terug  begin  verderprepost

[Deel 2]

[p. IV]


illustratie

[p. 1]

Vijfde hoofdstuk.
Geografische beschrijving, en Topologische bijzonderheden, van deze onderscheidene Oost-Indische bezittingen.

Java.

Het Eiland Java kan gevoegelijk verdeeld worden in drie deelen: het westelijk, het middenen het oostelijk gedeelte, of de zoo genoemde Oosthoek.

Tot het westelijk gedeelte behooren, volgens de kaart n.o 3, het koningrijk Bantam, Jakatra, en daaronder gerangschikte Regentschappen, benevens het koningrijk Cheribon.

Tot het midden-gedeelte (zie de kaart n.o 4.) behooren de Regentschappen langs de stranden, of de zoo genoemde Noord-Oostkust, benevens het rijk van den Mataram, verdeeld tusschen den Keizer en den Sultan.

Het Oostelijk gedeelte (zie de kaart n.o 5) bevat het Eiland Madura, en de Oostelijke Regent-

[p. 2]

schappen van het Nederlandsche Gouvernement bantam.

Het Rijk van Bantam, op de kaart n.o 3 te vinden, is ten oosten bepaald door het Rijk Jakatra, ten noorden wordt het door straat Sunda van het Eiland Sumatra gescheiden; overigens is het omringd door de zee.

De lengte van dit Rijk bedraagt ongeveer 30 uren. - De bevolking is, sints de laatste onlusten, veel verminderd, en kan thans welligt niet hooger dan op 200,000 zielen geschat worden.

Hetzelve is tot den jare 1808 door zijne eigen' Vorsten geregeerd; dan, op den 22 November van dat jaar is hetzelve voor Nederlandsch domein verklaard. -

Het Landschap Bantam levert eenige peper, en heeft goede rijstvelden; van deze laatsten echter weinig meer, dan tot eigen konsumtie noodig is.

De stad Bantam, de Hoofdstad van het Rijk, ligt aan eene opene baai, door het aangroeijen der modderbanken zoodanig verondiept, dat men do stad niet anders meer dan met zeer kleine schuiten naderen kan. - Door deze aanspoeling van modder zijn er tevens in de naaste omtrekken der stad groote moerassen ontstaan, die dezelve tot de ongezondste plaats van het geheele Eiland maken; en hieraan is het dan ook hoofdzakelijk toeteschrijven, dat deze weleer bloeijende stad genoegzaam geheel deszelfs vorigen welvaart verloren heeft.

[p. 3]

Het Nederlandsche Fort Speelwijk bestrijkt de stad, en het voormalig verblijf der Koningen; het wordt door eene kleine bezetting bewaakt. - De baai van Bantam is door vele kleine Eilandjes tegen de noordelijke winden beschut. Poulo Pantjang is daaronder het voornaamste.

Aan den west-kant der baai-vindt men St Niklaas-hoek, slechts 3½ zeemijlen van de kust van Sumatra verwijderd, en even om dien hoek de Maraksbaai, waar men met zeer groote moeite en kosten getracht heeft, in de jaren 1809 en 1810 eene Haven te maken; doch het verblijf aldaar is in zulk een' hoogen graad ongezond bevonden, dat men de onderneming naderhand heeft moeten staken.

Meer ten westen heeft men het dorp Anjer; hetzelve is vrij uitgestrekt. - De meeste schepen, bij het inloopen van straat Sunda, zenden er hunne booten aan land, om ververschingen en water, waarvan het wel voorzien is, te halen. - Ook is er in den laatsten oorlog een steenen blokhuis of klein fortje gebouwd. - Verder westwaards ligt het nitgestrekte visschersdorp Tjeringien, aan den mond van eene kleine rivier. - In deze omstreken is het land bijzonder wel bebouwd. - Tusschen Anjer en Tjeringien worden verscheidene kleiner dorpen gevonden, te weinig belangrijk voor den Lezer, om volgens ons bestek vermeld te worden.

[p. 4]

De Kust is hier op vele plaatsen door veelvuldige koraal-banken moeijelijk te naderen; overigens zeer vischrijk. - In diezelfde strekking voortgaande, vindt men de Welkoms-baai, waar zeer goede ankergrond gevonden wordt, en eindelijk den westhoek van het Eiland, door een smal kanaal van het Prinsen-Eiland gescheiden, de behouden Vaart genoemd. Het Prinsen-Eiland is woest en onbewoond. -

Voorts wordt de zuidkant van het rijk van Bantam door een hoog, rotsachtig strand bepaald. -

Het inwendig gedeelte van het westeinde van Java is berg- en boschachtig, en heeft, inzonderheid in de laatste oorlogen, veel geleden, daar het de bestendige toevlugt der opstandelingen geweest is.

Drie of vier uren ten zuiden van Bantam, is de grond beter bebouwd, met vele kleine riviertjes doorsneden, ook zijn er de dorpen talrijker. Ceram bij Bantam is een van de aanzienlijkste.

Eene streek gronds langs het oostelijk gedeelte der grenzen, is voornamelijk door Chinezen bewoond. - Men vindt er weinige inlandsche dorpen, die van eenig belang zijn. - Tjikandi en Onderande, aan de rivieren van dien naam gelegen, zijn de voornaamste. - Het overig gedeelte van den grond, tot digt bij Ceram, is meestal woest en weinig bebouwd. -

De hoofdwegen zijn op de kaart aangewezen. Vele andere, die er gevonden worden, zijn al-

[p. 5]

leen met de Buffel-kar bruikbaar, en deze worden door den Inlander zoo menigmalen veranderd en verlegd, dat daaromtrent niets bepaalds kan worden opgegeven.

De voornaamste rivieren in het Bantamsche zijn de Tjikandé, de Pontak en Onderandé. - Uit hoofde echter van den vervallen staat des Rijks wordt van deze rivieren niet al het nut getrokken, dat men in andere omstandigheden daarvan zou hebben mogen verwachten.

Het koningrijk Jakatra.

Het Koningrijk Jakatra (zie kaart no. 3) grenst ten westen aan het Rijk van Bantam, ten oosten aan dat van Cheribon, en is ten zuiden en noorden door de zee bepaald.

Dit Rijk behoort in eigendom aan het Neêrlandsch Gouvernement, zijnde in den jare 1619 veroverd. - De Koning van hetzelve, met een groot gedeelte zijner onderdanen, sneuvelde bij het bestormen en innemen van zijne Hoofdstad Jakatra. - Deze overwinning pleeg nog jaarlijks te Batavia gevierd te worden.

De lengte van dit Rijk, oost en west gemeten, kan 35 uren bedragen; de breedte nagenoeg 30. Het wordt eigenaartig verdeeld in twee deelen, namelijk in dat der Préanger Regentschappen, en dat der Ommelanden. - Beiden zijn op de kaart no. 3 aangewezen. -

[p. 6]

In het eerste is de oude regeringsvorm der volken van Java behouden, en met vrucht de koffij-kulture ingevoerd. - Het laatste is in gedeelten aan eenige Europésche kolonisten, en gedeeltelijk aan Javanen verkocht. -

De bevolking, volgens eene telling, in den jare 1796 in de Preanger-Regentschappen gedaan, heeft alstoen 206,494, en in die der ommelanden met Batavia 144,026 zielen bedragen. -

In het eerste gedeelte des Lands, over het algemeen zeer bergachtig, vindt men de Regentschappen van Tjanjor, Bandong, Sumadang, Parakka Montjang, en de landschappen van Kandong-Wessie en Tjidammer, en langs de zuidoostelijke grenzen het Regentschap Krawang.

De koffij-kultuur slaagt in de bergachtige streken zeer wel. - Deze Regentschappen hebben meermalen 12 millioenen ponden koffij in één jaar geleverd.

Naar de jongste berigten, hebben de Engelschen in deze Regentschappen vele landerijen verkocht, doch voor het overige zijn er de zaken op den ouden voet gelaten.

Onder al de Regentschappen munt Tjanjor uit, zoo door eene schoone en gezonde ligging, en een' grooten trap van vruchtbaarheid, als in bevolking. - De hoofdstad en verblijfplaats van den Regent is vrij aanzienlijk, en mede Tjanjor genoemd.

Het Regentschap Bandong is minder schoon,

[p. 7]

alhoewel mede zeer uitgestrekt en vruchtbaar. - De hoofdplaats, het verblijf van den Regent, mede Bandong genoemd, is door eene moerassige ligging minder gezond.

Het Regentschap Sumadang, verder oostwaards, daarentegen, is niet minder schoon en vruchtbaar, dan Tjanjor; inzonderheid is de ligging van de hoofdplaats Sumadang bekoorlijk. - De gezonde dampkring schijnt hier van invloed te zijn op de gesteldheid der menschen. - De Javaansche vrouwen alhier worden voor de schoonste van allen gehouden.

Het Regentschap Parakka Montjang is mede zeer vruchtbaar, en de hoofdplaats, den zelfden naam dragende, zeer aanzienlijk.

De Landschappen van Tjidammer en Kandong-wessie zijn bergachtig en woest, slecht bevolkt, en weinig bebouwd, gelijk dit over het algemeen het geval is met de landen langs de zuidkust, op deze hoogte gelegen.

Het Regentschap Krawang levert weinig koffij, doch voorziet Batavia van brandhout, dat hier overvloedig gevonden wordt. - Een gedeelte van den grond is aan bijzondere personen verkocht, die zich met goed gevolg op de rijst - teelt en eenige andere kultures toegelegd hebben.

Het Land Buitenzorg, 9 uren ten zuiden van Batavia, behoorde weleer tot de Regentschappen of Préanger-landen; doch werd in den jare

[p. 8]

1745 aan den Gouverneur-Generaal bij besluit der Indische hooge Regering afgestaan, onder voorwaarde, dat de koffij-kultuur en andere inrigtingen, aan dat Regentschap bijzonder eigen, zouden blijven bestaan. Sedert is dit Land, volgens bepalingen van het Gouvernement, onder dezelfde voorwaarden telkens van den voorgaanden op den volgenden Gouverneur overgegaan, tot in den jare 1808, wanneer hetzelve ten behoeve van den Heer Gouverneur Generaal daendels allodiaal verklaard, en sedert in onderscheidene percelen verkocht is geworden, die echter alle bezwaard blijven met de lasten en inrigtingen, tot de koffij-kultuur betrekkelijk.

Het schoone gebouw of landhuis, hier voorheen door den Gouverneur-Generaal getimmerd, en door den Heer daendels vergroot, is door het Gouvernement gekocht, en strekt tot een buitenverblijf van den Gouverneur Generaal. -

De invloed van den hoogeren grond op de gesteldheid van den dampkring, is hier reeds zeer merkbaar, en te Buitenzorg, ruim 3000 voeten boven de oppervlakte der zee gelegen, is het reeds veel koeler en aangenamer. - Vier uren verder, te Tjiseroij, staat de thermometer van Fahrenheit des avonds somtijds op 40 graden; op het midden van den dag doorgaans op 65 of 70. - Op Buitenzorg echter regent het veel, en dit maakt er het verblijf minder aangenaam, dan

[p. 9]

twee of drie uren nader bij de Stad. - Het landgoed is van verscheiden rivieren doorsneden, onder welke de Tjilowin of groote rivier, die door Batavia stroomt, en de Tjidanie, die bij Ontong-Java in zee valt, waaruit men eene afleiding naar Batavia, de Mooker-gracht genoemd, gemaakt heeft.

De overige Landen van het rijk Jakatra, gewoonlijk Ommelanden van Batavia geheten, en in perceelen aan bijzondere personen verkocht, zijn in het algemeen minder vruchtbaar, en minder voor de koffij-kultuur geschikt, dan de Regentschappen.

De Javaansche bewoners derzelven, hoezeer zij tegen betaling van het vijfde gedeelte van den oogst gezegd kunnen worden de rijst-velden dezer Landen in erfpacht te bezitten(1), ontwikkelen geen meerdere vlijt, en zijn zelfs minder arbeidzaam, dan die der Regentschappen, om de rijstteelt en andere kultures met eenig voordeel uittebreiden. - Vooral in de boschrijke Landen is men doorgaans verpligt toevlugt te nemen tot Chinezen, of tot huurlingen uit het gebergte, en op eenige Landgoederen ook wel tot slaven. - Wanneer door dezen het ruwste en moeijelijkste

[p. 10]

gedeelte van den arbeid verrigt, en het land gezuiverd is, kan men de verdere bebouwing aan den Javaan toevertrouwen. - Het schijnt, dat het genot van zeer groote voorregten, en de zekerheid van persoon en goederen, op dat gedeelte der natie geene andere dan schadelijke uitwerkingen gehad heeft. - Ten minste zijn er de misdaden talrijker, dan in eenig ander gedeelte van het Eiland, en over het algemeen is er de mensch zelf slechter.

Door de zoo even opgegevene hulpmiddelen echter, is het niettemin aan eenige Landeigenaars gelukt, zoo door het aanleggen van suiker-molens, als door de vee-, gras-, en rijstteelt, zeer goede inkomsten van hunne landerijen te trekken.

In het algemeen schat men de rente of het jaarlijkseh inkomen van den koopsprijs op 8 of 10 percent.

Onder de aanzienlijkste landerijen moet gerekend worden het landgoed Sampia, waar eene aanzienlijke menigte vogelnestjes gevonden wordt, en dat met 10 duizend zielen bevolkt is, toebehoorende aan den Heer van riemsdyk, die meer andere schoone landerijen bezit, en daaronder dat van Tanjong, Tjiemangies en Tjibinong, langs den weg van Buitenzorg, te zamen vier of vijf uren lang. - Op deze Landgoederen worden ten minste zes duizend koebeesten geweid, mede aan genoemden eigenaar toebehoorende. - Het landgoed

[p. 11]

Tjitrap is mede belangrijk, en die van Soekaraadja en Tjiloar, den gewezen eersten Landmeter tincy toebehoord hebbende, zijn aanmerkelijk om de schoone ligging.

In de Ommelanden ligt tevens Batavia, de hoofdstad van Neêrlandsch Indië, weleer beroemd als de schoonste stad in het oosten. - De verregaande ongezondheid echter van het verblijf aldaar heeft de gegoedste inwoners aangespoord, om zich buiten de stad te vestigen, waar het veel gezonder is.

De stad is met grachten en straten regthockig doorsneden. - Men ziet er nog vele schoone gebouwen, die echter door gebrek aan onderhoud dagelijks verminderen. - De tegenwoordige bewoners bestaan in eenige weinige Europezen, en voor het overige uit Chinezen en Inlanders.

De oorzaak der ongezondheid van Batavia moet hoofdzakelijk worden toegeschreven aan de vele moerassen, die de stad van de noordzijde omringen, en welke ontstaan zijn door den modder, langs de rivieren afgevoerd. Het water dezer rivieren, in te veel kanalen verdeeld, verloor hierdoor de vereischte snelheid of stroomkracht, om de aarddeelen en andere uitwerpselen, waarmede het bezwangerd was, af te voeren. - Hierdoor ontstond eene uitgestrekte bank, vóór de monding der uitwatering en in de kanalen zelve overal schadelijke verlandingen veroorzakende. -

[p. 12]

Men meende dit te herstellen, door de hoofden bij de uitwatering verder voorwaards te brengen; dan hierdoor werd de bank slechts verlegd, doch de oorzaak niet weggenomen; zelfs beletteden deze hoofden de schuring der oostelijke en westelijke stroomen langs het strand, zij bevorderden de aanspoeling van den modder, en het ontstaan der moerassen. - Deze moerassen zijn thans door de voortdurende aanspoeling zeer verhoogd, en hierdoor is dan ook de ongezondheid eenigermate verminderd. - Het is te hoopen, dat men éénmaal middel vinden zal, om de haven van Batavia te herstellen, en door het verleggen der waterleiding voortekomen, dat deze niet andermaals verlamd worde.

De reede van Batavia is schoon en veilig, door verscheiden eilanden beschut, doch niet minder ongezond dan de stad zelve.

Onder deze eilanden verdient dat van Onrust opmerking. Hier was voor dezen de schoone werf der Kompagnie. Alles, wat tot een établissement van de Marine vereischt wordt, was er tot eene hooge mate van volkomenheid gebragt.

Deze schoone etablissementen echter zijn meermalen in den laatsten oorlog verbrand, en zullen moeijelijk te herstellen zijn.

Op de Eilanden Edam en Purmerend had men weleer schoone pakhuizen, en op de overigen

[p. 13]

vele nuttige stichtingen, thans alle en door den oorlog verwoest.

De zuid-westzijde, even buiten Batavia, wordt voornamelijk door Chinezen bewoond, en dit kwartier, de Chinezenkamp genoemd en wel bewaterd, is minder ongezond dan de stad, en van een groote uitgestrektheid.

Aan de zuidzijde vindt men de zuider-voorstad, en eene betere lucht dan in de stad; zij is meest door Europézen bewoond, en met vele schoone huizen bebouwd.

Aan de oostzijde buiten de stad, voornamelijk door Portugezen en eenige inlandsche Christenen bewoond, is het minder gezond. - Langs de oost-zijde der groote rivier of Tjidanie, die door Batavia stroomt, heeft men den schoonen weg van Jakatra, en langs dezen de prachtige tuinen der gegoedste inwoners. - Deze weg, door zware boomen overschaduwd, verschaft eene zeer aangename wandel- en rij-plaats. -

Meer ten westen heeft men het Molenvliet bij Weltevreden, een kanaal, uit de groote rivier afgeleid, en waardoor de zaag- koren- en kruidmolens in beweging gebragt worden. - Ook langs deze waterleiding hebben vele gegoede lieden ruime woningen gebouwd; zelfs wordt deze streek, inzonderheid het zuidelijkst gedeelte, voor nog gezonder dan Jakatra gehouden.

Ten westen van de stad, langs een gegraven

[p. 14]

kanaal, de Amanus-gracht genoemd, zijn mede vele schoone tuinen gebouwd, doch die meestal uit hoofde der ongezondheid verlaten worden, gelijk dit ook plaats heeft ten oosten, langs het kanaal van Antjol.

Drie kwartier uurs ten zuiden van de stad heeft men een kamp voor de troepen gebouwd, bij het landgoed Weltevreden. - Van twee zijden door de groote rivier omgeven, op een' eenigzins verheven grond, en omringd van wel bebouwde landen, is er het verblijf zoo aangenaam als gezond, en de gewone sterfte alhier gaat die van Europa weinig te boven.

Digt hierbij heeft men een wel gebouwd, en bijzonder wel ingerigt Hospitaal, benevens een uitgestrekt exercitie-veld, zoo dat men hier alles verêenigd vindt, wat men voor eene goede Militaire inrigting verlangen kan. - Reeds in 1810 heeft men begonnen, met er eene nieuwe woning voor den Gouverneur Generaal te bouwen, welke echter door de tijds-omstandigheden onvoltooid gebleven is.

Drie kwartiers verder zuidwaards ligt het Fortje Meester Kornelis. - Ook daar was voormaals een gedeelte der talrijke bezetting van Batavia gestationeerd, en naderband is er een gerétrancheerd kamp aangelegd, beroemd geworden door de hardnekkige verdediging en de geleden neerlaag der Nederlandsche bezetting in den jare

[p. 15]

1811, welke het verlies der Kolonie ten gevolge had. - Het verblijf is hier zeer gezond; echter niet gezonder, dan op Weltevreden, schoon de grond hooger gelegen is.

Tusschen Weltevreden en Meester Kornelis ontmoet men eenige prachtige Landhuizen en Landgoederen, toebehoorende aan de aanzienlijkste inwoners van Batavia, en daaronder het Landgoed Materman, van den oud-Gouverneur-Generaal sieberg.

Het zou hier de plaats zijn, om van eenige huishoudelijke inrigtingen der stad Batavia gewag te maken; dan, daar gedurende het verblijf der Engelschen, vele veranderingen hierin plaats gehad hebben, en denkelijk nieuwe bij het weder in bozit nemen der Kolonie zullen worden ingevoerd, is hiervan weinig bepaalds te zeggen. - Ik zal derhalve alleenlijk aanmerken, dat eenige groote markten, Bazaars genoemd, wekelijks in den omtrek van Batavia gehouden worden, waaronder die van Weltevreden en Tannaäbang de aanmerkelijkste zijn.

Wij gaan thans over tot

Cheribon.

Het Rijk van Cheribon, (zie de kaart n.o 3.) grenst ten westen aan het Rijk van Jakatra, ten oosten aan het Mataramsche Rijk en het Regentschap Tagal, en is ten zuiden en noorden door de zee bepaald.

[p. 16]

Een groot gedeelte van dit Rijk is bij onderscheidene kontrakten in vollen eigendom afgestaan aan het voormalig Gouvernement, en wel in het bijzonder de Regentschappen Galloe, Limbagang, en Soekapoera, die; gelijk reeds gezegd is, tot de Préanger Landen gerekend worden, en onder dezelfde beheering gesteld zijn. Ook de koffij-kultuur is hier ingevoerd.

In het Regentschap Galoe beliep het getal der koffijboomen in den jare 1811, 2,323,400 boomen, en het getal der koffijplanters 1705 huisgezinnen.

In het Regentschap Soekapoera(2) 4,034,800 boomen, en het getal der koffijplanters 2656 huisgezinnen.

In het Regentschap Limbagang, 3,234,610 boomen, en het getal der koffijplanters 1918 huisgezinnen.

Overigens zijn deze Regentschappen, met betrekking tot de vruchtbaarheid en den aard van den grond, gelijk aan die der Jakatrasche bovenlanden.

Het overig gedeelte van het rijk van Cheribon stond voorhenen onder het gezag van vier Vorsten, Sultans genoemd, doch die daarvan weinig meer

[p. 17]

dan den titel, gevoegd bij een matig inkomen bezaten.

De grond is ook hier zeer vruchtbaar, sterk bevolkt, en wel bebouwd. In dit Rijk werden in den jare 1811, 6,279,660 koffij-boomen gevonden, en het getal der koffij-planters beliep 7,481 huisgezinnen; echter is de rijst het voornaamste produkt.

Onder de voormalige inrigtingen der Kompagnie werden hier geleverd(3) 16,200 Pikols koffij, in later tijd zelfs 28,000.

2,500 Poeijer-suiker.
71 Indigo.
199 Katoenen garens.
8 Peper.
682 Lasten rijst.
1062 Ponden kardamom.
4,116 Stuks balken.
1146 Zwalpen.
29,292 Leggers duigen.
15,680 Kruitvatduigen.

Onder het Engelsch Bestuur zijn deze leveranciën gedeeltelijk afgeschaft, en is daarentegen eene landrente ingevoerd, die jaarlijks Ropeijen 100,000 opbrengt.

De stad en het daarbij gelegen fort, de Beschermer genoemd, liggen aan eene opene baai,

[p. 18]

van den zuidwestkant door den hoek van Indramaijo beveiligd, en aan de noord-oostkust door eene breede bank.

De stad was eertijds wel bevolkt, doch door eene zware sterfte in den jare 1804 en 1805 is het getal der inwoners zeer verminderd. Nabij deze stad, eene mijl ten noorden, heeft men eene aanzienlijke Graftombe, alles wat men van dien aard op Java vindt, overtreffende. Een der grootste heiligen, volgens de Javaansche overleveringen, ligt alhier begraven. De zoogenoemde berg van Cheribon heeft wel eens gebrand, en rookt nog van tijd tot tijd.

De nieuwe weg, door de Engelschen aangelegd, door de lagere landen van Jakatra, Krawang en Indramaijo, vereenigt zich te Cheribon met den grooten landweg, in den jare 1808 en 1809 gemaakt, en wordt bij voorkeus gebruikt boven dien, welke door de Jakatrasche bovenlanden loopt, als gemakkelijker zijnde.

De voornaamste rivier in het Cheribonsche is die van Indramaijo. Nabij aan deszelfs uitmonding heeft men een fortje, door eene kleine bezetting bewaakt, en een aanzienlijk inlandsch vlek.

Karang Sambong, hooger op aan deze rivier, is een groote inlandsche stad. De rivier kan tot deze stad toe met vrij groote praauwen bevaren worden.

De overige Landen ten oosten van Cheribon,

[p. 19]

voor zoo verre die eertijds aan het Gouvernement behoorden, stonden weleer onder het bestuur van een' Ambtenaar, den titel voerende van Gouverneur van Java's noord-oostkust. Deze landstreken zelve waren in onderscheidene provinciën verdoeld, in ieder van welken een Nederlandsch Ambtenaar aan het hoofd van het bestuur geplaatst was, onder den naam van Resident en Gezaghebber bekend, en ondergeschikt aan de bevelen van den Gouverneur van Java's noord-oostkust.

De gezamenlijke bevolking van dit Gouvernement is, volgens eene opneming, in den jare 1795 gedaan(4), bevonden 1,494,908 zielen te bedragen; en mag, met die van eenige kleinere distriktten, in die som niet begrepen, op 1,500,000 gesteld worden.

De voortbrengselen, door hetzelve geleverd, werden jaarlijks geschat op:

9, of 10,000 Pikols peper.
125 Pikols Indigo.
375 Pikols Katoenen garens.
20 of 25,000 Pikols Koffij.
4,000,000 Ponden Suiker.

6 à 7,000 Koijangs(5) rijst, uit de Kontingenten om niet, en 4,500 Koijangs uit de

[p. 20]

Kontingenten, die tegen geringe prijzen geleverd worden; benevens de benoodigde houtwerken voor het Gouvernement, waarvan de waarde ten minsten op ƒ500,000:- 's jaars geschat worden kan. Behalve dit, genoot Java's noord-oostkust aan territoriale inkomsten 350 of 380 duizend rijksdaalders(6) 's jaars; en de gewone uitgaven hebben destijds 350 of 360 duizend rijksdaalders(7) bedragen.

Deze inrigtingen echter zijn, in den jare 1808, merkelijk veranderd. De post van Gouverneur van Java's noord-oostkust is afgeschaft, en de besturen zijn in de onderscheidene provinciën en Préfektures, onmiddellijk aan het Hoofdbestuur onderworpen geworden. Ook hebben destijds da leveranciën van katoenen garens en indigo opgehouden, en plaats gemaakt voor eene groote uitbreiding der koffij-kultuur. In den jare 1811, de Kolonie in handen der Engelschen overgegaan zijnde, hebben dezen in zoo verre de ingevoerde orde van zaken behouden, dat de genoemde Gouvernementen en Préfektures aan het Hoofdbestuur zijn ondergeschikt gebleven; doch daarentegen is de algemeene landrente ingevoerd, met afschaffing van alle geforceerde kultures, en hier door is het onmogelijk geworden, het nut der

[p. 21]

gedane koffij-aanplantingen, en der overige inrigtingen, sedert 1808 tot 1811 ingevoerd, proefondervindelijk te doen kennen. Men meent echter algemeen, dat de verwachting, daarop gebouwd, overdreven geweest is; schoon het niet te ontkennen blijft, dat de jaarlijksche leverancie van dit produkt aanmerkelijk zou zijn toegenomen, en welligt in het vervolg over geheel Java 25 millioenen ponden zoude bedragen hebben.

Het zal daarom ook niet ongepast zijn, het getal van de in dien tijd aangeplante koffijboomen, en dat der huisgezinnen, daartoe afgezonderd, in ieder distrikt optegeven, en daardoor den Lezer in staat te stellen, om eenigermate het vermogen dier provinciën te beoordeelen, waartoe mede zal kunnen strekken het beloop der landrenten en der lasten, in ieder distrikt door het Engelsch bestuur in den jare 1814 ingevoerd, te vinden op Tabel n.o II., achter de 1ste Afd. van het tweede Hoofdstuk geplaatst. Gelijk mede op de Tabel n.o III achter het derde Hoofdstuk, de bevolking van dit en volgende distrikt aangewezen wordt, en op n.o II, mede achter het derde Hoofdstuk, de voortbrengselen, die dezelve gedurende het Engelsch bestuur opgeleverd hebben.

Tagal

Is de eerste provincie ten oosten van Cheribon. - (Zie de kaart, n.o 4) - behoorende in vollen eigendom aan het Nederlandsche Gouvernement; het

[p. 22]

grenst ten westen aan het Rijk van Cheribon, ten oosten aan het Regentschap Pakkalongang, ten zuiden aan het Mataramsche Rijk, en is ten noorden door de zee bepaald.

De grond is hier bij uitstek vruchtbaar, inzonderheid in rijst, en wordt met de meer oostelijke Regentschappen als de koornschuur niet alleen van Batavia, maar ook van al onze overige bezittingen, beschouwd.

De Hoofdstad van dit distrikt, mede Tagal genoemd, is eene zeer aanzienlijke Javaansche stad, waar veel handel gedreven wordt, aan de rivier van denzelfden naam gelegen, welker ingang door een Fort verdedigd wordt.

Dit distrikt wordt door een' Resident van wege het Europeesch Gouvernement bestuurd.

Het getal der koffijboomen heeft hier in den jare 1811, 6,474,400 stuks bedragen, en dat der koffijplanters 10,356 huisgezinnen. Deze aanplantingen echter, zijn voor het grootste gedeelte verwaarloosd, door het invoeren van het Engelsch sijstema van belasting.

Ten oosten van Tagal heeft men het distrikt van Pakkalongang, waarin gevonden wordt de inlandsche stad van denzelfden naam, en de rivier, die zoo aan denzelven, als aan het Regentschap, den naam van Pakkalongang gegeven heeft. - Vele Javanen en Chinezen zijn hier gevestigd. De stad is tevens het verblijf van den Resident.

[p. 23]

Het geheele distrikt is in het algemeen zeer vruchtbaar, wel bevolkt, goed bebouwd, en gezond met uitzondering der bosschen, zoodat het maken van den weg door één derzelven, in den jare 1809, velen duizenden het leven gekost heeft. - Overigens heeft het getal koffijboomen, in den jare 1811, aldaar in wezen, 4,224,597 bedragen, en dat der koffijplanters 6,858 huisgezinnen.

Aan dit Regentschap grenst het distrikt Samarang, bestaande uit de Regentschappen Kandal, Kaliwongo, Samarang en Damak. Dit distrikt is zeer wel bevolkt, vruchtbaar in rijst en andere voortbrengselen. Het getal der koffijboomen heeft in den jare 1811 aldaar 4,525,078 bedragen, en dat der koffijplanters 7,363 huisgezinnen.

De hoofdstad, mede Samarang genoemd, is naast Batavia de grootste Europesche stad op Java, wordende met de voorsteden op 30,000 inwoners gerekend, is wel bebouwd, en minder ongustig voor de gezondheid dan Batavia gelegen.

Een uitgestrekte modderbank maakt het ook hier aan groote schepen onmogelijk het strand te naderen; terwijl de moerassen tusschen de zee en de stad de oorzaken zijn der mindere gezondheid van deze plaats, in vergelijking met anderen, op deze kust gelegen. Dezelve is met een muur omringd, en door een Fort verdedigd; echter alléén bestand

[p. 24]

tegen een coup de main, of tegen een inlandschen vijand.

De rivier, welke langs de stad stroomt, is voor vaartuigen van matige hoegrootheid, bevaarbaar.

Een uur bezuiden de stad vindt men een prachtig gebouw, Bodjong genoemd; - weleer de woonplaats van den Gouverneur van Java 's noord-oost-kust.

Van Samarang is een schoone weg aangelegd naar de hoofsteden van den Keizer en Sultan, op de kaart no. 4 aangewezen. Op een' afstand van 3 uren van de stad vindt men aan dien weg het Fort Oenarang, hetwelk eene kleine bezetting heeft. De grond is hier veel hooger dan te Samarang, en ook in evenredigheid het klimaat gezonder, terwijl de vruchtbaarheid en de schoonheid van den omtrek er het verblijf zeer aangenaam maakt. - Omtrent 7 uren van Samarang heeft men een ander Fort, Salatiga genoemd, verrukkelijk gelegen in eene wel bevolkte en hoogst-vruchtbare streek.

Alles wat tot levensonderhoud noodig is, en wat het land voortbrengt, wordt hier in overvloed, en tot zeer goedkopen prijs gevonden.

Ruim 4 uren verder naar het zuiden, aan denzelfden weg, heeft men het Fort Boejoelalie, mede zeer genoeglijk gelegen. De grond tusschen deze twee Forten wordt als de hoogste van Java beschouwd. De warmte is hier zeer gematigd, en het verblijf bij uitstek gezond. Vier uren ten wes-

[p. 25]

ten van het Fort heeft men den bekenden en weleer vuurspuwenden berg Meer Api, die bij zware regens nog dikwerf rookt. Op deszelfs top is het des nachts zeer koud, en zijne hoogte verschaft een schoon uitzigt. De ommestreken zijn er zeer vruchtbaar, tot de toppen der bergen zelve kunnen bebouwd worden. Verscheidene soorten van Europesche granen, en de meeste Europesche vruchten, slagen hier zeer wel.

Het oogmerk van het aanleggen dezer Forten is hoofdzakelijk geweest, den onzen het gebruik van dezen weg te verzekeren, die verders naar de hoofdsteden van den Keizer en Sultan geleidt, en tevens, om als magazijnplaatsen te kunnen dienen. Hierdoor was het mogelijk, in de ommestreken des noods eene aanzienlijke magt te verzamelen, en de vereeniging tusschen die der beide Vorsten, indien zij ooit vijandelijke oogmerken koesteren mogten, te beletten. Een oogmerk, dat dan ook zeer wel bereikt is, en waaraan Java gedurende jaren lang een' onafgebroken inwendigen vrede verschuldigd is geweest.

Het Regentschap Damak, mede tot het distrikt Samarang behoorende, is ten uiterste vruchtbaar in rijst, voor een groot gedeelte vlak, en met vele vaarten en kanalen doorsneden. - De rivier Damak is een der schoonste van Java, en verscheiden uren ver bevaarbaar. Daaraan is gelegen Damak, de hoofdstad van dit distrikt, één der oudste

[p. 26]

steden van Java, nagenoeg door 3,000 Javanen bewoond. Ook hier heeft men een klein Fortje, dat den mond der rivier bestrijkt.

Aan de oostzijde van het distrikt Samarang, grenst het distrikt Japara, waartoe behoren de landschappen: Koudus, Pattij en Joana.

Ook dit distrikt is zeer vruchtbaar en gezond. Het getal koffijboomen heeft in den jare 1811, 3,451,659 bedragen, en dat der koffijplanters, 1,616 huisgezinnen.

Japara, de hoofdstad van het distrikt van dien naam, met een Fortje aan de rivier, die den naam der stad draagt, gelegen, is een der oudsten van Java. Er wordt veel handel gedreven, en het getal der Chinezen, hier gevestigd, is vrij aanmerkelijk. De omliggende grond is bergachtig, en het klimaat gezond.

Joana, meer ten oosten, is eenigzins van de zee verwijderd, ligt aan eene schoone, en voor vrij groote schepen bevaarbare rivier. Het verblijf is er zeer aangenaam, en eenige Europesche Familiën hebben er zich neder gezet. Koudus en Pattij, twee aanzienlijke inlandsche steden, en verblijfplaatsen van inlandsche Regenten, liggen aan den grooten weg, en behooren tot dit distrikt.

Ten oosten van Joana heeft men het Regentschap Rembang, waartoe ook het Landschap Lassum behoort. In dit distrikt worden vele

[p. 27]

bosschen met schoon Jatij-hout gevonden. - Ook vindt men er veel zout. -

De grond is er verheven, gezond en vruchtbaar. Het Fort is nabij de zee aan de Rivier gelegen. Hier vindt men de timmerwerf van het Gouvernement, waarop schepen van aanzienlijke grootte, zoo wel als mindere vaartuigen, gebouwd worden.

De stad bij het Fort is vrij aanzienlijk, en drijft veel handel. Het getal der koffijboomen heeft hier in den jare 1811, 786,069 bedragen, dat der koffijplanters, 1531. - Dan behalve dezen waren vele dorpen in dit distrikt met de werkzaamheden in de bosschen belast, en uit dien hoofde van de aanplanting der koffij vrijgesteld. - Ook het aanplanten, trekken en vervoeren van hout, geschiedt in Java op denzelfden voet, als de planting en aflevering van andere produkten, dat is, de Javaan is gehouden, tegen eene geringe betaling, dezen arbeid op last van het Gouvernement onder toezigt zijner hoofden te verrigten, en deze inrigting is onder het Engelsch Bestuur met eenige wijziging in stand gebleven.

Het dorp Lassum is de verblijfplaats van een inlandsch Regent, mede vrij aanzienlijk, en drijft veel handel. Nabij den wal vindt men op 4 vadem goeden ankergrond. De grond is hier heuvelachtig, met veel hout begroeid.

Ten oosten van Lassum heeft men de Land-

[p. 28]

schappen Toeban, Sidayo, Lamongang, Grissé, Sourabaya en Bangil, benevens meer anderen, die op de 4de kaart aangewezen worden, alle onder het distrikt Sourabaya, of den zoogenoemden Oosthoek, behoorende.

De grond in het westelijk gedeelte van Toeban is moerassig en in de ommestreken woest, doch nader bij Toeban is dezelve bergachtig, en beter bebouwd. Toeban, de hoofdstad van dit distrikt, was weleer de hoofdstad van een magtig Rijk, dat nog in aanzien was bij de komst der Nederlanders in de Oost. - Thans is dezelve het verblijf van een inlandsch Regent. - Het getal der koffijboomen in dit distrikt heeft in den jare 1811, 597,500 bedragen, dat der koffijplanters, 1,072 huisgezinnen. Ook hier zijn verscheiden dorpen van de koffij-teelt verschoond, als tot de boschvolkeren behoorende.

Het Landschap Sidayo, meer oostelijk gelegen, weleer een Koningrijk van aanzien, is thans een Regentschap, en in het algemeen zeer vruchtbaar, bijzonder wel bebouwd. Aan de westzijde vindt men uitgestrekte bosschen, en eenen rots- of heuvelachtigen grond.

Sidayo, de hoofdplaats van dit Landschap, is eene aanzienlijke en handeldrijvende stad, het verblijf van een Javaansch Regent. Aan den ingang van de haven van Grissé gelegen, is dezelve

[p. 29]

van gewigt, en heeft aan de oost zijde eene veilige ligplaats voor schepen.

Ten zuiden van Sidayo heeft men de rivier van Solo, de grootste van het geheele Land, en bij den regentijd bevaarbaar tot aan Sourakarta. Men meent zelfs, dat ook, met geringen arbeid en kosten, in den droogen tijd deze rivier bevaarbaar te houden zoude zijn. De oevers en de uitmonding der rivier in de nabijheid der zee zijn zeer moerassig. Het getal der koffijboomen was in het distrikt van Sidayo ten jare 1811 tot 464,090 aangegroeid; het getal koffijplanters bestond uit 811 huisgezinnen.

Het Landschap Grissé, ten zuiden van Sidayo, mede voormaals een Koningrijk, staat thans, benevens het Regentschap Lamongang, onder het bestuur van twee inlandsche Regenten. - Langs het noordelijk strand heeft men verscheiden zoutpannen, en meer landwaards in is een vruchtbare en wel bebouwde grond. De stad is oud, zeer vermaard, en wel bewoond. - Veel handel wordt hier gedreven. Het Fort alhier is van weinig aanbelang, doch het verblijf van den Europeschen Resident is schoon, gelijk er nog eenige andere aanzienlijke huizen van Europeërs gevonden worden. Het verblijf is er zeer aangenaam, doch niet zeer gezond, en hier wordt voorzeker de beste en veiligste ligplaats voor schepen op het geheele Eiland gevonden.

In het kanaal, dat Java van Madura scheidt,

[p. 30]

ligt eene breede zandbank, - (zie de kaart no. 5) - die slechts een naauwen doortogt, door een sterk Fort, geheel in zee gelegen, beschermd, openlaat, en waarvan wij straks nader spreken zullen. Het westelijk gedeelte van Grissé, gelijk ook Lamongang, is bergachtig. - In dit gebergte vindt men uitgebreide onderaardsche holen, door millioenen vleermuizen bewoond. De uitwerpselen dezer dieren, met aarde vermengd, leveren eene salpeter-aarde op, die met de noodige bereiding zeer geschikt ter voortbrenging van dit middenzout bevonden is.

Bezuiden Grissé is het strand zeer moerassig; doch de grond meer landwaards in, uitnemend wel bebouwd. Het getal koffijboomen heeft ten jare 1811 in dat Landschap 225,800 bedragen, en dat der koffijplanters, 627 huisgezinnen.

Het Landschap Sourabaya, ten zuiden van Grissé gelegen, behoort tot de vruchtbaarste en gezondste van het eiland, is bijzonder wel bebouwd, en de bevolking is er aanmerkelijk. Surabaya, de Hoofdstad van dit distrikt, is de derde Europesche stad in rang op het Eiland Java, door vele aanzienlijke burgers en Gouvernementsdienaren bewoond, aan eene schoone en door het uitbrengen der hoofden, zelfs voor tamelijk groote schepen bevaarbare rivier gelegen, welks boezem zich ontlast in eene ruime en veilige baai. De handel is er levendig, en in rustige tijden voor eene groote uitbreiding

[p. 31]

vatbaar. Behalve de Konstruktie-winkel en des Gouvernements werven, heeft men er ook eene munt opgerigt, en een aanzienlijk hospitaal gebouwd, gelijk ook eene aanzienlijke woning, een klein half uur buiten de stad, voor den Landdrost. Het één en ander geeft aan de stad een gunstig voorkomen, en maakt dezelve tot één der gewigtigste des geheelen eilands.

De rivier scheidt het Europeesch gedeelte der stad van het andere, dat door vele Chinezen en Javanen bewoond wordt. Een fraaije ophaalbrug vereenigt die beiden; de wegen in den omtrek zijn er vermakelijk. Langs dezelven ziet men uitgestrekte rijstvelden, afgewisseld door eene menigte van kokosnoten-tuinen: beide het kenmerk van een' vruchtbaren, wel bebouwden en sterk bewoonden grond. Het getal koffij-boomen heeft hier in den jare 1811, 1,723,246 bedragen; dat der koffijplanters, 2,448 huisgezinnen.

Het Landschap Bangil, ten zuiden van Sourabaija, en mede tot het distrikt van dien naam behoorende, is vruchtbaar, en tamelijk wel bebouwd, doch niet groot. De hoofdplaats draagt denzelfden naam. Het getal der koffij-boomen heeft hier in den jare 1811, 439,000 bedragen.

Dan, alvorens overtegaan tot de beschrijving der onderscheidene Landschappen, welke mede tot het distrikt Sourabaija behooren, en op de Kaart no. 5 zijn aangewezen, zal het noodig zijn,

[p. 32]

de zoodanige, die op de Kaart no. 4 voorkomen, en van welke nog geene melding gemaakt is, nader te doen kennen.

Hiertoe dan behooren in de eerste plaats: de Landschappen Kadoe bezuiden Kaliwongo, en Kandal Blora ten oosten van Samarang, en het daaraan grenzende Wierosarie en onderhoorige Landen, benevens de Regentschappen Radjek, Wissie, Sekarang, Doeria, Bauworno, en eindelijk dat van Djapan, ten zuiden van het Landschap Sourabaija. Al deze Landschappen behoorden eertijds, en wel tot den jare 1811, aan den Keizer of aan den Sultan van het Mataramsche Rijk.

De laatstgenoemde Vorst, te onvrede, of ten minste verdacht van voornemens te koesteren, strijdig met de belangen van het Neêrlandsche Gouvernement, bedreigd door eene krijgsmagt, die op zijne grenzen verzameld was, werd in dat jaar genoodzaakt afstand te doen van den troon, ten behoeve van zijnen zoon, en deze, benevens den Keizer, stond bij verdrag van den 10 en 11 januarij 1811, genoemde Landen af, en eenige stukjes grond, in het distrikt van Samarang gelegen, of daarin uitloopende, en ontving in ruiling het Landschap Galoe, ten zuiden van dat van Cheribon gelegen, en dat van Poeger, in de Kaart no. 5 voorkomende. - Dat het Gouvernement destijds in naam van buonaparte handelde, en bij dezen, van den kant der Vorsten

[p. 33]

gedwongen afstand, aanmerkelijk bevoordeeld is geweest, zal wel niet behoeven te worden aangemerkt; vooral, daar het Landschap Kadoe als een der vruchtbaarste, best bebouwde en volkrijkste, reeds aan het distrikt van Samarang grenzende, bekend is; terwijl dat van Blora de beste houtbosschen van het geheele Eiland bevat.

Den Sultan van Djokjokarta echter was het gelukt, bij de komst der Engelschen zich op zijnen troon te herstellen, en misnoegd over het gedrag der Europezen, schijnt hij het voornemen gekoesterd te hebben, om dezelven met behulp der andere Vorsten van het eiland te verdrijven, met dat voor hem ongelukkig gevolg, dat hij van zijne schatten beroofd, andermaals tot den afstand dier Landen is verpligt geworden, en hij zelf gevankelijk naar Poelo-Pinang gebragt; - terwijl nog bovendien een derde Vorst over de Javaansche hooge Landen is aangesteld, die te voren alleen tusschen den Keizer en den Sultan verdeeld waren.

Uit welk oogpunt deze zäak door de hooge Kommissie, thans naar Java gezonden, zal beschouwd worden, en welke veranderingen daarin zullen worden gemaakt, laat zich voor als nog niet beoordeelen. De afgestane landen intusschen zijn ten hoogste belangrijk. - In het distrikt Kadoe alléén bedraagt de Landrente ruim Ropijen 600,000:-

[p. 34]

De overige Landen zijn gevoegd en ingedeeld bij de aangrenzende strand-distrikten, en dus derzelver inkomsten in de algemeene opgave begrepen.

Door den afstand dezer Landen, en de latere schikkingen, die er ten opzigte der Javaansche vorsten hebben plaats gehad, is het dan ook voor als nog niet mogelijk, de juiste grensscheiding van het distrikt, dat ieder beheert, aantewijzen, en dus is er slechts eene algemeene opgave van den staat dier Landen mogelijk.

Het uitgestrekte Landschap, in de kaart n.o 4 aangewezen, onder den naam van des Keizers en Sultans Landen, en weleer, gelijk gezegd is, tusschen deze twee Vorsten verdeeld, wordt ten zuiden bepaald door de zee, ten noorden door de strand-regentschappen, ten oosten door het Cheribonsche, en ten westen, sints het Regentschap Pouger er bij gevoegd is, door de provincie van Palembang (zie de kaart n.o 5.). Voormaals stonden alle deze Landen onder het gezag van een vorst, Keizer of Soesoehoenang van den Mataram genoemd; in dien tijd behoorden ook aan dat Rijk de strand-Regentschappen, die thans het eigendom zijn van het Nederlandsch Gouvernement.

Het Rijk van den Mataram is in den jare 1755 in twee gedeelten gesplitst, veroorzaakt door den opstand en afval van een der rijksgrooten, haning koeboeana, aan wien na een langdurigen

[p. 35]

oorlog, waarin wij vruchteloos den Keizer ondersteund hebben, de helft van het Rijk door dezen is afgestaan. - Wel verre echter, dat deze afstand voor ons in de gevolgen schadelijk zou zijn geweest, is dezelve in het vervolg het middel geworden, om het evenwigt te houden tusschen deze strijdige vijandelijke magten, en den vrede genoegzaam onafgebroken te doen voortduren, terwijl de oorlogen te voren op het eiland menigvuldig en zeer verwoestend geweest zijn. Het Engelsch Gouvernement heeft ook dezelfde staatkunde aangenomen, en die zelfs verder uitgebreid, door den Keizer en den Sultan aan nog een' derden Vorst eenige hunner provinciën te doen afstaan. De bijzonderheden dezer gebeurtenis zijn echter, mijns wetens, nog niet omstandig bekend.

De beide Hoofdsteden van den Keizer en Sultan zijn in de provincie Mataram gelegen, wordende de eerste Sourakarta, de andere Djokjokarta genoemd.

Sourakarta ligt aan de rivier van Solo, welke wij reeds gezegd hebben dat in den regentijd tot hiertoe bevaarbaar is.

De stad zelve is groot, en op de Javaansche wijze wel gebouwd. Het paleis van den Keizer, de Kraton genoemd, is zeer uitgebreid, en met aarden wallen omringd. In de nabijheid daarvan ligt een Neêrlandsch Fort, hetwelk de stad en het paleis bestrijkt, en welks bezetting strekt tot

[p. 36]

eene wacht voor den Keizer, en tevens om tegen alle onderneming of zamentrekking van magt, die de rust van het eiland zou kunnen verstooren, te waken. Een gezant, onder den naam van Resident, houdt hier aanhoudend zijn verblijf, en tevens een waakzaam oog op alle bedrijven van het Hof.

Eene zoo oplettende en agterdochtige behandeling van het Europeesch Gouvernement, zal misschien bij velen worden geacht eerder te moeten worden toegeschreven aan ééne bekrompen staatkunde, en aan gevoel van zwakheid, dan overeentekomen met de waardigheid van een wel gevestigd en achtbaar Bestuur. Dan zij, die zoodanig oordeelen, verliezen uit het oog, dat de Vorsten van dit Land een onbepaald gezag over hunne onderdanen plegen uitteoefenen, dat hunne begrippen en luimen zelfs voor wetten gelden, en dat dus het geringste toeval eener loutere misvatting de aanleiding zijn kan tot een' bloedigen oorlog, gelijk dan ook eertijds niets waardige beuzelingen in die landen meermalen wreede en langdurige oorlogen hebben voortgebragt. Terwijl het door deze inrigting het Gouvernement gelukt is, meer dan 50 jaren een' onafgebroken' vrede te bewaren, en Java tot eenen grooten trap van bloei en welvaart te verheffen, terwijl geenen der Vorsten, gedurende al dien tijd, ooit in zijn persoon noch in zijne bezittingen eenig onregt wedervaren is. Het blijkt dus, dat deze inrigting als de best mo-

[p. 37]

gelijke behoort te worden beschouwd, zoo voor onze veiligheid, als voor het welzijn der Javanen zelven. - Naauwelijks heeft een later bestuur, en ook dat der Engelschen, dezen band, welke de betrekkingen van het Europeesch Gouvernement tot die der Vorsten regelde, verbroken, of de oorlogen en de zamenzweeringen zijn menigvuldig geworden, en de Vorsten, van hunne schatten, van een gedeelte hunner Staten, zelfs van hunne vrijheid beroofd, - hebben waarlijk bij die zoogenoemde meer loijale staatkunde niets gewonnen, maar zijn integendeel daarvan de slagtoffers geworden. Het is te hoopen, dat het nieuw Bestuur, derwaards gezonden, middel vinden zal, om in dezen tot de oude beginselen terug te keeren, en een einde te maken aan een staat van geweld en onregt, meer geschikt, om bijzondere inzigten, dan algemeene belangen te bevorderen.

Ik durf vertrouwen, dat deze uitweiding door den Lezer niet als vreemd aan mijn onderwerp beschouwd zal worden. Het is toch meer de kennis van zaken en gebeurtenissen, dan eene bloote optelling van de namen der steden, in een Land te vinden, door welke de ware kennis des Lands verkregen wordt, en men in de mogelijkheid wordt gesteld om over de waarde der instellingen in eenen Staat wel te oordeelen.

Ook bij de Hoofdstad van den Sultan te Djokjokarta is een zoodanig Fort, met hetzelfde oog-

[p. 38]

merk gebouwd. De Engelschen hebben daarvan het nut ondervonden, toen zij in den jare 1812, met een zwak korps tegen den Sultan te veld getrokken, veiligheidshalve toebereidselen maakten, om gedeeltelijk bij verrassing, en gedeeltelijk met geweld, zich meester te maken van het paleis en den persoon van dien Vorst, en door het welgelukken van dezen aanslag, eenen oorlog in de geboorte smoorden, die, volgens hunne eigen' bekentenis, aan de zijde van den Vorst niets minder ten doel had, dan het ombrengen van alle Europeërs op het geheele eiland, tot uitvoering van welk plan zich alle Vorsten en volken van Java onderling verbonden hadden.

Djokjokarta zelve is eene zeer groote stad, vrij regelmatig aangelegd. Het paleis, of eigenlijk de Kraton van den Vorst, is zeer uitgebreid, en vrij wel versterk. De weg van deze Hoofdsteden naar Samarang is op de kaart aangewezen. De Forten van Salatiga, Boejolalie en Klatten, van welke reeds vroeger gesproken is, strekken om de gemeenschap open te houden, en verzekeren den vrijen toegang tot de hoofdsteden aan onze troepen.

Buiten de Europésche eerewagt, aan den Sultan toegevoegd, heeft hij nog eene andere, uit jonge meisjes bestaande, met eene lans, een' houwer en pistool gewapend, die zoo wel den dienst te paard als te voet verrigten, en een zeer goed

[p. 39]

voorkomen hebben. Deze Amazonen echter, zijn beter tot praal en voor huisdiensten, dan tot den oorlog geschikt. Niet zelden kiest de Vorst uit de bevalligste van dien troep zijne bijwijven.

De ommestreken der Hoofdsteden zijn bij uitnemendheid wel bevolkt, en de Rijksgrooten hebben er veelal hunne buitenverblijven, schoon ook velen eene woning hebben in de stad of de Kraton, en verpligt zijn er eenigen tijd in het jaar, tot bewijs van hunne trouw aan den Vorst, door te brengen.

Het land over het algemeen is zeer vruchtbaar en wel bewoond; dan, daar ook hier de zuidkust van het eiland geene havens heeft, en moeijelijk te naderen is, zoo kan er geen uitvoer van produkten ter zee plaats hebben. Te land, naar de noordzijde van het eiland, is zulks uit hoofde van de bergachtigheid van den grond zeer bezwaarlijk; - en daar bovendien, gelijk reeds gezegd is, de Javaan weinig genegenheid voedt tot een' arbeid, die niet onmiddellijk door zijne eigen' behoefte gevorderd wordt, kan men nagaan, dat de voortbrengselen van dit Land, zoo wel met betrekking tot den in- als uitvoer, niet zeer aanmerkelijk, en van weinig invloeds zijn op den algemeenen handel van het eiland.

Het getal der ingezetenen en onderdanen der beide Vorsten werd, voor den opstand der straks genoemde provinciën, op twee millioenen geschat;

[p. 40]

thans bedraagt dezelve, volgens de opgave van den Heer raffles, ruim een milloen en zes maal honderd duizend zielen, en daar ieder man ter beschikking staat van zijnen Vorst, is het dezen mogelijk, in zeer korten tijd eene aanzienlijke magt op de been te brengen, die echter meer gevaarlijk is wegens het rooven en branden in de Landen, waar zij den oorlog overbrengen, dan geschikt om in het open veld eene geregelde krijgsmagt te wederstaan. Hunne wijze van oorlogen bestaat hoofdzakelijk in het vermijden van beslissende slagen, in het verwoesten van alle plaatsen en levensmiddelen, waar zich eene vijandelijke magt ophoudt, en in het doen van onophoudelijke invallen, en het verwoesten van zoodanige provinciën, die of van troepen ontbloot, of te zwak bezet zijn om dezelve te verdedigen; en daar gebrek aan rijbare wegen, de hitte van het klimaat, en de boschrijkheid van het Land, het hun gemakkelijk maken alle vervolgingen te ontwijken, kan men hieruit afleiden, hoe gevaarlijk deze soort van oorlog voor de Europeërs worden moet, wanneer die gevoerd wordt door Vorsten, die verstands genoeg bezitten, om zich niet in hunne Kratons optesluiten, gelijk het geval geweest is met haning koeboeana, die daarom dan ook nooit te ondergebragt is, en zich tot den rang van Sultan verheven heeft.

De Landschappen, waaruit het Rijk bestaat,

[p. 41]

zijn in de kaart n.o 4 aangewezen. Ik moet hierbij voegen, dat de Vorsten tot dus verre zich altijd verzet hebben tegen eene naauwkeurige opneming hunner Landen, zoo dat de bijzondere gesteldheid daarvan alleen bekend is, voor zoo verre in vroeger oorlogen daarvan aanteekeningen gemaakt zijn, en men gelegenheid gehad heeft, langs de hoofdwegen eenige waarnemingen op het gezigt af te doen.(7)

De voornaamste steden, die in deze Landen gevonden worden, zijn: Jagaraga, op 6,000 inwoners geschat; Tambiebaja, merkelijk vervalen, echter door nog 1500 huisgezinnen bewoond; Panagara, op 7,000 inwoonders begroot; Madion, in het Prinsdom van dien naam gelegen, heeft in vroeger oorlogen veel geleden, en wordt nog door ongeveer 5,000 zielen bewoond.

De stad Kartesana is niet groot, doch een net plaatsje, en heeft 4,000 inwoners. - Kadirie is grooter en wordt op 5,000 zielen geschat.

Brindjok wordt weinig beneden Kadirie gesteld.

Nog behooren tot de Landen der Vorsten, het distrikt Malang en Antang, in de Kaart n.o 5 te vinden. Deze Landen, weleer aan het Nederlandsch Gouvernement behoord hebbende,

[p. 42]

zijn bij ruiling voor die genen, die in den jare 1811 door de Vorsten zijn afgestaan, hun tot schadeloosstelling gegeven. De overige distrikten, op de kaart n.o 5 te vinden, behooren alle aan het Europeesch Gouvernement.

Poeger, het laatste distrikt, volgens het verdrag van den jare 1811, den Vorsten van Java toebehoorende, ligt ten oosten van Antang, is uitgestrekt, doch weinig bevolkt.

Passourouang, ten oosten van Bangil, is een schoon en vruchtbaar Landschap. De Europésche groenten tieren hier bij uitstek wel. De druif, en eenige andere vruchten, zijn hier ook beter, dan in eenig ander gedeelte van het eiland.

Bij het Europésche Fort woonen eenige Europésche familien. - De Javaansche bewoners zijn er talrijk.

Het getal koffijboomen in dat distrikt heeft in den jare 1811, 527,200 bedragen; dat der koffijplanters, 1048 huisgezinnen.

Probolingo, weleer nagenoeg woest en onbebouwd, werd in den jare 1809 aan een Chinees verkocht voor de som van Rds. 1,000,000. Zonder nu te treden in bijzonderheden, dien koop betreffende, is het eene daadzaak, dat in weinige jaren dit Landschap tot eenen trap van bevolking en kulture gestegen is, zoo al niet overtreffende aan, ten minsten gelijkstaande met het beste van Java. De Chinees echter is op zijn prachtig

[p. 43]

lusthuis, alhier gebouwd, in den jare 1813, door eene rooverbende overvallen, en benevens eenige Engelschen vermoord. En schoon sedert het Engelsch Gouvernement deze provincie aan zich getrokken, en den koop te niet gedaan heeft, is hierdoor niet te min een sprekend bewijs gegeven, op welke wijze woeste en onbebouwde gronden op Java in korten tijd kunnen worden ontgonnen en bebouwd, en dus een zeer gunstig vooruitzigt in de toekomst geopend.

Ten oosten van Probolingo ligt het Landschap van Panaroekan. Dit distrikt is vrij wel bevolkt, en vruchtbaar. Men vindt er de Javaansche steden Bezoekie en Panaroekan, tamelijk uitgebreid en bewoond. De laatste behoorde weleer tot een der magtigste steden van Java, doch heeft veel van haren voormaligen luister verloren.

Ten oosten van Panaroekan ligt het Landschap van Palemboang, eertijds een magtig Koningrijk, dat door vroegere oorlogen geheel ontvolkt is; thans eene onafgebroken' woestenij. Aan de straat van Balij heeft men het Fort van Banjoewangij, en een dorp. De berg, achter hetzelve gelegen, weleer brandende, rookt nog van tijd tot tijd, en maakt den omtrek zeer ongezond. - Er wordt hier veel zwavel gevonden.

Het Eiland Madura, mede tot Java behorende, en op de Kaart no. 5 te vinden, is van het laatste afgescheiden door een' zee-arm, de haven van Sourabaija uitmakende.

[p. 44]

Hetzelve is verdeeld tusschen twee Vorsten, de Prinsen van Madura en Sumanop, welker Landen gescheiden worden door het Regentschap van Pamakassi, aan het Gouvernement toebehoorende.

Het eiland bestaat meestal uit hooge gronden, en is tamelijk wel bebouwd. De bevolking is er thans zeer verminderd, door de rekrutering der armee. Sints 20 jaren heeft Madura het grootste gedeelte der manschappen verschaft, die de Nederlandsche armee in Indië uitmaakte; wordende deze volken voor de strijdbaarsten der Javanen gehouden.

Sumanap, de Hoofdstad van het Prinsdom van dien naam, aan de Z.O. zijde van het eiland gelegen, is groot, wel bevolkt, en drijft een' vrij uitgebreiden handel. Het Fort alhier is van weinig belang.

Pamakasan, de hoofdstad van het Landschap van dien naam, is nagenoeg midden in het eiland gelegen. Het aantal der bewoners wordt op omtrent 5,000 geschat. Ook vindt men er een' schoonen Moorschen tempel, en eene groote markt.

De stad Madura, 3 mijlen van het westerstrand gelegen, is de grootste van het eiland, eh wordt door 7,000 inwoners bewoond. Vele huizen zijn er wel gebouwd, en de Vorst houdt er eenen niet onaanzienlijken Hofstoet.

De eilanden Poelo, Pondij en Giljoen, zijn eene mijl ten Z.O. van Madura gelegen. Het laatste

[p. 45]

is eene mijl breed, ongeveer even lang, en wel bebouwd. Het eerste is kleiner, doch mede zeer vruchtbaar; men vindt er veel vee.

De eenige noemenswaardige eilanden, op de Kust van Java nog te vinden, zijn die van Karimon-Java ten N. van Samarang. Het grootste is hoog, van eenige eilandjes en rotsen omgeven. Men vindt er hout en water.

Sumatra.

De Provinciën van Lampong, op het eiland Sumatra gelegen, verdienen hier het eerst in aanmerking te komen, om dat dezelve, als een konquest van den Koning van Bantam aan het Neêrlandsch Gouvernement afgestaan zijnde, eenigermate beschouwd kunnen worden als tot Java te behooren. Dezelven zijn op het eiland Sumatra gelegen, en op de Kaart no. 1(8) aangewezen.

Alvorens van deze provinciën in het bijzonder te spreken, zal het niet ongepast zijn, eene korte schets te geven van het eiland Sumatra, waarvan dezelve een gedeelte uitmaken; te meer, om dat daarop meerdere bezittingen, aan het Neêlandsch Gouvernement toebehorende, gelegen zijn.

Het eiland Sumatra, in de taal der bewoners Andela genoemd, tusschen den 6den graad noor-

[p. 46]

der- en den 6den graad zuider-breedte, op eene gemiddelde lengte va 110 graden beoosten Greenwich gelegen, heeft eene uitgestrektheid van omtrent 300 uren; de breedte verschilt van 20 tot 70 uren.

Even gelijk Java, wordt het door een' schakel bergen nagenoeg midden doorgesneden, en is overigens vol bosschen, en nader aan de stranden op vele plaatsen moerassig.

Een groot gedeelte van hetzelve is zeer vruchtbaar, en levert overvloedige levensmiddelen op.

De voornaamste voortbrengselen voor den handel zijn: peper, kamfer, tin, Benzoïn, rottings, drakenbloed, wasch en goud. Het laatste vindt men in de mijnen van Kaije, van 18 karaat. In die van Songepago, Menang Kabo, en Rauw, van 19½, en elders van 22. Ook heeft men er eenige andere delfstoffen, en daaronder staal van de beste soort; doch in geringe hoeveelheid.

De natuurlijke inwoners bewonen het inwendig gedeelte, en zijn in eene hooge mate woest en onhandelbaar. - De stranden daarentegen, worden door meer beschaafde volken, meestal van Maleischen of Javaanschen oorsprong, en aan dezen zoo in karakter als gebruiken gelijk, bewoond. Op verscheiden plaatsen aan de Oostzijde hebben zich talrijke benden van zeeroovers gevestigd, die den handel in de Indische zeeën zeer belemmeren, en ongehoorde wreedheden aan de Europézen uit-

[p. 47]

oefenen, welke het ongeluk hebben, van in hunne handen te vallen.

Het Eiland wordt vrij algemeen in drie deelen verdeeld. De bewoners van het noordelijke, waartoe behooren de Rijken van Atjien, Delli en Sinkel, worden Battas genoemd. - De tweede afdeeling bevat het Rijk van Maning Kabo, het Rijk Djambe, Kampara en Bajangkale, op de Oost-Kust; en die op de West-Kust de voormalige Nederlandsche bezittingen van Baros, Tapanoely, Priaman, Padang, en het Rijk van Indrapoura. - De derde afdeeling, Ballum ary of Kampang genoemd, bevat de Engelsche bezitting van Bankoolen, de Lamponsche Provinciën, en het Rijk van Palembang.

Het Koningrijk Atjien, uit het geheele noorderdeel van Sumatra bestaande, is sedert 1599 door de Hollanders bezocht. In 1602 zond de Vorst van dat Rijk een gezantschap naar Holland, en weldra werd er een voordelige handel gevestigd, die echter naderhand geheel verloopen is.

De Hoofdstad van het Rijk Atjien ligt aan eene schoone breede rivier, en heeft 8,000 huizen, allen op palen gebouwd, tegen de overstromingen derzelve. De handel is hier zeer verminderd, en wordt voornamelijk nog door Chinezen en Engelschen gedreven, die er goud en peper voor amphioen (Opium) en Chinesche waaren komen ruilen.

[p. 48]

Bezuiden Atjien, in het Dures-gebergte, vindt men de meeste en beste Benzoïn en kamfer. Ten oosten daarvan, in het Landschap van Simaroma en Batasalmding, heeft men de mijnen van Bating en Sunagang, goud van 22 karaat opleverende.

De inwoners van dit Rijk hebben eenige vorderingen in verscheidene kunsten gemaakt. Zij vervaardigen hun eigen schietgeweer en buskruit, en bewerken het goud. Overigens zijn zij bijgeloovig, en buiten de strand-bewoners meest van den Heidenschen Godsdienst. Hunne begrippen wegens het ontstaan der wereld zijn zonderling. - Zij gelooven echter aan eene toekomstige belooning en straf in eene andere wereld.

De Jongeling, die huwen wil, geeft een' zekeren bruidschat aan den vader, doch heeft het regt, alvorens dien te betalen, zijne toekomstige bruid, terwijl zij naakt uit het bad komt, te bespieden, en het akkoord is verbroken, zoo hij aan haar eenig ligchaams-gebrek ontdekt, dat hem doet verkiezen van haar aftezien. Na het huwelijk is zij, gelijk ook de kinderen, met haar verwekt, zijn wettig eigendom. Hij kan ze beide verpanden en verkoopen naar goedvinden. De Polijgamie is geoorloofd, en de gegoeden maken daarvan gebruik.

Aan het strand ten zuiden van het Rijk van Atjien vindt men de dorpen Sinkel, Baros en Zoerkamm. De Vorstjes alhier zijn weleer in

[p. 49]

een verbond getreden met de gewezen Kompagnie, hetwelk in het jaar 1775 vernieuwd is; doch deze bezittingen zijn naderhand opgegeven.

Drie mijlen zuidelijker lig Tapanoely aan eene zeer veilige baai. Het eilandje, daar voor gelegen, is door de Engelschen bezet geweest, die er een voordeeligen handel in kamfer dreven, en verscheiden dorpen op deze kust bezitten.

Verder ten zuiden ligt het Rijk van Maning-kabo, weleer beroemd, doch thans door inwendige onlusten van een gereten. Deszelfs Vorst heeft in den jare 1666 de hulp der gewezene Kompagnie ingeroepen, om zijne stranden te beschermen tegen de geweldenarijen, die het volk van Atjien omtrent de strand-bewoners pleegde, en bij onderscheidene nadere verdragen is het geheele strand op eene ongelijkmatige diepte in onze handen overgegaan.

Het hoofd-Fort, hier gebouwd en Padang genoemd, ligt in een aangenaam oord, van goed water en met goede inwoners voorzien, aan eene rivier, voor schepen van 100 lasten bevaarbaar, en heeft tevens eene zeer veilige reede bij het eilandje Pising, aan de monding daarvan gelegen. Hier was weleer de zetel van het Hoofdbestuur.

Onder dit hoofdkantoor behooren zeventien aan het strand gelegen dorpen, welke verpligt waren hier de peper, rijst, enz. aan het hoofdkantoor te leveren.

[p. 50]

Verder landwaards in, worden nog vele andere dorpen en peper-plantaadjes gevonden, drie of vier dagreizen van daar. In het gebergte liggen de zoogenaamde Tigablas Kottas, en verder noordelijk Doeapoelo, en Lima Poela Kottas, zijnde de twintig en de vijftig dorpen, waar al het goud gegraven wordt, dat te Padang wordt omgezet. Men houdt deze hoeveelheid voor zeer aanzienlijk. De inwoners bewerken dit metaal tamelijk wel.

Overigens had men aan de uitmonding der meeste riviertjes alhier handelplaatsen opgerigt, als - Priaman, aan de rivier van dien naam gelegen, zeer wel bevolkt. Men pleeg er veel zont te vertieren. - De reede is zeer veilig. In het gebergte, dieper landwaars in Rauw genoemd, vindt men veel goud. De levensmiddelen zijn er goedkoop.

Verder ten noorden heeft men het dorp Toloe, waar vele kooplieden gevestigd zijn, uit hoofde van de gunstige gelegenheid voor den handel.

Nog meer zuidelijk ligt het Rijk van Indrapoura, weleer geheel aan de Kompagnie behoorende. De Vorst van hetzelve, schoon het Rijk erfelijk bezittende, gelijk ook de regenten, door hem aangesteld, werden door de Kompagnie in hunne posten bevestigd.

Het Fortje Adjerherba was hier het hoofd-etablissement, omtrent eene halve mijl van den

[p. 51]

mond der rivier van dien naam gelegen. De reede is er slecht, en de mond der rivier, door eene zandbank verstopt, alleen voor kleine vaartuigen bevaarbaar. Overigens wordt hier veel goud, peper, wasch, olijfantstanden en boomwol gekocht.

Opwaards in het gebergte woonen de Singopaginezen, die vele gondmijnen bezitten.

Verder zuidwaards heeft men het Fortje Ayer Bangas, in eene diepe baai aan eene goede rivier. - Onder deze Residencie behoorden de rivier en landschappen Sicarboe, Schellang, Passaman, Loeboe, Poedang, Tandjang, Batoe, en Bangon.

Men rekende in het algemeen, dat deze Landen aan de Kompagnie voormaals verschaften 1000 marken goud, 3 of 4 duizend pikols peper, zes pikols kamfer, 15 of 16 duizend pikols Benzoin, behalve het geen door den bijzonderen handelaar uitgevoerd werd.

Het bezit van deze kust was weleer voor de Kompagnie van veel belang, als eene geschikte markt voor hare lijnwaten verschaffende. Ook werd hier eertijds een aanzienlijke voorraad zout verkocht, en het een en ander betaald met de waaren, zoo even opgegeven.

Het is echter te vreezen, dat het langdurig bezit van deze Landen en derzelver handel door de Engelschen, voor onze belangen nadeelig zal bevonden worden, te meer, daar het regt op dezelven voor-

[p. 52]

namelijk voortgesproten is uit vrijwillige overeenkomsten van die volken, met het voormalig Gouvernement aangegaan, en deze overeenkomsten welligt door latere verbindtenissen kunnen geleden hebben of verbroken zijn.

Na de meest mogelijke vermindering van den omslag op deze kust, rekende men de kosten van het onderhoud der etablissementen op 50 of 60 duizend gulden, en de inkomsten, door den toenemenden handel der Engelschen, waren reeds destijds tot op 60 of 70 duizend verminderd.

Verder ten zuiden heeft men de distrikten, aan de Engelschen toebehoorende, en van het hoofd-etablissement Bankahoelo, gewoonlijk Bankoola of Benkoelen genoemd, afhankelijk. Hun handel bestaat voornamelijk in peper, goud en kamfer. De lasten van het onderhoud werden door hen te voren op 89,744 piasters, en de inkomsten op 77,636 geschat. Door het bezit echter van deze geheele kust, gedurende den loop van den oorlog, en dus zonder eenige mededinging in den handel, is het te vooronderstellen, dat deze inkomsten zullen uitgebreid zijn.

Onder de eilanden op deze kust is Nias het aanmerkelijkste, waarop men meer dan 50 dorpen vindt; doch hetzelve levert voor den handel niets op. - Voor dezen kocht men er slaven. De overige eilanden, als Minlaon, Goedfortuin, Nassau, en Engano, zijn van weinig beduidenis.

[p. 53]

Beoosten de bezittingen der Engelschen vindt men de Landschappen, de Lampongs genoemd, in vollen eigendom aan het Rijk der Nederlanden behoorende. Het land is voornamelijk bewoond langs de rivieren, genoemd: Lampong, Samanka, Kalande, Selleba, Poeti, Poeginga, en Toeling Bauwang.

Het westelijk gedeelte is door de rivier Mokara Selima van de bezittingen der Engelschen afgescheiden.

De grond langs de zee, en langs de oevers der rivieren, is meestal laag en moerassig, doch zeer vruchtbaar, inzonderheid in peper; - men heeft er ook boomwol en eenig goud. De rivieren werden eertijds door Fortjes verdedigd, die echter alle gedurende den voorgaanden oorlog verlaten zijn.

De inwoners leverden voormaals de peper aan den Koning van Bantam, tegen 7 piasters de bahar (een gewigt van 375 illustratie), zijnde nog geen stuiver per pond, en deze was op zijne beurt verpligt, die aan de Kompagnie afteleveren tegen 2½ gelijke stuivers. De hoeveelheid, jaarlijks op deze wijze verkregen, heeft doorgaans drie millioenen ponden bedragen; dan, gedurende den oorlog hebben zich hier zoo vele zeeroovers gevestigd, dat de invloed, zoo wel van den Koning van Bantam als van het Neêrlandsch Bestuur, opgehouden heeft te bestaan; en hiermede is de peper-kultuur nagenoeg te gronde gegaan. En

[p. 54]

schoon het niet onmogelijk is, in tijd van vrede de zaken hier te herstellen, en op den ouden voet terug te brengen, zal dit echter eenigen tijd vorderen.

Ten noorden der Lampongs ligt het Rijk van Palembang, door een' Koning bestuurd, die zich eertijds verbonden had, om het tin en de peper, in zijn Land vallende, tegen bepaalde prijzen aan het Hollandsch Gouvernement te leveren; dan deze heeft zich aan die verbindtenis in den jare 1811, bij gelegenheid dat het eiland Java door de Engelschen genomen werd, ontrokken, en alle Europeanen in een Fortje, digt bij de Hoofdstad gelegen, op eene verraderlijke wijze doen ombrengen. Het Engelsch Gouvernement heeft gemeend dezen moord te moeten wreken, en na de Hoofdstad veroverd te hebben, is de Vorst onttroond, en zijn Broeder in zijne plaats gesteld. De cilanden Banka en Billeton, tot dit Rijk behoorende, zijn bij die gelegenheid aan het Engelsch Gouvernement afgestaan, en bij het verdrag van den 13 Augustus 1814 begrepen in die bezittingen, welke door het genoemde Gouvernement aan dat der Nederlanden terug gegeven worden.

Het Rijk van Palembang, voor zoo verre het op Sumatra gelegen is, wordt door vele rivieren, meestal zeer moerassig aan de uitmondingen, doorsneden, en waarvan Monssy Ogang, Bangoe-

[p. 55]

ässing, en Komoryn de voornaamste zijn. De beneden-landen zijn zeer boschrijk, en door de laagte en menigte van poelen voor de bebouwing meestal ongeschikt.

Het inwendig bergachtig gedeelte is te eenenmale onbekend. Door den wantrouwenden aard van den Koning van Palembang heeft men hieromtrent de noodige kennis niet kunnen erlangen; dan daar hetzelve peper, vruchten, groenten, zwaar hout, drakenbloed, Benzoin, kamfer en eenige andere waaren voortbrengt, mag men onderstellen, dat het niet onvruchtbaar is.

Deze binnenlanden staan onder het bestuur van onderscheiden Hofgrooten en Prinsen van den bloede, op gelijke wijze als zulks op Java in de Vorsten-landen plaats heeft.

De inwoners zijn deels van Maleische, deels van Javaansche afkomst, en vereenigen met zeer weinige goede hoedanigheden, de gebreken van beiden. Vele vreemdelingen, van de zijde des Konings altijd daartoe aangemoedigd, hebben zich in het rijk van Palembang gevestigd. Men vindt er inzonderheid vele Chinezen, gelijk mede afstammelingen uit de Rijken van Cochinchina, Siam, Patania en Mandhaveren.

De Mohammedaansche geestelijkheid heeft er veel invloed, en misbruikt op eene schandelijke wijze de ligtgeloovigheid van het volk. De Policie is

[p. 56]

er zeer slecht, en de moorden en dieverijen zijn er menigvuldig.

De hoofdstad, Palembang genoemd, op 2 graden 58 minuten zuider-breedte, en op 104 graden 54 minuten ooster-lengte, aan de beide oevers van de rivier Moassij gelegen, op een' moerassigen grond, 18 mijlen van zee, ongeveer twee mijlen lang, en van vele grachten en kanaaltjes doorsneden zijnde, - is men verpligt, even gelijk te Venetië, altijd een vaartuig te gebruiken, om zich van het ééne naar het andere gedeelte der stad te begeven. De rivier is voor schepen, tot 14 voeten diep gaande, bevaarbaar. De bevolking is er talrijk; dan, de huizen zijn slechts van bamboezen, op palen gebouwd, en met adap (eene soort van lies) gedekt.

Onder de aanzienlijke gebouwen wordt een tempel, en het paleis van den Koning gerekend. De eerste zou door een Europeër gebouwd zijn, zijnde een langwerpig vierkant met twee vleugels. - De muren zijn van groote glasramen voorzien, en met gladde pilasters versierd.

Het paleis is met dikke muren omringd, en bestaat uit onderscheidene gebouwen. Geene andere dan des Sultans vrouwen hebben toegang tot het inwendig gedeelte, zoo dat daarvan weinig berkend is.

Vóór hetzelve ligt eene zware batterij, die de rivier bestrijkt, en met verscheiden stukken ge-

[p. 57]

schut bezet is. De bevolking der stad wordt op 20 of 30,000 zielen geschat, waaronder 300 Arabische familiën, die een bijzonder kwartier bewonen; 700 Chinézen hebben zich op den regter-oever der rivier in de Chinésche Kampong gevestigd.

Het Hollandsch Fort, in de laatste onlusten gesloopt, was mede op den regter-oever gelegen.

Eene halve mijl van Palembang verdeelt zich de rivier in twee breede armen. Aan één derzelven ligt een lusthuis van den Sultan, uit verscheidene huizen en tuinen bestaande, en met riviertjes doorsneden, die hier zoo vele eilandjes vormen, dat men aan deze plaats den naam van duizend eilandjes gegeven heeft.

De levensmiddelen zijn er schaarsch; de akkerbouw is zeer verwaarloosd, en de ingezetenen bestaan veelal van de rijst, op Java gewonnen.

In verscheiden ambagten hebben zij eenige vordering gemaakt, gelijk in het goud- en zilver-smeden, koper-gieten, timmeren, schrijnwerken; zelfs wordt er geschut gegoten, en er worden geweeren gemaakt; zoo ook zijden stoffen.

Palembang is overigens minder ongezond, dan men van de moerassige ligging verwachten zoude. Men vindt er weinig zieken, en vele oude lieden.

Van de dieren en visschen heeft men er nagenoeg dezelfde soorten als op Java, gelijk ook olijfanten. De peper, door den Koning aan het

[p. 58]

Gouvernement geleverd, heeft doorgaans 1½ of 2 millioenen ponden bedragen, en zulks tegen den prijs van 1½ à 2 stuivers het pond; ook ontvingen wij omtrent 25,000 pikols tin, uit de mijnen van het eiland Banka voortkomende. - Het onderhoud der bezitting te Palembang kan op ƒ15,000:- jaarlijks geschat worden. De inkomsten, buiten de voordelen van den handel, en die op de peper en het tin behaald worden, zijn gering, en bedragen naauwelijks ƒ400:-

Benoorden Palembang ligt het Rijkje Djambe, aan eene zeer groote rivier. - Hetzelve geeft thans weinig peper.

De rivier Andragirij, aan deszelfs noordzijde, ontspruit diep landwaards in het Manikabosche gebied, zoo dat de volken aan de oostzijde van het eiland, door middel van deze rivier, handel drijven met die van de westelijke oevers. Voormaals behoorde dit distrikt tot het Gouvernement van Malakka; hetzelve schijnt, daar het Land zeer vruchtbaar is, en veel peper en goud voortbrengen kan, de bijzondere aandacht van het Gouvernement in Indië waardig te zijn.

Het Landschap Kampara, verder ten noorden, is het kleinste van allen, en gelijk de overige nog meer noordelijke, weinig bekend en van geen belang. Het noordelijkste en laatste aan de oostkust, grenst aan de landen der Patassers, en is voornamelijk beroemd door de zeerooverijen,

[p. 59]

welke zich deze volken veröorlooven, en waarvan zij zich onderhouden, doch heeft overigens niets bijzonders.

Oostelijke Eilanden, tot sumatra behoorende.

Hier komt in de eerste plaats in aanmerking het gewigtig eiland Banka, bij kontrakt van den 17 mei 1812 door den Koning van Palembang in vollen eigendom aan de Engelschen afgestaan, en begrepen onder die Landen, welke door het Britsch Gouvernement aan dat der Nederlanden worden terug gegeven.

Hetzelve is, door de straat van dien naam, van het Eiland Sumatra afgescheiden, en bevat de rijke tin-mijnen, waaruit in vroegere jaren meer dan 25,000 pikols tin, ieder van 125 illustratie, door den Koning aan de gewezene Kompagnie geleverd werden; en voorzeker moet er eene veel grootere hoeveelheid worden gegraven, daar er op Palembang een sterke smokkelhandel in deze delfstof gedreven werd. - Aan den Koning werden Rds. 15 voor de pikol, en de daarop loopende ongelden van transport betaald. - De verkoopsprijs van het Gouvernement bedraagt Rds. 25 of 30:- zoo dat de winst 12 Rds. op ieder pikol bedraagt. Deze waar is van veel belang voor den handel op China, behoorende tot die weinige, welke aldaar, in plaats van geld, ter inkoop van Chinésche goederen kunnen worden gebruikt.

[p. 60]

De grond van het eiland in het algemeen is zeer hoog, met veel hout begroeid, doorsneden van kleine beekjes en rivieren, en bijna overal vruchtbaar.

De bevolking, voor zoo verre die in Chinezen bestaat, is er vrij talrijk, en bedraagt meer dan 25,000 zielen, welke zich voornamelijk geneeren met het graven van tin uit de voornaamste mijnen, aan de baaijen.

De natuurlijke landzaten bewonen de districten van Tanjong, Belar, Antang, Klabet, Blingo en Tamblang; zij zijn in evenredigheid minder talrijk, en komen in karakter en hoedanigheden nagenoeg met die van Palembang overeen.

Door de Engelschen is aan de westzijde een Fort gebouwd, Minto genoemd, aan den voet van den berg Minapin, nagenoeg tegen over de rivier van Palembang.

Hier bij ligt eene inlandsche stad amfitheaters-gewijze langs de helling van den berg. Ook vindt men er eene veilige ligging voor schepen, en een' goeden ankergrond, op 6 tot 12 vademen water.

Dit eiland heeft meer andere baaijen en havens, ten uiterste geschikt voor schepen; dan dezelve zijn niet naauwkeurig genoeg opgenomen, om er iets bepaalds van te kunnen zeggen. Meer ten noorden ligt het mede nieuw gebouwd Fortje Nagant, op eene plaats, welke voormaals inzonderheid strekte ter bescherming der zeeroovers,

[p. 61]

die zich op de Kust van Sumatra onthouden, en welke zich doorgaans hier onder de bescherming van den Sultan van Palembang plegen te verzamelen.

Indien ergens, dan is het voorzeker hier, dat er een gunstig uitzigt zich opdoet, om eene talrijke volkplanting van Chinézen in onze bezittingen te vestigen. Reeds is het aantal van hen, die dit eiland bewonen, talrijk. De grond is er vruchtbaar, en het hout overvloedig, en dus heeft men er al het noodige, wat tot het aanleggen van suiker-plantaadjes, en ter voortbrenging van andere koloniale produkten, vereischt wordt.

De nabijheid van Batavia, - de vele Chinézen in die stad gevestigd, - de duizende, die jaarlijks nieuw aankomen, - dit alles maakt de uitvoering van zoodanig ontwerp zoo wel zeker als gemakkelijk, en reeds te voren heeft men gezien, hoezeer de omstandigheden, ten aanzien van de mogelijkheid om door vrijen arbeid in het vervolg eene grooter hoeveelheid produkten voorttebrengen, gunstig veranderd zijn. -

Het Eiland Belton of Billeton, mede bij het kontrakt van den 17 Mei 1812 aan de Engelschen afgestaan, ligt tusschen de 2 en 3 graden zuider breedte, en op 108 graden oosterlengte. Van het inwendig gedeelte is weinig bekend; men weet alleen, dat het vele ijzermijnen bevat, en eene

[p. 62]

zeer goede soort van staal levert. De inwoners zijn geenszins van den besten aard. De schepen van Europa, naar China gaande, gaan tusschen de eilanden van Banka en Billeton door, en uit dien hoofde kan welligt een dezer eilanden een militair punt van veel belang worden.

Malakka.

Het Schier-Eiland Malakka (zie de kaart n.o 1) op eene gemiddelde breedte van 5 graden ten noorden der linie, en op 102 ooster-lengte gelegen, is ruim 200 uren lang, en van 50 tot 40 breed.

Het inwendig gedeelte is vol bosschen, moerassen en wildernissen. - De weinige bewoners daarvan zijn van een' hoogst verraderlijken aard, zoo dat het tot dus verre onmogelijk geweest is tot in het binnenste gedeelte doortedringen. Alle pogingen daartoe, zoo wel ten tijde van het Hollandsch als van het Engelsch Bestuur ondernomen, zijn vruchteloos uitgevallen.

De volken langs de kusten schijnen afstammelingen te zijn uit de naburige eilanden, inzonderheid van Sumatra en Java, met welke zij, zoo in godsdienst als karakter, veel overeenkomst hebben, en voornamelijk met de eerstgenoemden. Men vindt er zes Rijkjes, als dat van

[p. 63]

Patana, en Pahan aan de oost-kust, Djohar aan het zuidelijk einde dat van Salingoor en van Peirach en Queda aan de west-kust, op welke ook gelegen is de zoogenoemde Maleische kust, en de hoofdstad Malakka, naar welke dit schiereiland genoemd wordt.

Deze stad, op 2 graden 12 minuten noorderbreedte, en op 102 graden, 10 minuten oosterlengte gelegen, was bij de aankomst der Portugezen in de Oost in eenen zeer bloeijenden toestand, en vooral met een groot getal vreemdelingen uit andere Landen van Indië bevolkt. De Portugezen in den jare 1511 door list van dezelve meester geworden zijnde, week de toemalige Koning naar de straat van Sinca-Poura, bouwde er eene stad, en stichtte er een nieuw Rijk, dat nog bestaat, en bekend is onder den naam van Djohar. Wel ras bouwden de Portugezen bij de stad Malakka eene vesting, aan den voet van eenen berg, waar het riviertje Gimangi voorbij stroomt. Men heeft hier eene goede reede tusschen twee eilandjes, groot genoeg om eene vloot te bevatten.

In den jare 1641 is deze vesting door de Nederlanders, na een langdurig beleg, bij storm ingenomen, en tot den jare 1795 bezeten. Gedurende dit bezit zijn de vestingwerken nog verbeterd, en gelijk de stad, van vele nieuwe

[p. 64]

gebouwen voorzien. De handel is er blijven bloeijen tot de overgave in den jare 1795 aan de Engelschen, die den handel van het nabij gelegen eiland Poelo-Pinang, hun toebehoorende, ten koste van Malakka hebben aangemoedigd en uitgebreid. Thans is die van Malakka naauwelijks noemenswaardig, en het zal veel moeite kosten dezelve uit het diep verval, waarin die geraakt is, weder optebeuren. Niettemin doet de voordeelige ligging van Malakka hoopen, dat hiertoe een middel gevonden zal worden. Malakka is van te meer gewigt, om dat hetzelve benevens Batavia beschouwd kan worden, als de sleutel der eilanden en Landen, beoosten Sumatra gelegen, dewijl de schepen of door straat Sunda, of door de straat van Malakka, gewoon zijn derwaards te zeilen; en schoon het niet onmogelijk is achter Java om, en door eene der straten, van de oostelijke eilanden derwaards te komen, is het niettemin zeker, dat deze vaart met veel meer bezwaren verbonden is.

Indien de stad Malakka van eene versterkte haven voorzien worden kan, zou het een militair punt van het hoogste belang uitmaken(9). Buiten de stad heeft men eenige voorsteden, die aan de noordzijde, uit eene enkele straat bestaande, Fraqueris genoemd worden; zij is voornamelijk

[p. 65]

met Chinézen, Mooren, en afstammelingen der Portugezen bevolkt. - Aan de overzijde der rivier ligt eene andere stad, die mede uit eene enkele straat bestaat, zijnde door Chinézen en Portugezen bewoond.

Het grondgebied van de gewezene Kompagnie alhier strekt zich uit bezuiden de stad tot aan de rivier Moar, en ten noorden tot aan de Kaap Rochado. Eenige weinige dorpen, in dat gebied gevonden wordende, zijn alleen door een klein getal Maleijers bevolkt, en verdienen de moeite eener beschrijving niet.

Uit het naburig en onderhoorig Rijkje Pera pleeg eenig tin, goud en harpuis, getrokken te worden, doch niet in aanmerkelijke hoeveelheid.

In de overige Rijkjes op de Kust wordt door de Chinézen, die daar in grooten getale gevestigd zijn, veel handel gedreven.

Door den handel, die voormaals te Malakka gedreven werd, verschafte deze bezitting ook aan het Gouvernement toereikende voordeelen, om de lasten, die in de laatste jaren ƒ263,031-7-: bedragen hebben, goed te maken; dan, het voornaamste belang der bezitting van dit schier-eiland bestaat, gelijk reeds gezegd is, in de gunstige ligging van de stad Malakka, als eene geschikte markt voor den vrijen handel in Indië, en eene gunstige aanleiding om vele voortbrengselen der andere bezittingen te vertieren.

[p. 66]

Het Eiland Borneo.

Het eiland Borneo, - (zie de kaart no. 1) - ligt ten oosten van het schier-eiland Malakka, tusschen den 4den graad zuider-, en den 7den graad noorder-breedte, en tusschen de 108e en 118e graden ooster-lengte, zijnde nagenoeg 225 uren lang, en 170 of 180 uren breed, en dus in oppervlakte veel grooter, dan geheel Frankrijk. De luchtstreek verschilt hier weinig van die op Java. Alléén zijn de stranden in het algemeen meer moerassig, en uit dien hoofde veeltijds ongezond.

Het is den Europeërs niet gelukt, tot het inwendig gedeelte doortedringen. - De bosschen, de wildernissen, gebrek aan wegen, en de woeste aard der bewoners, hebben dit tot dus verre verhinderd. Dit inwendig gedeelte wordt bewoond door een volk, Beajes, ook wel Dajakkers genoemd, terwijl de stranden door Maleijers en andere inwoners der naburige eilanden bevolkt zijn.

De Dajakkers zijn niet talrijk, zeer onbeschaafd en werkeloos. Hunne gebruiken zijn wreed en ongerijmd. Niemand, bij voorbeeld, gaat een huwelijk aan, of hij is verpligt, één of meer menschen-hoofden aan zijne bruid te leveren, en om die te bekomen, verschuilt hij zich met eenige zijner nabestaanden in de wildernissen, overvalt en vermoordt den eersten den besten, dien hij van een naburig volk overvallen of vermeesteren kan, het

[p. 67]

zij, vrouw, kind, of man. Deze kop wordt dan voor het huis van de nieuw getrouwden ten toon gesteld.

Men kan hieruit nagaan, welk een afzigtig voorkomen hunne met menschen-hoofden versierde dorpen hebben moeten, en hoezeer eene instelling, die als een altoos durende bloedige oorlog tusschen de onderscheidene volken beschouwd worden kan, het toenemen der bevolking verhindert. - Het inwendig gedeelte heeft daarom ook meer het voorkomen van eene onafgebroken' woestenij, dan wel van een bewoond land.

De volken, meer aan de stranden wonende, en dikwerf uit het slechtste zamenraapsel der naburige eilanden bestaande, leven veelal van den zeeroof, en zijn zeer trouwelooze en verraderlijke menschen. Van hier dan ook, dat zoo vele en herhaalde pogingen der Europeërs, om zich op onderscheiden gedeelten van het eiland te vestigen, mislukt zijn. -

In het Rijk van Banjermassing, en in het landschap Sukkadana, of Landak aan de west-zijde gelegen, en voormaals aan den Koning van Bantam behoorende, heeft het inwendig bestuur eene meer regelmatige gedaante verkregen. De Vorst van het eerste Rijk heeft met de gewezene O.I. Kompagnie in den jare 1747 een nader kontrakt gesloten, waarbij de handel, met uitsluiting van alle anderen, aan haar werd afgestaan, en de prijs der peper tegen 3 stuivers het pond geregeld.

Aan den mond der rivier is in later' tijd een

[p. 68]

Fortje aangelegd, Tabaniauw genoemd, en hooger op vindt men een tweede, Tatis geheten.

Het Rijk van Banjermassing is een der grootste van het eiland, en de rivier van dien naam voor vaartuigen, 13 of 14 voeten diep gaande, bevaarbaar. Het eiland is in het algemeen dun bewoond, doorsneden met vele rivieren, en van eenige goede havens voorzien, gelijk de baai, waarin de rivier Sampet uitloopt. Hierdoor is er de gelegenheid tot het drijven van handel gunstig. De waaren, die er vallen, bestaan in goud, peper, diamanten en andere edele gesteenten, kamfer(10), rottings, vogelnestjes, Benzoïn, wasch, stroomatten, drakenbloed, eenig ijzer en koper, en zeer goed timmerhout.

In het algemeen echter moet men aanmerken, dat de hoeveelheid van ieder dezer waaren in het bijzonder, niet evenredig is aan de uitgebreidheid van den grond, en den vermoedelijken rijkdom der mijnen. - De geringe bevolking en de luije geaardheid der inwoners, laten niet toe van dezen al de voordelen te trekken, die men met eene arbeidzame bevolking van dezelven verwachten kon.

De hoeveelheid peper, welke de Vorst van Banjermassing aan de Kompagnie pleeg te leveren, kan 40 of 50,000 illustratie 's jaarlijks bedragen heb-

[p. 69]

ben. De overige artikelen worden door den partikulieren handel tegen voortbrengselen van Java, inzonderheid tegen rijst en zout, ingeruild, en verschaffen aan het Gouvernement geene regtstreeksche voordeelen.

De landschappen Landak en Sukkadana zijn in den jare 1778 in vollen eigendom door den Koning van Bantam aan de gewezene Kompagnie afgestaan, en behooren alzoo thans aan het Nederlandsch bestuur.

Een klein Fortje, Puntiana genoemd, hier gebouwd, ligt aan de rivier Landak, ongeveer 10 uren van de uitmonding, en strekt ter bescherming van den handel. De waaren, hier te vinden, bestaan voornamelijk in ruwe diamanten, kamfer, Benzoïn, Bezoar, vogelnestjes en goud, doch in geringe hoeveelheid; moetende dezelven ingeruild worden van de bewoners, meer dan drie honderd uren reizens van de stranden verwijderd, en in de binnenlanden wonende. De goederen, hier getrokken, zijn voornamelijk rijst, zout, grove lijnwaten, en gemeen porselein.

De bevolking is ook hier zeer gering en werkeloos. Een Vorst, te Landak woonachtig, 30 of 40 uren de rivier opwaards, - want, tot zoo verre is dezelve bevaarbaar, - staat in eene vriendschappelijke betrekking tot het Nederlandsche Gouvernement.

De Vorstendommen van Sambas en Hermata staan onder de gehoorzaamheid van een ander

[p. 70]

Vorst, die zeer magtig is, en voormaals met de Kompagnie handels-betrekkingen onderhield. Andere etablissementen zijn er thans niet op Borneo, en de opgenoemde verschaffen naauwelijks zoo vele inkomsten, dat daaruit de onkosten goedgemaakt kunnen worden. Dan, hoe zeer deze bezittingen voor alsnog geene belangrijke voordeelen verschaffen, kan het echter niet betwijfeld worden, of een zoo rijke grond, bearbeid door eene ijverige natie, niet eene groote hoeveelheid van kostbare voortbrengselen zoude opleveren. Ook hier zouden waarschijnlijk volkplantingen, uit Chinézen bestaande, onder bescherming van een toereikende krijgsmagt en goed bestuur, de zaak zeer van gedaante doen veranderen, en eene thans nagenoeg nuttelooze bezitting hoogst belangrijk kunnen doen worden.

De vruchtbaarheid van het land, en de gelegenheid, om van de inlandsche volken kostbare waaren interuilen voor levensmiddelen, zoude aanvankelijk eene toereikende beweegoorzaak opleveren, om den grond te bebouwen, en met het toenemen der bevolking zoude het niet moeijelijk zijn, dieper landwaards in, etablissementen opterigten, en alzoo de bronnen der rijkdommen meer te naderen, dezelve gemakkelijker te doen vloeijen.

De overige Vorstjes, op de stranden van Borneo gevestigd, drijven een' vrijen handel, voornamelijk met de Chinézen. Onder deze Vorstjes is de

[p. 71]

Sultan van Borneo het noordelijkste Rijk op dit eiland, en tevens het aanzienlijkste. De Vorstjes van Motha, Seribas, Klokke en Pato zijn hem cijnsbaar. In de hoofdstad van zijn Rijk, aan eene schoone rivier van dien naam gelegen, wordt veel handel gedreven in goud, paarlen, vogelnestjes, Benzoïn, rijst, kamfer, en eenige andere waaren van minder belang. Vele Chinézen hebben zich in de hoofdstad gevestigd, en bouwen er schepen aan van 2 of 300 tonnen, die zij zelve bevaren. Op het overig gedeelte van het eiland is de handel door de menigte van zeeroovers zeer onveilig, en van weinig beduidenis.

Het Eiland Celebes.

Celebes - (zie de Kaart no. 1) - gelegen tusschen den 1e graad 30 minuten noorder-, 5 graden 50 minuten zuider-breedte, en tusschen de 119e en 125e graden ooster-lengte, is van eene zeer onregelmatige gedaante.

De grond, algemeen vruchtbaar, met vele rivieren doorsneden, bij afwisseling hoog en laag, echter minder bergachtig dan Java, brengt den kruidnagel- en notemuskaat-boom voort, die echter zoo veel mogelijk wordt uitgeroeid. Behalve dezen groeit er de Sago en Broodboom weelderig, en in het algemeen tieren er alle vruchten, eigen aan de eilanden in dezen Archipel.

Rijst, en alles wat tot levensonderhoud voor

[p. 72]

den inboorling noodig is, wordt er overvloedig gevonden. Het katoen van dit eiland is beter van soort, dat dat van Java.

Overigens levert het aan den koophandel goud, doch van een gering gehalte, sandel- en ebbenhout.

De paarden van dit Land zijn beroemd; verscheurend gedierte vindt men er weinig; doch daarentegen zijn de bosschen met apen als bevolkt. Ook zijn er de onderscheidene geslachten van wilde varkens talrijk, en het pluimvee is er overvloedig.

De inwoners, zoo wel in de provinciën, aanhet Rijk behoorende, als de onderdanen der onderscheidene, van elkander onafhankelijke Vorsten, worden voor de strijdbaarste van de Indische eilanden gehouden; inzonderheid die van het Rijk Makassar, welke tevens bij eene groote dapperheid de, onder deze Natiën zeldzame, eigenschap bezitten, van minder tot verraderlijke aanslagen genegen te zijn.

De Boeginezen echter, en eenige anderen, zijn in eene hooge mate moordzuchtig en wraakgierig; doch ook aan den anderen kant vatbaar voor de sterkste verhegting en eene onovertrefbare getrouwheid, waarvan velen, als slaven naar onze bezittingen gevoerd, meermalen de doorslaandste bewijzen gegeven hebben.

De landbouw is er, inzonderheid in het zuide-

[p. 73]

lijk gedeelte, niet gelijk te stellen met dien op Java; echter bezitten zij meer vlijt en vernuft, dan vele hunner naburen. - Inzonderheid hebben zij eenige vorderingen gemaakt in het weven van kleedjes, en in het bewerken der metalen. Algemeen worden zij voor de beste en moedigste zeelieden der Oost-Indische volken gehouden. Het is zonder voorbeeld, dat ooit één hunner vaartuigen, door welk eene overmagt van zeeroovers ook aangevallen, zich over geeft. In zoodanige gevallen vechten zij zich dood, of steken de lont in het kruit, en doen hunne bespringers met zich in de lucht vliegen. Bij eene meerdere beschaving, zou dit volk zich spoedig op eene voordelige wijze onderscheiden.

De Regeringsvorm is in de onderscheidene deelen van het eiland zeer verschillende, en in eenige Rijken, in het zuidelijkst gedeelte gelegen, minder willekeurig, dan in de Vorsten-landen op Java. In vele derzelven wordt de Opper-vorst door de gezamenlijke Rijksgrooten verkozen, en deze is verpligt, in zaken van groote aangelegenheid hen te raadplegen. Zelfs vrouwen bestijgen er den troon, en hebben meermalen met roem geregeerd. - De ingezetenen dezer Staten, hoewel schatpligtig aan hunne hoofden, zijn niet geheel van hunne willekeur afhankelijk. De daden kunnen alleen volgens de wetten beoordeeld worden, en schoon deze, zoo wel als de regtsplegingen zelve,

[p. 74]

nog zeer onvolledig en gebrekkig zijn, levert niet-temin het geheel een bewijs op van een' hoogeren trap van beschaving, dan de overige omliggende eilanders tot dus verre bereikten. Het beginsel van eigendom en persoonlijke veiligheid, hoe onvolkomen dan ook gewijzigd, bestaat er. -

De staat der maatschappij bij zoodanig een volk vertoont zich onder eene andere gedaante, dan bij den onderworpen Javaan, of den woesten Maleijer. Het verstand heeft reeds zoo veel uitbreiding bekomen, dat het de gelijkheid inziet, en de middelen aan de hand geeft, om bezittingen voor ieder verkrijgbaar te maken, en te behouden; dan, in de keuze der beste middelen is nog weinig voortgang gemaakt. De zamenleving is bij zoodanig een volk zelden vreedzaam; de behoefte daaraan wordt gevoeld, maar het middel is nog niet gevonden, om de inbreuken van bijzondere personen op de algemeene belangen, door wetten, voor allen geldende en verbindende, behoorlijk te beteugelen. - De wraak en eigen genoegdoening verstoort nog te dikwerf de rust der maatschappij. - De menschelijke driften, door de zucht om te bezitten opgewekt, zijn hier geweldiger dan bij die volken, waar diepe onverschilligheid zich met eenige weinige ligt verkrijgbare zaken vergenoegt; de werking dezer driften binnen de enge grenzen te bepalen, welke de veiligheid van ieder in het bijzonder waarborgt, - dit vordert eenen graad van

[p. 75]

beschaving, waarvan velen, die nimmer den staat der maatschappij in hare laagste trappen beschouwden, zich moeijelijk een denkbeeld vormen kunnen; en de overgang van blinde onderwerping aan een willekeurig gezag, tot eene geregelde en billijke ondergeschiktheid aan de wetten, op het algemeen belang gegrond, is welligt de moeijelijkste stap, dien ieder volk in den loop van zijne beschaving te doen heeft. Gedurende dezen overgang is de staat der maatschappij als in gisting, en de botsing der onderlinge belangen geeft telkens aanleiding tot daden van geweld. Niet zelden is de tusschenkomst van een magtiger en meer beschaafd volk noodig, om de maatschappij bij zulk een volk tot orde en rust terug te brengen; doch gedurende deze algemeene gisting der hartstogten, ontwikkelt zich de energie van het nationaal karakter; de zucht om te bezitten spoort aan tot werkzaamheid, en tot die van te behouden. Van hier dan ook, dat de oorlogen met deze volken zoo menigvuldig geweest zijn, en onze invloed in het zuidwestelijk gedeelte van dit eiland tot heden toe zoo zeer bepaald is, en alleen door eene sterke krijgsmagt zoude kunnen worden uitgebreid.

De bewoners van het meer noordelijk en oostelijk gedeelte daarentegen, door de Koningen van Ternaten in vroeger tijd overwonnen en tot gehoorzaamheid gebragt, hebben een meer onderwerpelijk karakter verkregen, - het noodwendig

[p. 76]

gevolg van den aard der regering, over hen gesteld, en veelal, even gelijk die van Java, met het leenstelsel onzer middel-eeuwen overeenkomende.

De regten van het Nederlandsch Gouvernement op dit eiland, ten aanzien van de oppermagtige Vorsten, zijn voornamelijk gegrond op het kontrakt van Bongaij, na een' langdurigen en bloedigen oorlog, den 18 november 1667 met den Admiraal speelman gesloten, waarbij gewezene Kompagnie werd erkend als beschermheer en bemiddelaar der geschillen van de voornaamste Vorsten, onder wederkeerige verpligting van zich onderling bijtestaan en hulp te verleenen, met uitsluiting aller vreemde Europésche natien van den handel op dit eiland. Deze verbindtenis is door verscheidene nadere verdragen, meestal na bloedige oorlogen, bevestigd, bij eenige van welken verscheidene veroverde provinciën aan de Kompagnie zijn afgestaan.

Een volk van zoodanige gemoedsgesteldheid is zeer moeijelijk te besturen, en de ondervinding heeft tevens geleerd, dat hun meerdere ijver en arbeidzaamheid geenszins het aankweken der voortbrengselen van Europésche konsumtie, als koffij, peper, suiker enzv. ten gevolge heeft. Integendeel heeft dezelve eene strekking gehad, om de rijst-kultuur en het aankweken van katoen voor hunne eigene weverijen, de scheepvaart, en hunnen handel met de omliggende volken uittebreiden, en

[p. 77]

de voortbrengselen, die het eiland Celebes thans voor de markt van Europa oplevert, zijn zoo gering, dat de voordeelen daarvan geenszins opwegen tegen de kosten, die de bezetting van dit eiland vordert. Intusschen, zoo ergens, dan is het voorzeker hier, dat met schijnbaar goed gevolg eene landrente, (in die zuidwestelijke provinciën, namelijk, die ons in eigendom toebehooren), - zou kunnen worden ingevoerd, op den voet en de wijze, als zulks op Java door de Engelschen is geschied; met die bepalingen echter, welke het belang der nationale hoofden vordert, en vooruitgesteld, dat het Gouvernement de magt en middelen bezitte, om zoodanige inrigtingen, die altijd met de belangen van eenige grooten strijden, intevoeren, en om de voorschotten te kunnen goedmaken, welke het onderhoud eener sterkere krijgsmagt, ter bewaring der binnenlandsche rust en orde, in dat geval vordert.

De natiën, hebben hier dien graad van beschaving bereikt, dat eene zoodanige instelling meer met hunne begrippen strooken zou, dan wel elders, en zijn ook reeds gewoon, ten minsten hebben zij de verpligting erkend, om zeker gedeelte van den oogst als jaarlijksche schatting te betalen, schoon die, bij gebrek van toereikende magt, doorgaans slecht ingevorderd, en nog slechter betaald wordt.

Het invoeren van dwang-kultures, voorzeker

[p. 78]

meer met onze belangen strokende, schijnt mij in de zuid-westelijke streken eenen graad van dwangen hulpmiddelen te vorderen, die gedurende vele jaren al de voordeelen daarvan zoude verslinden, ongerekend het gevaar, aan het invoeren van een stelsel, strijdig met de begrippen dezer volken, verbonden.

Bij de volken van het noordelijk en oostelijk gedeelte