De Nederlandse en Vlaamse auteurs


auteur: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse


bron: G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Nijhoff, Antoinette Hendrika

Geb. Wind, Nederlandse romanschrijfster ('s-Gravenhage 9.6.1897-ald. 22.5.1971). Huwde op 19-jarige leeftijd met de dichter Martinus Nijhoff. Vertoefde jaren in het buitenland (Italië, Frankrijk, Engeland, later Griekenland).

Zij schreef een klein aantal fijnzinnige romans van een bijzonder gehalte, indringend van psychologie en kosmopolitisch van sfeer, die zich gunstig onderscheiden van het traditioneel Hollands-kleinburgerlijk realisme van haar tijd.

Twee meisjes en ik (1931), haar opmerkelijke debuut, is het beklemmende verhaal - ten dele in dagboekvorm - van een jonge arts die zich in het leven van twee jonge meisjes heeft binnengedrongen en er zich slechts geleidelijk van bewust wordt schuld te hebben aan beider ondergang later. Haar vrijmoedig realisme - ook bij de behandeling van erotische problemen -, haar voorliefde voor internationale decors, haar overtuigd positie kiezen voor de individuele vrijheid, zijn kenmerken die ook weer duidelijk aan de dag treden in De vier doden (1950; = De brief, 1956), spelend tijdens en na wo ii, dat een toenemende belangstelling voor het maatschappelijke liet zien.

Werken:

Medereizigers (1942) = Het veilige hotel (1954), verh.; Geboorte (1945), nov.; De dagen spreken (1946), r.; Venus in ballingschap (1955), r.; Malista, nagelaten fragm.

Literatuur:

E. van Lokhorst, in Critisch Bulletin, xiv (1947); G.H. 's-Gravesande, in Boek van nu, i (1948); M. Moss, in Singel 262 (1949); B. Stroman, in Overzicht en indrukken (1951); S. Vestdijk, in Zuiverende kroniek (1956, 19762); Th. de Vries, in Jaarb. Mij der Nederl. Letterk. (1971-1972); A. Oosthoek, in Zeeuws Tijdschrift, xxii (1972); G.H. 's-Gravesande, interview, in Vergeten en gebleven (1982).

 

[W. Gobbers]