De Nederlandse en Vlaamse auteurs


auteur: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse


bron: G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Swaen, Michiel de

Zuidnederlands (toneel)dichter (Duinkerken 20.1.1654-ald. 3.5.1707). Heelmeester en `prince' van `De Carsauwe' te Duinkerken, dat sedert 1662 definitief bij Frankrijk was ingelijfd.

Van zijn toneelwerk werden tijdens zijn leven enkel zijn berijmde vertalingen van Le Cid van Corneille (1694) en van Andronicus van Campistron gedrukt. Bewaard bleven verder nog twee martelaarspelen, Catharina (vóór 1702) en Mauritius, en het historisch drama De zedighe doot van Carel den Vijfden (ca 1704), waarin zijn verbondenheid met de Nederlanden tot uiting komt. Het vastenavondspel De gecroonde leersse (1688), een geslaagde dramatisering van een keizer Karel-anekdote, behoort tot de beste Nederlandstalige blijspelen en wordt nog met succes opgevoerd. Het stuk, waarvan de volledige titel luidt De verheerlijckte schoenlappers of De gecroonde leersse tot een vastenavontspel toneelwijs opgestelt, werd opgevoerd `op de saele van rhetorica binnen Duynkercke in den vasten-avont-tijdt des jaers 1688' en gedrukt bij C. Meyer te Gent in 1718, een versie waarin tal van varianten, zowel uitbreidingen als inkortingen, ten opzichte van het hs. voorkomen. Het stuk bevat in feite twee intriges: de anekdote

[p. 554]

van de populaire keizer, overgeleverd in het verhaal van `De vereerde schoen-lappers oft de ghekroonde leerse', opgenomen in de verzameling van J. de Grieck, Heerelycke ende vrolycke daeden van keyser Carel den V (1675), wordt op ingenieuze maar natuurlijke wijze verweven met een liefdesintrige van De Swaens eigen vinding.

Het stuk kreeg van de auteur zelf de benaming clucht-spel en vertoont ook de kenmerken van dit genre: situatie komiek, echtelijke en andere scheldpartijen, een smultafereel, plat-komische volks-realistische uitdrukkingen; anderzijds vertoont het ook invloed van het Frans-klassieke blijspel: indeling in vijf bedrijven (met voor- en nareden), alexandrijnen en karaktertypering. Het is vooral de natuurlijke en zeer levendige typering van de belangrijkste personages die, samen met een volgehouden opdrijven van de spanning, een beeldrijk en sappig taalgebruik, een pittige dialoog en de soepele, vaak door enjambement verbonden alexandrijnen, de blijvende verdienste van het werk uitmaakt.

Het auteurschap van De menschwording (1686), twee eeuwen later als anoniem mysteriespel gepubliceerd, werd in 1926 op goede gronden door C. Huysmans aan M. de Swaen toegekend. Daarnaast is Het leven en de dood van Jesus Christus, in 1694 voltooid en in 1767 te Brugge gedrukt, ongetwijfeld zijn belangrijkste werk. Het bestaat uit 60 zangen in alexandrijnen, telkens door een `Toesang' in kortere verzen besloten, en geeft op treffende wijze uiting aan een diepe religieuze bewogenheid die we ook aantreffen in de beste gedichten van de Verscheyden godtvruchtige en sedige rymwercken, waarin echter eveneens veel gelegenheidswerk voorkomt. Bij het samenstellen van zijn Neder-duytsche digtkonde of rym-konst heeft De Swaen gebruik gemaakt van de Franse Aristoteles-vertaling met commentaar van A. Dacier (1692).

In het tweede deel van de uitgave van zijn werken is een fragment van het toneelstuk Absolon opgenomen.

Uitgaven:

V. Celen, C. Huysmans en M. Sabbe (ed.), Werken, 6 dln. (1928-1934), met inl.; E. Seys (ed.), `Bloemlezing' (1964); J.H. Cartens (ed.), De gecroonde leersse (19792).

Literatuur:

M. Sabbe, Het leven en de werken van M.d.S. (1904); C. Huysmans, `Het geheim van een mysteriespel', in Versl. en Meded. Kon. Vl. Acad. (1926); W.J.C. Buitendijk, Het calvinisme in de spiegel van de Zuidnederlandse literatuur der contrareformatie (1942); E. Rombauts, in Geschiedenis van de letterk. der Nederlanden, dl. v (1952); J. Vanderheyden, `M.d.S.s Digtkonde, A. Dacier en P. Corneille. Een bronnenonderzoek', in Versl. en Meded. Kon. Vl. Acad. (1954); R. Seys, in Twintig eeuwen Vlaanderen, 13 (1976).

 

[A. van Elslander]