Nederlands dichter en vertaler (Den Haag 10.1.1814 - Den Haag 24.12.1868).
Deze Haagse drogist genoot bekendheid als eenvoudig dichter, in het bijzonder van vaderlandse en huiselijke poëzie in de trant van de door hem bewonderde Tollens. Hij was het middelpunt van het plaatselijk letterkundig leven verenigd in het genootschap ‘Oefening kweekt kennis’, dat hij in 1834 met W.J. van Zeggelen, de boekhandelaar W.P. van Stockum en andere vrienden had opgericht en waarvan hij van 1845 tot zijn dood voorzitter was.
Niet zonder talent waren zijn vertalingen, waarvan er vele oorspronkelijk in De Gids verschenen. Zo bewerkte hij poëzie van Moore, Byron, Longfellow, Tennyson e.a., en zelfs De gevangene op den Kaukasus (1840) naar Poesjkin. Duitse dichters werden ‘nagezongen’ in de bundel Geest en hart (1861). Hij was tevens redacteur van de dichterlijke almanak Aurora, die Busken Huet ertoe bracht Een avond aan het hof te schrijven (De Gids, jan. 1865), wat uitliep op de Gids-crisis.
Literatuur: Oosthoek; WP-lexicon; C. Busken Huet. Litt. fantasiën en kritieken, 7 (1864); W.J. van Zeggelen, levensbericht, in Hand. Mij der Nederl. Letterk. (1869).
G.W. Huygens
[aangevuld, februari 2002]