Schrijvers en dichters (dbnl biografieënproject I)


auteur: G.J. van Bork


bron: Schrijvers en dichters werd niet eerder gepubliceerd.  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Krol, Gerrit

Nederlands prozaschrijver en dichter (Groningen 1.8.1934). Krol studeerde wiskunde in Groningen en later in Amsterdam, waar hij werkte als computerprogrammeur bij Shell. Tussen 1965 en 1969 verbleef hij in Caracas, van waaruit hij Zuid-Amerika en het Caraïbisch gebied bezocht. Terug in Nederland probeerde hij van zijn schrijverschap te leven, maar al spoedig nam hij weer een baan aan bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij.

Krol begon al vroeg te schrijven. Hij schreef enkele romans en voorts verhalen die van 1962 tot 1964 in Elseviers Weekblad verschenen. Zijn eerste gedichten werden in 1961 gepubliceerd in Barbarber en Hollands Weekblad. Daarna publiceerde hij in een groot scala van dag- en weekbladen en in tijdschriften. In 1962 debuteerde Krol met de roman De rokken van Joy Scheepmaker. De hoofdpersoon van deze roman is een jonge man die na zijn militaire diensttijd terugkomt in zijn geboortestreek en daar volkomen gedesoriënteerd zijn leven opnieuw moet beginnen door zich opnieuw vertrouwd te maken met de veranderde werkelijkheid om hem heen. Een jonge vrouw werkt daarbij als katalysator om weer met zichzelf in harmonie te komen. Vrouwen vervullen in het werk van Krol vaker die rol. Veel van Krols mannelijke personages zijn figuren die door hun mathematische of schematische manier van denken beperkt zijn en bij wie het emotionele en intuïtieve bij uitstek door vrouwen op gang gebracht worden. Dat is bijvoorbeeld ook het geval in De chauffeur verveelt zich (1973) en in Een Fries huilt niet (1980) wordt de nuchterheid en exactheid van de hoofdpersoon door het vrouwelijke personage danig onder druk gezet. In latere romans speelt de werkkring een rol om in de chaotische werkelijkheid houvast te krijgen door opdrachten uit te voeren of plannen te bedenken die systeem aanbrengen in het bestaan.

De invloed van wiskunde en Krols werk als computerprogrammeur spelen een niet onaanzienlijke rol in zijn romans en verhalen. In APPI: automatic poetry by pointed information (1971) heeft hij zijn ideeën over computers en experimentele poëzie beschreven. In De man achter het raam (1982) treedt in de ik-vorm een kunstmatig brein op als personage dat in een scherpzinnige discussie met zijn schepper tracht te ontraadselen wat de zin van het bestaan is. Dat kunstmatige brein blijkt in houding en gedrag steeds meer menselijke trekken te krijgen. Hoewel de logica in het werk van Krol een belangrijke rol speelt, is die logica in zijn personages steeds onderhevig aan de correcties van het gevoel, associaties en andere ervaringen van het individu. Het logisch denken is onvoldoende om vat op het leven te krijgen. Voorbeelden van deze Krol typerende wijze van denken zijn te vinden in De ziekte van Middleton (1969) en De weg naar Sacramento (1977).

Tot 1974 maakte Krol veel gebruik van tekeningen of plaatjes in zijn teksten, waarvoor anders te lange beschrijvingen nodig zouden zijn geweest. Vanaf Het gemillimeterde hoofd (1967) tot aan In dienst van de 'Koninklijke' (1974) maakt hij daar gebruik van en daarna suggereert hij dergelijke afbeeldingen alleen nog in woorden. De plaatjes in Over het uittrekken van een broek (1970) zijn bij de herdruk in Polaroid. Gedichten 1955-1976 (1976) weggelaten.

De poëtica van Krol is goed af te lezen uit zijn essays, in het bijzonder die van De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels (1981). Niet alleen geeft hij hierin zijn visie op zijn schrijverschap, maar hij maakt ook duidelijk waar zijn voorkeuren voor andere schrijvers op berusten.

De stad Groningen en de omgeving daarvan is vrijwel steeds min of meer nadrukkelijk aanwezig in Krols werk. In De rokken van Joy Scheepmaker als milieu en decor, en nadrukkelijk in De kleur van Groningen (1991).

Ondanks de experimentele vorm van veel van Krols werk is hij bepaald geen revolutionair denker. Daarvoor is zijn waardering voor het bestaande maatschappelijke bestel te groot. Waarschijnlijk speelt daarin zijn afkomst uit een protestants-christelijk milieu een niet onaanzienlijke rol, maar vooral ook zijn hang naar inpassing in de gemeenschap waarin hij leeft.

In 2001 gaf Krol een serie gastcolleges aan de Technische Universiteit Delft. In zijn openingscollege behandelde hij de verhouding tussen het bèta- en alfa-denken, speciaal in de relatie tussen kunst en mathematica. Samen met zijn Vermeerlezing werden deze colleges gepubliceerd in De onhandige mens (2001).

Aan Krol zijn vele prijzen toegekend. In 1978 kreeg hij de Multatuliprijs voor De weg naar Sacramento. Zijn gehele oeuvre werd in 1986 bekroond met de Constantijn Huygensprijs. In 1996 ontving hij de Busken Huetprijs voor De mechanica van het liegen (1995). In 2001 werd hem de P.C. Hooftprijs voor zijn hele oeuvre toegekend en dat was aanleiding voor de publicatie van een cahier met poëzie onder de titel Minnaar (2001) en een verzameling van romans, verhalen en columns in Krols keus (2001). Ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de Vrije Universiteit van Amsterdam werd op 20 oktober 2004 aan Krol een eredoctoraat verleend.

 

Literatuur: BNTL; Kritisch lexicon; Lexicon lit. werken; Oosthoek; WP-lexicon; R. Kopland, 'Morbus middletoni. De vreselijke lijdensweg zoals beschreven door Gerrit Krol in 'De ziekte van Middleton', in: Jaarboek Mij Ned. letterkunde 1969-1970 (1971), p. 12-24; N. Matsier, 'In gesprek met Gerrit Krol. De hoofdpersoon en zijn vrouwen', in: De Revisor 4 (1977) 6, p. 12-18; T. van Deel, ''Ik ben pas geboren', Gerrit Krol', interview in: Bij het schrijven (1979), p. 32-54; T. van Deel, [Over Gerrit Krol], in: Recensies (1980), p. 159-175; J. Hentink, 'Illustraties in het werk van Gerrit Krol', in: Voortgang van het onderzoek in de subfaculteit Nederlands aan de Vrije Universiteit (dl III, 1982), p. 115-121; J. Hoogteijling, 'Krols Odyssee. Over 'Eenvoudige lichaamsuitbreidingen' van Gerrit Krol', in: J. Hoogteijling en F.C. de Rover (red.). Over verhalen gesproken (1982), p. 165-179; Gerrit Krol-nummer van Het Oog in 't Zeil 1 (1984) 5; M. Galle, 'De theorie van het vertelperspectief aan de poort van het ander proza', in: Studia Germania Gandensia 5 (1985), p. 5-43; I. Bulte, 'Krullen op een gemillimeterd hoofd', in: De Revisor 13 (1986) 2, p. 17-27; K. Fens, 'Kraus zoekt weerstanden', in: Jan Campertprijzen 1986 (1986), p. 7-29; A. Zuiderent, 'Chronologie en genie. 'Het gemillimeterde hoofd' als meesterproef van Gerrit Krol', in: W.F.G. Breekveldt e.a. De achtervolging voortgezet. Opstellen over moderne letterkunde aangeboden aan Margaretha H. Schenkeveld (1989), p. 301-326; A. Zuiderent. Een dartele geest. Aspecten van 'De chauffeur verveelt zich' en ander werk van Gerrit Krol (1989); O. Heynders, 'Gerrit Krol: dichter en denker. De complexicteit van een poëtica', in: Spektator 18 (1989) 6, p. 431-443; Gerrit Krol-nummer van Bzzlletin 25 (1995) 230; W. de Leeuw, 'Het postmoderne van Gerrit Krols beschouwend werk. Een voetnoot bij 'De abstracte roman'', in: Voortgang 17 (1998), p. 117-139; P.C. Hooftprijs 2001 voor verhalend proza aan Gerrit Krol (2001); E. Lockhorn, 'Gerrit Krol. 'Seks is de lakmoesproef voor een schrijver', interview in: Geletterde mannen (2001), p. 144-158; A. Zuiderent, 'De rokken van Joy Scheepmaker' of: de bevrijding uit een vacuüm', in: ZL 4 (2004-2005) 4, p. 42-55; A. Zuiderent, 'Doing the Fosbury Flop: Gerrit Krol's literary high-jump', in: The Low Countries 14 (2006), p. 177-188.

 

G.J. van Bork
[Herschreven, februari 2007]