato, uitg. 1648; Anthologia Graeca, uitg. 1795-1822) en schreef hij een pendant van de Annales et Historiae voor zijn tweede vaderland (Historia Gotthorum, Vandalorum et Langobardorum, uitg. 1655) en traktaten (De origine gentium Americanarum, 1642 en 1643).

In het voorjaar van 1645 reisde hij over Amsterdam, waar hij eervol werd ontvangen, naar Stockholm. Die zomer nam hij ontslag uit Zweedse dienst. Op de terugreis leed hij schipbreuk en overleed te Rostock aan de gevolgen hiervan. Zijn lichaam werd overgebracht naar Delft.

Uitgaven:

Sacra in quibus Adamus Exul (1601); Christus patiens (1608); Poemata collecta (1617, 1639, 1639 en 1645, 1670); Sacra, w.o. Sophompaneas (1635); H. de Bosch (ed.), Anthologia Graeca, 4 dln. (1795-1822); J. de Vries, H. de G.'s Nederduitsche Gedichten (1844); P.C. Molhuysen (ed.), De briefwisseling van H.G., dln. i en ii (1928 en 1936); B.L. Meulenbroek (ed.), Idem, dln. iii-x (1961-1976); Idem, De dichtwerken van H.G. (vanaf 1970), vert. en comm., 4 dln. verschenen: Sacra 1601, Juvenilia dispersa, 2 dln. en Christus Patiens; A.C. Eyffinger, Inventory of the Poetry of H.G. (1982).

Literatuur:

J. Meursius, Illustris Academia Lugd. Bat. (1613), autobiogr.; C. Brandt en A. Catten-

[p. 236]

burgh, Historie v.h. leven des heeren H. de G. (1727); S. Vissering, `De rechts-taal van H. de G.'s Inleiding', in Versl. Kon. Akad. (1883); A. Kluyver, `H. de G. als verdediger v. onze moedertaal', in Versl. Meded. Kon. Vl. Acad. Taal- en Letterk. (1901); A. Schroeter, Beitrage z. Gesch. neulat. Poesie Dtschl. u. Holl. (1909); H. Kampinga, De opvatt. over onze vaderl. gesch. bij de Holl. historici der 16-17e e. (1917), diss.; H.C.A. Muller, H. de G.'s Annales et Historiae (1919), diss.; W.S.M. Knight, The life and Works of H.G. (1925); J. Huizinga, in Tien Studiën (1926); E.H. Bodkin, `The Minor Poetry of H.G.', in Transact. Grot. Soc., xiii (1928); Idem, `The Adamus Exul of H.G.', in Grotiana, iv (1931); G. Ellinger, Gesch. der neulat. Lyrik i.d. Niederl. v. Ausg. 15. b.z. Beginn 17. Jhs. (1933); C. van Vollenhoven, `De G.'s Sophompaneas', in Verspr. Geschr., i (1934); O. Kluge, Die Dichtung des H.G. in Rahmen der neulat. Kunstpoesie (1940); C.W. Roldanus, H. de G.'s Bewijs van den waren godsdienst (1944); W.J.M. van Eysinga, H. de G., een schets (1945); A.H. Haentjes, H. de G. als godsdienstig denker (1946); A. Romein-Verschoor, Vaderland in de verte (1948), r.; P.J. Meertens, `De G. en Heinsius en hun Zeeuwsche vrienden', in Arch. Zws. Gen. Wet. (1940-1950); W.A.P. Smit, Van Pascha tot Noah, dln. i en iii (1956-1962); A.C. Eyffinger, `Christus Patiens, ter inleiding', in Dichtw. H.G., i 2a/b 5 (1978); Idem, Grotius Poeta, aspecten van H.G.'s dichterschap (1981), diss.

Bibl.: H.C. Rogge, Biblioth. Grotiana (1883); J. ter Meulen, Concise Bibliogr. of H.G. (1925); Grotiana, i-x (1928-1947); E.A. van Beresteyn, Iconographie van H.G. (1929); bovengenoemde bibl. alle verwerkt in J. ter Meulen en P.J.J. Diermanse, Bibliogr. des écrits imprimés de H.G. (1950).

Manuscr.: W.J.M. van Eysinga en L.J. Noordhoff, Catalogue des manuscrits autographes de H.G. (19522); L.J. Noordhoff, Beschrijving v.h. zich in Ndl. bevindende en nog onbeschreven gedeelte der papieren van H. de G. (1953); J. ter Meulen en P.J.J. Diermanse, Bibliogr. des écrits sur H.G. (1961); Grotiana, New Ser. i e.v. (vanaf 1980); A.C. Eyffinger, `Het Ms. Pap. 10, een merkwaardig kladschr. van H. de G.', in LIAS, vii (1980).

 

[A.C. Eyffinger]