De Nederlandse en Vlaamse auteurs


auteur: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse


bron: G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Roland Holst, Adrianus

Nederlands dichter en prozaschrijver (Amsterdam 23.5.1888-Bergen, nh, 6.8.1976). Jeugdjaren en middelbare school te Laren en Hilversum; studeerde Keltische letteren te Oxford (1908-1911); woonachtig te Blaricum, en sinds 1918 in het Noordhollandse kunstenaarscentrum Bergen, welke gemeente hem bij zijn 70ste verjaardag tot ereburger benoemde.

Debuteerde met gedichten in De XXste Eeuw van 1908. Publiceerde in 1911 zijn eerste dichtbundel (Verzen), welluidende weemoedige poëzie die zich nog weinig onderscheidde van het werk van zijn generatiegenoten van 1910. In de cyclus De

[p. 492]

belijdenis van de stilte (1913) klonk reeds de toon door van het romantisch elysisch verlangen, dat kenmerkend werd voor zijn latere poëzie, die met de schitterende bundel Voorbij de wegen (1920) een voorlopig hoogtepunt zou vinden. Hierin deed de in betrekkelijke eenzaamheid levende Roland Holst zich kennen als een van de oorspronkelijkste dichters uit de 20ste eeuw.

Zijn werk werd de mythologiserende vormgeving van een hoogst persoonlijk levensgevoel: de romantische droom van een voor de mensheid verloren gegane werkelijkheid, edeler, grootser en volmaakter dan de op het materiële gerichte existentie van het heden, die evenzeer tot ondergang gedoemd schijnt als het Troje en Babylon van weleer. Mede onder de invloed van Keltische mythen ontstond het beeld van een rijk, `voorbij de wegen' van het aardse, buiten de wereld van ruimte en tijd. Deze gedroomde werkelijkheid kreeg haar symbool in het eiland der gelukzaligen ver over zee. De wind is het verbindende element naar de kustgebied van deze wereld, waar slechts enkele eenzame ingewijden (de dichters) die stem vermogen te verstaan, om ervan te getuigen in hun zangen. Hiermee is tevens zijn hoge profetische roeping van het dichterschap aangegeven, waarnaast een element van schuldgevoel optreedt zodra hij door aardse banden ontrouw aan deze roeping dreigt te worden.

Een nieuw hoogtepunt werd Een winter aan zee (1937), een reeks tot de uiterste taalsoberheid teruggebrachte achtregelige strofen. Een kortstondig liefdesavontuur roept wederom het thema op van een verloren bestaan, waarvan de Trojaanse Helena het volmaakte symbool is.

Als lyrisch prozaïst schreef hij enkele opmerkelijke, op Keltische motieven geïnspireerde verhalen, waarin de thematiek van zijn poëzie terugkeert: zowel in Deirdre en de zonen van Usnach (1920) als in de eerste der beide novellen van de bundel Tusschen vuur en maan (1932) is de hoofdfiguur als het ware een balling op aarde, vervuld van heimwee naar het andere rijk. Naast de reeds genoemde invloed van de Keltische sagenwereld, is ook hier de invloed herkenbaar van W.B. Yeats. Maar al deze invloeden en motieven worden bij Holst steeds verwerkt tot een volstrekt eigen mythe die een elysisch verlangen naar een verloren oerwereld moet uitbeelden. In zijn verwoording van het nooit geziene is hij wel gekenschetst als `supersymbolist'.

Persoonlijker sprak de schrijver zich uit in De afspraak (1925), een confrontatie van de verteller met de `andere', die hem tot trouw aan zijn levensroeping maant. De mythe van Holst heeft hierin, ontdaan van zijn Keltische sfeer, de vorm van een `autobiografische' vertelling gekregen.

Even lyrisch van toon is het boekje Over den dichter Leopold (1926). Het karakteriseert echter minder de herdachte dichter dan de auteur zelf, die zijn eigen dichterschap in dat van Leopold projecteert. Rechtstreeks heeft hij zijn visie op zijn dichterschap en het leven neergelegd in de essays Uit zelfbehoud (1938) en Eigen achtergronden (1945). De nadering van wo ii en de oorlog zelf maakten dat hij zich meer direct richtte op de politieke situatie in West-Europa, en in het bijzonder op de bedreiging die daarvan uitging op de cultuur. Uiting daaraan gaf hij in Onderweg (1940), in In memoriam Charles Edgar du Perron en Menno ter Braak (1940) en in Voor West-Europa (1943). Zijn houding tegenover de bezetter bleek uit zijn openlijke afwijzing van de cultuurkamer, waardoor hij tijdens de oorlog moest onderduiken.

In het tijdvak na wo ii, die zijn visionaire overtuiging van de ondergang der oude beschaving scheen te bevestigen, zette zijn profetisch dichterschap zich echter onverminderd voort. Serene berusting in de naderende ouderdom en bezinning op de doodsgedachte zijn te vinden in latere bundels als In gevaar (1958), Omtrent de grens (1960) en Onder koude wolken (1962). Opmerkelijk is het thema van toenadering tot de wereld en de mensen in zijn ouderdomsbundel Uitersten (1967). In de plaquette Kort (1967) toonde hij zich tevens een bekwaam schrijver van spirituele aforismen.

Ter gelegenheid van zijn 60ste verjaardag verzamelde hij zijn werken in twee delen poëzie (1948-1949) en twee delen proza (1949). Ook daarna bleef hij steeds zeer produktief, zoals uit de latere editie van zijn Verzamelde gedichten (1971) blijkt. Herinneringen aan zijn talloze letterkundige vrienden verschenen in In den verleden tijd (1975). Voorts schreef hij gelegenheidsverzen (o.a. voor het monument op de Dam en voor de Rotterdamse Doelen) en verzorgde hij vertalingen van Shakespeare (Koning Lear, Richard III) en Yeats. Tal van openbare huldigingen vielen hem ten

[p. 493]

deel. Zijn werk werd vele malen onderscheiden, o.a. met de Constantijn Huygensprijs (1948), de P.C. Hooftprijs (1955) en de Prijs der Nederlandse letteren (1959), reden waarom men hem de eretitel `prins der Nederlandse dichters' gaf.

Werken:

De wilde kim (1925), p.; Het Elysisch verlangen (gevolgd door De zeetocht van Ban) (1928), pr.; Shelley, een afscheid (1928), pr.; De pooltocht der verbeelding (1936), pr.; Voorteekens (1936), pr.; Een winterdageraad (1945), p.; In memoriam Herman Gorter (1946), pr.; Sirenische kunst (1946), pr.; De twee planeten (1947), pr.; Tegen de wereld (1947), p.; In ballingschap (1948), p.; Van erts tot arend (1948), pr.; Swordplay wordplay (1950), met S. Vestdijk, p.; Woest en moe (1951), pr.; De dood van Cuchulainn van Murhevna (1951, oorspr. in De Gids, 1916), pr.; Bezielde dorpen (1957), pr.; Aan prinses Beatrix (1966), p.; Vuur in sneeuw (1968), p.; Met losse teugel (1970), p.

Uitgaven:

Th. Cornips (ed.), In ballingschap (19775), bloeml.; M.H. Schenkeveld (ed.), Brieven aan Marius Brinkgreve 1908-1914 (1981); W.J. van den Akker e.a. (ed.), Verzameld werk, poëzie, 2 dln. (1981); Idem (ed.), Verzameld werk, proza, 2 dln. (1983).

Literatuur:

A. van Duinkerken, Ascese der schoonheid (1940, 19783); H. Roland Holst e.a., Over den dichter A.R.H. (1948); G. Sötemann, A.R.H. en de mythe van Ierland (1950); W.H. Stenfert Kroese, De mythe van A.R.H. (1951, 19792); A.R.H. 70 jaar (1958); `A.R.H.', in Schrijversprentenboek, 1 (1958, 19834); J. Elemans, A.R.H. (1961); S. Vestdijk, in Gestalten tegenover mij (1962); M.H. Schenkveld, Een begin van rekenschap (1970); Maatstaf, 21 (1972-1973), speciaal A.R.H.-nummer; J. van der Vegt, De brekende spiegel (1974); Literama, 12 (1977-1978), speciaal A.R.H.-nummer; W. Ramaker, R.H. ten afscheid (1977), met bibl.; J.J.A. Mooij, in Tekst en lezer (1979); L. Mosheuvel, Een roosvenster: aantekeningen bij `Een winter aan zee' van A.R.H. (1980), diss.; J. Kruithof, in Vingeroefeningen (1981); S. Carmiggelt, in Met de neus in de boeken (1983).

 

[G.W. Huygens en G.J. van Bork]