Vlaams dichter en romanschrijver (Duffel 11.2.1939). Medeoprichter van tijdschrift Hoos (1960). Schrijft in sartriaans existentialistische geest gedichten, zoals in De gebalsemde zoon (1961). De korte roman Schaduw op de huid (1960, uitgegeven tezamen met de verhalen Een witte vlinder en Het ongeval) wordt gekenmerkt door een pessimistische levensvisie. Liefdeloosheid, verval, onmacht en doodsangst zijn thema's die o.m. zijn roman De maagdenhorde (1968) beheersen. Deze roman werd in 1969 bekroond met de Dirk Martensprijs. Later werk behandelt ook sociale thema's, zoals de Dolle Mina-beweging in De dulle grieten (1971), of de gevolgen van de beide wereldoorlogen in Canto flamenco (1974) en Berichten van het thuisfront (1979). Voorts schreef hij een geromantiseerde Belgische volksgeschiedschrijving over de armoejaren rond 1900 En morgen is het revolutie (1978).
Literatuur: Oosthoek; WP-lexicon; Marc Andries, ‘Interview’, in: Tmuzet 3 (1980) 26, p. 4-9; N. Verschoore, ‘Marc Andries: de wrede karikaturist met het gekwetste hart’, in: Boek en bibliotheek 1 (1978-1981) 5, p. 97-104; K. Vermeiren, ‘Marc Andries’, in: M. Janssens (red.). Geboekstaafd: Vlaamse prozaschrijvers na 1945 (1988), p. 35-37; Marc Andries, ‘Interview’, in: Vlaamse Gids 76 (1992) 3, p. 2-5.
F. de Vree en G.J. van Bork
[ingrijpend gewijzigd, november 2001]