De Nederlandse en Vlaamse auteurs


auteur: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse


bron: G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Prins, Jan

Ps. van Christiaan Louis Schepp, Nederlands dichter (Rotterdam 5.2.1876-Naarden 9.2.1948). Werd na zijn gymnasiumtijd opgeleid tot marineofficier te Den Helder. In 1924 werd hij afgekeurd als kapitein-luitenant ter zee; in 1929 vond zijn bevordering tot kapitein ter zee titulair plaats.

Prins debuteerde in 1903 in De XXe Eeuw en was daarna medewerker aan Verwey's De Beweging. Uit zijn Hollandse (o.a. Tochten, 1911 en Getijden, 1917) en Indische gedichten (1932) spreekt zijn liefde voor de natuur, vooral voor de zee. Het is eenvoudige, open poëzie, die gemakkelijk in het gehoor ligt.

Na zijn 50ste jaar leerde hij Grieks van Boutens en vertaalde de Timaeus van Plato. Hij voorzag deze vertaling van een inleiding, bestaande uit 40 sonnetten (Timaios-sonnetten, 1936) en een toelichting. Met deze vertaling oogstte hij lof, terwijl hij ook ander werk verdienstelijk vertaalde.

Zijn verzen op Rotterdam (o.a. Rotterdam, 1941 en De stad waar men is kind geweest, 1946, met een inleiding van A. Kossmann), de bevrijding (o.a. Drie bevrijdingsgedichten, 1945) en op P.C. Hooft zijn zeer opmerkelijk.

Werken:

Verschijningen (1924); Bij den herbloei van Oranje (1938); Veertig fabels van Jean de la Fontaine (1940); De winter en de lente (1942); Erasmus (1942); Binnenkomst (1945); Voor de Rotterdamsche jeugd bij de oprichting van het district der N.J.G. (1945).

Uitgaven:

Bijeengebrachte gedichten, 2 dln. (1947); H. Roest (ed.), Dankbaar om ieder ding... (1975).

Literatuur:

A. Salomons, in Herinneringen aan schrijvers die ik persoonlijk heb gekend (19685); M. Gijsen, in Verzameld werk, dl. 6 (1977); G.H. 's-Gravesande, in Al pratende met... (1980).

 

[G.H. 's-Gravesande]