De Nederlandse en Vlaamse auteurs


auteur: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse


bron: G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Roelants, Maurice

Eig. Mauritius Adolphus, Vlaams romanschrijver, dichter en criticus (Gent 19.12.1895-Sint Martens Lennik 25.4.1966). Was achtereenvolgens onderwijzer, ambtenaar, journalist en conservator van het staatsdomein te Gaasbeek. Stichtte samen met R. Herreman, R. Minne en K. Leroux het tijdschrift Het Fonteintje; was later ook medeoprichter van Forum en van het Nieuw Vlaams Tijdschrift.

Roelants debuteerde met gedichten, maar vooral als romanschrijver neemt hij in de geschiedenis van de Zuidnederlandse roman een belangrijke plaats in. Met zijn roman Komen en gaan (1927) en de novelle De jazzspeler (1928) maakte hij nl. vrij baan voor de psychologische roman in Vlaanderen. Samen met G. Walschap verzette hij zich tegen de alleenheerschappij van de boerenroman en de regionalistische en klein-realistische sfeer ervan, en ijverde hij voor een nieuwe, ruimere kunstopvatting waarbij de mens en diens psychologische, morele en maatschappelijke situatie centraal zouden komen te staan. Maar in tegenstelling met Walschap, die deze problematiek uitsluitend door middel van levendige handelingen aanschouwelijk tracht te maken, geeft Roelants de voorkeur aan een lyrisch-introspectieve en analytische werkwijze. Bij hem is daarom het aantal personages steeds gering en berust de intrige steeds op een erg schraal gegeven. Hoofdzaak is de manier waarop het individu met zijn zielsconflicten in het reine komt. Wat dit betreft legt Roelants zich beperkingen op: hij weigert in te gaan op de verworvenheden van de psychoanalyse en beoefent zijn (zelf-)ontleding binnen de grenzen van het bewustzijn. Daarom blijft het psychologische materiaal hier nogal elementair en staat het verwarrend dicht bij de moraal waardoor het als het ware wordt ingedijkt. Dit verhindert evenwel niet dat Roelants op grond daarvan een beeld van de universele mens meende te kunnen reconstrueren. Is enerzijds alle uiterlijkheid, alle zintuigelijkheid slechts schijn, anderzijds weerspiegelt de waarheid als geestelijk gemeengoed zich in het innerlijk van ieder individu: wie zijn geweten onderzoekt, komt ermee in aanraking. Roelants' visie - die ook wonderwel past bij de door hem gebruikte romanvorm - kan dus als neoklassiek en idealistisch worden bestempeld.

Komen en gaan (1927) en De jazzspelers

[p. 489]

(1928) zijn beide verhalen over een door derden bedreigde huwelijkstrouw, waaraan de hoofdfiguren door verdringing of sublimatie zich weten te houden. Zo ook berusten vrijwel alle romans en novellen van Roelants op het schema van het `verzaken'. Veelzeggend zijn in dit verband titels van romans als Alles komt terecht (1937) of Gebed om een goed einde (1944), of van dichtbundels als De kom der loutering (1918) en Het verzaken (1930). Zijn roman Het leven dat wij droomden (1931) werd verfilmd door Robbe de Hert.

Werken:

De driedubbele verrassing (1917), verh.; Twee helden (1928), verh.; Van de vele mogelijkheden om gelukkig te zijn (1929), essay; Drie romanellipsen (1943), verh.; Altijd opnieuw (1943), r.; Schrijver, wat is er van den mensch? (1943), essay; De weduwe Becker, wat ik hoorde en zag op haar proces (1943), essay; De roman van het tijdschrift Forum of Les liaisons dangereuses (1965), essay.

Literatuur:

F. Closset, M.R. (1946); A. van Duinkerken, M. Gijsen e.a., Van en over M.R. (1956); A. van der Veen, M.R. (1960); J. Weisgerber, Aspecten van de Vlaamse roman 1927-1960 (1964); M. Janssens, in Woorden en waarden [...] (1980); G.H. 's-Gravesande, in Al pratende met... (1980), interview.

 

[red.]