De Nederlandse en Vlaamse auteurs


auteur: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse


bron: G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Schreurs, Jacobus Hubertus

Nederlands dichter en romanschrijver (Sittard 9.2.1893-Weert 31.1.1966). Studeerde filosofie en theologie in Arnhem; priesterwijding in 1919 te Utrecht; 1919-1920 leraar in Tilburg; 1920-1922 missiewerk van de msc; 1922-1923 rector te Ughelen en van 1923 tot 1946 was hij vrijgesteld voor letterkundig werk in het theologicum te Stein. Bekleedde na 1946 versch. rectoraten, maar kreeg veel gelegenheid tot schrijven. In 1958 ontving hij de Culturele prijs van Limburg.

Aanvankelijk werkte Schreurs mee aan versch. tijdschriften, zoals Van Onzen Tijd, De Beiaard, Roeping en De Gemeenschap. De medewerkers van De Gemeenschap stimuleerden hem tot schrijven en er verschenen tal van bundels en lekespelen van zijn hand. Zijn ervaringen als kapelaan in de Limburgse mijnstreek beschreef hij in de Kroniek eener parochie (3 dln., 1941-1948), die door W. van Hemert voor tv werd bewerkt tot Dagboek van een herdershond (1977). Als dichter van blijmoedig-religieuze poëzie maakte hij naam met de bundels Voorjaar (1920) en Sterren en dauw (1955). Ook schreef hij biografieën, zoals Franciscus, de kleine arme van Assisië (1955) en De man met de rozenkrans (1957), over deken Thijssen van Sittard. Na zijn dood verschenen nog de bundels De oude boom (1978) en Nieuwe gedichten (1979, bloeml.).

Werken:

Voor U alleen (1923), p.; De bloeiende wijnstok (1924), p.; Omnis terra, 3 dln. (1923), t.; De hemelsche twistappel (1933), t.; Offensief. Een lekenspel (1933), t.; Nis en nimbus (1933), p.; Een pelgrim op aarde. Toneelspel in verzen (1934); De hemelsche speler (1935), p.; Heiligdomsvaartspel (1937), t.; De piëta (1938), t.; De heiligen ontwaken (1938), t.; Kleine liederen van dood en leven (1938), p.; Het lied van de sluier (1940), p.; Passiespel (1940), t.; De bruid die hij niet verwachtte (1941), r.; Eiland der eenzamen (gevangenisgedichten 1943-1944) (1946); Laus infantis (1946), p.; Mijn moeder Elisabeth (1947), r.; Floris de Zwarte (1948), t.; Koning Swentibold. Oratorium (1948), t.; Kleine vertellingen (1948), r.; Spolia mundi (1949), p.; Het godsbewijs van dokter Chantrain (1951), r.; Henric van Veldeken. Declamatorium (1952); De ballade van het huis en de zeven kleine matrozen (1953), p.; Zuster Clara van Assisië (1953); Pelgrimstocht door Franciscaans Italië (1954); Pastoor Guy Homery (1961).

Literatuur:

F. van Oldenburg Ermke, in Van Alb. Thijm tot Van Duinkerken en Kuyle (1935); B.M. Salman, `J.S. als dichter van Limburg', in Maasland, 8 (1965-1966); D. Coster, in Over prozaschrijvers en dichters (1967); K. de Valk, `Verlate eer voor J.S.', in Limburg van Mook tot Eijsden (1983).

 

[H.A. Wage en G.J. van Bork]