De Nederlandse en Vlaamse auteurs


auteur: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse


bron: G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Insingel, Mark

Ps. van Marcus Henri Laurent Thérèse Donckers, Vlaams prozaschrijver en dichter (Lier 3.5.1935). Groeide op als enig kind van een huisschilder, doorliep de toneelacademie, maar werd al spoedig een van de weinige beroepsschrijvers in Vlaanderen.

Insingel schrijft bewust avant-gardistisch. Schrijven betekent voor hem een poging tot produceren in een maatschappij van louter reproduktie. Maatschappelijke `inhoud' is daarbij niet relevant, hij streeft naar een autonome literatuur, voor hem het laatste bastion waarin de mens zich vrij kan bewegen en van de erotiek van zijn bestaan kan genieten. Hij zoekt een heel eigen, creatieve omgang met bestaande taalvormen tot stand te brengen en sluit daarbij de collage van kitch, slogans, verworden levenswijsheid, uitgeholde spreuken en zegswijzen, die hij onverwacht en speels combineert, niet uit.

Zijn streven de taal zelf aan het woord te laten heeft een toegespitste aandacht voor de visuele en auditieve aspecten daarvan tot gevolg, getuige zijn bundels concrete poëzie Modellen (1970) en Posters (1974) en het hoorspel Wanneer een dame een heer de hand drukt (1975). Zijn prozateksten vertonen beide aspecten tegelijk, zij zijn muzikaal en constructivistisch, vormen een gesloten geheel.

In het `taalalgoritme' Dat wil zeggen (1975) worden de teksten vanuit basisregels gegenereerd. Het boek bevat 82 versch. teksten. Door deze te programmeren en te variëren tracht Insingel de versleten taalcode weer met betekenis te laden. Iedere derde tekst is een herhaling van een der vorige. Zo ontstaat een cadans die met de precisie van een computer is uitgevoerd. Mijn territorium (1980) is een constructie van 100 teksten, ieder bestaande uit één lange zin, die elkaar modulerende en met elkaar contrasterende blokjes vormen, een tekstmozaïek dat gebaseerd is op drie meetkundige figuren: cirkel, vierkant en driehoek. De ruimtelijke structuur van het territorium, maar ook de relaties tussen de personages worden door deze figuren bepaald. Toch is het uiteindelijk een territorium van taal dat ontstaat, een geborgen zijn in taal.

Woorden zijn oorden (1981) is niet toevallig de titel van Insingels enige bundel essays.

Werken:

Drijfhout (1963); Een kooi van licht (1966); Een getergde jager (1966); Spiegelingen (1968); Perpetuum mobile (1969), p.; Een tijdsverloop (1970); Gezwel van wortels (1978), pr.; Een meisje nam de tram (1983).

Literatuur:

K.D. Beekman, `Experimentele teksten omstreeks '70', in Spektator, ix-x (1974-1975); W.M. Roggeman, `M.I.', in Beroepsgeheim (1975), interv.; M. Janssens, `Wat ervan komt als een dame een heer de hand drukt', in Dietsche Warande & Belfort, v (1976); H. Bousset, `Je mag zelf invullen', in Woord en Schroom (1977); Idem, `M.I.: Homunculus van ginseng', in Nieuw Vlaams Tijdschrift, ii (1979); K. Beekman, in Kritisch lexicon van de Nederlandstalige lit. na 1945 (1980); H. Bousset, interview in Subversief schrijven (1982); S. Hertmans, `"Einklammerung" bij M.I.', in Restant, 11 (1983).

 

[H. Bousset]