Pseudoniem van Hendrik Jan Marsman, Nederlands dichter en (toneel)schrijver (St. Pancras 14.1.1937). Op de HBS in Haarlem is Bernlef de leerling van Rob Nieuwenhuys, die hem in aanraking brengt met het werk van Nescio, Elsschot en Carmiggelt. Daar ontstaat ook zijn belangstelling voor jazz en andere moderne muziekvormen en in die tijd bezoekt hij jazz- en poëzie-avonden waar dichters als Lucebert en Elburg optreden. Na zijn schooltijd studeert hij enige tijd politieke en sociale wetenschappen, vervult allerlei baantjes en reist heen en weer tussen Nederland en Zweden. Na een baan in het boekenbedrijf wordt hij in 1965 fulltime schrijver. Hij maakt vertalingen van Zweedse schrijvers en schrijft tal van recensies voor De Groene Amsterdammer, Het Parool, De Gids, de Haagse Post en andere bladen.
In 1959 stuurt Bernlef verhalen en gedichten in voor de Reina Prinsen Geerligsprijs, die vervolgens ook aan hem wordt toegekend. De winnende gedichten verschijnen in 1960 in Kokkels en de verhalen in datzelfde jaar in Stenen spoelen. Ze vormen Bernlefs officiële debuut. In deze teksten tekent zich het thema af, dat zijn hele oeuvre zal bepalen: de ingewikkelde relatie tussen tekst en werkelijkheid, twee werelden die elkaar al op heel alledaags niveau beïnvloeden.
Bernlefs taalgebruik is beeldend en doorzichtig, waarbij hij zich ook laat zien als een der leidende figuren van het tijdschrift voor teksten: Barbarber. Bernlefs verwondering gaat uit naar onaanzienlijke, bijna vergeten feiten in de realiteit, die door een vaak citeren of nauwelijks verschuiven-in-taal nieuw leven krijgen. De poëzie uit deze periode werd samengebracht in de bundel Gedichten 1960-1970 (1977).
In de bundels na 1970 wordt het aandeel van de taal allengs groter en nemen de citaten af. Vooral in de bundels Zwijgende man (1976) en Stilleven (1979) gaat het om de taal op de rand van het zwijgen, anders gezegd om een kwestie van leven en dood. Hierin toont Bernlef zich een heel modern dichter, die zijn ‘ommezwaai’ van het realisme van Barbarber naar het structuralisme van het tijdschrift Raster, waarvan hij vanaf de heroprichting in 1977 redacteur is, ten volle waar maakt. Ook in zijn poëziekritieken, o.a. verzameld in de bundel Het ontplofte gedicht (1978), blijkt zijn toenemende aandacht voor vorm en taal. Steeds weer ziet hij kans ingewikkelde poëzie toegankelijk te maken, daarbij zijn inleidingen als eigen bestaansverheldering gebruikend.
Ook als schrijver van proza volgt hij de kleine verschuivingen in de werkelijkheid, die die werkelijkheid beeldend of zelfs fictief lijken te maken, zodat er niet of nauwelijks verschil meer is met de wereld van een tekst. Een goed voorbeeld is de roman De maker (1972) met de vervalser Van Meegeren als hoofdpersoon. Ook de bekroonde roman De man in het midden (1977) laat op fascinerende en eenvoudige wijze zien hoe een man zich op de grens tussen verbeelde en reële werelden kan bewegen.
Steeds sterker komt in Bernlefs werk de nadruk te liggen op het weglaten. Het gaat hem er daarbij om dat wat vergeten of verzwegen is weer zichtbaar te maken door ogenschijnlijk toevallige dingen of gebeurtenissen. Daarbij functioneert de taal als problematisch instrument om waarnemingen te registreren.
De roman waarmee Bernlef een groot publiek bereikte, de bestseller Hersenschimmen uit 1984, lijkt een wat traditioneler boek, maar past wat de thematiek betreft in de literatuuropvattingen van Bernlef. De ik-figuur tracht ondanks zijn groeiende dementie door nauwkeurige waarneming vat te houden op de werkelijkheid, maar slaagt daarin niet en is uiteindelijk niet meer in staat verbanden aan te brengen. Dat leidt in laatste instantie ook tot verbrokkeling van zijn taalvermogen.
Sinds 1970 is Bernlef ook actief op het gebied van het toneel. Zijn eerste toneelstuk Sterf de moord wordt in 1973 door toneelgroep Centrum in het repertoire opgenomen. Een jaar later wordt In verwachting gespeeld. In 1986 gaat zijn muziektheaterstuk Voetnoten, waarvoor Leo Cuypers de muziek schreef, in première. De jazz heeft Bernlef nooit losgelaten. Niet alleen schreef hij poëzie over de groten uit de jazzwereld, hij schreef ook een aantal essays over jazz die in 1993 gebundeld werden in Schiet niet op de pianist. Over jazz en in 1999 in Haalt de jazz de eenentwintigste eeuw?
Het werk van Bernlef is vele malen bekroond. In 1962 kreeg hij de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam voor zijn gedichtenbundel Morene (1961) en in 1964 de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor zijn poëzie in Dit verheugd verval (1963). In 1984 werd zijn gehele oeuvre bekroond met de Constantijn Huygensprijs. Met zijn roman Publiek geheim (1987) verwierf hij de AKO-literatuurprijs en in 1994 kreeg hij de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre tot dan toe.
In 1986 werd Bernlefs roman Hersenschimmen bewerkt voor toneel en opgevoerd door Toneelgroep Centrum en in 1988 werd deze roman verfilmd door Heddy Honigmann.
Literatuur: Kritisch lexicon; Lexicon lit. werken; Oosthoek; WP-lexicon; T. Anbeek, ‘Bernlefs antirealisme’, in: De Gids 134 (1971), p. 338-342; K. Helsloot, ‘Meer lef dan kern’, in: Tirade 20 (1976) 212, p. 113-124; A.M. Musschoot, ‘Door het oog van de dichter’, in: Ons Erfdeel 22 (1979) 3, p. 397-401; C. Offermans, ‘Equilibrisme’, in: De kracht van het ongrijpbare (1983) p. 250-253, 318-322; Bernlef-nummer van De Vlaamse Gids 68 (1984) 2; Bernlef-nummer van Bzzlletin 12 (1984) 117; B. Peene, ‘De verdwijning van een secretaris’, in: Dietsche Warande & Belfort 131 (1986) 7, p. 501-510; B. Peene. J. Bernlef, Hersenschimmen (Memoreeks 29, 1986, 19923); D. van Teylingen, ‘Driemaal Hersenschimmen’, in: Literatuur 4 (1987) 1, p. 2-7; K. Osstyn, ‘Onder de top van de ijsberg: leesverslag van het werk van J. Bernlef’, in: Ons Erfdeel 30 (1987) 3, p. 322-330; N. van Rossen, ‘Zien en gezien worden: Bernlefs waarnemerschap belicht’, in: Revisor 15 (1988) 6, p. 66-75; G. Boomsma, ‘Het weefgetouw van het vergeten’ en ‘Een lek in het zwijgen’, in: Een lek in het zwijgen (1989), p. 67-116; Bernlef-nummer Bzzlletin 19 (1989-1990) 176/177.
R. Bloem en G.J. van Bork
[ingrijpend gewijzigd, februari 2002]