Nederlands schrijver en tekenaar van stripverhalen (Rotterdam 2.5.1912). Broer van Jan Gerhard Toonder. Bezocht de Akademie voor Beeldende Kunst in Rotterdam, maar ontwikkelde zich al snel tot tekenaar van strips en cartoons. Dante Quiterno, de animatietekenaar van Walt Disney, was enige tijd zijn leermeester. In 1938 ontwierp hij zijn eigen stripfiguur Tom Poes, die naast de pas in zijn derde verhaal optredende Olie B. Bommel steeds de centrale figuur is gebleven in zijn verhalen. Tom Poes ontdekt het geheim van de blauwe aarde verscheen in 1941 in De Telegraaf. Het werd na wo ii in bewerkte vorm opnieuw uitgegeven onder de titel Tom Poes en de laarzenreuzen.
Sindsdien schreef en tekende Toonder bijna 200 stripverhalen, waarin een duidelijke ontwikkeling valt aan te wijzen. De hoofdfiguur Tom Poes wordt meer en meer voorbijgestreefd door de figuur van Olie B. Bommel, naar wie tenslotte ook veel strips worden vernoemd of aan wiens uitspraken
de titels worden ontleend (vgl. Als je begrijpt wat ik bedoel, 1967). Bovendien ontwikkelden de strips zich van kinderverhalen tot verhalen voor volwassenen, vol toespelingen of satire op Nederlandse culturele en maatschappelijke verschijnselen. Ook de tekeningen ondergingen een steeds voortgaande ontwikkeling, die echter anders dan bij veel striptekenaars geen vereenvoudiging betekende. Toonders tekeningen muntten steeds uit door sfeer en details.
De kracht van Toonders teksten ligt vooral in de ironie, waarbij veelvuldig gebruik wordt gemaakt van retorische stijlfiguren, clichés, understatements enz. Veel van de zinswendingen of uitdrukkingen die Toonder zijn figuren in de mond legt, behoren inmiddels tot het gangbare spraakgebruik. Het is deze literaire verdienste die maakte dat men Marten Toonder in 1954 benoemde tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Bovendien begon in de jaren zestig een reeks heruitgaven van Bommelstrips te verschijnen als literaire reuzenpockets. De Tom Poes en Bommelstrips kenden ook een groot internationaal succes; tot in Japan verschenen zijn strips in vertaling. Ook andere strips met o.m. Panda, Kappie en Koning Hollewijn in de hoofdrol verschenen in grote oplagen over de gehele wereld.
In de door Toonder opgerichte Marten Toonder Studio's worden zijn ideeën inmiddels door zijn medewerkers verder uitgewerkt. Toonder zelf trok zich in 1965 terug in Ierland, waar hij op zijn buitenverblijf in Greystones nog steeds werkzaam is. De Marten Toonder Studio's zijn in de praktijk een kweekplaats gebleken voor nieuw striptalent.
Van de Tom Poesverhalen zijn tal van films, toneelstukken en balletten vervaardigd. In 1983 werd de grote bioscoopfilm Als je begrijpt wat ik bedoel uitgebracht, de eerste belangrijke Nederlandse tekenfilmproduktie die een groot succes kende. In 1982 ontving Toonder de Stripschapsprijs, een prijs die werd ingesteld door het Nederlandse Stripcentrum, dat ook herdrukken van ouder werk van Toonder verzorgde. Vanaf 1972 werd zelfs een Bommelkwartier uitgegeven.
Geld speelt geen rol (1968); Een heer moet alles alleen doen (1969); Zoals mijn goede vader zei (1970); Parbleu (1971); Met uw welnemen (1973); Wat enigjes (1975); De grote onthaler (1977); `Hm' (1978); Heel stilletjes (1979); Had ik maar beter geluisterd (1980); Een ragfijn spel (1981); Ook dat nog (1982); De andere wereld (1982), boekenweekgeschenk; Een enkel opbeurend woord (1982); Dit gaat te ver (1983); Mooi is dat (1984).
H.R. Mondria, Bommelbibliografie (1972, 19743); R. Godthelp, Heer Bommel en de functie van de ironie (1975); D. ten Berge, De stripkunst van M.T. (1976); G. Kazemier, `Mijn oplettende lezertjes, als u begrijpt wat ik bedoel', in Tijdschr. v. Nederl. Taal- en Letterkunde, 92, 2 (1976); M. Mendels, T.'s Kukel (1977); M. van Gils, Heer Bommel en zijn komische kracht (1977); A. van Zoest, `Tekenaar T.: de taaltovenaar', in Bzzlletin, 10 (1982).
[G.J. van Bork]