terug  begin  verderprepost
[p. 101]

Tweede hoofdstuk.
Staatshuishoudkundige beschouwing van den Staat onzer Oost-Indische Bezittingen.

Wij zullen dit Hoofdstuk, uit hoofde der ruime stof, en wegens de aangelegenheid der overwegingen, die bovenal het eiland Java op dit punt aan onze beschouwing aanbiedt, in twee deelen splitsen, het eerste gedeelte aan de Statistieke beschouwingen van Java afzonderlijk, en het tweede aan die van onze O.I. Etablissementen in het algemeen, toewijdende.

Eerste afdeeling.
Overweging van den staat der gronden, voortbrengselen, cultures, handels-belangen en geldmiddelen, op het eiland Java.

Het eiland Java, verre weg de gewigtigste onzer O.I. bezittingen, en als de zetel van het Gouvernement - het middelpunt van alle dezelven, is gelegen tusschen den 6en en 9en graad zuiderbr., en tusschen de 105e en 115e graden lengte beoosten Greenwich(22) Deszelfs lengte bedraagt ongeveer 250 uren, doch zijne breedte niet meer dan 30 tot 45, gaans.

[p. 102]

De bevolking van Java bedraagt tusschen de 4 en 5 millioenen zielen; waaronder 10,000 Europeers, en omtrent 10,000 Chinezen.

Een bergketen of schakel van bergen, van het westen naar het oosten loopende, en zeldzaam afgebroken, doorsnijdt het eiland in de lengte. In de hooge toppen van dezen bergrug treft men de duidelijkste kenmerken aan, dat vele derzelven voorheen gebrand hebben. In eenige derzelven is zelfs het inwendig vuur nog niet gebluscht, en menigmalen ziet men, vooral na het vallen van zware regens, een' dikken rook daaruit opgaan. Geen dezer spitsen eehter werpt thans meer vuur uit(23).

De grond ten noorden van den bergketen is minder heuvelachtig dan die aan de zuidzijde; zelf vindt men aan deze laatste zijde zeer uitgestrekte, en met vele rivieren doorsnedene vlakten. Ook is de noord-kust zeer bewoond, en het strand meestal' vlak en genaakbaar, terwijl de zuid-kust daarentegen veelal rotsachtig, hoog, en op de meeste plaatsen ontoegankelijk is. Van hier dan ook, dat de Europezen zich bij voorkeur langs de noorden oost-kust gevestigd hebben, terwijl aan de zuidzijde geenerlei Etablissement gevonden wordt.

Het veeltal rivieren op Java, welk tot de vruchtbaarmaking van den grond zoo veel bijdraagt, ont-

[p. 103]

spruit doorgaans uit den zoo even gemelden bergketen; de rivieren stroomen bijkans alle van het zuiden naar het noorden, indien de afstrooming des waters aan de noordzijde plaats heeft; of in eene rigting van het noorden naar het zuiden, indien de ontlasting des waters aan den zuid-kant der bergen is. Zelden slechts zijn dezelve verder op dan eenige mijlen van de uitmondingen bevaarbaar, hetgeen veroorzaakt wordt door de sterke helling van derzelver beddingen, welke, zelfs in de vlakste landstreken, op drie of vier uren afstands van het strand, reeds op eene lengte van 100 roeden van 5 tot 6 voeten bedraagt, en dus het hooger opvaren geheel, en zelfs het nedervaren, anders dan met kleine, ligte houtvlotten, onmogelijk maakt, welk gebrek, tot nadeel van binnenlandsch vervoer en handel, niet dan door middel van menigvuldige schutsluizen van eene onmetelijke kostbaarheid, zou kunnen verholpen worden.

Die weinige rivieren, welke eene meer oostelijke of westelijke strekking hebben, zijn verder op bevaarbaar. Inzonderheid kan de rivier van Solo, die even boven Grisé in zee valt, zeer verre binnenwaards bevaren worden. Eenige kanalen, in dezelfde rigting gegraven, onder anderen de Mokenvaart bij Batavia, hebben de mogelijkheid doen zien, om dit middel, ter bevordering van den inwendigen welvaart zoo noodzakelijk, in meerdere uitgebreidheid aan 's Lands nut dienstbaar te maken.

[p. 104]

De wegen op Java zijn over het algemeen, en zoo verre die niet ten bijzonderen dienste der Europezen aangelegd zijn, zeer slecht. Het gewone voertuig der Javanen, bestaande in eene kar met hooge wielen, uit één stuk gehouwen, en die derhalve dun of smal moeten zijn om niet al te zwaar te worden, door Bnffels voortgetrokken, maken het onmogelijk de wegen in goeden staat te houden, daar de grond, meestal van een kleiachtigen aard, indien dezelve slechts eenigermate doorweekt is, 't geen meestal bij zware regens, vooral in het gebergte plaats heeft, door het scherpe wiel als wordt omgeploegd. De geringe vordering van den Javaan in de onderscheidene handwerken heeft het voor als nog onmogelijk gemaakt, een beter rijtuig te zijnen gebruike algemeen intevoeren.

De groote weg, daarentegen, die het geheele eiland van het westen naar het oosten doorsnijdt, gelijk ook de wegen in de ommestreken van Batavia, Samarang en Sourabaya, welke alleen met rijtuigen, op de Europesche wijze gemaakt, mogen bereden worden, zijn zeer schoon, en worden wel onderhouden.

Over het geheel echter, is het vervoeren der produkten in de binnenlanden nog op vele plaatsen met groote moeijelijkheden verbonden, en kan hetzelve dikwerf niet anders dan door last- of draagbeesten geschieden.

Het klimaat langs de zeekusten is heet, hoewel

[p. 105]

niet onverdragelijk, omdat de lucht door de elkander regelmatig verpoozende land- en zeewinden gedurig wordt afgekoeld. Gewoonlijk staat er de Thermometer van Fahrenheit op den middag in de schaduw op 82 gr. - In de hoogere landstreken echter, slechts 10 of 12 uuren van het strand af, valt die doorgaans op 60″ of 65″ ja des avonds dikwijls tot op 40″, eene tempering, die meermalen naar een warm vuur verlangen doet. In deze oorden is dan ook het verblijf zeer aangenaam en gezond, doch langs de stranden, inzonderheid bij de uitwatering der rivieren, waar men meestal een' moerassigen grond aantreft, is het aanhoudend verblijf doorgaans voor de gezondheid zeer nadeelig. - Op een' kleinen afstand van daar, b.v. van 1 of 1½ uur, vindt men reeds eene betere, veel zuiverder lucht, en dus eene gezondere woonplaats. - Over het geheel echter, en met uitzondering der stranden, is het eiland zeer gezond, en welligt een der gezondsten die op eene gelijke breedte gevonden worden.

De Moussons wisselen thans minder geregeld af, dan zulks voor dezen schijnt te hebben plaats gehad. Van november tot mei duurt de regentijd of west-mousson, zoo genoemd omdat deze wind gedurende dien tijd genoegzaam bestendig waait. Van mei tot november heerscht de drooge tijd, die, om dezelfde reden, het aanhoudend waaijen der ooste-winden namelijk, de Oost-mousson geheten wordt. De regentijd echter valt het ééne

[p. 106]

jaar vroeger of later in dan het andere, en is ook meerder of minder langdurig. Over het geheel is dit saizoen het aangenaamste van het jaar, daar de redens zelden aanhoudende zijn, de lucht verkoelen, en alzoo de geheele natuur een schooner aanzien doen verkrijgen.

Er is, volgens het algemeen gevoelen, misschien geen Land onder de verzengde luchtstreken, waar men krachtiger en schooner vegetatie aantreft, dan hier. Op geheel het eiland wordt geen onvruchtbaar plekje gronds gevonden, buiten de spitsen van eenige ontoegankelijke gebergten, waar koude den groei belet. - Van daar dat elke grond, niet door menschelijke handen bearbeid, met ondoordringbaar bosch begroeid is, waarin vele houtsoorten, en daaronder het schoone timmerhout, Jaty genoemd, gevonden worden.

Onder de voornaamste voortbrengselen van het Land en het algemeene voedsel der ingezetenen behoort vooral de rijst. De menigte van riviertjes, die het Land alom doorsnijden, maken hetzelve voor dien tak van Landbouw zeer geschikt(25). Ook zijn alle Javaansche dorpen van rijstvelden omringd, daar de inlander deze culture hoog schat.

[p. 107]

Behalve de rijst groeit op de hoogere gronden de koffijboom zeer wel, gelijk op de lagere het suikerriet, de peper, indigo, kardamom, tabak, Kadjang (bij de Franschen, Pistache), de pinang-noot, betel, kurkuma, kapas of katoen, en eenige andere voortbrengselen van minder aanbelang voor den handel. Ook worden er, langs de rotsige kustoorden des eilands, vele zoogenoemde vogelnestjes gevonden. - Over de hoeveelheid en waarde dezer produkten van den Javaanschen grond zal vervolgens nader gehandeld worden,

Onder de vruchten vindt men voornamelijk de kokosnoot, waarmede de grond in den omtrek der huizen als bedekt is; wijders de smakelijke Mangistanges, de Ananas, Manges, eene groote hoeveelheid soorten van Pisang of Bananes, de Ramboetang, Gendria, Dourian, benevens vele andere.

Vele Europesche groenten slagen hier mede zeer wel, inzonderheid in de hoogere en dus minder warme gronden, vooral de aardappelen en doperwten, - die niet minder zijn dan in Europa, - kool, knollen of rapen, peulerwten, snijboonen, salade, selderij, kervel, en andere keukengroenten.

De zeevisch is er overvloedig. Daaronder munten bijzonder uit de zoogenoemde Kaalkop, welke niet beneden de kabeljaauw mag gesteld worden, Bistero, spiering, oesters, rivier-paling en Gou-

[p. 108]

rami (eene soort van karpers), benevens vele andere soorten van visch. bij ons minder bekend. - De verslindende haaijen en Kaymans worden mede in de Javaansche wateren, de laatsten ook in de rivieren, menigvuldig aangetroffen.

Onder de dieren is vooral de buffel of zoo genoemde Karbouw opmerkingwaardig, en voor den landbouw onmisbaar. - Hij vervult bij den Javaan al den dienst van het paard bij ons, en zijn vleesch verstrekt tevens den Inlander tot voedsel. Uit zijeen aard bemint de buffel waterachtige, moerassige streken, moetende hij daarom ook dagelijks eenige malen in het water gebragt worden om zich te baden. Hierdoor is hij bijzonder geschikt ter bearbeiding der gronden voor de rijstteelt, daar deze, alvorens beplant te worden, tot een' kunst-moeras moeten worden gemaakt.

De paarden op Java zijn klein, vurig, en niet zeer sterk. Het is te wenschen, dat men het inlandsche ras derzelven door aanvoering en vermenging van schooner rassen verbeteren moge. Voor den landbouw worden denzelve niet gebruikt.

Koebeesten vindt men vele op de landgoederen der Europeërs. Behoorlijk op de stal gemest met gekookte rijst en eenige groenten, is hun vleesch zeer goed van smaak, doch zonder deze voorzorgen is het dor en onsmakelijk. De melk, die de koeijen geven, is weinig, en de boter, daarvan gekarnd, ver beneden de Europesche te schatten.

[p. 109]

De schapen van Java zijn aan vele ziekten onderworpen, waardoor derzelver vermenigvuldiging moeijelijk wordt gemaakt. - Geiten, en allerlei pluim- gedierte of tamme vogels, zijn er overvloedig; de laatsten zijn er van den besten smaak.

Onder het wild gedierte komt in de eerste plaats in aanmerking der Rhinoceros, die zich in de bergachtige landstreken onthoudt, en dikwerf groote verwoestingen in de koffijplantingen aanrigt. - Ook sijn er tijgers in alle soorten, waaronder de zwarte; zij verslinden jaarlijks een aantal Javanen, wier onverschilligheid en roekeloosheid omtrent hun eigen leven zoo groot is, dat zij tegen dit verscheurend roofdier slechts weinige voorzorg gebruiken. Gelukkig is het voorzeker, dat men dezelven in sterk bewoonde, en van groote bosschen ontbloote oorden niet dan zeldzaam aantreft.

Het hert en de reebok is er zoo menigvuldig, dat derzelver vleesch, gedroogd, een' vrij aanzienlijken tak van handel oplevert. In de streken, waar dezelve gevangen worden, houdt men groote par-Force-jagten, dat is, eenige Javanen vervolgen het hert zoo lang, tot dat het afgemat is, en maken het dan af. - Vele ongelukken, zoo door het vallen als anderszins, hebben bij deze jagtpartijen plaats. - Wilde varkens zijn er mede in menigte; zoo ook velerlei soorten van apen, paauwen, duiven, enz.

In het algemeen kan men zeggen, dat alles,

[p. 110]

wat tot onderhoud en veraangenaming van het leven noodig is, op Java in overvloed gevonden wordt. -

Het zal te dezer plaatse niet ongepast zijn, daar wij over den staat der Indische nijverheid en industrie in het algemeen elders reeds het noodige gezegd hebben, den Lezer eenig nader denkbeeld te geven aangaande de Javaansche cultures, en wel bijzonder aangaande de inrigting van derzelver drie voornaamste vakken, te weten de rijst-cultuur, die der koffij en der suiker.

De eerste, op den vrijwilligen arbeid van den Javaan gegrond, en voor eigen rekening geschiedende, de tweede, op dwang-arbeid, voor rekening van het Gouvernement, en de derde mede op vrijwilligen arbeid in daghuur, voor rekening der Planters.

De rijst-cultuur is onder deze allen zeker het gewigtigst, als niet alleen het noodzakelijke voedsel aan den Javaan verschaffende, maar tevens aan de bewoners onzer Oostelijke eilanden, die van dit graan schaarsch voorzien zijn.

De teelt der rijst geschiedt hoofdzakelijk op tweederlei wijze, - of op de hoogere gronden in den regentijd, en dan wordt het graan in de landtaal Padie Tipar genoemd, of, op lagere gronden, dat is, op de zoodanigen, die onder water gezet kunnen worden, en deze kunnen in de beide saizoenen bebouwd worden. De rijst, op deze

[p. 111]

wijze verkregen, draagt den naam van Padie Sawa. Beiden zijn in twee hoofdsoorten, en ieder derzelven is weder in vele mindere soorten onderscheiden, doch beiden behoren tot hetzelfde geslacht. De Padie Sawa intusschen brengt niet voort op drooge gronden, en even min, omgekeerd, de Padie Tipar, in bewaterde velden. Ten aanzien der deugdzaamheid van de rijst, door deze twee onderscheidene wijzen van bebouwing verkregen, is het verschil niet zeer aanmerkelijk, schoon men veelal aan de Padie Tipar, dat is, die van het hooge Land, de voorkeur schijnt te geven. Ook is de hoeveelheid, welke op eene gelijke vlakte door de beide soorten van culture gewonnen wordt, niet zeer onderscheiden, en de bewerking van de Padie Tipar (die van het hooge Land) is veel gemakkelijker. Dan, daarentegen is deszelfs groei aan meer toevalligheden en misgewassen onderhevig, dan die der Sawa, en de velden, daartoe gebezigd, kunnen slechts drie jaren gebruikt worden, als zijnde de bemesting in dit Land, om de uitgeputte gronden te herstellen, niet in gebruik. De Sawa (dat is, het bewaterd land) kan altijd bebouwd worden, en daarom wordt aan deze wijze van bebouwing, inzonderheid om de meerdere zekerheid van een' goeden oogst te bekomen, algemeen de voorkeur gegeven.

Tot het aanleggen van Tipar-velden, worde in het algemeen een stuk gronds uitgekozen, veelal

[p. 112]

met hout begroeid, hetwelk eerst moet worden omgehouwen. Inhet eerste jaar wordt alsdan, tusschen de omgehouwen' boomstammen en wortels, de rijst gepoot in gaten van twee of drie duimen diepte; deze verschaft doorgaans slechts een' schralen oogst, doch in het volgende jaar, de boomstammen verteerd zijnde, wordt de grond in den droogen tijd beploegd, en hiertoe een ploeg van(24) Javaansch maaksel, zonder wielen, en waarvan de kouter (het ploeg-ijzer) alléén aan de punt met ijzer beslagen is, gebruikt; zijnde overigens het geheele werktuig van hout, en bespannen met een Karbouw, - eene soort van Buffel, een zeer sterk maar traag dier.

De grond is in dit saizoen zeer hard. De eerste voren der ploeg maken daarop slechts een' geringen indruk, en het is niet dan door eene aanhoudende en dikwerf herhaalde ploeging, dat men aan den grond de vereischte losheid, (in hunne taal mattam genoemd) verschaffen kan, vorderende de beploeging van een' enkelen morgen gronds een' tijd van meer dan eene maand. Deze bewerking tegen den regentijd (met het begin van November) geëindigd zijnde, wordt de rijst gezaaid, gelijk hier de garst en ander winter-koren, in het begin, zoo dit noo-

[p. 113]

dig is, van onkruid gezuiverd en vervolgens zorgvuldig bewaakt tegen de wilde(25) varkens, apen en vogelen, die het gewas, nagenoeg tot rijpheid gekomen, dikverf, bij gebrek van de noodige voorzorgen, zeer beschadigen.

Bij den oogst wordt halm voor halm door middel van een klein mesje met bijzondere vaardigheid afgesneden, en hierin ondersteunen de omliggende bewoners der dorpen elkander onderling, tegen het genot meestal van ⅕ van den oogst, voor Snyloon. Deze tijd is een ware feesttijd voor de Landbewoners, eenige overeenkomst hebbende met den oogst van het koolzaad in sommige streken van ons Vaderland. De vrouwen, en meer nog de meisjes, die men anders zelden buiten den naasten omtrek harer woningen vindt, komen thans in menigte te voorschijn. Het is meestal onder dit vrolijk gejoel, dat de huwelijks-verbindtenissen tusschen de jonge lieden gesloten worden.

[p. 114]

De bebouwing der rijstvelden in de bewaterde streken vordert, behalve al de werkzaamheden, zoo even opgegeven, nog de bijzondere voorzorg, dat dezelven gedurende den groeitijd onder water gehouden, en de grond vóór de planting tot een kunstmoeras, uit een' zeer dunnen en ligten modder bestaande, gemaakt worde. Te dien einde stopt men gewoonlijk de rivieren en beekjes op, door eene sluis of dam, zoo veel mogelijk op de hoogste plaatsen. De onmiddellijk aan den zoom gelegene rijstvelden worden op deze wijze zeer ligt bewaterd; dan, voor de meer afgelegen gronden is het noodig, eene waterleiding uit deze rivieren te maken, welke boven de opstoppingen wordt aangevangen, dikwerf uren lang is, en veelal het doorgraven van hooge gronden vordert. Na dat de waterleiding de vereische lengte en diepte verkregen heeft, wordt de grond, welke door dezelve onder water gezet kan worden(26), vervolgens in kleine vierkante vakken afgedeeld, met een dammetje ter hoogte van 15 of 17 duimen omringd, en de daar binnen beslotene vlakte volkomen waterpas gemaakt. Het water uit de waterleiding wordt vervolgens door eene opening, in het dammetje gemaakt, ingelaten, en het overvloedige door eene andere opening aan de tegenovergestelde zijde, in een aangrenzend rijstveld ontlast.

[p. 115]

Na dat de grond op deze wijze wel doorweekt is, wordt die geploegd, en dat wel doorgaans zoo lang, tot dat de landbouwer tot over het halve lijf in den modder zakt, en van den buffel naawelijks meer dan het halve ligchaam te zein is. Men zal zich het moeijelijke van dezen arbeid, zoo wel voor mensch als dier, gemakkelijk kunnen voorstellen.

De grond behoorlijk bereid zijnde, wordt beplant, en ter bekoming der planten, heeft men reeds vroeger een bijzonder wel bewaterd en toebereid stukje gronds afgezonderd, en met rijst bezaaid. De uitspruitsels, de noodige hoogte, doorgaans van 5 of 6 duimen verkregen hebbende, het geen meestal in den tijd van 4, 5 of 6 weken plaats heeft, worden er uitgenomen, getopt, en vervolgens stuk voor stuk op den afstand van 4 of 6 duimen in het kunstmoeras geplant, daarna gewied en opgepast, gelijk straks van de Padie van het hooge land gezegd is, en bovendien gezorgd, dat de grond, waarin dezelve groeit, tot nagenoeg de volle rijpheid toe, met 2 of 3 duim waters bedekt blijve.

Tot dezen in der daad zeer zwaren arbeid mag men gerustelijk aannemen, dat de bewoners dezer gewesten alleen door eene volstrekte behoefte gedrongen zijn geworden. Thans, door langdurige gewoonte daaraan gewend, is dezelve onder allen arbeid die gene, welken zij met den minsten weêrzin verrigten.

[p. 116]

Een ijverig Javaan kan op deze wijze ruim 1 ½ morgen gronds bebouwen, en bij een goed gewas wordt zijn arbeid met ongeveer 4,000 ponden rijst beloond, gevende dit gewas een 30 tot 60 voudig produkt.

De belasting, op dezen tak van Landbouw geheven, bestaat doorgaans in een tiende gedeelte aan rijst of geldswaarde, van den oogst voor de inlandsche Regenten of hoofden, in een twintigste gedeelte tot onderhoud der priesters, tempels en waterleidingen, en in een vijfde of zesde gedeelte voor den Souverein, wien, gelijk de Lezer weet, alle gronden in eigendom toebehooren: zoo dat de gezamenlijke lasten, waaraan de Javaan onderworpen is, in die distrikten, waar geene gedwongene cultures zijn ingevoerd, van ¼ tot ⅓ gedeelte van den geheelen oogst bedragen.

Sedert echter de bevolking op Java aanzienlijk vermeerderd is, en hierdoor de rijstvelden veelal in al te kleine gedeelten hebben moeten worden geschift, zou op vele plaatsen, na aftrek eener heffing van ⅕ of ⅙ gedeelte voor den Landsheer, het overschot te weinig bedragen hebben, om een Javaansch huisgezin te doen bestaan: in zoodanig een geval werd de belasting geregeld naar de behoefte van ieder bijzonder huisgezin, dat is, men liet den Javaan het noodige. - En hieraan is het wel bijzonder toeteschrijven, dat het geheele contingent van Java's noord-oost-kust niet meer opleverde dan 7000 Koyangs rijst om niet, en om-

[p. 117]

trant 5000 Koyangs tegen betaling van 15 Rds. de Koyang. De waarde van dit contingent en der tegen halve betaling geleverde rijst werd op één millioen guldens geschat. - Uit hoofde der moeijelijkheid voor den Javaan, om, wegens het klein bestek van rijstveld, aan dezelven in vele distrikten te beurt gevallen, de gewone belasting te voldoen, was het dan ook voor dezen verkieslijker, die belasting in gematigde Heerendiensten, dan in rijst, optebrengen.

Deze Heerendiensten worden voornamelijk aangewend ter aankweking van voortbrengselen, voor de Europésche markt geschikt, inzonderheid van de koffij.

Bij het invoeren dezer culture in een zeker oord wordt, in overeenkomst met den Regent, de grond uitgekozen, waar de nieuwe plantaadjes zullen worden aangelegd, meestal bestaande in hoog gelegene, met zwaar hout begroeide Landen. Een zeker aantal huisgezinnen in zoodanig regentschap wordt tot het uitrooijen der bosschen en het zuiveren van den grond afgezonderd, en intusschen van allen overigen dwang-arbeid vrijgesteld. Het is een volstrekt vereischte, dat elk dezer gezinnen eene toereikende hoeveelheid rijstvelden in gebruik bezitte, of daarvan voorzien worde: zonder dat zijn zij geenszins tot dien arbeid verpligt.

Deze rijstvelden worden dan tevens ontheven van de lasten, welke anders daarvan aan het Gou-

[p. 118]

vernement moesten worden betaald, en hierdoor worden de gedwongen cultures als het ware een servituut, op deze soort van rijstvelden gelegd; hieraan is het dan ook toeteschrijven, dat die rijstvelden in de Preanger regentschappen(27) als het ware het eigendom der bezitters geworden zijn, en dat niet alléén dezelven erfelijk op hun nageslacht overgaan, maar die zelfs aan anderen, met de daarop liggende lasten, kunnen worden verkocht.

De dwang-arbeid der geforceerde cultures is dus niet zoo zeer een hoofdelijke last, als wel eene overeenkomst tusschen het Gouvernement en den inboorling, waarbij het eerste aan den laatsten onder zekere voorwaarden het gebruik der aan hetzelve toebehorende rijst-velden vergunt; zelfs is den Javaan nimmer het regt betwist, om het distrikt, waarin hij geboren is, te verlaten, en zich in een ander, waarin die cultures niet bestonden, of zelfs in der Vorsten Landen neêr te zetten, en daarvan heeft hij zoo dikwerf gebruik gemaakt, als de hem opgelegde voorwaarde hem te drukkend scheen; zoo dat het Gouvernement van zijne zijde aan bepalingen verbonden was, die het gevaarlijk geweest zoude zijn te overschrijden.

In de genoemde Preanger-regentschappen was het getal van Koffijboomen, dat ieder huisgezin te onderhouden had, op 1000 bepaald.

[p. 119]

De aanlegging der Koffijtuinen geschiedde bij gedeelten, meestal van honderd tot twee honderd boomen ieder jaar, en hiertoe werden op zoodanige tijden, die niet tot de rijst-teelt vereischt werden, meestal in de drooge mousson, de manschappen der afgezonderde huisgezinnen verzameld, de boomen omgehakt, de grond gezuiverd en vervolgens de koffijboom geplant, met den Dadapboom, welke laatste dienen moet, om de eerste te overschaduwen.

De boomen worden doorgaans op een afstand van 9 voeten geplant, zoo dat de planting van 1000 boomen nagenoeg een' morgen gronds vordert.

De arbeid geschiedt geheel onder het toezigt hunner eigen' Hoofden. Gestrenge of dwangmiddelen worden volstrekt niet gebezigd; deze zouden ook niets anders uitwerken, dan een spoedig verloop van volk. Alleen de taak in ieder saizoen is bepaald. De noodzakelijkheid van die te hebben afgedaan, eer de rijsteelt begint, is de eenige en ook toereikende aansproring tot den arbeid. Wanneer derhalve de invoering der nieuwe aanplanting aanvankelijk langzaam geschiedt, en er in de eerste jaren niet meer dan één of twee honderd boomen door ieder gezin behoeven geplant te worden, dan ligt in dezen dwang-dienst geen groot bezwaar voor den inlander opgesloten. Deze gematigde handelwijze is tot den jare 1808 altijd gevolgd. Wil men daarentegen de zaak overdrijven, en den Javaan eene te zware aanplanting opleggen,

[p. 120]

dan moet hij, of, onder den arbeid bezwijken, of, zijne rijstteelt verwaarloozen. Alleen derhalve in het misbruik, en geenszins in het gebruik van dit middel ligt, gelijk doorgaans bij ieder' ander' soort van belasting, het schadelijke daarvan.

Na verloop van vier jaren, en dus in het vijfde jaar, dragen de boomen. Ieder boom geeft nagenoeg een half tot één pond koffij, waarvan de pluk ten behoorlijken tijde en met voorzigtigheid geschieden moet, om dat het knopje onder de vrucht den bloesem bevat voor het volgende jaar, en dit wegens zijne teederheid ligtelijk wordt afgestoten.

Vele handen vordert deze arbeid, en daarom is het geheele huisgezin daaraan werkzaam, gelijk ook aan het schoonhouden dor Koffijtuinen. Na het plukken der vrucht, wordt de boon gedroogd, gestampt ter scheiding en ontbolstering, en vervolgens naar de pakhuizen afgeleverd, en aldaar de 500 ponden koffij met ruim 8½ Ryksd. betaald, gerekend de Pikol van 128 illustratie tegens Ryksd. 2-13-.

De Regent of het hoofd, in wiens distrikt de aanplanting geschiedde, ontvangt voor ieder Pikol bovendien een Ryksdaalder, zoo tot aanmoediging als ter schadeloosstelling voor den dwang-arbeid, waarvan hij anders gedeeltelijk de vruchten genoot. De overige uitgaven, die zoo aan de opzigters als voor het transport door het Gouvernement betaald worden, beloopen 36 stuivers, en alzoo kost het Pikol koffij, in de pakhuizen te Batavia afgeleverd, Ryksdaalders 4-1-.

[p. 121]

Is de koffij-kultuur éénmaal ergens ingevoerd, dan is een arbeid van zes weken of twee maanden in het jaar voor ieder huisgezin toereikende, zoo tot de inzameling, als ter instandhouding der tuinen, die eene jaarlijksche vernieuwing of inboeting van 100 boomen vorderen. Gevolgelijk is de last, hieruit voortvloeijende, geenszins bovenmatig, inzonderheid wanneer, gelijk de vastgestelde inrigting medebrengt, de Javaan van allen anderen arbeid en belasting is vrijgesteld.

Al de overige gedwongene cultures zijn nagenoeg op denzelfden voet en wijze ingerigt; en de algemeene tevredenheid der Javaansche onderdanen, onder het bestuur der gewezene O.I. Maatschappij, gelijk daarentegen de zoo menigvuldig plaats gehad hebbende onlusten, nadat men van de voormalige inrigtingen is afgeweken, bewijzen genoegzaam de gevoelens van den Inlander te dezen aanzien. -

De Suiker-kultuur berust, gelijk reeds gezegd is, in de ommestreken van Batavia altoos, geheel op een' vrijwilligen arbeid. Eene korte opgave, zoo der inrigtingen bij het aanleggen eener Suikerplantaadje, als van de voordeelen, welken dezelve aan den planter verschaft, zal hier niet overtollig kunnen geacht worden(28).

[p. 122]

Tot het aanleggen eener Suiker-plantaadje wordt ten minsten eene uitgestrektheid gevorderd van 400 of 500 morgen lands, in de nabijheid van toereikende bosschen, om het noodige brandhout, Gaba-boom, en bamboezen te verschaffen. In het midden van dezen grond wordt de molen geplaatst.

De grond behoorlijk gezuiverd, geploegd en bereid zijnde, wordt dezelve in bedden van ongeveer 6 voeten breedte afgedeeld, en daarin stukken suikerriet van 13 tot 18 duimen lengte gelegd, op den afstand van 2½ voet van elkander, en ter diepte van 4 duimen in den grond. Bij vogtig weder komen na zes of acht dagen de spruiten reeds te voorschijn, en na verloop van eene maand wordt de grond op nieuws gewied en van onkruid gezuiverd.

Het riet rijp geworden zijnde, dat na verloop van 12 of 14 maanden plaats heeft, wordt afgesneden, en het toezigt daarover vertrouwd aan een' Chineesch' opziener, Mandoor Gabé genoemd, die bijzonder daarop acht geeft, dat geen ander dan rijp riet gesneden worde. Het afgesnedene wordt vervolgens op buffel-karren naar den molen gevoerd, en daar tusschen twee cijlinders, ieder 25 duimen lang en dik, welke door buffels in beweging gebragt worden, uitgeperst. Het uitgeperste sap loopt door eene goot in bakken, waaruit het in ketels wordt geschept, om gekookt te worden. Het gekookte vogt, de noodige lijvigheid

[p. 123]

verkregen hebbende, wordt wijders overgestort in een' kegelvormigen pot, die van onderen eene kleine opening heeft, waarop een wollen lapje gelegd is, om het stroopachtige doortelaten.

De potten worden vervolgens in eene loots gebragt, en met zuivere klei overdekt, die 8 of 10 dagen daarna nog eens verwisseld wordt. Wanneer men oordeelt, dat de suiker de vereischte zuiverheid bekomen heeft, wordt die op bamboezen stellingen in de zon te droogen gezet, en vervolgens in manden gepakt, welke doorgaans 400 of 450 ponden weegen. De werkzaamheden, op deze wijze gedurende- zeven maanden daaraan te koste gelegd, leveren nagenoeg 235 of 250 ponden suiker voor ieder plantaadje.

Tot dit werk worden vereischt ongeveer 40 Chinezen, ten zij de molen met Javaansche huurlingen bearbeid worde, wanneer men die in toereikend getal bekomen kan. Ter verkrijging van dezen zendt men, inzonderheid in het Cheribonsche distrikt, Mandadoors (inlandsche Opperhoofden), om dezelven op onderscheidene voorwaarden aantewerven. Meestal verbinden zich daartoe jonge lieden, die eenig geld willen verdienen, om te huwen, of de zoodanigen, die van geene rijstvelden voorzien zijn; en deze keeren na afloop van den arbeid met eenig geld naar hunne dorpen terug. - Overigens is het elken Javaan geoorloofd, zich als Boyang te verhuren, waarvoor hij doorgaans 30

[p. 124]

Rds. in het jaar, boven den kost, geniet. - Wanneer men Javanen genoeg bekomen kan, is een getal van 8 of 10 Chinezen, met 70 of 80 Javanen, voor ieder plantaadje voldoende.

De bewerking en het jaarlijksch onderhoud eener plantaadje, en de aankoop van buffels en karren, beloopt nagenoeg 9,000 Rds. in het jaar.

De inkomsten daarentegen bedragen, de suiker berekend tegen 4 Rds. de Pikol(29), nagenoeg

  Rds. 7,600: -
Voor de sijroop Rds. 1,400: -
Nog aan winst op de benoodigdheden, aan het volk geleverd, ongeveer Rds. 1,000: -
  __________
Totaal, Rds. 10,000: -

zoo dat de geheele winst op eene suikermolen jaarlijks duizend Rds. bedraagt.

Het is de geringheid dezer winst, die aanmerkelijk heeft bijgedragen tot het verminderen van het aantal suikermolens; en waarschijnlijk zoude deze culture reeds geheel te niet gegaan zijn, indien niet het Gouvernement door aanmerkelijke voorschotten (die in suiker vergoed worden) aan de Chinesche planters eene sterke aanmoediging verschafte. - Ter vermindering van deze teelt heeft

[p. 125]

ongetwijfeld ook veel bijgedragen het gebrek aan hout in de ommestreken der molens; dan, er zijn niettemin op Java plaatsen genoeg, ja geheele provinciën, die, hoewel daarvan rijkelijk voorzien, thans onbebouwd liggen, en waarheen, indien de winsten den arbeid genoegzaam beloonden, de suiker-cultuur zoude kunnen worden overgebragt.

De hoeveelheid suiker, die in den laatsten tijd van het Nederlandsch bestuur op Java gewonnen werd, bedroeg nagenoeg, 12,000,000 ponden, waarvan ongeveer 8 millioenen naar Europa werden vervoerd. - Zoodra echter deze teelt in de West-Indiën mogt afnemen, is dezelve in deze gewesten, gelijk wij op zijne plaats nader zullen aanwijzen, voor eene groote uitbreiding vatbaar.

Eene onafgebroken' inwendige rust is intusschen zoo wel voor den bloei dezer als van andere cultures een volstrekt vereischte, en daarom dan ook was de Staatkunde van het voormalig bestuur zoo veel mogelijk bezorgd, dat het gedrag der Javaansche Vorsten en grooten deze niet verstoorde, door, zoo veel immer doenlijk, te verhinderen, dat zij hunne magt in betrekking tot hunne regenten, noch de laatsten met opzigt tot derzelver onderhoorigen, misbruikten. Een opstand van eenig gedeelte der bevolking toch, altijd met rooven en branden vergezeld, sleepte doorgaans in weinige dagen gevolgen na zich, die niet dan door een verloop van jaren konden worden hersteld, en die weinig strookten met de welda-

[p. 126]

dige bedoeling onzer inrigtingen. - Het bestaan der Vorsten zelve was voor dit ons doel noodzakelijk, daar hetzelve een zeker tegenwigt opleverde, hetwelk onze eigene Indische Regenten naauwer aan het Gouvernement verbond, die zonder dat in hunnen stand eenen prikkel zouden hebben kunnen vinden, om zich geheel aan ons oppergezag te onttrekken, en op deze wijze tot vele verderfelijke oorlogen aanleiding geven.

De oude inrigtingen hebben altoos ten doel gehad den vrede te bewaren, ieder bij zijn wettig eigendom te verzekeren, en zich te vergenoegen met die matige schatting, welke de Javaan anders gewoon is, door zijnen arbeid aan zijn' eigen' Landsheer optebrengen. - Voorzeker is er door bijzondere inzigten en persoonlijk belang meermalen tegen deze beginselen aan gehandeld; doch dan ook zijn de gevolgen telkens zoo nadeelig geweest, dat men weldra verpligt werd, tot de oude grondregelen terugtekeeren, en hierdoor was het aan ons Gouvernement op Java gelukt, aldaar den vrede van het jaar 1755 af tot 1808 schier onafgebroken te doen voortduren(30), en den inwendi-

[p. 127]

gen staat des eilands te doen klimmen tot een' voorheen onbekenden trap van bloei en rustige welvaart.

Naauwelijks echter heeft men zich van deze wijze en gematigde beginselen verwijderd, of de oorlog is op nieuws uitgebroken, met dat ongelukkig gevolg, dat, na het storten van veel menschenbloeds, een geheel Rijk genoegzaam in eene woestenij herschapen is. - Nog duurde deze verwarring voort, toen de overwinning der Engelschen hen in den jare 1811 in het bezit des eilands stelde. - Dezen, gewoon aan eene andere wijze van bestuur, welke wij erkennen van volkomen' toepassing te zijn op een meer beschaafd volk, en den ontredderden toestand van zaken als een gevolg der voormalige inrigtingen aanziende, met welker doel en strekking zij onbekend waren, meenden daarin niets anders te bespeuren dan het uitwerksel van een zwak bestuur, en de gevolgen eener bekrompen' Staatkunde.

[p. 128]

Zij vergaten echter, dat een onafhankelijk en verlicht volk geene twee eeuwen achter één zijne ware belangen miskent, en vooral, dat onze O.I. Maatschappij niet konde zijn opgeklommen tot dien hoogen trap van grootheid, welvaart en bloei, welken zij ten tijde onzer Voorvaderen bereikte, zonder dat hare instellingen in aard en strekking aan zulke uitwerkselen eenigermate geëvenredigd waren; en dat dus, schoon verandering van tijden en omstandigheden welligt eene wijziging in de aangenomen' beginselen kon hebben noodzakelijk gemaakt, die beginselen zelve nogtans in den aard der omstandigheden moeten zijn gegrond geweest, en ten volle gestrookt hebben met de doeleinden eener handeldrijvende natie, en wel, om dat dezelve groote resultaten hebben voortgebragt, en dus onmogelijk, gelijk men goedvindt het te noemen, de vruchten eener bekrompene Staatkunde kunnen geweest zijn.

De grondige overtuiging hiervan zou de Engelschen op den werkelijken staat van zaken meer oplettend, en in de keuze der verbeterings-middelen omzigtiger gemaakt hebben; dan, de verwarring, waarin zij dezelve vonden(31), en eene blinde liefde

[p. 129]

voor eigen' inrigtingen, deden hen onberaden een stelsel invoeren, hetwelk misschien in eenige bijzondere omstandigheden van nut kon zijn, doch dat voorzeker als algemeen en duurzaam huishoudings-stelsel niet overal op Java, noch voor de groote belangen van den Européschen handel, en veel minder nog in al de overige O.I. bezittingen, tot het bedoelde oogmerk voldoende is.

Het zal hier niet ongepast geoordeeld worden den aard dier inrigtingen nader te doen kennen, de financiele resultaten, daardoor erlangd, met de voormaligen te vergelijken, en verders nategaan, welke der beide inrigtingen het meest beantwoordde aan de belangen der bezitters, en met de geaardheid des volks en de omstandigheden het best strookte.

Als grondslag van het Engelsch stelsel was aangenomen:

1o.De afschaffing der gedwongene cultures, en van alle Heeren-diensten.
2o.Vernietiging van het gezag der regenten over den Inlander, met betrekking tot het invorderen van belastingen, en het bestuur van den Landbouw. De Javaan werd in onmiddellijke betrekking met het Europeesch bestuur zelve gesteld, van wege het welk dan ook de inzameling der produkten of inkomsten geschiedde.
[p. 130]
3.oDe invoering eener Landrente of eigenlijke grondbelasting, geëvenredigd aan de waarde der voortbrengselen; wordende deze belasting naar den opbrengst der rijstvelden bepaald: en wel, de beste velden op de helft van het gewas, de tweede soort op ⅖, en de derde soort op ⅓ daarvan. - De hoogere Landen betaalden:
1e.soort ⅖ van het produkt.
2e.soort ⅓ van het produkt.
3e.soort ¼ van het produkt.

En werden zij, die geene rijstlanden bebouwden, tot het betalen van een hoofdgeld verpligt.

De voormalige Javaansche regenten werden tot ambtenaren van het Britsche Gouvernement verklaard, een middel van bestaan hun aangewezen, en zij tot dezen of genen gepasten dienst gebruikt.

Buiten de ommelanden van Batavia en de Preanger regentschappen, waar de voormalige inrigtingen zijn in stand gebleven, is overal elders in de bezittingen van het Gouvernement deze nieuwe inrigting en belasting ingevoerd.

In het afgetrokkene, en eens als waarheid aangenomen, dat deze grondbelasting in der daad aan het vermogen van den Javaan geëvenredigd, en dus natuurlijker wijze de uitbreiding der cultures daarvan zoo wel het gevolg als het oogmerk ware geweest, en vooral, - dat het oude gezag der Javaansche regenten alleen gestrekt hebbe, om

[p. 131]

de lasten van den Inlander te verzwaren, zonder hem tot eenig nut te verstrekken, - zoo zoude men aan deze nieuwe inrigting de voorkens boven de voormalige niet kunnen weigeren.

Dan, wien is het onbekend, dat men sedert de laatste vijf-en-twintig jaren de kunst tot den hoogstmogelijken trap van volkomenheid gebragt heeft, om aan alle nieuwe inrigtingen de schoonste gedaante te geven, en schijnbaar te bewijzen, dat die meer dan eenige der ouden op billijkheid rusten, en in het belang der maatschappijen gegrond zijn?

Hoe menigmalen echter is eene hoog gespannen' verwachting hier bedrogen geworden! Hoe dikwerf heeft men niet moeten terug keeren tot het gene men te voren als onvoeglijk en ondoelmatig, zelfs als onbillijk, had uitgekreten! Het gebruikte voorwendsel derhalve, om de noodzakelijkheid eener verandering in de toen bestaande inrigtingen aantetoonen, is even weinig, als de schijnbare deugdzaamheid der gronden, waarop die verandering gevestigd is, een toereikende waarborg, dat daarmede het bedoelde oogmerk bereikt zal worden, en beide mogen vooral dan niet als zoodanig gelden, wanneer de ondervinding reeds dadelijk en beslissend over de waarde eener zoogenoemde verbetering eene tegengestelde uitspraak doet.

Moeijelijk was het gewis niet, eene nieuwe inrigting in plaats der voormalige te ontwerpen, die, zoo door haar onderling verband en strekking, als

[p. 132]

door de mildere gronden waarop zij gebouwd was, zich met meer welgevallen aan het verstand, - dat altoos met genoegen op het geregelde en doelmatige staart; - opdeed; dan, had men zich ook misschien in de omstandigheden bedrogen? had men in het korte tijdsbestek, dat de verovering der Kolonie aan de invoering van dit stelsel voorafging, behoorlijk onderzocht, ja kunnen onderzoeken, of niet een elders vrij algemeene regel hier welligt eenige uitzondering leed?

Voorzeker hadden de oude inrigtingen in vele opzigten het voorkomen van een trapsgewijze vergroot gebouw. Aanvankelijk was het een klein huisje, door den bewoner met het toenemen van zijne welvaart, en in evenredigheid met zijne aangroeijende behoeften, allengskens vergroot. Naderhand was gewis, door het weder afnemen van deze welvaart, menig aangebouwd stuk overtollig geworden, en strekte dit thans tot eene nuttelooze vergrooting der beslommering van het huishouden; des niettemin bleef het geheel den bezitter tot een dragelijk verblijf strekken.

Het nieuwe stelsel daarentegen deed zich voor het oog op, als een gebouw, volgens de regelen eener goede bouwkunde ontworpen, en terwijl deszelfs uiterlijk voorkomen het oog streelde, scheen men zich van eene inwendige, doelmatige inrigting genot en genoegen te mogen beloven; dan, de regelen der bouwkunde, welke aan het ontwerp

[p. 133]

ten grondslag gestrekt hadden, berekend naar den aard der omstandigheden van andere Landen en Volken, misten hier, uit hoofde van een plaatselijk en wezenlijk verschil daaromtrent, geheel derzelver toepassing. Uiterlijk mogt het gebouw aan deszelfs oogmerk voldoen, inwendig derfde het echter daartoe de noodige vereischten. Met overhaasting opgehaald, bezat het die vastheid niet, welke de wankelbare bouwgrond vorderde. Al ras derhalve moest men het met geweld stutten, om eene instorting voortekomen, en de bewoner was verpligt tot onderscheidene kunstmiddelen toevlugt te nemen, om een kwijnend verblijf in hetzelve te doen voortduren.

‘Men had zich, om rond te spreken, bedrogen; men had de omstandigheden kwalijk beoordeeld,’ - zou weldra de kreet geweest zijn van eenen volgenden Gouverneur-Generaal, indien deze bezittingen in handen van de Engelschen gebleven waren. Men zou een gedeelte van het gebouw weder hebben omver gehaald, en even gelijk de voormalige bezitters, zoo lang gebouwd en herbouwd, tot men het voor eene geschikte woning had kunnen erkennen.

Laat ons de juistheid dezer vergelijking uit de toedragt der zaken zelve kortelijk doen blijken.

Ten grondslage van het nieuwe stelsel was aangenomen, dat ieder mensch zijne genietingen tracht uittebreiden, en dat deze wensch bij ver het groot-

[p. 134]

ste gedeelte van het menschdom de bezwaren van den arbeid overwint, zoo dat het genoegzaam zoude zijn, hun een gegrond uitzigt op bezitsvermeerdering te verschaffen, om hunnen ijver te ontvonken, en hun' arbeid te vermeerderen.

Men had geloofd, of ten minsten voorgewend te gelooven(32), dat de Javaan geene uitzondering op dezen regel maakte.

Ondertusschen zijn bij dezen al de wenschen alleen tot het noodzakelijke bepaald, en daarom kan het voorgestelde doel langs den ingeslagen weg bij hem niet bereikt worden. Zelfs kan men gerustelijk aannemen, dat, ware de belasting, den Javaan opgelegd, minder drukkende geweest, of had men een geringer gedeelte der vruchten van zijnen arbeid van hem gevorderd, hij dan ook in diezelfde evenredigheid minder gronds dan nu bebouwd zoude hebben. Alleen aangeprikkeld door den drang om zich het noodige te verschaffen, en daarnaar zijnen arbeid regelende, heeft het eerste gebruik, dat hij van de hem verleende vrijheid maakte, bestaan in het verwaarloozen van die cultures, welke tot zijn onderhoud niet onmiddellijk vereischt worden, bepalende hij zich nu alleen tot het aankweken van rijst en eenige andere aardvruchten. De overvloed daarvan, alleen voor de Indische

[p. 135]

markt geschikt, - waar men wel goederen, maar geen geld voor de rijst inruilen kan, - heeft noodwendig ten gevolge gehad zoodanig eene schaarsheid van dat metaal, -het welk voor de betaling der Europésche behoeften van het Gouvernement zoo onmisbaar is, - dat hetzelve toevlugt heeft moeten nemen tot het verkoopen, niet alleen der Domeinen, maar zelfs van de woningen der officieren en kazernen der soldaten, gelijk ook tot het aanmaken van papieren Spaansche matten(33), en tinnen duiten; en na het uitputten van al deze hulpbronnen, tot het overmaken naar Indië van eenige millioenen baar geld, om de zaken gaande te houden. En dit heeft plaats gehad onder het genot van een' vrijen en onbelemmerden Handel, beveiligd tegen alle oorlogschaden, benevens den vrijen toegang tot alle markten in geheel Indië!

Wat nu den inlander zelven betreft, diens lot is even min door de nieuwe inrigting verbeterd, om dat, wanneer hij, bij zijne tegenwoordige mate van beschaving, naar verkiezing arbeidt, deze zijn arbeid niet meer oplevert dan zijn noodig onderhoud, en het stelsel, om hem van de vruchten zijns arbeids het noodige te laten, een zekerder waarborg is voor zijn bestaan, dan het vertrouwen op zijn' eigen' ijver hem immer verschaffen kan.

[p. 136]

Immers, daar hij nu aan het gevaar is blootgesteld, van bij mislukte oogsten, (waaraan de rijst-cultuur zeer onderworpen is; gelijk dan ook de velden, schoon nabij elkander gelegen, dikwijls zeer ongelijk dragen), toch zijne belasting te moeten betalen, en alzoo mangel aan het noodige te hebben, heeft hij bij deze ruiling vooral niet gewonnen. - Voegt men hierbij zijnen afkeer van alle nieuwigheden, en zijne verkleefdheid aan zijne Regenten: dan zal men zich geenszins verwonderen over de menigte van onlusten, die reeds inwendig hebben plaats gehad; reeds tweemalen trouwens was het ontwerp gesmeed, om al de Europézen in het eiland te vermoorden; en hoewel de eerste maal door de dapperheid en het krijgsbeleid van den generaal gillespie zulks verijdeld, en het ook eene tweede reis nog voorgekomen is, is echter de poging daartoe in stroomen bloeds gesmoord, terwijl, gedurende al den tijd, dat de Nederlanders het oppergezag in het eiland hebben uitgeoefend, van zoodanig een ontwerp nimmer is gedroomd, veel min, dat hetzelve in ernstige overweging genomen, of tot eene dadelijk beproefde onderneming gebragt zoude zijn.

Men voege nu, als het ware ten tegenhanger, hierbij, dat, sedert het jaar 1795, het gewezen Nederlandsch Bestuur geen' den minsten onderstand in geld van het Moederland genoten heeft; dat hetzelve gedurende een' langen oorlog verpligt

[p. 137]

is geweest, tot het onderhouden van eene krijgsmagt en het maken van oorlogskosten, zeker het dubbel bedragende, van hetgeen anders in tijd van vrede gevorderd wordt; terwijl daarentegen vele schepen, zelfs vloten met specerijën, door de Engelschen genomen, en al de schepen op de reede van Batavia, gedurende den loop van dien oorlog, tweemalen verbrand zijn geworden; blokkaden en een' geheel belemmerde vaart den handel stremden; en nog tot ondersteuning van het Moederland over verscheidene ladingen met produkten van tijd tot tijd beschikt is(34). In weêrwil van dit alles nu, herzeg ik, heeft het Indisch Gouvernement, zonder onderstand, zonder schulden te maken, of de eigendommen van den Staat te verminderen of te vervreemden, van 1795 af tot 1808, en dus gedurende dertien jaren bestaan, en eene inwendige rust en onafgebroken' welvaart weten gaande te houden; het heeft zelfs in dien tijd middel gevonden, om het kostbaar welgelegen kamp van Weltevreden te bouwen, waar aan ieder officier tot tweeden luitenant toe eene afzonderlijke, ruime en wel ingerigte woning verschaft werd, en de vereischte kazernen voor 5 of 6000 man troepen gevonden wor-

[p. 138]

den; gelijk ook, om op het eiland Onrust, waarop de Engelschen in den jare 1800 de kostbare werven en pakhuizen verbrand hadden, die zware schade te herstellen, en aan beide die gestichten zeer groote sommen te koste te leggen.

Indien dit alle daadzaken zijn, welke niet kunnen worden tegengesproken, dat men dan vrijelijk de wederzijdsche resultaten onderling vergelijke, van dezen tot de oorzaken opklimme, en alzoo beslisse, aan welke zijde inderdaad bekrompene Staatkunde of kwalijk berekende Statistiek hebbe plaats gehad. Wij schroomen niet, ons Vaderlandsch Bestuur deze toets tegen het Britsche op de strengste wijze te zien doorstaan.

Wilde men ondertusschen uit mijn gezegde besluiten, dat ik, blind voor de gebreken van het oude stelsel, alles wat daarmede niet strookt, verwerpen zoude: dan zou men mij grootelijks onregt doen. - Ik ben toch ten volle overtuigd, dat de veranderde tijdsomstandigheden eene wijziging der oude inrigting vorderen; zelfs zal ik in het vervolg de mogelijkheid daarvan doen inzien. Dan, iets anders is het, een oud stelsel onbepaald, redeloos aantebleven, of bij de vergelijking van hetzelve met een nieuw aantetoonen, dat hetzelve, hoezeer niet volmaakt, boven dit laatste nog verre de voorkens verdient. - Daadzaken, algemeene resultaten, door de ééne en andere orde van zaken voortgebragt, moeten hier het oordeel bepalen; geene afgetrokkene bespiegelingen.

[p. 139]

Het beteekent weinig, in de onderdeelen van het zamenstel der aloude inrigtingen eenige gebreken aan te wijzen, of botsingen te vermoeden, meestal door den aard en gang des werktuigs van zelve gewijzigd, of door den tijd weggesleten. Te verlangen, dat de administrative inrigtingen van eenen Staat alle niet alleen op volmaakte beginselen rusten, maar ook in derzelver toepassing en uitvoering volmaakt werken, en dus met al de regelmatigheid, waarmede een tijdmeter ons den tijd aanwijst, de bewegingen der Staats - machine besturen, - is eene speculative dwaasheid, een postulaat, het welk niemand, zelfs niet in het bestuur van den engen kring zijns huisgezins, verwezenlijken kan.

Wanneer onder eenig bestuur de onderzaten in eene ruime mate het noodige genieten, zonder tot diensten boven hunne kracht of beneden hunne waardigheid verpligt te worden; wanneer het volk, zoo wel in de mindere als eerste standen, met zijn lot te vrede is; wanneer eindelijk het Bestuur zich de noodige inkomsten op eene billijke en geenszins drukkende wijze te verschaffen weet, niet alleen, om de uitgaven te bestrijden, maar zelfs om nuttige stichtingen daartestellen, en de inwendige welvaart door het aanmoedigen van den Landbouw te bevorderen; - en wanneer men dan zoodanig een Bestuur vergelijkt met een ander, onder het welk het misnoegen van datzelfde volk niet dan door het geweld der bajonetten kon beteugeld worden; on-

[p. 140]

der het welk de algemeene welvaart geheel heeft opgehouden te bestaan; en dat, om zich staande te houden, om slechts in de alleronontbeerlijkste uitgaven te kunnen voorzien, met verwaarloozing zeker van alle nuttige stichtingen, toevlugt heeft moeten nemen tot schadelijke en slechts voor eenen korten tijd aanwendbare maatregelen, en dit wel onder omstandigheden, die geheel en al te zijnen voordeele, en in nadeel van het ander Bestuur waren: - ik bid u, wiens hoofd of hart zou dan niet onder de regtmatigste verdenking vallen, die aan het laatste Bestuur boven het eerste de voorkeus geven wilde?

Bij de vergelijking van Java's financielen toestand onder de beide Gouvernementen, waartoe ik thans genaderd ben(35), zal het gebrekkige van het Engelsch stelsel aldaar, vlei ik mij, nog duidelijker in het oog vallen.

 

__________

 

Te dien einde zal het noodig zijn, dien Financiëlen staat onder de beide Gouvernementen onderling te vergelijken, en uit de slotsommen derbeide stelsels van belasting met juistheid de gesteldheid van zaken in dit belangrijk eiland optemaken, en de voordeelen en nadeelen in het licht te stellen, welken eene inrigting, schijnbaar dienende om de bevor-

[p. 141]

dering der vrije industrie van den inboorling aantemoedigen, heeft te wege gebragt. Eene kennis van des te meer belang, om dat daarop grootendeels zal moeten worden gegrond het oordeel omtrent de maatregelen, geschikt om Neêrlands belangen in de O.I. Etablissementen voor het vervolg op de beste wijze te bevorderen.

Zulk eene vergelijkende schets intusschen is geene gemakkelijke taak, daar de staat der Financiën van deze Gewesten, om zuiver en waar te zijn, niet slechts naar het bedrag der inkomsten op zichzelven, maar voornamelijk ook in derzelver verband met de uitgaven, behoort te worden beoordeeld. En zelfs dit is niet geheel voldoende, daar eene kwalijk geplaatste spaarzaamheid, welke de nuttigste instellingen in eenen Staat vervallen doet, en waardoor deze in het algemeen de gedaante van een' uitteerenden lijder verkrijgt, dikwijls eene schijnbaar voordeeliger slotsom der kasrekening zoude kunnen opleveren, dan een kostbaarder stelsel, doch waarbij het waar belang der maatschappij, en dus ook het instandhouden en uitbreiden van nuttige inrigtingen, beter was in het oog gehouden.

Het is dus niet in de rekening, noch in het saldo, hetwelk deze oplevert, alleen, dat de ware staat der maatschappelijke Financiën gezocht moet worden; maar tevens moet daarbij ook in aanmerking worden genomen de innerlijke toestand der

[p. 142]

maatschappij zelve, zoo wel als de verhouding van het Gouvernement tot dezelve, dat is, men behoort gelijkelijk acht te geven op die uiterlijke kenmerken, waardoor een Gouvernement, van ruime, toereikende inkomsten voorzien, en deze zoo veel mogelijk ter bevordering van het algemeen welzijn aanwendende, zich onderscheidt van een zoodanig, hetwelk daarvan slechts de vertooning maakt, of dat in een grooter batig saldo alleen, de verdiensten stelt van eene goede administratie.

Het voormalig Nederlandsch Gouvernement, gelijk wij boven reeds aanmerkten, van 1795 tot 1808 geene ondersteuning in geld uit Europa ontvangen, en niettemin gedurende al dien tijd de betalingen gaande gehouden hebbende, zonder het maken van schuld of het veraliëneren van eenig Domein, - heeft juist daardoor bewezen, dat deszelfs inkomsten, zelfs in dat moeijelijk tijdvak, toereikten om de vereischte uitgaven goed te maken. - En daar destijds de oude inrigtingen, met opzigt tot het inwendig bestuur, nog altoos volkomen bestonden, zal het dan ook verkieslijk zijn, één der jaren uit het gemelde tijdvak, en wel een zoodanig, waarvan de inkomsten en uitgaven uit oorspronkelijke stukken kunnen worden opgemaakt, tot grondslag (basis) onzer vergelijking aantenemen, en daarna verders in de comparative beschouwing van de handelingen der beide Gouvernementen het bewijs te zoeken voor de meerdere

[p. 143]

deugdzaamheid der ééne boven de andere huishoudelijke besturing.

Voorzeker zou een later tijdperk, waarin vele veranderingen waren tot stand gebragt, aan het Nederlandsch stelsel schijnbaar meer voordeelig zijn geweest, wat de inkomsten betreft, omdat deze destijds aanzienlijk waren vermeerderd; dan ook de uitgaven waren vermeerderd, en wel in eene mate, die den aanwas der inkomsten te boven ging(36); zoodat in deze latere administratie de zaden van zelfvernietiging in de toekomst als het ware lagen opgesloten, uit welken hoofde dezelve hier dan ook niet in aanmerking komen kan.

Het jaar, dat aan deze noodlottige hervorming voorafgegaan is, schijnt mij toe tot ons oogmerk het meest geschikt te zijn, om dat juist de twist, over de betrekkelijke waardij der nieuwe inrigtingen gevoerd, het meeste licht over de inkomsten van dat jaar heeft doen verspreiden.

[p. 144]

In dat jaar dan (1807) heeft de levering aan onderscheidene produkten op Java bedragen(37):

A. 111,000 Pikols koffij.
B. 75,000 Pikols suiker.
C. 9,029 Pikols peper.
D. 205 Pikols indigo.
E. 733 Pikols katoenen garens.
F. 7,500 Pikols koijangs rijst om niet.
G. 4,500 Pikols koijangs dito, tegen eene geringe betaling.

De territoriale inkomsten hadden in dat jaar mede opgebragt Rijksdaalders 1,494,634:11:3(38).

Op de Tabelle no. I, aan het einde van dit Hoofdstuk geplaatst, zal men de berekening vinden der inkomsten, die het Gouvernement door den verkoop dezer produkten genoten heeft(39), en

[p. 145]

welke te zamen, gevoegd bij den opbrengst der térritoriale inkomsten, eene som van Rijksdaalders 3,986,252-31-3 bedragen hebben.

Hiermede zal nu moeten vergeleken worden de staat van een jaar inkomsten onder het Engelsch Bestuur. Ook hier moet ik den Lezer herinneren, wat reeds vroeger gezegd is, dat de oude instellingen met eenige weinige verandering in het Koningrijk van Jakatra zijn in stand gehouden, en dus het nieuwe stelsel alleen in betrekking tot Java's noord-oostkust, de Rijken van Cheribon en van Bantam, heeft kunnen werken. Hierdoor wordt dan ook de vergelijking in dezen meer bijzonder tot dat gedeelte van Java bepaald, en zij vereischt uit dien hoofde eene meer uitvoerige ontwikkeling.

De officiele Staat der inkomsten over het jaar 18 14/15, door het Britsche Gouvernement algemeen gemaakt in de Bataviasche Courant, is te vinden in de Tabelle no. II, achter dit Hoofdstuk gevoegd; en daaruit blijkt, dat die inkomsten, zoo van de Landrente als van de Tollen, in de onderscheidene distrikten van Java's noord-oostkust hebben opgebragt de som van Ropeijen(40) 6,241,329:19¾ st., waarvan echter volgens dien Staat slechts ruim twee millioenen in zilver, ruim twee millioenen in duiten, en de overigen of in produkten of in onbe-

[p. 146]

kende munt betaald zijn. Tevens blijkt uit denzelven, dat, na afrekening der uitgaven, een batig saldo van niet meer dan Ropeijen 2,389,117:21¼ is overgeschoten. Daar echter de Ambtenaren op deze kust, even weinig als de overige onkosten van het bestuur, in produkten kunnen, betaald worden, maar hiertoe noodwendig geld gevorderd wordt, zal men tevens de noodzakelijkheid inzien, dat de Ropeijen 809,989, hier opgegeven als in produkten ontvangen, alvorens in de kas van het Gouvernement te kunnen overgaan, tot geld hebben moeten worden gemaakt. En men zal tevens gevoelen, dat, de rijst en andere aardvruchten, waarin deze produkten bestaan hebben, zeer overvloedig op Java voorhanden zijnde, op den verkoop daarvan vaak zeer veel schade kan worden geleden: gelijk het dan ook bekend is, dat dezelven door het Engelsch Gouvernement tot spotprijzen verkocht zijn geworden. - En daar er ook onder de Ropeijen 1,211,457:24½ in onopgegevene specie vele produkten zullen geweest zijn, is het te vooronderstellen, dat het batig overschot, zoo als het op dezen Staat voorkomt, eene vrij aanmerkelijke vermindering heeft moeten ondergaan, eer hetzelve als geld kon worden aangemerkt.

Bovendien neme men nog in aanmerking, dat de opgegeven inkomsten voor een gedeelte verkregen zijn uit de nieuw aangewonnen' Landen door den oorlog, in den jare 1812 tegen den Sultan

[p. 147]

gevoerd, als mede voor een ander gedeelte uit de schattingen, tot welker opbrengst de Vorsten van Java onder het Engelsch bestuur verpligt zijn geworden, en die dus voorheen niet genoten werden, daar het Nederlandsch bestuur voorzeker geene bevoegdheid had, om zich eenigen der beste provinciën van bondgenootschappelijke Vorsten toeteeigenen, of dezen schattingen opteleggen, te minder, daar zij te onzen aanzien alle bedongen' verbindtenissen tot dien tijd toe met stiptheid vervuld hadden.

Zal er dus eene vergelijking van inkomsten onder de beide verschillende stelsels mogelijk zijn, dan behooren van de algemeene lijst der inkomsten, in Tabelle no. II voorkomende, te worden afgezonderd de zoodanige, die door het Nederlandsch Bestuur niet genoten zijn noch hebben kunnen worden, als zijnde door naderhand veroverde Provinciën en gedwongen' Vorsten opgebragt.

Tot dezen nu behooren, in de eerste plaats, de Provinciën Cadoe en Djepan, op de Tabel uitgedrukt. De overige schijnen bij andere Distrikten, voormaals aan het Gouvernement behoord hebbende, te zijn ingesmolten; ten minste worden derzelver inkomsten niet afzonderlijk opgegeven.

In de tweede plaats moeten de inkomsten der Distrikten van Probolingo en Bezoeki worden afgetrokken. Deze waren voormaals niet veel meer

[p. 148]

dan wildernissen, en zijn in het jaar 1810 in vollen eigendom verkocht aan de Chinézen hang, tjangpit en hang kuko, door wier ijver en aangewendde kosten die landen in een' bloeijenden toestand zijn gebragt. Bij het overlijden van den eerstgenoemden Chinees heeft het Engelsch Bestuur zich in het bezit derzelven gesteld, met behoorlijke schadeloosstelling, zoo ik hoop en vertrouwe, der erfgenamen. - De som dus der inkomsten, daarvoor op de Tabelle gebragt, moet almede gekort worden.

Gelijk ook, in de derde plaats, de gelden, uit de Landen van den Sultan en den Keizer getrokken: want, het Neêrlandsch Bestuur was niet minder dan het Engelsche verpligt, zijne garnizoenen, Ministers en bedienden bij deze Hoven te onderhouden, zonder nogtans het regt te hebben om van dezelven die belastingen te vorderen, welke hun naderhand, ten gevolge van den oorlog in 1812, zijn opgelegd.

Deze gezamenlijke posten bedragen, na aftrek van alle administratie-kosten, Ropeijen 1,907,828:8¼.

Trekt men nu deze som af van het zoogenoemd zuiver overschot op den meergemelden Staat, Tabel II voorkomende, dan blijkt het, dat het batig slot der rekening van Java's noord-oostkust, zoodanig als die voormaals door ons Gouvernement bezeten is, onder het Engelsch Bestuur in dit jaar op minder dan een half millioen Ropeijen moet

[p. 149]

gesteld worden; zelfs zonder daarbij in aanmerking te nemen de vermindering, welke dat saldo zou ondergaan hebben, indien de produkten, die een gedeelte van den ontvang uitmaakten, tegen den prijs, voor welken die verkocht zijn, en niet tegen de geschatte waarde, in rekening gebragt waren.

Was het mogelijk geweest, van het saldo tevens aftetrekken de inkomsten der overige Gewesten van Blora, Wierosarï, der Regentschappen van Rauworno, Doeri, Sekarang en Radjikwissi(41), allen in den oorlog van 1812 veroverd, en bij de oude Distrikten ingesmolten, - dan zou men voorzeker een slot vinden, hetwelk bewees, dat bij deze nieuwe inrigting de opkomsten uit de Provinciën, voorhenen Java's noord-oostkust uitgemaakt hebbende, niet toereikten ter goedmaking der kosten van bestuur en administratie; - terwijl de inkomsten van die zelfde Provinciën onder het voormalig Neêrlandsch Bestuur, na aftrek van alle administratie-kosten, in gewone tijden veilig op een millioen guldens kunnen bepaald worden(42).

[p. 150]

Voegen wij hierbij, dat dexe inkomsten voorhenen verkregen werden, met behoud der voorouderlijke, door den Javaan zoo zeer geëerbiedigde instellingen, onder het genot eener bestendige rust en tevredenheid; terwijl onder het later Bestuur de steeds toenemende gisting en onwil het beste kenmerk is geweest van deszelfs gevoelens, ten aanzien der gemaakte veranderingen: - dan voorwaar zal het niet moeijelijk vallen het besluit optemaken, welke der twee wijzen van belasting en administratie de voorkeus verdiene.

Voorts moet ik den Lezer doen opmerken, dat, in weerwil van het voorgeven, als of de nieuwe inrigtingen alleen zouden hebben ten doel gehad, om den ijver des Javaans optewekken, en zijn lot te verbeteren, door hem de vruchten van zijnen arbeid te verzekeren, en hem tegen de afpersingen zijner inlandsche Hoofden in veiligheid te stellen, er meer dan ééne reden over blijft om te gelooven, dat onder dit voorwendsel nog meer andere bedoelingen verborgen zijn geweest.

Het is waar, bij het aanvaarden van het oppergezag vonden de Engelschen den Javaan ten hoogste ontevreden over de gebeurtenissen en schikkingen der drie laatste jaren, die voor Vorsten en Volken allerdrukkendst geweest waren, doch deze ontevredenheid zagen zij te onregt aan als een gevolg der voormalige inrigtingen, daar zij niets anders was dan de uitwerking van een misbruikt gezag, ge-

[p. 151]

durende een kortstondig en geweldig tusschenbestuur. Door dezen schijn misleid, waanden zij den Javaan eene weldaad te bewijzen, met de oude inrigtingen, waaraan hij gewoon was, afteschaffen. Dan, zij werden te meer hiertoe aangespoord, dewijl de inkomsten van Java grootendeels voortsproten uit de winsten, die de koffij verschafte: een produkt, destijds voor hen van geene waarde, daar er, door het continentale stelsel, toen nog in volle werking, op geen debiet te rekenen was, maar dit artikel van commercie zelfs een aanzienlijk jaarlijksch uitschot vorderde, - uitschot, dat door de uitbreiding, in de laatste jaren aan deze cultuur gegeven, nog aanzienlijk stond vergroot te worden, en gevolgelijk, wel verre dat die teelt een middel zou hebben kunnen worden, ter goedmaking van de kosten des bestuurs, integendeel deze kosten aanzienlijk moest doen aangroeijen. Derhalve gedrongen, om naar andere hulpbronnen omtezien, hebben zij welligt de voorkeus gegeven aan het invoeren eener Landrente, om dat dit stelsel in hunne overige bezittingen om de West van Indië bestond, en hun derhalve beter dan eenig ander bekend was.

Dan, daar de Javaan niet gewoon was van zijnen arbeid meerdere vruchten te plukken, dan zijn dagelijksch onderhoud vorderde, zoo moest natuurlijk het surplus van zijnen arbeid, dat anders voor een groot gedeelte door zijne nationale Hoofden

[p. 152]

genoten werd, in de kas van het Gouvernement worden overgebragt. Aan deze noodzakelijkheid is het bestaan dier Opperhoofden, meer welligt dan aan eenige andere oorzaak, opgeofferd. En dit mag men te eerder gelooven, daar de invloed en het gezag der Indische Regenten in alle overige plaatsen, waar het stelsel der Landrente niet is ingevoerd, in wezen gebleven is: iets, dat men te minder had mogen verwachten, indien hetzelve inderdaad als zoo schadelijk voor de nijverheid en het geluk van den Javaan ware beschouwd geworden.

Ook schijnt het gevoelen, dat uitbreiding der inkomsten, meer dan eenig ander doel, de oorzaak der gemaakte hervorming geweest is, daarom gegrond, dewijl de belasting, den Javaan opgelegd, veel grooter is, dan die hij gewoon was onder zijne eigen' Hoofden of onder het Nederlandsch bestuur te dragen. Ieder toch, die de rijst- cultuur van nabij kent, weet dat een ijverig Javaan in eenen goeden grond niet wel meer dan 6000 ponden rijst teelen kan, en dat er onder de tien Javanen zelfs geen drie gevonden worden, die deze hoeveelheid oogsten. Hiervan gaat af ⅕ voor snijloon, dat in natura betaald moet worden, en de helft voor belasting, op gronden van middelbare vruchtbaarheid, volgens het Engelsche stelsel. Dus schiet den Javaan bij de nieuwe inrigting niet meer over dan 3/10 gedeelten van zijnen oogst,

[p. 153]

of wel, 1800 ponden van de 6000, dat is, minder dan hij tot voeding van zijn huisgezin behoeft, en dus althans niet meer, dan hij gewoon was onder zijne eigen' Hoofden te genieten.

Voorts was het waarlijk van dezen maatregel onder het Engelsch bestuur te veel verwacht, dat daardoor de werkzaamheid van den Javaan zou worden opgewekt, daar, zelfs onder het genot van een meer dan dubbel aandeel van zijnen oogst in de Bataviasche ommelanden onder het Nederlandsch bestuur, en bij het volle regt om naar welgevallen over de voortbrengselen zijner vlijt te beschikken, dit uitwerksel niet was voortgebragt.

Het lot van den Javaan is derhalve door de verzekering dat hij, na aftrek van 7/10 gedeelten, de vruchten van zijnen arbeid zelf genieten zoude, in vergelijking met het voormalige, voorwaar niet verbeterd geworden; en echter is hieraan het bestaan zijner Regenten ten offer gebragt. Dit zal ons dan ook de natuurlijke verklaring aan de hand geven, waarom hij met het nieuw ingevoerde stelsel zoo weinig is te vrede geweest, en men kan dus als wettig gevolg uit dit één en ander afleiden, dat hetzelve, zoo met betrekking tot de Staatsinkomsten, als ten aanzien van het lot des Javaans, bij gewone omstandigheden, geenszins boven vroegere inrigtingen de voorkeur verdient.

Wat Jakatra en de onderhorige Preanger Regentschappen betreft, heb ik reeds gezegd, dat de

[p. 154]

oude instellingen grootendeels behouden zijn gebleven: echter met eenige wijziging in de wijze van inning der opkomsten. Een goed gedeelte der Koffijtuinen schijnt aan bijzondere personen verkocht te zijn; en over het geheel is er deze cultuur zeer verwaarloosd. Daar derhalve hier geene verandering van belang schijnt ingevoerd te zijn, bestaat er geen grond van vergelijking tusschen het vroegere en latere. Ook zijn er, voor zoo verre mij bekend is, van de inkomsten, onder het Engelsch bestuur hier genoten, geene echte Staten openbaar gemaakt. Alleen worden dezelve, volgens bijzondere van daar erlangde berigten, begroot als volgt:

Pacht van den Amphioen, jaarlijks Rp″. 1,000,000.
De Zoutpacht Rp″. 488,000.
In- en uitgaande Regten, pacht van het Zout, en mindere inkomsten Rp″. 2,000,000.
De Koffij, welke nog geleverd werd, meent men op 40,000 Pikols te kunnen stellen; dan dezelve is voor een' geringen prijs verkocht, waarvoor stelle Rp″. 800,000.
  _______________
Welke inkomsten gezamenlijk bedragen Rp″. 4,288,000.

[p. 155]

Voegt men hier bij de zuivere inkomsten van Java's Noord-oostkust ten bedragen van Rp″. 2,389,117-21½.
  _______________
Dan beloopt het geheele inkomen van Java Rp″. 6,677,117-21½.
Of wel in Rds. 4,173,198-20-7.
Volgens Tabelle no. I, hadden die van 1807 bestaan in Rds. 3,986,252-31-
  _______________
Dus een verschil ten voordeele van het jaar 18 14/15 van. Rds. 186,945-37-7.

Daar echter onder de inkomsten van het Engelsch Gouvernement gerekend is de opbrengst der veroverde provincien; en deze, alleen voor zoo verre die afzonderlijk op de IIde Tabelle voorkomen, overhet jaar 18 14/15, Ropeijen 1,907,823-8¼ bedragen hebben, zoo kan men nagaan, wat de Financiele toestand van Java onder de Engelsche administratie geweest zoude zijn zonder deze veroveringen, daar, met dezelve, de inkomsten van dat bestuur, de vroegere nog geen twee honderd duizend Rijksdaalders overtroffen hebben.

Dan, daar de waarde van een Financieel stelsel niet enkel kan beoordeeld worden naar den algemeenen ontvang, maar tevens de uitgaven daarbij wel degelijk in aanmerking komen, zal het thans

[p. 156]

niet ongepast zijn, ook dezen onderling te vergelijken, en dan bij voorkeus, gelijk reeds vroeger is aangemerkt, in den staat der maatschappij en in de verhouding van het Gouvernement tot dezelve, den proefsteen te zoeken, waaraan de beide stelsels kunnen worden getoetst, en welke, naar mijn inzien, in alle gevallen waarin toereikende daadzaken ter bepaling van het oordeel voorhanden zijn, het zekerst is, en in dit geval de eenige mogelijke, daar er(43) van wege het Engelsch Gouvernement geene stukken zijn openbaar gemaakt, waardoor de uitgaven op zich zelven zouden kunnen beoordeeld worden.

Ten aanzien der Nederlandsche inrigtingen, sedert 1795 ingevoerd, en tot 1808 gevolgd, kan door de ondervinding bewezen worden, dat het inkomen toereikte, om de kosten van bestuur, administratie en verdediging goed te maken, daar, gelijk reeds gezegd is, het Gouvernement in Indië gedurende dat tijdvak, hoewel geenen onderstand nit Nederland ontvangende, noch schulden gemaakt, noch eigendommen van den Staat verman-

[p. 157]

geld heeft, en dit in weêrwil der ongunst van oorlogstijden, waarin vele geleden' schaden, het onderhoud eener sterke krijgsmagt, en daaronder zelfs gedurende eenige jaren eene vloot van vier linieschepen en vijf of zes fregatten, behalve de mindere vaartuigen, hetzelve tot groote, buitengewone uitgaven verpligtten. Terwijl men tevens in dien zelfden tijd een nieuw krijgskamp bouwde, de verbrande gebouwen op het eiland Onrust herstelde, en andere nuttige stichtingen tot stand bragt. Door welk alles dus bewezen wordt, dat niet alleen de inkomsten ter bestrijding der lasten toereikten, maar dat ook nog een overschot tot nuttig gebruik kon worden aangewend.

Vergelijkt men nu met deze algemeen bekende daadzaken de handelingen van het, Engelsch Gouvernement, welke, door zoo vele getuigen bevestigd, even weinig kunnen worden betwijfeld, dan zal de slotsom der vergelijking niet moeijelijk zijn optemaken.

Het is bekend, dat onder dit bestuur vele, en wel de kostbaarste Domeinen verkocht, en de meeste openbare gebouwen zeerverwaarloosd zijn; terwijl men gelijktijdig de uitgaven, ten minste gedeeltelijk, heeft trachten te bestrijden met tinnen en looden duiten, papieren Spaansche matten, en dergelijke hulpmiddelen: uit welk een en ander men meent te mogen besluiten, dat dit bestuur in de gewone inkomsten de middelen niet gevonden heeft, om de vereischte onkosten

[p. 158]

goed te maken. Ten zij men aannemen mogt, dat een gedeelte dezer inkomsten naar Bengalen of naar elders zij overgemaakt, en dus Java, als het ware, uitgeput geworden.

Voor deze laatste gedachte is echter geen de minste grond, veel weiniger eenig bewijs. Integendeel zoude het, vooreerst, harssenschimming en ongerijmd zijn geweest, eene hoeveelheid zilvers van eenig belang te willen vervoeren uit eene Kolonie, daarvan zoo schaars voorzien, en bijna geheel ontbloot, als Java was bij de aankomst der Engelschen; en, in de tweede plaats, was deze maatregel niet minder onbestaanbaar met het voornaam oogmerk, om den inboorling aantesporen tot het voldoen zijner lasten in specie, een oogmerk, niet alleen door henzelven erkend, maar ook als waar bewezen door hunne eigene operatiën.

Trouwens, hierom werden de Domeingoederen niet tegen zilver verkocht, gelijk zeker geschied zoude zijn, indien het oogmerk geweest ware zich van deze specie meester te maken, maar in papier, ten einde dit geheel uit de cirkulatie te brengen, en zoo de schatpligtigen te noopen, hunne belastingen in baar geld te voldoen.

Dan, deze maatregel, die zoo veel nadeels en stremming in het dagelijksch huishoudelijk leven der ingezetenen veroorzaakte, heeft aan het oogmerk niet beantwoord. Er was toch slechts eene geringe hoeveelheid muntspecie in omloop, en soortgelijk een

[p. 159]

middel kon die niet vermeerderen. Het gevolg daarvan is dus ook alleenlijk geweest eene volstrekte stremming des handels, en eene meer en meer toenemende, betaling van de verschuldigde. Landrente in produkten; dus werkte de gekozen: maatregel in de omgekeerde reden van het oogmerk.

Het is eene algemeen erkende waarheid, dat reeds voorhenen, zelfs bij den aanvoer eener aanzienlijke hoeveelheid zilvers uit Europa, die specie van jaar tot jaar op Java verminderde. Men kan dus nagaan, wat thans het gevolg zou moeten geweest zijn, indien, bij het verwaarloozen dier cultures, voor welke men gewoon was het zilver interuilen, nog daarenboven het weinige dat de schatkist in geld ontving, door het Engelsch bestuur was uitgevoerd, en dus aan de cirkulatie onttrokken geworden. - Het Engelsch Gouvernement, na zich ten koste der ingezetenen proefondervindelijk overtuigd te hebben van de onmogelijkheid om, door het intrekken van het gebruikelijke medium van cirkulatie, de belastingen in specie te doen betalen, is dan ook eindelijk overgegaan tot het zoo even genoemde redmiddel, het scheppen eener factice munt: hulpmiddel, zoo strijdig met deszelfs belangen en den aard van hun stelsel, dat hetzelve alleen door een volstrekt geld-gebrek kan worden voorgeschreven.

Ook kon van de inkomsten op Java's noordoostkust, hoezeer daar altoos nog het meeste zil-

[p. 160]

ver gevonden wordt, geen voorraad daarvan uitgevoerd worden, daar men uit de Engelsche opgave ziet, dat naauwelijks ⅓ dier inkomsten in zilveren specie voldaan is, en deze verre na niet toereikte, ter bestrijding der uitgaven aldaar. - Duiten konden niet worden uitgevoerd, vooreerst, om dat die in de overige bezittingen der Engelschen niet gangbaar zijn; ten tweede, om dat dezelve op Java 50 percent boven de innerlijke waarde worden uitgegeven. En alzoo meen ik te mogen besluiten, dat de belastingen op het eiland Java nimmer eene toereikende hoeveelheid zilvers verschaft hebben om, na afbetaling der ambtenaren en der militaire magt, eenen aanmerkelijken uitvoer daarvan toetelaten. Ja, daar tevens het Gouvernement van Bengalen bij onderscheidene gelegenheden geld naar Java gezonden heeft, (waarvan voldoende bewijzen voorhanden zijn), zoo meen ik dan ook te mogen aannemen, dat er geene gronden bestaan, om te onderstellen, dat door het Engelsch bestuur een gedeelte der inkomsten is uitgevoerd.

En daar dat Gouvernement indien het eenig medium van intrinsique waarde, voor de cirkulatie geschikt, in kas bezeten had, niet zou overgegaan zijn tot het slaan van tinnen duiten en papieren Spaansche matten, die altijd met verlies in de schatkist terugkeeren(44), zoo volgt dan

[p. 161]

ook hieruit, dat er een stellig deficit in de inkomsten moet hebben plaats gehad; en dat dus het Engelsch bestuur op Java, hoe zeer, in de veroverde provinciën van den Sultan en den Keizer eene groote vermeerdering van inkomsten gevonden hebbende, echter zelfs miet behulp van dezen bijslag, een minder voordeelig resultaat heeft verkregen, dan dat van het voormalig Bestuur.

Daar nu in dit nieuwe stelsel alle lasten eindenlijk nederkomen op den arbeid der Javanen, en dezen onder het Britsch Bestuur minder voordeels daarvan genoten hebben, dan te voren, zoo geldt

[p. 162]

tevens de gevolgtrekking dat, - ook in diezelfde mate hun lot, in plaats van verbeterd, verzwaard is geworden.

Dan het is niet alleen ten aanzien van den Javaan en van het Gouvernement, dat dit stelsel gezegd kan worden minder voordeelig geweest, te zijn, dan het voormalige, maar ook ten aanzien van den handel van het Moederland met deze Kolonie is Hetzelve ten hoogste schadelijk, daar deze geheel en alleen berust op voortbrengselen van Europesche consumtie, en deze zijn voorzeker door den vrijen arbeid der Javanen niet vermeerderd, maar, gelijk wij gezien Hebben, wel aanmerkelijk verminderd.

De voordeelen, welken deze Handel onder de voormalige inrigtingen verschafte, zullen nader in bijzonderheden worden opgegeven. Voorloopig zal het voldoende zijn hier aantestippen, dat het blijken zal, dat met eene hoeveelheid van produkten, gelijk Java in den jare 1807 heeft opgeleverd, ter afhaling daarvan niet minder dan 18 of 20 schepen, van 400 lasten ieder, gevorderd worden; dat het kapitaal, tot dezen handel en reederij vereischt, van acht tot negen millioenen bedraagt; en dat daarop voor Handel en reederij eene zuivere winst van ten minsten 2½ millioenen kan worden berekend. Voegt men nu hierbij die winsten, welke, bij eene goede inrigting en kargeering, op de derwaards uit te voeren goederen te behalen zijn, dan

[p. 163]

is het geheele bedrag dezer handeling wel op 3 millioenen te schatten.

Een toereikend bewijs voorzeker van het groot belang; dat er voor de Nederlandsche commercie in het bezit dezer Koloniën gelegen is; en tevens van de noodzakelijkheid der geforceerde cultures, waarop die handel hoofdzakelijk gegrond is.

Buiten dezen handel, welke onmiddellijk van hier met Java gedreven wordt, bestaat er nog een tweede: namelijk die van Java met de volken, aan de Indische zeeën gelegen, en welke niet alleen voor die Kolonie, maar ook, schoon meer middellijk (indirekt), voor het Moederland belangrijk en der aandacht overwaardig is. - Moeijelijk echter zou het zijn, van dezen handel een juist denkbeeld te geven, alvorens nader te hebben doen kennen de voortbrengselen en behoeften der inwoners van onze overige bezittingen; en dus zal dit onderwerp, ter voorkoming van overtollige herhalingen, het best ontwikkeld worden bij het algemeen overzigt van den handel en der verdere Statistieke aangelegenheden van de gezamenlijke Aziatische bezittingen, waartoe wij als nu zullen overgaan.

[p. 164]

Tweede afdeeling.
Beschouwing van den Handel en der Financiële belangen, in de gezamenlijke. Bezittingen van het Rijk der Nederlanden in Oost-Indië.

De Indische handel kan gevoegelijk onderscheiden worden in dien, welke uit Europa met onze bezittingen gedreven wordt; in dien, welken deze Etablissementen onderling drijven; en eindelijk in den handel van Nederland met andere Landen in Oost-Indië, welke niet aan het Rijk behoren. Elk dezer vakken verdient eene afzonderlijke overweging.

De handel uit Europa met de Etablissementen zelven is voornamelijk gegrond op de voortbrengselen, welke aldaar worden aangekweekt of gevonden, en voor de markt van Europa geschikt zijn, zoo wel als op de wederkeerige behoefte der inwoners van die bezittingen aan Europésche waaren en goederen.

De hoeveelheid derhalve der voortbrengselen, Welke de Indische Koloniën voor den handel van Europa verschaffen, en dat gene, wat deze aan Europésche benoodigdheden voor zich gebruiken, maakt den omvang van dezen handel uit. En dat gene, wat de Indische produkten, hier aangebragt, en omgekeerd, de Europésche, derwaards overgevoerd hij verkoop zoo hier als daar, meerder gel-

[p. 165]

den dan die ingekocht zijn, na aftrek van het kostende aan het transport en daarmede verbonden ongelden, wordt de winst van dien handel genoemd.

Voormaals werd, gelijk wij gezien hebben, deze geheele handel uitsluitend door eene Maatschappij of Kompagnieschap gedreven, en wel met zeer aanzienlijke voordeelen, zoo lang buitenlandsch geweld of overmagt kon wederhouden worden, om de bronnen daarvan aantetasten, en zich geheel of gedeeltelijk die eigen te maken. Zelfs nog in de laatste jaren van het bestaan dier Maatschappij, en na dat reeds zoo menige tak van handel aan het kwijnen was geraakt, meenden Kommissarissen- Generaal, dat het jaarlijksch retour van Indië op ƒ17,657,535:-, dat is, op ruim zeventien en een half millioenen guldens geschat kon worden(45), en het zuiver voordeel, dat deze Bezittingen met de destijds bestaande inrigtingen den Lande opbragten, op ƒ1,052,379:-, wel te verstaan, na voorafgaande aftrekking van ƒ831,000:- uitdeeling aan de Participanten of Aktiehouders der O.I. Kompagnie, en na betaling van alle interessen der gemaakte schulden en andere uitgaven in Europa, gelijk op de IIde tabelle achter het Iste Hoofdstuk

[p. 166]

geplaatst, is aangewezen, en waaruit men zien kan, dat, nadat de oorlog met Engeland van 1780 haar een zeer aanmerkelijk nadeel en eene onherstelbare kwijning toegebragt had, de interessen der tot herstel dier schaden in Europa opgenomen kapitalen eene som van bij de vijf millioenen guldens vorderden; 3 of 4 tonnen gouds moesten aan recognitie-gelden betaald worden, en de overige uitgaven in Europa vorderden ƒ1,000,000:- jaarlijks, dan zelfs, wanneer de kostbare scheepvaart voor eigen' rekening werd afgeschaft, en de produkten met afgehuurde bodems herwaards werden overgebragt.

Naauwelijks gaf het rijk retour, in 1795 naar Europa afgezonden, eenig vooruitzigt, om de geledene verliezen te herstellen, of de ongelukkige oorlog van dat jaar voltooide het verderf der O.I. Maatschappij: dit zoo rijk retour viel in 's vijands handen, en bij een Staatsbeslnit werd het oktrooi dier Kompagnie ingetrokken, dus haar geheel bestaan vernietigd.

Dewijl nu door Engelands overmagt ter zee levens de gemeenschap met de Koloniën gestremd, en het Gouvernement te Batavia in de verpligting gebragt was, omtezien naar andere maatregelen, ten einde zich van den aanzienlijken voorraad der in Indië opgelegde produkten te ontslaan, en dezelven tegen geld te verruilen, ter onvermijdelijke

[p. 167]

bestrijding der uitgaven aldaar, indien men de zaken wilde gaande houden; - werd de handel thans voor alle neutrale Volken te Batavia opengesteld, en dit met een zoo gelukkig gevolg, dat het geregeld vertier der Indische voortbrengselen toereikende hulpbronnen opleverde, om de zaken aan den gang te houden, in weêrwil van het verlies van vele Etablissementen en van groote schade ter zee.

Wat de binnenlandsche inrigtingen betreft, deze bleven allen op den ouden voet, dat is, de produkten werden aangekweekt, geleverd en betaald, als te voren. Het Indisch Gouvernement verkocht die aan vreemdelingen, tegen vaste en naar de markten van andere Landen geregelde prijzen om kontant geld, of ook wel bij ruiling tegen andere benoodigdheden.

Onder het Engelsch bestuur is de ontvangst der produkten, gelijk wij zagen, op den ouden voet gebleven, met uitzondering van Java's noord-oostkust. De verkoop echter schijnt meermalen bij openbare veiling te hebben plaats gehad. In hoe verre deze of de voorgaande handelwijze, - door het nieuw Bestuur zal gevolgd worden, is voor ons nog onbeslist. Dan, wat hiervan ook wezen moge, men kan nogtans op goede gronden onderstellen, dat ten aanzien van den ontvangst der produkten geene noe-

[p. 168]

menswaardige veranderingen kunnen of zullen gemaakt worden; terwijl men ten aanzien van de wijze, om die in handen van den vrijen handel te doen overgaan, gerustelijk mag aannemen, dat dit geschieden zal tegen zoodanige prijzen, om het even op welke manier dan ook betaald wordende, als aan den éénen kant het belang des Gouvernements vordert, en aan de andere zijde de wezenlijke waarde der voortbrengselen zal toelaten. En deze grondslag is dan ook volkomen toereikende, om de voordeden, welken het Gouvernement van de O.I. bezittingen trekken kan, te berekenen.

In één der volgende Hoofdstukken, der Land- en plaats-beschrijving van deze Koloniën bestemd, zullen zoo na mogelijk de produkten worden opgegeven, welke door de onderscheidene Vorsten en Provinciën aan ons Gouvernement moeten geleverd worden. Dan, op deze opgaven eene berekening voor de toekomst te bouwen, zou gevaarlijk zijn, daar toch de ondervinding geleerd heeft, dat niet altijd door ieder der Vorsten aan de verpligting, waartoe zij geacht werden verbonden te zijn, behoorlijk is voldaan geworden. - Afkeerig van alle schijnvertooning, en om, wel verre van bijtedragen ter uitbreiding van de ware kennis onzer Indische aangelegenheden, onkunde en dwaling in eene zoo belangrijke zaak te verspreiden: - heb ik gemeend, in

[p. 169]

het begrooten van de hoeveelheid der produkten, welke door al deze Landen geleverd kunnen worden, mij liever te moeten regelen naar dat gene, wat dezelve reeds werkelijk geleverd hebben, en waarvoor de bewijzen bestaan, en des noods kunnen worden overgelegd. Terwijl ik van oordeel ben, deze vroeger geleverde hoeveelheid gerustelijk ten grondslag mijner berekening te mogen aannemen, al ware het dan ook, dat, door invoering van het Engelsch systema of uit andere oorzaken, kon worden aangetoond, dat in dezen oogenblik eene mindere hoeveelheid van sommige artikelen wierd opgebragt dan eertijds: daar het toch geheel aan het goedvinden des tegenwoordigen Indischen Gouvernements is overgelaten, en dus van hetzelve afhangt, de zaken, in zoo verre dit tot het leveren van produkten betrekkelijk is, op den ouden voet terug te brengen, en zij ook hoogstwaarschijnlijk daarop zullen terug gebragt worden, omdat er ten aanzien van ons belang dien aangaande geenerlei verschil van meeningen bestaat, en ook de Inlanders, inzonderheid hunne Hoofden, zelven daartoe genegen zijn, terwijl eene beter zaamgestelde krijgsmagt, dan ooit te voren in onze O.I. bezittingen aanwezig is geweest, benevens eene sterke zeemagt, aan het Gouvernement de middelen verzekeren, om onze regten door de Vorsten en volken in die gewesten te doen eerbiedigen.

Volgens deze bepaling dan kunnen de voort-

[p. 170]

brengselen dier Landen over het geheel begroot worden, zoo als volgt(46):

I. Koffij, 15,000,000 ponden; zijnde dit nagenoeg de gemiddelde hoeveelheid van het in de jaren 1808, 1809 en 1810, geleverde.
II. Peper, 3,765,000 ponden. In den jare 1793 zijn er reeds 2,730,105 illustratie geleverd, en deze hoeveelheid is sedert door de aanplantingen op Java met ruim 1,000,000 illustratie vermeerderd(47).

[p. 171]

III. Suiker, 12,000,000 ponden, volgens de begrooting van Heeren Commissarissen, en waarvan 8,000,000 illustratie aan het Gouvernement geleverd, en naar Europa vervoerd plegen te worden, terwijl het overige door de suiker-molenaars voor den handel in Indië aan bijzondere personen werd verkocht.
IV. Kruidnagelen, 400,000 ponden; begroot naar het voormalig debiet, en niet naar den opbrengst, die eene veel grootere hoeveelheid oplevert.
V. Notenmuskaat, 320,000 ponden, idem.
VI. Foelij, 110,000 ponden, idem.
VII. Kampher, 64,000 ponden, idem.
VIII. Banka's Tin, 4,000,000 ponden, idem.
IX. Tamarinde, 115,000 ponden, zijnde dit de begrooting van Heeren Commissarissen voor het Europeesch debiet. De hoeveelheid, die des noods geleverd kan worden, bedraagt veel meer.
X. Sappan-hout, 600,000 ponden, idem.
XI. Arak, 140 leggers, idem.

[p. 172]

Behalve deze koopwaren, die in een' eigenlijken zin beschouwd kunnen worden als produkten, welke aan het Gouvernement geleverd worden, vindt men in de onderscheidene bezittingen nog meerdere voortbrengselen, die tegen geld of andere waarden worden ingeruild, als: diamanten, goud, paarlen, amber, kardamom, katoenen garens, aloë, kurkuma, drakenbloed, stoklak, gomgutta, gom, mijrrhe, benjuin, borax, ruwe cachou, lange peper, staartpeper, sago, schellak, paarl d'amour-schelpen, gember, soija, en eenige anderen. In de laatste jaren echter van het Bestuur der O.I. Maatschappij is de hoeveelheid, daarvan naar Europa verzonden, nimmer zeer aanmerkelijk geweest, en bij de beschouwing van den handel der Indische eilanden onderling met elkander, zal de oorzaak daarvan nader worden aangewezen. Genoeg is het, hier ter plaatse deze artikelen te hebben aangestipt; zullende wij in het vervolg daarop moeten terug komen.

Om den Lezer nu te doen oordeelen, zoo over de waardij der door ons begroote voortbrengselen van Indië, als over de inkomsten, welken ons Gouvernement daardoor geniet, en tevens over het kapitaal, tot dien handelstak vereischt wordende, bevat de Tabelle I, achter dit Hoofdstuk geplaatst, in de eerste kolom de produkten, zoo even gemeld, voor zoo veel die jaarlijks naar Europa worden overgevoerd; zullende van hetgeen in Indië

[p. 173]

zelf daarvan vertierd wordt, straks onderscheidenlijk gehandeld worden. In de tweede kolom worden opgegeven derzelver inkoopsprijzen, zoodanig als die door het Gouvernement in Indië betaald worden; en in de derde de verkoops-prijzen, waarvoor die te Batavia kunnen worden afgezet. Het spreekt van zelve, dat deze prijzen geheel afhangen van den marktprijs dier goederen in Europa, en van de onkosten, aan het transport derwaards verbonden. Uit dien hoofde is dan ook daarop in de volgende kolommen de schade ter zee(48), spillage en mingewigt gedurende den overvoer, van elk artikel in het bijzonder aangewezen, niet volgens willekeurige onderstellingen, maar overeenkomstig zulke bepalingen, welke de vrucht zijn eener onafgebroken' ondervinding van vele jaren, en daarom ook door de gewezen' O.I. Maatschappij ten vasten grondregel waren aangenomen(49).

[p. 174]

Men zal hier uit zien de onkosten, welken de overvoering der produkten naar Europa vordert, en daaruit kunnen opmaken, hoe velen zich bedrogen hebben in het bepalen der prijzen, voor welke de Koloniale voortbrengselen te Batavia verkoopbaar zijn. De winst voor den handelaar, die te voren door de Kompagnie genoten werd, en welke dus wel degelijk, wanneer er vrage is aangaande de waarde dier bezittingen, in aanmerking behoort te komen, - is als het minimum op 20 percent gesteld, en zulks uit hoofde, dat een kapitaal, tot drijving van den Indischen Handel uitgeschoten, zelden binnen den tijd van 18 maanden in 's koopmans kas terug keert. En daar tevens de Assurancie, indien men niet verkiest de risico, gelijk eertijds de O.I. Kompagnie, voor eigen' rekening te nemen, altijd iets hooger moet worden betaald, dan de zeeschade bedraagt, zoo zal men de winst, door de tot dezen handel gebezigde kapitalen jaarlijks opgebragt, kunnen stellen op 15 percent, dat voorzeker niet te hoog is. - Onder de produkten echter geeft de suiker en het tin 5 percent aan winst minder, uit hoofde van

[p. 175]

het meer kostbaar transport, dat op de uitkoopswaarde van het eerste artikel 40 percent bedraagt, als wordende tot het transport van 3000 ponden suiker de schèepsruimte van een last gevorderd, hetgeen zoo aan vragt, kaplaken en averij, benevens emballage en inscheep te Batavia, eene bekostiging van ƒ300: - vereischende, 2 stuivers per illustratie, en dus 40 percent van de verkoopswaarde bedraagt, wanneer die op 5 stuiv. het pond gesteld wordt. Zoo dat de gezamenlijke onkosten op den vervoer der suiker, zoo aan Assurancie en spillage, als wegens het zoo even opgegevene, ongeveer 60 percent uitmaken. Hieruit kan men dan ook ligtelijk afleiden, welk een geringe prijs voormaals in Indië aan den suikerplanter konde betaald worden(50). En dit bevestigt tevens het boven reeds aangemerkte (bladz. 85), dat namelijk de hoeveelheid van produkten, te onzen voordeele door Indië opgeleverd, niet bepaald wordt door het vermogen van den grond, om die voorttebrengen, maar wel door het mogelijk debiet in Europa.

Ten aanzien van het tin, kan de uitkoopswaarde op den in de Tabel daaraan gegeven' prijs gesteld

[p. 176]

worden, daar hetzelve zelfs voor den handel in Indië dien prijs waardig is.

Het Sappan-hout kan zelfs zijne vracht in het geheel niet goed maken, en moet dus alleen worden gebruikt als ballast, of tot aanvulling van opene vakken.

Met betrekking tot de uitkoopsprijzen, deze zijn geregeld naar de gewone markt in tijd van vrede. Mogten dezelve thans iets hooger zijn, zulks kan niet dan ter bevordering der belangen van den handelaar verstrekken, en het zal den koopman, zoo wel als het Gouvernement, bekend met de onderscheidene lasten der overvoering, gemakkelijk vallen, den koopprijs te Batavia daarnaar te regelen.

De geheele winst, door den koophandel op deze massa van voortbrengselen op de Europésche markt verkregen, bedraagt ƒ2,342,783:-:-, voorzeker eene som, aanzienlijk veel minder, dan hetgeen wat daarop voormaals door de gewezen' O.I. Maatschappij gewonnen werd. - Doch, hier tegen over moet men dan ook stellen, dat het Gouvernement in Indië door de inrigting van den vrijen handel een bedrag van ƒ4,980,458:12: - meerder dan voormaals voor die produkten ontvangt, daar destijds het inkoops-bedrag gerekend werd naar de prijzen, door het Gouvernement in Indië betaald, en in de tweede kolom der Tabel aangewezen, en dat derhalve thans de voormalige nit-

[p. 177]

sluitende winst der Kompagnie als het ware tusschen het Gouvernement in Indië en den bijzonderen koopman in Europa gedeeld wordt, waardoor dan het verlies, met betrekking tot het algemeen belang, merkelijk minder wordt dan het in den eersten opslag schijnt.

Ook is de hoeveelheid der waaren, welke door den vrijen Handel naar Europa staan overgevoerd te worden, op deze Tabelle aanmerkelijk minder gesteld, dan het retour der gewezen' O.I. Maatschappij bedragen heeft, hetgeen wordt veroorzaakt, zoo door het verlies van Ceylon als daardoor, dat vele artikelen, te voren in dit retour begrepen, als door eigen Handel der Maatschappij in Indië verkregen, niet tot de verpligte leverancie des Inlanders behooren, en dus thans niet meer op de lijst der voortbrengselen, door het Gouvernement ontvangen, gebragt kunnen worden, terwijl ook eenige artikelen, tot die leverancie eertijds behoord hebbende, afgeschaft zijn.

Het gevolg hiervan is echter in geenen deele, dat al deze artikelen voor den Nederlandschen handel zouden zijn verloren gegaan. Integendeel, het is te voorzien, dat de toevoer van eenige dezer goederen naar Batavia door middel van den vrijen handel in Indië zal vermeerderen, en dus ook de hoeveelheid van goederen, welke van daar terug naar het Moederland zal worden vervoerd, zal te boven gaan die, welke eertijds door de Kom-

[p. 178]

paguie werd aangebragt. Dan, gelijk nader blijken zal, hierop kan voor als nog niet gerekend worden.

Ten aanzien van de overvoering van goederen uit Europa naar Indië valt echter aantemerken, dat de hoeveelheid daarvan bepaald wordt door het mogelijk debiet, en dus door de behoefte daaraan bij de inwoners dier Landen. - Hieromtrent is het opmerking waardig, dat de eigenlijke inboorlingen van Oost-Indië, hoe zeer dagelijks ooggetuigen van de luxe en verfijnde leefwijze der Europeërs, en dit gedurende een zoo ruim tijdsbestek, nogtans over het algemeen weinig geneigdheid betoonen, om dezen daarin natevolgen. - De gehegtheid aan voorouderlijke gebruiken schijnt bij hen even sterk te zijn, als bij ons Europeërs de zucht, om al de voortbrengselen der aarde aan onze genieting dienstbaar te maken. Van hier dus ook die rustelooze nasporing, die nooit verzadigde begeerte, bij den één', - en die met zeer weinig te vreden' gemoedsgesteldheid, die heerschende wensch naar rust, van den ander', - waaraan het moet worden toegeschreven, dat, in weêrwil van alle aanmoediging, het gebruik van Europésche voortbrengselen bij den Inlander ten uiterste bepaald gebleven is, en dat de behoefte daaraan genoegzaam alleen tot de Europézen, zich daar te Lande gevestigd hebbende, bepaald blijft. Het getal nu van dezen is in onze bezittingen geenszins aanmerkelijk, en zal, buiten

[p. 179]

de Krijgsmagt, welligt het getal van 10,000 zielen niet te boven gaan.

Men kan dus hieruit opmaken, dat het vertier in deze koopwaren niet zeer uitgebreid kan zijn, en dat het voor den handelaar schadelijk moet wezen de markt met soortgelijke goederen te overladen. Reeds menigmalen heeft men daarop, in plaats van winst te behalen, schade geleden. - Ook is er in de Nederlandsch-Indische bezittingen jaarlijksche aanvoer noodig van een aanzienlijk kapitaal in zilver, ter bestrijding der uitgaven, tot den inkoop van goederen uit China en andere Landen gevorderd, welke als eene genoegzaam on-ontbeerlijke behoefte voor de bewoners onzer bezittingen te beschouwen zijn, en voor een goed gedeelte in geld moeten worden betaald. Ontbreekt nu het numerair, dan kwijnt niet alleen de handel, maar een Gouvernement kan zelfs in zeer moeijelijke omstandigheden geraken, door het kunstmatig medium (papieren geld), waartoe men in zoodanige gevallen is verpligt geweest zijne toevlugt te nemen, buitengewoon te vermeerderen. Eenmaal toch in omloop gebragt, keert dit doorgaans bij het betalen van belastingen in 's Gouvernements schatkist terug, en weigert men het daar in betaling aantenemen, wordt dit zelfs maar bezwaarlijk gemaakt, dan verliest het in die zelfde evenredigheid van zijne waarde. - De inkoop der produkten ondertusschen, zoo wel van den Inlander zelven

[p. 180]

als van de Vorsten, die dezelve leveren, moet in specie geschieden, en dus is de jaarlijksche aanvoer van een zeker gedeelte zilvers een volstrekt vereischte, zoo wel voor het belang der ingezetenen, als voor het Gouvernement zelve.

Tot dus verre bestaat er, mijns wetens, geene bepaling, die de som zilvers, welke moet worden aangevoerd, naar de grootte van ieder schip, of liever naar de waarde van den te doenen inkoop regelen zoude, en dus schijnt men te gelooven, dat de koopman in zijn eigen belang eene toereikende wegwijzing zoo wel als aansporing zal vinden, om hieromtrent in overeenstemming met het algemeen en des Gouvernements belang te handelen. En mij dunkt, te regt, indien men slechts aannemen kan, dat de handelaar op dit punt de vereischte kennis van zaken verkregen hebbe: moet deze echter door ondervinding verkregen worden, dan zal dezelve hem niet zelden op een' hoogen prijs te staan komen.

Moeijelijk intusschen is het, bij den tegenwoordigen staat van zaken, optegeven, wat en hoeveel er in Indië jaarlijks aan Europésche voortbrengselen met voordeel kan worden vertierd. Dan, naar den invoer van vroeger' tijden gerekend, meen ik dit voor als nog niet hooger dan op een derde gedeelte van den inkoopsprijs der produkten te moeten stellen, dus op ongeveer twee en een half millioenen guldens. - Het zal derhalve voorzigtig zijn, dat zij, die zich op den Indischen Handel toeleg-

[p. 181]

gen, hunne schepen derwaards zenden met ⅓ in goederen en ⅔ in specie.

Met een' zoo gematigden aanvoer, mag men zich eene winst van 20 of 25 percent beloven, en dus omtrent een half millioen voordeels op dezen geheelen Handel. In alle gevallen zal, zoo daarop al eenig verlies vallen mogt, dit geen onoverkomelijke hinderpaal zijn ter bekomiug van eene geschikte retour-lading, daar deze en gene in de kolonien altijd bereid zullen zijn, tot het bevragten van eenige lasten, of tot het opschieten van gelden, mits het vereischt wordende kapitaal geene al te groote sommen bedrage.

De goederen, voornamelijk in Indië getrokken, zijn de volgende, als:

Equipage-goederen, zeildoek, touw en teer.

Fijne lakenen en kasimirs; grof laken voor de krijgsmagt.