Schrijvers en dichters (dbnl biografieënproject I)


auteur: G.J. van Bork


bron: Schrijvers en dichters werd niet eerder gepubliceerd.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Duinkerken, Anton van

Pseudoniem van Wilhelmus Johannes Maria Antonius Asselbergs, Nederlands dichter, essayist en literair-historicus (Bergen op Zoom 2.1.1903 - Nijmegen 27.7.1968). Van Duinkerken werd opgeleid tot missionaris en volgde daartoe humaniora aan het klein-seminarie Ypelaar te Ginneken. Vervolgens bezocht hij het groot-seminarie Bovendonk te Hoeven. Na enige tijd koos hij uiteindelijk voor de journalistiek en werd in 1927 vast criticus van het katholieke dagblad De Tijd. In datzelfde jaar werd hij redacteur van Roeping. Tot tweemaal toe werd hem een bisschoppelijk schrijfverbod opgelegd, hetgeen hem na een innerlijke crisis deed besluiten zich geheel aan de letteren te wijden. In het jaar waarin hij het seminarie verliet, publiceerde hij zijn eerste dichtbundel Onder Gods ogen (1927). Bij de RK-leergangen van Tilburg ging hij MO-Nederlands studeren, maar hij maakte deze opleiding niet af. Hij verhuisde naar Amsterdam en kwam in contact met de katholieke jonge schrijvers Jan Engelman, Gerard Knuvelder, Herman de Man, Antoon Coolen en Albert Kuyle. In 1929 werd hij redacteur van De Gemeenschap. Daarin schreef hij een aantal antifascistische stukken, hetgeen uiteindelijk leidde tot afsplitsing en tot De Nieuwe Gemeenschap onder Albert Kuyle en Henk Kuitenbrouwer, die fascistische sympathieën hadden.

In 1934 werd Van Duinkerken de eerste katholieke redacteur van De Gids. Ondanks zijn felle polemieken met Ter Braak en Du Perron trad Van Duinkerken in 1936 toe tot het Comité van Waakzaamheid van antifascistische intellectuelen. Tijdens WO II schreef hij onder pseudoniem verzetspoëzie. In 1942 werd hij gevangen gezet

in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel, waar ook Vestdijk vast zat.

In 1940 werd Van Duinkerken hoogleraar Vondelstudies in Leiden. Uiteindelijk werd hij in 1953 hoogleraar Nederlandse en algemene letterkunde in Nijmegen.

In zijn ongewoon veelzijdig en omvangrijk oeuvre toont Van Duinkerken zich de strijdbare, welsprekende en erudiete voorvechter van de rooms-katholieke cultuur in Nederland, daarmee Alberdingk Thijms emancipatiestreven voortzettend. Zijn poëzie, ongecompliceerd in het weergeven van de eenvoudige vreugden en smarten des levens, van de Brabantse gulheid en vroomheid, wordt scherp hekelend, waar hij zich tegen farizeïsme of de benepen ‘Hollandse’ mentaliteit keert (onder meer in Lyrisch labyrinth, 1930; Hart van Brabant, 1936; Tobias met de engel, 1946).

Groot is zijn verdienste als pleitbezorger van een ruim opgevat katholiek humanisme dat hij hartstochtelijk verdedigt, zowel tegen ondogmatisch humanisme (Hedendaagse ketterijen, 1926, 19462) en heidens vitalisme (Katholiek verzet, 1932), als tegen een kortzichtig burgerlijk puritanisme (Verdediging van carnaval, 1928; Verscheurde christenheid, 1937). Scherp is zijn diagnose van de crisis die westerse cultuur en christelijk bewustzijn doormaken (Legende van den tijd, 1941; Mensen en meningen, 1951).

Met name sedert zijn hoogleraarschap te Nijmegen heeft zijn werkzaamheid zich verplaatst van de apologetiek naar de literatuurstudie (Vondel, Tachtigers, maar ook moderne, o.a. Franse literatuur) in alle vormen: van kritiek via essay (Ascese der schoonheid, 1946, over A. Roland Holst; Antoon Coolen, 1949) tot literair-historische werken (Het tijdperk der vernieuwing van de Noordnederlandse letterkunde, 1952). Belangrijk is zijn reeks uitvoerige bloemlezingen uit de rooms-katholieke letterkunde.

In 1933 kreeg Van Duinkerken de Van der Hoogtprijs voor Dichters der contra-reformatie (1932). In 1937 werd hem een eredoctoraat verleend door de Universiteit van Leuven. In 1960 kreeg hij de Constantijn Huygensprijs en in 1967 de P.C. Hooftprijs voor zijn volledige oeuvre.

 

Literatuur: BWN; Kritisch lexicon; Oosthoek; WP-lexicon; H.A. Gomperts, ‘Catastrofe der scholastiek’, in: Vrije Bladen 17 (1940) 2; Anton van Duinkerken-nummer van Roeping 29 (1953) 1; Anton van Duinkerken-nummer van Brabantia 12 (1963) 1; Anton van Duinkerken-nummer van Dietsche Warande & Belfort 108 (1963) 1; J. de Ceulaer, ‘Anton van Duinkerken, verstandelijke reflecties’, in: Te gast bij Nederlandse auteurs (1966), p. 96-105; Liber Amicorum in memoriam Anton van Duinkerken, speciaal nummer van Raam (1968) 47; Anton van Duinkerken 1903-1968, KRO-herdenkingsprogramma (1968); G.Th. Rothuizen. Steen of stroom? Menno ter Braak en Anton van Duinkerken over het christendom (1969); J. Florquin, ‘Anton van Duinkerken’, in: Ten huize van ... (19712), p. 122-141; P. Brachin. Anton van Duinkerken (1959, 19713); A. Westerlinck, ‘Anton van Duinkerken. Een boventijds talent in onmin met zijn tijd’, in: Musica humana. Verzamelde opstellen (4e reeks, 1973), p. 81-186; M. ter Braak, ‘Het christendom, twee getuigenissen’, in: Vrije Bladen 14 (1937) 7, p. 19-31 (Ook in: De nieuwe elite, 19802); M. van Kempen. Anton van Duinkerkens Hedendaagse ketterijen. Een stilistische analyse (1982); Anton van Duinkerken (1903-1968), speciaal nummer van Werkschrift voor leerhuis & liturgie 3 (1982-1983) 7; Th. Kroon. Anton van Duinkerken, schrijver en dichter (1983); Anton van Duinkerken, 1903-1968, tentoonstelling Nijmegen 18 juni - 7 augustus 1983, met bijdragen van J. de Josselin de Jong e.a. (1983); A. Roes. Een schaduw die verschuift. Leven en werk van de jonge Anton van Duinkerken (1984); M. van der Plas, ‘Anton van Duinkerken’, in: Buurmans gras. Herinneringen aan Böll, Bomans en Van Duinkerken (1986), p. 5-55; J. Bosmans. Vondel in Leiden. De benoeming van Anton van Duinkerken tot Vondelhoogleraar in Leiden, 1940 (1991); M.E. Polman. De keerzijde van het leven. Anton van Duinkerken als literatuurcriticus bij De Tijd (1927-1952) (2000); M. van der Plas. Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek. Biografie van Anton van Duinkerken (1903-1968) (2000).

 

W. Gobbers en G.J. van Bork
[ingrijpend gewijzigd, februari 2003]