Nederlands dichter (Amsterdam 26.2.1877 - Bergen N.H. 6.5.1924). Zoon van kunstkenner en -handelaar, kleinzoon en naamgenoot van een sterk sociaal bewogen predikant-dichter. Zelf schreef hij enkele sombere prozaschetsen onder de schuilnaam Melas. In 1899 ging hij medicijnen studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Vervolgens werkte hij in de internationale kunsthandel. Door de dood van zijn vader erfde hij in 1899 een bescheiden kapitaal, waarvan hij vervolgens ambteloos kon leven.
Als student in aanraking gekomen met het socialisme en lid geworden van de SDAP, ontwikkelde Adama van Scheltema zich tot socialistisch dichter, in wie het nieuwe ideaal sterk genoeg was om de hem aangeboren melancholie te beheersen. Zijn eenvoudige, zangerige lyriek, die sterk verschilde van die der Tachtigers, oogstte bij de meeste critici gereserveerde bewondering, bij de lezers grote instemming. Afkerig van zowel de individueelste emotie als de individueelste expressie, zocht hij een algemene natuurindruk weer te geven in verzorgde, aan traditie gebonden versvormen zoals lied en refrein. Door zijn socialistische strijdgedichten werd zijn naam populair, aanvankelijk zelfs meer dan die van Gorter of Henriëtte Roland Holst.
In 1907 huwde Adama van Scheltema met Anna Catharina Kleefstra, zijn secretaresse bij het schrijven van een essay over de grondslag van zijn dichterlijke en kritische opvattingen. Het echtpaar woonde in Parijs, in Italië, in München en vestigde zich in 1913 in Bergen (NH). WO I bracht een crisis in het sociaal optimisme van de dichter teweeg, doodsgedachten beheersten hem en zijn rationele levensbesef kreeg een religieuze ondertoon. De naoorlogse inflaties waren een bedreiging van zijn materiële bestaan, het leninisme in Rusland een aantasting van zijn idyllische visie op de ontwikkeling.
Niettemin hervond hij zijn evenwicht en werkkracht, getuige het wijsgerig-cultuur-historische gedicht De tors (1924). Van dit gedicht in zeven zangen werden er vijf gepubliceerd in het door hem geredigeerde tijdschrift Orpheus. De uitgave van het gehele werk, in voorbereiding toen de dichter stierf, verscheen in 1924, kort na zijn dood. Een door een val opgelopen hersenschudding die niet als zodanig was herkend, is wellicht de oorzaak geweest van zijn onverwachte dood.
Ofschoon de waardering voor Scheltema's dichterschap omstreeks 1920 ook bij de jongeren groot was, gaf de publikatie van de Verzamelde gedichten (1934) aanleiding tot overwegend afwijzende kritiek.
Literatuur: BWN; NNBW; Oosthoek; WP-lexicon; H. Bolkestein e.a. Ter herdenking van C.S. Adama van Scheltema (1929); J.C. Bloem, ‘Een populair dichter’, in: Gulden Winckel 33 (1934) 391, p. 111-112; G. Stuiveling, ‘Adama van Scheltema en zijn tekort’, in Steekproeven (1950) p. 179-192; F. Drost, C.S. Adama van Scheltema (1952); C. Offermans, ‘C.S. Adama van Scheltema's estetika’, in Materialistische literatuurtheorie (1973); M. Bakker en H. Beliën, ‘Carel Steven Adama van Scheltema, decadent en socialist’, in: H. Beliën e.a. (red.). In de vaart der volken, Nederlanders rond 1900 (1998), p. 276-286.
G. Stuiveling
[aangevuld, november 2001]