Nederlands dichter (Barendrecht 28.3.1894 - Vrouwenpolder 18.2.1966). Debuteerde in 1920 met de bundel lyrische gedichten Zwerversweelde. Schreef daarna sterk sociaal bewogen poëzie, zoals in Liederen van den arbeid (1929) en het antimilitaristische Aanklacht (1930). Hij schreef voorts een declamatorium: De brug die Noord en Zuid vereent (1937). In de jaren dertig ontwikkelde Beversluis zich tot nationaal-socialist en werd lid van de NSB. In zijn ‘Dagboekbladen, gepubliceerd naar aanleiding van brieven en vragen over mijn toetreding tot de NSB’ (Zeeuwsche stroom 1 (1941-1942) 11) geeft hij zijn beweegredenen daarvoor. Om die reden werd hem na WO II een tijdelijk publicatieverbod opgelegd, maar in 1946 verscheen alweer nieuw werk van hem: Dialogen met God. In De krans der uren (1956) verbeeldde hij het leven van de mens van zijn geboorte tot aan diens stervensuur. Beversluis is zeer productief geweest, ook als auteur van toneel en van hoorspelen.
Literatuur: BWN; Oosthoek; WP-lexicon; M. Nijhoff, in: Verzameld werk, 2 (19822), 158-160, 348-349, 506-510; A. Oosthoek, ‘Een ellendige kruiper’, in: Maatstaf 18 (1970) 1, p. 64-69; G.A. de Kok, ‘De bretellen van de commissaris: nogmaals het boek van De Bree’, in: Zeeuws Tijdschrift 30 (1980) 5, p. 129-139; N. Bakker, ‘Epiloog’, in: Het jaar van de honger 1944-1945 (1989), p. 97-103.
G.J. van Bork
[nieuw, februari 2002]