De Nederlandse en Vlaamse auteurs


auteur: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse


bron: G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Teirlinck, Isidoor

Vlaams prozaschrijver, filoloog en folklorist (Zegelsem-Oudenaarde 2.1.1851-Vorst-Brussel 27.6.1934). Vader van Herman Teirlinck. In 1931 doctor honoris causa van de Université Libre de Bruxelles. Aanvankelijk onderwijzer, daarna leraar natuurwetenschappen te Brussel.

Met het oog op het onderwijs stelde hij in het Frans en het Nederlands, o.a. met zijn zwager Reimond Stijns, een werkje over Kruidkunde (1882) samen. Men ging van de literaire `firma Teirlinck-Stijns' spreken toen zij samen, van 1877 tot 1884, een aantal novellen en toneelstukken en vooral de bekende naturalistische roman uit de tijd van de schoolstrijd Arm Vlaanderen (2 dln., 1883-1884) uitgaven. Daarna schreef Teirlinck meer impressionistisch getinte dorpsverhalen of realistische novellen, waarbij zijn waarneming van natuur en mens treffen en ondanks de thematiek van dorpscriminaliteit vaak een getemperd op-

[p. 560]

timisme tot uiting komt. Zijn taal en stijl zijn tamelijk houterig, maar doorspekt met levende dialectwoorden en volkse uitdrukkingen.

Verder wijdde hij zich vooral aan wetenschappelijk werk, vooral na 1909, toen hij wegens ziekte voortijdig met pensioen ging en baanbrekende studies op diverse terreinen leverde. Zo schreef hij over de botanie in de folklore, de godsdienst en de magie. Samen met Alfons de Cock gaf hij acht delen Kinderspel en kinderlust in Zuid-Nederland (1902-1908) en Brabantsch sagenboek (1909-1912) uit. Als dialectoloog had hij grote verdiensten door zijn Zuid-Oostvlaandersch idioticon (4 dln., 1908-1924) en de Klank- en vormleer van het Zuid-Oostvlaandersch dialect (1924). Ook zijn Woordenboek van het Bargoensch (1886) en De toponymie van den Reinaert (1910-1912) bleven bekend.

Werken:

Wie niet hooren wil moet voelen (1873); Bloeiende reuzen (1885); Blozende kriekse (1886); Cilia (1888); Molleke (1889); Onze beste vrienden (1891); Naar het land van belofte! (1894); Van drie oudjes (1899); Lastige kerels en brave gasten (1901).

Literatuur:

C. Debaive, `Bibliographie der werken van Dr. I.T.', in Versl. en Meded. Kon. Vl. Acad. I.T.-album (1931); O. Wattez, `Leven en werk van I.T.', in Versl. en Meded. Kon. Vl. Acad. (1935); F. Baur, `I.T., de kunstenaar', in Jaarb. Kon. Vl. Acad. (1949-1951); M. Poll, in Biographie nationale, 34 (1968); H. de Meersman, I.T. als kunstenaar (1972); M. Hoebeke, `Toespraak', in Versl. en Meded. voor Nederl. taal- en letterk. (1980).

 

[A. Deprez]