Huis de Werve.
Gij wilt er dus meer van hooren, Willem? Gij zegt dat het u ontspant na uwe drukke werkzaamheid in het afmattend klimaat, en dat het u meer dan ooit behoefte is, als aan mijne zijde te staan om met mij mee te voelen, te hopen en te vreezen. Ik was bezorgd dat mijne uitvoerigheid u langwijlig mogt schijnen, en toch, het geldt hier geene wereldgebeurtenissen, die men met enkele groote trekken kan schetsen; het is de analyse van eene vrouwengestalte, die niet als een marmer beeld uit éen stuk gehouwen is en dat men in ettelijke seconden kan laten photographeren. Het zijn waarnemingen omtrent een karakter dat uit zeer verschillende, bijna tegen elkaêr inloopende trekken is samengesteld; het zijn ontdekkingstogten in een vrouwenhart, dat diep en bewegelijk is als zekere onpeilbare waterkolken en waarvan men alle verschijnselen met oplettendheid moet gadeslaan; fijne schakeringen en schijnbaar nietige details mogen niet worden overzien, of wij staan voor onoplosbare raadsels. Heb dus geduld met mij, want terwijl ik ze voor
u tracht te ontcijferen worden zij mij zelf meer en meer helder. Heb er geduld mee, Willem! want ik moet het u nù reeds belijden, al schudt gij mogelijk het hoofd over mijne inconsequentie; mijn levensgeluk, meer nog dan mijne fortuin hangt af van de uitkomst die ik zoek. Mijn hart heeft gesproken, maar al te luid en levendig voor mij zelve, en het kost mij een voortdurenden strijd, om al wat het mij zegt ter harer gunste voor haar verborgen te houden. En toch, dat moet zijn. Zoo zij het weten kon dat ik reeds nù haar verwonneling ben, zou zij mijne zwakheid bespotten, mogelijk zelfs mijn karakter verdenken, en ik zou al het overwigt verliezen, dat ik op haar meen verkregen te hebben. Zij is fijn genoeg om iets te raden van 't geen er in mij omgaat, en ik gun haar die voldoening, waardoor zij zich tot mij voelt aangetrokken; maar zij moet bovenal zien, dat ik er mij niet door laat beheerschen, dat ik meester wil blijven van mij zelf tot op het oogenblik, waarin zij zelve hare zwakheid zal hebben erkend, neen, beter - haar hart voor mij zal hebben geopend. Ik heb allermeest behoefte aan hare achting; want ik ben zeker dat dit de veiligste weg is naar haar hart. Haar hart! roept gij uit, en de virago die gij mij beschreven hebt, die gij gekomen zijt om te temmen! Waar is uw verstand dat gij u dùs liet medeslepen? De virago! o zeker, zij tracht zich in die gestalte te hullen; zij hecht er aan dat men dit voor hare wezenlijke gedaante houdt, maar ik weet dat de kern, onder dit grove hulsel verborgen, eene teêre en echt vrouwelijke is, zoo als de zoete oostersche vrucht die gij nu geniet, door een harde schaal wordt beschermd. Ik weet dat zij een hart heeft, en 't is met een schrijnend wee, dat zij het vermomt, verloochent, mogelijk juist omdat het door al te pijnlijk kwetsuur nog bloedt. Dit laatste uit te vinden en te weten of die te heelen is, neemt nu mijn geheele aandacht in. Ik bestudeer haar als een wondheeler zijn patient ter genezing; maar daarom ook kalm en nuchter; zonder dàt wordt het oog verduisterd, en zou de hand beven als er kwestie moet zijn van eene pijnlijke kunstbewerking.
Op dien gedenkwaardigen dag waarop ik mij onder zulke dreigende symptomen van des majoors zijde, voor goed op de Werve installeerde, was het heerlijk lenteweer. Na mijne zaken in de groote leegstaande commode te hebben gearrangeerd, zette ik mij op mijn gemak, wierp mijn das af, deed mijn jas uit, haalde mijn schrijfgereedschap te voorschijn en na een paar woorden aan Overberg te hebben gerigt, die in het logement mijn wegblijven moest verklaren, nam ik mailpapier om mijn hart uit te storten aan u, de beste wijze om mij te retremperen, toen er driftig op mijne kamerdeur werd getikt, en ik bij 't opendoen niemand meer of minder voor mij zag staan dan majoor Frans in hoog eigen persoon.
Zoo als zij daar binnen kwam in haar amazonekleed (gelukkig zonder de vareuse) met een inktkoker in de hand, dien zij voor mij op tafel zette, terwijl zij den eersten stoel de beste naar zich toe trok om er op neer te vallen, als besloten te blijven, hoewel zij uit het sans gêne van mijn toilet wel kon opmaken dat zij mij nog al overviel, was er zeker effort toe noodig om in haar eene jonkvrouw van geboorte te zien, en dit, gevoegd bij den indruk dien de laatste scène bij mij had nagelaten, stemde mij zeer weinig tot hoffelijkheid en voorkomendheid. Ik schoot in der haast mijn jas aan en eerst toen mij tot haar wendend, vroeg ik, wat zij hier doen kwam.
‘Grootpapa heeft mij gezegd dat gij schrijven wilt, Leo! en ik herinnerde mij, dat er niet voor inkt is gezorgd,’ sprak zij zonder mij aan te zien, want de weinige voorkomendheid die ik haar toonde, maakte het haar duidelijk, dat de verrassing mij niet bijzonder welkom was.
‘Dat is ook niet noodig; ik zorg altijd zelf voor mijn schrijfgereedschap,’ antwoordde ik koeltjes, en zette mij neer of ik met schrijven dacht voort te gaan.
‘Ik zie dat ik u stoor; ik had u anders eene dienst willen vragen.’
Ik zweeg.
‘Hebt gij bij geval ook een badientje of zoo iets meegebragt?’
‘Wat wilt ge daarmee doen? Hebt gij uwe vassalen nog niet genoeg gestriemd?’
‘Ik wilde eene rijzweep improviseren; ik heb de mijne verloren, en.....’
‘Ik heb niets dan een liniaal en een pennehouder.’
Zij werd bloedrood, beet zich op de lippen, en wendde het hoofd af. ‘Ik merk wel,’ hervatte zij na eenige seconden zwijgens, ‘dat gij niet in eene luim zijt om mij de dienst te doen die ik had willen vragen.’
‘Ik ben altijd tot de dienst eener dame als zij de privilegiën harer sexe wil laten gelden. Waarom hebt gij mij niet laten roepen als gij mij iets te vragen hadt?’
‘Ah! zoo!’ riep zij op ietwat gerekten toon. ‘Dat humeur geldt dus mijn manque d'étiquette; overzie dat, gij weet immers ik ben zoo weinig ‘eene dame.’
‘Dats maar al te waar, majoor!’
‘Majoor!!’ herhaalde zij met ergernis en zette groote oogen op van verbazing. ‘Ik meende, Leo! dat die bijnaam u tegen was.’
‘Nu niet meer, sinds ik dat soldateske personaadje en action heb gezien. Alleen zou ik willen weten welk soort van majoor gij eigenlijk voorstelt, tamboer-majoor? serjant-majoor? Want de commandant van een bataillon behoort, zoo ik mij niet bedrieg, zekere mate van beschaving te bezitten, zekere vormen te eerbiedigen, zekere waardigheid in toon en manieren aan den dag te leggen, die hem terstond als een fatsoenlijk man doen kennen; en uit alles wat ik van u waarnam bij het tooneel van dezen morgen moet ik gelooven, dat gij aan geen dezer eischen weet te beantwoorden.’
‘Leo!’ stamelde zij, doodsbleek en met trillende lippen, ‘dit is eene bloedige beleediging! Bedoelt gij dit?’
Het verwonderde mij, dat zij niet in woede opstoof en op mij lostrok. Ik had eigenlijk op een forschen aanval gerekend; het tegendeel vond plaats. Zij bleef stokstijf zitten als aan haar stoel genageld.
‘Ik bedoelde alleenlijk de onbehagelijke figuur te treffen, die
gij goedvindt voor te stellen; wil Freule Mordaunt zich identifieren met die persoonlijkheid en het daarvoor opnemen, mij wèl, ik ben geen geoefend duellist, maar ik kan toch een fleuret hanteren, mij dacht dat ware wel de beste manier u de zoogenaamde revanche te geven, tenzij gij schieten wilt; gelukkig heb ik pistolen; wij gebruiken los kruid niet waar? dat's afgesproken, gij begrijpt toch wel dat men het met een majoor van uwe soort niet in vollen ernst kan opnemen.’
Ik kreeg geen antwoord, en dat ontrustte mij; boos worden en mij ferm riposteren, had ik van haar gewacht, maar dat zwijgend blijven zitten met strakken blik en doodsbleek, als versteend en verstomd van smartelijke verbazing, stond mij niet aan; de arm dien zij even driftig had opgeheven, viel slap en als magteloos neêr; ik begon nu zelf verlegen te worden met mijne houding, ik kreeg de gewaarwording van iemand die eene kapel wil vangen, maar die te hard heeft toegetast en een vleugel in de hand houdt; vooral toen zij eindelijk haar zwijgen verbrak, want het klonk als eene klagt, meer nog dan verwijt wat zij mij toevoegde:
‘Deze vlijmende ironie gaat dieper dan gij vermoedt, Leo!’
‘Ik hoop wel dat zij treffen zal, waar zij nut kan doen, Francis! Want geloof mij, mijne bedoeling was niet om te wonden, maar om te genezen,’ hernam ik op gansch veranderden toon, want ik zag dat zij al hare zelfbeheersching noodig had om niet in snikken uit te barsten. Ik stond op, ging naar haar toe en wilde hare hand nemen, maar nu rees zij op, als door een electrieken schok getroffen, er kwam weer kleur op de marmerbleeke wangen en de oogen vonkelden van toorn, terwijl zij sprak:
‘Ik wil van u niet gecureerd worden; mij scheelt niets, ik ben wel zóo als ik ben, verspil uwe nobele kunst niet aan zoo'n avontuurlijk, zoo'n onhebbelijk schepsel als gij in mij meent te zien.’
‘Moet ik u dan niet zien, Francis! zooals gij zelve goed vindt, u te toonen? Maar, gelukkig bedrieg ik mij niet zóo zeer in u als gij denkt, ik zal uwe genezing beproeven ondanks u zelve;
wilt gij dat ik u de uitlegging zal geven van de ergerlijke scène die gij in mijn bijzijn aan die Heeren hebt vertoond?’
Zij haalde even de schouders op en bleef zwijgen.
‘Het is deze;’ ging ik voort, ‘gij hebt aan mij willen zeggen: “Gij wilt hierblijven om Majoor Frans te leeren kennen, zoo zal ik hem u toonen in alle zijne grofheid en onbehagelijkheid, en dan zullen wij zien, hoe lang gij dat uithouden zult,” en daarop, freule Mordaunt, is mijne houding van dit oogenblik het antwoord. Gij zult het weten dat ik u doorzie, dat ik mij niet laat afschrikken door het ruwe masker dat gij goedvindt voor te doen om... de oorspronkelijke trekken uit te vinden die... ongetwijfeld liefelijker indruk zullen maken,’ wilde ik er bijvoegen dan... zij liet mij niet uitspreken, zij stampvoette van ergernis, terwijl zij inviel:
‘Een masker! ik een masker! Men moet uit den Haag komen, waar men zich zeker nog al druk maskeert, om mij zulk een verwijt te doen. Voorwaar Jonker van Zonshoven! achterdocht die onder alles list wil zoeken is geen scherpzinnigheid; de uwe maakt hier al eene heel droevige figuur. Mij, die voor goed gebroken heeft met alle sociale huichelarij, en die daarom als met vingers wordt nagewezen, mij, wier grootste fout het is, of welligt wier beste hoedanigheid (ik kan het niet uitwijzen) om er alles maar uit te flappen wat mij invalt, als er iets is wat mij ergert of treft, mij, wie het altijd heeft ontbroken aan datgene wat men in de wereld tenue noemt, mij, mij te betichten van een mom voor te doen! en dat nog wel op een oogenblik waarin ik gloeijend van toorn en ergernis, aan die heeren zeg waar het op staat, zonder menagement! Ik geef toe dat ik in uwe tegenwoordigheid geene oorzaak, vond om mij in te houden; wij waren nu immers zoo goed als en famille, en het kwam mij hoog noodig voor, dat gij u niet zoudt vergissen in de gehalte van ons personeel.’
‘Ziet gij wel!’ viel ik glimlachend in, ‘dat ik niet zoo erg miszag, en dat gij uws ondanks ten slotte toch tot de bekentenis komt, dat ik de waarheid tastte, toen ik beweerde, dat er opzet lag in die hagelbui van gros mots; en dat gij de kre-
ten uwer ergernis eenige noten hooger stemdet dan absoluut noodig was, om die twee verdemoedigde mannen de les te lezen, - het al met de bedoeling om een derde op de vlugt te drijven of... voor goed te terrifieren! Wees opregt Francis, vindt mijn argwaan uit, of ligt deze opvatting voor de hand?’
Te vergeefs trachtte ik haar aan te zien terwijl ik sprak, zij wendde het hoofd af. en toen ik zweeg om haar antwoord te te hooren, riep zij knorrig, terwijl zij haar stijgend ongeduld op den poot van de tafel wreekte.’
‘Ik merk het niet voor het eerst, gij kunt lastig zijn en onaangenaam als gij er u op toelegt.’
‘Ik geloof het zelf, maar eene uitvlugt is geen antwoord, Francis!’
‘Nu ja dan, ja! het is waar; ik had u liever zien heengaan, om bestwille; maar geloof niet, Leo! wat gij ook van mij hoort of ziet, dat ik arglistig ben, en eene rol speelde. Ik was wat ik mij toonde toen ik dat standje maakte, woest boos en gloeijend van verbittering; ik heb mijne luimen, dat weet ik wel; maar ik doe niets om te schijnen wat ik niet ben, dat zou mij slecht afgaan; ik wil in alles mij zelve zijn, in 't kwade en ook in 't goede, want ik mag niet erger van mij zelve spreken dan de waarheid is; ik heb ook wel goeds; ik heb dit goede dat ik niet valsch ben, en toch is er zooveel tegenstrijdigs in mij, dat ik er soms zelve over verbaasd sta. Zie, Leo! ik heb nooit voor het gulden kalf van het decorum willen knielen (zij sloeg met de vuist op de tafel ter bekrachtiging van hare bewering) maar toch... als de lust mij beving, zou ik mij nog heel wel met uwe Haagsche dames kunnen meten, als het op kennis en ontwikkeling aankwam...’
‘Daarvan ben ik overtuigd Francis, en daarom...’
‘Maar vernis en blanketsel zou ik mij nooit laten opleggen,’ viel zij in, ‘evenmin zal ik aannemen, dat juist daarin de ware beschaving bestaat...’
‘Dat ben ik geheel met u eens.’
‘En ik wist mij toch wel als freule Mordaunt te doen erken-
nen, toen ik nog in de wereld ging, en zoo mij dat nu weêr inviel, zou men mij niet moeten verwijten, dat het maar eene vertooning was, want ik haat alle aanstelling als de pest; het zou dan alleen zijn: toegeven aan iets onweerstandelijks binnen in mij, zooals ik mij daar even aangedreven voelde door iets dat sterker was dan ik, om eens ferm den Majoor Frans te spelen in uwe tegenwoordigheid.’
‘Maar hoe kan freule Mordaunt het dan zoo hoog opnemen, als men haar bij het woord vat, laat ik liever zeggen, als men invalt in den toon, dien zij zelve heeft aangegeven?’
‘Dat treft mij niet van anderen, maar van u en juist op dat oogenblik - want ik kwam om bij u heul en troost te zoeken; van u, ik wil 't wel bekennen, trof het mij als een bliksemstraal uit de heldere lucht.’
‘Zoo opregte bekentenis verdient volle absolutie,’ sprak ik opgeruimd, ‘geef mij de hand ter verzoening.’
‘Neen, Jonker! neen! daar zijn wij nog niet,’ hernam zij fier. ‘Ik moet eerst weten wat ik aan u heb. Hoe het komt weet ik niet; maar ik heb er behoefte aan niet door u te worden miskend. Als gij laag op mij neerziet omdat ik niet ben als de anderen, zeg het dan maar in eens uit, dan weet ik waar ik op rekenen kan; maar als ik bij u kom aankloppen, in het volle vertrouwen, dat ik mijn hart eens kan uitstorten aan een vriend, teruggestooten te worden om... een gebrek in de vormen, dan voel ik mij bitter teleurgesteld, en dan vraag ik mij zelve af, heb ik mij weêr vergist, is ook deze niet de betere van de soort, is ook deze een van die fatten, die bang zijn de punten hunner verlakte bottines aan het slijk te wagen, die schermen met groote woorden, maar klein en bekrompen zijn als het op handelen aankomt, die een heilige afschuw hebben van gemeene woorden, grof linnen en vuile handen, maar er volstrekt niet tegen opzien iets laags en gemeens te doen, en die zelfs niet schromen zouden de blankheid hunner vingeren te besmetten door eene vrouw te souffletteren!’
Nu was de beurt aan mij om van innerlijke woede te trillen,
en het scheelde werkelijk niet veel of ik had aan een geweldige uitbarsting daarvan toegegeven, maar in tijds nog bedacht ik mij, en overwoog dat de bataille voor mij verloren was, zoo ik handgemeen werd met den Majoor op het terrein waar hij mij heenlokte.
Na een oogenblik zwijgens viel ik in.
‘Pardon Freule! 't is voor mij moeijelijk te berekenen wat gij in mij ál of niet meent te zien. Ik kan alleen zeggen, dat ik zeer zeker niet behoor tot de specialiteit dáar door u geschetst. Als er kwestie is van eene vrouw die beleedigd wordt, zou ik de eerste zijn om den laaghartige te staan, die zich, op welke wijze ook aan haar vergreep, dat kan ik u verzekeren. Ik ben de nakomeling van een man, die zich de regterhand afkapte om de eer zijner dame te redden; iets van dat bloed vloeit nog wel in mijne aderen, en al zijn wij niet meer in de dagen der reuzen en gedrochten, ik zou toch de ridderlijke beschermer kunnen zijn der zwakheid die mijne hulp inriep, ik zou de diepste meewarigheid kunnen toonen met eene vrouw, die mij leed en last wilde klagen, ik zou haar die ik zag wankelen met vaste hand steunen en staande houden, ik ben niet van hen die vernis en blanketsel voor reinheid aanzien, en ik zou de paarle niet minachten om haar ruwe schelp, ik zou zelfs niet schromen mijne hand te besmetten, om deze uit het slijk op te rapen, als het zijn moest; maar, zoo ik mij niet bedrieg is hier tusschen ons sprake van Majoor Frans; Majoor Frans, die boos wordt als men hem aan het prerogatief der schoone sexe herinnert, omdat hij niet met “de dames” wil gerekend worden, en die evenmin gelijkstelling wil met “de soort” waartoe ik nu eenmaal het ongeluk heb te behooren. Majoor Frans, dat hybridische wezen, dat daar bij mij is komen invallen, nadat hij zoo pas twee beklagenswaardige wezens van “mijne soort” door zijne invectieven had neergeveld, en vraag dan u zelve af, of het geen tijd werd dat de derde, die toch mee in de oorlogsverklaring begrepen was, den strijd opnam met eenigzins gelijke wapenen, om de nederlaag van de anderen te wreken, en het
heldhaftige personaadje de overtuiging te geven, dat hij.... minstens zijn portuur zal vinden, als het er op aankomt om elkaâr zonder “menagement” de waarheid te zeggen!’
Onder ons gezegd, Willem! de Majoor hield zich kras; zij oefende al hare zelfbeheersching om de verschillende indrukken, die zij bij mijn spreken onderging, niet te toonen, maar zij is te impressionabel om er niet alles van gevat te hebben wat ik bedoelde. Zij was opgestaan en scheen met de grootste opmerkzaamheid de gebroken glasruiten te bekijken, om zich eene houding te geven; eensklaps keerde zij zich nu om, met een hoogen blos op 't gelaat, maar er was geen toorn in den blik dien zij op mij vestigde, geene uittarting meer, al trad zij mij kloek en fier onder de oogen terwijl zij sprak:
‘Ik moet zeggen, Leo! dat gij ferm afrekening gehouden hebt, en nu, mij dunkt wij zijn quitte. Zijn wij weêr vrienden?’
‘Ik verlang niet beter, maar dan moet ik ook weten wie ik voor heb, anders komt er weêr misverstand....’
‘Lastig mensch! gij schenkt mij ook niets, en zij stampvoette van ongeduld, terwijl zij het hoofd afwendde.
‘Enkel uit voorzorg, geloof mij. Heb ik met Majoor Frans te doen? of....’
‘Nu dan! Francis Mordaunt vraagt uwe vriendschap!’ en zij stak mij beide handen toe en hare oogen vulden zich met tranen, die niet langer waren te bedwingen.
Hoe gaarne had ik ze weggekust, hoe gaarne had ik haar aan mijn hart gesloten, en alles uitgezegd wat daar reeds voor haar sprak, maar het mogt, het moest niet zijn. Zij was opgeschrikt en ik had haar zien verbleeken, toen ik haar in den ochtend met zekere hartstogtelijkheid de hand kuste; ik mogt mijne aanvankelijke overwinning niet prijs geven uit gebrek aan zelfbeheersching.
‘Is het noodig te zeggen, Francis! dat gij reeds hebt wat gij vraagt. Zou ik het gewaagd hebben tot u te spreken zooals ik deed, zoo ik niet een opregt een trouw vriend voor u had willen zijn?’
‘Dat zie ik in, en daar heb ik behoefte aan. En nu wil mij
eens gul uit zeggen, of gij mij, ondanks alles, niet in uw hart gelijk geeft tegen Grootpapa en den kapitein en ziet gij, dàt kwam ik u vragen. De wijze waarop gij het tegen mij opnaamt, bragt mij met mij zelve in strijd en toch... het waren geen verwijten uit de lucht gegrepen, die ik hen deed, en het is werkelijk wat ik zie komen; de kapitein ruïneert zich voor ons, en mijn grootvader laat het zich aanleunen; dat's ergeriijk niet waar?’
‘Zeer verkeerd, ik stem het toe.’
‘Rolf teert van den hoogen boom, ik ben er zeker van, en als de generaal mij ontvalt blijf ik levenslang met den kapitein opgescheept!’
‘Levenslang! dat zou erg zijn.’
‘Ja! heel erg, maar het kan toch niet anders, want als de man zich arm gemaakt heeft voor ons, dan spreekt het toch wel van zelf, dat ik hem niet verstooten kan; ik mag hem er eens meê dreigen, als hij overmoedig is en meent dat wij hem niet missen kunnen, maar doen zal ik het nooit, al zie ik al het verdriet en bezwaar vooruit van zoo'n blok aan het been. En nu vraag ik u, heb ik bij dat alles zoo groot ongelijk, dat ik eens boos word en uitbarst?’
‘In den grond hebt gij gelijk; maar gij hebt groot ongelijk in den vorm.’
‘Och kom! altijd met uwe vormen....’
‘Het spijt mij zelf dat ik weer la corde sensible moet aanslaan. Ik ben niet van de leer que la forme emporte le fond, dat stel ik op den voorgrond; maar toch, eene vrouw die er zich zoo grof tegen vergrijpt, heeft ongelijk, al ware zij overigens nog zoo zeer in haar regt.’
‘Als ik het den kapitein niet eens duchtig zeg baat het niets.’
‘Ik heb niets tegen duchtig zeggen waar de verontwaardiging tot spreken dwingt. Maar wie ruw uitvaart overtuigt zeer zeker niet zijne partij en beleedigt allereerst zich zelf; en zoo het eene vrouw is die in hare drift woorden uitflapt, die een fatsoenlijk man zich schamen zou in hare tegenwoordigheid op zijne lippen te nemen, dan heeft zij zich tegen hare eigene
waardigheid vergrepen, en moet er op rekenen dat zij met dezelfde munt betaald kan worden, die zij uitgeeft. Ik zou geen opregt vriend zijn, zoo ik u hier niet waarschuwde. Verbeeld u eens wat het geweest zou zijn, zoo de kapitein u geantwoord had in de kasernetaal, die hij zelf zeker nog niet heeft verleerd?’
‘Dàt had hij eens moeten proberen!’
‘Het zou toch niets meer geweest zijn dan zijn regt. Meent gij dan het privilegie te hebben om tegen iedereen uit te varen zonder dat er la peine du talion op volgt? Dat bewijst minder cordaatheid dan ik in u wachtte; er maar op los te trekken als gij weet dat niemand u aandurft!’
‘Het komt mij voor,’ sprak zij glimlagchend, ‘dat gij uw best gedaan hebt om mij dien waan te ontnemen.’
‘En daarom zeker hebt gij zoo veel haast om mij weg te zenden, niet waar?’
‘Neen Leo!’ viel ze gulgauw uit, en een blos overtoog haar gelaat; ‘dàt is het niet, geloof mij, dàt niet; maar ik zie toch niet in, waarom gij u juist behoeft op te werpen als de wreker der verdrukte onnoozelheid van mijne vassalen, zoo als gij ze noemt, en ik beken u ronduit dat het mij zeer zou tegenvallen zoo gij alliantie maaktet met hen tegen mij; want in vollen ernst, ik ben hun slagtoffer, al schijnt de verhouding uiterlijk omgekeerd.’
‘Dat heb ik reeds begrepen, Francis, en het is juist daarom dat ik nog hier blijf. Het is zeer verre van mij, het met hen eens te zijn. Aan uwe zijde is het regt en de gezonde, verstandige opvatting van het leven, dat men op de Werve behoorde te leiden, in uwe omstandigheden....’
‘Nu, wat gij daar zegt doet mij goed; want ik beken u, dat gij mij in strijd hadt gebragt met mij zelve, door dien blik van minachting dien gij mij hebt toegeworpen.’
‘Die gold enkel de wijze waarop gij hier verbetering en hervorming meendet in te voeren; juist dat uitvaren is glad verkeerd.’
‘Ik weet heel goed dat het niets helpen zal, wat ik ook doe
of zeg. Daarbij, ik beklaag mijn grootvader te veel om hem al te groote ontberingen op te leggen; maar als de verkwisting met den dag stijgt en waar ik weet dat ik zelve geene offers meer heb te brengen, omdat.... andere pligten mij binden, dan is het niet te verwonderen dat ik eens uitval.’
‘En toch zou ik u raden het eens op andere wijze te beproeven. Ik heb een vast geloof in de magt der zachte vrouwelijke overredingskracht; oefen die en zie eens wat zij zal uitwerken.’
‘Tegen behoeften en hebbelijkheden die tot eene tweede natuur zijn geworden!’ viel zij in met een schouderophalen.
‘Welnu, indien gij er niet veel mee wint bij hen, dan zult gij er toch groote winst van wegdragen voor u zelve, daar ben ik zeker van. Gij hebt mij zelf gezegd dat uwe opvoeding verwaarloosd is; niet zóo zeer toch of gij hebt Schiller gelezen?’
‘Die Raüber,’ viel zij ondeugend in.
‘Dus niet zijne Macht des Weibes? niet het:
‘Was die stille nicht wirkt, wirket die rauschende nie!’
Zij schudde ontkennend het hoofd.
‘Dan is dit punt in uwe vorming althans verwaarloosd.’
‘Dat ontken ik niet.’
‘Maar c'est à refaire, mag ik er u op wijzen en zult gij naar mij luisteren?’
‘Zeker, als gij Schiller reciteert, en vooral als gij goed voordraagt.’
‘Ik zal mijn best doen.’
‘Maar nu niet, want ik heb u al veel te lang opgehouden en.... en.... gij blijft nu toch hier?’
‘Zoo lang gij mij houden wilt, Francis!’
‘Blijf zoo lang gij zelf kunt, als maar hetgeen gij hier waarneemt u niet al te veel tegen de borst stuit.’
‘Ik zal de cotte de mailles van mijn voorzaat te baat nemen, om resistentie te bieden.’
‘Goed zoo; dus tot het naaste uurtje rustig zamenzijn. Ik
ga paardrijden; ik moet frissche lucht en beweging hebben.’
‘Apropos! en de dienst die gij mij te vragen hadt?’
‘Och, ik kan er wel buiten; het was maar.... de kapitein wilde mij eene rijzweep present doen en....’
‘En die zoudt gij liever willen aannemen van mij, niet waar?’ vroeg ik lagchend.
‘Neen, neen! Zóo is 't niet gemeend. Ik zou graag tien gulden van u leenen, als gij ze missen kunt; over een paar dagen beb ik zelve weer geld.’
‘Is 't gedecideerd dat ik u geen cadeau mag doen van daag, bij wijze van souvenir?’
Zij gaf een beslist ‘neen’ ten antwoord. Toen reikte ik haar mijne portemonnaie, en zij nam er uit wat zij goedvond.
Eene kluchtige uitkomst van den geleverden slag, niet waar? Maar het komt mij toch voor dat ik terrein heb gewonnen.
.....................
Daar ik zelf behoefte gevoelde aan frissche lucht en de lust tot schrijven mij voor 't oogenblik vergaan was, besloot ik mijn billet aan Overberg zelf naar de brievenbus te brengen, indien het bleek dat er zoodanige inrigting op het dorp bestond. Beneden vond ik den generaal ook gereed om uit te gaan, en op mijne vraag, waar men hier de brieven bezorgde, bood hij aan met mij op te wandelen. Het ging de regte, breede laan door, en wij bereikten den straatweg die door het dorp liep. Aan een van de eerste huizen bevond zich de brievenbus van het hulpkantoor, dat door een der functionarissen van de gemeente werd geadministreerd. Von Zwenken moest er zelf heen, want hij had een brief te bezorgen (ook aan Overberg denk ik), dien hij liefst aan de opmerkzaamheid van Francis onttrok, zoo als hij mij zeide. Hij hoopte daarbij een pakket te vinden, dat hij zelf moest afhalen en dat hem ook werkelijk werd overhandigd, maar het scheen niet aan zijne verwachting te beantwoorden, want toen hij het met zekere zenuwachtige haast had geopend, stak hij het met eene beweging van verdriet en teleurstelling in zijn zak en zuchtte diep. Bij het terug
wandelen meende hij zich daarover eenigzins te moeten verklaren en deed mij verstaan, dat het onnoodig was er met Francis over te spreken. ‘Ik heb zoo mijne eigene zaken die buiten haar moeten omgaan, want zij zou er toch niets van begrijpen en het denkelijk niet met mij eens zijn, en nu gij haar reeds kent in hare eigenaardigheden, zult gij het natuurlijk vinden dat ik liefst discussies met haar vermijde. Op mijn leeftijd en als men de rust lief heeft.... gij verstaat mij?’
‘Heel goed; maar Francis is toch te verstandig om altijd zoo door te draven.’
‘Ja, zij heeft gezond verstand, dat îs waar, maar als zij eene opvatting heeft en haar grand cheval de bataille bestijgt, dan hebt gij zelf gezien hoe zij er op voortholt, door dik en dun, zonder na te denken wie zij er mee kwetst of bespat. 't Is toch heel natuurlijk dat de kapitein, die zijn heele positie aan mij dankt, eenige attenties voor mij heeft, en gij hebt gehoord hoe averegts zij dat opneemt. Zoo is het met alles; in plaats van mij dank te weten dat ik mij om harent wille in deze woestijn heb geretireerd, doet zij niets om mij hier het leven dragelijk te maken. Ik heb nog vrienden genoeg, die hier graag eens een dagje willen komen passeren, maar freule Mordaunt schrikt ze allen af sinds de kapitein hier is. Zij is zeker bang dat hij zich vergrijpen zal tegen den goeden toon!’
Er was iets pijnlijks in die magtelooze bitterheid van den grijsaard; maar wekte hij mijn medelijden, mijne achting won hij niet; ik voelde te zeer waar het haperde en hoe zijne voorstelling juistheid miste. Liever dan met zijne klagten over Francis in te stemmen beproefde ik eene afleiding te maken.
‘De Werve ligt toch in eene heerlijke streek, oom!’
‘Dat geef ik u toe en het is voormaals eene mooije possessie geweest; maar als men niet eigenlijk zin heeft voor het landleven en van alle jagtvermaak moet afzien, zoo als ik, er winter en zomer blijven moet en geen rijtuig kan houden, dan is men tot het uiterste isolement gedoemd. Het dorp zelf biedt niet de minste ressources; te voet kan men niet in de stad
komen en de omliggende plaatsen zijn allen veel te ver verwijderd om er eenige conversatie mee te houden; daarbij met Francis en in mijne veranderde positie zou dat ook niet best gaan.’
‘Om de waarheid te zeggen, oom! verwondert het mij eenigzins dat gij u niet van dat oude kasteel ontdoet, sinds gij toch geen smaak vindt in het landleven en de gelegenheid mist om partij te trekken van de gronden.’
‘Voor dat laatste, beste jongen, moet men geld hebben, veel geld, waaraan het mij altijd heeft ontbroken; en wat het eerste betreft, dat zou ik graag willen, want ik kan beter en goedkooper wonen in de eene of andere kleine stad, maar er zijn voor mij ontzaggelijke bezwaren verbonden aan den verkoop van dit goed; ik zou er een enorme som voor moeten vragen, omdat het, onder ons gezegd, nog al bezwaard is, en niemand zou er die nu meer voor geven, daar ik door allerlei tegenspoed de bezitting deerlijk heb moeten verbrokkelen. Iemand die een kasteel koopt met zijne heerlijke regten, wil tegelijk bezitter worden van de bosschen, van de omliggende gronden, en.... ik ben daarvan niet meer de eigenaar.’
‘Mogelijk zou iemand die in de nabijheid zijne eigendommen had er nog wel toe komen kunnen om u bijzonder voordeelige condities toe te staan.’
‘Hm! gij zegt daar zoo wat. Mijne schoonzuster heeft eenige jaren geleden het groote buitengoed aangekocht de Runenberg genaamd, en vlak bij de uiterste grens gelegen van 'tgeen eens het mijne was, en zij heeft mij toen een dergelijk voorstel laten doen, dat ik verworpen heb uit familiehaat, uit zucht om haar te contrarieren en allermeest omdat ik het denkbeeld niet verdragen kon voor haar, juist voor háár, plaats te moeten maken.’
‘Dàt bezwaar is nu althans uit den weg geruimd.’
‘Ja, Goddank! Maar gij weet niet, wat ik van die nabuurschap geleden heb, hoewel zij zelve zich nooit op haar landgoed heeft vertoond; maar zij had hare handlangers, die al ras begonnen met twist te zoeken over de regte grensscheiding; er
ontstond een proces uit om het bezit van een handbreed land, waar wij geen van beiden iets aan hadden, dat mij duizenden heeft gekost. Het spreekt van zelf dat zij het won, de slimme feeks, en toen het eens uitgemaakt was, begon zij nieuwe chicanes te maken en betwistte mij het regt van overtogt over een bruggetje, dat tot het strookje land in kwestie had behoord tot algemeen nut en gebruik, maar door haar als uitsluitend eigendom van den Runenburg werd gemijnd. Op nieuw moest er met procureurs en advocaten gebesogneerd worden, maar tot een proces kwam het ditmaal niet, daar ik al te zeer geplunderd was om het tegen haar vol te houden; maar weer behield zij het veld, en al wat hier rondom de Werve woont heeft er den last van, want wij moeten nu een verren omweg maken om te bereiken wat vroeger door die brug nabij lag. Zoo is 't met alles gegaan en zij heeft in alles gezegevierd. O, dat wijf! dat's de kanker die mijn leven heeft verteerd.’
‘Maar indien zich nu iemand opdeed, die hare regten had verkregen op de aangrenzende bezittingen....’
‘Gij meent op den Runenburg? Dat zou haar erfgenaam moeten zijn! Hebt gij reden om te denken dat deze lust zou hebben het kasteel met zijn toebehooren, zoo veel en zoo weinig als het nog is, onder de hand van mij te koopen?’ vroeg de generaal, en er kwam leven en gloed in zijne doffe oogen toen hij die vraag deed.
‘Overberg, die wist dat ik hier heen ging, heeft mij opgedragen u te verwittigen dat er weldra gelegenheid zal zijn om de Werve op het voordeeligst over te doen.’
‘Over te doen! Dus ondershands, zoo als met de boerderij, dat hij ook voor mij heeft bered! Want om redenen kan er van publieken verkoop geen kwestie zijn.’
‘Dat meent Overberg ook; de vraag is maar, of gij tot het eerste zoudt kunnen besluiten.’
‘Ik! Wel, van ganscher harte; maar Francis.... dat is wat anders! Zij hecht aan dit oude rattennest, aan familie-tradities, aan de Hemel weet wat, tot zelfs aan de heerlijke regten, die
God betere 't in niets meer bestaan dan den titel, en waarvan zij zich nog heel wat voorstelt. Zij beeft zich in 't hoofd gezet eenmaal vrijvrouwe van de Werve te zijn, en 't is hare illusie die leelijke oude cavalje nog weêr eens een goed aanzien te geven.’
‘Dat's toch zoo'n kwaad voornemen niet.’
‘Neen! Maar zij heeft nooit goed gevonden het eenige middel aan te grijpen om tot de fortuin te komen waardoor zij dat ideaal zou kunnen verwezenlijken. Zij heeft in der tijd maar te kiezen gehad uit menige goede partij, maar zij heeft al die kansen ligtzinnig verachteloosd. Nu, bij de afzondering waarin wij leven, zal er wel niets van een huwelijk komen. En toch obstineert zij zich om de toekomstige ruïne met beide handen vast te houden of er een schat in verborgen lag.’
‘Maar gij zijt immers zelf heer en meester van 't kasteel en hebt hare toestemming niet te vragen.’
‘Regtens niet, dat is waar, maar er zou geen huis met haar te houden zijn zoo ik dat deed. Daarbij, zij heeft wel regt om er in gekend te worden. Ziet gij, neef! toen zij meerderjarig was geworden moest ik er voor uitkomen dat een goed deel van haar moederlijk vermogen nog bij 't leven van hare ouders als tot niets was gereduceerd. Dat was mijne schuld niet. Sir John Mordaunt hield van eene schitterende leefwijze en had zijn huis ingerigt op Engelschen voet, zonder Engelsch geld, want hij was maar een tweede zoon, en zijn pensioen als marine-officier was niet toereikend. Even voor zijn dood echter was er een oudoom gestorven, die aan Francis voor haar naam een niet onaanzienlijk legaat had toegekend; ware zij een zoon geweest, dan zou de geheele schitterende fortuin van den ouden baronet met landgoederen en tot den titel toe, haar ten deel zijn gevallen, nu waren eenige honderden ponden sterling al wat zij kreeg. Eer mijn schoonzoon nog tijd had gehad om over dat geld te beschikken, stierf hij aan eene beroerte. Ik werd voogd, maar de toeziende voogd, die er zich op scheen te zetten om het mij lastig te maken, nam een procureur in den arm, die
met het code in de hand mij verpligtte om alles wat Francis toekwam, van haar legaat zoowel als van de niet veel beduidende ouderlijke nalatenschap op het grootboek te plaatsen, eene zekere, dat wil ik wel toegeven, maar toch eene zeer schraal renderende plaatsing voor onzen tijd. Ik genoot de renten voor de opvoeding en het onderhoud mijner kleindochter, die meer dan dat kostte, omdat zij de caprice had de geheele stoet bedienden van het huis haars vaders, zijn stal en equipaadje aan te houden, en ik, die met haar leven moest, te zwak een voogd was om de zeventienjarige iets te weigeren, wat zij met zulk eene vastheid van wil doorzette. Eindelijk na hare minderjarigheid en toen het mij door allerlei tegenspoed zeer slecht gegaan was, reduceerden wij onze huishouding tot het strikt noodige naar mijn rang en positie, zoo als van zelve spreekt. Maar een allernoodlottigst zamentreffen van omstandigheden maakte het noodig dat ik op eens over eene groote som gelds kon beschikken om eene gapende wonde te dekken, die, openlijk blootgelegd, ongeluk in schande zou hebben verkeerd, en mij verpligt zou hebben reeds toen mijn ontslag te nemen. Francis is heftig en eigenzinnig, dat is waar, maar zij heeft een grootmoedig karakter en een liefderijk hart voor lijdenden. Zij zelve bood mij aan, zoo veel noodig mogt zijn van haar vermogen los te maken om de dreigende ramp te voorkomen. Ik moest aannemen, ik kon niet anders; maar ik nam aan als een voorschot, als eene schuld die ik eenmaal hoopte te voldoen en waarvoor ik haar bij mijn overlijden het bezit van de Werve toekende.’
‘Maar.... zij is immers uw eenig kleinkind; volgt dat dan niet van zelf? Of.... ik meen gehoord te hebben dat gij een zoon hebt gehad, generaal! Is die gehuwd en heeft die kinderen?’
‘Mijn zoon is.... dood!’ bragt de generaal uit met haperende stem. ‘Hij is nooit getrouwd geweest daar ik van weet, hij heeft althans nooit mijne toestemming tot een huwelijk gevraagd noch verkregen, en zoo hij kinderen heeft nagelaten zijn het bastaards - niets dan dat!’
‘Waarom dan die voorzorg, beste oom? Verschoon mij de
vraag, die welligt onbescheiden is, maar uit belangstelling in Francis wordt gedaan.’
‘Juist om die schuld die ik aan haar heb en waarvoor de Werve haar borg is. Na mijn dood zullen mijne schuldeischers het kasteel niet kunnen verkoopen zonder dat ze met Francis te rekenen hebben.’
Ziedaar waarop tante Sophie zelve zeker niet had gerekend. De straf die zij von Zwenken toedacht zou dus eigenlijk op Francis worden toegepast.
‘Gij begrijpt dus wel,’ ging de generaal voort, daar ik zweeg, dat ik bij mijn leven het kasteel niet verkoopen kan zonder hare toestemming, tenzij ik begon met dat geld terug te geven, en als dat zijn moest zou de heele verkoop mij niet veel baten.’
De jammerlijke egoïst zag er dus niet tegen op zijne kleindochter ganschelijk te berooven, als zij zelve maar in die plundering wilde toestemmen. Welk een man! En dit alles onder fijne vormen en eene bonhomie waarvan de scherpzinnigste dupe moest zijn. Was het wonder dat Francis zoo weinig menagement had voor de vormen, daar zij veel te helder zag om niet te weten wat er onder kon schuilen.
‘En draagt Overberg kennis van die overeenkomst tusschen Francis en u?’ vroeg ik.
‘Neen; er waren redenen waarom ik bij die gelegenheid iemand anders gebruikte. Mijn testament ligt bij een notaris te Arnhem.’
‘Maar vreest gij niet dat uwe kleindochter bedrogen zal uitkomen bij uw overlijden, sinds gij mij mededeeldet dat het kasteel bovendien nog al bezwaard is?’
‘Wat zal ik u zeggen, mon cher! nood breekt wet en ik heb altijd nog hoop mijne fortuin te redresseren eer het zoo ver komt.’
Zijne fortuin te redresseren op zijn leeftijd! Waarmee dacht de man dat te doen? vroeg ik mij zelven af; maar.... ik herinnerde mij het pakket, ik had even een blik op den inhoud kunnen werpen: het schenen lijsten, loten, vermoedelijk van eene buitenlandsche loterij. Als de ongelukkige daarop zijne
hoop bouwde en daarvoor de weinige hulpmiddelen veil had, die hem nog ten dienste stonden, dan was het toch wel ver met hem gekomen, dan was het niet eens meer slim beleid - dan was hij tot idiotisme gezonken.
‘Neef!’ sprak hij op eenmaal met levendigheid of hij een lumineusen inval kreeg, ‘als het waar is dat Overberg met mij over den verkoop van het kasteel wil onderhandelen, zou het niet kwaad zijn zoo gij Francis eens op het chapitre bragt en haar polste hoe zij er over dacht. Het komt mij voor, dat gij wel eenigen invloed hebt op haar. Wij zouden een heel eind gevorderd zijn zoo gij haar wist te bewegen om van dat idée fixe af te zien.’
‘Ik beloof het u, oom! dat ik met Francis spreken zal over die zaak!’
‘Gij kunt nog als argument aanvoeren, dat het gezelschap van den kapitein mij minder noodzakelijk zou zijn, als ik eens in eene plaats gevestigd was, waar ik wat conversatie had.’
Gelukkig behoefde ik niet te antwoorden; wij waren bij het huis; de bel luidde voor het tweede ontbijt, de kapitein zelf kwam ons gulhartig te gemoet. Francis was nog niet terug; wij gebruikten het luncheon zonder haar.
Eerst bij het diner verscheen zij weêr. Zij was gekleed in een grijze japon, even eenvoudig van fatsoen als van kleur, maar die haar keurig zat; hare elegante taille kwam er goed door uit, en zij droeg een smal linnen boordje; het verkleurde sjaaltje was vervangen door een zwart fluweel lint. Het haar ook was met zekere zorg opgemaakt, het was of zij mij stilzwijgend wilde te kennen geven, dat majoor Frans voor Francis Mordaunt had plaats gemaakt! Al was het maar tijdelijk; mij gaf het eene gewaarwording van triomf, of ik den slag van Nieuwpoort had gewonnen, en nooit, Willem! heeft een damestoilet mij met zooveel stille verrukking bezield als het echt vrouwelijk grijze kleedje en dat simpele boordje van Francis! Maar was het in de bewustheid dezer belangrijke concessie of uit eenige andere oorzaak, die ik niet doorgrondde, het
scheen of zij nu ook de vrije, luchtige manieren van majoor Frans had afgelegd en iets van hare vroegere onbevangenheid miste, althans tegenover mij. Zij was stil en in zich zelve gekeerd, viel niet uit tegen den kapitein, die haar met honden-demoed naar de oogen zag, en betoonde zelfs zekere meewarige goedwilligheid jegens den generaal, die echter wat strak en distrait bleef en alleen met zijne gewone verfijnde gulzigheid het enkele fijne schoteltje savoureerde, dat er ditmaal op tafel kwam. Het was zeker tusschen Francis en den kapitein tot eene wapenschorsing gekomen, waarbij de preliminairen voor den vrede waren gesteld; aanvankelijk was er aan haar eisch tot vereenvoudiging voldaan, wij teerden heden op de resterende vleeschen van den vorigen dag, met eene voldoende hoeveelheid spinazie en een extratje voor den generaal, die geene aanmerking maakte toen de fijne wijn achter bleef, maar zich nu op de kwantiteit wreekte en met meesterlijke gemakkelijkheid voor zoo'n bleek en schraal personaadje een paar flesschen naar binnen sloeg, zonder dat men het hem aanzag. Zoo'n stille, taaije opeter, die niet eens de franchise had van zijne lage ondeugd, zoo als de kapitein, die er gul voor uitkwam, dat hij geen hooger genot kende dan het tafelgenot, dat hij voor zijn buik leefde, boezemde mij een afkeer in die tot walging steeg, als ik dacht aan ons gesprek op de wandeling.
De gelegenheid om een afzonderlijk woordje met Francis te wisselen, werd mij aan tafel niet geschonken en toch had ik behoefte haar iets te zeggen van den indruk, dien haar lief toilet op mij maakte, wat tegenover eene andere vrouw eene impertinentie zou zijn; want een compliment te maken over hare kleeding op een bepaalden dag, is immers het bewijs, dat men eene uitzondering constateert, maar tegenover Francis, die zelve hare gewone achteloosheid op dit punt had erkend, kon de courtoisie, kon het welgevallen zich uiten, zonder gevaar.
‘Toen zij opstond, geneerde ik mij ook niet tegenover de oude heeren, weigerde de sigaar en volgde haar onverwijld naar
het salon; maar ook de kapitein was gevolgd en nu over een stoel leunende vroeg hij ootmoedig:
‘Wat zegt mijn majoor nu, heb ik geen pluimpje verdiend?’
‘Wel zeker,’ gaf zij ten antwoord, maar haar gelaat betrok.
Ik vatte waarom.
‘Eilieve, kapitein!’ nam ik de vrijheid halfluid tot dezen te zeggen, ‘begrijpt gij niet hoezeer het mijne nicht ergert, dat gij haar altijd met dien gehaten bijnaam aanspreekt? Ziet gij niet hoezeer zij eene freule Mordaunt is, van hare elegante chaussure af tot de toppen der fijne vingeren toe, als zij zij zich zelve wil zijn.’
‘Och, ik ben ook een domkop om daar niet beter op te letten; maar 't is waarheid wat gij zegt, jonker! Excuseer, freule! de gewoonte, de ingeroeste gewoonte!’
‘Gij en ik moeten met onze gewoonten breken, kapitein!’ sprak zij zacht, doch met nadruk, ‘want wij zijn op den verkeerden weg, is het niet zoo, jonker?’
‘Excuseer mij, freule! dat ik u dit niet kan toestemmen; reeds de erkenning daarvan, is een stap vooruit,’ en naar haar toegaande, fluisterde ik haar in: ‘Mag ik u geluk wenschen met uwe gracieuse metamorphose?’
‘Geluk wenschen? Neen!’ hernam zij ras en zacht, ‘want ik voel mij niet thuis in mij zelve, en in gène ligt het geluk niet.’
‘Mag ik een woordje spreken, eer de freule met den jonker philosopheren gaat,’ viel de kapitein in; ‘als de generaal er bij is, kunnen wij er niet over spreken. Hoe denkt de freule over het vieren van den verjaardag, ik had mij voorgesteld dat het ditmaal eens regt luisterrijk zou zijn, maar als ik hoor van een verkeerden weg en van veranderingen en zulk gesnor, dan word ik haast bang dat mijn plannetje in duigen zal vallen.’
‘Een plannetje, een verjaardag! Wie is er dan jarig?’ vroeg Francis in verstrooijing.
‘Wel, de generaal overmorgen! Hij wordt zes-en-zeventig, en ik dacht zoo, de freule zal dat aardig vinden, maar van
ochtend hadden mijne preparatieven al zoo weinig succes, dat....’
‘O zoo, dàt was het dus?’
‘Juist dàt, en nu de jonker blijft, hebben wij ten minste éen gast.’
‘Ga nu in 's Hemels naam uw gang, Rolf! Grootpapa moet gefêteerd worden, daar hebt gij gelijk in, maar nù....’
‘Poets ik hem, dat spreekt van zelf,’ zei Rolf opgeruimd, en tot zijne eer zeg ik het, hij bleef ook niet langer aarzelen of om ons heendraaijen toen hij eens carte blanche had voor de feestviering, maar schoof zorgvuldig de voordeur achter zich toe als om ons van de eetzaal te isoleren. Ik trok een lage tabouret naar mij toe, en ging tegenover Francis zitten, die het hoofd op de kanapé liet rusten in diepe zwaarmoedigheid.
‘Gij wilt niet van geluk hooren, Francis! Gij klaagt van gêne,’ sprak ik zacht, ‘dat grieft mij; het was mij waarlijk niet te doen om u somber en ontstemd te zien; is het u dan in ernst zoo groot een dwang, om u te toonen wat gij inderdaad zijt: eene vrouw, eene beminnelijke vrouw.’
‘Ik weet niet wat gij beminnelijks in mij zien kunt, jonker van Zonshoven! want ik voel mij stijf en gedwongen, en dat is zeker niet de conditie om te behagen.’
‘Ik merk ook wel dat gij u daar niet op toelegt. Wat misdaad heb ik gepleegd, Francis! dat ik op eens jonker van Zonshoven voor u geworden ben, en het gemeenzame Leo verbeurd heb?’
‘Het eene hangt zamen met het andere; als ik u gulweg Leo noem, dan verval ik al heel ligt tot mijne gewone wijze van zijn, en ik ben niet zeker dat er dan niet eens een uitval volgt, die....’
‘Gij zijt in eene plaagzieke luim, Francis! gij wilt het mij doen berouwen, dat wij majoor Frans op den achtergrond hebben gezet.’
‘Neen, dat's mijne intentie niet, want ik geef toe, dat hij daar blijven moet; alleen ben ik niet zeker, dat hij niet telkens weer op den voorgrond zal komen, want ik moet u ronduit
zeggen, Leo! kostschoolmanieren heb ik nooit kunnen aannemen!’
‘Maar hoe komt het in u op dat ik die van u zou wachten of eischen. Oneindig liever, majoor Frans! in zijne ruwe oorspronkelijkheid.’
‘Onder privilegie van hem tweemaal daags zonder menagement de waarheid te zeggen,’ viel zij in, maar zonder den glimlach die de scherts stempelde.
‘Zelfs dat als 't niet anders zijn kon, zon nog gezonder zijn voor geest en gemoed van beide partijen, dan de dampkring van aanstelling, namaak, onnatuur en gekonfijte huichelarij van datgene wat men kostschoolmanieren noemt.’
‘Dat's gezegend dat gij dit zoo inziet, Leo!’ viel zij in, gelukkig weer in haar ouden gemeenzamen toon; ‘want al wilde ik het beproeven, ik zou het toch niet kunnen volhouden, het strijdt te zeer met mijne natuur. Ik ben geen poesje, zoo als die allerliefste nufjes, die zoo glad en zoo fijn voor den dag komen, niet dan fulpen pootjes toonen, kopjes geven en zoetelijk streelen, maar die boosaardig en valsch zijn en die de nagels uitslaan als men dat het minst verwacht. Ik ben ook geen slanke hazewind, die zich tot kunstjes laat afrigten en voor iedereen opzit; ik ben een eerlijke trouwe wachthond, die luid kan blaffen en ferm de tanden laat zien, maar die....’ Zij zweeg in zekere verwarring, verlegen hoe de phrase te voltooijen, zonder zich in den strik te werken.
‘Die gehecht is aan zijn meester, moet er volgen, Francis! anders komt de vergelijking niet uit.’
‘Nu goed als hij een meester gevonden heeft, en.... en.... daar ben ik gelukkig nog niet.’
‘Gelooft gij dat, Francis?’ vroeg ik, haar zacht, maar doordringend in de oogen ziende.
‘Zeker, zeer zeker! het is zooals ik zeg,’ en met fierheid wierp zij het hoofd in den nek, onder een hoogen blos; toch hield zij mijn blik niet uit, toen zij voortging met al de heftigheid die uit innerlijken strijd voortkwam. ‘Ik wil geen mees-
ter erkennen, Leo! nooit, nooit, geloof dat. Ik wil mijne vrijheid, mijne onafhankelijkheid bewaren, ik moet het .... als gij meer van mij wist, zoudt gij de eerste zijn om dat toe te stemmen.’
Laat mij dan van u weten wat er noodig is om dat met u eens te zijn,’ drong ik.
‘Ja, ja, dat zult gij zeker, maar niet nu, niet hier; 't is in dit vertrek duf en dampig; ik heb een gevoel van angst en beklemdheid of ik hier stikken zou, ik moet de vrije lucht in,’ en met een afwerend gebaar, toen ik haar wilde tegenhouden, was zij in een wip de kamer uit.
Dat was mijn geluk, want ik was op het punt om, weggesleept door mijn gevoel, haar op mijne knieën te smeeken mij tot haar heer en meester te verheffen, en ik zou mogelijk duur geboet hebben voor die voorbarigheid.
......................
......................
Als Francis de lucht in ging, was er voor mij geen reden om thuis te blijven; ik nam mijn hoed en steeg langzaam de perron af, in 't onzekere welken weg ik zou nemen, toen Frits, die naast een der aloë-vazen stond te droomen, mij met een leuk gezigt vertelde, dat de freule in den tuin was; ik volgde die aanwijzing en trof haar op het punt om door te tuindeur weg te sluipen.
‘Mag ik vragen waar dat heengaat, genadige vrijvrouwe?’ sprak ik schertsend.
‘Naar de ruïne om de zon te zien ondergaan; 't is een heerlijke lente-middag; heeft jonker van Zonshoven lust om mee op te wandelen?’
‘Het was, meende ik, de afspraak dat wij die zamen zouden gaan zien. Wilt gij mijn arm?’
‘Nog niet, wij hebben eerst nog een lastig eind weg, en moeten zien heen te komen door struik en heg, door dik en dun, eer wij het mooije effene zandpad krijgen dat er heenleidt, maar dan kunnen wij gezellig praten.’
Zij had gelijk; in 't eerst was het geene wandeling, het was slechts eene worsteling met allerlei hindernissen, door de natuur gesteld, en waar de hand des menschen zich niet verledigd had iets tegen te doen; daar was een gemakkelijker weg naar de ruïne als men de voorpoort van 't kasteel uitging, maar het was een wijde omweg en Francis hield van regt op haar doel af te gaan; zij hield evenzeer van het strijden met bezwaren, als zij van het gladde gebaande pad zekeren instinctieven afkeer had. Ik plaagde haar met deze neiging, die zij ook in 't gewone leven toonde en kon mij niet onthouden haar te waarschuwen, dat hier zeker de oorzaak lag waarom zij door velen zoo geheel verkeerd werd beoordeeld.
‘Daar weet ik alles van,’ gaf zij ten antwoord met een minachtend schouderophalen, ‘maar daar is niets meer aan te verhelpen, dat's een gevolg van mijn kwâjongensnatuur. Ik laat me nooit onder éen lijntje brengen met anderen, daar kunt gij staat op maken très cher cousin!’
‘Dat zou ik ook waarlijk niet verlangen; gedwongenheid waarbij uwe levendigheid, uwe opgeruimdheid moest onder gaan, zou u al heel slecht passen, als gij mij maar vergunt zeker personaadje tot de orde te roepen als hij in zijne onbesuisdheid freule Mordaunt te kort zou doen.’
‘Gij schijnt er aan te hechten,’ sprak zij met een zacht hoofdschudden, - ‘aan die freule Mordaunt; maar wij zullen zien. Daar hebben wij nu het gemakkelijke zandpad en wij kunnen rnstig voortwandelen.’
Zwijgend bood ik haar nu mijn arm, dien zij nam terwijl zij aanving:
‘Men zegt van mij, dat mijne opvoeding verwaarloosd werd, dat is in eigenlijken zin niet waar. Ik ben gansch niet in 't wilde opgegroeid. Men heeft zelfs zeer veel werk gemaakt van mijne vorming; maar juist die leiding heeft mij ontbroken, waaraan ik de meeste behoefte had, want ik ben opgevoed als een jongen! Zoo als gij reeds gehoord hebt overleefde mijne moeder slechts weinige dagen mijne geboorte; zij althans heeft
geen schuld aan 'tgeen men tegen mij heeft gepleegd. De zuster van Rolf, slagtoffer eener lage verleiding en ongehuwde moeder, maar overigens een flinke, eerlijke boerendeern, werd mijne min. Haar kindje was gestorven en al wat er van moederlijke liefde in haar hart school werd op mij overgebragt. Ik was haar kind. Zij verstond het niet anders. Ook is zij mij bijgebleven tot haren dood, toen ik reeds geen kind meer was. Maar hare liefde was toch eene andere dan zij aan haar eigen kind zou hebben betoond. Onze vrouwen uit den boerenstand plegen geene zwakke moeders te zijn, en zij was dàt voor mij. Zij gaf mij in alles mijn zin, en haar argument voor die toegevendheid was altijd, dat er geen mensch in de wereld was als zij om mij lief te hebben; dat was overdrijving, want grootpapa, die destijds met mijn vader hetzelfde huis bewoonde, hield van mij, hoewel het maar al te waar was dat sir John Mordaunt zich al heel weinig om het kleine meisje bekommerde. Waarheid is, dat hij een zoon gewenscht had, niet alleen ter wille van zijn naam, maar ook omdat daaraan zijne toekomstige fortuin hing. Hij had een zoon gehad, even als ik Francis gedoopt, op welks bestaan groote verwachtingen waren gebouwd, doch die slechts een half jaar leefde. Twaalf maanden na dit verlies, waarover mijn vader zich nooit heeft kunnen troosten, werd hem die dochter geboren, die door hem met zoo weinig ingenomenheid werd begroet dat de moeder zelve er smartelijk door werd getroffen. Na alles wat ik later heb ondervonden moet ik onderstellen, dat leedwezen over de grievende teleurstelling die zijne koelheid haar veroorzaakte, de laatste levensuren mijner moeder heeft vergald, zoo niet haar dood heeft verhaast. Hoe dat ook zij, sir John Mordaunt wilde niets van zijn kind weten, tot dat op zekeren dag “Nurse”, die deze onverschilligheid niet uitstaan kon, mij eens bij hem binnen bragt, om te laten zien welk een kloek, ferm kind ik was en hoezeer het meisje het in kracht en gezondheid won van het kwijnende jongske, dat geen zeven maanden had kunnen leven. “Waarachtig, dat kon best een jongen zijn!” moet papa toen hebben uitgeroepen, naar 't ver-
haal van Rolf, die tegenwoordig was. En van dien dag af begon sir John zich met mij bezig te houden, dat wil zeggen aan mijne opvoeding eene bijzondere rigting te geven, die mij gemaakt heeft wat ik nù ben en die mij mogelijk tot nog veel ergers zou gebragt hebben, zoo niet tusschentredende personen en omstandigheden de uitwerking zijner ongewone opvoedingsmethode eenigzins gewijzigd hadden. Onder pretext van hygiëne en engelsch gebruik liet men mij tot mijn zevende jaar een ruim en gemakkelijk costuum dragen, dat Nurse met minachting “een jongenspak” noemde, maar dat bijzonder geschikt was om mij tot allerlei ligchaamsoefeningen in staat te stellen. Toen ik even loopen kon kreeg ik al een meester in de gymnastie, ik werd gehard tegen hitte en koude als een jonge spartaan; Rolf werd gelast mij de excercities te leeren toen ik pas een kindergeweer kon dragen. Hij verzuimde evenmin mij les in het schermen te geven en het ontbrak mij ook niet aan gelegenheid om mij in die nobele kunst te oefenen, daar alle jonge officieren die bij ons aan huis kwamen er pleizier in vonden, of dat uit complaisance voor papa voorwendden, om zich met mij te meten. Een wezenlijke of een gewaande triomf over hen werd mij door sir John op het schitterendst beloond. Ik mogt ieder mijner invallen botvieren als het maar wilde, brutale, jongensachtige caprices waren. Ik weet niet wanneer men begonnen is mij den bijnaam van den “kleinen majoor” te geven, noch zelfs waarom; ik onderstel dat het Rolf is geweest die dit heeft bedacht, om mij bewijs te geven van zijne diepe vereering en tegelijk om mij te onderscheiden van grootpapa, die toen tot den rang van majoor was geklommen, maar ik weet wel dat papa smaak vond in die benaming en niet naliet haar telkens te gebruiken, en ik herinner mij nog zeer goed, hoe ik verbaasd stond toen een officier, denkelijk een new come, mij als freule Francis aansprak. Ik weet wel, dat ik het heel kwalijk opnam en een engelschen vloek uitstiet van ergernis, die ik sir John meermalen had hooren bezigen. Ik weet ook, dat papa mij toen van den grond tilde en mij al lagchende kuste. Het was de eerste maal
dat hij mij op die wijze zijne vaderlijke teederheid toonde. Was het mijne schuld dat ik dat grove woord een mooi woord achtte en niet naliet dit en meer van dien aard te baat te nemen als ik mijn zin wilde hebben of eenige kracht wilde leggen in mijne uitdrukking. Er werd altijd over gelagchen, ik werd er voor gekust en toegejuicht, hoe had het anders kunnen zijn!’
‘'t Is zelfs te verwonderen dat de kwade gewoonte er u niet van bijgebleven is.’
‘Lang genoeg om u de waarheid te zeggen, en nog ben ik niet zoo heel zeker dat niet in drift.... Toch moet ik Nurse de eer geven, dat zij er op hare wijze tegen reageerde door mij te vertellen, dat vloeken zonde was; want zoodra ik eenigzins de portée van dat woord vatten kon had zij mij daartegen een heilzamen afschrik ingeboezemd. “Maar mag papa dan zonde doen?” vroeg ik. “0, voor heeren is dat wat anders.” “Dan wil ik ook geen meisje zijn!” En dan volgde er doorgaans een gesprek waarbij de eerlijke vrouw op hare wijze moraal predikte. Het eindigde altijd daarmee dat ik boos was geen heer te wezen, en werkelijk heeft de spijt maar een meisje te zijn mijne onbezorgde kinderjaren vergald. En de woede waarmee ik witte neteldoeksche jurken en sierlijke hoedjes vernielde, die Nurse mij op zekeren tijd eigenmagtig te dragen gaf, bewees wel dat er al heel weinig een meisjesaard in mij zat.’
‘Die school er wel in, Francis! ik ben er zeker van. Maar men heeft de natuur geweld aangedaan en....’
‘Dat is zóo waar, dat ik nooit anders dan jongensspeelgoed kreeg: trommels, zweepen, soldaten, en toen grootpa eens op het idee kwam om mij eene pop te geven, werd die terstond met diepe minachting weggesmeten. De plooi had zich gezet, papa kon gerust zijn. Op kinderpartijen liet men mij niet gaan, jongejufvrouwtjes kwamen bij ons niet aan huis; ik groeide op in een kring van groote menschen, officieren, liefhebbers van de jagt en van paardrijden, eene oefening waarvan ik op mijn achtste jaar al kon meepraten, en van vrouwen merkte men bij ons niets dan de dienstboden en Nurse. Toen er kwestie was
van leeren kreeg ik meesters aan huis, en toen Nurse zich niet langer in staat verklaarde het wilde, eigenzinnige, onmanierlijke kind te regeren, kreeg ik.... een gouverneur! Het was een schrander man, die veel kennis bezat, maar een laag karakter, een bruikbaar mensch zoo als men dat noemt en die zich ook werkelijk heeft laten gebruiken om mij af te rigten op de rol, die men mij wilde laten spelen in de mystificatie op groote schaal die men voor had. Het is mij later gebleken, dat sir John den dood van zijn zoontje voor zijne bloedverwanten in Engeland geheim had gehouden, even als de geboorte van zijne dochter, dat hij de laatste de plaats van den eersten wilde doen innemen aan gene zijde van het kanaal, en dat hij de mogelijkheid voorbereidde om mij daarvoor te doen optreden in zekeren bepaalden kring. De afzondering waarin men mij hield, het onderwijs dat men mij gaf, de bijzondere rigting die Dr. Darkins en sir John altijd aan hunne gesprekken gaven, strekten om mij te isoleren van de personen mijner sexe, om mij een afkeer in te boezemen van hare levenstaak en zekeren wrevel over de positie die ons in de maatschappij is toebedeeld, terwijl daarentegen mijne zucht tot onafhankelijkheid werd gevoed en gevleid, en men aan mijn geest, aan mijn karakter zekere eigenaardigheid trachtte te geven, die men kloeke, mannelijke vorming noemde, hoewel ik later die hooggeprezen hoedanigheden veel minder bij de meeste mannen dan bij enkele vrouwen heb waargenomen. Ik deed mijne winst met die opvoeding, maar niet op de wijze die het meest gunstig was voor hunne oogmerken, want ik haatte alle bedrog en onwaarheid, en achtte dàt laagheid en lafheid, terwijl het mijn lust was mij kloek en open te vertoonen voor ieder, zoo als ik was.
‘Ik houd mij overtuigd, dat grootpapa geen deel heeft genomen in dit complot, hetzij hij er het gevaarlijke van inzag, of dat het streed tegen zijne principes, een meisje te zien opvoeden zoo geheel à contre-sens van hare bestemming, maar hij beging de zwakheid om niet ronduit voor zijn gevoelen uit te komen en zich niet regtstreeks te verzetten tegen hetgeen
hij verkeerd achtte. Alleen zijdelings contrarieerde hij het plan van sir John, schonk mij werkdoosjes en breimandjes, op een tijdstip dat ik naaijen noch breijen kon, en lag altijd met dr. Darkins overhoop, wien hij volstrekt niet lijden mogt en die het hem uit alle magt vergold. Er vielen dan tusschen hem en sir John discussies voor, waarvan ik eerst later de beteekenis begreep, maar die daarmee eindigden, dat grootpapa van garnizoen veranderde, denkelijk op eigen verzoek, en dat wij niet als gewoonlijk ons met hem verplaatsten. Rolf trok mee weg, maar de officieren en de andere heeren van de stad, (de hoofdstad van de provincie) die ons huis frequenteerden, vonden er een veel te gul onthaal om niet in de gewoonte te blijven, al gebood de pligt het hun niet meer tegenover een hoofdofficier. Want sir John leefde op den voet van een engelsch baronet die drieduizend pond te verteeren heeft. Voor mij echter had er weldra eene groote verandering plaats. Ik was mijn veertiende jaar ingetreden, dr. Darkins kreeg zijn afscheid en ik werd op een kostschool geplaatst, een voornaam dames-instituut. Ik moet er dit wel bij zeggen, want na alles wat ik u van mijns vaders handelwijze met mij heb verteld, zoudt gij in de war kunnen raken.’
‘Toch niet; hetgeen gij over kostschoolmanieren gezegd hebt moet uit eigen ervaring zijn gegrepen.’
‘Dat is maar al te waar! Ik rookte al dapper fijne cigaartjes, al had grootpapa mij gewaarschuwd dat ik mijne tanden zou bederven, en nu werd er op eens besloten dat ik onder de jonge meisjes moest, om een goeden toon te krijgen! - Ik dankte dezen plotselingen omkeer aan het bezoek van mijns vaders zuster, aunt Ellinor, eene dame die met een bejaarden graaf was getrouwd en nu met hem het “continent” bezocht. Mylord had voor het badsaizoen een apartement te Scheveningen gehuurd en had geen lust the Dutch provinces dieper in te gaan. Mylady echter wilde haar broeder weerzien. Zij overviel sir John zonder waarschuwen, dat bleek uit alles. Zij blecf twee dagen bij ons logeren met hare kamenier, maar haar eerste ontmoeting met mijn vader, waarbij ik tegenwoordig was, deed
mij op eens een licht opgaan over 'tgeen mij tot dusver onverklaarbaar was gebleven.’
‘En Francis moet nu al een flinke jongen zijn; wat zult gij van hem maken?’ hoorde ik haar zeggen.
‘Van Francis is niets te maken, want zij is maar een meisje,’ antwoordde mijn vader knorrig en verlegen. ‘Het oudste kind, een zoon, is gestorven. Ik heb niets dan dit.’
‘John, John!’ riep de lady verwijtend, ‘en de heele familie verkeert in het denkbeeld dat gij een zoon hebt, en gij hebt niets gedaan om ons uit die dwaling te helpen, en de oude baronet, die u jaarlijks de toelage uitkeert voor zijn erfgenaam, rekent er op, dat deze eenmaal naar Engeland zal overkomen om hem te worden voorgesteld. Waar moet dat heen! Is dat gentlemanlike?’
Papa lispelde zoo wat van ‘absolute necessity’ en scheen een beroep te doen op hare medewerking.
De fiere lady barstte los in verontwaardiging.
‘Meent gij, dat ik bij deze misleiding uwe handlangster zal zijn?’
Sir John, die mij nu eerst opmerkte, daar ik in eene vensterbank zat, half verscholen tusschen de zware overgordijnen, liet eene krachtige verwensching hooren, die mij gold, en die niets bewees dan zijne teleurstelling over het mislukt ontwerp. Hij beval mij, onverwijld de kamer te verlaten, daar hij met lady Ellinor had te spreken.
Maar ik was veel te weinig aan volgzaamheid gewoon om zoo onverwijld te gehoorzamen. Ik liep schielijk op lady Ellinor toe om haar te zeggen dat ik Francis was en nam mij voor haar te vragen, waarom zij het eene misleiding noemde dat ik maar een meisje was. Doch er lag iets in den blik dien sir John op mij wierp, dat mij schrik aanjoeg, iets dreigends met angst en ontzetting gemengd, dat mij het zwijgen oplegde en mij tot een schielijken aftogt dwong.
Wat er verder tusschen hen voorgevallen is, kon ik alleen opmaken uit hetgeen volgde, daar ik te trotsch was om als laaghartige luisteraarster mij achter de deur te verschuilen. Inte-
gendeel, ik wierp die knorrig achter mij toe, hetgeen aunt Ellinor zeker niet onopgemerkt heeft gelaten. Zij was er wel de vrouw toe om mij in die paar dagen opmerkzaam gade te slaan en te leeren kennen, en ik was geen kind om mij te kunnen of te willen verbergen. Zij schonk mij bij het afscheid vijftig pond sterling voor mijn trousseau als ik naar de kostschool zou gaan, en de belofte dit geschenk jaarlijks te herhalen zoo ik mij daar goed gedroeg en de manieren aannam van eene jonge dame, zoo als dat in mijn stand behoorde.
Ik antwoordde haar dat ik niets kon belooven, daar ik een hekel had aan meisjeskostscholen na alles wat ik er van had gehoord, en nog meer aan jonge dames, daar ik er nog nooit eene had ontmoet die mij beviel of waar ik op had willen gelijken; dat ik veel meer lust had om met dr. Darkins naar Engeland te reizen, zoo als mij beloofd was.
‘Van die reis zal nu nooit meer iets komen, my child!’ verzekerde zij, ‘daar zal ik voor zorgen.’ Meer opheldering kreeg ik van haar niet, en ik begreep, dat ik er sir John niet naar behoefde te vragen.
Het was gelukkig dat ik mijn woord niet gegeven had aan mylady, omtrent mijn goed gedrag op de kostschool, want ik kon het er geen jaar volhouden! In zekeren zin was ik de oudste élèves vooruit, want ik had veel geleerd, waarvan zij nog niets wisten, maar op sommige punten was ik onhandiger en meer onkundig dan de kinderen uit de laagste klasse. Ik maakte alle breiwerk in de war, brak de naalden uit ongeduld, vermorste stoffen en zijde als ik borduren moest en werd woedend als men mij om deze linksheid uitlachte of bestrafte; om kort te gaan, men kon met mij niet teregt en ik kon niet overweg met de anderen. Ik vocht met de secondante, deelde klappen uit aan de scholieren, die mij al heel gauw majoor Frans noemden, daar er ook stadgenooten onder waren, die den bijnaam hadden verraden, en juist van die meisjes verkoos ik dit niet te hooren. In éen woord, binnen de zes weken liep ik weg en teruggebragt, onder de scherpste bedreigingen van Sir
Johns zijde, bragt ik er nog eenige stormachtige maanden door, om ten laatste weggezonden te worden als een onhandelbaar onverbeterlijk schepsel, als een slecht exempel, dat men de overigen moest sparen.’
‘Het kon niet anders uitvallen.’
‘Maar de aanleiding van die terugzending was toch onregtvaardig. Ik behoef u niet te zeggen, dat ik al heel weinig leerde, maar toch had ik lust gekregen in muziek, en ik scheen aanleg te hebben zoowel voor zingen als piano-spelen. De muziekmeester was de eenige, die niet over mij te klagen had, en die ook werkelijk niet klaagde; integendeel, hij prees mij, hij vleide mij, en op zekeren dag beloonde hij mijne ongemeene vorderingen met.... een kus!’
‘De ellendeling!’
‘Niet waar! Die radelooze onbeschaamdheid alleen te vergelijken bij de roekeloosheid van een waanzinnige, maakte op eens bij mij wakker wat ik nooit had leeren kennen, het gevoel van jonkvrouwelijke eigenwaarde. Ik wist op dat oogenblik maar éen middel om die uit te drukken.’
‘Een flinke oorveeg?’
‘Geraden!’ sprak zij lagchend, vergezeld van een paar hartige woordjes, die niet eigenlijk in het vocabulaire van de pensionaires thuis hoorden. Het een en ander gaf soortgelijke ergernis als de terugkomst van Vert-Vert in zijn klooster. De secondante, de geheele piano-klasse kwamen er bij te pas. Madame zelve daagde op om rekenschap te vragen van het alarm. Aan den leermeester werd natuurlijk het eerst het woord gegeven. Hij pleegde de oneerlijkheid mijn heftigen uitval toe te schrijven aan eene teregtwijzing, die hij noodig had geacht, bij eene verkeerde vingerzetting.
Ik begreep wel dat de ongelukkige liegen moest; het gold zijne kostwinning. Madame ondervroeg mij, ik verwaardigde mij niet met eene tegenbeschuldiging te antwoorden, het was voor het eerst van mijn leven, dat ik met logen en laster te doen kreeg, het zou niet voor het laatst zijn.’
‘Bij minder edelmoedigheid had zich mogelijk de opinie ter uwer gunste gekeerd.’
‘Ach, neen! men zou mij toch niet geloofd hebben. Madame verlangde dat ik mijne excuses zou maken aan den beleedigden musicus.
‘Dien schoft excuses vragen, dat nooit!’ was mijn antwoord, mijn vast besluit. Er werd gedreigd met alle mogelijke straffen, die in 't pension voor weêrbarstige élèves in gebruik waren. Het spreekt van zelve dat men niets op mij verkreeg, zelfs niet toen zij in alle gestrengheid werden toegepast.
De laaghartige virtuoos trad niet tusschen beiden, dan om den raad te geven een zoo slecht exempel uit de inrigting te verwijderen, ‘hij althans zou mij geen onderwijs meer geven,’ c'était le bouquet! Weggestuurd worden was voor mij eene verlossing, maar ik had de reden van dien afloop liefst zelve het eerst aan Sir John medegedeeld, en dat werd mij belet; ik was opgesloten, ik kon geen schrijfgereedschap magtig worden. De anderen knoeiden bij zulk eene gelegenheid met elkâar, maar majoor Frans was de algemeene vijand; allen te zamen waren tegen hem verbonden.
Madame had dus de gelegenheid mij vòor te zijn en onder een stortvloed van klagten over mij, werd het Sir John aangezegd, dat zijne dochter de eere onwaardig was geworden om in haar gedistingueerd instituut hare opvoedlng te voltooijen.
Nurse werd gezonden om mij af te halen, en aan haar vertrouwde ik, onder tranen van gekrenkt gevoel, het geleden onregt en de volle waarheid. Zij wilde met mij terugkeeren om ten overstaan van de geheele kostschool, ‘die Madam’ te zeggen waar het op stond, maar ik weêrhield haar, het zou toch niets baten en men zou mij uitlagchen op den koop toe. Ik had reden om dat te onderslellen. Een der oudere meisjes, een allerliefst nufje met een paar sprekende zwarte oogen, had mij eenige deernis betoond.
‘Chère Amie!’ sprak zij, toen ze mij alleen vond, ‘gij zijt dom geweest, aarts dom; gij hadt u niet zoo preutsch moeten aanstellen tegen monsieur Z., ik ben zeker dat hij u heeft willen
kussen!’ Ik zweeg. ‘Dat doet hij mij ook,’ ging zij voort, ‘en al de anderen die er lief uitzien, zoo als hij zegt. Wij zijn veel te verstandig om zoo'n drukte te maken over die kleinigheid, en hij loont het ons met allerlei lieve attenties; hij leent ons mooije fransche romans, die madame niet zien mag; hij weet invitaties voor ons te improviseren, als wij uit willen; voor mij heeft hij eens een billet overgebragt aan een.... cher petit cousin; met éen woord, hij presteert alle diensten, die geen der domestiques van 't pension ons zou durven bewijzen, en u zoo'n man tot vijand te maken!’ Ik zag duidelijk, dat ik niet deugde in zoo'n meisjeskring, en ik heb later al de voorregten van die éducatie begrepen, toen ik Leontine in de wereld ontmoette als de vrouw van een kolonel, met een tweeden luitenant tot cavaliere serviente; waarlijk, zij was een model van goeden toon en eene distinctie! Men zag het in alles, dat zij perfect was opgevoed! Zij was allervriendelijkst jegens mij, maar executeerde mij achter mijn rug en pleine société. Men amuseerde zich zoò met ‘majoor Frans,’ die zoo grof durfde zondigen tegen de étiquette, dat zij bij groot toilet eene kanten pelerine droeg, terwijl het gebruik wilde, dat men, om regt gekleed te zijn, zich zooveel mogelijk decolletteerde.
Het ligt zeker aan mijn jongens-opvoeding, maar ik heb nooit regt begrepen, waarom ‘de dames’ zich juist zoo blootgeven als zij onder de wapenen moeten zijn. Bij danspartijen en diners, en sinds ik eens bij geval de gesprekken heb aangehoord, die de heeren zich onder elkâar veroorlooven op dit chapitre, heb ik mij zelve beloofd, dat ik althans de dwaasheid niet zou meeplegen, tot groote ergernis, zooals gij wel begrijpen kunt, van alle gens comme il faut. Maar genoeg, ik zou niet zoo lang blijven stilstaan bij deze herinneringen mijner jeugd, zoo ze niet tegelijk de bron waren geweest waaruit alle mijne latere wederwaardigheden opwelden en tegelijk als de voorspiegeling van 't geen mij voortaan in de wereld zou te beurt vallen. Gij hebt mij eens gevraagd hoe ik begonnen ben; gij kunt het nu zelf beoordeelen of het mijne schuld is, dat ik de samenleving
niet en beau zie. Ik heb er deze ervaring opgedaan, dat werkelijk kwaad en diepe bedorvenheid, mits door den deftigen liefdemantel van het decorum gedekt, niet slechts met verschoonlijkheid bejegend, maar zelfs met welgevallen worden geacceuilleerd, terwijl ruwe vormen bij goede intentiën niet dan ergernis verwekken. Dat het noemen van de dingen bij hun naam, het aanwijzen van een fielt of eene friponne, tot de onvergefelijkste zonden behoort in het gezellige leven, en dat zijn, naar het mij voorkomt, ziekelijke verschijnsels, die het peil der moraliteit altijd dieper zullen doen zinken.
‘Het is waar, daar wordt een valsche maatstaf gebruikt en groot onregt gepleegd, waar men zich zoo aan de vormen hecht, dat het wezen er onder verwaarloosd wordt, en gij hebt daar werkelijk wonde plekken aangewezen, die een kloek geneesheer zouden eischen, gewapend met onwrikbaren wil en zedelijken moed en gesteund door een onmetelijken invloed, maar toch, Francis! wat zal ik u zeggen, gij hebt mij eens de discipline genoemd als een der beste middelen om het diep gezonken heeren-personeel een zedelijken steun te geven. Hetzelfde mag men zeggen van het decorum en de vormen in het maatschappelijk leven; gelooft gij dat diezelfde kringen, die u nu reeds tegenstaan omdat gij raadt wat al kwaads er verheeld en verborgen wordt, u beter zouden bevallen, als alles wat er in rondwoelt, zich in volle afzigtelijkheid vertoonde?’
‘Men zou van schrik en walging de vlugt nemen, dat is zeker.’
‘Maar daar toch iedereen niet wegloopen kan, is het gevaarlijk loslating en bandeloosheid te prediken, die het verkeer van menschen met menschen tot eene onmogelijkheid zou maken. Nu bindt men zich ten minste in, tracht zijne beste hoedanigheden te toonen, of den schijn aan te nemen die te bezitten, verbergt de slechtste onder den wijden mantel van het decorum zooals gij het noemt, en al is niemand er dupe van, het geheel heeft daardoor toch een beter aanzien, waar reeds veel bij gewonnen is.’
‘Daarmee is majoor Frans voor goed veroordeeld.’
‘Majoor Frans, deze nu eenmaal genomen als de vertegenwoordiger van die plompe opregtheid, kon er als exceptie nog door, maar als eene exceptie die de onhoudbaarheid van den regel bewijst.’
‘Dan bega ik eigenlijk eene dwaasheid en eene onwelvoegelijkheid, waar ik u zoo ronduit alle mijne verkeerdheden opbiecht, en den sluijer wegruk die over mijn somber verleden rust; ik kan u niets moois laten zien, ik mag mijne confidenties wel binnen houden.’
‘Ik hoop waarlijk van neen! Zoo is het niet gemeend, dat men niet aan een vriend zou mogen uitstorten wat ons ergert of bezwaart, dat men dàar zijn leed niet zou mogen klagen en zijne fouten blootleggen, waar men zeker is van deelneming; daarmee, al zou men ook het pijnlijkste hebben uit te spreken, wordt geen maatschappelijke vorm gekwetst, en daarvan kan men opbeuring, verligting wachten.’
‘De eenige verligting die ik er voor mij van wensch of verwacht is deze, dat gij mij geheel zult leeren kennen, zien zult zoo als ik werkelijk ben, en mij dan mogelijk minder hard zult beoordeelen bij 't geen er van mij geworden is.’
‘Er is nog niets van u geworden, Francis! dan wat met eenigen goeden wil van uwe zijde tot alle goeds en liefelijks zou kunnen leiden.’
‘Och, spreek zoo niet,’ hernam zij op een toon van moedeloosheid en ontstemming, ‘niet voor gij alles weet. Maar ik moet ademscheppen; laat ons eerst het oog verkwikken met het heerlijke schouwspel dat ons wacht, als wij ons haasten het hoogste punt van de ruïne te bereiken.’
Werkelijk waren wij aan den voet van den bouwval gekomen, en bij het bestijgen van de afbrokkelende trap hadden wij genoeg te doen om de minst onvaste punten voor onzen voet te zoeken, maar boven gekomen wachtte ons teleurstelling voor al die moeite.
Onder ons druk gesprek hadden wij niet opgemerkt, dat er een sterke mist was opgekomen, die het anders zoo ruime en
grootsche uitzigt benevelde. De zon was reeds in die nevelen ondergegaan en teekende alleen hare aanwezigheid in donkere oranje en schel roode strepen, die maar even als bliksemflitsen door de digte dampen heenschoten; maar over geheel het landschap lag niets dan een lange, digte sluijer van vochtige mist!
‘Kom, Leo!’ zei Francis, ‘het is niet gezond hier in die vochtige damp te gaan zitten, en toch had ik mij voorgesteld hier te rusten; laten wij onder die boog schuilen, die den toegang verschaft tot hetgeen er nog van dien toren overblijft. Er is daar wel een brok steen, waar niet al te verwende lieden, zoo als gij en ik, zitten kunnen.’ En reeds had zij den weg genomen naar die boog, die, digt met klimop begroeid, een schilderachtige loofhut vormde. Francis legde een oude grijze sjaal, die zij medegetorscht had en die ik niet had mogen dragen, over een der massieve steenbrokken en wij hadden werkelijk een comfortable zitplaats.
‘En nu ga ik mijne historie vol jammers en bedrogs voortzetten,’ ving Francis aan. ‘Kunt gij geene sigaar aansteken, Leo! dan luistert gij vast met minder ongeduld; ik heb mij zelve sinds lang die weelde ontzegd, anders gaf ik u het voorbeeld.’
‘Ook ik ben geen slaaf van dat genot, Francis! en het zou mij onmogelijk zijn genoegelijk te zitten dampen, terwijl gij uwe smartelijke herinneringen voor mij oproept.’
‘Wat zijt gij weinig een man, Leo! in den kouden egoïstischen zin van het woord,’ gaf zij mij ten antwoord.
Ik schudde glimlagchend het hoofd, en zij ving aan:
‘Ondanks den muziekmeester had ik den lust voor de muziek en zang behouden, en wenschte dat talent aan te kweeken. Nurse, die voor alles raad wist als het mij gold, schommelde een Zwitsersche gouvernante op, die buiten betrekking was, en die bij nadere kennismaking zich ook vinden liet om mij eenig onderwijs te geven in de vrouwelijke handwerken, waarin ik zoozeer ten achteren was. Sir John liet mij met mij zelve begaan. Nu het plan om mij voor een jongen gentleman uit te geven, geen gevolg kon hebben, begreep hij zelf dat er, zoo
mogelijk, nog een dragelijk jong meisje van mij moest gemaakt worden, en daar ik te weinig in goeden toon en manieren gevorderd was om in de wereld op te treden, vond hij mijn inval goed om mademoiselle Chelles als gouvernante-externe aan te nemen, tevreden dat het hem niets zou kosten. Sinds ik niet meer geroepen werd jaarlijks die zekere brieven aan den ouden baronet te schrijven, waarin mijn paardrijden en schermen en alle andere mannelijke oefeningen op het voorschrift van Sir John telkens op den voorgrond werden gezet, bleven ook de wissels uit Engeland weg, die onze kostbare huishouding hielpen in stand houden, hetgeen een wijs en voorzienig man gewis tot vereenvoudiging zou hebben bewogen, maar deze wijsheid oefende mijn vader niet en ik houd het er voor, dat hij sinds zijn kapitaal gebruikte of het zijne renten waren.
Ik intusschen had het mijnen pligt geacht lady Ellinor mede te deelen hoe het met mij op de kostschool was afgeloopen en hoe weinig ik aan hare intentien had kunnen beantwoorden. Eerlijkheid dwong mij daartoe, schoon ik wel vreesde van nu aan hare gunst verbeurd te hebben. Ditmaal toch werd de opregtheid beloond. Aunt Ellinor antwoordde met de toezending van op nieuw vijftig pond en de verzekering dat ik die jaarlijks van haar zou ontvangen om er mee te doen wat ik wilde, met nog menig goed woord daarnevens, dat mij bewees hoezeer lady Ellinor voor mij eene waardige leidsvrouw had kunnen zijn zoo ik in hare handen ware gevallen. Zij moedigde mij aan om zelve te voorzien in 'tgeen mij ontbrak en mij door niets of door niemand tot onopregtheid te laten verleiden. Zij hoopte mij later bij zich te zien in Londen.... en dan had zij mij nog veel mede te deelen. Daar is niets van gekomen. Nog in den loop van dat jaar overleed zij aan eene hartkwaal, en ook de vijftig pond zijn mij daarna niet meer toegezonden. Maar vooreerst had ik papa's hulp niet in te roepen voor mijne wenschen en behoeften. Mademoiselle Chelles beviel mij ook; had zij er den slag van met mij om te gaan; zij bragt mij wat terug van de forsche, onvrouwelijke oefeningen, die mijn lust waren ge-
weest, deed groote wandelingen met mij en gebruikte die rustige vertrouwelijke uren om mij het leven van zijne ernstige zijde te leeren zien, zoo als niemand het mij nog had doen beschouwen. Zij sprak mij van lijdenden, van ongelukkigen, wier lot soms met eenige opoffering zoo veel kon verzacht worden, van pligten, die ik alleen uit luim had beoefend, omdat mijn hart niet kwaad was, maar zonder eenigen ernst of gevoel van verantwoordelijkheid. Daarbij wist zij mij liefde in te boezemen voor de natuur, wekte in mij hoogere behoeften op, die alleen sluimerden, daar niemand er zich nog over had bekommerd. Dr. Darkins had mij moeten voorbereiden om lid te worden van de Anglikaansche kerk, maar eer het zoo ver kwam was hij al uit zijne betrekking tot mij ontslagen, en ik was op het punt van godsdienst geheel in den steek gebleven. Dat kon de serieuse Zwitsersche niet dulden. Ik moest haar belooven mij tot een protestantsch kerkgenootschap te laten brengen, en daar het sir John niet meer schelen kon, vond zij werkelijk een predikant die zich met die taak belastte. Daarbij, het behoorde zoo, dat vond grootvader ook; maar als de goede Chelles er zich niet mee bemoeid had zou niemand er aan gedacht hebben. In een woord, zij zou er in geslaagd zijn mij tot eene jonge dame te fatsoeneren, die naar het uiterlijke niet al te veel van de overigen verschilde, ofschoon het haar altijd ondoenlijk zou geweest zijn den “kleinen majoor” uit te roeijen, die onder alles door met Francis Mordaunt was opgegroeid. Doch wat gebeurde? Nurse begon jaloersch te worden van haren invloed op mij en tot overmaat van ramp kreeg Rolf, die als tweede luitenant met grootvader was teruggekeerd en nu van de kinderkamer naar het salon was bevorderd, om wat ontbolsterd te worden van zijn kazernemanieren, Rolf, die de eerste had moeten zijn om Chelles te respecteren, den zotten inval om op haar verliefd te worden, en, dat laat ik nog dàar, want zij was allerbeminnelijkst, maar hij gaf zich de luxe het haar te zeggen, en hare hand te vragen! Een stommiteit zoo als alleen Rolf die kon begaan; want behalve dat er voor hen geen uitzigt bestond
ooit tot een huwelijk te komen, ontbrak ook het allernoodigste voor zoodanige verbindtenis: wederkeerige genegenheid. De dame kon haar adorateur niet uitstaan, dien zij nooit anders noemde dan “le grand soudard”, of wel “l'ogre furieux”, want hij is nu door zijn leeftijd, zijn stijf been en mijne discipline tam geworden; maar destijds was hij een woest, hartstogtelijk personaadje, die om een haverklap de hand aan den degen sloeg en alleen aan zijn grooten en kleinen majoor de verpligte subordinatie betoonde. In 't kort, na de onstuimige declaratie wilde Chelles niet bij ons blijven tenzij men luitenant Rolf het huis ontzegde. Dat vonden allen te sterk en te pretentieus. Groot-Papa en Nurse handhaafden Rolf in zijn oude regten. Papa zelf hechtte heel weinig aan “maar een governess”, en ik... ik moet het tot mijne schande bekennen, ik wist zelve nog niet genoeg wat ik wilde, om niet met de overigen in te stemmen, te eer, daar ik nog te jong was en te weinig vrouwelijke tact had om de scrupules van Chelles goed te begrijpen. Men noemde het aanmatiging, heerschzucht, en dat laatste was voor mij beslissend. Als ik haar liet heengaan was ik weer geheel vrij! Eerst later heb ik ingezien hoezeer ik mijzelve daarmede benadeeld heb, en het is onder de grieven die ik tegen Rolf heb juist die, welke ik het minst heb kunnen vergeven.’
‘Sir John is dunkt mij meer te beschuldigen dan hij. Laat men een aankomend meisje vrij om te beslissen wat voor hare vorming dienstig is?’
‘Wat zal ik u zeggen; sir John had gewenscht dat ik tot mijn achttiende jaar op de kostschool ware gebleven om van daar in de wereld op te treden als eene “jeune fille accomplie”, bereid om om op papa's commando hare hand te schenken aan de eerste goede partij de beste. Toen dat zoo geheel anders uitviel, trok hij zijn hart geheel van mij af, en sinds de vijftig pond van lady Ellinor ook vervielen, was de verwijdering van Chelles eene bezuiniging. Deze trok met eene familie naar Frankrijk, en het bleek welhaast dat ik haar niet had behoeven op te offeren, daar grootvader kort daarna in zijn rang naar de
residentie werd overgeplaatst om ik weet niet welke oorzaak; het zou maar tijdelijk zijn en Rolf kon hem vergezellen. Nurse zegevierde en in hare blinde liefde vergat zij welke schade zij mij had toegebragt. Ik voelde het als bij ingeving; ook was mijne oude genegenheid voor haar zeer bekoeld. Toch had ik eene gewaarwording of ik zeker juk had afgeschud, want mijn onafhankelijkheidszin was niet geheel en al ongekwetst gebleven onder de zachte leiding van Chelles. Ik nam weer bezit van mij zelve in den kwaden zin. Ik kon niet meer met Chelles wandelen, ik ging met papa paardrijden, die eenigzins trots was op het goede figuur dat ik on horseback maakte, en die er niets in vond dat ik hem verzelde op jagtpartijen en rijtoeren met allerlei slag van heeren, jong en oud. Mijne ijdelheid vond hare rekening bij hunne bewondering voor mijne forschheid en vaardigheid. Ik gaf er de piano aan en de dameshandwerken, de goede boeken en wcrd zelfs weer majoor Frans, en onder die soort van verwildering bereikte ik mijn zestiende jaar, toen er iets voorviel dat eene gansche verandering in mijne wijze van zijn te weeg bragt. Nurse, die aan waterzucht leed, ontviel mij plotseling. Ik voelde toen hoezeer ik haar had liefgehad en dat zij waarheid had gezegd dat er niemand meer overbleef om mij lief te hebben dan zij. Er was eene leegte in en om mij, die ik niet wist aan te vullen. Ik ontvlugtte het koude doodsche huis, ik doolde troosteloos rond, toen ik plotseling werd opgeroepen om de rol van gastvrouw te spelen en een logeergast te ontvangen.... Maar.... nu ik tot hiertoe gekomen ben moet ik eens iets van u weten....’ Zij zweeg eene wijle en bleef zitten met gebogen hoofd en de handen in den schoot over elkaar gevouwen, als in aarzeling hoe nu voort te gaan. Op eens echter vestigde zij hare blauwe oogen op mij en vroeg:
‘Leo, zeg mij, hebt gij veel met vrouwen omgegaan?’
‘Met de vriendinnen mijner moeder nog al, maar sinds....’
‘Ik vraag niet naar oude vrouwen, ik meen of gij niet als de meeste heeren van tijd tot tijd geleden hebt aan die tusschenpoozende koorts, die zij verliefdheid noemen?’
‘Ik heb alles gedaan wat noodig kon zijn om niet aan die kwaal bloot te staan. Het Amerikaansche stelsel van flirtation heb ik nooit kunnen goedkeuren. Coquetteren met jonge meisjes en vrouwen achtte ik gevaarlijk en immoreel, en daar ik leefde in het vooruitzigt dat ik nooit geld genoeg zou verdienen om al de kant, zijde en fluweel te kunnen betalen, die tegenwoordig tot de noodwendigheden van een damestoilet behooren, heb ik de striktste neutraliteit in acht genomen tegenover allen, om niet verlokt te worden van mijn beginsel af te gaan.’
‘En heeft datgene wat men passie noemt, u dan nooit overmeesterd?’
‘Ik heb niet de gewoonte mij te laten overmeesteren door wie of wat ook. Ik bezit eenige kracht om resistentie te bieden en ik zou die gebruikt hebben zoo het geval zich had voorgedaan; maar dat is niet gebeurd. Ik had geen ledigen tijd genoeg om mij zulke distracties te geven.’
‘Dat wil ik van u wel gelooven en om uwentwil verheugt het mij; maar toch spijt het mij, want nu kunt gij mij niet zeggen wat ik juist van u had willen weten.’
‘Zeg maar wat gij weten wilt, mogelijk kan ik u toch wel voorlichten.’
‘Ik wilde weten, of gij gelooft dat een degelijk man, die geen ingebeelde fat is, maar ook geen onnoozele hals, en die op menig punt van groote scherpzinnigheid bewijs geeft, niet heel gauw kan merken als een jong meisje... hoe zal ik dat zeggen... zich met innige teederheid aan hem hecht, zelfs al wordt er geen woord tusschen hen gewisseld, dat op liefde of dergelijke gevoelens doelt?’
Ik begon vcrlegen te worden met mij zelve. Wat was hare bedoeling? Hier was meer naïviteit dan ik in haar kon onderstellen, of.... meer arglist dan waarvan ik haar zonder beter bewijs mogt verdenken.
Ik bedacht mij een oogenblik eer ik antwoordde:
‘Om u de waarheid te zeggen, Francis! ik geloof dat mannen en vrouwen beide al heel gauw raden wat zij voor elkander
kunnen zijn, en dat het veeleer uit dubbelhartigheid voorkomt dan uit ingenuïteit, zoo een van beide verblindheid voorwendt voor hetgeen maar al te klaar uitkomt, al wordt het niet met ronde woorden uitgesproken.’
‘Dat is mijne opinie ook - bij later nadenken, verstaat gij; want destijds was ik zoo onervaren op deze punten als een gamin, waarvoor ik nog altijd in mijne naaste omgeving gold. De vrienden van mijn vader zagen in mij niets anders dan een slecht opgevoed meisje, luimig en willekeurig, een woesteling, die zij niet dan ongaarne in aanraking bragten met hunne dochters en waarin ze allerminst eene toekomende bruid voor hunne zonen wilden zien. Enkele jonge officieren probeerden wel eens mij un bout de cour te maken, hetgeen mij zoo laf en belagchelijk voorkwam, dat ik ze even impertinent als onbarmhartig voor het hoofd stiet. Met anderen, die zulke pretentie niet hadden, of althans niet toonden, railleerde ik met een sans gêne, dat nog van mijne jongensopvoeding getuigde. Niemand vatte mij toen nog au sérieux op als eene jonge dame, en ik zelve was de laatste om naar die positie te streven. Toen kwam lord William bij ons logeren’. - Zij haalde diep adem, als moest zij zich geweld aandoen eer zij vervolgde: Lord William werd mij voorgesteld als een schoolmakker van mijn vader, die eenige jaren zijn oudere was, en die zijn protector geweest was op de school te Eton. Sir John scheen niet vooruit van zijne komst verwittigd te zijn geweest, want hij had geene de minste aanstalten gemaakt voor zijne ontvangst. Het was eene verrassing, even als die van lady Ellinor, maar deze beviel mijn vader beter. Mylord was om eene onaangename zaak verpligt een tijd lang Engeland te verlaten. Hij bragt Sir John slechts een bezoek en had plan zijn intrek te nemen in een logement, doch mijn vader haalde hem over bij ons in te keeren. Het apartement dat door grootpapa was bewoond stond nu toch leeg en was ruim genoeg om hem en zijn kamerdienaar te herbergen; de majoor had er zelfs zijn bureau gehouden en er was plenty ruimte voor alle koffers en kisten die Mylord
meebragt. Alles bewees dat de oorzaak van deze reis naar het vasteland niet lag in geldgebrek, want hij betaalde elke dienst die men hem deed met vorstelijke mildheid, had eene kostbare garderobe en schatten aan boeken en zeldzaamheden bij zich, en huurde eene equipaadje op eigen gelegenheid. Daarbij geloof ik, schoon Sir John het mij nooit heeft gezegd, dat hij met dezen eene overeenkomst had gesloten omtrent zijn verblijf in diens huis, die meer dan genoegzaam was om de vermeerdering van omslag goed te maken, waartoe deze inwoning ons dwong. Al had ik de hulp en voorlichting van jufvrouw Smekens, onze huishoudster, toch zag ik er zeer tegen op; nu als dame du logis te moeten optreden tegenover dien vreemdeling, maar weldra was ik met die taak verzoend.
Lord William (ik heb nooit zijn familienaam vernomen) was een geletterd man, die veel wist en eene uitmuntende gave had van mede te deelen. Hij was vol geestdrift voor kunst en poezy, las en sprak verscheidene nieuwere talen, had de grootste belangstelling in oudheid, kunst en geschiedenis, en wist, wat ons onbekend was gebleven, dat er juist voor onderzoekingen van dien aard die hij zich voorstelde te ondernemen, in onze provinciestad eene bibliotheek bestond, waarvan hij druk gebruik dacht te maken. Met éen woord, het was iemand die men geen half uur kon hooren spreken of men begreep dat men met een buitengewoon mensch te doen had; dien indruk althans kreeg ik van hem op den eersten avond van zijne komst bij de gesprekken die hij met mijn vader hield. Ik had nooit gedacht dat Sir John een vriend kon hebben, die hem in alle opzigten zoo ongelijk was, want lord William hield niet van de jagt en veroordeelde die zelfs als liefhebberij, reed alleen paard voor zijne gezondheid en had een kennelijken afkeer van alles wat ruw, onbeschaafd en onvoegzaam was. Hij erkende, dat hij zich nergens zoo gelukkig gevoelde als op zijne studeerkamer en bij zijne boeken, maar toch was hij ook man van de wereld en wist er zich te doen gelden zoo ras hij er in optrad. Hoe het kwam wist ik zelve niet, maar ik raadde terstond in hem eene
groote zedelijke en verstandelijke meerderheid boven mijn vader en alle andere mannen die ik tot dusver had ontmoet, en ik heb later ondervonden dat hij ook op anderen diergelijken indruk maakte. Daar was dan ook iets in zijn voorkomen dat ontzag inboezemde; al was hij gansch geen Hercules, zoo als mijn vader, er was toch iets kloeks en fiers in de slanke, rijzige gestalte. Ik hoorde de heeren zeggen toen hij in hun kring optrad, dat hij leelijk was; maar wat mij betreft, ik kon dat niet zien, en de dames waarmee wij welhaast in aanraking kwamen, waren allen zoo gevleid door de minste opmerkzaamheid die hij haar bewees, dat ik de heeren eer verdenk van afgunst dan van juist oordeel.’
‘De leelijkheid van Mirabeau, die alle vrouwen wist te verleiden!’ viel ik uit, door een onbestemde gewaarwording van wrevel overmeesterd.
‘Zeg liever de leelijkheid van onzen stadhouder William III, want op diens portretten geleek hij meer dan op eenige levende persoon die mij bekend is. Hij had dat hooge, schrandere voorhoofd, wel niet diens ziekelijke bleekheid, maar toch de scherpe, eenigzins harde trekken; hij droeg hier en daar op zijn gelaat de merkteekens der kinderziekte, al was 't niet zeer in 't oog vallend; maar het strakke en stroeve van dat gelaat werd verzacht door zijn glimlach, en als bezield door zijne donkere, sprekende oogen, die vonkelen konden van geestdrift, en wier blik men evenmin kon trotseren als dien van een arend.’
‘Had hij er den snavel bij?’
Francis keek mij even aan met zekere verwondering eer zij antwoordde: ‘Ik heb u gezegd dat hij op Willem de derde geleek; hij had diens scherp gebogen neus.’
‘Ook de allongepruik?’
‘Neen, maar het donker bruine, krullende haar gaf zijn kapper zeker veel werk zonder dat het baatte; zwaar en stug, scheen het alle pogingon te weerstaan om het onder de tucht van de hedendaagsche mode te brengen, en mylord zelf had de gewoonte het met zeker ongeduld naar achter te werpen zoo vaak
het hem hinderde. Dan... ik merk dat mijn uitvoerige schets u verveelt. Laten wij opstaan en naar huis wandelen.’
‘Niet voor gij mij verteld hebt welke prouesses hij heeft verrigt, die held William IV.’
‘Geen prouesses in 't geheel; of het moest zijn dat hij mij van mijne zucht om den degen te voeren genezen heeft.’
‘Dat's loffelijk! Vertel mij dat eens.’
‘Ja maar daar zijn we nog niet aan toe. Zonder dat ik zelve wist hoe het kwam oefende hij op mij een onbeperkten invloed ten goede. Als bij intuïtie raadde ik, dat mijne wijze van zijn, mijn toon en manieren hem zeer weinig moesten bevallen. Ook voelde ik mij de eerste dagen tegenover hem stijf en gedwongen. Ik durfde mij zelve niet zijn en ik verwenschte Rolf meer dan ooit, die mijne Chelles te vroeg had verjaagd. Alleen om mij eene houding te geven tegenover den fieren, hooghartigen edelman, wiens goede toon, wiens fijne beschaving sprak uit alles wat hij deed of zeide, had ik mijne gouvernante bij mij gewenscht. Papa ging cavalièrement met hem om, zoo als oude schoolmakkers, al zijn zij elkaar nog zoo ongelijk; maar mij kwam het voor dat hij met laatdunkende verwondering op mij neêrzag, zoo als een adelaar op een gemeene kraai. Toch bleek het, dat hij beteren dunk van mij had dan ik zelve meende en vooral dat de bevreemding over mijne wijze van zijn, die hij niet geheel kon ontveinzen, niet uit minachting voortkwam, maar wel uit zekere meewarigheid. Hij was aangegrepen door mededoogen met het jonge meisje, dat men uit hare natuurlijke sfeer had gerukt, dat men had misvormd en verwrongen tot iets dat zij niet had moeten zijn, en dat zich misplaatst voelde juist dàar waar zij behoorde. Op zekeren dag dat ik in 't salon aan de piano zat, eigenlijk maar zoo wat te tokkelen, terwijl de heeren in de suite voor den haard stonden te rooken, hoorde ik Mylord tot Sir John zeggen:
‘Waarom ziet gij geen menschen? Waarom gaat gij niet met Francis uit, zij heeft den leeftijd?’
‘Zoo wat, maar zij is nog te wild en te brusk!’
‘Ik zie niet dat zij wild en brusk is, zij is alleen linksch en beschroomd, als eene die zich niet weet te houden; 't is of ze nooit in goed gezelschap heeft verkeerd.’
‘Zoo is het; op de kostschool is zij om hare woestheid verjaagd en.... zoo als zij nu is durft men haar niet presenteren.’
‘Nonsense! Als gij dùs met haar voortgaat, zal zij altijd even stijf en verlegen blijven. Juist als zij onder de menschen komt zal zij dat alles afleggen. Zij heeft geest en gevatheid, dat heb ik al opgemerkt. Zij zal heel spoedig in de wereld thuis zijn.
Daarbij de zoogenoemde beau monde hier is niets dan een klein kringetje, ellendig, kleinsteedsch en vervelend; ik geloof niet dat er voor haar onder die lieden eene partij zal te doen zijn, en mij dan daarvoor op te offeren....’
‘Gij hebt niets te verzuimen; gij moet het doen uit beginsel. Zij behoeft er niets anders te vinden, dan gelegenheid om zich met gemak in de wereld te leeren bewegen.’
Mijn vader mompelde zoo iets van verliezen en teleurstellingen, kostbare toiletten die er noodig zouden zijn, enz. enz.
Lord William haalde de schouders op en zag hem aan met een doorborenden blik.
‘John, John! welk een vader zijt gij! Over die bagatellen spreken wij later....’
‘Daarbij is er geen chaperon; ik ken hier de vrouwen niet.’
‘Wij zullen ze leeren kennen. Meent gij misschien dat ik mijne winteravonden zal slijten met u op de sociëteit of bij uwe heeren-speelpartijen? Daar bedank ik hartelijk voor; en dan the poor child aan de verveling prijs geven! Dat zal niet gebeuren. De chaperon zal ik zijn als het niet anders kan, en het overige zal zich vinden, maar.... the little one luistert, genoeg hiervan!’
Ik had werkelijk de vingeren maar stil op de toetsen laten rusten; mijne nieuwsgierigheid om te weten hoe hij over mij sprak en dacht was sterker dan mijne bescheidenheid.
Sir John verliet het vertrek met den driftigen stap van iemand die uit zijn humeur is.
Lord William kwam naar mij toe, ondervroeg mij over mijne opvoeding, mijne gewoonten, mijne wenschen. Ik ving aan met schuchterheid en aarzeling, maar eindigde met al de openhartigheid en vrijmoedigheid die mij van nature eigen waren. Hij liet mij niet los voor hij alles wist, en het kwam mij voor dat toen de betoovering geweken was, die mij tegenover hem zoo ongelijk maakte aan mij zelve.
Hij vroeg mij of ik van lezen hield.
‘Volstrekt niet,’ was mijn gulgauw antwoord, ‘want dan moet men alleen zitten. Ik houd van menschen, van gezelschap, van beweging.’
‘Om onder menschen en in gezelschap een goed figuur te maken, moet men gelezen hebben, en al ware dat niet, zonder geestbeschaving zinkt eene vrouw tot eene onbeduidendheid, waaruit harc schoonheid zelfs haar niet kan opheffen.’
‘Ik wil niet onbeduidend zijn,’ sprak ik met beslotenheid, ‘zeg maar wat ik lezen moet.’
Hij glimlachte. ‘Dat gaat zoo niet in eens, maar ik zal met u lezen en dan zullen wij spoedig dit verzuim van u inhalen, zoo gij wilt?’
Gij raadt mijn antwoord, en van dien dag af ondernam hij het mijn geest en mijn smaak te vormen, mijne geestdrift op te wekken voor zijne lievelings-auteurs, ja hij nam zelfs de moeite mij kennis te doen maken met de meesterstukken der Duitsche en Fransche litteratuur, maakte zelfs zijne geliefde klassieken voor mij genietbaar en wat ik van Dr. Darkins nooit had willen leeren, nam ik nu met gretigheid van hem aan.
Hij vergezelde mijn vader niet naar diens sociëteit; eene enkele partij billard, een rijtoertje, en zijn gezelschap aan tafel was alles wat Sir John aan hem had. De avonduren en zekere bepaalde uren van den voormiddag, die hij niet voor zijne eigene studiën noodig had, wijdde hij aan mij. De liefste waren mij die, welke wij doorbragten met Shakespeare, die hij mij voorlas met eene geestdrift, waarvan hij mij de geest, de kracht, de grootschheid deed opmerken, met zulk eene klaarheid en zulk
eene gave van mededeeling, met een talent van voorstelling, dat ik als leefde in die wereld en....’
‘En toen is het gebeurd dat gij op elkander verliefd zijt geworden, even als Desdemona en Othello,’ viel ik in met eene opwelling van wrevel, die ik niet bij magte was te beheerschen.
‘Neen, neen! zoo is het juist niet gegaan, maar als gij geen geduld hebt deze herinneringen aan te hooren, zoo als ik ze nu in mijn geheugen kan terugroepen, moet gij het liever zeggen, want als ik ze niet mag geven zoo als ze in mij opkomen, verlies ik den draad; daarbij, gij zegt dat gij mij wilt leeren kennen zoo als ik ben, dat zou niet gaan, als gij niet wist hoe ik gewordcn ben wat gij mij nù ziet. Of wat zou het u baten als ik u alleen mededeelde, dat lord Willlam in 't begin van den herfst bij ons gekomen, bij het naderen van de lente ons weêr verliet?
‘Zonder met u verloofd te zijn?’ vroeg ik gejaagd. ‘Zonder met mij verloofd te zijn!’ herhaalde zij op koelen, droogen toon en rees op, ‘maar nu moeten wij gaan, neef! want wij zullen ditmaal den omweg nemen, die de gemakkelijkste is; wij komen toch al te laat voor de thee; nu! de kapitein kan ze zetten, dat's het minst. Reeds was zij zonder mijne hulp van de onveilige steenblokken afgesprongen en stond op vasten bodem eer zij had uitgesproken; ik haar na, met hetzelfde goed geluk, al was het niet met dezelfde haast; want ik zag het nut van die waaghalzerij in het halfdonker niet in.
Al wandelend wikkelde zij zich digt in de grijze plaid, en er kon geen kwestie zijn van haar mijn arm te bieden; ik wist niet of ik haar moest vragen voort te gaan met hare souvenirs, want ik voelde mij schuldig; ik had met onhoffelijke kregelheid den stroom harer confidenties gestoord; mogelijk voor goed, de behoefte om zich uit te spreken gedoofd, en toch ik brandde van ongeduld om er alles van te weten; het was zelfs mijne zenuwachtige gejaagdheid, die getergd werd door hare longueurs; het kwam mij voor, dat zij met te veel opzettelijkheid drukte op de voortreffelijkheden van dien vreemdeling,
dien ik niet kon uitstaan, dien ik nu reeds haatte, zonder nog te weten of ik er reden toe had. En ik had zeer zeker geen regt om misnoegd te zijn op Francis. Wist ik dan reeds niet genoeg van haar om te begrijpen, dat zij haar hart niet had vrijgehouden tot haar zes-en-twintigste jaar? Had zij moeten wachten op den Paladyn, die haar bij testament zou worden toegewezen! Ik voelde dat ik dwaas en onregtvaardig was, en toch kon ik over die dwaasheid en onbillijkheid niet zoo geheel zegevieren, of zij had er iets van kunnen bemerken.
‘Leo!’ sprak zij, nadat wij eenige minuten zwijgend naast elkaâr waren voortgegaan, ‘Ik zie wel dat gij ergernis neemt aan mijne souvenirs, maar ik kan ze u daarom toeh niet sparen; er is een deugd, die men Francis Mordaunt zeker niet zal ontzeggen, het is: eerlijkheid, en deze dringt mij u niet te verheelen wat er in mij is omgegaan, sinds gij mijn vriend wilt zijn en ik, ondanks bittere ervaring, nog hecht aan de beteekenis van dat woord. Als gij van ochtend vertrokken waart, zoo als ik gewacht had, zou ik u met mijne bekentenissen niet lastig zijn gevallen.’
‘Zoo moet gij het niet opnemen, Francis! ik ben immers gebleven om ze van u te hooren. Ik beloof u, dat ik den loop uwer herinneringen niet meer zal stuiten.’
‘Nu goed! zoo zult gij dan hooren dat gij het geraden hebt, dat ik lord William heb liefgehad met al de innigheid van een eersten hartstogt, ik moest zeggen met al de naïviteit van mijn jeugdig hart; want ik wist zelve niet, dat het liefde was wat hij mij inboezemde. Ik had nooit met jonge meisjes verkeerd, die elkaâr op haar dertiende reeds van galants- en minnarijen spraken; ik was novice, als geene andere, maar ik voelde welhaast, dat lord William alles voor mij was, dat ik eigenlijk niet meer leefde dan in hem, dat ik onverschillig was voor iedereen en voor alles, dat het mijn hoogste geluk was, zijn wil en wensch te raden en te volgen, dat ik, die men ontembaar achtte, die luimig en willekeurig scheen te zijn, soms alleen uit liefhebberij, in den strijd; nu maar éene vreugd kende,
die van hem te gehoorzamen, op zijne wenken te letten en zonder dat