terug  begin  verderprepost

Bakhuizen van den Brink, Reinier Cornelis

Nederlands historicus en essayist (Amsterdam 28.2.1810 - Den Haag 15.7.1865). Studeerde theologie en letteren te Amsterdam en Leiden. Eén jaar na zijn promotie (1842) moest Bakhuizen wegens schulden het land verlaten. Hij verrichtte archiefonderzoek in Luik, Bonn, Wolfenbüttel, Breslau, Praag, Wenen en Brussel. In laatstgenoemde stad vestigde hij zich na zijn huwelijk in 1847 met de Luikse Julie Marie Hélène Simon (1823-1855), aan wie hij al twee jaar zijn liefde had verklaard voor in 1846 een einde kwam aan zijn anno 1841 begonnen verloving met de schrijfster A.L.G. (Bosboom-)Toussaint. In 1851 kreeg Bakhuizen een benoeming aan het Rijksarchief te Den Haag en drie jaar later werd hij rijksarchivaris, wat hij bleef tot zijn dood. Na het overlijden van Julie Simon, trouwde hij in 1858 met Jansje Boeregter (1825-1900).

Als student schreef Bakhuizen onder meer in De Muzen en De Gids, en van het laatste tijdschrift was hij redacteur van 1838 tot 1843. Door zijn kritieken, o.a. op Van Lenneps succesroman De roos van Dekama, gaf hij leiding aan de historische romantiek in Nederland. Ouder geworden publiceerde hij vooral geschiedkundige werken. Meer dan voor zijn (historische) novellen, weet Bakhuizen belangstelling te wekken voor zijn kritieken en essays. Hij is geen ‘scheppend’ literator, maar aanvankelijk een beschouwend literator met sterk historische gerichtheid, later een historicus met literair talent. Zijn bronnenonderzoek is even baanbrekend geweest als zijn leidende arbeid aan het Rijksarchief.

Vondel met Roskam en Rommelpot (De Gids, 1837, afz. uitg. 19135) is een studie over Vondels hekeldichten, die begint met een uitvoerige schildering van de zeden en opvattingen in de 17de eeuw, en waarin een beschouwing over de dichtkunst van die tijd voorkomt, die Bakhuizen de gelegenheid geeft om de door de Tachtigers ‘genaaste’ stelling te poneren, dat vorm en inhoud in de poëzie volstrekt een zijn. Het behandelde onderwerp doet hem kennen als een artistiek begaafd geleerde, met een uitzonderlijke kennis van de op de dagelijkse werkelijkheid geïnspireerde literatuur der 17de eeuw.

 

Literatuur: Oosthoek; WP-lexicon; C. en M. Scharten-Antink. Julie Simon, De levensroman van R.C.Bakhuizen van den Brink. Uit brieven en bescheiden samengesteld (1914); A. Eppens. Van Hollandsche Potaard (1943); G. Colmjon. Bakhuizen van den Brink, een markante persoonlijkheid (1950); J.M. Romein. Uit de werkplaats van R.C. Bakhuizen van den Brink (1951); H. Reeser. De jeugdjaren van Anna Louisa Geertruida Toussaint (1962, m.n. hfdst. 4-6); G. Stuiveling, ‘Voetstappen van de vaderlandse romantiek’, in: Vakwerk (1967); Bakhuizen van den Brinknummer van het Nederl. Archievenblad (1975); J.A.L. Lancée. R.C. Bakhuizen van den Brink en het probleem van de ‘tijdgeest’ (1979); G.W. Kernkamp, ‘Bakhuizen van den Brink’, in: Geschiedschrijving in Nederland (1981).

 

M.J.G. de Jong en D. Welsink
[aangevuld, februari 2002]

prepostterug  begin  verder