terug  begin  verder

[3]

Kasteel de Werve, April 186 .

Zie zoo, beste Willem! ik ben doorgedrongen tot het binnenste van de vesting, maar ik ben nog geen meester van 't garnizoen... Verre van daar, hoewel ik reeds slaags geweest ben met den majoor. Maar ik wil niet vooruitloopen; ik ga u eerst vertellen hoe ik hier ben aangekomen en onder welke indrukken.

Door van Beek voorzien met de noodige indicaties en van een credietbrief voor zijn collega Overberg, procureur en notaris in het kleine stadje Z., trad ik diens woning binnen. Gij ziet, ik word gebousculeerd van den eenen man der wet op den anderen; maar dat kan nu eenmaal niet anders. Overberg was in de gelegenheid om mij de beste diensten te bewijzen bij mijn aanval op de Werve. Hij is een man van gewigt in zijne standplaats en de hoofdagent geweest van freule Roselaer, bij haar toeleg om zich in 't geheim meesteresse te maken van von Zwenkens bezittingen. Hij is (voor hare rekening) de altijd gewillige geldschieter geweest, die den generaal in zijne chronische kwaal van geldverlegenheid bijstond. Wel bezien is het nog zoo kwaad niet, dat zij zich zoo geheel van den toestand

[p. 52]

heeft meester gemaakt. Zonder dat zouden die kostbare goederen op allerlei wijze verbrokkeld en geruïneerd zijn, terwijl de ongelukkige die ze moest afstaan of beleenen, in woekeraars-handen zou gevallen zijn, die hem reeds veel eer in 't verderf zouden gebragt hebben. Dit is nu niet het geval geweest. De mandataris van tante moest strikt het billijke vorderen, maar ook niets daar boven. Dit maakte dan ook, dat von Zwenken niet in gebreke bleef zich in allen nood tot hem te wenden, zoodat hij zijn volle vertrouwen bezit en zeer zeker op diens aanraden de transactie, die hem eens door van Beek werd voorgesteld, zou hebben aangegaan (het afstaan van zijn huis en de heerlijkheid), zoo niet de voorslag van zijne schoonzuster ware gekomen. Ook ried Overberg mij, zoo ik toegang wilde verkrijgen tot het kasteel, niet als de erfgenaam van freule Roselaer op te treden, hetgeen terstond alles voor goed zou bederven.

Als jonker van Zonshoven, door mijn moeders moeder aan den generaal geparenteerd, zou ik vermoedelijk niet onwelkom zijn, hoewel von Zwenken zich geheel heeft teruggetrokken uit de conversatie en noch gasten noch bezoekers meer ontvangt.

Ik zou een voorwendsel bedenken dat mijn verblijf in het naburige stadje wettigt, en van daar uit was de aanleiding tot eene visite ligt gevonden; het verdere zou dan van de ontvangst afhangen. Maar ik wilde niet zoo onvoorbereid aankloppen, ik moest zoo veel doenlijk weten, wie en wat ik er vinden zou, allereerst wie eigenlijk Francis was, waar het mij voornamelijk op aankwam. Toen ik Overberg vroeg, of hij freule Mordaun, persoonlijk kende, baalde hij de schouders op.

‘Ik heb slechts eenmaal de eer gehad haar te spreken. De generaal komt altijd zelf bij mij; de freule komt hier nooit meer. Eens slechts had zij in eene zaak, haar persoonlijk betreffende, mijn raad noodig, en toen is zij bij mij geweest; maar dat is lang geleden. Toen woonde de generaal met zijne kleindochter nog in de stad en was kommandant van de vesting.’

Daar Overberg niets van tantes beschikkingen weet, dan dat

[p. 53]

ik haar erfgenaam zou zijn, was ik met van Beek afgesproken, hem van het huwelijksplan niet te spreken voor er kans scheen dat het zou doorgaan, en zoo wachtte ik een antwoord zonder menagement.

Mijne teleurstelling moet zich op mijn gelaat hebben geteekend, want de goedhartige man hernam met zekere meewarigheid en als verontschuldigde hij zich over zijne onkunde op dit punt:

‘Weet gij, jonker! de overste leefde destijds op een grooten voet en er bestond toen nog zekere afscheiding tusschen den militairen kring en en den burgerlijken, die nu is weggevallen. Ik, bij mijne drukke bezigheden en weduwnaar, hield mij buiten de conversatie. Sinds ik hertrouwd ben doe ik zoo wat meê, en 't is hier met diners en partijen druk genoeg - en nu wij hiervan spreken, van avond is er een soirétje bij mij aan huis; daar komen jonge dames, die met freule Mordaunt hebben geconverseerd. Wees heden mijn gast; gij kunt den togt naar de Werve toch moeijelijk in den middag ondernemen. Ik zal u voorstellen als iemand die hier naar een buitentje in den omtrek komt rondzien. Want gij begrijpt, in een stadje als het onze moet men de reden kennen van uw oponthond, of men gaat er allerlei gissingen over maken van eigen vinding. Ik zal 't gesprek op de von Zwenkens brengen en gij kunt toeluisteren; dat is het beste wat ik er op weet.’

Ik vond het ook zoo kwaad niet. In het logement waar ik verblijf had genomen (het eenige dragelijke) had men mij gezegd, was het niet vrolijk den avond door te brengen en een gezellige bijeenkomst in eene kleine stad had, nevens de eigen-aardige bezwaren, toch ook hare voordeelen, in dezen alshans voor mij.

Ik nam aan, dineerde geheel en famille met den heer Overberg en zijne vrouw, gulle, joviale lieden, wie men het niet zou anzien dat zij behoorden tot het gilde:

 
‘De petits avocats
 
Qui se sont fait des sous
 
En rognent des ducats.’
[p. 54]

En toch was mr. Overberg een geducht man op zijn terrein. Hij was er voor bekend, dat hij zijne schapen niet vilde, maar zachtkens schoor. Toch raakten zij hunne vacht kwijt als ze eens in zijne handen kwamen. Waarheid is, dat hij ze niet lokte noch valstrikken spreidde, dat hij integendeel waarschuwde voor processen waar men zijne hulp als procureur inriep. Hij hield niet van uitersten, niet van geweld; hij hield van middelen en schikken, en het goelijk glimlachje waarmee hij zijn cliënten ontving, het zachte lijntje dat hij hen steeds aanprees, of hij vreesde dat een ruwe aanval zijn blanke, gevulde handen niet passen zou, bewezen, dat hij de man van zijn tijd was, de beschaafde, wel opgevoede practizijn, die zijne partij zoetjes aan bragt waar hij haar hebben wilde, sans avoir l'air d'y toucher.

Tante Sophie schatte hem hoog om zijne discretie en voorzigtigheid, maar zij heeft zich wel gewacht hem le fin fond van hare bedoelingen te laten doorzien, daar hij de man niet was voor snelle gewelddadige maatregelen. Tot eene ontknooping zoo als zij die in 't eerst bedoeld heeft, zou zij zeker van Beek hebben ingeroepen, die met het code in de eene en het zwaard zonder genade in de andere hand zou zijn opgetreden om ronduit op zijne prooi af te gaan. Overberg daarentegen, meenende dat ik uit mij zelven en krachtens mijn regt als erfgenaam bezit wilde nemen van de mij ten deel gevallen goederen, geloofde mij te moeten vermanen tot geduld. Temporiseren en uitstel van betaling geven waar het mijne vorderingen gold; niet alle hypotheken gelijk opzeggen, maar op verschillende en ver verwijderde termijnen, opdat alles langzaam maar zeker en zonder opzien te verwekken als en famille kon worden afgedaan. De generaal moest er toe komen, dat was zeker, al wat nog het zijne heette en dat hij nimmermeer kon vrijmaken, bij wijze van minnelijke schikking over te doen. De goede naam van een, militair, van een man die in een oud patricische familie gehuwd was, al was hij vreemdeling van afkomst, zou op die wijze gespaard blijven, en uit lankmoedigheid kon in geen geval schade volgen, terwijl het opeischen van alles te gelijk den man tot

[p. 55]

het uiterste zoude brengen, hem mogelijk in vertwijfeling zijn toevlugt zou doen nemen tot een ander practizijn, die kwaden raad kon geven in deze wanhopige zaak, en als men doorzette en de onbarmhartige schuldeischer speelde, was er kans dat men schade leed, daar 't verkoopen van onroerend goed zeer uit de hand kon vallen en 't geheel eigenlijk sinds lang bezwaard was boven de waarde.

De goede man wist niet, qu'il prêchait un converti, en dat mijn innigste wensch was, alle mogelijke verschooning te gebruiken; alleen de intentie der erflaatster was juist eene geheel andere; deze was het te doen om te verpletteren, niet om opgerigt te houden; op de schade die er uit volgen kon, mogt niet worden gezien; de verdrijving van den generaal uit al het zijne was het hoofddoel, tenzij, de reddende hand werd aangegrepen die ik mogt toesteken; maar ik beken u gulweg Willem, dat 't geen ik op die soirée hooren moest, mij gansch niet gunstig stemde voor die aanbieding. Het verleden van dat jonge meisje moet toch al heel duister en zonderling zijn, als er maar iets waar is van de praatjes die hier over haar worden gehouden. Ik weet wel, men moet veel op rekening stellen van de kwaadsprekendheid en de bekrompen uitleggingen eener kleine stad, maar toch... oordeel zelf: Onder de dames aan wie ik werd voorgesteld, was er eene, een alleraardigst jong weeuwtje met gitzwarte oogen en levendige gelaatstrekken, die mij werd aangeduid, als eene verre nicht van de Roselaers, en waarvan het mij in 't eerst speet, dat zij niet Francis Mordaunt heette en de uitverkoren nicht was van tante Sophie. Maar toen zij door vriend Overberg, zoo als ter loops op het chapître der von Zwenkens werd gebragt, was ik heel blij, dat ik mij volkomen vreemd van haar mogt houden. Ik kreeg zelfs eene opwelling van haat en bitterheid tegen haar, zoo onbarmhartig als zij op de arme Francis lostrok.

Ja zij waren goede kennissen geweest in den tijd toen haar grootvader de kommandant was van 't garnizoen, en zij had het huis van den overste gefrequenteerd, maar vriendschap, neen,

[p. 56]

vriendschap had er nooit bestaan tusschen haar en dat jonge meisje, daarvoor was zij al te bizar, en te ongemanierd, Verbeeld u jonker! ze kwam eens op een avond bij ons op een jongelui's partijtje, waar men wist dat muziek gemaakt en gedanst zou worden, invallen zoo cavalièrement als 't maar mogelijk was' met een donkeren merinosschen japon aan, hoog aan den hals, met een omgeslagen boordje en een zijden dasje, als een aankomende jongen, en haar schoeisel! bottines de roulier, op mijn woord, ik geloof dat zij er spijkers in had, geen onderofficier zou de onbeschoftheid hebben gehad met zulke laarzen in een salon te komen.....

‘Onbekeudheid met de omstandigheden welligt...’ verontschuldigde ik.

‘Wel neen! Zij was acht dagen vooruit gevraagd. In dien tijd kan men wel een toilet prepareren zou ik meenen! Daarbij zij was niet an depourvu, dat bleek heel duidelijk, daar zij twee dagen daarna, bij een simpel damespartijtje, waar we tegen tien ure, door onze bedienden geescorteerd, weêr naar huis gingen, en grande toilette verscheen, gedecolleteerd of ze had moeten dansen, éblouissant door hare parure en met kostbare diamanten spelden in haar kapsel! Nu vraag ik u eens, was dat niet om ons allen te railleren en bloedig te krenken?

‘Het komt mij voor, dat zij hare vriendinnen meer eer wilde aandoen dan hare cavaliers.’

‘Waarheid is dat zij al heel weinig complimenten maakt met de heeren,’ viel eene schrale ouderwetsch gekleede oude juffer in, die zeker de laatste had moeten zijn om partij te trekken voor een geslacht, dat haar blijkbaar verwaarloosd had.

‘En dezen hebben haar wis die nonchalance gereciproceerd?’ vroeg ik. ‘Zij heeft denkelijk den ganschen avond tapisserie gemaakt nevens de dames van leeftijd.’

‘Omdat zij zelve het dùs wilde,’ viel het weeuwtje weer in. ‘Hoe zij er ook uitzag, zij was zeker dat zij dansers kon krijgen. Alle jonge officieren zijn als van zelf verpligt de dochter, nicht of kleindochter van hun kolonel zoo wat het hof te maken.

[p. 57]

Daarenboven verstond Francis Mordaunt heel goed de kunst om aan te trekken door af te stooten. Ondanks al hare bizarrerie en alle hare caprices was zij nooit om een cavalier verlegen. Nauwelijks trad zij ergens binnen of zij wist de opmerkzaamheid tot zich te trekken. De heeren omringden haar, zij werd gevleid, gecourtiseerd..,.’

‘Ja! gecourtiseerd, dat kan wel zijn, maar niet geconsidereerd, dat is zeker!’ viel de oude vrijster in. ‘Het was meest om haar gerisqueerde aardigheden te ontlokken of zulke uitvallen, waardoor ze befaamd is geworden.’

‘Waarheid is, dat iedereen zich amuseerde met hare bijtende reparties.’

‘Die de dames vreesden,’ sprak een der heeren half schertsend, half verwijtend, ‘omdat ze in den regel even juist waren als scherp.’

‘In den regel koos zij de heeren tot point de mire van hare raillerie.’

‘Hoe vreemd dan toch, dat de dames zoo weinig hare partij trekken,’ kon ik niet nalaten aan te merken.

‘Dat is niet vreemd, jonker! De eigenaardigheden waardoor zij opgang wist te maken zijn juist die, welke wij in onze sexe niet kunnen uitstaan. In al hare overwinningen zagen wij nederlagen; de goede toon ging er bij onder.’

‘En hoe liep de partij voor freule Mordaunt af in dat curieuse danstoilet?’ viel ik in, want ik had minder belang bij een combat d'esprit met het précieuse weeuwte, dan bij eene meer voltooide karakterschets van Francis, al was die ook door een tintje kwaadsprekendheid gekleurd.

‘Juist zoo als zij het hebben wilde, denk ik. Zij werd dien avond wel wat gedelaisseerd en blijkbaar was dat haar oogmerk, want zij deed niets om er in te voorzien; integendeel, zij heeft haar besluit om niet te dansen, zoo luid en zoo forsch te kennen gegeven aan de gastvrouw zelve, dat er geen kwestie meer kon zijn van haar te vragen.’

‘Zoo slim was ze wel,’ viel nu de oude juffer in. ‘Zij nam

[p. 58]

het initiatief omniet beschaamd te blijven zitten als er geen danser kwam opdagen.’

‘Waarheid is, dat er meer zedelijken moed toe behoorde dan onze heeren in den regel bezitten, om eene dame op te leiden, die zich zoo heeft toegetakeld,’ hervatte de weduwe.

‘De gewoonte om ons niet te sparen schijnt hier aanstekelijk,’ fluisterde mij een officier in, die mij als kapitein Sonders was voorgesteld. Ik knikte zwijgend, want ik wilde luisteren toen mevrouw X. vervolgde:

‘Ten laatste, toen de côtillon werd afgeroepen, moest ze toch meedoen, en de ongelukkige leider van den dans moest zich opofferen. Luitenant Wilibald, de adjudant van haar grootvader, was gedwongen haar op te slepen; hij nam son courage à deux mains, en, na eenigen weerstand, die wel serieus gemeend scheen te zijn, liet zij zich meevoeren, maar deed niets om hem de corvée te verligten; integendeel, zij was zoo recalcitrant, zoo onopmerkzaam en zoo links, dat er telkens eenige verwarring ontstond en haar cavalier de grootste moeite had om hare méprises en distracties goed te maken. Ook werd de hoffelijke jonkman door iedereen beklaagd, te eer daar men wist, dat hij zich eigenlijk uit dienstpligt opofferde, daar hij geëngageerd was met een allerliefst meisje, dat om een rouw in hare familie, thuis moest blijven.’

‘Pardon, mevrouw! Vergun mij te zeggen dat uwe voorstelling wat onjuist is uitgevallen,’ viel nu kapitein Sanders in, met wien ik terstond was ingenomen om zijn ernstig en schrander voorkomen. ‘Permitteer mij een en ander te rectifieren, want ik ben een vriend van luitenant Wilibold, en ik weet dat het hem hinderen zou, als zulke schets voor de ware werd uitgegeven. Het was voor hem volstrekt geen corvée freule Mordaunt op te leiden, in welk toilet zij ook goedvond zich te vertoonen, want hij hield genoeg van haar om niet wat bizarrerie over 't hoofd te zien.... Ja, ik durf zeggen, had het aan hem gestaan, zijne allerliefste future, een piepjong, stijfburgerlijk opgevoed poppetje, zou nooit zijne vrouw geworden zijn; maar

[p. 59]

de omstandigheden dwongen hem en freule Mordaunt schijnt er het hare toe gedaan te hebben om hem eene fortuin te doen trouwen.’

Ik dankte den kapitein in mijn hart, dat hij zoo ridderlijk de handschoen opvatte voor de waarheid tegen dat valsche tongetje, en ik had hem graag openlijk bedankt en de hand gedrukt, maar ik moest voorzigtig zijn en mijne belangstelling verbergen, wilde ik meer hooren.

‘En is freule Mordaunt later nog getrouwd?’ vroeg ik en trachtte de vraag zoo onverschillig mogelijk van de lippen te laten vallen.

‘Wel neen!’ riep de schrale oude juffer met een triomferenden glimlach. Zij heeft hier zoo ver men weet (en men weet hier nog al alles) in dezen kring nooit geen serieusen pretendent gehad.’

‘Hé! dat is toch vreemd; eene jonge dame die zoo veel attracties scheen te hebben,’ merkte ik aan.

‘Dat is in 't geheel niet vreemd,’ viel het weeuwtje in, op een coquet sentimenteelen toon. ‘Aanbidders en vleijers van 't oogenblik om zich heen te lokken, viel haar niet moeijelijk, maar door 't hart alleen wint eene vrouw ernstige genegenheid en achting, en niemand heeft ooit Francis Mordaunt au serieux kunnen nemen, n'en déplaise den kapitein, want zij had geen hart; zij heeft nooit van iets gehouden dan van paarden en honden.’

‘Gij vergeet haar grootvader,’ pleitte weer de kapitein.

‘Nu ja! daar was ze idolaat van, maar tot haar ongeluk vergold hij het haar op eene vreemde wijze.’

‘Wat bedoelt gij, mevrouw?’ vroeg Overberg, wiens joviaal gelaat wat betrokken was.

‘Dat hij het jonge meisje veel te veel aan haar eigen wil en luimen overliet.’

‘Wat zal men zeggen, chère amie! Hij was bang voor haar.’ (Het was de oude juffer die toebeet.) ‘Hij bulderde tegen officieren, maar eene scéne met Francis durfde hij niet afwachten.’

[p. 60]

‘Nogmaals verschooning voor tegenspraak, freule! De overste von Zwenken bulderde niet tegen zijn officieren, ik weet het bij ondervinding; maar waarheid, treurige waarheid is het, dat hij schitterde door zijne afwezigheid als Francis Mordaunt in de wereld ging. Hij liet haar uitgaan zóo en met wien zij wilde, en zat helaas! aan de speeltafel, in de dus genaamde adelijke sociëteit, als Francis zich door onbezonnenheid en zekere eigenaardigheden van haar karakter ter prooi gaf aan laster en verkeerde uitleggingen.

‘Bravo, kapitein! Dat's loyaal, de afwezende te verdedigen.’

‘Het spijt mij maar, dat het niet zijn kan zonder een andere afwezende aan te klagen; maar hetgeen ik zeg is bekend, over bekend in dezen kring.’

‘Even bekend als de excentrieke allures van majoor Frans. Wat kapitein Sanders ook zeggen moge, wij vonden niets uit op dit punt, wij geven het zoo als wij het hebben aanschouwd.’

Ik begreep maar al te goed wie er door Majoor Frans bedoeld werd, om op nieuw eene vraag te durven doen.

‘Dat moet men toestemmen,’ sprak eene oude dame, die tot hiertoe gezwegen, maar met schitterende oogen toegeluisterd had. ‘Denk maar wat een opzien het gaf, toen zij zich zoo compromitteerde voor dien vreemdeling, die in de “Gulden Zalm” logeerde, wien het huis van den kolonel was ontzegd en dien zij rendez-vous gaf buiten diens weten. Heeft zij niet ons aller blaam getrotseerd door op klaarlichten dag met den onbekende in de Plantaadje te wandelen? Ten laatste, 't is mij voor vast verzekerd door iemand die het weten kan, heeft zij hare diamanten spelden beleend om de kosten van zijn verblijf te betalen. Ze heeft ze zelfs willen verkoopen, want ze zijn iemand van mijne kennis gepresenteerd.’

De vrolijke blos op het frissche, volle gelaat van Overberg verschoot tot een vaal bleek, maar hij zeide niets; de kapitein daarentegen viel in:

‘Het is maar al te waar dat zij alles risqueerde als zij zich iets in 't hoofd had gezet.’

[p. 61]

‘En dat om een persoon, die in 't geringste logement herberg nam, niet eens zijn waren naam opgaf, zoo als later verteld werd, en die stellig een opligter of valsche munter is geweest.’

‘Indien dat gebleken ware, zou de politie zich er mee hebben bemoeid,’ bragt Overberg in 't midden.

‘Zoo komt het mij ook voor,’ sprak de kapitein, ‘en ik houd voor waar, wat Wilibold Smeekens er van geloofde: dat het iemand was die zich vroeger in den dienst niet goed had gedragen en dien zij uit medelijden naar het buitenland wilde voorthelpen.’

‘Hm! uit medelijden!’ sprak de oude mevrouw. ‘Een jonge dame behoort zich toch waarlijk in acht te nemen voor zulk soort van medelijden. Zich met intriganten in te laten! Ik verzeker u, dat er destijds algemeen sprake van was, haar uit onze conversatie te verbannen.’

‘Maar men waagde het niet dat banvonnis uit te voeren om den wille van den kolonel, die 't in zijn magt had het casino onmogelijk te maken en de militaire muziek te weigeren aan de buiten-sociëteit, en die 't zeker zou gedaan hebben als hij maar iets had geraden van 'tgeen er tegen zijne kleindochter broeide,’ sprak de kapitein. ‘Maar de dames legden het voor-zigtiger aan; zij executeerden de arme Francis achter haar rug en... en detail....’

‘Met dat gevolg,’ voegde de oude juffer er bij, ‘dat zij zich weldra uit haar zelve terug trok.’

‘Neen, dàt had eene andere oorzaak,’ zei nu het weeuwtje met een veelbeteekenend hoofdschudden; ‘dat kwam niet door onze bejegening, maar omdat hare eigene conscientie tegen haar getuigde na dat geval met haar koetsier.’

‘Ja dat's waar; dat was eene fatale historie,’ stemde de kapitein toe, tot mijne smartelijke verbazing.

De loyale man, die blijkbaar tegen lasterzucht en verkeerde uitleggingen kampte, moest hier zwijgen.

Wat was er dan toch gebeurd? vroeg ik bij mij zelve, maar de stem stokte mij in de keel, toen ik de vraag luide wilde herhalen. Zij werd mij gespaard.

[p. 62]

‘Maar wat is er dan toch gebeurd met die dame en haar koetsier?’ vroeg een gebrild heertje, dat nieuwelings aangekomen, met het ambt van postdirecteur was belast.

De tongen der dames trilden van ongeduld om te antwoorden.

‘Ongelukkig weet men er het regte niet van,’ hief de oude juffer aan, wier schrille, scherpe stem haar de gelegenheid gaf het woord te bemagtigen, ‘maar algemeen wordt geloofd, dat zij zich door haar koetsier wilde doen schaken. Mogelijk zou dat gelukt zijn, doch.... de man had eene bruid en toen dat uitkwam....’

‘Heeft zij hem op een woesten rijtoer van de bok geworpen,’ viel de oude dame in met een glimlach van demonisch genot.

‘Anderen, die 't meenen te weten, zeggen, dat zij hem met de karwats heeft dood geslagen,’ voegde het weeuwtje er bij, dat er toch ook het hare van hebben moest. ‘Horrible, most horrible!’ kwam er met een gemaakt sentimenteel oogver-draaijen achter.

Ja, wel horrible! dacht ik, dat jonge en oude vrouwen al te zamen wedijveren in boozen lust om eene van haar die gevallen is of mogelijk slechts is gestruikeld, met de tong den genadeslag toete brengen.

Ik kan u wel zeggen, Willem, dat ik in dien oogenblik overmeesterd werd door afschuw en walging tegen heel het vrouwelijk geslacht en dat het mij nauwelijks de moeite waard was verder te luisteren, toen nog weer een andere in zijde en kant gedoschte harpij uitviel:

‘Ik heb hooren zeggen, dat zij met hem gevochten heeft en dat de paarden toen zijn doorgegaan, waarbij het slagtoffer onder de voeten zou zijn geraakt.’

‘Hoe dat ook zij, de waarheid zal wel nimmer uitkomen, de man ligt op 't kerkhof.’

‘Ja, dat is hier zonder beeldspraak de waarheid,’ schertste de weduwe, en daarmee is de misdaad voor goed bedekt.’

‘Met uw verlof, dames! Als er van zoo iets kwestie was geweest, zou immers de justitie er zich mee bemoeid hebben,’

[p. 63]

merkte Overberg aan, ‘en ik weet voor zeker, dat er van zoo iets geen sprake is geweest.’

‘Dat wil ik wel gelooven,’ repliceerde de weduwe. ‘De officier van justitie was een goed vriend van den kolonel, die dagelijks met hem aan de ombretafel zat, en deze heeft, om de zaak te bemantelen en tegelijk aan het publieke wraakgeschrei iets toe te geven, eene officieuse visite afgelegd bij den kommandant. Francis Mordaunt moet toen in 't verhoor zijn genomen en, zooals vooruit te berekenen was, is er zwaanwit uitgekomen, naar 't getuigenis van den regterlijken ambtenaar althans,’ eindigde zij met een satyriek schouderophalen.

‘Maar mevrouw! viel Overberg in met zigtbare ergernis, ‘als men nu zelfs de onpartijdigheid van de justitie gaat verdenken!’

‘Och, ik verdenk niet, ik vertel slechts hoe 't afgeloopen is, namelijk dat de zaak gesmoord is en aan de familie van den ongelukkige het stilzwijgen werd opgelegd. Lieden van dat slag laten zich ligt bang maken. Enfin, hoe het daar ook mee zij, majoor Frans heeft zich na dat avontuur niet weer in onze côterie durven vertoonen en haar grootvader schijnt er aanleiding uit genomen te hebben om zijn ontslag uit den dienst te vragen.’

‘Hij had den leeftijd,’ voegde de kapitein er bij, ‘en zoo hij zijn ontslag kreeg was het met eene eervolle onderscheiding: bevordering tot generaal, vergunning tot het blijven dragen van de uniform.’

‘Waarvan wel niet druk gebruik zal gemaakt worden; want de generaal retireerde zich naar het huis de Werve,’ merkte de oude dame aan.

‘Waarvan nú majoor Frans het commando heeft,’ liet de oude juffer er op volgen.

‘En zich den tijd verdrijft met paardrijden en jagen,’ voegde het weeuwtje er bij met een opgetrokken neusje.

‘Wat het laatste betreft, dat kan ik, als onjuist, tegenspreken,’ hernam Overberg; ‘want de generaal heeft geene jagt-

[p. 64]

akte genomen, dat weet ik zeker, en het jagtregt over zijne velden en bosschen sinds lang overgedragen op.... een van mijne cliënten, die echter hazen en patrijzen in vollen vrede laat.’

Hierdoor kwam het praatje tusschen de heeren op de jagt en visscherij, terwijl de dames hare tong scherpten tegen andere slagtoffers.

Ondanks mijne poging om het te ontveinzen moet Overberg het mij hebben aangezien, dat de harde oordeelvellingen over Francis dieper indruk op mij maakten dan salon-praatjes behoorden te doen; hij nam mij ter zijde en fluisterde mij in: ‘morgen ochtend voor uw vertrek kom ik nog een paar woorden spreken over dit gehoorde; hecht er intusschen niet te veel aan; dit alles weegt zoo zwaar niet als het luid klinkt.’

Hij had goed praten, hij kende de oorzaak mijner belangstelling niet, en al tilde ik het nòg zoo ligt, het was toch te veel voor de betrekking waarin ik tot de freule moest komen. Ik begon te weifelen of ik wel naar de Werve zou gaan, en of ik niet beter deed mij ter zijde te houden en Van Beek met Overberg te laten handelen. Het oordeel over den generaal en zjjne kleindochter zou dan voltrokken worden, maar het scheen toch gansch niet onverdiend.

Onder overleggingen van den onaangenaamsten aard begaf ik mij ter ruste, die ik niet vond. Ik had een ellendige nacht en was op het punt na mijn ontbijt het rijtuig dat mij naar de Werve moest brengen, te gebruiken om naar een der digtst bij gelegen stations van den spoorweg te rijden, daar het stadje nog buiten het net der rails ligt en naar den Haag terug te keeren, waar mijne kamer nog niet is opgezegd en waar ik mijn eigen rustig en werkzaam leven kon hervatten, om mij voor goed af te wenden van tante Roselaers fortuin en hare beschikkingen; maar Overberg kwam tusschen beide met consideratie en advies.

‘Ik meen uwe nobele intentie geraden te hebben,’ ving hij aan. ‘Gij wilt freule Mordaunt leeren kennen, en als zij u aanstaat een voorslag doen, die allerlei moeijelijkheden door eene

[p. 65]

enkele overeenkomst bij minnelijke schikking uit den weg ruimt. Ik kan u niet zeggen, hoe prijsselijk, hoe verstandig ik dit voornemen vind, en het verwondert mij zelfs, dat de erflaatster u in dezen niet een wenk heeft gegeven, want zij was iemand die de zaken zoo helder zag.’

‘Dien wenk heeft ze gegeven, ik wil het u niet langer verheelen, en 't was wel mijn voornemen dien op te volgen; maar na het gehoorde van gisteren avond moet ik er afzien.

‘Gekheid! Hecht toch niet zoo veel gewigt aan die praatjes. Denk aan de lasterzucht en de kleingeestigheid van de lieden eener kleine stad, die alles op het bekrompenste uitleggen.’

‘Heel goed; maar in eene kleine stad waar men elkander, om het zoo eens te zeggen, oog in oog ziet en alles van elkander kan weten, durft men toch zoo grof niet liegen en lasteren als er niets van aan is.’

‘Dàt wil ik ook niet beweren; maar zekere ongewone voor vallen, zekere excentrieke handelingen zijn meestal voor tweeerlei uitlegging vatbaar, en wie zegt ons, dat de slechtste, door naijver en ergdenkendheid gegeven, juist de ware is. Ik voor mij, dit beken ik, ben niet in de gelegenheid geweest om de gedragingen van freule Mordaunt te controleren. Ik had genoeg aan de zaken met haren grootvader, die altijd met hooge ingenomenheid van haar sprak. Daarom wilde ik ook geene getuigenis voor of tegen haar geven op uwe vraag. Had ik echter kunnen denken dat onze dames het zóo bont gemaakt zouden hebben, dan had ik het niet op hare praatjes laten aankomen en zou ernstige navraag hebben gedaan bij personen die billijk en betrouwbaar waren.’

‘Kent gij dezulke hier?’

‘Ze moeten er te vinden zijn. En ik verzeker u, in mijne praktijk is het mij zoo dikwijls voorgekomen dat men de boosaardigste beschuldigingen, tot de grootste proportiën opgeblazen, als een zeepbel zag uiteenspatten bij ferme, mannelijke aanraking, dat ik niets meer geloof wanneer ik niet met eigen oogen gezien, niet met eigen handen getast heb, of waarvoor ik al-

[p. 66]

thans waarborgen heb, die met eigen aanschouwen gelijk staan.’

‘Op het punt der verkochte of beleende juweelen hebt gij dan toch zeker eenig duchtig bewijs in handen,’ viel ik in, mij zijn verbleeken herinnerend.

‘Gij hebt gelijk; juist in die zaak ben ik betrokken geweest. De freule had meer geld noodig dan die woekeraar van een goudsmid hier bij ons er haar op wilde voorschieten. Verkoopen wilde zij ze niet dan op het uiterste, en hoewel het mogelijk is dat de juwelier, die ze een paar uur onder zijne berusting heeft gehad, er zaken mee heeft willen doen, met hare toestemming en voorkennis zijn ze niemand te koop aangeboden. In hare verlegenheid nam zij hare toevlugt tot mij, van wien zij wist dat haar grootvader altijd met raad en hulp werd gediend. Nu behoort het wel niet tot mijn vak geld te leenen op edelgesteenten, maar zij bekende mij dat zij in de uiterste verlegenheid verkeerde hoe ze een paar duizend gulden zou bijeen krijgen buiten haar grootvader om. Zij was pas meerderjarig en hare voogden hadden haar nog geene rekening en verantwoording gedaan van hun beheer over haar ouderlijk erfdeel; zelve wist ze nog niet wàt ze bezat en geloofde dat haar vermogen geheel op het grootboek was geplaatst om bepaalde redenen, die ik ligt doorzag; men had dep generaal de gelegenheid willen benemen om zijne kleindochter, wier fortuin bij het overlijden van haar vader toch al zeer gereduceerd zal zijn, totaal te ruïneren. Wat daarvan zij, eene parure in paarlen en de prachtige diamanten spelden was alles wat zij kon missen op dit oogenblik, maar zij had er die dan ook voor over. Mejonkvrouw Roselaer had mij eens vooral opgedragen de von Zwenkens in allen nood bij te staan, moyennant degelijk onderpand. Ik meende dit geval in dit voorschrift te moeten begrijpen en ik schoot het geld voor tegen billijke rente op mijn eigen risico, zoo de oude freule de zaak niet mogt goedkeuren; maar het tegendeel bleek, en de sieraden zijn nòg onder mijne berusting, daar ze tot hiertoe nog niet zijn opgevorderd.’

‘En de rente?’

[p. 67]

‘De freule schijnt daar niet aan te denken,’ hernam Overberg met een goelijk glimlachje, ‘die laten we maar stilletjes oploopen tot tijd en wijle.... Als het met uwe intentiën strookt kunnen wij dat aparte zaakje onder ons afdoen.’

‘Wij zullen zien, mijnheer Overberg. In elk geval kan het mij te pas komen dit te weten. En hebt gij niet vernomen welk gebruik de jonge dame dacht te maken van dat geld?’

‘Zij moest er iemand mee helpen, die zich niet tot den kolonel kon wenden (onder ons gezegd zou het dezen ook niet ligt zijn gevallen die hulp te verleenen). In welke betrekking zij zelve stond tot den persoon in kwestie kwam ik niet te weten. Hij is maar een dag of vier hier gebleven; zelf heb ik hem niet ontmoet, maar zooals gij gehoord hebt was er geen gebrek aan sprookjes over zijne faits et gestes. Sommigen beweerden hem gezien te hebben in de kleeding en de manieren van een gentleman; anderen wisten voor zeker, dat hij er als een schooijer uitzag, zich in een gemeene herberg bedronk en niets beters was dan een brutale avonturier, 't geen wel zou kunnen zijn, want het mededoogen der vrouwen is wel eens zeer slecht geplaatst.’

‘En 't voorval met dien koetsier, blinkt daarin ook hare vrouwelijke meewarigheid uit?’ vroeg ik, niet zonder wat bitterheid.

‘Dat zal ik niet zeggen; maar er kon toch wel eens minder kwaad achter schuilen dan de beminnelijke dames er in willen zien. In uw geval zou ik den togt naar de Werve niet uitstellen tot ik daar het regte van wist. Ik heb freule Mordaunt wel hooren beschuldigen van bruske manieren en onvoorzigtige gedragingen, maar zij is bekend om hare opregtheid, die door hare dusgenoemde vriendinnen als impudentie wordt beschouwd, want zij heeft niet als onze nufjes den takt om met zoete woordekens impertinenties te zeggen. Mogelijk komt gij achter de waarheid als gij haar die zelve ronduit vraagt. Een enkel bezoek verbindt daarbij tot niets, en gij zult toch in elk geval een onderhoud met den generaal moeten hebben over de zaken.’

Overberg had gelijk. Ik moest niet veroordeelen zonder eigen

[p. 68]

onderzoek, en ik stapte in het wagentje met éen paard, dat in deze streken het traditionele voertuig is voor buitentoertjes. Ik had in 't logement gewaarschuwd dat ik dien dag uit zou blijven, maar mij wel gewacht te zeggen waar ik heenging, om alle gissingen en willekeurige uitleggingen af te snijden.

Ik deed of ik mij aan den koetsier overgaf voor een toertje in de omstreken; alleen bij de eerste halt aan het tolhek gaf ik mijn verlangen te kennen om naar 't kasteel de Werve te rijden.

‘Dan zijn we de verkeerde poort uitgereden!’ knorde de boersche voerman, ‘en dan doen we beter den tol niet door, maar links af langs het bosch te rijden,’ 't geen echter den tolbaas niet aanstond, die verzekerde dat men de Werve even goed kon bereiken als men een kwartiertje later links af draaide, ‘een makkelijk schulppad, zoo hard als een steenweg zouden we vinden, met hooge populieren tot aan het dennenbosch, en dan wees de weg zich van zelf.’ De voerman onderwierp zich en wij reden door; maar ‘de weg die zich zelf wijst’ is wel eens eene zeer onbetrouwbare indicatie; wij zouden het tot onze teleurstelling ondervinden. Inmiddels gleden wij werkelijk over het schulppad of het eene railroute was. Het was een drooge koude lentedag, zonder zon; de lucht had iets zwaars, dat bijna een sneeuw- of hagelbui liet verwachten. Het hoog, nog slechts knoppend geboomte schonk weinig afwisseling en de huif van het wagentje, dat ter eener zijde digt moest blijven om de schrale noorde wind, liet mij niet veel anders zien dan den breeden rug van den voerman. Ik had dus alle mogelijke gelegenheid om tot mij zelven in te keeren en mijn plan de campagne te maken, dat ik toch weêr varen liet zoodra het geembaucheerd was, want het terrein was mij nog altijd onbekend en ik begreep dat ik met een vijand zou te doen krijgen, die weerbaar genoeg was om partij te trekken van een onhandigen aanval; het was dus beter, vooruit geen manoeuvres te bepalen, die door de eerste caprice de beste van ‘den Majoor’ onuitvoerbaar konden worden gemaakt. Het beste was maar ‘voir

[p. 69]

venir’ en handelen naar omstandigheid. Het veni, vidi, vixi zou hier toch niet te pas komen. Menig ander ware welligt niet eens op de conquête uitgegaan na een soiréetje zoo als ik had moeten bijwonen; maar nu de nevelen van den nacht wat opgeklaard waren, voelde ik mij ondanks alles geprikkeld door iets dat sterker was dan alle vooroordeel. Het spreekt wel van zelf, dat ik mijne eer hoog genoeg houde om met Cesar te zeggen, dat mijne vrouw onverdacht moet zijn - onbesproken is de arme Majoor Frans zeker niet, maar als de verdenking eens bleek niet op deugdelijke gronden te berusten, als men die logenstraffen kon door de feiten tot hunne regte proporties terug te brengen, dan, ik vroeg het mijzelven af in die verhängnissvolle ure, is het dan niet de pligt van een edelman om de publieke opinie te braveren waar zij dwaalt, en met der daad haar den regten weg te toonen? Is zulk een triomf niet een meer waardige dan het schuchter terug wijken voor de meening van wie weet wie? die zich door wie weet wàt heeft gevormd? Is het niet een wat al te plompe heerschappij, die het vormlooze schepsel men voert over de gemoederen? Wordt het geen tijd in onze dagen, waarin men alle gezag in kwestie stelt en niets onaangevochten laat, ook dit aanmatigend veemgerigt te controleren en er zich niet voor te buigen. Ik althans zal den moed hebben het te doen en alle lastertongen te laten klappen. Ik zeg niet, als Francis mij bevalt, want de kwestie van hare meerdere of mindere beminnelijkheid kan in dezen niet meetellen, daar het een pligt geldt, maar als ik voor mij zelven in mijne conscientie overtuigd ben, dat zij geen mistap heeft begaan, geene betrekkingen heeft aangeknoopt die vlekken hebben geworpen op haar leven en waardoor werkelijk de eer van een echtgenoot kan worden gekwetst. Dit voornemen schijnt roekeloos en gij glimlacht als gij dit leest bij de gedachte dat ik wel van besluit veranderen zal eer het er toe komt; maar ik moet u herinneren aan de eerste dagen onzer kennismaking te Leijden, toen gij, reeds oud student en Mr. op het tipje, mij als arme groen onder uwe hoede naamt en wel-

[p. 70]

haast de hand der vriendschap reiktet toen die niet meer noodig was ter bescherming. Weet gjj nog wel als onder ons jongelui het gesprek op de vrouwen viel, dat ik mij er dan niet of alleen ter loops in mengde en alleen dàn als men mij verweet reeds verliefd te zijn en te zitten droomen terwijl de anderen schertsten. Ik redde mij dan voor het oogenblik door eens ferm mee door te slaan en te snoeven van allerliefste meisjes en vrouwengunst of ik er diep in doorgedrongen was. Ik deed zoo om de waarheid te verbergen, dat dit alles voor mij woorden zonder beteekenis moesten blijven. De bekrompen omstandigheden mijner familie, die mij deze aanvankelijke studiën nauwlijks vergunden, waren mij maar al te goed bekend; de tijd dat ik er aan zou kunnen denken eene vrouw te onderhouden uit mijne eigene ressources was zoo eindeloos verre, - eu de gedachte met mijn jonkheerstitel te speculeren op eene rijke vrouw was mij nog meer verre en vreemd dan deze. Ik had mij zòò vast gezet in het denkbeeld dat ik leven moest als een Benedictijn die de drie geloften van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid aan den onverbiddelijken pligt der werkzaamheid heeft afgelegd, dat het niet eens in mij opkwam luchtkasteelen te bouwen en zekere illusies te kweeken. Zoo is het mij gelukt aan de beroeringen van den hartstogt te ontkomen, zoodat ik met waarheid van mijzelven mag getuigen, dat ik de dertig bijkans heb bereikt zonder dat hun gloed nog mijne rust heeft bedreigd of mijn hart heeft verwarmd. Ik mag er bijvoegen, dat ik dat ledig tot hiertoe niet heb gevoeld; ik had er geen tijd toe in mijn werkzaam en met zorgen vervuld leven. Toch weten mijne vrienden, dat dit hárt noch koud, noch zelfzuchtig is: alleen het onverbiddelijke ‘terug!’ hield er alles buiten wat daar binnen stoornis had kunnen brengen. Maar zelfs hij die zich illusies verbiedt, kan nog wel eens idealen scheppen, en zoo heb ik in die korte en zeldzame oogenblikken waarin mij het mijmeren geoorloofd was, wel eens gefantaseerd over de vrouw die voor mij zou passen, als de omstandigheden veranderden en ik naar eene levensgezelin zou mogen omzien. Ik ben

[p. 71]

er wel nooit toe gekomen mij dit ideaal in eene bepaalde gestalte voor te stellen, of zij bruin dan wel blond zou moeten zijn, fijn van tint of sprekend van kleur en trekken, daarover liet ik den sluijer der onbestemdheid rusten, die dit nevelachtige mijner fantasie het ruimste spel liet; allerminst kwam ik er toe om dit ideaal in freule B. of jufvrouw A. beligchaamd te wanen, maar de eigenschappen van geest en hart, van humeur en karakter, die het wezen zou moeten bezitten, waarmee ik voor het leven zou willen verbonden zijn, zou die verbindtenis iets meer zijn dan een uiterlijke band, heb ik wel eens bij mij zelven bediscussieerd en ik was het gansch niet met van Lennep eens, dat de grootste verdienste eener vrouw juist daarin bestaat, dat er niets van haar te zeggen valt, dan dat zij met volharding kousen maast en de teêrste zorg koestert voor de groote wasch. Als mevrouw de Witt zekeren zachten invloed had weten te oefenen op haar gemaal, zou de geregtelijke moord van Buat vermoedelijk zijn voorkomen en deze vlek niet hebben gerust op het karakter van den eminenten leider der Oligarchische Republiek. Ik wil daarmee niet gezegd hebben dat iedere vrouw, of zij er aanleg voor heeft of niet, zich zou moeten mengen in de zaken van staat; ik meen alleen dat die absolute onbeduidendheid mij voor mij zelven als vis-a-vis voor het leven iets vreesselijk vervelends en ledigs zou toeschijnen, en dat ik het oordeel van Jean Paul over de blijdschap der mannen als de kortstondige dichteres, die hunne bruid was, spoedig na het huwelijk in eene spinnende huispoes verandert, niet deelen kan. Als er geest en hart is, kan dat uitkomen in alle détails van het leven, om dat te sieren en te verheffen. De vrouw die dat wist te vatten, wie zij dan ook overigens ware, musicienne of kousenstopster, bezield met liefde voor kunst en litteratuur of simpellijk hàren lust vindend in 't volbrengen harer huisselijke pligten, zou zeker kunnen zijn van mijne duurzame genegenheid. Alleen heb ik mij nooit verveeld, maar de verveling à deux moet dunkt mij de afschuwelijkste kwelling zijn, die tot uitspattingen zou voeren.

[p. 72]

En nu, ik moet het u eerlijk opbiechten, Willem! al hadt gij het misschien niet uit ons vroeger gesprek geraden, in al de zonderlingheden die mij van Francis ter oore komen zie ik iets van dat ideaal. Zij heeft karakter, zij schijnt geest te bezitten, al wordt haar hart ontzegd. Zij durft zich zelve zijn, en juist dit faalt onze meeste jonge dames, die allen op iets anders willen gelijken, dat zij eigenlijk niet zijn; die geene eigene opinie hebben, maar als zekere insekten de kleur aannemen van het blad waarop zij rusten. Dit geeft iets onwaars, iets onbestemds aan geheel haar bestaan, dat ik niet betrouwbaar acht. In die allerliefste modelpoppetjes, op alles afgerigt, behalve steun te zoeken in eigen vaste beginselen, schuilen soms kuren en grillen, die niet te voorschijn komen dan te laat om er nog wat tegen te doen. Ze zijn niets, maar als hare pluimen en linten worden zij door iederen wind meegevoerd. Van daag willen ze dit, morgen weer wat anders, in den regel weten zij zelve niet wat ze eigenlijk willen, en men zou zich in duizend bogten kunnen wringen zonder haar eigenlijk nog te voldoen, als men zich daartoe wilde zetten.

‘Wat mij betreft dàt nooit! plagt ik wel eens overluid nit te roepen bij zulke mijmeringen en ik ben er nu niet meer toe gedisponeerd dan voorheen, Francis n'a que bien se tenir. Ik wil haar ridderlijk ter zijde staan en ik zal haar beschermen envers et contre tous, als zij het waard is, maar kniebuigingen voor zotte exigenties, zal zij mij nooit zien maken. Terwijl ik mij in dergelijke voornemens en gedachten verdiepte, had de koetsier zijn werk gedaan, zooals dat meer gaat bij dergelijke lieden, zonder er veel bij na te denken, en had den ‘weg die zich zelf wees’ ingeslagen, zonder op te letten in welke rigting die liep en of er ook op verderen afstand een andere ware te volgen, die meer zeker tot het doel leidde; hoe dat zij, wij waren een tamelijk breed boschpad ingeraakt dat tot niets voerde, dan een rond-point met een vervallen rustique-bank, wij moesten wenden en zien langs eene andere zijde een uitweg te vinden. Wij meenden dien gevonden te hebben, toen

[p. 73]

wij aan den uitersten zoom van het bosch genaderd, daar een smal zandpad opmerkten langs een watertje, waarover in de verte een ruwe brug, die met een paard cn 't ligte wagentje wel zou zijn over te rijden naar mijne gissing, maar toen wij er bij gekomen waren bleek het, dat ik mij bedrogen had. De brug was breed genoeg, maar slechts door twee of drie waggeende verrotte planken gedekt; een voetganger, die zich aan de leuning kon vasthouden. had er zich mogelijk over kunnen werken, maar met paard en wagen was dit ondoenlijk.

‘Wij zijn aan den verkeerden kant het bosch ingereden,’ zei de voerman, ‘dat bemerk ik nn! die laan over de brug voert naar het dorp en dan is het maar een stijf kwartiertje tot de Werve; dit dennenbosch hoort al tot de plaats.’ Terwijl hij nog sprak hoorden wij den hoefslag van een paard dat in vollen galop achter ons aankwam, en snel als de gedachte voorbij schoot, eer het ons mogelijk was door een woord of eene vraag onze verlegenheid uit te drukken; de cavalièr - of de cavalière - voor mij was dit niet uit te maken, daar hij juist voorbij draafde aan de zijde waar het zeildoek neerhing, - was in een oogwenk uit het gezigt, maar de koetsier had kunnen opmerken, welke rigting hij nam.

‘Dat is Majoor Frans,’ sprak hij, zich naar mij toe keerend.

‘Majoor Frans!’ herhaalde ik met eene mengeling van verrassing en wrevel, ‘wie bedoel je daarmeê.’

‘Wel de Freule van 't kasteel, zoo noemen ze der allemaal in mijn dorp, als ze der jongen komt zien.’

‘Wat malle historie wilt gij mij daar wijs maken,’ sprak ik op een toon die forsch en onverschillig moest klinken, maar dat ging mij slecht af, de stem stokte mij bijkans in de keel.

‘Lang niet mal! maar heel akelig! zij zou geen kostgeld betalen voor den jongen, als zij geen schuld had.’

‘En is dat kind in de kost in het dorp, zoo digt bij de Werve?’ vroeg ik verligt.

‘Wel neen, heerschap! te Olderbekoop, wel twee uren wijd van stad, daar hoor ik t'huis en daar komt ze om een haver-

[p. 74]

klap, op der mooije paardje, maar nou zij deur het bosch rijdt, moet er een uitweg zijn, en die zullen wij zien te vinden.’

Hij wendde, in de rigting die hij de Freule had zien nemen; ik liet hem begaan, het was mij bijkans onverschillig geworden of wij aankwamen àl dan niet. Eenige minuten lang liep het smalle boschpad nog door, dat de stoute rijdster gevolgd was, toen liep het te niet in een digt kreupelbosch, dat wel nog geen ander groen toonde aan boom en struik dan wat knoppen en aankomende blaadjes, maar, evenmin een pad om door te komen; de grond was week en drassig en met digt mos begroeid; het was onbegrijpelijk hoe het paard, met zijne berijdster daar over heen waren geraakt, alleen de grootste rapheid en behendigheid te gelijk met volmaakte eenswillendheid van het dier met zijne meesteres, had dat mirakel kunnen werken!

Mijn suffer van een koetsier, wiens verstand er bij stilstond, trok een verbaasd en verdrietig gezigt; dat was door ons niet na te volgen. Hij verzocht mij uit te stijgen, en verliet zelf den bok; hij bond zijn rossinant aan een boom, wij moesten trachten het spoor te vinden, dat ons betere kansen bood, en werkelijk na eene wijle speurens en ronddolens ontdekte ik eindelijk wat meer achterwaarts een smal zandpad, dat nog de indruksels droeg van paardehoeven en waar wij mogelijk nog doorkomen konden, mits de voerman, het paard bij den toom leidde. Ik vooruit, om den weg te verkennen, helaas! toen we het pad op die wijze ten einde gebragt hadden, bevonden wij ons aan den uitersten zoom van het bosch, tegenover omgeploegd bouwland, dat vrij uitgestrekt was, en waarvan wij gescheiden waren door een half uitgedroogde sloot, waarin afgevallen bladen lagen te rotten, en waar allerlei moerasplanten welig voortschoten, geene mogelijkheid voor ons om daarover te komen, en, waar waren wij dan nog? Regts heidegronden, de hoogten en laagten met spar- en denneboomen bezet, links ook weer door akkerslooten en greppels van een gescheiden - aardappelenland, waarvan het zacht groene loof even boven kwam, achter ons het bosch dat wij reeds hadden doorkruist zonder een uitgang te

[p. 75]

vinden, ik keek op mijn horloge; het was ongeveer twaalf uur, de schofttijd van de boerenarbeiders, die vermoedelijk nog op het land hadden te werken. Geene teregtwijzing was er te krijgen, ons restte niets dan terugkeeren langs denzelfden weg dien wij gekomen waren, tot aan den tol, en daar weêr den togt van nieuws aan te beginnen, zoo als de koetsier voornemens was eer de kwade raadgeving van den tolbaas hem op een dwaalweg had gevoerd. Behalve het onaangename van die teleurstelling en zooveel tijdverlies was het voor het arme paard nauwelijks te doen zonder rust en verkwikking; de voerman, onbarmhartig als de lieden van zijn gild, hield staande dat het niemendal was, ik, aarzelde om dat besluit te nemen, en zag toch nergens eene betere uitkomst; op eens hoorden we digt in onze nabijheid een schaterend gelach dat mij tergend in de ooren klonk, het geluid kwam eenigzins van uit de hoogte. Ik zag op en naar de heuvelachtige heide heen; op den top van eene begroeide zandhoogte stond de persoon die zich zoo vrolijk maakte over onze misrekening.

‘Majoor Frans!’ riep de koetsier overluid met zijne schetterende stem, zonder zich te generen in zijne verbazing en ergernis.

Zij zelve! Francis Mordaunt was het, die zoo onbarmhartig den spot dreef met onze verlegenheid. Op zulke ontvangst van hare zijde had ik wel niet verdacht kunnen zijn.

Zooals zij daar stond eenige voeten boven mij, maar toch vrij digt in de nabijheid kon ik haar goed opnemen, en ik kan niet zeggen, dat die aanblik mij verzoende met hare persoonlijkheid, die mij toch al zooveel ergernis, zooveel onaangename gewaarwordingen had veroorzaakt.

Dàt was mogelijk hare schuld niet, maar wel dat zij zich zoo dwaas had toegetakeld, dat men bij 't eerste aanzien twijfelde of men een man, dan wel eene vrouw voor zich had. Zij had hare Amazone rok getrousseerd op eene wijze, die aan een Zouavenbroek deed denken, en daarbij had zij over het engsluitend jakje van haar rijkleed een wijde vareuse geworpen met

[p. 76]

lang ruig haar, zeker heel doeltreffend tegen de scherpe voor-jaarslucht, maar dat, tot den hals toe digtgeknoopt, zeer weinig geschikt was eene gracelijke gestalte te doen uitkomen, voor 't geval dat ze die werkelijk bezat. Het hoofd was gedekt door een grijzen flambard met slap neêrhangende randen, de blauwe of groene voile, die in den regel aan zulk een mannelijk hoofddeksel als de dames goedvinden bij haar rijkostuum te dragen, nog eenige vrouwelijke distinctie, geeft, ontbrak, alleen een bosje haneveêren, dat er losjes op gehecht was door een groen zijden lint, gaf er een air aan of de draagster de wilde jager uit de oude tooversprookjes had willen nadoen, en om het al te kroonen had zij een roodzijden doek over den bol heengeslagen en onder de kin toegeknoopt. Zoover dit onbehagelijk fantasie-kostuum mij de mogelijkheid liet over haar voorkomen te oordeelen, moest zij eer fijn en slank van gestalte zijn dan ruw en forsch en haar uiterlijk was bepaald in contrast met de voorstelling die ik er mij van gedroomd had. Ik had mij vastgezet in het denkbeeld dat zij gelijken zou op Ristori in het karakter van Medea met gitzwarte kroeze haren en sterksprekende trekken. Van het haar was door den neêrvallendee rand van den flambard niets te zien, maar zoover ik oordeelen kon uit dat gedeelte van haar gelaat dat niet door de ongracelijke bedekking overschaduwd werd, was zij eene blondine, met fijne trekken en een romeinschen neus, er behoorde meer goeden wil toe, dan in dat oogenblik de mijne was, om een aangenamen indruk te ontvangen van dit gezigt onder haar schaterend gelach en de akelige roodzijden kiespijndoek die het omgaf. Ik voelde mij er door getergd, en, zeer weinig gestemd om égards te toonen voor eene vrouw die zoo blijkbaar het self-respect vergat, riep ik haar toe: ‘Luister eens! gij daar! die u zoo vrolijk maakt over uws naastens ongeval. Gij zoudt beter doen ons den weg te wijzen om verder te komen.

‘Daar is hier geen verder komen, dat is dunkt me wel te zien. Wie in 't bosch komt anders dan om rond te rijden heeft een domme streek begaan. Ziedaar alles.

[p. 77]

‘En gij dan?’

‘Ik!’ Zij lachte weêr, ‘ik ben met mijn paard over de drooge sloot gesprongen daar tusschen de struiken door en zoo ben ik op de heide gekomen, doe het mij na als gij lust hebt, maar met paard en wagen zal het niet best gaan! Waar wilt gij eigenlijk heen!’

‘Naar het Huis de Werve!’

‘Naar de Werve!’ herhaalde zij; en verledigde zich nu eerst van hare hoogte af te dalen, en tot op den zoom van de sloot te naderen van waar ik haar stond toe te spreken.

‘Wat hebt gij op het kasteel te doen mijnheer?’ vroeg zij nu op geheel anderen toon, niet meer de luchtige, ongegeneerde van Somebody, die zich tegen nobody niet behoeft te ontzien.

‘Een bezoek brengen aan den generaal von Zwenken en aan de Freule Mordaunt, zijne kleindochter.’

‘De generaal wacht geene bezoeken meer af, en wat gij aan zijne kleindochter te zeggen hebt, kunt gij aan mij rigten. Ik ben de freule Mordaunt.’

‘Ik kan het nauwelijks gelooven, maar indien het waar is, verzoek ik de freule mij eene minder ongeschikte plaats aan te wijzen voor een onderhoud, dan deze hier; dat wat ik te zeggen heb, kan niet uitgeschreeuwd worden over een drooge sloot heen ten aanhoore van een koetsier.’

‘Zoo rijdt met het wagentje terug tot aan den tol, dáár vindt men den weg naar het dorp en naar 't kasteel, als dat bezoek zoo noodig is.’

‘Opdat gij mij mogelijk aan de poort zoudt laten afwijzen, Majoor!’ zeide ik in mij zelven, neen de gelegenheid is er nu, en ik zal die niet laten glippen. Ik gaf den koetsier order om terug te rijden, die zich dit geen tweemaal liet zeggen, zette den stevigen wandelstok, waarvan ik mij voorzien had, zoo goed het kon vast in den weeken mosgrond en kwam op de andere zijde, zonder dat ik zelf regt wist hoe, het was mij een oogenblik groen en geel voor de oogen; zoo ik het ongeluk had ge-

[p. 78]

had mijn sprong te missen en in 't moerassige slijk teregt te komen, zou ik op nieuw een gek figuur gemaakt hebben tegenover Francis, die zeker zonder eenige verschooning met mijn ongeval zou hebben gespot. Ik waagde veel dat voelde ik, maar het moest gewaagd worden, het devies van mijne voorzaten bleek profetie, de stoutheid was mij gelukt.

‘Bravo! ferm gedaan!’ riep Francis mij toe met hare volle altstem, die mij voor 't eerst niet hard en tergend in de ooren klonk, en zij klapte in de handen met eene joligheid en schalkheid die haar goed afging.

Nu op het bouwland geraakt, had ik maar weinige schreden meer te doen, en nog eene smalle drooge greppel over te springen, en ik was bij haar!

Ik nam mijn hoed af, zij salueerde met haar rijzweep.

‘Dat's een kluchtig avontuur mijnheer,’ sprak zij, weêr lagchend, ‘als gij er nu nog aan hecht op de Werve aan te landen, moet gij de hei over wandelen.’

‘Is 't een verre wandeling?’

‘Neen: 't is veel korter dan de rijtoer, maar sinds gij over de hei den weg niet kent, loopt gij gevaar weêr te verdwalen!’

‘Gij vergeet dat ik een regt heb op uw gezelschap te rekenen bij die wandeling.’

‘Een regt! een regt! gij zijt wel als de anderen om een regt te nemen uit een los woord dat mij ontvallen is.’

‘De freule Mordaunt had mij een onderhoud toegezegd; is het vreemd dat ik haar bij het woord houd, en de eerste gelegenheid de bestc aangrijp?’

‘Nu goed, maar ik ken zelve op zijn best het regte pad over deze gronden. Ik had terug willen rijden, maar mijn paard heeft een ijzer verloren, en ik heb het gestald bij den boschbaas daar ginds,’ zij wees naar een boerenhuis, dat wat in de laagte lag, en als verscholen tusschen dennen- en sparrenhout, ‘die zal het naar den hoefsmid brengen in het dorp, en zoo doolde ik hier maar wat rond, bij 't kasteel komen wij binnen 't half uur als wij maar oplettead zijn en altijd door links houden, maar ik

[p. 79]

zou vooraf willen weten of gij daar werkelijk noodig hebt; de generaal is volstrekt niet gesteld op gasten, dat kan ik u verzekeren.’

‘Ik kom geene gastvrijheid vragen. Ik wilde hem alleen een bezoek brengen om zijne en uwe kennis te maken, daar ik mij eenigen tijd in de nabuurschap moet ophouden, en mij herinner dat ik door mijne moeder aan de familie von Zwenken geparenteerd ben.’

‘Zoo veel te erger; op de Werve lijdt men niet bijzonder aan familiezwak.

‘Daar heb ik wel van gehoord; maar ik ben geen Roselaer ik ben een van Zonshoven, freule! Leopold van Zonshoven.’

‘Ik heb nooit gehoord, dat mijn grootvader relatiën heeft gehouden met heeren van dien naam. Maar als gij geen Roselaer zijt, is er reeds minder kwaad bij, en om de vreemdigheid dat een lid der familie zich aan ons gelegen laat liggen, zult gij misschien succès hebben bij den generaal. 't Is immers wel zeker dat gij niet voor zaken komt?’

‘In dat geval zou ik een procureur of notaris hebben gezonden en zorg dragen, dat men er freule Mordaunt niet mee ging vermoeijen.’

‘Dat zou toch verkeerd zijn,’ hernam zij ernstig. ‘De generaal is diep in de zeventig en heeft veel verdriet gehad in zijn leven. Ik wil het u niet verhelen dat hij in velerlei zorgen en bezwaren zit en dat ik, zoo vaak ik kan, tracht te voorkomen dat men hem daarmee lastig valt.’

‘Met het afwenden van 'tgeen lastig is heeft men het echter nog niet uit den weg geruimd zou ik meenen,’ antwoordde ik terwijl ik haar met zekere opzettelijkheid aanzag. Het waren diepe, donkerblauwe oogen, die toen mijn blik troffen.

‘Aan wie zegt gij het?’ hernam zij met een zucht, terwijl zij die sprekende oogen neêrsloeg en zich een trek van lijden op haar gelaat teekende. ‘Maar toch, ik doe daarin al wat ik kan, al is 't niet alles wat ik zou willen; daarom, ik herhaal het, als er iets onaangenaams schuilt voor hem achter uw be-

[p. 80]

zoek, zeg het dan liever ronduit aan mij; mogelijk kan ik er nog iets op vinden.’

‘Ik kan u alleen zeggen, dat ik uwe pogingen om den generaal leed en last te besparen uit al mijne magt zou willen steunen.’

‘Dat doet uw hart eer aan; maar als gij er zoo over denkt, aarzel ik, u als een lid der familie te erkennen, want dat strijdt geheel tegen onze traditiën.’

‘Dat is wel mogelijk, maar noem mij gerust neef; want er zijn excepties, en ik hoop te bewijzen dat ik er toe behoor.’

‘Als dàt waar is zult gij welkom zijn op de Werve, óok bij exceptie, want in den regel laten wij er geen nieuwe gezigten meer toe.’

‘Dat is toch jammer. Mij dunkt het kan uwe begeerte niet zijn, om in zoo volstrekte afzondering te leven.’

‘Juist de mijne!’ viel zij in met zekere hoogheid. ‘Ik heb al genoeg ondervinding van de menschen om heel weinig op hun omgang gesteld te zijn.’

‘Zoo jong nog en reeds zulk eene misantropische opvatting van de wereld,’ merkte ik aan.

‘Ik ben zoo jong niet meer, ik ben zes en twintig jaar, neef, en daaronder zijn campagnejaren, zooals mijn grootvader zeggen zou, die voor het dubbele gelden. Gij kunt gerust met mij praten of ik eene vrouw van veertig ware - ik heb er de levenservaring van.’

‘Ik zal mij wel wachten, u hier bij 't woord te vatten; zoo iets zeggen de dames maar om tegengesproken te worden.’

‘De dames!’ riep zij met onuitsprekelijke minachting. ‘Ik verzoek u zeer ernstig, neef! om mij niet te begrijpen onder dat soort van wezens, die in den regel door de heeren als “de dames” worden aangeduid.’

‘Onder welke rubriek moet ik u dàn stellen, nicht? Waarheid is, dat ik op het eerste gezigt niet regt wist waar ik u voor houden moest.’

‘Het is waar,’ zei ze glimlagchend; ‘voor iemand die mij

[p. 81]

niet kent, moet ik er nu wel wat vreemd uitzien.... Maar zeg op, waar gij mij eigenlijk voor aanzaagt? Ik houd van opregtheid; dat is ten minste wat mij van “de dames” onderscheidt.’

‘Welaan, ik zal opregt zijn. (Het woord van Gremio: “He will kill her in her own humour” stond mij gestadig voor den geest.) Ik hield u bij den eersten aanblik voor....’ De courtoisie begon mij een part te spelen; het harde woord wilde er niet uit.

‘Voor eene verschijning van den zwarten jager?’ vroeg zij lagchend.

‘Eene verschijning? Zeker neen! Dat is te etherisch. Ik hield u voor eene treurige realiteit.... voor een boschwachter die kiespijn had.’

Zij scheen een oogenblik getroffen en beet zich op de lippen, hare wangen gloeiden.

‘Dat's grof,’ sprak zij eindelijk, en zag mij aan met een blik of er een pijl uit hare oogen zou schieten.

‘Gij hebt opregtheid gewild en zegt die te kunnen verdragen,’ gaf ik ten antwoord.

‘Gij hebt gelijk, en gij zult ondervinden dat ik de waarheid sprak. Sla toe, neef! daar is mijne hand; ik geloof dat wij vrienden zullen worden.’

‘Zoo hoop ik, nicht! Maar wees nu niet ten halve edelmoedig. Laat mij u werkelijk de hand drukken; niet die grove rijhandschoen.’

‘Gij zijt een fat,’ zei ze, het hoofd schuddend; ‘maar gij zult uw zin hebben; ziedaar!’ En eene fijne, blanke hand lag in de mijne, die ik een minuut langer vast hield dan volstrekt noodig was; zij scheen het niet op te merken.

‘Maar noem mij Francis, ik zal Leo tegen u zeggen. Dat “neven en nichten” tegen elkaâr is zoo vervelend,’ sprak zij op gullen toon.

‘Volgaarne!’ en ik drukte op nieuw de hand, die zich nu eerst vrij maakte, terwijl zij voortging met eene mengeling van schalksheid en ernst, die haar goed afging: ‘maar de koetsier moet u toch gezegd hebben dat hij Majoor Frans had herkend.’

[p. 82]

‘Dat is maar al te waar; en gij, Francis, vindt gij het niet uiterst krenkend, dat men zich verstout u zóo te noemen?’

‘Och neen, dat trek ik mij volstrekt niet aan; ik weet nu eenmaal dat ze mij dien bijnaam gegeven hebben. Ik ben er niet beter en niet slechter om. Ik weet heel goed, dat ze mij hier in den omtrek nawijzen als een kozak of een cavallerie-officier, omdat ik met meer gemak paard rijd dan de steedsche nufjes, en dat ze mij overal aangapen als een kermiswonder, omdat ik de vrijheid neem mij te kleeden naar mijne convenientie, en niet naar hun smaak.’

‘Maar eene vrouw behoort zich toch wel eenigzins te bekommeren om het effect dat zij maakt op anderen.

‘Ik zie niet waarom; als anderen haar niet kunnen schelen.’

‘De eerste pligt eener vrouw jegens zich zelve is, dunkt mij, zich behagelijk voor te doen.’

‘Dat maken “de dames” hare mannen wijs, voor wie zij niets willen zijn dan objets de luxe, opdat dezen haar alles zullen inwilligen wat de buitensporigheid der mode en der weelde eischt.’

‘Ik vrees wel dat er zoodanigen zijn en te veel; maar zijn daarmede allen veroordeeld, die trachten zich goed voor te doen? Gebiedt niet het self-respect, men zij man of vrouw, dat men eenige zorg drage voor zijn uiterlijk, en kan men niet goeden smaak toonen ook in het eenvoudigste, als men smaak heeft?

Zij kleurde een weinig.

‘Gij gelooft dus, dat ik gansch geen smaak heb, omdat ik mij tegen den guren lentedag heb gewapend met een vareuse?’ vroeg zij, eenigzins gekrenkt.

‘Ik zal mij, wel wachten u te beoordeelen naar een enkel kleedingstuk; ik sprak alleen van het ensemble, en daar eene vrouw die volstrekt onverschillig is voor haar uiterlijk, eene abnormaliteit is, moet men wel eene slechte opinie krijgen van den smaak eener jonkvrouw, die goedvindt haar gezigt in een leelijke roode doek te wikkelen.’

‘Welke haar het voorkomen geeft van een boschwachter die

[p. 83]

kiespijn heeft,’ herhaalde zij ras en stout. ‘Welnu, is dat de ergernis, dan kan men die wegruimen, als nu maar de wind niet al te veel vrijheid gaat nemen met mijn flambard.’

Al sprekende had zij den zijden doek losgeknoopt en nam te gelijk de speld weg, die haar amazonekleed trousseerde. De deftige sleep stond goed bij de fijne, slanke gestalte. Ik kon nu voor het eerst, niet meer gehinderd door die nijdige foulard, het ensemble van haar gelaat opmerken.

Neen, voorwaar! zij was niet leelijk, al had zij het mogelijke gedaan om er regt onbehagelijk uit te zien. Hare trekken waren onregelmatig en scherp, dat is waar, maar gansch niet ruw of grof; er lag een uitdrukking van fierheid en vastheid op dit gezigt, die van zelfbewuste kracht en een onafhankelijk karakter getuigde, maar verre was van laagheid of zinnelijkheid. Slechts een flauw blosje kleurde de bleekheid dier wangen, die wat schraal en ingevallen waren. Het was haar aan te zien, dat zij door strijd en lijden was heengegaan, zonder dat de levendigheid en opgewektheid van geest daarbij te veel had geleden. De groote blauwe oogen hadden iets opens, dat vertrouwen wekte; dat zij flikkeren konden van verontwaardiging of gloeijen van geestdrift had ik reeds opgemerkt.

Nu zij zoo naast mij voortging bemerkte ik dat zij kleiner van gestalte was dan zij mij eerst was voorgekomen, van de hoogte af gezien; maar er zat pit in die vrouwelijke figuur, dat was niet te ontkennen, al was het niet juist de kloeke mannin die ik mij had voorgesteld te zullen aantreffen, afgaande op de mededeelingen van anderen en den heroïeken bijnaam, die haar volstrekt niet scheen te ergeren. Het was het oogenblik niet haar te vragen hoe zij daaraan gekomen was; ik was reeds voldaan dat ik eene overwinning op haar had behaald, die niet geheel zonder beteekenis scheen. Dat zij mij zekere concessies had gedaan bewees, dat zij niet zoo onverschillig was omtrent den indruk dien zij op anderen maakte, als zij mij wilde doen gelooven. Toch moest ik toestemmen, dat zij wèl en wijs had gedaan toen zij haar slepende amazone had getrousseerd, al was

[p. 84]

het op wat onbevallige manier, want nu hinderde die haar in het loopen door het mulle zand, bleef telkens haken aan een tak of een struik, eens zelfs struikelde zij er door en zou neêrgevallen zijn zoo ik niet schielijk haar arm had gevat om haar opgerigt te houden.

‘Dat komt al van die behaagzucht, die gij mij predikt,’ zei ze lagchend. ‘Mijne eigene manier was veel beter in de praktijk. Wacht even, ik weet er nog wel wat op.’ Zij nam den sleep over haar arm en stoorde er zich niet aan, dat er juist geen coquette jupon voor den dag kwam, met keurige plissés of geborduurde strooken, zoo als onze dames niet ongaarne laten zien, maar een effen blauw merinosje, dat er tamelijk verkleurd uitzag.

Ik bood haar mijn arm tegen mogelijke recidive van het ongeval.

‘Dankje wel, neef!’ zei ze wat bits. ‘Ik kan best alleen loopen, zoo als ik altijd gewoon ben. Ik ben niet een van die hulpelooze schepselen, zoo als gij mannen ze het liefste hebt, die zich altijd laten steunen en geleiden.’

‘Ik moet u doen opmerken dat gij het zijt die mij in dezen tot gids strekt; waarom zou ik niet wederkeerig u tot steun mogen zijn?’

‘Gij zijt vast advokaat, dat gij de repliek zoo behendig hanteert.’

‘Ik zal u zeggen wat ik ben, als gij mijn arm wilt nemen; une fois ne fait pas loi, het is allermeest voor de gezelligheid.’

‘Neen! ditmaal zult gij uw zin niet hebben, Leo. Het is even gezellig zóo, ieder op zich zelf, en als ik uw gids ben moet ik weten wat het beste past op deze gronden. Ik kan even goed luisteren.’

‘Verschoon mij, dan stel ik mijne vertrouwelijke mededeelingen uit tot later.’

‘Ook goed,’ zei ze droogjes. ‘Ik ben niet nieuwsgierig, en ik mogt mij eens vergissen in het pad als uwe vertelling interessant werd en te veel mijne aandacht boeide.’

[p. 85]

‘Ik ben 't met u eens,’ antwoordde ik op denzelfden toon, ‘dat wij zorgen moeten niet te verdwalen, want ik verlang hartelijk op de Werve aan te komen.’

‘Dat wil ik wel gelooven; de togt is juist niet erg meegevallen,’ merkte zij aan met eene mengeling van bitsheid en schalksheid.

‘Integendeel; want ik had niet kunnen wachten dat ik zoo spoedig en op zulk eene verrassende wijze de kennis zou maken van mijne nicht, freule Francis Mordaunt.’

‘De kennis maken, de kennis maken,’ herhaalde zij bijna grommend, ‘men kent mij zoo maar niet uit een eerste zamenzijn; en wat de verrassing betreft, zoo gij dàt eene aangename noemt, zie ik niet, waar uwe hooggeroemde opregtheid is gebleven.’

‘Die is, waar ze altijd zal zijn, en dwingt mij u te doen opmerken, dat men ook van eene verrassing kan spreken al is zij verre van aangenaam, en ik wil gaarne bekennen als gij er op gesteld zijt het te vernemen, dat uw onbarmhartig leedvermaak in mijn ongeval gansch geen behagelijken indruk op mij maakte.’

‘Dat is een geluk voor mij; zoo is er nog kans dat ik meeval.’

Hunkerde zij naar een compliment, zoo was het voor mij niet het oogenblik om mij te laten vangen; ik bleef zwijgend naast haar voortgaan.

Op eens bleef zij stilstaan en sprak met zekere gulle leven digheid: ‘Vergeef het mij, Leo! dat ik u zoo onbarmhartig heb uitgelagchen. Wil gelooven, dat het niet juist uw persoon gold, maar... wat zal ik u zeggen, ik heb er altijd zoon'n pleizier in als ik een van de zich noemende heeren der schepping een gek figuur zie maken, dat ik het uitschateren moest, al ware de toorn van den bespotte mij ook nog zoo duur te staan gekomen.’

‘Het spreekt immers wel van zelf, dat ik u daarover geen rancune houde, Francis!’ sprak ik ernstig. ‘Maar 't geen mij leed doet om uwent wil als om mij zelf, is die verbittering tegen ons allen, die zoo duidelijk spreekt uit uwe gedragingen,

[p. 86]

en waarvan die schadenfreude over mijn reisavontuur slechts de uiting was.’

‘Kan ik het helpen dat ik dat mannenvolkje zie zoo als zij zijn. Zij noemen zich onze heeren en meesters; ze zouden het dolgraag wezen, hoewel het de meesten hunner niet gelukt; en waarom niet? Omdat ze allereerst de slaven zijn van hunne eigene zwakheden, hartstogten en bejagingen; de meesten hunner zijn zoo bitter kleingeestig en onnoozel, dat men ze om den vinger kan winden, als men maar de moeite neemt kun zwak uit te vinden en dat te vleijen. Wie daarentegen onder hen de krachtigen en verstandigen heeten, zijn zoo hardvochtig, zoo zelfzuchtig, zoo onbetrouwbaar, dat het eener vrouw beter is zich het hoofd tegen een rots te verbrijzelen, dan zich te wagen aan die klip waarop haar hart zal breken.’

‘Dat's een hard oordeel, freule Mordaunt! en mij dunkt, dat gij nog niet het regt hebt om het met zooveel beslistheid te vellen.’

‘Het komt van Majoor Frans, die maar al te goed in de gelegenheid geweest is om die heeren in de kaart te kijken.’

‘Kan het ook zijn, dat Majoor Frans zich voormaals wat al te zeer heeft laten verblinden door blinkende uniformen, dat bij later, scherper toezien ontnuchtering is gevolgd, toen het bleek, dat daaronder niet werd gevonden wat het uiterlijk beloofde, met die uitkomst dat nu, civiel en militair, beiden in dezelfde schaal worden geworpen en.... te ligt bevonden?’

‘Gij vergist u, zoo is het niet gegaan. Majoor Frans heeft zich niet aan fraaije uniformen kunnen vergapen; hij is om zoo te spreken met commiesbrood groot gebragt en heeft alle graden, van den korporaal af tot den legerbevelhebber toe, langs zich zien voorbijgaan, zoodat hij precies weet wat er onder de galons en onder de borduursels schuilt; ook is hij gansch niet onbekend met het civiele, en heeft gekleede rokken en gedecoreerde borsten in genoegzame verscheidenheid kunnen gadeslaan om beiden de rekening te kunnen maken; en dan is de slotsom deze: dat de discipline nog wel het beste middel is om

[p. 87]

wat er goeds in een man is, tot zijn regt te laten komen, terwijl zij het kwaad althans binnen zekere grenzen beperkt. Een preservatief dat de zoogenaamde burgerlijke vrijheid mist. Overigens moet men niet zeggen, dat de krijgstucht verlaagt; integendeel, zij houdt opgerigt wat niet op zich zelf kan staan, terwijl de serviliteit die bij de bureaucratie heerscht, in het stof werpt en het karakter bederft, gesteld altijd dat er karakter ware.’

‘Het tafereel is voor beide categoriën niet vleijend. Het schijnt Majoor Frans moeijelijk te vallen, de suprematie van ons geslacht te erkennen.’

‘Zij meent, dat er allereerst superioriteit behoort te bestaan om suprematie te erkennen.’

‘Freule Mordaunt moet wel hoog staan, om aan anderen zulke exorbitante eischen te stellen.’

‘Zij zou, dunkt mij, al heel laag moeten staan, indien zij geen hoogere stelde dan de jammerlijke middelmatigheid, waarmee men zich in den regel tevreden houdt.’

‘Geen gunstig vooruitzigt voor uw aanstaanden echtgenoot, freule!’

‘Mijn aanstaande echtgenoot!’ Zij lachte luid, maar er was iets schrils en schrijnends in dien lach. ‘Ik merk wel, goede Leopold, dat gij hier uit de lucht zijt komen vallen. Wees gerust; niemand zal last hebben van mijn overvragen.... Ik zal niet trouwen.’

‘Daar kunt gij niets van zeggen. De omstandigheden zouden zoo kunnen zamenloopen dat....’

‘Dat ik een' echtgenoot nam om ze te bezweren,’ viel zij in met sprekende verontwaardiging. ‘Luister, Leo! gij weet niets van mij, en wat gij mogelijk meent te weten, zal u door list en laster zijn ingefluisterd. Daarom kan ik het u niet kwalijk nemen, dat gij zóo spreekt. Maar ik verzoek u, niet zoo laag van mij te denken, dat gij mij in staat acht om mijn naam en mijn persoon op te offeren aan materiele belangen, van wie ook. Dat zou er nog aan mankeren! een mariage de raison, het onredelijkste en onzedelijkste verbond dat er zijn kan. En

[p. 88]

toch, wie ter wereld acht het eene dwaasheid? Wie ter wereld acht het eene schande? Welnu, ik! Majoor Frans! Al ben ik de eenige van mijn gevoelen, ik blijf er op vaststaan en niets of niemand zal mij daar afbrengen. Ik drijf geen ruilhandel met mijne vrijheid, met mijne hand. Ik zal eenmaal vrijvrouwe van de Werve zijn, en ik wil eene vrije vrouw blijven.’

‘Vrijvrouwe van de Werve!’ Arme Francis! ik had maar een woord te spreken om haar deze illusie te benemen. Vrijvrouwe van de Werve kon zij nooit worden, tenzij ze mij de hand schonk die zij zoo hoog ophief, boven aller mannen bereik. Vrijvrouwe van de Werve! Alleen bij mijne toelating kon zij het zijn. Maar het was nog gansch geen tijd om zoo beslissend tot haar te spreken. Ik nam echter een zijsprong, die eenigzins op het doel afging.

‘Menige fiere jonkvrouw die dacht als gij Francis,’ sprak ik, ‘en die nooit iets zou hebben toegegeven aan belangzucht, liet zich toch uit hare sterkte wrikken door overwegingen van anderen aard, juist op de zich roemende “vrije vrouw” wetten laster en logen hunne pijlen....’

‘En daartegen zou zij dan een man moeten nemen, als een schild, om zich daarachter te bergen!’ riep zij met heftigheid. ‘Neen Leopold van Zonshoven, als gij Francis Mordaunt eenmaal hebt leeren kennen, zult gij weten, dat zij deze pijlen niet vreest, en al vreesde zij die, dat zij toch niet laf genoeg is om zich daartegen op die wijze te verschuilen, daarbij ik heb ze dikmaals genoeg rondom mij hooren snorren om te weten van welke kracht zij zijn, en daarom weet ik dat het schild niet eens zou dekken het zou maar een dubbel wit aanwijzen en liever dan een tweede, een onvoorzigtige die zich met don Quichots heroïsme zou willen wagen, daaraan bloot te stellen, zou ik ze allen alleen op mijne borst opvangen, mij doen ze toch niets meer,’ eindigde zij met een minachtend schouder ophalen. Daar sprak niet enkel trots en wilskracht, daar sprak ook fiere zelfbewustheid uit deze woorden, die blijkbaar meer dan woorden waren, dat las ik uit haar blik, al had ik het niet verstaan

[p. 89]

uit den vaste zielvollen toon harer stem, die mij diep trof. Ik voelde dat zij door diepe, enge wegen moest zijn heengegaan, om zoo te kunnen spreken; reeds wilde ik in mijn antwoord iets leggen dat van medegevoel getuigde, toen zij op eens hervatte, met eene luchthartigheid die wel wat gemaakt was, ‘maar er is geen gevaar bij, dat men mij in zulke verzoeking zal leiden; het ras der don Quichots en der Ridders van de Ronde tafel, is in onze eeuw verloren gegaan, en het zal wel in niemand anders opkomen om majoor Frans ten huwelijk te vragen, en dat is heel gelukkig ook, want de generaal zou mij graag wat hij noemt “geétablisseerd” zien voor zijn dood, de goede man heeft nog niet het besef, dat daar niet over gedacht kan worden, en zou zich allerlei offers willen getroosten, tot elk compromis toetreden om er mij toe over te halen, en dat zou maar onrust en tweespalt geven zonder goede uitkomst, want mijn besluit staat vast.’

Die uitspraak beloofde niet veel goeds voor het succes van mijn togt, en zij was geen nufje van negentien jaar dat ‘neen’ zegt, als ze ‘ja’ meent, maar zij gaf mij toch zonder het te weten of te willen, wenken en inlichtingen die ik mij ten nutte konde maken. Un homme averti en vaut deux, ik begreep dat ik met de meeste voorzigtigheid te werk moest gaan eer ik in ernst de poging waagde om haar uit dat vaste besluit los te wrikken, maar het kon toch geen kwaad eens een schot in het wilde te doen. Ik was onwillekeurig een paar passen vooruit geraakt, keerde mij om en bleef vlak voor haar staan, terwijl ik sprak: ‘En als ik nu eens expresselijk naar de Werve was gekomen om u een dergelijk voorstel te doen?’

‘Wat meent gij daar meê?’ vroeg zij met gefronsde wenkbrauw, ‘een voorstel! welk voorstel?’

Nu datzelfde waar gij over spraakt, en dat gij voor zoo onwaarschijnlijk hieldt, dat het iemand zou invallen u te doen.’

‘Een huwelijksvoorstel en door u!’ vroeg zij met evenveel verbittering als verrassing, “dat is niet waar! zeg dat het niet waar is,” riep zij met heftigheid.’

[p. 90]

‘Maar onderstel eens even dat het waarheid ware, wat zoudt gij antwoorden?’

‘Ik wil die onderstelling niet eeus maken, gij bevalt mij als neef om der curiositeits wille, maar als ik gelooven moest dat gij kwaamt als advokaat in zulk eene dwaze zaak, liet ik u dood eenvoudig midden in de hei staan, dan moest gij zelf maar zien hoe gij op de Werve zoudt komen, ziedaar mijn antwoord,’ en als begon zij reeds uitvoering te geven aan dit voornemen, liep zij schielijk voort, niet zoo snel toch of ik was met een paar stappen weêr bij haar.

‘Een antwoord meer opregt dan beleefd, zooals men het van freule Mordaunt wachten kan,’ hernam ik, ‘maar op mijne beurt moet ik u zeggen, dat zoo ik het er op gezet had op de Werve te komen, met welk voorstel ook, ondanks mijne weêrbare nicht, dat ik mij dan aan dit détail niet zou storen. Ik val óok wat koppig als ik mijn doel wil bereiken, en ik zou 't niet opgeven al moest ik den ganschen dag rondzwerven op het mulle zand; maar wees gerust, ik ben geen vleijer, doch er zit nog genoeg oud-ridderlijk bloed in mij, om niet te schromen eene dame (verschoon mij dat ik dit woont even gebruik) te kwetsen in hare teêrste en hoogste regten, bij gevolg zou ik mij wel wachten in ernst een voorstel van dien aard te doen op zulk eene bruske manier, en bovenal niet voor ik de overtuiging had, dat het minstens in consideratie zou worden genomen.’

‘Welnu! zoo 't geval zich mogt voordoen, zijt gij gewaarschuwd, maar zoo ik dit voor niets moet houden dan eene doellooze scherts, moet ik u toch zeggen dat ik beter van u verwacht had dan eene aardigheid, waar noch geest noch vianding aan is.’

‘Dat was meer dan een coup d'evantail, dat was een ferme tik met de rijzweep; maar daar ik mij bewust was die niet verdiend te hebben, nam ik het koeltjes op en vroeg alleen even glimlagchend ‘wat regt ik haar gegeven had om reeds nu goede verwachting van mij te koesteren?

‘Gij zijt lastig,’ hernam zij, ‘met dat uitvragen,’ half verle-

[p. 91]

gen, half met onwil, en zij stapte zoo driftig voort, dat ik weêr moeite had haar in te halen. Toen gebeurde wat zij zelve reeds gevreesd had, de wind dreef zijn spel met haar breedgeranden hoed en rukte die in een woeste vlaag op eens van haar hoofd, het net mede, waarin het haar was besloten geweest, dat nu in vollen rijkdom en zwaarte neêrviel. Prachtige, goudblonde lokken, die zij zoo maar achteloos als in een wrong tweemaal rondom het hoofd had geslagen en in den hoed weggestopt en die nu als een golvende sluijer van gloeijend goud rondom haren hals en schouders neêrvielen en het leelijke matrozen-buis bijkans onzigtbaar maakten. Nu eerst kon ik haar gansche gelaat onbelemmerd aanschouwen en het was mij of er eene gedaanteverwisseling plaats had. Was dat Majoor Frans! dit de vrouw, waarover zoo veel en met zoo weinig achting gesproken werd, het was bijkans onmogelijk, dit hooge, edele voorhoofd, die fijne, levendige, schrandere trekken, die bij diep gevoel bij de merkteekenen van lijden, toch de reinheid en den eenvoud van een kind schenen behouden te hebben, die aantrekkelijke, echt vrouwelijke figuur met haar stralenkrans van lokken, die men eer voor eene madonna zou laten poseren dan voor eene Xantippe, moest ik daar die ruwe, weêrbarstige mannenhaatster in zien, die zij zelve zeide te zijn! Het was ongelooflijk. Het was om te verstommen van verrassing en bewondering beide, en, werkelijk ik vond geen woord om uit te drukken wat ik gevoelde.

Een oogenblik liet zij zich deze zwijgende bewondering welgevallen, en genoot zeker in stilte haar dubbelen triomf, maar plotseling riep zij half lagchend, half knorrend. ‘Gij zijt galant dat moet ik zeggen! Gij blijft mij in den weg staan om mij aan te gapen, in plaats van mij te helpen mijn hoed weer te krijgen, die al een mooi eindje ver voortgejaagd is,’ en vlug als de wind zelf ving zij aan, haar flambard na te rennen, die als een elastieke bal werd voortgedreven.

Ik liet mij niet voor de tweedemaal porren om deel te nemen aan de kluchtige harddraverij, ik had zelfs het geluk haar

[p. 92]

voor te zijn, en het leelijke hoofdeksel te vatten, juist toen het dreigde diep in het zanddal neer te storten.

Triomfantelijk keerde ik mij naar haar toe om het haar terug te geven, maar, o jammer, o schrik! zij was achterover gestort in het zand en lag te worstelen met eene hindernis, die haar het opstaan onmogelijk maakte. Ik schoot toe in de grootste onrust; wat was het: in hare vaart had zij vergeten de sleep van haar rijkleed op te bouden, die aan een scherpe, dorre doornstruik was blijven hangen, en haar had doen struikelen, had doen vallen, terwijl de rijke lange lokken in de takken verward tusschen de dorens waren heengeslingerd. Bleek van schrik wilde ik haar helpen om op te staan, zij sloeg het af, en toch toen zij bemerkte wat de hindernis was, moest zij mijne dienst wel aannemen, ‘mag ik?’ vroeg ik met eene stem waarin ontroering trilde. ‘Ik moet het wel toestaan!’ antwoorde zij met een knorrig gezigt, blijkbaar meer ontstemd dat zij iemands, dat zij mijne hulp noodig had, dan over het ongeval zelf, en toch maar al te zeer overtuigd, dat zij die niet konde missen. Ik knielde naast haar neêr, en trachtte zoo voorzigtig mogelijk de prachtige zijdeachtige vlechten los te winden uit de doornstruik zonder ze te beschadigen. Het duurde een geruimen tijd, en het was een werkje waartoe geduld en kalmte vereischt werd en zij was zeer ongeduldig, en zeer weinig lijdzaam, en wat mij betreft met den besten wil om mij te haasten, ging het niet vlot. Uit vreeze haar te martelen, wilde ik langzaam en zacht te werk gaan en zij rukte en schudde aan hare gulden leeuwenmanen of zij ze uit wilde trekken, dus bedierf ze in eene seconde door hare drift wat ik in minuten tobbens had veroverd, intusschen praatte en knorde zij voort.

‘Ziet gij nu wel! waartoe uw kostelijke raad mij gebragt heeft, ziet gij wel hoe praktisch de vinding was, waarvan gij mij afkeerig hebt gemaakt? De kiespijndoek stond leelijk dat erken ik, maar zij beveiligde tegen een ongeval als dit hier, dat komt er van dat ik van mijn beginsel ben afgeweken, om nooit naar iets anders te vragen dan wat mij zelve paste, daar lig

[p. 93]

ik nu als een hulpeloos wezen aan de voeten van een kwasie redder, die er nog grootsch op zal zijn, dat hij mij zoo'n kostelijke dienst bewijst.’

‘Trots wezen zal hij niet! maar heel dankbaar, dat het eindelijk is gelukt, want gij kunt nu veilig opstaan,’ sprak ik in blijden triomf, en stak haar zoo als ik mijn regt achtte de handen toe om haar behulpzaam te zijn, maar schichtig als een eekhoorntje was zij opgesprongen, en tot loon kreeg ik het verzoek om wat op zij te gaan; zij moest het haar een weinig in orde brengen en den hoed op nieuw vastzetten. Het was hard maar billijk. Ik mogt geen toeschouwer zijn als zij haar toilet maakte. Ik liep vooruit, om haar te doen zien dat ik eerlijk spel speelde, en trok mijne handschoenen weer aan, want mijne vingers waren deerlijk geschramd en ik verkoos haar medelijden niet gaande te maken.

Zij was in een oogwenk gereed, haalde mij spoedig in en noemde mijn naam opdat ik zou omzien. De hatelijke doek was er weer omgeknoopt, en ik kon er ditmaal niet tegen protesteren. Uit zich zelve vatte zij nu mijn arm en sprak op haar eigenaardigen, vrijen, gullen toon:

‘Dat is om u te beloonen, Leo! dat gij edelmoedig zijt geweest en u niet gewroken hebt.’

‘Ik mij wreken op u? en waarover? Hoe meent gij dit?’

‘Gij hebt mij niet uitgelagchen om dat zotte ongeval, zoo als ik het u heb gedaan om het uwe.’

‘U uitlagchen! hoe komt gij er op, Francis! Ik was zoo zeer verschrikt.’

‘Kwaad was er niet bij een val in het mulle zand dan dit eene, dat ik verdiend had aan u: belagchelijk te zijn en bespot te worden. 't Is waar,’ ging zij voort met een minachtend schouderophalen, ‘daar is Majoor Frans genoeg aan gewoon om er zich niet meer aan te storen; maar toch, van uwe zijde zon het wettige represaille zijn geweest, en ik waardeer het in u, dat gij u onthouden hebt.

‘Daar is niets verdienstelijks in. Ik was veel te veel bewogen

[p. 94]

met uw deerlijken toestand en met dat prachtige haar, dat jammerlijk schade had kunnen lijden.’

‘O, wat dat betreft, dat zou te overkomen zijn; maar ik was in een lastig parket en maakte een gek figuur bovendien. Ik weet wel, dat is mij meer gebeurd,’ hervatte ze met zekere luchthartigheid, ‘want ik heb nooit lust gehad den sleur te volgen, en als men dat niet wil en zich te vrij en te fier acht om alles na te doen en na te spreken wat de anderen elkaar nazeggen en naäpen, dan raakt men al gauw buiten het cirkeltje waarbinnen men veilig is tegen de schimpschoten der raillerie en wordt vogelvrij verklaard.... Zoo is het mij gegaan.’

‘Verschoon de opregtheid: een weinig door eigen schuld naar ik vermoed. Eene vrouw behoeft geene apin te worden, die iedere mode nabootst; maar zij speelt toch een gevaarlijk spel, met zich al te stout te verheffen tegen het aangenomen gebruik en de publieke opinie te braveren.’

‘Als de publieke opinie eene dwalende is, zie ik niet in waarom eene vrouw zich daaraan zou moeten onderwerpen. Een degelijk man, die zelfgevoel had, zou het immers ook niet doen, hoewel ik maar al te goed weet, dat de meesten uwer den zedelijken moed missen om van 't heerschende gevoelen te durven verschillen en bovenal om er voor uit te komen.’

‘Zwakheid, en beginselloosheid in een man is verachtelijk ik erken het, maar wat lafheid moet genoemd worden in ons, wordt beminnelijke meegaandheid bij u; inconsequenties worden ulieden veel ligter vergeven dan bizarrerie: men onderwerpt zich aan uwe caprices, mits gij ze weet te kleeden in den vorm die koers heeft, maar men staat u niet toe te zondigen tegen het gebruik, dat nu eenmaal wet is geworden. Ik zeg niet dat het volkomen billijk is, maar toch het heeft zijne goede zijde... de wereld is nu eenmaal niet anders en met tegenstribbelen verandert gij haar toch niet...’

‘Maar wie zegt u dat ik de wereld zou willen veranderen,’ riep zij opstuivend, ‘daar heb ik mij nooit mee ingelaten, maar

[p. 95]

ik verkies nu eenmaal niet, mij te schikken naar hare bespottelijke exigenties, ziedaar alles.’

‘Heel goed! maar wat brengt u dat verzet dat op geen beginsel rust, en alleen van persoonlijken tegenzin uitgaat?’

‘Dat heb ik u al gezegd, vogelvrijverklaring, uitbanning, een vonnis dat ik nooit regtvaardig zal noemen, maar dat ik met blijdschap heb aanvaard. A vrai dire niemand legde mij ballingschap op, maar er zijn omstandigheden waaronder men die uit zichzelve kiest,’ eindigde zij, terwijl de toon van overmoed dien zij even te voren gevoerd had, tot dien van doffe neêrslagtigheid daalde.

‘Zulke omstandigheden kunnen er zijn, dat geef ik u toe, maar zonder dien drang, was de maatregel op zich zelf verkeerd. Wie hervormen wil blijft en staat voor zijne zaak, wie heengaat verlaat haar en geeft haar op.’

‘Aan hervormen heb ik in 't geheel niet gedacht; wat ik zou gewenscht hebben was alleen het regt mij zelve te mogen zijn, zonder aangegaapt te worden als het kalf met twee koppen op de boerenkermis, maar de zaak was mij de moeite niet waard om er voor te vechten.’

‘Er is vechten èn vechten; gij vrouwen hebt uwe eigenaardige wapenen, Bataille de dames is een allerliefst blijspel.’

‘Maar waarin de heeren althans niet de zegepraal wegdragen.’

‘Dat bedoel ik ook niet, alleen die wordt behaald, door echt vrouwelijke middelen, niet met alles te braveren, met een air de matamore aan te nemen, maar met haar invloed te laten gelden, met zoetjes en zachtjes aan telkens eene schrede te winnen, met te behagen en zich beminnelijk voor te doen; dit zijn, geloof mij daarin, de beste wapenen in zulken strijd en die vrij wat zekerder doel treffen dan het inroepen van regten en den eisch der gelijkstelling die zoo onvoorzigtiglijk wordt gedaan door sommigen uwer, en die op de bitterste teleurstelling zal uitloopen, zoo zij eenmaal wordt ingewilligd!’

‘Advokaat!’ sprak zij hoofdschuddend, ‘en, nog wel voor een zaak die niet aan de orde is!’

[p. 96]

‘Hoe meent gij dit?’

‘Dat ik mij volstrekt niet inlaat met de kwestie die gij daar opwerpt. Ik heb wel wat anders te doen, maar 't is niet meer het oogenblik om daarover te praten, want, daar ginds ligt de Werve, als we dat pad langs die heg van meidoorns inslaan, zijn wij er binnen vijf minuten.’

Ik volgde met het oog hare aanduiding en zag, toen wij van de heide afstegen, een ouden, stompen toren zonder spits, de ruïne van het middeleeuwsch kasteel dat men ter zijde had laten liggen toen men het nieuwe ging opbouwen vertelde Francis. Daarop hield zij mij even staande. ‘Luister, Leo! Ik heb nog een en ander met u te bespreken eer ik u binnen leid. Vooreerst, zeg mij ronduit wat de eigenlijke reden is van uw bezoek aan den generaal?’

‘Dat heb ik u reeds gezegd. Ik wil kennis maken met de familie mijner moeder.’

‘En als die kennismaking niet meevalt?’

‘Heengaan, en zien wat tijd en omstandigheden kunnen uitwerken tot... verzoening...’

‘Maar ik geloof niet, dat de onverzoenlijkheid daar ginds zich zal uitstrekken tot u,’ hernam zij met zekere goêlijkheid, ‘als gij maar niet den armen, ouden man met zaken komt lastig vallen....’

‘Ik heb het u immers verzekerd, dat ik voor zaken een procureur zou gebruiken.’

‘Nu kom dan mee, maar ik moet u vooraf waarschuwen, dat gij den generaal niet alleen zult vinden. Kapitein Rolf, een oud officier en retraite is bij ons ingekwartierd op de Werve, mogelijk komt hij u wel wat ruw en ongemanierd voor, want hij is een soldaat van fortuin die geene opvoeding gehad heeft dan in de caserne; maar zijn hart is goed en.... mijn grootvader kan niet buiten hem.’

‘En gij dan?’

‘Ock mij hindert dat niet, ik ben er aan gewoon. Ik waarschuw u slechts omdat gij uit den Haag komt. Vergelijk mijn

[p. 97]

kapitein Rolf niet met de aristocratische officieren van het regiment Grenadiers en Jagers. Hij is een oud gediende die eigenlijk als onderofficier met de chêvrons en de medaille van dertigjarigen dienst had moeten gepensioneerd zijn, ware hij niet met de Willemsorde begiftigd; uit consideratie op zekeren dag tot luitenant benoemd, en uit gelijke oorzaak ten laatste met kapiteinsrang gepensioneerd. Onze wijze van met elkaâr om te gaan zal u mogelijk wat bevreemden, wat ergeren, maar... hij noemde mij reeds zijn overste toen ik nog een kind was, en vloog op mijne wenken, en dat doet hij nòg, zooveel zijn stijf been en zijn rhumatisme het toelaat, in één woord, hij is mijn factotum. Visschen is zijn hartstogt sinds hij de jagt er aan heeft moeten geven, ik gebruik hem tot pluimgraaf, en bij ontstentenis van de keukenmeid, zou hij de biefstuk bakken en de soep koken, liever dan het met een stuk brood te doen, want hij is een gastronoom van het eerste nommer; sinds hij tijd en gelegenheid heeft om over het groote vraagstuk “wat zullen wij éten” na te denken, is het bij hem hoofdzaak geworden, en helaas, bij mijn grootvader niet minder.’

‘En is er dan verder niemand anders waar gij wat aan hebt?’

‘Wie anders zou er zijn, wij gaan hier met niemand om, en daar zijn goede redenen voor, de dominé komt eenmaal's jaars, en de burgemeester, àl zou hij komen, wordt niet toegelaten, want hij is een vijand en een spion; hunne vrouwen en dochters zie ik niet en wil ik niet zien; 't is al erg genoeg als zij mij Zondags in de kerk zitten aan te gapen. Gij ziet dus waar het op neêrkomt voor mij. Ik leef tusschen die beide grijsaards in, dat kan niet anders, en.... dat is ook heel goed,’ eindigde zij, met eene berusting, die zoo volkomene hopeloosheid uitdrukte, dat zij, zonder dit te bedoelen mij de diepste meewarigheid inboezemde.

‘Dus ook geene logées van uw leeftijd, geene enkele vriendin, waarmee gij sympathiseert?’

‘Dat zou er nog aan mankeren - dames! logeés hier binnen te halen!’ sprak zij met bitterheid, ‘en wat vriendinnen aan-

[p. 98]

gaat, die heb ik nooit gehad, nooit willen hebben, ik weet te veel wat de vriendschap der vrouwen is.’

‘Hoe! gij veracht de mannen, gij haat de vrouwen, gij verwerpt dus het gansche menschelijke geslacht?’

‘Op zulke wijze dat ik mijn vermogen om lief te hebben, heb verzet op paarden en honden, meent gij? Dat juist niet, ik wil enkelen niet voor allen laten gelden, maar het is mijne schuld niet dat ik nog al scherp zie, en 't geen ik heb waargenomen bij de exemplaren die mij onder de oogen zijn gekomen, geeft mij, ik erken het, geen hoog gevoelen van de soort, zoodat ik met zeer weinig reverentie zie op hen die zeggen dat ze de Heeren der Schepping zijn, en met niet de minste sympathie op hunne schoone wederhelften! Als Shakespeare waarheid zegt dat de engelen schreijen om de jammerlijke trekken die de men schen uitspelen tijdens hun kort daarzijn, is het niet vreemd dat ik, die geen engel ben, maar die even goed allerlei jammerlijks aanschouw, mij met walging afkeer! Ik wil wel gelooven Leo! dat er nobele mannen en waardige vrouwen bestaan, maar die zijn excepties, en ik behoor tot de misdeelden die deze onschatbare uitzonderingen niet heb mogen aantreffen, of als ik meende ze ontmoet te hebben, voor die ligtgeloovigheid met bittere teleurstelling werd gestraft...’

‘Mogelijk ligt een deel van deze misfortuin aan u zelve, Francis,’ sprak ik zacht maar met nadruk, ‘gij hebt verkeerd gezocht, of zijt niet op de regte wijze met uw onderzoek aangevangen.’

‘Hoe meent gij dat?’ vroeg zij meer getroffen dan vertoornd.

‘Is het wel zeker dat gij met zelfonderzoek, met zelfkennis zijt begonnen?’

Zij zweeg een oogenblik in nadenken verdiept en zuchtte, daarop hervatte zij, mij met zekere vastheid in den blik aanziende, alsof zij mijn innigste gedachte wilde peilen. ‘Gij schijnt een ernstig man te zijn, gij hebt karakter, zoo ik mij niet bedrieg, dat is zeldzaam genoeg om gewaardeerd te worden waar, men het vindt, nu dan, ik zal u vertellen hoe ik begonnen ben

[p. 99]

maar.... nu niet, want daar ligt ligt het kasteel voor ons en de dorpsklok slaat éen uur. Ik vrees dat men mij met ongeduld zal gewacht hebben, en dat het halve garnizoen al op het voorplein post heeft gevat om naar mij uit te zien. 't Is lang niet zeker, dat ik met krijgseer zal worden verwelkomd, nù, dat doet er niet toe, volg mij, deze brug over, die poort door, gij ziet de burgt is niet ongenaakbaar, wij zouden geen beleg kunnen uithouden.’ Al sprekende had zij mijn arm losgelaten, en liep vooruit met zoo'n snellen stap, dat het bijkans een drafje geleek. Ik, wat langzamer haar na, een feodale ophaalbrug over die blijkbaar sinds lang tot onbewegelijkheid was veroordeeld; in gelijken toestand verkeerde de groote poort, de zware geheel met ijzeren bouten en scherpe pinnen bezette deur hing in de verroeste hengsels, zonder dat men zich de moeite getroost had haar weg te nemen, om dit teeken van verval te verbergen Waartoe ook? De dikke bijkans in puin vallende ringmuur was al niet meer aan de poort verbonden, en de voormalige schietgaten waren tot wijde spleten opgesperd, waardoor een reus kon binnengaan. Tijd om verder rond te zien was er niet, maar het voorplein optredende viel mij terstond het hoofdgebouw in het oog, dat ondanks zekere merkteekenen van verwaarloozing nog een grootschen indruk maakte. Het moest vernieuwd zijn in de dagen van onzen stadhouder Willem III, want het was geheel opgetrokken in den rijken en deftigen, al was het ook wat gemaniereerden stijl dier dagen, en toen was het uit eene ruime hand gegaan, maar de nazaten van die onbekrompen bouwheeren, hadden wat al te veel op de werken hunner voorvaderen gerust, en de degelijkheid van den achtiende eeuwschen bouwtrant, niet hunne zorg was oorzaak dat het geheel nog niet het aanzien had eener jammerlijke ruïne. Het middengedeelte dat en rotonde gebouwd was en eenigzins vooruitstak, was nog tamelijk goed onderhouden, maar kennelijk uit eene schrale beurs, de rijke ornamenten boven de vensters en de dubbele deur, die eenmaal verguld moesten geweest zijn, waren nu met een dun geel verwje overtogen, en de glanzige

[p. 100]

kleine ruiten van purper spiegelglas, waren door gewoon vensterglas vervangen. De meer achterwaarts gelegen zijvleugels waren prijsgegeven aan eene verwaarloozing die het waarschijnlijk maakte, dat ze niet meer bewoond werden, althans de bovenverdieping die geheel verweloos was, en waar de ruiten door tijd en toeval gebroken of gebarsten, niet eens meer vernieuwd waren; enkelen daarvan had men eenvoudig met grauw papier toegeplakt, voor anderen was die moeite niet eens genomen, zeker uit zorg voor goede luchtverversching!

Maar het spreekt wel van zelve, dat ik alleen vlugtige opmerkzaamheid kon geven aan hout en steen; reeds vóor ik de breede perron optrad, met de gebroken vazen waarin Aloës vegeteerden, kwam het ‘halve garnizoen’, zoo als Francis zich uitdrukte, ons te gemoet in den persoon van den kapitein, dien ik terstond als de oud-militair zou herkend hebben, al ware ik er niet op voorbereid geweest, wien ik zien zoude. Al droeg hij de burgerkleeding, blauwe jas en pantalon, het vest hoog aan de keel toegeknoopt en de zwarte stropdas, die hij zich nog niet had kunnen ontwennen en die identiek was met zijn persoon, zoo als zijne Willemsorde en zijn metalen kruis, zijn regte, vaste houding ondanks het stijve been, dat het gebruik van een stok noodzakelijk maakte en de policiemuts die hij wat kranig op éen oor had gezet, alles duidde in hem den oudgediende aan, die nog maar ten halve in zijne abdicatie berustte. Hij scheen een man van diep in de vijftig, die nog pikzwart haar had en een donkere knevel, lang en puntig à la Napoleon, en stijf uitstaande à force van cosmetiek. Zijn hoogroode kleur en bruine, brutale oogen, zijne harde trekken met iets grof sensueels in de uitdrukking, vooral door de dikke roode lippen en de zware korte kin gaven iets ruws en gemeens aan zijn voorkomen, zoo dat hij werkelijk veel meer had van een serjant-majoor, die, na eerlijk gepasporteerd te zijn, een baantje bij de policie heeft gekregen, dan van een officier, die eens aan het hoofd zijner compagnie heeft gestaan en die eene eervolle rust genoot. Maar Francis had mij reeds gewaarschuwd

[p. 101]

dat ik niet te veel aan het uiterlijke moest hechten, en ik was voornemens mij over niets te ergeren noch boos te maken, om ongehinderd mijne waarnemingen te kunnen doen.

Leunende op zijn stok en een lange duitsche pijp in den mond waaruit hij dapper dampte, kwam hij op ons toe, bragt even de hand aan de muts, en het was inderdaad eene vreemde wijze waarop hij ons verwelkomde.

‘Wel weergaasch Majoor! wat is dàt! Hebt gij een krijgsgevangene gemaakt? of, krijgen we inkwartiering?’

‘Een bezoek aan den generaal, kapitein!’ hernam Francis voortstappende en mij een wenk gevende haar te volgen, zonder de moeite te nemen mij voor te stellen.

‘Een verduiveld slecht ontbijt gehad! een half uur op de freule gewacht, de eijeren te hard, de biefstuk als leer, zijne Excellentie uit zijn humeur, en dat alles omdat de freule goedvindt op een ongelegen tijd uit te rijden, ridder te voet t'huis te komen en de held van dat mooije avontuur in triomf mee te brengen in de vesting,’ bromde de kapitein op half knorrigen, half schertsenden toon, terwijl hij ons achterna liep. Zich naar hem omkeerende sprak Francis:

‘En dat alles kapitein omdat uw majoor,’ zij drukte zonderling op den titel, ‘het genoegen heeft gehad Jonker Leopold van Zonshoven te ontmoeten, haar neef, laat u dat genoeg zijn, en als ge verder te klagen hebt, breng het dan maar op het rapport.

Wij stapten de vestibule biunen, waar wij den huisknecht vonden die de deur had opengedaan en die voor ons uitweek, op militaíre wijze de hand aan de muts brengende; ondanks zijn liverijrok, droeg hij nog de soldatenpantalon, zoodat men niet veel waagde met de onderstelling, dat hij vroeger den generaal ale oppasser had gediend; na even aangetikt te hebben opende hij nu voor ons de deur van het salon, een ontzaggelijk ruim vertrek met goudleer behangsel, waar de generaal in een hooggerugden leuningstoel zat te dommelen; dat laatste bewees zijn ietwat verschrikt opstaan, toen wij hem al

[p. 102]

vrij digt genaderd waren, want Francis was met sparende liefde zachtjes binnengetreden, en ik had er te veel belang bij om hem op mijn gemak gade te slaan om niet haar voorbeeld te volgen, maar de luidruchtige stap van den kapitein die goed vond ons achterna te loopen wekte hem uit zijne siëste.

Wel verre van het voorkomen te hebben, dat ik mij had voorgesteld van den kloeken onhandelbaren pourfendeur, die Oud-Tante Roselaer op allerlei wijze ergernis had gegeven, zag ik voor mij, een kleinen mageren grijsaard, wiens gelaat zoowel als zijne gestalte iets fijns en gedistingueerds had. Een lange regte neus, dunne bleeke lippen, niet eens een knevel rondom den ingevallen mond, zacht blauwe oogen die iets dofs en slaperigs hadden dat mogelijk slechts tijdelijk was, maar dat ook wel het gevolg kon zijn, van afmatting en gedruktheid; de zilver grijze haren hingen in lange eenigzins krullende vlokken om zijne slapen, hij was gehuld in een verkleurden damasten chambercloak, waaronder een helder wit vest te voorschijn kwam, terwijl een zwarte zijden foulard den mageren hals vermomde; zijne fijne handen waren blank ondanks hunne dorheid en de sterk uitkomende aders; hij droeg een breeden gouden ring met een wapen in cornalijn gesneden, die tot cachet konde dienen, en die hij met zekere zenuwachtige beweging heên en weêr schoof onder het spreken.

Daar was niets van den krijgsbevelhebber meer in den man, dien ik nu voor mij zag, dan alleen in zekere deftige wellevendheid, die bewees dat hij als hoofdofficier in de hoogste kringen had verkeerd.

Een onbeschrijfelijk gevoel van meewarigheid overmeesterde mij bij het zien van dien zwakken, door zorg en lijden diep neêrgebogen grijsaard, een indruk nog te meer versterkt door de bijgedachte, dat ik het instrument zou moeten zijn, om hem den genadeslag te geven, tenzij Francis.... maar reeds stelde deze mij voor aan haar grootvader op hare eigenaardige wijze.

‘Grootvader ik breng u Jonker Leopold van Zonshoven, dien

[p. 103]

gij eens hartelijk welkom moet heeten, want hij is een curiositeit in de familie.’

‘Familie! Jonker van Zonshoven, ah! ja! ik herinner mij, ik begrijp,’ antwoordde deze op een toon van verbazing en verlegenheid, die duidelijk bewees, dat hij volstrekt niet op de hoogte was, maar toch hij boog zich beleefd en stak mij de hand toe, die ik niet nalaten kon met zekere hartelijkheid te drukken.

‘Neem toch plaats Jonker,’ sprak hij, naar een stoel wijzende waartegen de kapitein stond te leunen, met een air of hij plan had mij dien te betwisten.

‘Excuseer Grootpa, neef Leopold en ik hebben een uur lang op de heide rondgesukkeld, wij zijn bek af, en rammelen van den honger, wij komen bij u praten als we eerst gezien hebben of de kapitein ons nog wat van het dejeuner heeft overgelaten.... is er nog gedekt Frits?’ vroeg zij, zich tot den bediende rigtend, die hare orders wachtend was blijven staan.

‘'t Is bij half twee Freule!’ antwoordde deze met zekere verlegenheid de schouders ophalend.

‘Gij hebt gelijk Frits, 't is de regel van het huis, wie niet op het appel is wordt niet meegeteld, breng ons hier dan maar wat brood en koud vleesch...’

‘En... een glas port voor de heeren,’ voegde de kapitein er bij.

Terwijl Frits zich verwijderde om aan die orders te voldoen, ging de kapitein vlak voor mij staan terwijl hij sprak:

‘Pardon Jonker! ik moet u eens goed opnemen, een jonkman die zoo in eens bij onzen Majoor in gratie is geraakt, moet al heel wat bijzonders zijn.’

Ware ik met den ongemanierden snorbaard alleen geweest of onder vreemden, ik zou geweten hebben hoe zijne inpertinentie te beantwoorden, dan, tegenover den generaal, tegenover Francis, die mij op ergernissen had voorbereid en stilzwijgend lankmoedigheid had aanbevolen, aarzelde ik hem het antwoord te geven dat hij verdiend had, toen de generaal inviel:

‘Kapitein!’ er klonk gezag in den toon, ondanks de zachte

[p. 104]

stem van den grijsaard, ‘er zijn aardigheden, die er onder ons door kunnen, maar gij schijnt te vergeten dat wij nu niet onder ons zijn, en dat gij de Freule Mordaunt mankeert....’

‘Omdat ik haar Majoor noem, nu