Nederlands dichter en journalist (Amsterdam 30.1.1897 - Rome 1.8.1967). Studeerde rechten te Amsterdam, promoveerde aldaar in 1919, volgde tevens een muziekopleiding en speelde viool in het Concertgebouworkest. Correspondent van De Telegraaf in Rome en Parijs van 1929 tot 1936. Na WO II redacteur van de Winkler Prins Encyclopedie.
Als vitaal expressionistisch dichter en principieel vernieuwend criticus en essayist werkte hij mee aan Het Getij en De Vrije Bladen. Van beide tijdschriften was hij tevens redacteur. Zijn poëzie, verzameld in De boog (1917) en De spiegel (1925) had grote invloed op jongere tijdgenoten. Met name de levensdrift en het kosmische in deze gedichten heeft bijvoorbeeld de dichter H. Marsman sterk aangesproken. Zijn theoretische beschouwingen werden in sterk gewijzigde vorm gebundeld in Nieuwe tucht (1928).
Als journalist niet alleen jarenlang werkzaam te Rome en te Parijs, maar ook voor krant en weekblad reizende in Zuidoost-Europa, Klein-Azië en Noord-Afrika, scheen Van den Bergh voorgoed voor de letteren verloren, totdat de experimentele richting in de poëzie na 1950 opnieuw de aandacht vestigde op zijn vroege werk. Hij was inmiddels in Amsterdam teruggekeerd en begon in 1947 alsnog aan een studie Italiaans waarvan hij het doctoraalexamen in 1950 cum laude voltooide. Promoveerde in 1952 op de dissertatie over Giambattista Casti (1724-1803), l'homme et l'oeuvre. Daarna was hij docent Italiaanse cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.
Na met een opmerkelijke inleiding zijn Verzamelde gedichten (1954) te hebben uitgegeven, publiceerde hij nieuwe lyriek in Het litteken van Odysseus (1956) en Kansen op een wrak (1957), met name treffend wegens de bezinning op dood en leven (alleen de kunst kan de dood overwinnen, omdat ze eeuwig is) en de inspiratie door het klassieke Griekenland.
Van den Bergh schreef een belangrijk essay over de dichter J. Slauerhoff: Schip achter het boegbeeld. Over het werk van J. Slauerhoff (1898-1936) (1958). Daarnaast vertaalde hij veel uit het Frans en het Italiaans, o.a. sonnetten van Dante Alighieri.
Over de latere gedichten van Van den Bergh is nog enig rumoer ontstaan vanwege al dan niet vermeend plagiaat. Sommige van deze gedichten vertonen sterke gelijkenissen met de poëzie van onder meer Fernando Pessoa, Chr. Drummond de Andrade en G. Neveu, zoals August Willemsen hem verweet.
Literatuur: Kritisch lexicon; Oosthoek; WP-lexicon; G. Stuiveling, ‘Herman van den Bergh en de eerste jaren van Het Getij’, in: Willens en wetens. Twaalf essays (1967), p. 244-256; Herman van den Bergh bij zijn zeventigste verjaardag, speciaal nummer van Raam (1967) 32; J.J. Oversteegen, ‘Herman van den Bergh (1897-1967)’, in: Vorm of vent (1969), p. 80-93; C.J.E. Dinaux, ‘Mannen van Het Getij’, in: Herzien bestek (1974), p. 63-69; J. Meijer. Herman van den Bergh 1897-1967. Een documentatie (1977); J. Meijer. Herman van den Bergh: Sabbath, een Joods-thematische studie (1977); G. Kazemier, ‘Herman van den Bergh en het expressionisme’, in: S.A.J. van Faassen (red.). Was ik er ooit eerder? (1980), p. 159-170; W. Spillebeen, ‘De ‘Verzamelde gedichten’ van Herman van den Bergh’, in: Dietsche Warande & Belfort 176 (1981) 8, p. 608-613; A. Willemsen, ‘Herman van den Bergh: waar háált hij het vandaan’, in: Maatstaf, 30 (1982) 3, p. 1-13; K. Helsloot, ‘Variaties op het thema plagiaat’, in: Grondwerk. Essays en polemieken (1984), p. 7-25.
G. Stuiveling en G.J. van Bork
[ingrijpend gewijzigd, februari 2002]