De Nederlandse en Vlaamse auteurs


auteur: G.J. van Bork en P.J. Verkruijsse


bron: G.J. van Bork & P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs van middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs. De Haan, Weesp 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Verbeeck, (Jozef) René (Antoon)

Vlaams dichter (Wilsele 18.4.1904-Mortsel 13.11.1979). Was werkzaam als leraar tot 1943, daarna in het uitgeversbedrijf en vanaf 1953 opnieuw in het onderwijs. Hij was mede-oprichter en redactielid van De Tijdstroom (1930-1934) en van Vormen (1936-1940). Daarnaast stichtte hij in 1937 de poëziereeks De Bladen voor de Poëzie, waarvan hij tot 1944 de leiding had.

Verbeeck wordt, samen met o.a. P.G. Buckinx en A. Demedts, gerekend tot de post-

[p. 586]

expressionisten of `generatie van 1930', wier poëzie wordt gekenmerkt door een terugkeer naar de innerlijkheid en de persoonlijke uitdrukking. Hierbij liet Verbeeck zich, na een expressionistisch debuut, vanaf De donkere bloei (1930) opmerken als een vitalistisch dichter met een sterk kosmisch levensgevoel. In zijn poëzie wordt een positief doorleefde en sensuele erotiek gekoppeld aan een paradijselijke natuurervaring. Met Tussen twee werelden (1940) brak echter, onder invloed van de tijdsomstandigheden, een lange crisisperiode aan, waarin de uitbundigheid verstilde. In deze periode schreef Verbeeck het opmerkelijke essay De dichter Hendrik Marsman (1959), aan welke Nederlander hij zich enigszins verwant voelde.

De zomer staat hoog en rijp (1965), bekroond met de Guido Gezelleprijs, luidde een tweede bloeiperiode in, waarin de gerijpte vitalist het leven en de liefde enthousiast bezong op een hymnische toon en met een krachtige beeldspraak.

Voor zijn poëzie werd Verbeeck herhaaldelijk bekroond; zo kreeg hij o.m. de Staatsprijs voor Vlaamse poëzie 1971-1973 voor Liefdesliedjes voor Saraï (1973).

Werken:

Oriëntering (1926); De minnaars (1935); De dwaze bruid (1937); Een huis voor Simone (1940); Heilig leven (1940); Op het spalier der maanden (1948); Van Eros tot Requiem (1964), bloeml.; P.G. Buckinx (1964), essay; Het uur van de wesp (1967); De zalige knoop van man en vrouw (1971); Verzamelde gedichten (1974); Het meisje van Rochehaut (1977).

Literatuur:

J. Haest, De dichter R.V. (1971); P. de Vree, R.V. (1974); L. Frateur, `Een cyclus liefdeleven van R.V.', in Deus ex Machina, 3 (1979); F. de Blauwe, `R.V.s zomer staat hoog', in 't Kofschip, 8 (1980); G. Durnez en W. Spillebeen, in Vlaanderen, 32 (1983); Alstein, `Herinnering aan R.V.', in Idem, Iowa city, Iowa en andere confrontaties (1983).

 

[D. de Geest]